CConstaterende datAlkmaar
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2- Technische vragen Quickscan ecologie - Recreatieschap Geestmerambacht

Gezamenlijke commissievergadering 19 juni 2025, gemeente AlkmaarBij agendapunt: Vaststelling agenda16.178 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Mitigerende maatregelen: • Verwijder opgaand groen (ruigte, struiken en bomen) buiten de broedperiode plaats. De broedperiode loopt ongeveer van maart t/m augustus, dit kan door weersveranderingen en/of andere factoren verschuiven. • Als het niet mogelijk is buiten broedperiode groen te verwijderen: laat voorafgaand aan de werkzaamheden een deskundig ecoloog een broedvogelinspectie uitgevoeren. Als een nestplaats vastgesteld wordt, bepaalt de deskundig ecoloog welke maatregelen nodig zijn. • Voorkom dat struiken en bomen omsloten worden door ontwikkelingen en/of activiteiten. • Plaats schermen aan de rand van een activiteit zodat verstoring door aanwezigheid van mensen beperkt blijft.

Onze referentie: 5CN7PDCFPVZ4-808734289-264:1 - Datum: 13 mei 2024 - Confidential

Mitigatie van toepassing op: 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9, 10, 18,19, 20, 21, 22

Mitigatie voldoende ? Ja

QUICKSCAN ECOLOGIE

•

Broedvogel s (nest beschermd gedurende broedperiod e) bijvoorbeeld kievit, grutto

X

Wanneer met zand gewerkt wordt: werk taluds van zandhopen af, zodat geen taluds van 1:1 of steiler (potentiële nestplaats oeverzwaluw) ontstaan.

Conclusie: Mitigerende maatregelen zijn voldoende toereikend om negatieve effecten te voorkomen; werkzaamheden zijn niet vergunningplichtig. Mitigerende maatregelen: • Werkzaamheden of activiteiten gericht op gras- en akkerland buiten de broedperiode uitvoeren. De broedperiode loopt ongeveer van 15 februari t/m juli, dit kan door weersveranderingen en/of andere factoren verschuiven. • Voorkomen dient te worden dat graslanden omsloten worden door ontwikkelingen en/of activiteiten. • Aan de rand van een activiteit schermen plaatsen zodat verstoring door aanwezigheid van mensen zo goed als mogelijk beperkt blijft.

X

2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9, 10, 18,19, 20, 21, 22

Nee

2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9, 10

Mogelijk

6, 8, 18, 19 en 20

Nee

Conclusie: • Directe effecten gedurende de broedperiode zoals aantasting van nestplaats en verstoren, verwonden en/of doden van broedsel kunnen voorkomen worden. • Indien binnen meerdere deelgebieden werkzaamheden of activiteiten, gericht op gras- en akkerland gedurende broedperiode plaatsvinden, is mogelijk sprake van een cumulatief effect op nestplaatsen en foerageergebied. Mitigerende maatregelen zijn onvoldoende toereikend om negatieve effecten te voorkomen; werkzaamheden zijn mogelijk vergunningplichtig. • Mitigerende maatregelen kunnen niet voorkomen dat broedvogels verstoord, verwond en/of gedood worden door windturbines; werkzaamheden zijn mogelijk vergunningplichtig. Broedvogel s (nest jaarrond beschermd) Kerkuil

Broedvogel s (nest jaarrond beschermd) Buizerd, sperwer, havik, boomvalk, ransuil ooievaar, kerkuil en gierzwaluw

X

Mitigerende maatregelen: Werkzaamheden of activiteiten gericht op grasland buiten de kwetsbare broedperiode uitvoeren of plaats laten vinden. De broedperiode loopt ongeveer van februari t/m augustus. Conclusie: • Indien werkzaamheden of activiteiten gericht op graslanden plaatsvinden is mogelijk sprake van een cumulatief effect op foerageergebied. Mitigatie is onvoldoende; werkzaamheden zijn mogelijk vergunningplichtig. • Mogelijk kunnen effecten op foerageergebied voorkomen worden door suboptimaal foerageergebied te optimaliseren. • Aanvullend kerkuilenonderzoek moet uitwijzen of de voornemens vergunningplicht zijn, zie H 4.5.2.

X

Mitigerende maatregelen: Gebouwen en erven behouden. Van toepassing op nestplaats en/of foerageergebied van huismus, kerkuil en steenuil. Conclusie: Mitigerende maatregelen zijn voldoende toereikend om negatieve effecten op mogelijk voorkomende nestplaatsen en/of foerageergebied in de directe omgeving te voorkomen. Mitigerende maatregelen kunnen niet voorkomen dat broedvogels verstoord, verwond en/of gedood worden door windturbines. Aanvullend broedvogelonderzoek is noodzakelijk om te bepalen of het voornemen vergunningplicht is, zie H 4.5. 2..

Het verbod geldt voor Vogelrichtlijnsoorten voor (art. 11.37, lid 1 Besluit activiteiten leefomgeving): a: te doden of te vangen; b: opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen; c: eieren te rapen en deze onder zich te hebben;

27

Onze referentie: 5CN7PDCFPVZ4-808734289-264:1 - Datum: 13 mei 2024 - Confidential

QUICKSCAN ECOLOGIE

Tabel 11. Overzicht van de relevante verbodsbepalingen en de te mitigerende maatregelen en conclusie per soort(groep) van de Habitatrichtlijnsoorten. Soort(groep)

a

Vleermuizen Gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, laatvlieger, rosse vleermuis, watervleermuis, gewone grootoorvleermuis en franjestaart

Amfibieën Rugstreeppad

b

c

d

X

e

Mitigerende maatregelen en conclusie

Mitigerende maatregelen: • Voorkom uitstraling van kunstlicht richting bosranden, houtsingels en watergangen. • Voorkom het verwijderen van opgaande groenstructuren zoals houtsingels. • Voorkom het verwijderen van watergangen.

Mitigatie van toepassing op: 2, 3, 5, 6, 7, 8, 9, 10, 18 en 19

Mitigatie voldoende?

Alle deelgebieden

Ja

1, 2, 3, 5, 6, 7, 8, 9, 10, 18

Ja

Nee

Conclusie: • Verstoring van interessante foerageergebieden en vliegroutes kan voorkomen worden. Indien activiteiten en/of werkzaamheden toch gericht zijn op opgaande groenstructuren en watergangen dient mogelijk aanvullend vleermuizenonderzoek uitgevoerd te worden om te bepalen of de werkzaamheden vergunningplicht zijn. • Mitigerende maatregelen kunnen niet voorkomen dat vleermuizen verstoord, verwond en/of gedood worden door windturbines. Aanvullend vleermuizenonderzoek is noodzakelijk om te bepalen of de werkzaamheden vergunningplicht zijn, zie H 4.5.2. X

X

X

X

Mitigerende maatregelen ter voorkoming van kolonisatie: • Gedurende voortplantingsperiode (15 april t/m augustus) te voorkomen dat binnen de terreinen waar gewerkt wordt of een activiteit plaatsvindt, plasdras situaties (voortplantingswater) ontstaan. • Jaarrond te voorkomen dat braakliggende terrein met mul zand (verblijfsmogelijkheden) ontstaan. • Het risico op kolonisatie kan te allen tijde voorkomen worden door amfibieënschermen te plaatsen. • Indien braakliggende terreinen en plasdras situaties ontstaan dient aanvullend onderzoek naar rugstreeppad uitgevoerd te worden. Conclusie • Kolonisatie van rugstreeppad kan voorkomen worden door door amfibieënschermen te plaatsen. Indien dit uitgevoerd wordt en leefgebied ontwikkelt, dient aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden.

Platte schijfhoren

Mitigerende maatregelen: • Voorkom werkzaamheden in watergangen. Conclusie • Negatieve effecten kunnen voorkomen worden door geen werkzaamheden in de watergangen uit te voeren. In deze geval zijn mitigerende maatregelen voldoende toereiken en zijn de werkzaamheden niet vergunningplichtig. Mocht dit niet mogelijk zijn is mitigatie onvoldoende toereikend en dient aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden.

