CConstaterende datAlkmaar
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1. Ruimtelijke onderbouwing

Commissie Ruimte 4 juni 2024, gemeente AlkmaarBij agendapunt: Raadsvoorstel Nieuwbouwproject Dok 614.033 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Grondwater Als gevolg van de aanleg van een deels verdiepte bouwlaag ten behoeve van de fietsenberging in het parkeerhuis zal sprake zijn van een tijdelijke grondwateronttrekking en -lozing. Het ont- trekken van grondwater korter dan zes maanden met een hoeveelheid van minder dan 15.000 m3/per maand in "niet kwetsbaar gebied" en 8.000 m3/per maand in "kwetsbaar gebied" valt onder de algemene regels van de Keur Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier 2009. In deze gevallen is geen vergunning voor de onttrekking benodigd. Effecten op de grondwater- stroming en de grondwaterstanden worden meegenomen in de uitwerking van het plan.

Klimaatadaptatie In het Ontwikkelbeeld is aangegeven dat per ontwikkeling 20% van de locatie onverhard en on- bebouwd moeten blijven ten behoeve van infiltratie van regenwater. Uitgangspunt daarbij is een “normale” regenbui. Dit als een belangrijke bijdrage aan de klimaatadaptieve stad.

In de huidige situatie is het terrein vrijwel volledig verhard. In de nieuwe situatie is het gebied slechts 50% verhard. In binnentuinen en de tuinstraat wordt een waterrijke omgeving gecreëerd waar een groene tuin en waterelementen in de vorm van een wadi met elkaar worden gecombi- neerd.

De beplanting van de tuinen is geschikt voor het bergen van regenwater. Er worden (inheemse) planten geselecteerd voor een standplaats met sterk wisselende omstandigheden; bij heftige regenval zullen ze tijdelijk onder water moeten kunnen staan, gedurende de zomer moeten ze juist tegen periodes van droogte kunnen.

Bij de vormgeving en inrichting van het (semi) openbaar gebied zal bij de uitwerking getoetst worden aan de beleidsregel Klimaatadaptie 2024 – 2028.

Waterkering Ten zuiden en westen van het plangebied is een regionale waterkering aanwezig. Het plange- bied ligt geheel buiten de beschermingszone.

Vergunningen en ontheffingen Voor werkzaamheden in, onder, langs, op, bij of aan oppervlaktewater, waterkeringen en wegen in het beheer van het hoogheemraadschap is een watervergunning van het hoogheemraad- schap nodig.

Conclusie Geconcludeerd wordt dat de ontwikkeling geen nadelig effect heeft op het watersysteem. Bij de herinrichting van de locatie worden diverse maatregelen toegepast om negatieve effecten als gevolg van extreme neerslag, hitte en droogte te voorkomen, hierbij zal worden onderzocht om zoveel als mogelijk op de beleidsregel Klimaatadaptatie 2024 – 2028 van de gemeente Alk- maar.

Goede ruimtelijke onderbouwing DOK6 23/29

Milieu- en omgevingsaspecten

4.3 Bodem In een bestemmingsplan dat nieuwe functies mogelijk maakt dient de bodemgesteldheid in kaart te worden gebracht. Onderzocht moet worden of de bodem verontreinigd is en wat voor gevolgen een eventuele bodemverontreiniging heeft voor de uitvoerbaarheid van het plan. Een nieuwe bestemming mag pas worden opgenomen als is aangetoond dat de bodem geschikt is (of geschikt te maken is) voor de nieuwe bestemming. Wanneer (een deel van) de bodem in het plangebied verontreinigd is, moet worden aangetoond dat het bestemmingsplan, rekening hou- dend met de kosten van sanering, financieel uitvoerbaar is.

Betekenis voor het project Voor het perceel is een verkennend en aanvullend bodemonderzoek3 uitgevoerd. Met het ver- kennend onderzoek in de bovengrond sterke verhogingen gemeten aan PAK en lichte tot ma- tige verhogingen aan minerale olie. Er zijn verder in de boven- en ondergrond hooguit enkele lichte verhogingen gemeten. De eerder aangetoonde PAK-verontreiniging op het perceel Ma- dame Curiestraat 9 is in het onderzoek niet aangetoond. In het grondwater zijn geen verhogin- gen aangetoond.

De aangetoonde PAK-verontreiniging dient ten behoeve van het verkrijgen van een omgevings- vergunning gesaneerd te worden. Voor het overig deel van de onderzoekslocatie vormen de on- derzoeksresultaten ons inziens geen belemmeringen voor de afgifte van een omgevingsvergun- ning. De afgifte van de omgevingsvergunning blijft echter een beleidsmatige afweging van de gemeente zelf. Tijdens het onderzoek zijn geen waarnemingen gedaan die kunnen duiden op de aanwezigheid van een verontreiniging met asbest. De hypothese van een asbest onver- dachte locatie wordt gehandhaafd.

Aanbevolen wordt om de niet sterk verontreinigde grond die vrijkomt bij (eventuele) graafwerkzaamheden te hergebruiken binnen het project. Indien dit niet mogelijk is kan de grond op basis van dit rapport worden afgevoerd naar een grondbank. Als de grond wordt afgevoerd voor hergebruik elders, is aanvullend een partijkeuring nodig conform het Besluit Bodemkwaliteit. Met name bij grotere partijen grond is dit voordeliger dan afvoeren naar een grondbank. In sommige gevallen is ook zonder partijkeuring hergebruik mogelijk op basis van een bodemkwaliteitskaart.

