Bijlage 1. Onderbouwing van de effecten op de fysieke leefomgeving
Tekst van het document
Hiervoor zijn in het omgevingsplan regels opgenomen over het toelaten van een geluidgevoelig gebouw in een geluidaandachtsgebied en over het toelaten of wijzigen van nieuwe of bestaande (spoor)wegen en industrieterreinen. Betekenis voor het project Door M+P is akoestisch onderzoek4 uitgevoerd. De toetsing is uitgevoerd aan de bepalingen in de Omgevingswet en het gemeentelijk beleid. Voor de verhoogde geluidsbelasting vanwege railverkeer moeten voorwaarden opgenomen worden in de Bopa. Een van de voorwaarden is het vastleggen van de noodzaak van niet-geluidgevoelige gevels. Een overdrachtsmaatregel bij het spoor is mogelijk en doelmatig. Voordat echter voor deze ontwikkeling kan worden uitgegaan van dit scherm, zal een overeenkomst met Prorail gesloten moeten worden. Daarbij bestaat ook nog de mogelijkheid dat in de toekomst een aanpassing van rechtswege of op verzoek van de gemeente een verlaging van de Geluid Productie Planfond (GPP) waarden plaats kan vinden. De mogelijkheid van dit minischerm zal verder onderzocht worden. Het is niet de verwachting dat er met een GPP verlaging, geen niet-geluidgevoelige gevels meer nodig zijn. Een combinatie van minischerm en verlaging van de GPP punten leidt mogelijk juist tot voldoende reductie om geen niet-geluidgevoelige gevels te hoeven toepassen. Dit is onzeker staat een vlotte procedure in de weg.
Ook met de huidige vaststelling is het mogelijk om hier bebouwing te realiseren met toepassing van bouwkundige maatregelen. In het ontwerp wordt rekening gehouden met deze bouwkundige maatregelen. Daarmee zal worden voldaan
4
Onderzoek rail- en wegverkeerslawaai, M+P, 28 april 2025
GoFlo Kalkovensweg Alkmaar
23/29
Aspecten fysieke leefomgeving
aan bij alle woningen aan de aanwezigheid van een geluidsluwe gevel en buitenruimte en wordt voldaan aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Voor de gevels waar sprake is van een verhoogde geluidsbelasting zijn maatregelen nodig om aan de eisen van het Bbl voldoen. De materialisatie van maatregelen moet nader worden onderzocht bij de aanvraag voor een omgevingsvergunning voor de bouw. Situatie zonder scherm Bij de appartementen worden bouwkundige maatregelen getroffen door middel van galerijafscherming aan de zijde van het spoor. Deze afscherming kan worden gezien als een maatregel in de overdracht. Aan de oostzijde worden de balkons uitgevoerd met een dichte borstwering. Hiermee zal bij zowel de appartementen als bij de overige woningen sprake zijn van minimaal één geluidsluwe gevel en een geluidsluwe buitenruimte. Daarmee wordt voldaan aan de voorwaarden van het geluidsbeleid van de gemeente Alkmaar. Ook worden gevelmaatregelen getroffen zodat wordt voldaan aan de eisen die het Bbl stelt aan de geluidswering van de gevel. Conclusie is, dat ook zonder realisatie van het minischerm, wordt voldaan aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL). Flexibiliteitsbeginsel Zoals hiervoor beschreven wordt er zonder het plaatsten van een minischerm voldaan aan een evenwichtige toedeling van functies doormiddel van maatregelen aan het gebouw.
Toch wordt er in deze fase uitgegaan van plaatsing van het minischerm maar van dit uitgangspunt moet kunnen worden afgeweken indien uit nader onderzoek blijkt dat minischermen op grond van veiligheid, aanwezigheid van kabels en leidingen, of andere externe oorzaken niet mogelijk of niet meer doelmatig zijn. Voor het onderzoek zal contact worden opgenomen met spoorbeheerder Prorail.
4.9
Trillingen
De regels voor trillingen gelden voor alle milieubelastende activiteiten die onder de Wet milieubeheer als 'inrichting' werden aangemerkt. Voor de regels over trillingen hebben we te maken met het toepassingsbereik van het Omgevingsplan Dijk en Waard (paragraaf 22.3.5). De regels richten zich op de bescherming van de gezondheid en het milieu. De definitie van trilling gevoelige gebouwen in het omgevingsplan is op hoofdlijnen gelijk aan die in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Bij tijdelijke trillinggevoelige gebouwen zijn er verschillen. De regels voor trillingen sluiten voor nieuwe situaties aan bij de instructieregels van het Bkl en zijn voor bestaande situaties gebaseerd op het Activiteitenbesluit milieubeheer. Betekenis voor het project Door Equipe is onderzoek spoortrillingen5 uitgevoerd. Op basis van het uitgevoerde onderzoek wordt geconcludeerd dat de mate van hinder door spoortrillingen voor de toekomstige bewoners/gebruikers van de nieuw te bouwen woningen voldoet aan het gestelde in de meet- en beoordelingsrichtlijn SBR-B. De berekening is uitgevoerd met conservatieve waarden waarbij rekening is gehouden met enige mate van onzekerheid. Bij het bepalen van de correctiefactoren is uitgegaan dat de nieuwbouw wordt voorzien van een betonnen fundering op palen. Tevens is de berekening uitgevoerd met betonnen vloeren.
Aanvullend onderzoek naar hinder door spoortrillingen ten behoeve van de betreffende geplande bebouwing is niet noodzakelijk.