Het verbod geldt voor (art. 11.46, lid 1, Besluit activiteiten leefomgeving): a: het opzettelijk doden of opzettelijk vangen; b: het opzettelijk verstoren; c: het in de natuur opzettelijk vernielen of rapen van eieren; d: het beschadigen of vernielen van de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen;

28

Onze referentie: 5CN7PDCFPVZ4-808734289-264:1 - Datum: 13 mei 2024 - Confidential

QUICKSCAN ECOLOGIE

e: het opzettelijk plukken en verzamelen, afsnijden, ontwortelen of vernielen van beschermde planten. Lid c is niet van toepassing omdat vleermuizen, waar deze toetsing op van toepassing is, zich levendbarend voortplanten.

Tabel 12. Overzicht van de relevante verbodsbepalingen en de te mitigerende maatregelen en conclusie per soort(groep) van Andere soorten. Soort

a

b

Grondgebonden zoogdieren Boommarter, bunzing, hermelijn, steenmarter en wezel

X

X

c

Mitigerende maatregelen

Mitigerende maatregelen: • Voer geen werkzaamheden en/of activiteiten uit binnen de kwetsbare voortplantingsperiode van hermelijn en wezel. Hermelijn: maart t/m augustus. Wezel: maart t/m juni en bij een tweede nest t/m oktober. Indien werkzaamheen en/of activiteiten binnen de kwetsbare voortplantingsperiode plaatsvinden dient voorkomen te worden dat; groenstructuren zoals ruigte en struweel ontzien te worden; verblijfsmogelijkheden in groenstructuren en in oever niet omsloten worden. • Voorkom aantasting van opgaande groenstructuren en watergangen/oever.

Mitigatie van toepassing op: 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9, 10, 18, 19, 20 en 22

Mitigatie voldoende

4

Ja

Nee

Conclusie • Verblijfplaatsen en foerageergebied in opgaande groenstructuren en ter hoogte van watergangen kunnen gemitigeerd worden. Indien activiteiten en/of werkzaamheden toch leiden tot aantasting van ruigte, struiken, bomen en watergangen, dient mogelijk aanvullend onderzoek naar marterachtigen uitgevoerd te worden om te bepalen of de werkzaamheden vergunningplicht zijn. • Indien werkzaamheden of activiteiten binnen graslanden plaatsvinden is mogelijk sprake van een (cumulatief) effect op foerageergebied en verblijfplaatsen van hermelijn en wezel. Mitigatie is onvoldoende. Aanvullend onderzoek naar kleine marterachtigen dient uit te wijzen of een voornemen vergunningplicht is. Grote vos

X

X

Mitigerende maatregelen:

•

Aantasting van wilgensoorten wordt voorkomen.

Conclusie • Negatieve effecten kunnen voorkomen worden door geen werkzaamheden ter hoogte van wilgensoorten. In deze geval zijn mitigerende maatregelen voldoende teroereiken en zijn de werkzaamheden niet vergunningplichtig. Mocht dit niet mogelijk zijn is mitigatie onvoldoende toereikend en dient aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden. Het verbod geldt voor (art. 11.54, lid 1, Besluit activiteiten leefomgeving): a: het opzettelijk doden of vangen van in het wild levende individuen; b: het opzettelijk beschadigen of vernielen van de vaste voortplantingsplaatsen, rustplaatsen of eieren of rustplaatsen; c: het opzettelijk in hun natuurlijke verspreidingsgebied plukken en verzamelen, afsnijden, ontwortelen of vernielen van Andere soorten (planten). Lid c is niet van toepassing op grondgebonden zoogdieren aangezien deze verbodsbepaling van toepassing is op planten.

Zorgplicht Naast beschermde soorten dient conform zorgplicht ook rekening gehouden te worden met vrijgestelde soorten (bijvoorbeeld haas, konijn, muisachtigen, gewone pad, bruine kikker):

29

Onze referentie: 5CN7PDCFPVZ4-808734289-264:1 - Datum: 13 mei 2024 - Confidential

QUICKSCAN ECOLOGIE

• • • • •

Voorkom bij werkzaamheden dat dieren ingesloten worden of richting een weg lopen waar ze aangereden kunnen worden. Werk daarom richting bosschages en houtsingels. Bij het uitvoeren van werkzaamheden niet langer dan noodzakelijk op de locatie blijven. Indien een soort niet op eigen kracht het werkterrein kan verlaten dient een deskundig ecoloog betrokken worden. Door de deskundig ecoloog worden de noodzakelijke vervolgstappen bepaald. Werkzaamheden in watergangen vinden niet plaats indien watertemperaturen rond of onder het vriespunt of als deze hoog (>25°C) zijn. De temperatuurgrenzen en de eventuele extra maatregelen worden bepaald door een ecologisch deskundige. Bij het dempen van watergangen dienen aanwezige vissoorten (en andere soorten) door een ecologisch deskundige weggevangen te worden.

4.5.2

Aanvullend soortgericht onderzoek

Voor een aantal soort(groep)en zijn mitigerende maatregelen onvoldoende toereikend en dient conform Ow aanvullend soortgericht onderzoek uitgevoerd te worden, conform vigerende Kennisdocumenten en onderzoeksprocollen, zie tabel 10. Voor broedvogels (nest beschermd gedurende broedperiode) geldt normaliter dat indien activiteiten/werkzaamheden binnen de broedperiode plaatsvinden, voorafgaand aan de werkzaamheden, door een deskundig ecoloog een broedvogelinspectie uitgevoerd moet worden. Indien een nestplaats vastgesteld wordt zal door de deskundig ecoloog nader bepaald worden welke maatregelen getroffen dienen te worden om de nestplaats te ontzien. Voor weidevogels zoals kievit en grutto dient echter ook in beeld gebracht te worden of er sprake is van een cumulatief effect op nestplaatsen en foerageermogelijkheden. Enkel een broedvogelinspectie uitvoeren is daarom onvoldoende. Daarnaast is aanvullend onderzoek ook noodzakelijk om risico’s van het windpark op broedvogels in beeld te krijgen. Hierbij gaat het met name om onderzoek om te bepalen of populaties aangetast worden door een toename van aanvaringsslachtoffers. De inspanning van het aanvullend onderzoek naar broedvogels en vleermuizen, in verband met het windpark, dient nader bepaald te worden aangezien dit onderzoek specialistische kennis vereist en niet vergelijkbaar is met het reguliere onderzoek.

Voor kerkuil en kleine marterachtigen kunnen mogelijk maatregelen in het gebied uitkomst bieden waardoor werkzaamheden mogelijk niet vergunningplicht zijn. Dit dient in overleg met het bevoegd gezag plaats te vinden. Tabel 13. Onderzoeksinspanning aanvullend soortgericht onderzoek. Soort(groep) N.a.v. Aantal veldbezoeken (conform) Broedvogels Werkzaamheden in de Eén (bijvoorbeeld broedperiode uitvoeren waarbij houtduif en nesten van broedvogels in struiken zwartkop) en bomen aangetast kunnen worden. Weidevogels Verstoring en aantasting van N.t.b. (bijvoorbeeld nestmogelijkheden en kievit en grutto) foerageergebied door cumulatief effect als gevolg van activiteiten/ werkzaamheden binnen gras- en akkerlanden. Broedvogels Verstoring, verwonden en/of N.t.b. (bijvoorbeeld doden van individuen door buizerd, ooievaar windturbines. en kievit) Kerkuil Aantasting foerageergebied door Drie cumulatief effect als gevolg van (Kennisdocument activiteiten/ werkzaamheden kerkuil) binnen graslanden.

30

Onderzoeksperiode

Te onderzoeken functies:

Broedperiode van relevante broedvogels checken

Nestplaatsen

N.t.b.

Nestplaatsen en foerageergebied

N.t.b.