In verband met de voorgenomen ontwikkeling van het perceel wordt als volgt geadviseerd: • Na sloop van de panden wordt aanvullend onderzoek uitgevoerd. Dit aanvullend onderzoek bestaat uit een verkenned bodemonderzoek onder de bestaande panden, een boorraai ter plaatse van de gedempte sloot en afperkend onderzoek ter plaatse van de PAK-verontreini- ging.

Aangezien er sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging gelden de volgende verplichtingen: • Na sloop van de panden een afperkend onderzoek uitvoeren van de PAK-verontreiniging. • De sanering moet van te voren worden gemeld via een regulier saneringsplan (9 weken) of via de BUS-procedure (5 weken termijn); • Omgevingsdienst Noord-Holland Noord is hierbij bevoegd gezag; • De graafwerkzaamheden moeten worden uitgevoerd door een BRL 7000 erkende aan- nemer; • De graafwerkzaamheden moeten milieukundig worden begeleid conform de BRL6000.

3 Verkennend bodemonderzoek Edisonweg 9, Grondslag, 2 maart 2023

Goede ruimtelijke onderbouwing DOK6 24/29

Milieu- en omgevingsaspecten

4.4 Archeologie Op grond van de Erfgoedwet is iedere gemeente verplicht aandacht te besteden aan de archeo- logie op haar grondgebied en dit te verwerken in bestemmingsplannen en andere ruimtelijke in- strumenten.

Betekenis voor het project De gemeente Alkmaar beschikt over een archeologische verwachtingskaart (vastgesteld door de gemeenteraad d.d. 26 september 2016). Deze kaart dient als beleidsinstrument bij het op- stellen van bestemmingsplannen en de op de kaart aangegeven archeologische waarden die- nen planologisch te worden verankerd. Op de verwachtingskaart 2016 heeft het te ontwikkelen gebied de waarde archeologie E, dat wil zeggen dat er geen archeologische maatregelen nood- zakelijk zijn bij verstoringen over een oppervlak kleiner dan 10.000 m² en dieper dan 40 cm. Omdat deze verstoringsnorm niet wordt overschreden, is archeologisch onderzoek niet noodza- kelijk. Wel geldt een wettelijke meldingsplicht bij het doen van toevalsvondsten aan het bevoegd gezag.

4.5 Cultuurhistorie Op grond van de Modernisering Monumentenwet (MoMo) dient in een bestemmingsplan een beschrijving te worden opgenomen van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cul- tuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden.

Betekenis voor het project De locatie heeft geen specifieke cultuurhistorische waarden. Ook is er geen sprake van een aardkundig waardevol gebied. Het bouwplan leidt niet tot aantasting van de cultuurhistorische waarden.

4.6 Natuur In de natuurwetgeving worden gebiedsbescherming en soortenbescherming onderscheiden. Beide beschermingsregimes zijn van belang voor de ontwikkelingsmogelijkheden van een ge- bied. De soortenbescherming is geregeld in de Wet natuurbescherming. Hierin zijn verschil- lende beschermingsregimes voor soorten aangewezen.

Betekenis voor het project In het kader van de voorgenomen ontwikkeling is een quickscan natuur 4 uitgevoerd. De quickscan is er op gericht om een eerste inzicht te krijgen in de mogelijke effecten op be- schermde natuurwaarden in en om het projectgebied en de mogelijke vervolgstappen die moe- ten worden genomen met betrekking tot aanvullend veldonderzoek, nader effect-onderzoek en nadere procedures.

Gebiedsbescherming Het plangebied ligt op bijna 6 kilometer afstand van het meest nabijgelegen Natura 2000-ge- bied, Noordhollands Duinreservaat. Gezien de grote afstand, afscherming en de aard van de uit te voeren werkzaamheden, worden op voorhand geen directe negatieve gevolgen verwacht van de plannen zoals licht, geluid of optische verstoring. Er hoeft hiernaar geen nadere toetsing uit- gevoerd te worden.

Vanwege de jurisprudentie met betrekking tot het Programma Aanpak Stikstof (PAS) is noodza- kelijk om te kijken of de beoogde herontwikkeling kan leiden tot stikstofdepositie ter plaatse van één of meerdere Natura 2000-gebieden. Voor zowel de aanlegfase als de gebruiksfase is een stikstofberekening met het programma Aerius uitgevoerd5.

4 Toetsing in het kader van de natuurwetgeving, Van der Goes en Groot, 2 december 2022 5 Berekening stikstofdepositie, Van der Goes en Groot, 10 april 2023

Goede ruimtelijke onderbouwing DOK6 25/29

Milieu- en omgevingsaspecten

De maximale projectbijdrage van de aanleg en het gebruik van de gebouwen is 0,00 mol/ha/jaar op de meest dichtbijgelegen stikstofgevoelige habitattypen. De stikstofdepositie die uitvoering van de plannen zal veroorzaken vormt een zodanig gering percentage van de kritische deposi- tiewaarde van de meest kritische ter plaatse voorkomende stikstofgevoelige habitattypen, dat er ecologisch gezien geen zichtbare of meetbare effecten zullen optreden en er zeker geen sprake is van significante gevolgen waardoor de instandhoudingsdoelstellingen van de betrokken Na- tura 2000-gebieden in gevaar zouden kunnen komen.