4.10
Luchtkwaliteit
De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de instructieregels opgenomen in het Bkl. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect luchtkwaliteit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.1Bkl. Volgens deze regels gelden 5
Onderzoek spoortrillingen, Equipe, 30 januari 2024
GoFlo Kalkovensweg Alkmaar
24/29
Aspecten fysieke leefomgeving
zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: • er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; • het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; • het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging; Mede door het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) is in de afgelopen jaren in Nederland de luchtkwaliteit aanzienlijk verbeterd. Vanwege deze verbetering is het NSL bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet dan ook vervallen. De beoordeling van de luchtkwaliteit vindt niet overal plaats. Voor een activiteit die niet in betekende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, is geen toetsing aan de Rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof nodig. Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft: 1. Motiveren dat het project binnen de getalsmatige grenzen van een aangewezen categorie blijft.
Onder deze ‘standaardgevallen NIBM’ vallen kantoren, woonwijken en het telen van gewassen. Dit moet wel onder een bepaalde omvang blijven conform artikel 5.54 Bkl. Valt een project binnen de genoemde categorie, maar niet binnen de gestelde grenzen? Het is dan mogelijk om alsnog via detailberekeningen aannemelijk te maken dat de 3%-grens niet wordt overschreden. 2. Op een andere manier aannemelijk maken dat een project de 3%-grens niet overschrijdt. Soms kan een kwalitatieve berekening voldoende zijn. Veel mensen bepalen met de NIBMtool op een eenvoudige en snelle manier of een project in betekende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Soms zijn detailberekeningen nodig als aanvulling op de NIBM-tool. Betekenis voor het project De ontwikkeling van het plangebied bevat de realisatie van minder dan 1.500 woningen. De berekende verkeerstoename bedraagt 94 verkeersbewegingen per etmaal. De conclusie is het extra verkeer in niet betekenende mate is en er geen nader onderzoek nodig is.
Afbeelding 3.2: berekening NIBM-tool
Uit de informatie die beschikbaar is via de Monitoringstool NSL blijkt dat de jaargemiddelde concentraties fijn stof en stikstofdioxide in 2017, 2020 en 2025 langs wegen in de nabijheid van het plangebied onder de 35 µg/m³ liggen. Ter plaatse van het gehele plangebied zal dan ook worden voldaan aan de grenswaarden omdat de concentraties luchtverontreinigende stoffen afnemen naarmate een locatie verder van de weg ligt. Met betrekking tot luchtkwaliteit is in het plangebied sprake van een goed woon- en leefklimaat.
GoFlo Kalkovensweg Alkmaar
25/29
Aspecten fysieke leefomgeving
4.11
Bodem
Ter bescherming van de gezondheid en het milieu zijn voor het aspect bodem instructieregels in het Bkl opgenomen. De inhoud van deze regels is via het Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet opgenomen in de paragraaf Bodemkwaliteit (paragraaf 5.1.4.5) van het Bkl. Het aanvullingsbesluit bepaalt voor welke activiteiten kan worden volstaan met een melding. Er worden drie basisvormen van bodemgebruik onderscheiden: landbouw/natuur, wonen en industrie. De kaders zijn gebaseerd op de risicogrenswaarden die voor de betreffende situaties zijn afgeleid. De algemene doelstelling van het bodembeleid is het waarborgen van de gebruikswaarde van de bodem en het faciliteren van het duurzaam gebruik van de functionele eigenschappen van de bodem, door in onderlinge samenhang; • beschermen van de bodem tegen nieuwe verontreinigen en aantastingen; • evenwichtig toedeling van functies aan locaties, rekening houdend met de kwaliteiten van de bodem; • duurzaam en doelmatig beheren van de resterende historische verontreinigingen en - aantastingen. De gemeente stelt de waarde voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem vast. Deze waarde mag niet hoger zijn dan het blootstellingsniveau van het maximaal toelaatbaar risico voor de mens. Dit is opgenomen in bijlage Vb van het Bkl. De toelaatbare kwaliteit van de bodem is een voorwaarde voor bouwen op verontreinigde bodem en is geen omgevingswaarde.
De beoordeling van de mogelijke aanwezigheid van onaanvaardbare risico’s voor de gezondheid voor bodemgevoelige gebouwen kan met de risicotoolbox bodem met de module Beoordelen van de bodemkwaliteit voor een bodemgevoelig gebouw. Het Rijk stelt instructieregels aan gemeenten voor het toelaten van een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie. De gemeenten moeten: • Op grond van artikel 5.89i en artikel 5.89j Bkl de waarde vaststellen waarboven er bij de realisatie van gebouwen op bodemgevoelige locaties maatregelen nodig zijn. • Op grond van artikel 5.89k Bkl aangeven welke sanerende of andere beschermende maatregelen nodig zijn bij overschrijding van de waarde. • Op grond van artikel 5.89l Bkl een meldingsplicht instellen voor locaties die op grond van het omgevingsplan niet vergunningplichtig zijn. • Op grond van artikel 5.89m Bkl een bepaling opnemen over de ingebruikname. Deze regels zorgen voor zowel een evenwichtige toedeling van functies aan locaties als het beschermen van de gezondheid en van het milieu, in het bijzonder van de bodemkwaliteit. Betekenis voor het project Door Grondslag is verkennend bodemonderzoek6 uitgevoerd. De milieuhygiënische kwaliteit van de bodem ter plaatse van Kalkovensweg 1 te Alkmaar is vastgelegd. De gestelde hypothese dat ter plaatse van de opslag van brandstof verhogingen aan minerale olie kunnen worden verwacht, is niet bevestigd.