Nestplaats, foerageergebied en migratieroutes

Februari t/m augustus

Foerageergebied

Onze referentie: 5CN7PDCFPVZ4-808734289-264:1 - Datum: 13 mei 2024 - Confidential

QUICKSCAN ECOLOGIE

Bureau-onderzoek (Kennisdocument kerkuil)

Kleine marterachtigen

Vleermuizen

Platte schijfhoren

4.5.3

Aantasting foerageergebied en verblijfplaatsen door (cumulatief) effect als gevolg van activiteiten/werkzaamheden binnen gras- en akkerlanden en groenstructuren. Verstoring, verwonden en/of doden van individuen door windturbines. Verwonden en/of doden van individuen door werkzaamheden in watergangen.

Jaarrond: Onderzoek gericht op aanwezigheid van nest- en rustplaatsen (aanwezigheid krijtsporen en braakballen) in de omgeving. Contact met lokale uilenwerkgroep over aanwezigheid van kerkuil in het gebied. Juni t/m 15 november

Nest- en rustplaatsen

N.t.b.

N.t.b.

Foerageergebied en migratieroutes

Eén eDNA-onderzoek (Soorteniventarisatieprotocol, NGB)

Nader te bepalen

Aanwezigheid

Negen (Kennisdocument kleine marterachtigen)

Aanwezigheid

Leefgebied optimaliseren

Voor bijvoorbeeld kerkuil, kleine marterachtigen is het mogelijk om huidig suboptimaal leefgebied te optimaliseren. Hierbij kan gedacht worden aan de graslanden binnen de relevante deelgebieden met een tijdelijke parkeerfunctie. Langs de randen van deze percelen kunnen zandige grondwallen gerealiseerd worden waarop ruigtestruweel aangeplant kan worden met inheemse plantensoorten zoals braam, meidoorn en sleedoorn. Tussen grondwal en de rand van het perceel kan een schouwpad gemaakt worden waar grasland extensief beheerd wordt (maximaal 1x per jaar maaien). De begroeide grondwal vormt een plek waar grondgebonden zoogdieren (bijvoorbeeld wezel en hermelijn) en broedvogels (bijvoorbeeld zwartkop en grasmus) dekking kunnen vinden. In de grondwal kunnen door grondgebonden zoogdieren holen gemaakt worden die ook in relatief natte periodes droog blijven. Door het schouwpad extensief te beheren ontstaat een strook grasland waar de kerkuil jaarrond kan foerageren naar muisachtigen. Ook andere predatoren zoals buizerd en steenuil kunnen hiervan profiteren. Indien binnen een perceel begrazing plaatsvindt dient een raster geplaatst worden om te voorkomen dat overbegrazing van ruigte en struweel plaatsvindt. Deelgebied 10 vormt een referentiegebied waar aan de rand van de parkeerplaats een grondwal met ruigtestruweel ontwikkeld is, zie figuur 11.

31

Onze referentie: 5CN7PDCFPVZ4-808734289-264:1 - Datum: 13 mei 2024 - Confidential

QUICKSCAN ECOLOGIE

Figuur 11. Binnen deelgebied 10 is aan de rand van de parkeerplaats een grondwal aangelegd waar ruigtestruweel is ontwikkeld; geschikt leefgebied van bijvoorbeeld kleine marterachtigen (wezel en hermelijn) en broedvogels (kerkuil en zwartkop).

32

Onze referentie: 5CN7PDCFPVZ4-808734289-264:1 - Datum: 13 mei 2024 - Confidential

QUICKSCAN ECOLOGIE

5

Conclusie

5.1

NNN

Delen van het recreatieschap Geestmerambacht zijn aangewezen als NNN-gebied, bijvoorbeeld de recreatieplas, het natuurgebied Kleimeer en de bosschage ten noorden van het evenemententerrein. De deelgebieden van het recreatieschap waar activiteiten/voornemens plaatsvinden, of gaan plaatsvinden, vormen geen onderdeel van het NNN-gebied. Ruimtebeslag en andere directe negatieve effecten zoals verstoring door licht, geluid en trillingen vinden daarom niet plaats. Binnen de provincie Noord-Holland worden externe werkingen als gevolg van uitstraling van effecten niet getoetst. Verdere vervolgstappen wat betreft NNN en conform Ow zijn daarom niet aan de orde. Uitstraling van effecten, bijvoorbeeld bij de uitvoering van een evenement, kunnen echter wel van invloed zijn op de omgeving. Daarom wordt alsnog geadviseerd op uitstraling van effecten als gevolg van licht, geluid en trillingen zo goed als mogelijk te beperken. Hierbij kan gedacht worden aan; • het aanpassen van lichtbronnen zodat bosranden en watergangen niet beschenen worden; • geluidsbronnen zo laag mogelijk plaatsen zodat uitstraling van geluid naar de omgeving geminimaliseerd wordt.

5.2

Beschermde soorten

5.2.1

Recreatie in deelgebieden

Op basis van de quickscan is geconcludeerd dat binnen het recreatieschap Geestmerambacht (mogelijk) beschermde soorten voorkomen. Binnen de deelgebieden, of de directe omgeving, waar activiteiten/voornemens (gaan) plaatsvinden (zie H 2.3), gaat het om de volgende beschermde soorten: • • • • •

Broedvogels (nest jaarrond beschermd): Buizerd, boomvalk, havik, huismus, kerkuil, steenuil, ooievaar, ransuil en sperwer Broedvogels (nest beschermd gedurende broeperiode): Bijvoorbeeld houtduif, ekster, zwartkop, kievit en grutto. Grondgebonden zoogdieren: boommarter, hermelijn, steenmarter, wezel. Amfibieën: Rugstreeppad Ongewervelden: Platte schijfhoren

Conform Ow dienen mitigerende maatregelen getroffen te worden om negatieve effecten op voorhand te voorkomen, zie H 4.5.1. Indien mitigerende maatregelen onvoldoende toereikend zijn om negatieve effecten te voorkomen is aanvullend onderzoek nodig om aanwezigheid vast te stellen, dan wel uit te sluiten. Indien een soort aanwezig is en negatieve effecten niet te voorkomen zijn, dient rekening gehouden te worden met een vergunningplicht. Gelet op de activiteiten en voornemens dient rekening gehouden te worden met een cumulatie van effecten (zie H 5.2.2). Dit vergroot de kans op een vergunningplicht. Daarnaast moet rekening gehouden worden met de effecten als gevolg van het windpark in deelgebied 22 (zie H 5.2.3.). Kleine marterachtigen Van de mogelijk voorkomende beschermde soorten verdienen hermelijn en wezel extra aandacht. Binnen voornamelijk de graslanden kunnen deze kleine marterachtigen verblijven en foerageren. In vergelijking tot andere beschermde soorten zijn hermelijn en wezel ook overdag actief, het moment waarom de meeste activiteiten plaatsvinden. Activiteiten zoals een evenement, of graslanden die tijdelijk gebruikt worden als parkeerplaats, kunnen daarom een relatief grote impact hebben op het leefgebied. Naast cumulatie van effecten kunnen binnen een deelgebied ook negatieve effecten optreden waardoor conform Ow vervolgstappen noodzakelijk zijn.

Conform Ow dient aanvullend onderzoek naar kleine marterachtigen uitgevoerd te worden om aanwezigheid vast te stellen, dan wel uit te sluiten. Bij aanwezigheid kunnen activiteiten/voornemens vergunningplichtig zijn. Mogelijk biedt een compensatieplan voor kleine marterachtigen uitkomst. Een compensatieplan is gericht op het optimaliseren van leefgebied en het treffen van mitigerende maatregelen om negatieve effecten zoals als mogelijk te voorkomen. Dit zal in overleg met het bevoegd gezag plaats moeten vinden. Of de werkzaamheden alsnog vergunningplichtig zijn zal het bevoegd gezag bepalen.

33

Onze referentie: 5CN7PDCFPVZ4-808734289-264:1 - Datum: 13 mei 2024 - Confidential

QUICKSCAN ECOLOGIE

Let op! Per deelgebied is globaal gekeken naar de mogelijk aanwezigheid van beschermde soorten. Bij ruimtelijke ontwikkelingen binnen een deelgebied kan het daarom alsnog noodzakelijk zijn om een aanvullend veldbezoek uit te voeren, bijvoorbeeld bij het verwijderen van een boom zal nader bepaald moeten worden of een verblijfplaats van vleermuizen mogelijk aanwezig is.