Gezien de werkzaamheden betreft de hoogste bijdrage van het project de tijdelijke inzet en het tijdelijke effect van mobiele werktuigen. Deze tijdelijke effecten zijn vaak gemakkelijker op te vangen door de natuurlijke fluctuaties binnen het natuurgebied of eventueel herstelbeheer, dan effecten van permanente activiteiten.

In de gerealiseerde bebouwing wordt door het afzien van stookinstallaties in de bebouwing (vrij- wel) geen stikstof meer geëmitteerd. De transitie van oude bebouwing met zekere uitstoot van stikstof naar de beoogde bebouwing in dit project draagt daarmee bij aan de gewenste perma- nente daling van stikstof op kwetsbare natuurgebieden.

Soortenbescherming Op basis van het uitgevoerde bronnenonderzoek en de habitatgeschiktheidsbeoordeling wordt geconcludeerd dat het onderzoeksgebied in potentie geschikt is voor beschermde soorten amfi- bieën, vogels, grondgebonden zoogdieren en vleermuizen. Gezien de uitgevoerde toetsing, kunnen van de amfibieën en grondgebonden zoogdieren alleen ‘vrijgestelde’ soorten verblijvend aanwezig zijn. Voor deze aangetroffen of verwachte ‘vrijgestelde’ soorten hoeft geen ontheffing te worden aangevraagd als werkzaamheden worden verricht.

In het plangebied kunnen broedvogels met niet-jaarrond beschermde nesten voorkomen. Voor de verwachte aanwezige broedvogels dienen werkzaamheden waarbij nesten vernield of ver- stoord kunnen worden, buiten het broedseizoen plaats te vinden. Een ontheffing is voor broed- vogels dan niet nodig. Het broedseizoen loopt ruwweg van half maart tot half juli.

Voor het mogelijk incidentele terreingebruik van het plangebied door vogels met jaarrond be- schermde nesten (Huismus en Sperwer), wordt geen negatief effect verwacht van de ingreep omdat het plangebied slechts een klein deel uitmaakt van een veel groter leefgebied en in de naaste omgeving veel vergelijkbaar of beter biotoop aanwezig is. Het plangebied biedt geen es- sentieel leefgebied voor deze soorten en ze kunnen gemakkelijk uitwijken.

In het plangebied kunnen verblijvende vleermuizen voorkomen. Omdat negatieve effecten door de werkzaamheden niet uit te sluiten zijn, is aanvullend onderzoek6 is uitgevoerd.

In het plangebied komen geen jaarrond beschermde verblijfplaatsen van vogels voor. In het plangebied kunnen wél broedvogels met niet-jaarrond beschermde nesten voorkomen. Voor de verwachte aanwezige broedvogels dienen werkzaamheden waarbij nesten vernield of verstoord kunnen worden, buiten het broedseizoen plaats te vinden. Een ontheffing is voor broedvogels dan niet nodig. Het broedseizoen duurt ruwweg van half maart tot eind juli.

In het plangebied zijn verblijvende vleermuizen aangetroffen. Het gaat om Gewone dwergvleer- muis. Indien werkzaamheden worden verricht aan gebouwen of gebouwdelen waarin verblijf- plaatsen van vleermuizen zijn aangetroffen, dan dient een plan van aanpak gemaakt te worden waarin mitigerende en compenserende maatregelen worden beschreven om negatieve effecten die kunnen optreden teniet te doen. Dit plan dient te worden ingediend in het kader van een WABO-procedure of in het kader van een ontheffingsaanvraag Wnb. Wanneer voldoende com- penserende en/of mitigerende maatregelen worden getroffen en een geldig belang uit de Habi- tatrichtlijn of Vogelrichtlijn aanwezig is, wordt door de provincie een verklaring van geen beden- kingen afgegeven (Wabo-procedure) of een ontheffing (ontheffings-aanvraag Wnb).

6 Inventarisatie beschermde soorten in het kader van de natuurwetgeving, Van der Goes en Groot, 10 oktober 2023

Goede ruimtelijke onderbouwing DOK6 26/29

Milieu- en omgevingsaspecten

Het foerageergebied voor vleermuizen binnen het plangebied maakt slechts een klein deel uit van een veel groter foerageergebied en is geen ‘essentieel’ deel van het leefgebied. De vleer- muizen kunnen derhalve uitwijken. Voor overige aanwezige soorten geldt onverminderd de zorgplicht.

4.7 Verkeer en parkeren In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient een plan inzicht te geven in de gevolgen van de ontwikkeling op het gebied van verkeer en parkeren.

Betekenis voor het project Er is onderzoek7 uitgevoerd naar de effecten op de verkeersgeneratie en parkeren.

Verkeer Door de toevoeging van maximaal 232 woningen en maximaal 3.600 m2 aan niet-woonfuncties ontstaat meer verkeer op de omliggende wegen. De ontwikkeling genereert volgens een ro- buuste schatting 1.000 motorvoertuigen per werkdagetmaal. In het drukste uur zijn dit 100 mo- torvoertuigen per uur. De locatie wordt zeer goed ontsloten via de Edisonweg en gaat niet ver- der het gebied in. De te verwachten verkeersgeneratie staat een goede verkeersafwikkeling niet in de weg.