Zintuigelijk is in de bodem geen brandstofverontreiniging waargenomen. Nabij de bestrijdingsmiddelenkast zijn in de bovengrond geen verhogingen aan OCB aangetoond. De gestelde hypothese dat voor de overige locatie geen afwijking ten opzichte van de bodemkwaliteitskaart wordt verwacht is bevestigd. De boven- en ondergrond is beoordeeld kwaliteitsklasse landbouw/natuur. De gevolgde onderzoeksstrategie geeft in voldoende mate de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem weer. In het grondwater is geen overschrijding van de signaleringsparameter gemeten. De onderzoeksresultaten vormen geen belemmeringen voor de beoogde bestemmingswijziging. De onderzoeksresultaten vormen geen belemmeringen voor de afgifte van een omgevingsvergunning.
6
Verkennend bodemonderzoek, Grondslag, 6 augustus 2024
GoFlo Kalkovensweg Alkmaar
26/29
Aspecten fysieke leefomgeving
Tijdens het onderzoek zijn geen waarnemingen gedaan die kunnen duiden op de aanwezigheid van een verontreiniging met asbest. De hypothese van een asbestonverdachte locatie wordt gehandhaafd.
4.12
Water / klimaatadaptatie
4.12.1 Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) Een goede waterkwaliteit is voor Nederland van groot belang. Maar omdat water zich weinig aantrekt van landsgrenzen, is het voor een belangrijk deel ook een internationale zaak. Daarom is sinds eind 2000 de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) van kracht. Deze moet ervoor zorgen dat de kwaliteit van het oppervlakte- en grondwater in Europa op orde is. De deelstaten hebben tot 2027 de tijd om te voldoen aan de vastgestelde doelen. De KRW is erop gericht zowel de chemische als ecologische kwaliteit van watersystemen te verbeteren, onder meer door lozingen op het oppervlaktewater aan te pakken en watersystemen natuurlijker in te richten. Daarnaast is het de bedoeling het duurzaam gebruik van water te bevorderen en de verontreiniging van (grond)water aanzienlijk te verminderen. In Nederland heeft de Rijksoverheid de KRW vertaalt naar Nederlandse wet- en regelgeving onder de Omgevingswet en in het Besluit kwaliteit leefomgeving (IPLO, 2024). Alle waterbeheerders (provincies, waterschappen en gemeentes) zijn in Nederland verantwoordelijk voor het uitvoeren en monitoren van de effecten van de KRW, in samenwerking met hun partners. 4.12.2 Omgevingswet Bij de totstandkoming van het omgevingsplan moeten gemeenten rekening houden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen.
De opvattingen van de waterbeheerder moeten daarbij worden betrokken. De weging van het waterbelang geldt onder meer bij het vaststellen van het omgevingsplan. Dit volgt uit het Besluit Kwaliteit Leefomgeving (Bkl). De weging heeft betrekking op alle waterbelangen, zoals watercompensatie in verband met toenemende verharding en de (on)wenselijkheid van bebouwing in bepaalde gebieden vanuit waterveiligheid of waterwinningen. Er gelden geen regels voor hoe de gemeente de waterbeheerder hierbij betrekt. De gemeente is vrij om hier zelf invulling aan te geven. Hieronder een overzicht van de delen van de Omgevingswet die gaan over water en belangrijk zijn voor de ontwikkeling: • Bescherming van waterbelang: Nederland is een waterrijk land. Bouwen kan niet zonder de belangen van het watersysteem af te wegen. Daarom moet bij het opstellen van een omgevingsplan voor een ontwikkeling ook de waterbelangen worden meegewogen (voorheen geborgen in de watertoets). De gemeente heeft ook een rol in het borgen van de waterbelangen. Dit volgt uit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.3 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl).
Bij een ontwikkeling zijn onder andere de volgende richtlijnen van toepassing: o Extra verharding moet worden gecompenseerd o Primaire waterkeringen moeten worden beschermd, er mogen geen belemmeringen op de keringen ontstaan als gevolg van ontwikkelingen • Aspecten uit de Waterwet: De Waterwet vormde de basis voor normen die aan watersystemen kunnen worden gesteld. De richtlijnen die zijn opgenomen in de Omgevingswet maken het mogelijk voor regionale overheden om normen te stellen voor watersystemen ter voorkoming van onaanvaardbare wateroverlast. Hiermee wordt de praktijk van peilbesluiten of streefpeilen voortgezet. Een waterpeil heeft door het grondgebruik een sterke relatie met de ruimtelijke ordening. In situaties van watertekorten geeft de Omgevingswet de mogelijkheid de ene functie boven de andere te laten prevaleren (de „verdringingsreeks‟). Ook geven de richtlijnen normen voor de bergings- of afvoercapaciteit van regionale watersystemen. Het regionale watersysteem dient zo te worden ingericht dat bij hoog water voldoende water kan worden geborgen of afgevoerd. • Waterschapverordening: onder de Omgevingswet is regelgeving rond vergunningsverlening ondergebracht in de waterschapverordening. Voorheen stonden de regels rond vergunnings- en zorgplicht in de keur van het waterschap. Deze stelt elk waterschap zelf vast.