5.2.2

Windpark

Voor de realisatie van het windpark binnen deelgebied 22 dient rekening gehouden worden met effecten op mogelijk voorkomende (beschermde) soorten. Het gaat hierbij om soorten die tijdens de vlucht verstoord of geraakt kunnen worden door de wieken of luchtverplaatsing van de molen. Het gaat om vogels (bijvoorbeeld buizerd, ooievaar en kievit) en vleermuizen (bijvoorbeeld gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis en rosse vleermuis). Mitigerende maatregelen zijn mogelijk toereikend om negatieve effecten te voorkomen. Aanvullend soortgericht onderzoek dient uit te wijzen of effecten plaatsvinden en zal inzicht geven in de noodzakelijk vervolgstappen. Dit aanvullend onderzoek vereist enige ervaring van de deskundige met het onderzoeken van soorten op hoogtes. De inspanning zal nader bepaald moeten worden. Indien uit het aanvullend soortgericht onderzoek blijkt dat effecten op relevante soorten plaatsvinden en mitigerende maatregelen onvoldoende toereikend zijn, dient rekening rekening gehouden te worden met een vergunningplicht. Voor de vergunning is het onder andere van belang om een alternatievenstudie uit te voeren. Daaruit moet blijken dat de gekozen locatie de beste plek is waarbij de minste effecten op (beschermd) soorten plaatsvinden. Wat hierbij benoemd moet worden is dat het recreatiegebied op ruim 550 meter afstand ligt.

Dit is een plek waar zowel vogels als vleermuizen voorkomen. Wanneer soorten afkomstig van het recreatiegebied uitwijken naar de omgeving, bijvoorbeeld om te foerageren, kunnen ze richting de windturbines vliegen. Als in de omgeving alternatieve locaties aanwezig zijn waar minder risico’s spelen, kan dit mogelijk leiden tot een afwijzing van de vergunning.

5.2.3

Cumulatie

Gelet op de activiteiten en/of voornemens binnen verschillende deelgebieden van het recreatiegebied dient rekening gehouden te worden met een cumulatief effect op bepaalde soorten. De voornemens zijn voornamelijk van toepassing op graslanden, waar evenementen gehouden worden en auto’s geparkeerd kunnen worden. Wat betreft cumulatie gaat de aandacht dan ook uit naar soorten die afhankelijk kunnen zijn van graslanden als verblijfplaats/nestplaats en/of foerageergebied zoals: • Broedvogels (nest gedurende broedperiode beschermd): Bijvoorbeeld kievit, grutto (weidevogels) • Broedvogels (nest jaarrond beschermd): kerkuil • Grondgebonden zoogdieren: hermelijn en wezel Negatieve effecten op mogelijk voorkomende beschermde soorten zorgen voor een vergunningplicht. Mitigerende maatregelen zijn onvoldoende toereikend om negatieve effecten te voorkomen. Conform Ow is aanvullend soortgericht onderzoek noodzakelijk: • Broedvogels (nest gedurende broedperiode beschermd): Voor broedvogels zoals kievit en grutto is een broedvogelmonitoring van belang om inzicht te krijgen in de cumulatieve effecten op weidevogels. • Kerkuil, hermelijn en wezel: Aanvullend onderzoek dient uitgevoerd te worden conform vigerende kennisdocumenten. Een compensatieplan voor kleine marterachtigen en kerkuil kan hierin mogelijk uitkomst bieden.

Hierbij kan gedacht worden aan het optimaliseren van het leefgebied van kerkuil, hermelijn en wezel door aan de randen van de grasvelden waar geparkeerd kan worden, grondwallen met ruigtestruweel te creëren. Dit zal in overleg met het bevoegd gezag plaats moeten vinden. Of de werkzaamheden alsnog vergunningplichtig zijn zal het bevoegd gezag aangeven.

5.3

Aandachtspunten quickscan

Let op: • De onderzoeksgegevens in deze quickscan hebben een houdbaarheid van 3 jaar. Na 3 jaar dienen de onderzoeksgegevens geactualiseerd te worden. Gelet op de voorgenomen ontwikkelingen, waardoor mogelijk nieuwe kansen ontstaan voor beschermde soorten, dient rekening gehouden te worden met het opnieuw uitvoeren van de quickscan. 34

Onze referentie: 5CN7PDCFPVZ4-808734289-264:1 - Datum: 13 mei 2024 - Confidential

QUICKSCAN ECOLOGIE

•

35

Indien een ruimtelijke ontwikkeling binnen een deelgebied is uitgewerkt, kan dit betekenen dat aanvullend een locatiebezoek noodzakelijk is om potentiële functies van beschermde soorten vast te stellen, dan wel uit te sluiten. Op basis van de onderzoeksresultaten kan bepaald worden of vervolgstappen conform Ow noodzakelijk zijn.

Onze referentie: 5CN7PDCFPVZ4-808734289-264:1 - Datum: 13 mei 2024 - Confidential

QUICKSCAN ECOLOGIE

6

Bronnen

Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF), geraadpleegd op 27 maart 2024 Website: • •

www.verspreidingsatlas.nl, geraadpleegd op 27 maart 2024 www.noord-holland.nl, geraadpleegd op 27 maar 2024

SOVON, 2016. Handleiding Sovon broedvogelonderzoek: BMP & kolonievogels. BIJ12. Kennisdocument: • Kerkuil, versie 1.0, juli 2017 • Kleine marterachtigen, versie 1.0, januari 2024 Netwerk Groene Bureaus, 2023. Soorteninventarisatieprotocol, versie november 2023

36

Onze referentie: 5CN7PDCFPVZ4-808734289-264:1 - Datum: 13 mei 2024 - Confidential

QUICKSCAN ECOLOGIE

Bijlage A Wettelijk kader Omgevingswet

Soortbescherming Algemene bescherming In het Besluit activiteiten leefomgeving is een zorgplicht ten aanzien van soorten opgenomen. In het algemeen moet voorkomen worden dat bij het doden of vangen van een dier, dat dier onnodig leidt. 1 Verder is aangegeven dat bij flora- en fauna-activiteiten of andere activiteiten waarbij redelijkerwijs vermoed kan worden dat dit leidt tot nadelige effecten ten aanzien van natuurbescherming, de volgende zaken verplicht zijn: 2 • neem alle maatregelen die redelijkerwijs kunnen worden gevraagd om gevolgen te voorkomen; • voor zover gevolgen niet kunnen worden voorkomen: beperk die gevolgen zoveel mogelijk • of maak deze ongedaan; en • als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: laat de activiteit achterwege zover dat redelijkerwijs kan worden gevraagd. Voor flora- en fauna-activiteiten geldt specifiek het volgende 3: a. voorafgaand aan het verrichten van de activiteit wordt nagegaan of er aanwijzingen zijn van de aanwezigheid op de locatie of in de directe nabijheid beschermde soorten of voor beschermde soorten leefgebieden of groeiplaatsen aanwezig zijn. b. als deze aanwijzingen er zijn: wordt vastgesteld of op voorhand op grond van objectieve gegevens nadelige gevolgen kunnen worden uitgesloten voor beschermde dieren, hun nesten, hun voortplantingsplaatsen, hun rustplaatsen en hun eieren, of voor beschermde planten; c.

als die gevolgen niet kunnen worden uitgesloten: wordt nagegaan welke gevolgen de activiteit kan hebben voor beschermde dieren, hun nesten, hun voortplantingsplaatsen, hun rustplaatsen en hun eieren, of voor beschermde planten; d. alle passende preventieve maatregelen worden getroffen om die nadelige gevolgen te voorkomen; e. tijdens en na het verrichten van de activiteit wordt nagegaan of de getroffen maatregelen de beoogde effecten hebben; en f. het verrichten van de activiteit wordt gestaakt als de nadelige gevolgen toch niet worden voorkomen, of, als staken van de activiteit redelijkerwijs niet meer mogelijk is, passende herstelmaatregelen worden getroffen.