Parkeren De gemeente hanteert voor het bepalen van de parkeerbehoefte de Nota Parkeernormen 2020 – 2027. De locatie wordt gekenmerkt als een sterk stedelijk gebied en ligt in het deelgebied ‘Overstad en overig’. De onderstaande minimale parkeernormen zijn van toepassing voor het plan (inclusief aandeel bezoekers van 0,3):

Wonen • Woning groot (> 125 m² BVO): 1,7 • Woning (100 – 125 m² BVO): 1,5 • Woning (75 – 100 m² BVO): 1,3 • Woning klein (45 – 75 m² BVO): 1,0 • Woningen klein (<45 m² BVO): 0,3

Niet-woonfuncties • Kantoor 1,9 per 100 m² BVO • Gezondheid maximaal 2,9 per behandelkamer • Sportschool 4,9 per 100 m²

Naast de Nota Parkeernormen heeft de gemeente een mobiliteitsvisie, waarin de gemeente een transitie naar ander duurzaam vervoer gaat stimuleren en in de toekomst een positiever effect zal hebben op de parkeer- en verkeersgeneratie.

De Waerden (niet-wonen) Zoals omschreven zal een groot deel aan niet-woonfuncties ingevuld worden door de Waerden voor dagbesteding/dagactiviteitencentrum. In de Parkeernota van de gemeente zijn hier geen specifieke parkeernormen voor omschreven. In samenspraak met de gemeente en Stichting de Waerden is hiervoor een parkeernorm bepaald welke gehanteerd kan worden. Voor de dagbe- steding volstaat 12 parkeerplaatsen op hoogsmaatgevende moment van de dag (werkdagoch- tend en avond) en daarnaast is er de behoefte aan minimaal 4 plekken voor halen en brengen.

Op basis van het woon- en werkprogramma zoals dat in het stedenbouwkundig plan is opgeno- men, bedraagt de maximale parkeerbehoefte afhankelijk van de definitie niet-wonen functie in blok 1 in totaal 193 parkeerplaatsen (inclusief toepassing aanwezigheidspercentages). In het stedenbouwkundig plan kunnen 193 parkeerplaatsen op eigen terrein opgenomen. Par- keren vindt plaats in een meerlaagse parkeerhub (blok 6). Afhankelijk van de definitieve niet-

7 Notitie verkeersgeneratie, Sweco, 22 december 2023

Goede ruimtelijke onderbouwing DOK6 27/29

Milieu- en omgevingsaspecten

wonen functie (kantoor en/of sportschool of gezondheid) in Blok 1 kan de parkeerbehoefte vast- gesteld- en gerealiseerd worden binnen de parkeerhub. In bijlage 7 is de parkeerbalans bereke- ning8 toegevoegd op basis van diverse verschillende niet-wonen functies in Blok 1. Daarnaast zijn er aan de Edisonweg 6 plaatsen voorzien voor onder andere het halen en brengen van de dagbesteding.

De ontwikkeling voldoet aan de eisen uit de Nota parkeernormen.

4.8 Geluid Op grond van de Wet geluidhinder dient de geluidbelasting afkomstig van geluidgezoneerde wegen op de nieuwe woningen (geluidgevoelige bestemmingen) te worden getoetst aan de in de wet opgenomen grenswaarden. De woningen komen op een bedrijventerrein te liggen. In het kader van goede ruimtelijke orde- ning wordt ook de akoestische gevolgen van de bedrijfsactiviteiten in de omgeving beschouwd. Ten behoeve van de ontwikkeling is akoestisch onderzoek9 uitgevoerd waarbij aandacht is be- steed aan zowel geluid vanwege omliggende wegen als aan de bedrijfsactiviteiten in de omge- ving.

Wegverkeerslawaai Vanwege het wegverkeer is bij vier blokken sprake van een verhoogde geluidsbelasting. Dit is zowel het gevolg vanwege de Nieuwe Schermerweg als vanwege Louis Pasteurstraat/Madame Curiestraat en de Edisonweg. Voor onderstaande bouwblokken moet voor de genoemde wegen een hogere waard worden vastgesteld conform de waarde in de tabel.

Bij blok 2 en blok 5 is de geluidsbelasting hoger dan de voorkeursgrenswaarde + 5 dB. Van- wege de geluidsbelasting gelden bij de blokken 2 en 5 extra maatregelen op grond van het ge- meentelijk beleid. Deze voorwaarden zijn: • Aanwezigheid van een geluidsluwe gevel; • 30 % van de verblijfsruimten dienen aan de geluidsluwe gevel te grenzen; • Buitenruimte aan geluidsluwe zijde of deze voorzien van afscherming zodat de geluidsbe- lasting niet meer bedraagt dan 53 dB ten gevolge van wegverkeer. In het bouwplan wordt rekening gehouden met deze voorwaarden.

8 Parkeerbalansberekeningen, Pro6, 16 april 2024 9 Akoestisch onderzoek, M+P, 15 april 2024

Goede ruimtelijke onderbouwing DOK6 28/29

Milieu- en omgevingsaspecten

Figuur Waarneempunten met geluidsbelaste gevels (geel t/m 53 dB, oranje > 53 dB) rapport Akoestisch onderzoek, M+P, 15 april 2024

Activiteiten Voor een aantal bedrijven is aangegeven dat het bouwplan binnen het invloedsgebied is gele- gen (maar niet binnen de richtafstand voor een gemengd gebied). De realisatie van woningen zal in het algemeen niet leiden tot een beperking van de bedrijven in de directe omgeving om- dat planologisch is vastgelegd aan welke milieucategorie deze bedrijven moeten voldoen. Het huidige bestemmingsplan laat categorie 1 en 2 bedrijven toe direct rond het onderzochte woningbouwplan. De richtafstand bedraagt dan maximaal 10 meter. Voor de direct naastlig- gende bedrijven bedraagt de afstand 0 meter tot de gedeelde perceelsgrens.