Vanuit Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier (HHNK) zijn de volgende richtlijnen vastgesteld in de waterschapverordening:
GoFlo Kalkovensweg Alkmaar
27/29
Aspecten fysieke leefomgeving
o
o
Compenseren extra verhard oppervlak: extra verhard oppervlak dat wordt aangelegd als onderdeel van een ontwikkeling moet worden gecompenseerd in de vorm van extra wateroppervlak. Hiervoor worden drie categorieën aangehouden, afhankelijk van het oppervlak van de nieuw aan te leggen verharding: ▪ <800 m2: geen compenserend wateroppervlak nodig. ▪ Tussen 800 en 2.000 m2: 10% van de extra verharding moet worden gecompenseerd in de vorm van extra waterberging. ▪ >2.000 m2: het extra verhard oppervlak is zo groot dat de regel van 10% compensatie vervalt. In plaats hiervan moet in overleg met het waterschap worden gewerkt aan een maatwerk-oplossing, dat past bij het lokale watersysteem. ▪ Er zijn vormen van waterberging ontwikkeld die een alternatief kunnen vormen voor het realiseren van extra oppervlaktewater. De beleidsregels van het hoogheemraadschap geven ruimte aan de toepassing van deze andere vormen van waterberging. Omgang met hemelwater: ▪ De voorkeur voor omgang van hemelwater blijft ‘Vasthouden, Bergen, en Afvoeren’. ▪ Als nieuw verhard oppervlak moet afvoeren wordt niet aangesloten op het rioolsysteem. In plaats hiervan moet water worden afgevoerd richting oppervlaktewater (indien nodig via hemelwaterafvoer). ▪ Hemelwater dat wordt afgekoppeld op oppervlaktewater kan vervuild zijn en hiermee een negatieve invloed hebben op de waterkwaliteit.
Hierdoor zijn er specificaties over hoe water naar het oppervlaktewater mag worden geleid
4.12.3 Waterschapsverordening De Waterschapsverordening bevat de regels die het Hoogheemraadschap hanteert om zijn watergangen, waterkeringen en wegen te beschermen. Rond deze sloten, dijken en wegen zijn verschillende zones gedefinieerd en voor elke zone gelden weer andere regels. De Waterschapsverordening berust op artikel 2.5 van de Omgevingswet en vervangt de Keur HHNK 2016, de Algemene regels bij de Keur HHNK 2016 en de Wegenverordening HHNK 2016. De Waterschapsverordening Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier is op 1 januari 2024 in werking getreden. 4.12.4 Grondwater Voor grondwater zijn er Rijksomgevingswaarden voor de goede chemische en goede kwantitatieve toestand van een grondwaterlichaam. Dat staat in de artikelen 2.13 en 2.14 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Deze Rijksomgevingswaarden gelden voor grondwaterlichamen die zijn aangewezen in een regionaal waterprogramma (Bkl, artikel 4.4). De provincie kan ter uitvoering van haar taken en bevoegdheden, zoals het beschermen van de grondwaterkwaliteit, instructieregels voor gemeenten en waterschappen in de omgevingsverordening opnemen. Zie artikel 2.22 van de Omgevingswet en artikel 2.23 lid 3c Omgevingswet. De provincie moet dit onderbouwen. Instructieregels zijn nodig om omgevingswaarden of andere beleidsdoelstellingen te laten doorwerken naar het omgevingsplan en de waterschapsverordening.
Deze instructieregels kunnen (voor zover relevant voor grondwater) gaan over de taken, omgevingsplannen, waterschapsverordeningen, maatwerkregels, maatwerkvoorschriften, omgevingsvergunningen en programma's. Op grond van artikel 7.11 lid 1 onder b Bkl moet de provincie in de omgevingsverordening regels opnemen over het beschermen van de grondwaterkwaliteit in gebieden waar grondwater wordt onttrokken voor menselijke consumptie. Deze gebieden worden ook in de omgevingsverordening aangewezen en heten bijvoorbeeld grondwaterbeschermingsgebied, waterwingebied of boringsvrije zone Betekenis voor het project In de bestaande situatie is 2.426 m2 van het terrein verhard. In de nieuwe situatie neemt het verhard oppervlak toe met 175 m2 ter opzichte van de bestaande situatie. Er is geen watercompensatie vereist.
GoFlo Kalkovensweg Alkmaar
28/29
Aspecten fysieke leefomgeving
Afvalwater en hemelwater worden gescheiden via het bestaande stelsel. Hemelwater wordt vertraagd opgevangen en kan geheel of gedeeltelijk worden afgevoerd via het aangrenzende oppervlaktewater
4.13
Duurzaamheid / Energietransitie
In het omgevingsplan werken overheden hun omgevingsvisie op het gebied van energietransitie uit in regels voor hun grondgebied. Bijvoorbeeld door regels over de aanwijzing van functies of locaties die windparken mogelijk maken of een verbod op houtstook. Het is aan de gemeente om de (minimale) eisen en voorwaarden vanuit de energietransitie te borgen in het omgevingsplan. In het Bkl staan verplichte instructies die de gemeente in het omgevingsplan moet doorvoeren. Gemeenten moeten voldoende ruimte reserveren in het omgevingsplan voor de opwekking en het transport van energie (artikel 5.157 tot en met 5.159 Bkl). Bijvoorbeeld ruimte voor hoogspanningskabels. In de omgevingsregeling is de exacte begrenzing aangegeven die de gemeente kan overnemen. Gemeenten kunnen naast de verplichte locaties ook zelf locaties voor energieopwekking aanwijzen in het omgevingsplan. Of ruimte reserveren voor distributienetwerken voor energie of warmte. Deze locaties kunnen volgen uit de Regionale Energiestrategie. Zo kan het omgevingsplan het realiseren en gebruiken van een zonnepark juridisch toestaan in een bepaalde wijk. In § 4.3.2 van het Besluit bouwwerken leefomgeving (hierna: Bbl) zijn geluidseisen gesteld aan een installatie voor warmte- of koudeopwekking die is opgestelde buiten de uitwendige scheidingsconstructie van een bouwwerk.