Categorieën De wet onderscheidt drie categorieën van beschermde soorten, namelijk: • Soorten vogelrichtlijn, ook wel Vogelrichtlijnsoorten genoemd (§ 11.2.2 Besluit activiteiten leefomgeving) • Soorten habitatrichtlijn, ook wel Habitatrichtlijnsoorten genoemd (§ 11.2.3 Besluit activiteiten leefomgeving) • Andere soorten (§ 11.2.4 Besluit activiteiten leefomgeving) Soorten Vogelrichtlijn Alle van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn zijn in Nederland beschermd. De soorten van artikel 1 van Vogelrichtlijn zijn alle vogelsoorten die op het Europese grondgebied van de lidstaten van de EU voorkomen. Het deel daarvan dat van nature in Nederland voorkomt, is dus beschermd.4 Soorten Habitatrichtlijn In deze categorie vallen5: • alle in het wild levende dieren zoals genoemd in: – bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, – bijlage II bij het Verdrag van Bern of; – bijlage I bij het Verdrag van Bonn; • en planten van soorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied zoals genoemd in: – bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of;

1art. 11.28 (voorkomen onnodig lijden van dieren), Besluit activiteiten leefomgeving 2art. 11.27 (specifieke zorgplicht), lid 1, Besluit activiteiten leefomgeving 3art. 11.27 (specifieke zorgplicht), lid 2, Besluit activiteiten leefomgeving 4art. 11.37 t/m 11.40, Besluit activiteiten leefomgeving 5 art. 11.46 t/m 11.48, Besluit activiteiten leefomgeving

37

Onze referentie: 5CN7PDCFPVZ4-808734289-264:1 - Datum: 13 mei 2024 - Confidential

QUICKSCAN ECOLOGIE

– bijlage I bij het Verdrag van Bern. Het gaat hierbij dus om meer dan alleen de soorten van de Habitatrichtlijn (namelijk ook soorten van de conventies van Bern en Bonn). Omdat in het Besluit activiteiten leefomgeving § 11.2.3 “soorten habitatrichtlijn” in de titel heeft, wordt deze term echter wel gebruikt om deze groep van beschermde soorten aan te duiden. Andere soorten Naast de soorten waarvan de bescherming op Europees niveau verplicht is gesteld, is er ook een aantal soorten op nationaal niveau beschermd. Dit is dus een “nationale kop” op de Europese bescherming. Het gaat hierbij om soorten die zeer zeldzaam en/of bedreigd zijn, en waarvan het duurzaam voortbestaan niet is verzekerd als geen beschermingsmaatregelen worden getroffen. De soorten waar het om gaat zijn opgenomen in bijlage IX onder A bij het Besluit activiteiten leefomgeving. 6

Regels In de Owstaat dat het zonder omgevingsvergunning verboden is om een flora- en fauna-activiteit te verrichten.7 De definitie van een flora- en fauna-activiteit is “activiteit met mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levende dieren of planten”. In het Besluit activiteiten leefomgeving is dit nader gespecificeerd. Het verbod geldt voor Vogelrichtlijnsoorten voor:8 a. het opzettelijk doden of opzettelijk vangen g. het opzettelijk vernielen of opzettelijk beschadigen van nesten, rustplaatsen en eieren of het opzettelijk wegnemen van nesten; h. het rapen en onder zich hebben van eieren; of i. het opzettelijk storen, tenzij het storen niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding. 9 Het verbod geldt voor Habitatrichtlijnsoorten voor: 10 b. het opzettelijk doden of opzettelijk vangen; j. het opzettelijk verstoren; k. het in de natuur opzettelijk vernielen of rapen van eieren; l. het beschadigen of vernielen van de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen; en m. het opzettelijk plukken en verzamelen, afsnijden, ontwortelen of vernielen van beschermde planten. Het verbod geldt voor Andere soorten voor: 11 n. het opzettelijk doden of vangen van in het wild levende individuen; o. het opzettelijk beschadigen of vernielen van de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen; p.

het opzettelijk in hun natuurlijke verspreidingsgebied plukken en verzamelen, afsnijden, ontwortelen of vernielen van Andere soorten (planten). Hierboven is voor Vogelrichtlijnsoorten en Habitatrichtlijnsoorten aangegeven dat verstoring niet is toegestaan. Niet iedere verstoring in het kader van de wet is relevant is. Het moet gaan om verstoring die voor soorten in potentie wezenlijke gevolgen heeft. Een tijdelijke verandering van gedrag valt hier niet zonder meer over. Zie voor meer informatie het volgende tekstkader.

Juridisch kader verstoring beschermde soorten Niet iedere toename van verstoringsbronnen leidt tot een daadwerkelijk effect dat in het kader van de wet is voorzien als verstoring. Voor een individu dat sprake is van opzettelijke verstoring als niet in de directe omgeving (tijdelijk) uitwijkmogelijkheden voor handen zijn en de functionaliteit van het leefgebied door verstoring wordt aangetast. Dit si verschillende keren bevestigd door de Raad van State. Hieronder staan twee delen van uitspraken waarin dit bevestigd is: ECLI:NL:RVS:2009:BI3701: “Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in de uitspraak van 21 november 2007 in zaak nr. 200607283/1) geldt als uitgangspunt dat niet ieder plan dat tot gevolg heeft dat een

6art. 11.54 (aanwijzing vergunningplichtige gevallen andere soorten: schadelijke handelingen), Besluit activiteiten leefomgeving 7art. 5.1 (omgevingsvergunningplichtige activiteiten wet), lid 2, onderdeel 9, Omgevingswet 8art. 11.37 (aanwijzing vergunningplichtige gevallen soorten vogelrichtlijn schadelijke handelingen), lid 1 Besluit activiteiten leefomgeving. 9De uitzondering is opgenomen in art. 11.37 (aanwijzing vergunningplichtige gevallen soorten vogelrichtlijn schadelijke handelingen), lid 3 Besluit

activiteiten leefomgeving. 10art. 11.46 (aanwijzing vergunningplichtige gevallen soorten habitatrichtlijn: schadelijke handelingen), lid 1, Besluit activiteiten leefomgeving 11art. 11.54 (aanwijzing vergunningplichtige gevallen andere soorten: schadelijke handelingen), lid 1, Besluit activiteiten leefomgeving

38

Onze referentie: 5CN7PDCFPVZ4-808734289-264:1 - Datum: 13 mei 2024 - Confidential

QUICKSCAN ECOLOGIE

beschermde diersoort zich moet aanpassen aan de veranderde omgeving, moet worden aangemerkt als een opzettelijke verontrusting in de zin van artikel 10 van de Ffw.” ECLI:NL:RVS:2020:1125: “Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in de uitspraak van 23 juni 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BM8836), geldt bij de uitleg van artikel 10 van de Flora- en faunawet als uitgangspunt dat niet ieder plan dat tot gevolg heeft dat een beschermde diersoort zich moet aanpassen aan de veranderde omgeving een opzettelijke verontrusting is in de zin van die bepaling. Het tijdelijk (doen) wegvluchten voor werkzaamheden naar een rustiger plek kan niet worden aangemerkt als opzettelijke verontrusting in de zin van deze bepaling. De Afdeling volgt deze interpretatie eveneens ten aanzien van het in het vierde lid van artikel 3.1, vierde lid, van de Wnb neergelegde verbod van opzettelijke storing.”

Gedragscodes en vrijstellingen Het verbod om een flora- en fauna-activiteit uit te voeren zonder omgevingsvergunning geldt niet voor activiteiten die vallen onder een door de minister van LNV vastgestelde gedragscode. Hiervoor gelden de volgende voorwaarden 12: • aantoonbaar worden uitgevoerd in overeenstemming met de gedragscode; en • plaatsvinden in het kader van: – het bestendig beheren of onderhouden van vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, luchthavens, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer; – een bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of de bosbouw, – een bestendig gebruik; of – ruimtelijke ontwikkeling of inrichting. Vrijstelling In het algemeen geldt het verbod om een flora- en fauna-activiteit uit te voeren zonder omgevingsvergunning niet voor gevallen, te gebruiken middelen en/of soorten die zijn opgenomen in het omgevingsplan, de waterschapsverordening13, de omgevingsverordening14 of een ministeriële regeling15 of een programma16. Hierbij moet wel worden voldaan aan de voorwaarden zoals die ook gelden voor de aanvraag van een omgevingsvergunning (zie tekst onder kopje “Omgevingsvergunning”).