Goede ruimtelijke onderbouwing DOK6 29/29

Milieu- en omgevingsaspecten

De afstand tussen de nieuwe blokken en de perceelgrens is bijna overal meer dan 10 meter en daarmee wordt voldaan aan de richtafstand van categorie 2 bedrijven. Blok 6 staat op de per- ceelgrens maar wordt ingevuld als parkeerhub en kent geen gevoelige bestemming. Blok 1 staat op 5 meter van de erfgrens van het bedrijf aan de Louis Pasteurstraat 3. Het bedrijfsge- bouw heeft aan de zijkanten geen openingen en heeft op het perceel ook geen ruimte voor be- drijfsactiviteiten in de buitenlucht. De activiteiten van dit bedrijf bestaan op deze locatie uitslui- tend uit opslag van goederen en er is geen sprake van significante geluidsbelastende activitei- ten. De eerste en tweede bouwlaag van blok 1 worden ingevuld met niet-gevoelige niet-woonfunc- ties. Het vloerpeil van de 2e verdieping met de woonlagen komt op 8 meter te liggen, het mid- den van de gevel ligt hier 1,5 meter boven. Diagonaal bedraagt de afstand dan circa 10,7 m. Er zal geen sprake zijn van belemmering van de bedrijfsactiviteiten voor dit bedrijf of van een verhoogde geluidsbelasting bij de woningen.

Conclusie Voor de verhoogde geluidsbelasting vanwege wegverkeer is een beluit hogere waarden nodig. Voor de woningen in blokken 2 en 5 moet, vanwege de geluidbelasting hoger dan de grens- waarde + 5 dB, worden getoetst aan de voorwaarden van het beleid. Tevens moet worden on- derzocht of wordt voldaan aan de vereisten van het Bouwbesluit 2012. Dit is een voorwaarde voor de activiteit bouwen.

Met betrekking tot de richtafstanden in het kader van bedrijfsactiviteiten wordt de minimale af- stand tot de perceelsgrens aangehouden. Voor blok 1 direct naast het bedrijfspand Louis Pasteur- straat 3 geldt dat op de begane grond en 1e verdieping geen geluidsgevoelige functies zullen worden gevestigd. De afstand van de woonlaag tot de perceelsgrens bedraagt dan meer dan 10 meter.

4.9 Luchtkwaliteit Op basis van wetgeving die bekend staat onder de naam 'Wet luchtkwaliteit' kunnen ruimtelijk- economische initiatieven worden uitgevoerd als aan één of meer voorwaarden wordt voldaan: • grenswaarden niet worden overschreden; • de luchtkwaliteit per saldo verbetert of tenminste gelijk blijft; • het initiatief niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit; • het initiatief is opgenomen in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL).

De Wet Luchtkwaliteit maakt onderscheid tussen kleine en grote ruimtelijke projecten. Onder kleine projecten worden projecten verstaan die de luchtkwaliteit 'niet in betekende mate' ver- slechteren. Deze projecten worden niet meer beoordeeld op luchtkwaliteit. Ze zijn namelijk zo klein dat ze geen wezenlijke invloed hebben op de luchtkwaliteit. Draagt een klein project niet of nauwelijks bij aan luchtverontreiniging, dan is er geen belemmering voor. Het ministerie VROM heeft de definitie van 'in betekenende mate' vastgelegd in het Besluit NIBM. Projecten die de concentratie NOx, SO2 of fijn stof met meer dan 3% van de grenswaarde verhogen, dragen in betekenende mate bij aan de luchtvervuiling.

Deze 3%-grens is voor een aantal categorieën projecten in de regeling NIBM omgezet in getals- matige grenzen, bijvoorbeeld: • woningbouw: 1.500 woningen netto bij 1 ontsluitingsweg, 3.000 woningen bij 2 ontsluitings- wegen; • kantoorlocaties: 100.000 m2 bruto vloeroppervlak bij 1 ontsluitingsweg, 200.000 m 2 bruto vloeroppervlak bij 2 ontsluitingswegen.

Betekenis voor het project De ontwikkeling van het plangebied bevat de realisatie van minder dan 1.500 woningen. Omdat ook bedrijfsfuncties worden mogelijk gemaakt, is een toets uitgevoerd met de NIBM-tool waarbij als uitgangspunt een toename van 1.000 motorvoertuigbewegingen per dag is aangehouden als gevolg van de ontwikkeling. De conclusie geeft aan dat het extra verkeer in niet betekenende mate is en er geen nader onderzoek nodig is.

Goede ruimtelijke onderbouwing DOK6 30/29

Milieu- en omgevingsaspecten

Afbeelding 4.2: Berekening NIBM-tool

Uit de informatie die beschikbaar is via de Monitoringstool NSL blijkt dat de jaargemiddelde concentraties fijn stof en stikstofdioxide in 2017, 2020 en 2025 langs wegen in de nabijheid van het plangebied onder de 35 µg/m³ liggen. Ter plaatse van het gehele plangebied zal dan ook worden voldaan aan de grenswaarden omdat de concentraties luchtverontreinigende stoffen afnemen naarmate een locatie verder van de weg ligt. Met betrekking tot luchtkwaliteit is in het plangebied sprake van een goed woon- en leefklimaat.