Het gaat hierbij om warmtepompen en airco-units die worden toegepast bij woningen en woongebouwen. Deze installaties mogen niet meer dan 40 dB geluid veroorzaken bij de buren op de perceelsgrens. In het geval van een appartementen- of wooncomplex geldt de geluidseis, naast de perceelsgrens van omliggende woningen, ook voor de dichtstbijzijnde te openen raam of deur van het eigen complex. De bepalingsmethode van het geluidsniveau is vastgelegd in de Omgevingsregeling (Bijlage XVII horende bij Artikel 5.59). Betekenis voor het project Gemeente Alkmaar heeft met de Huisvuil Centrale Alkmaar een afspraak voor de aanleg van een collectief warmtedistributienet in de gemeente Alkmaar. Voor de warmtevoorziening is uitgangspunt dat er wordt aangesloten op het publieke warmtenet van HVC, tenzij de afstand tot de dichtstbijzijnde leiding waarop moet worden aangesloten meer dan 40 meter is en de kosten voor aansluiting hoger zijn dan deze voor aansluiting op maximaal 40 meter zouden zijn. De ontwikkelaar dient dan zelf zorg te dragen voor een duurzaam gasloos alternatief. De aanleg van een nieuw gasnet is uitgesloten. Als alternatief op deze verwarmingsmethode worden de woningen individueel aangesloten op warmtepompen. In het kader van de technische toets van het bouwplan wordt beoordeeld of wordt voldaan aan de geluidseisen uit § 4.3.2 van het Besluit bouwwerken leefomgeving.
4.14
Natuur
De Wet natuurbescherming is opgegaan in de Omgevingswet. Ter bescherming van de natuur zijn in het Bkl diverse regels opgenomen. Het huidige normenkader, de instrumenten en de bevoegdheidsverdeling blijft grotendeels ongewijzigd. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden. Het gebieds- en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen, te weten de Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en de Habitatrichtlijn (92/43/EEG).
GoFlo Kalkovensweg Alkmaar
29/29
Aspecten fysieke leefomgeving
Gebiedsbescherming De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit wijst de Natura 2000-gebieden aan. Op grond van artikel 2.43 Omgevingswet legt hij ook de instandhoudingsdoelstellingen vast. Dit gebeurt in een aanwijzingsbesluit. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een omgevingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: 1. Alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden; 2. Het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en 3.
De noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. In afdeling 8.6 Bkl staat het beoordelingskader voor de omgevingsvergunning voor Natura 2000-activiteiten. Dit is door middel van het aanvullingsspoor Natuur gebeurd. Soortenbescherming Onder de Omgevingswet zijn veel dier- en plantsoorten beschermd. De bescherming richt zich op soorten van Europees belang, die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen, als om bepaalde soorten van nationaal belang. Soortenbescherming vindt plaats binnen en buiten het natuurnetwerk Nederland. Het kan de vorm hebben van wet- en regelgeving, maar ook van fysieke maatregelen die bescherming, vestiging of uitbreiding van een soortenpopulatie stimuleren. Op grond van artikel 2.18 lid 1 sub f Omgevingswet zijn in beginsel de provincies hiervoor verantwoordelijk. Echter, ook decentrale overheden kunnen hierover actief beleid voeren. Hierbij kan worden gedacht aan het vaststellen van bijvoorbeeld een programma voor soortenbescherming. Door strikte formulering van een flora- en fauna-activiteit moet bij vrijwel alle activiteiten in de fysieke leefomgeving nagegaan worden of: er soorten aanwezig zijn; en welke soorten dat zijn. In hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt bepaald wanneer een vergunning nodig is.
Betekenis voor het project Door van der Goes en Groot is een natuurtoets7 uitgevoerd. Gebiedsbescherming Gezien de aard van de plannen, de reikwijdte daarvan en de locatie van het plangebied ten opzichte van beschermde gebieden is, buiten eventuele indirecte gevolgen door toegenomen stikstofemissie, op voorhand uit te sluiten dat beschermde gebieden onder de Ow of andere (provinciaal) beschermde of aangewezen gebieden, direct beïnvloed worden door de plannen. Het geplande project leidt tot verhoogde emissie van stikstof (zie paragraaf 3.16) Het plangebied ligt binnen de bebouwde kom, er worden derhalve geen onder de Ow genoemde beplantingen gekapt. Soortenbescherming Het plangebied is in potentie geschikt voor beschermde soorten amfibieën, vogels, grondgebonden zoogdieren en vleermuizen. Gezien de uitgevoerde toetsing, kunnen van de amfibieën en grondgebonden zoogdieren alleen vrijgestelde soorten verblijvend aanwezig zijn. Voor deze aangetroffen of verwachte vrijgestelde
7
Natuurtoets, van der Goes en Groot, 16 juli 2024
GoFlo Kalkovensweg Alkmaar
30/29
Aspecten fysieke leefomgeving
soorten hoeft geen vergunning te worden aangevraagd als werkzaamheden worden verricht in het kader van ruimtelijke ontwikkeling en inrichting, zoals het besproken plan. Voor incidenteel aanwezige marterachtigen wordt geen belangrijk negatief effect verwacht vanwege de geringe grootte van het plangebied en de ruime aanwezigheid vergelijkbaar en beter biotoop in de naaste omgeving. Het plangebied biedt, onder andere vanwege deze redenen, geen essentieel leefgebied voor deze soorten en de dieren kunnen gemakkelijk uitwijken. In het plangebied kunnen broedvogels met niet-jaarrond beschermde nesten voorkomen. Voor de verwachte aanwezige broedvogels dienen werkzaamheden waarbij nesten vernield of verstoord kunnen worden, buiten het broedseizoen plaats te vinden. Een vergunning is voor broedvogels dan niet nodig. Het broedseizoen loopt grofweg van half maart tot half juli. Omdat er binnen het plangebied bomen aanwezig zijn met holtes is door van der Goes en Groot een scan uitgevoerd8 naar de geschiktheid van de holtes voor vleermuisverblijf en eventueel aanwezige vleermuizen of sporen daarvan in de holtes. De binnen het plangebied aanwezige bomen met holtes zijn geschikt voor verblijvende vleermuizen zoals Rosse vleermuis, Ruige dwergvleermuis en andere boombewonende soorten.