17 Als activiteiten in een goedgekeurd programma zijn opgenomen, moet het programma wel aan een van de volgende voorwaarden voldoen 18: – Het programma moet gericht zijn op inrichting, gebruik en beheer van een Natura 2000-gebied en gericht zijn op het halen van de instandhoudingsdoelstellingen (voorheen beheerplan). – Het programma moet gericht zijn op een evenwichtige duurzame ontwikkeling waarbij de belasting van kwalificerende natuurwaarden in Natura 2000-gebieden afneemt of beheer, bescherming, herstel van natuurlijke habitats of de staat van instandhouding van in het wild voorkomende dieren of planten verbetert. Verder geldt voor beschermde soorten het verbod om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit uit te voeren niet in de volgende gevallen: • Als de activiteit is toegestaan in het kader van een andere wet én als wordt voldaan aan artikel 9, lid 1 en 2 en artikel 13 van de Vogelrichtlijn voor Vogelrichtlijnsoorten19, artikel 16, lid 1 van de Habitatrichtlijn voor

12art. 11.45 (aanwijzing vergunningvrije gevallen soorten vogelrichtlijn op basis van aangewezen gedragscode), art. 11.53 (vergunningvrije gevallen

soorten habitatrichtlijn op basis van aangewezen gedragscode), art. 11.59 (vergunningvrije gevallen andere soorten op basis van aangewezen gedragscode), Besluit activiteiten leefomgeving 13art. 5.2 (afbakening vergunningplicht art. 5.1), lid 2, Omgevingswet 14art. 5.2 (afbakening vergunningplicht art. 5.1), lid 2, Owen art. 11.42 (aanwijzing vergunningvrije gevallen soorten vogelrichtlijn in omgevingsverordening), art. 11.50 (aanwijzing vergunningvrije gevallen soorten habitatrichtlijn in omgevingsverordening), art. 11.56 (aanwijzing vergunningvrije gevallen andere soorten in omgevingsverordening), Besluit activiteiten leefomgeving 15art. 5.2 (afbakening vergunningplicht art. 5.1), lid 3, Owen art. 11.43 (aanwijzing vergunningvrije gevallen soorten vogelrichtlijn in ministeriële regeling), art. 11.51 (aanwijzing vergunningvrije gevallen soorten habitatrichtlijn in ministeriële regeling), art. 11.57 (aanwijzing vergunningvrije gevallen andere soorten in ministeriële regeling), Besluit activiteiten leefomgeving 16art. 5.2 (afbakening vergunningplicht art. 5.1), lid 4, Omgevingswet 17art. 8.74j t/m 8.74l, Besluit kwaliteit leefomgeving als verwezen in art. 11.44 (begrenzing aanwijzing vergunningvrije gevallen soorten vogelrichtlijn), lid 1, art. 11.52 (begrenzing aanwijzing vergunningvrije gevallen soorten habitatrichtlijn), lid 1, art.

11.58 (begrenzing aanwijzing vergunningvrije flora- en fauna-activiteiten andere soorten), lid 1, Besluit activiteiten leefomgeving, 18art. 5.2 (afbakening vergunningplicht art. 5.1), lid 4, Owart. 11.41 (aanwijzing vergunningvrije gevallen soorten vogelrichtlijn in programma), lid 2 en art. 11.46 (aanwijzing vergunningplichtige gevallen soorten habitatrichtlijn: schadelijke handelingen), Besluit activiteiten leefomgeving 19art. 11.37 (aanwijzing vergunningplichtige gevallen soorten vogelrichtlijn: schadelijke handelingen), lid 2, onderdeel a, Besluit activiteiten leefomgeving.

39

Onze referentie: 5CN7PDCFPVZ4-808734289-264:1 - Datum: 13 mei 2024 - Confidential

QUICKSCAN ECOLOGIE

• •

Habitatrichtlijnsoorten20 en de eisen die ook aan de omgevingsvergunning worden gesteld voor Andere soorten. 21 Zie het volgende tekstkader voor de relevante inhoud van de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Als de activiteiten vallen onder instandhoudingsmaatregelen 22 en passende maatregelen23 in het kader van de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn.24 Voor andere soorten geldt dat het verbod niet van toepassing is op het doden of vangen van de bosmuis, de huisspitsmuis en de veldmuis en het beschadigen of vernielen van hun vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen, voor zover deze dieren zich in of op gebouwen of daarbij behorende erven of roerende zaken bevinden.25 Relevante inhoud Vogel- en Habitatrichtlijn In artikel 9 lid 1 staat dat er geen andere bevredigende oplossing mag bestaan en dat het voornemen nodig is:

• • • • • •

in het belang van de volksgezondheid en openbare veiligheid (onderdeel a), in het belang van de veiligheid van het luchtverkeer (onderdeel a), ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij en wateren (onderdeel a), ter bescherming van flora en fauna (onderdeel a); voor doeleinden in verband met onderzoek en onderwijs, het uitzetten en herinvoeren van soorten en voor de met deze doeleinden samenhangende teelt (onderdeel b); teneinde het vangen, het houden of elke andere wijze van verstandig gebruik van bepaalde vogels in kleine hoeveelheden selectief en onder strikt gecontroleerde omstandigheden toe te staan (onderdeel c).

In artikel 9, lid 2 geeft de voorwaarden waaronder mag worden afgeweken. De volgende zaken moeten worden vermeld:

• • • • •

voor welke soorten mag worden afgeweken (onderdeel a); welke middelen, installaties of methoden voor het vangen of doden zijn toegestaan (onderdeel b); onder welke voorwaarden met betrekking tot het risico en onder welke omstandigheden van tijd en van plaats deze afwijkende maatregelen mogen worden genomen (onderdeel c); welke autoriteit bevoegd is te verklaren dat aan die voorwaarden is voldaan, en te beslissen welke middelen, installaties of methoden mogen worden aangewend, binnen welke grenzen en door welke personen (onderdeel d); welke controles zullen worden uitgevoerd (onderdeel e).

In artikel 13 is opgenomen dat de activiteiten niet mogen leiden tot een verslechtering van de huidige staat van instandhouding. In artikel 16, lid van de Habitatrichtlijn staat dat wanneer er geen andere bevredigende oplossing bestaat en dat de activiteit geen afbreuk doet aan een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan, mag onder de volgende voorwaarde worden afgeweken:

• • • • •

in het belang van de bescherming van de wilde flora en fauna en van de instandhouding van de natuurlijke habitats (onderdeel a); ter voorkoming van ernstige schade aan met name de gewassen, veehouderijen, bossen, visgronden en wateren en andere vormen van eigendom (onderdeel b); in het belang van de volksgezondheid en de openbare veiligheid of om andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard, en voor het milieu wezenlijke gunstige effecten (onderdeel c); ten behoeve van onderzoek en onderwijs, repopulatie en herintroductie van deze soorten, alsmede voor de daartoe benodigde kweek, met inbegrip van de kunstmatige vermeerdering van planten (onderdeel d); ten einde het onder strikt gecontroleerde omstandigheden mogelijk te maken op selectieve wijze en binnen bepaalde grenzen een beperkt, door de bevoegde nationale instanties vastgesteld aantal van

20art. 11.46 (aanwijzing vergunningplichtige gevallen soorten habitatrichtlijn: schadelijke handelingen) lid 2, onderdeel a, Besluit activiteiten

leefomgeving 21art. 11.54 (aanwijzing vergunningplichtige gevallen andere soorten: schadelijke handelingen), lid 2, onderdeel b, Besluit activiteiten leefomgeving 22“instandhoudingsmaatregel als bedoeld in de art.en 3, eerste lid en tweede lid, onder b, c en d, en 4, eerste lid, eerste zin, en tweede lid, van de vogelrichtlijn of art. 6, eerste lid, van de habitatrichtlijn.” 23“een passende maatregel als bedoeld in art. 6, tweede lid, van de habitatrichtlijn”. 24art. 11.37 (aanwijzing vergunningplichtige gevallen soorten vogelrichtlijn: schadelijke handelingen), lid 2, onderdeel b, art. 11.46 (aanwijzing vergunningplichtige gevallen soorten habitatrichtlijn: schadelijke handelingen), lid 2, onderdeel b en art. 11.54 (aanwijzing vergunningplichtige gevallen andere soorten: schadelijke handelingen), lid 2, onderdeel c, Besluit activiteiten leefomgeving. 25art. 11.54 (aanwijzing vergunningplichtige gevallen andere soorten: schadelijke handelingen), lid 2, onderdeel a, Besluit activiteiten leefomgeving.