4.10 Externe veiligheid Externe veiligheid heeft betrekking op de gevaren die mensen lopen als gevolg van aanwezig- heid in de directe omgeving van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken. Er kan onderscheid worden gemaakt tussen: • bedrijven waar gevaarlijke stoffen worden bewaard en/of bewerkt; • transportroutes (wegen, waterwegen, spoorwegen) waarlangs gevaarlijke stoffen worden vervoerd; • ondergrondse buisleidingen voor het transport van gevaarlijke stoffen.

De aan deze activiteiten verbonden risico’s moeten tot een aanvaardbaar niveau beperkt blij- ven.

Het wettelijk kader voor risicobedrijven is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid inrichtin- gen (Bevi) en de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi). Voor LPG-tankstations geldt voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen tevens de circulaire effectafstanden externe veiligheid lpg-tankstations. Voor het vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoorwegen waterwegen is het wettelijk kader vastgelegd het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en de Regeling Basisnet. De normen voor ondergrondse buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen zijn vast- gelegd in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en de Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb).

Betekenis voor het project In het kader van het bestemmingsplan is het aspect externe veiligheid onderzocht. Een toets aan de website www.atlasleefomgeving.nl heeft uitgewezen dat in de nabijheid van de ontwik- keling zich geen inrichtingen met gevaarlijke stoffen, geen transportroutes van gevaarlijke stof- fen en geen buisleidingen bevinden. De ontwikkeling in het plangebied wordt niet belemmerd door het aspect externe veiligheid.

Goede ruimtelijke onderbouwing DOK6 31/29

Milieu- en omgevingsaspecten

Uit het advies van de Veiligheidsregio volgen geen aandachtspunten die de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan in de weg staan. In de uitwerking van het plan wordt rekening gehouden met de ‘Handreiking bluswatervoorziening en bereikbaarheid VRNHN 2021’ en wordt de brand- weer betrokken.

4.11 Bedrijven en milieuzonering Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tus- sen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: • woonfuncties nabij bestaande en opvolgende bedrijvigheid zijn alleen mogelijk als ter plaatse van de woningen een goed woon- en leefklimaat kan worden gerealiseerd • bestaande bedrijven worden niet onevenredig geschaad in hun bedrijfsvoering.

Hoe gevoelig een gebied is voor milieubelastende activiteiten is mede afhankelijk van het om- gevingstype.

Betekenis voor het project Bedrijventerrein Oudorp was tot voor kort als geheel een gezoneerd industrieterrein. Met de vaststelling van het bestemmingsplan Geluidzonering bedrijventerrein Oudorp is het bedrijven- terrein geherzoneerd. Er geldt enkel nog een geluidzone om de scheepswerf ‘Nicolaas Witsen’. De geluidzone reikt niet tot in het plangebied.

In de directe omgeving van het plangebied zijn diverse bedrijven aanwezig. De VNG-brochure ‘Bedrijven en milieuzonering’ geeft indicatieve afstanden tussen bedrijven/functies en woningen met betrekking tot de aanvaardbaarheid van een plan vanuit het oogpunt van een goede ruimte- lijke ordening. Binnen gemengd gebied kunnen de richtafstanden met één afstandsstap worden verlaagd. Een gemengd gebied is volgens de VNG-brochure een gebied met matige tot sterke functiemenging. Hier is op de onderhavige locatie sprake van.

Het woningbouwplan is gelegen binnen het invloedsgebied van de volgende bedrijven: • PZ Bouw, Edisoweg 14A. • Derco, Schermerweg 33. • Benjamins Yacht Services en Auto herstel Rokx, Einsteinstraat 3. • Jachtwerf Nic. Witsen, Kraspolderweg 2. • Norder Cement- en Betonvloeren, Madame Curiestraat 3. • Prolift Louis Pasteurstraat 5

Door M+P (onderzoek geluidbelasting nieuwbouw Edisonweg, zie bijlage 9) zijn deze bedrijven beschouwd. Bij de meeste blokken wordt de minimale afstand tot de perceelsgrens aangehou- den. Alleen voor blok 1 wordt niet op voorhand voldaan aan de richtafstand. Het blok is gelegen op 5 meter van de perceelsgrens. Echter geldt hier dat de woningen in blok 1, vanwege de situ- ering op de derde bouwlaag en hoger, wel de richtafstand van 10 meter tot het naastgelegen bedrijf aanhouden.

De ontwikkeling zelf maakt ook niet-woonfuncties mogelijk. Deze vallen allemaal binnen de laagste milieucategorieën en worden bouwkundig gescheiden van de te realiseren woningen.

Binnen het plangebied is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en bestaande be- drijven in de omgeving van het projectgebied ondervinden geen nadelige gevolgen van de nieuwbouw.

Goede ruimtelijke onderbouwing DOK6 32/29

Milieu- en omgevingsaspecten

4.12 Duurzaamheid In de uitvoering van het bestemmingsplan zal aandacht worden besteed aan het aspect duur- zaamheid. Duurzaam bouwen betreft een wijze van plannen, bestemmen, ontwerpen, bouwen, inrichten en beheren (inclusief slopen en hergebruik) van de te realiseren woningen. Duurzaamheidsaspecten waar bij de bouw van de woningen aan moet worden gedacht zijn: energiehuishouding, materiaalgebruik, watergebruik, gezondheid, comfort, toekomstbestendig- heid, etc.