De holtes konden niet geheel geïnspecteerd worden op aanwezige vleermuizen of sporen daarvan, wegens grote en diepe holtes. Aanbevolen wordt deze bomen te behouden. Indien deze bomen toch gekapt worden, dient er volledig onderzoek te worden verricht naar aanwezige vleermuizen. De bomen met holtes zijn geschikt voor verblijvende vleermuizen zoals Rosse vleermuis, Ruige dwergvleermuis en andere boombewonende soorten. Uit de uitgevoerde nestenscan en holtescan volgen geen extra vervolgstappen. Het plangebied maakt mogelijk onderdeel uit van essentieel leefgebied van Huismus. Omdat negatieve effecten door de werkzaamheden niet uit te sluiten zijn, wordt onderzoek uitgevoerd naar het terreingebruik van deze vogelsoort. Tevens wordt nog vervolgonderzoek uitgevoerd naar eventuele verblijfplaatsen van vleermuizen in de bebouwing en terreingebruik De tot nu toe uitgevoerde onderzoeken staan het project niet in de weg. Bij de start bouw worden de vervolgonderzoeken betrokken en wordt beoordeeld of er een ontheffing noodzakelijk is.
4.15
Stikstofdepositie
Met de AERIUS Calculator is het mogelijk om de stikstofdepositie te berekenen. Als op geen enkel Natura 2000-gebied de bijdrage hoger is dan 0,00 g/mol dan is er geen toestemming nodig op het gebied van stikstof (in kader van de Wet Natuurbescherming). Een vergunning is niet nodig als een project niet leidt tot een toename van stikstofdepositie in Natura-2000 gebieden of wanneer de conclusie van een ecologische voortoets significante effecten uitsluit. Betekenis voor het project Door van der Goes en Groot is een stikstofberekening9 uitgevoerd. De maximale projectbijdrage van de aanleg en gebruik van de planlocatie is 0,00 mol/ha/jaar op Natura 2000-gebieden. De stikstofdepositie die bij realisatie van de plannen veroorzaakt zal worden, vormt een zodanig gering percentage van de kritische depositiewaarden van de voorkomende stikstofgevoelige habitattypen dat er ecologisch gezien geen zichtbare of meetbare effecten zullen optreden. Er is dus geen sprake van significante gevolgen waardoor de instandhoudingsdoelstellingen van de betrokken Natura 2000-gebieden in gevaar zouden kunnen komen. Gezien de geplande werkzaamheden betreft de hoogste bijdrage van het project de tijdelijke inzet van mobiele werktuigen. 8 9
Scan boomholtes, van der Goes en Groot, 9 december 2024 Stikstofberekening, van der Goes en Groot, 23 april 2025
GoFlo Kalkovensweg Alkmaar
31/29
Aspecten fysieke leefomgeving
Bij de berekening van de aanlegfase is rekening gehouden met een bepaalde inzet van mobiele werktuigen en bijbehorende draaiuren. Indien hier (significant) van wordt afgeweken is de berekening niet meer representatief voor het te verwachten effect op stikstofgevoelige habitattypen in Natura 2000-gebieden. In de gerealiseerde bebouwing wordt door het afzien van stookinstallaties in de bebouwing (op de verkeersaantrekking na) geen stikstof meer geëmitteerd. De transitie van oude bebouwing met zekere uitstoot van stikstof naar de beoogde bebouwing in dit project draagt daarmee bij aan de gewenste permanente daling van stikstof op Natura 2000-gebieden.
4.16
Externe veiligheid
In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit de veiligheid gewaarborgd wordt. Gedoeld wordt op het waarborgen van de veiligheid ter voorkoming van een branden, rampen of crises. Bij risicovolle activiteiten uit het Bal wijst het Bkl aandachtsgebieden aan. De gemeente moet binnen de aandachtsgebieden bij de vergunningverlening rekening houden met het groepsrisico (rekening houden met het risico van brand, explosies of gifwolken; dan gelden aanvullende bouwkundige eisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). De norm van het plaatsgebonden risico blijft gelijk en daarmee ook het basisbeschermingsniveau. Het Bkl geeft in de bijlagen ook aan wat de plaatsgebonden risico-contouren en aandachtsgebieden zijn. De hoofdlijnen van het wettelijk kader omtrent de externe veiligheid zijn opgenomen in instructieregels in afdeling 5.1.2 Bkl. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en aandachtsgebieden. Het betreft de volgende activiteiten: • Activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven. Dit zijn verschillende milieubelastende activiteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving. • Het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor).
• Buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving. • Windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteit leefomgeving. Het werken met aandachtsgebieden voor externe veiligheidsrisico’s is opgenomen in artikel 5.12 t/m 5.15 Bkl. Een aandachtsgebied geldt van rechtswege. Deze worden vastgelegd in het Register Externe Veiligheid en zijn digitaal raadpleegbaar. In het deelplan moet binnen deze aandachtsgebieden rekening worden gehouden met het groepsrisico. Hier wordt aan voldaan door in het aandachtsgebied geen beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen toe te laten en ook geen beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties. Deze gebouwen en locaties zijn wel toelaatbaar als er daarvoor extra maatregelen worden genomen. Dat dient te geschieden met voorschriftengebieden. In een deelplan dient in principe een aandachtsgebied als voorschriftengebied te worden aangewezen als er met het deelplan kwetsbare gebouwen zijn toegestaan.