40

Onze referentie: 5CN7PDCFPVZ4-808734289-264:1 - Datum: 13 mei 2024 - Confidential

QUICKSCAN ECOLOGIE

bepaalde specimens van de in bijlage IV genoemde soorten te vangen, te plukken of in bezit te hebben (onderdeel e). Voor dit project is het Provincie Noord-Holland bevoegd gezag. Provincie Noord-Holland heeft in haar Verordening voor de Ow een algemene vrijstelling verleend voor onderstaande soorten: Amfibieën • Bastaardkikker • Bruine kikker • Gewone pad • Hazelworm (tijdelijke vrijstelling in periode: juli, augustus en september) • Kleine watersalamander • Levendbarende hagedis (tijdelijke vrijstelling in periode: 15 augustus tot en met 15 oktober) • Meerkikker Grondgebonden zoogdieren • Aardmuis • Bosmuis • Dwergmuis • Dwergspitsmuis • Egel • Eekhoorn • Gewone bosspitsmuis • Haas • Huisspitsmuis • Konijn • Ondergrondse woelmuis • Ree • Rosse woelmuis • Steenmarter • Tweekleurige bosspitsmuis • Veldmuis • Vos • Woelrat Omgevingsvergunning Voor een project geldt dat in de aanvraag van een omgevingsvergunning moet worden voldaan aan een aantal eisen. Dit verschilt per beschermingscategorie. Voor Vogelrichtlijnsoorten moet een project voor een aanvraag omgevingsvergunning voldoen aan de volgende eisen om de omgevingsvergunning ook daadwerkelijk te verlenen26: • er is geen andere bevredigende oplossing; • de activiteit is nodig is: – – – – –

•

in het belang van de volksgezondheid of de openbare veiligheid; in het belang van de veiligheid van het luchtverkeer; voor het voorkomen van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij of wateren; ter bescherming van flora en fauna; voor onderzoek of onderwijs, het uitzetten of herinvoeren van soorten, of voor de daarmee samenhangende teelt; of – om het vangen, het onder zich hebben of elke andere wijze van verstandig gebruik van bepaalde vogels in kleine hoeveelheden selectief en onder strikt gecontroleerde omstandigheden toe te staan; en de activiteit niet leidt tot verslechtering van de staat van instandhouding van de relevante soort(en).

26art. 8.74j (beoordelingsregels flora- en fauna-activiteit: soorten vogelrichtlijn), Besluit kwaliteit leefomgeving

41

Onze referentie: 5CN7PDCFPVZ4-808734289-264:1 - Datum: 13 mei 2024 - Confidential

QUICKSCAN ECOLOGIE

Voor Habitatrichtlijnsoorten moet een project voor een aanvraag omgevingsvergunning voldoen aan de volgende eisen om de omgevingsvergunning ook daadwerkelijk te verlenen 27: • er is geen andere bevredigende oplossing; • de activiteit is nodig:

•

– in het belang van de bescherming van de wilde flora of fauna, of in het belang van de instandhouding van de natuurlijke habitats; – voor het voorkomen van ernstige schade aan met name gewassen, veehouderijen, bossen, visgronden, wateren of andere vormen van eigendom; – in het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten; – voor onderzoek en onderwijs, repopulatie of herintroductie van deze soorten, of voor de daarvoor benodigde kweek, met inbegrip van de kunstmatige vermeerdering van planten; of – om het onder strikt gecontroleerde omstandigheden mogelijk te maken op selectieve wijze en binnen bepaalde grenzen een beperkt, bij de omgevingsvergunning vastgesteld aantal van bepaalde dieren van de aangewezen soort te vangen of onder zich te hebben, respectievelijk een beperkt bij de omgevingsvergunning vastgesteld aantal van bepaalde planten van de aangewezen soort te plukken of onder zich te hebben; en de activiteit geen afbreuk doet aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan.

Voor Andere soorten moet een project een aanvraag omgevingsvergunning voldoen aan de volgende eisen om de omgevingsvergunning ook daadwerkelijk te verlenen 28: • er is geen andere bevredigende oplossing; • de activiteit is nodig: – in het belang van de bescherming van de wilde flora of fauna, of in het belang van de instandhouding van de natuurlijke habitats; – voor het voorkomen van ernstige schade aan met name gewassen, veehouderijen, bossen, visgronden, wateren of andere vormen van eigendom; – in het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten; – voor onderzoek en onderwijs, repopulatie of herintroductie van deze soorten, of voor de daarvoor benodigde kweek, met inbegrip van de kunstmatige vermeerdering van planten; of – om het onder strikt gecontroleerde omstandigheden mogelijk te maken op selectieve wijze en binnen bepaalde grenzen een beperkt, bij de omgevingsvergunning vastgesteld aantal van bepaalde dieren van de aangewezen soort te vangen of onder zich te hebben, respectievelijk een beperkt bij de omgevingsvergunning vastgesteld aantal van bepaalde planten van de aangewezen soort te plukken of onder zich te hebben; – in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van

gebieden, daaronder begrepen het daaropvolgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied; – voor het voorkomen van schade of overlast, met inbegrip van schade aan sportvelden, schietterreinen, industrieterreinen, kazernes of begraafplaatsen; – voor het beperken van de omvang van de populatie van in het wild levende dieren, in verband met door deze dieren ter plaatse en in het omringende gebied veelvuldig veroorzaakte schade of in verband met de maximale draagkracht van het gebied waarin de dieren zich bevinden; – voor het voorkomen of bestrijden van onnodig lijden van zieke of gebrekkige dieren; – in het kader van een bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw; – in het kader van het bestendig beheren of onderhouden van vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, luchthavens, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer; – in het kader van het bestendig beheren of onderhouden van de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied; of – in het algemeen belang; en

27art. 8.74k (beoordelingsregels flora- en fauna-activiteit: soorten habitatrichtlijn), Besluit kwaliteit leefomgeving 28art. 8.74l (beoordelingsregels flora- en fauna-activiteit: andere soorten), Besluit kwaliteit leefomgeving

42

Onze referentie: 5CN7PDCFPVZ4-808734289-264:1 - Datum: 13 mei 2024 - Confidential

QUICKSCAN ECOLOGIE

•

de activiteit geen afbreuk doet aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan.

• Geen andere bevredigende oplossing betekent -ook in combinatie met hetgeen onder het kopje “Algemene bescherming” is beschreven dat wanneer een overtreding redelijkerwijs te voorkomen is, een omgevingsvergunning niet te verlenen is. De werkzaamheden moeten dan op zodanige wijze worden uitgevoerd dat er geen overtreding van de wet plaatsvindt. Te denken valt aan het kappen van bomen buiten het broedseizoen, of het afzetten van en het wegvangen van soorten in het werkgebied.

Houdbaarheid van gegevens In de Ow is opgenomen dat in het algemeen onderzoeksgegevens maximaal twee jaar houdbaar zijn, tenzij te onderbouwen is waarom gegevens ouder dan twee jaar nog actueel zijn. Flora- en fauna-activiteiten zijn echter uitgezonderd van de houdbaarheidsregel van maximaal twee jaar. 49

Natuurnetwerk Nederland In het kader van regelgeving rond Natuurnetwerk Nederland (NNN) zijn met name de provinciale omgevingsverordeningen van belang, maar de wettelijke basis wordt gevormd door de Ow en het Besluit Kwaliteit Leefomgeving. In de navolgende paragrafen is een samenvattende beschrijving van de relevante delen van de wet, besluiten en regelingen gegeven.