De gemeente Alkmaar heeft het duurzaamheidsbeleid vastgesteld in haar Duurzaamheidspro- gramma 2020-2024. Met als basis de doelstellingen die afgesproken in het Klimaatakkoord. Het belangrijkste doel van het programma Duurzaam Alkmaar 2020-2024 is vermindering van CO2. Dat doen we met concrete maatregelen op het gebied van energiebesparing en duurzaam op- gewekte energie. Ook in het coalitieakkoord van Alkmaar wordt er duidelijk gesproken over duurzaamheid. Zo wordt er ingezet op zonne-energie en de verduurzaming van woningen.

De gemeente hanteert de volgende uitgangspunten voor de nieuwbouw: • gasloos bouwen • (bijna) energieneutraal bouwen / lokale opwekking duurzame energie • circulair bouwen / wateradaptie • duurzame mobiliteit

De toe te passen maatregelen voor een energiezuinige woning zijn grofweg onder te verdelen in drie stappen: 1. Duurzaam ontwerpen / duurzaam casco 2. Duurzame warmte-koude voorziening 3. Duurzame energieopwekking

Betekenis voor het project Er is sprake van een duurzaam project op verschillende vlakken; energiegebruik, klimaatadap- tatie en gezondheid.

Energiegebruik De woningen worden niet aangesloten op het gasnet en zullen voldoen aan de geldende BENG-eisen (bijna energieneutraal). De daken van de gebouwen zullen deels worden gebruikt voor zonnepanelen om duurzame energie op te wekken. Uitgangspunt is dat er wordt aangeslo- ten op de duurzame stadsverwarming van de HVC.

Klimaatadaptatie Het klimaat verandert, een belangrijk onderdeel hiervan zijn de hevigere weersomstandigheden zoals; wateroverlast, hittestress en droogte. Toepassing van groen als waterberging verhoogt de lokale weerbaarheid tegen extreme neerslag en effecten van droogte. In de huidige situatie is het terrein vrijwel volledig verhard. In de nieuwe situatie is het gebied slecht 50% verhard. Hiermee wordt een grote bijdrage geleverd aan het vergroten van klimaatbuffers, biodiversiteit en de woon- en verblijfskwaliteit. Daarnaast wordt op de gebouwen onderzocht naar de de ver- houding groene daken en pv-panelen op daken.

Circulair bouwen Het streven is om grondstoffen te hergebruiken en afvalstromen te beperken, juist bij de bouw van nieuwe woningen en de inrichting van gebieden. In de uitwerking van het plan krijgt dit na- dere aandacht.

Gezondheid Met de inrichting van een groen maaiveld wordt rekening gehouden met ruimte voor ontmoeting van bewoners. Bij de inrichting wordt ook voorzien in sport faciliteiten. Verder wordt het gebruik van de fiets gestimuleerd, doordat deze makkelijk toegankelijk zijn voor bewoners en er zijn voorzieningen aanwezig.

Goede ruimtelijke onderbouwing DOK6 33/29

Milieu- en omgevingsaspecten

Ecologie Het voornemen is om in de nieuwe bebouwing vogel- en vleermuiskasten toe te passen. Daar- naast wordt bij de groene inrichting en keuze van beplanting rekening gehouden met goede om- standigheden voor vogels en insecten.

4.13 Bezonning Naarmate de breedte of hoogte van een gebouw groter is, kan het negatieve effect op de be- zonning van de omgeving toenemen. Een smalle toren belemmert de bezonning van de omge- ving voor een kortere tijd dan een wand van diezelfde hoogte, of zelfs een wand van minder hoogte. Hoogbouwinitiatieven dienen daarom te worden onderworpen aan een bezonningson- derzoek.

Betekenis voor het project Ten behoeve van de ontwikkeling is een bezonningsstudie 10 uitgevoerd. De bezonningsstudie maakt inzichtelijk wat de gevolgen zijn voor de bezonning en schaduw in de toekomstige situa- tie. Op basis van bovenstaande bezonningsstudie kan worden geconcludeerd dat de voorgeno- men ontwikkeling geen schaduwhinder tot gevolg heeft.

4.14 Windhinder In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient bij hoogbouwinitiatieven aandacht te wor- den besteed aan de effecten van de hoogbouw op de omgeving, waaronder windhinder. Ver- eiste voor een aanvaardbaar wildklimaat is dat het gevaarcriterium niet wordt overschreden en dat er voldoende aandacht is voor het windklimaat ter plaatse van entrees en buitenruimten.

Betekenis voor het project Door middel van een windklimaatonderzoek11 is het windklimaat in het invloedsgebied van de geplande nieuwbouw beoordeeld. Uit het onderzoek volgt dat er een luw tot gematigd windkli- maat zal heersen nabij de nieuwbouw. Dit kan worden geaccepteerd en aanpassingen aan de bouwvolumes achten wij dan ook niet noodzakelijk.

In het onderzoek zijn enkele aanbevelingen gegeven om het windklimaat te optimaliseren en af te stemmen op het gebruik van de openbare buitenruimte. Deze aanbevelingen worden meege- nomen in de uitwerking van het plan.