In een voorschriftengebieden gelden de extra bouweisen van paragraaf 4.2.14 Besluit bouwwerken leefomgeving (hierna: Bbl) Daarnaast staan in het Bkl ook instructieregels voor de volgende risicobronnen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving: • Opslaan, bewerken en herverpakken van vuurwerk (afdeling 5.1.2.4 Bkl); • Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl); • Exploiteren van een IPPC-installatie voor het maken van explosieven (afdeling 5.1.2.5 Bkl); • Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor militair gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl). Betekenis voor het project Activiteiten binnen het plangebied Het plan voorziet niet in de komst van nieuwe milieubelastende activiteiten met externe veiligheidsrisico’s naar het plangebied.
GoFlo Kalkovensweg Alkmaar
32/29
Aspecten fysieke leefomgeving
Activiteiten buiten het plangebied In de nabijheid van het plangebied bevinden zich geen milieubelastende activiteiten waarvan de invloed reikt tot de woningen binnen het plangebied. Het aspect externe veiligheid is niet aan de orde.
4.17
Mobiliteit
In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect mobiliteit. Onderwerpen binnen dit aspect zijn: bereikbaarheid, verkeersafwikkeling, veiligheid, parkeren, alternatief vervoer. Primair is verkeersveiligheid geregeld in de weg- en verkeerswetgeving (o.a. Wegenverkeerswet). Deze regelgeving maakt geen deel uit van de Omgevingswet. Ook de bekende richtlijnen vanuit het CROW blijven bestaan. De omgevingsvisie van de gemeente moet een visie op verkeer en vervoer op gemeentelijk niveau bevatten. Het initiatief dient hieraan getoetst te worden. De toename aan functies zorgen voor verkeer. Bij het toelaten van een nieuwe functie moet daarom worden aangetoond wat het effect is op de bereikbaarheid en verkeersafwikkeling. Daarbij dient in beeld te worden gebracht of er sprake is van een (extra) parkeerbehoefte voor auto’s, fietsen en/of scooters. Er mag geen onaanvaardbaar effect zijn. Dit geldt ook bij buitenplanse omgevingsvergunningen. 4.17.1 Verkeer De nieuwe woningen komen in de plaats van een hoveniersbedrijf. Bij het berekenen van de verkeerstoename als gevolg van de nieuwe woningen is de verkeersgeneratie van het hoveniersbedrijf in mindering gebracht. Betekenis voor het project Het verkeer op de neemt als gevolg van de nieuwbouw toe met circa 111 voertuigen per etmaal. De ontsluiting is gelegen aan de Kalkovensweg.
Deze weg heeft een etmaal-intensiteit van 3.331 verkeersbewegingen. De 111 extra verkeersbewegingen gaan op in het heersende verkeersbeeld. 4.17.2 Parkeren De kencijfers van het CROW bevatten een bandbreedte tussen minimaal en maximaal te hanteren parkeerplaatsen per functie. Binnen die bandbreedte stelt de gemeente een parkeernorm vast, gebaseerd op het lokale autobezit en het lokale mobiliteitsbeleid. Ten behoeve van de ontwikkeling is een parkeerbalans10 opgesteld aan de hand van de CROW cijfers en de Parkeernormennota Alkmaar 2020-2027. De maximale parkeervraag (26,6 op een werkdagavond) wordt binnen het projectgebied ingevuld. Er worden 29 parkeerplaatsen gerealiseerd (inclusief 10 parkeerplaatsen op privé percelen die samen voor 8,4 meetellen)
4.18
Nutsvoorzieningen
Algemene rijksregels over kabels en leidingen staan in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) en het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). Zo staan er in het Bal bijvoorbeeld regels over het graven in de bodem en regels over het graven in bepaalde specifieke gebieden. En biedt het Bbl bijvoorbeeld duidelijkheid over welke buis- en leidingstelsels geen vergunning voor de bouwactiviteit en omgevingsplanactiviteit nodig hebben. Bij het toelaten van buisleidingen en hoogspanningsleidingen gaat het erom dat er een veilige omgeving rondom ondergrondse kabels en leidingen aanwezig is. Deze leidingen moeten opgenomen worden in het omgevingsplan. Voor andere ondergrondse kabels en leidingen kan de gemeente zelf bepalen of deze opgenomen worden in het omgevingsplan. Bijvoorbeeld leidingen die belangrijk zijn voor de energievoorziening, zoals de stadsverwarming. 10
Parkeerbalans, Pro6, 20 maart 2025
GoFlo Kalkovensweg Alkmaar
33/29
Aspecten fysieke leefomgeving
Als maatregelen nodig zijn, dan moeten deze geborgd worden in de omgevingsvergunning of het omgevingsplan. Deze bouwregels zijn gericht op het evenwichtig toedelen van functies aan locaties. Denk bijvoorbeeld aan de situering en afstand van ondergrondse kabels en leidingen ten opzichte van omliggende woningen. Daarnaast bepaalt een gemeente in haar omgevingsvisie welke ondergrondse leidingen of kabels relevant zijn voor de fysieke leefomgeving. En of deze relevant zijn om op te nemen in het omgevingsplan. Betekenis voor het project Ten behoeve van het project is een KLIC-melding uitgevoerd. Bij het uitvoeren van het project wordt rekening gehouden met kabels en leidingen.