Bescherming Gebieden die vallen onder het NNN worden aangewezen in de omgevingsverordening. 29 In de omgevingsverordening worden ook regels gesteld in het belang van bescherming, instandhouding, verbetering en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden voor omgevingsplannen en projectbesluiten van gedeputeerde staten of waterschappen. Concreet verzekeren deze regels dat de kwaliteit en oppervlakte van het NNN wordt behouden en dat negatieve gevolgen van projecten tijdig worden gecompenseerd. Compensatie zorgt voor behoud van kwaliteit, oppervlakte en samenhang van het NNN. 30

Wezenlijke kenmerken en waarden De wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN worden vastgelegd in de omgevingsverordening. 31 Wezenlijke kenmerken en waarden kunnen niet alleen de huidige waarden omvatten, maar ook de potentiële natuurwaarden en de daarvoor vereiste bodem- en watercondities.32 Bij het vastleggen van wezenlijke waarden moet rekening worden gehouden met de volgende doelstellingen 33: 1. het behoud of herstel van dier- en plantensoorten die van nature in Nederland in het wild voorkomen, van hun biotopen en habitats, en van in Nederland voorkomende typen natuurlijke habitats, in overeenstemming met de internationaalrechtelijke verplichtingen; 2. Voor Natura 2000-gebieden34 en bijzondere nationale natuurgebieden nodig voor het bereiken van de instandhoudingsdoelstellingen voor Natura 2000-gebieden35; 3. de preventie en beheersing van de introductie en verspreiding van invasieve uitheemse soorten.

29art. 2.44 (aanwijzing natuurgebieden en landschappen), lid 4, Omgevingswet 30art. 7.8 (beschermingsregime), lid 1 en 2, en art. 9.3 (instructieregels voor natuurnetwerk Nederland), lid 1, Besluit kwaliteit leefomgeving. 31art. 7.7 (wezenlijke kenmerken en waarden), lid 1, Besluit kwaliteit leefomgeving. 32art. 7.7 (wezenlijke kenmerken en waarden), lid 2, Besluit kwaliteit leefomgeving. 33art. 2.18 (provinciale taken voor de fysieke leefomgeving), lid 1, onder g, Owals aangegeven in art. 7.7 (wezenlijke kenmerken en waarden), lid 2,

Besluit kwaliteit leefomgeving. 34Met uitzondering van Natura 2000-gebieden of gedeelten daarvan die zijn aangewezen in een algemene maatregel van bestuur (Omgevingsbesluit, Besluit kwaliteit leefomgeving, Besluit activiteiten leefomgeving, Besluit bouwwerken leefomgeving). 35Aangewezen in een algemene maatregel van bestuur (Omgevingsbesluit, Besluit bouwwerken leefomgeving).

43

Onze referentie: 5CN7PDCFPVZ4-808734289-264:1 - Datum: 13 mei 2024 - Confidential

QUICKSCAN ECOLOGIE

Regels uit de Omgevingsverordening Op provinciaal niveau is de planologische bescherming van het NNN geregeld in de Omgevingsverordening,. De Provincie Noord-Holland hanteert voor het NNN geen toetsing van externe werking. In de Omgevingsverordening staat het volgende over activiteiten die invloed kunnen hebben op het NNN: Een omgevingsplan binnen het NNN laat alleen toe als de nadelige gevolgen voor de oppervlakte gecompenseerd in overeenstemming de beleidsregel natuurcompensatie of financieel gecompenseerd wordt met lokaal bepaalde normbedragen.

44

Onze referentie: 5CN7PDCFPVZ4-808734289-264:1 - Datum: 13 mei 2024 - Confidential

QUICKSCAN ECOLOGIE

Bijlage B Foto-impressie recreatiegebied Geestmerambacht

1

Functie huidige situatie per deelgebied 18 tiny houses staan er al met een tijdelijke vergunning van 10 jaar tot 2030

Foto-impressie

2

Baggerdepot

3

Evenemententer rein bestaand d.m.v. tijdelijke vergunningen.

4

Overloopgebied. Parkeerterrein evenementen weiland bestaand

45

Onze referentie: 5CN7PDCFPVZ4-808734289-264:1 - Datum: 13 mei 2024 - Confidential

QUICKSCAN ECOLOGIE

5

Campingterrein en fietsenstalling bij grote evenementen (iquisity)

6

Manege (beukers) bestaand

7

Parkeerterrein evenementen weiland bestaand.

8

Agrarische grond

46

Onze referentie: 5CN7PDCFPVZ4-808734289-264:1 - Datum: 13 mei 2024 - Confidential

QUICKSCAN ECOLOGIE

9

Wordt gebruikt als tijdelijke parkeerterrein voor evenementen

10

Vaste parkeermogelijk heid 100 plaatsen

11

Speelpark De Swaen

12

Bestaand recreatiepark Europarcs Molengroet

47

Onze referentie: 5CN7PDCFPVZ4-808734289-264:1 - Datum: 13 mei 2024 - Confidential

QUICKSCAN ECOLOGIE

13

Natuur

14

Beheerkantoor, parkeerplaats, café/restaurant

15

Bestaande recreatieplas

16

Bestaand natuurgebied Kleimeer

48

Onze referentie: 5CN7PDCFPVZ4-808734289-264:1 - Datum: 13 mei 2024 - Confidential

QUICKSCAN ECOLOGIE

17

Horeca

18

Natuurbegraafplaats Geestmerloo

19

Agrarisch met wonen

20

Agrarisch met wonen

49

Onze referentie: 5CN7PDCFPVZ4-808734289-264:1 - Datum: 13 mei 2024 - Confidential

QUICKSCAN ECOLOGIE

21

Agrarisch gebruik

22

Agrarisch gebruik bij Camping kolibrie

50

Onze referentie: 5CN7PDCFPVZ4-808734289-264:1 - Datum: 13 mei 2024 - Confidential

QUICKSCAN ECOLOGIE

Colofon QUICKSCAN ECOLOGIE IN HET KADER VAN DE OMGEVINGSWET ONTWIKKELINGEN RECREATIEGEBIED GEESTMERAMBACHT

KLANT Recreatieschap Geestmerambacht AUTEUR Jasper Osterthun ONZE REFERENTIE 5CN7PDCFPVZ4-808734289-264:1 DATUM 13 mei 2024 STATUS Concept

51

Onze referentie: 5CN7PDCFPVZ4-808734289-264:1 - Datum: 13 mei 2024 - Confidential

QUICKSCAN ECOLOGIE

Over Arcadis Arcadis is de leidende wereldwijd opererende datagedreven duurzame ontwerp-, advies- en consultancyorganisatie op het gebied van de natuurlijke en gebouwde omgeving. Wij zijn met 36.000 architecten, data-analisten, ingenieurs, projectplanners, water- en duurzaamheidexperts. Onze gedeelde passie is: Improving quality of life. Toewijding aan de strategie ‘accelerating a planet positive future’ onderschrijft onze wereldwijde samenwerking met klanten en hoe we hen helpen met duurzame projectkeuzes. We combineren digitale met mensgerichte innovaties en omarmen toekomstgerichte vaardigheden op het gebied van milieu, energie, water, gebouwen, transport en infrastructuur. We werken vanuit meer dan dertig landen en rapporteerden in 2023 een bruto omzet van 5 miljard euro. www.arcadis.com www.arcadis.com

Arcadis Nederland B.V. Postbus 1018 5200 BA 's-Hertogenbosch Nederland T +31 (0)88 4261 261

Arcadis. Improving quality of life

Volg ons op 52

Arcadis

arcadis_nl

Onze referentie: 5CN7PDCFPVZ4-808734289-264:1 - Datum: 13 mei 2024 - Confidential

ArcadisNetherlands

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15697632/1