4.15 Vormvrije m.e.r.-beoordeling In Nederland is het verplicht om de effecten op het milieu volwaardig onderdeel te laten zijn van de voorbereiding en de besluitvorming over ruimtelijke plannen. Daarvoor is in de Wet milieube- heer de methodiek van de milieueffectrapportage (m.e.r.) opgenomen. De voorgenomen ontwikkeling is niet direct m.e.r. beoordelingsplichtig op basis van het onder- deel ‘aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen’. Echter, omdat de voorgenomen ontwikkeling wel valt onder de noemer van een ‘stedelijk ontwikkelingsproject’, is een vormvrije m.e.r.-beoorde- ling verplicht. De vormvrije m.e.r.-beoordeling is in feite een beknopte opsomming van de be- oordeling van de ontwikkeling op verschillende milieuaspecten.

Het Besluit m.e.r. en de Wet milieubeheer zijn per 7 juli 2017 gewijzigd. Gemeenten zijn thans verplicht om een expliciet besluit te nemen over het al dan niet opstellen van een milieueffect- rapport (Mer). Uit de bij deze GRO opgenomen Aanmeldnotitie m.e.r. 12 volgt dat de kenmerken

10 Bezonningsstudie, Pro6, 17 november 2023 11 Onderzoek windklimaat, Actiflow, 15 april 2024 12 Aanmeldnotitie m.e.r., DNS Planvorming, 21 december 2023

Goede ruimtelijke onderbouwing DOK6 34/29

Milieu- en omgevingsaspecten

van de activiteit en de mogelijke gevolgen voor het milieu geen aanleiding geven voor het op- stellen van een milieueffectrapportage.

4.16 Conclusie milieu- en omgevingsfactoren Uit bovenstaande paragrafen kan worden geconcludeerd dat er geen belemmeringen bestaan voor de woningbouwontwikkeling in het plangebied.

Goede ruimtelijke onderbouwing DOK6 35/29

Maatschappelijke en financiële uitvoerbaarheid

5 Maatschappelijke en financiële uitvoerbaarheid

5.1 Maatschappelijke uitvoerbaarheid Op grond van artikel 3.7 Wabo, gelezen in samenhang met artikel 3.10 Wabo, kan worden vast- gesteld dat op de voorbereiding van een omgevingsvergunning, zoals bedoeld in artikel 2.12, lid 1, onder a, sub 3, Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), de uitgebreide voorberei- dingsprocedure van toepassing is. De beslistermijn is 26 weken en kan door het bevoegd gezag eenmaal met 6 weken worden verlengd. Omdat de omgevingsvergunning de bouw van meer dan 11 woningen mogelijk maakt, is de Cri- sis- en Herstelwet (Chw) van toepassing met als gevolg dat de bestuurlijke versnellingen van toepassing zijn zoals opgenomen in afdeling 2 van hoofdstuk 1 van de Chw.

5.1.1 Participatie De gemeente Alkmaar heeft middels de notities “Leidraad voor participatie bij ruimtelijke initia- tieven” en “Visie op modernisering van participatie bij ruimtelijke initiatieven” (beide juli 2019) beleid gemaakt hoe om te gaan met participatie bij projecten. Op basis hiervan is door Pro6 een participatieplan opgesteld. Van de gevoerde participatie is verslag13 gemaakt. De tot op heden georganiseerde participatie biedt voldoende draagvlak om verder te gaan met de besluitvorming over de voorgenomen ontwikkeling.

5.2 Financiële uitvoerbaarheid Ingevolge artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) dient er in het kader van het ruimtelijk besluit een onderzoek te worden gedaan naar de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan.

In artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) is voorgeschreven dat de gemeenteraad een exploitatieplan vaststelt voor de gronden waarop een bouwplan is voorgenomen. In artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening is de definitie van bouwplan gegeven, waarbij het on- derhavige plan als bouwplan kan worden aangemerkt. Met het tweede lid van artikel 6.12 Wro kan worden afgeweken van de plicht een exploitatieplan vast te stellen, mits het verhaal van kosten anderszins is verzekerd.

De kosten voor het bouwplan alsmede de plankosten worden gedragen door de ontwikkelaar van het plan. Hetzelfde geldt voor eventuele kosten als gevolg van planschade. Hiervoor wordt een overeenkomst tussen de initiatiefnemer en de gemeente gesloten. De ambtelijke kosten voor de realisatie van het plan zijn voor de gemeente anderszins verzekerd in deze overeen- komst. Om deze reden is een exploitatieplan niet nodig. De financiële uitvoerbaarheid van het plan is voldoende gewaarborgd.

13 Participatieverslag, Pro6, februari 2024

Goede ruimtelijke onderbouwing DOK6 36/29

Bijlagen

37/50

Bijlage 1

Plankaart bouw- en gebruiksvoorschriften

38/50

Bijlage 2

Beeldkwaliteit

Bijlage 3

Bodem

Bijlage 4

Ecologie

Bijlage 5

Stikstofdepositie

Bijlage 6

Inventarisatie beschermde soorten

Bijlage 7

Notitie verkeersgeneratie

Bijlage 8

Parkeerbalansberekeningen

Bijlage 9

Akoestisch onderzoek

Bijlage 10

Bezonning

Bijlage 11

Windhinder

Bijlage 12

Aanmeldnotitie m.e.r.

Bijlage 13

Participatieverslag

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14195488/1