4.19
Conclusie aspecten fysieke leefomgeving
Op basis van voorgaande paragrafen wordt geconcludeerd dat de voorgenomen ontwikkeling ziet in een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
GoFlo Kalkovensweg Alkmaar
34/29
Maatschappelijke en financiële uitvoerbaarheid
5
Maatschappelijke en financiële uitvoerbaarheid
5.1
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
In artikel 7.4 van de Omgevingsregeling staat een plicht voor de aanvrager van een omgevingsvergunning om bij de aanvraag aan te geven: • of de aanvrager aan participatie heeft gedaan; • zo ja: hoe de aanvrager aan participatie heeft gedaan en wat de resultaten zijn. 5.1.1 Participatie De gemeente Alkmaar heeft middels de notities “Leidraad voor participatie bij ruimtelijke initiatieven” en “Visie op modernisering van participatie bij ruimtelijke initiatieven” (beide juli 2019) beleid gemaakt hoe om te gaan met participatie bij projecten. Op basis hiervan is door Pro6 een participatieplan opgesteld. Van de gevoerde participatie is verslag11 gemaakt. De tot op heden georganiseerde participatie biedt voldoende draagvlak om verder te gaan met de besluitvorming over de voorgenomen ontwikkeling.
5.2
Financiële uitvoerbaarheid
Als op voorhand duidelijk is dat de toegedachte functie om financiële redenen op langere termijn niet zal worden gerealiseerd, behoort de functie niet mogelijk te worden gemaakt. Ten eerste zal door de gemeente worden beoordeeld of een initiatief binnen een redelijke termijn uitvoerbaar is, gelet op de aard en omvang van de voorziene ontwikkeling en het gebied waar deze ontwikkeling is voorzien. Ten tweede zal worden beoordeeld of dit initiatief binnen die redelijke termijn financieel haalbaar is, en zo ja, hoe dat inzichtelijk is gemaakt. Betekenis voor het project De kosten voor het bouwplan alsmede de plankosten worden gedragen door de ontwikkelaar van het bouwplan. Hetzelfde geldt voor eventuele kosten als gevolg van nadeelscompensatie. Om deze reden is een exploitatieplan niet nodig. De financiële uitvoerbaarheid van het plan is voldoende gewaarborgd. 5.2.1 Kostenverhaal Kostenverhaal onder de Omgevingswet is opgenomen in artikel 3.11 (verplicht kostenverhaal), artikel 13.14 en 13.15 (respectievelijk kostenverhaal met en zonder tijdvak). Privaatrechtelijk kostenverhaal (anterieure overeenkomst) staat in artikel 13.13 van de Omgevingswet.
Het Omgevingsbesluit (afgekort Ob) bevat ook relevante regels over kostenverhaal (zie artikel 8.13 Ob voor aangewezen activiteiten waarvoor kostenverhaal verplicht is, artikel 8.14 Ob voor de mogelijkheden om af te zien van kostenverhaal en artikel 8.15 Ob voor de kostensoortenlijst). Pas nadat is betaald, is het toegestaan de activiteiten uit te voeren. Dit volgt uit artikel 13.12 Omgevingswet. Publiekrechtelijk kostenverhaal vindt niet langer plaats via de omgevingsvergunning, maar door middel van een kostenverhaalsbeschikking (artikel 13.18 Omgevingswet). Kostenverhaal geldt voor kostenverhaalplichtige activiteiten. Dat zijn: aangewezen bouwactiviteiten en aangewezen activiteiten vanwege gebruikswijzigingen. Er zijn bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet nog geen activiteiten vanwege gebruikswijzigingen aangewezen. Eén van de bouwactiviteiten waarvoor kosten verhaald worden is de bouw van één of meer gebouwen met een woonfunctie (zie artikel 8.13 aanhef en sub a van het Ob).
11
Participatieverslag, Pro6, d.d.
GoFlo Kalkovensweg Alkmaar
35/29
Maatschappelijke en financiële uitvoerbaarheid
Betekenis voor het project De kosten voor het bouwplan alsmede de plankosten worden gedragen door de ontwikkelaar van het bouwplan. Hetzelfde geldt voor eventuele kosten als gevolg van nadeelscompensatie. Om deze reden is een exploitatieplan niet nodig. De financiële uitvoerbaarheid van het plan is voldoende gewaarborgd. 5.2.2 Nadeelscompensatie De gemeente kan de kosten van nadeelcompensatie geheel of gedeeltelijk verhalen op de initiatiefnemer. Dit kan geregeld worden in een overeenkomst of verhalen via de regeling van kostenverhaal (zie paragraaf hiervoor). De basisregeling voor nadeelcompensatie is te vinden in titel 4.5 van de Awb. In de Omgevingswet staan nadere regels over nadeelcompensatie in afdeling 15.1. Deze regels moeten in samenhang worden gezien. Nadeelcompensatie kan worden verhaald op de initiatiefnemer. Om de kans op nadeelcompensatie inzichtelijk te maken, kan een risicoanalyse gemaakt worden. Betekenis voor het project Ten behoeve van de ontwikkeling is een anterieure overeenkomst afgesloten. Onderdeel van deze overeenkomst zijn afspraken over het verhaal van nadeelscompensatie.
GoFlo Kalkovensweg Alkmaar
36/29
Bijlagen
37/48
Bijlage 1
Stedenbouw / Beeldkwaliteit
38/48
Bijlage 2
Archeologisch onderzoek
Bijlage 3
Akoestisch onderzoek
Bijlage 4
Trillingsonderzoek
Bijlage 5
Verkennend bodemonderzoek
Bijlage 6
Natuurtoets
Bijlage 7
Ecologisch vervolgonderzoek
Bijlage 8
Stikstofberekening
Bijlage 9
Parkeerbalans
Bijlage 10
Participatieverslag