Bijlage 1. Onderbouwing BOPA Picassolaan, Alkmaar (06-10-2025)
Tekst van het document
Planspecifiek Bij een wijziging naar een gevoeliger bodemgebruik of het realiseren van een bodemgevoelig gebouw dient aangetoond te worden dat de bodem geschikt is voor het beoogde gebruik. Derhalve is een bodemonderzoek uitgevoerd (Grondslag, 28 oktober 2024, zie bijlage 5). Onderstaand zijn de belangrijkste conclusies weergegeven. Op de onderzoekslocatie is de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem in kaart gebracht. In één boring (gat 14) is asbesthoudend materiaal > 2 cm aangetroffen in de bovengrond. Het gemeten gehalte overschrijdt de toets- en interventiewaarde. Daarom is nader asbestonderzoek noodzakelijk om de verontreiniging verder af te bakenen. Het aanwezige asfalt bevat geen PAK en is geschikt voor warm hergebruik, met uitzondering van aangetroffen slakken, die niet als asfalt gelden en elders hergebruikt kunnen worden. De fundatie onder het basketbalveld, bestaande uit menggranulaat, bevat geen asbest en kan hergebruikt worden, mits onder dezelfde condities. Het chemisch onderzoek toont aan dat de bodemkwaliteit overeenkomt met de bodemkwaliteitskaart: de grond is van de klasse landbouw/natuur. PFAS-waarden zijn zodanig dat de grond op landbodem toepasbaar is als klasse wonen/industrie, maar niet geschikt voor gebruik in oppervlaktewater. De waterbodem blijkt schoner dan verwacht en is toepasbaar op landbodem en in oppervlaktewater.
Er zijn geen asbestverdachte materialen aangetroffen langs de watergang. Op basis van de onderzoeksresultaten wordt geadviseerd om een nader asbestonderzoek uit te voeren. Dit is nodig om het exacte asbestgehalte vast te stellen en de verontreiniging nauwkeuriger af te bakenen. Daarnaast wordt aanbevolen om de grond die vrijkomt bij graafwerkzaamheden, waar mogelijk, binnen het project te hergebruiken. Mocht hergebruik op locatie niet haalbaar zijn, dan kan de grond op basis van dit bodemrapport worden afgevoerd naar een erkende grondbank. Voor toepassing van deze grond op een andere locatie is een aanvullende partijkeuring volgens het Besluit bodemkwaliteit noodzakelijk. In sommige gevallen kan de bodemkwaliteitskaart worden gebruikt als alternatief voor een partijkeuring. Bij werkzaamheden in de bodem wordt op basis van de CROW-publicatie 400 en de gemeten gehalten verwacht dat deze kunnen plaatsvinden zonder dat een specifieke veiligheidsklasse van toepassing is. Wel dienen de algemene maatregelen op het niveau van basishygiëne strikt te worden gevolgd. Verder moet bij alle graafwerkzaamheden rekening worden gehouden met de geldende regelgeving, waarbij het belangrijk is dat bodemlagen van verschillende kwaliteit apart worden ontgraven en, indien van toepassing, weer worden teruggeplaatst op de oorspronkelijke locatie.
Bodemlagen van verschillende kwaliteit moeten gescheiden worden ontgraven en zo nodig teruggeplaatst.
pagina 29 van 44
Asbest De aanleiding voor het onderzoek zijn de resultaten van voorgaand onderzoek (bijlage 5), waarbij in de bodem asbest is aangetroffen. Met het verkennend onderzoek is een indicatief asbestgehalte bepaald dat de grenswaarde voor nader onderzoek overschrijdt (> 50 mg/kg ds). Derhalve is een asbestonderzoek uitgevoerd (Grondslag, d.d. 3 december 2024, zie bijlage 6). Onderstaand zijn de belangrijkste conclusies weergegeven. De locatie is onderverdeeld in drie ruimtelijke eenheden, de verdachte bovengrond (RE1), de onverdachte bovengrond (RE2) en de onverdachte ondergrond (RE3). De eenheden zijn nader onderzocht op de aanwezigheid van asbest door middel van het graven van sleuven. Met het nader onderzoek is het gemiddelde gehalte aan asbest voor RE1 bepaald. Hierbij is geen asbest aangetoond. Aangezien RE1 de meest verdachte RE betreft (worst case), is voor de overige RE’s geen analyse uitgevoerd. Op basis van CROW-publicatie 400 en de maximaal gemeten gehaltes (≤50 mg/kg ds gewogen) wordt verwacht dat (eventuele) werkzaamheden in de bodem kunnen worden uitgevoerd zonder veiligheidsklasse. Wel dienen de algemeen geldende maatregelen van het niveau basishygiëne in acht genomen te worden. Bij het uitvoeren van graafwerkzaamheden op de locatie dient rekening te worden gehouden met onderstaande regels en verplichtingen.
Er kan gesteld worden dat het aspect bodem (en asbest) geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling.
7.8
Trillingen
De fysieke leefomgeving kan nadelige gevolgen ondervinden van trillingen. Het Rijk stelt regels om trillinghinder te voorkomen. De instructieregels uit het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) wijzen trillinggevoelige gebouwen en trillinggevoelige ruimten aan. De instructieregels uit het Bkl hebben uitsluitend betrekking op door het Rijk aangewezen trillinggevoelige gebouwen. Uit de taak 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties' (artikel 4.2 van de Omgevingswet) volgt dat, ook voor gebouwen en locaties die niet door het Rijk zijn aangewezen, het aspect trillingen in sommige gevallen van belang is. Vaak is een beperkt beschermingsniveau acceptabel en zijn specifieke regels niet nodig. In bepaalde situaties is een motivatie van de bescherming nodig. Op basis van de ‘Handreiking Nieuwbouw en Spoortrillingen’ kan het onderzoeksgebied bepaald worden. Bij nieuwbouw is een onderzoek naar trillingen binnen 100 meter van de bron de norm. Behalve het beschermen van gebouwen kan ook het beschermen van bepaalde locaties wenselijk zijn. Er kan voor het bepalen of er sprake is van onevenredige trillinghinder worden aangesloten bij de door de Stichting Bouwresearch (SBR) opgestelde richtlijn ‘Hinder voor personen in gebouwen 2006’.
Deze richtlijn, die grotendeels aansluit bij internationale richtlijnen, gaat in op schade aan gebouwen, op hinder voor personen in gebouwen en op storing aan apparatuur. Naast aandacht voor de meting van trillingen bevat de richtlijn ook een beoordelingssystematiek. In de richtlijn zijn streef-, standaard- en grenswaarden voor trillingen opgenomen. Overschrijding van deze waarden leidt tot een reële kans op hinder. De trillingsfrequentie en trillingsintensiteit moeten worden bepaald als de trillingsbron in werking is. Daarna kan een beoordeling of toetsing aan de streef-, standaard- en grenswaarden plaatsvinden. Achteraf worden de uitkomsten omgerekend om de trillingen te toetsen aan de beoordelingscriteria. Dit gebeurt bijvoorbeeld op het einde van de werkdag of na een referentieperiode. Daarnaast kunnen trillingen in gebouwen berekend worden met gegevens van de trillingsbron, de afstand tussen
pagina 30 van 44
bron en ontvanger of de kenmerken van de bodem en de gebouwen. Dit kan onder andere worden toegepast bij het beoordelen van toekomstige situaties, zoals mogelijke nieuwbouw langs een spoorweg.
Planspecifiek Het plangebied ligt binnen het onderzoeksgebied van het spoortraject Heiloo - Alkmaar. Derhalve is een onderzoek verricht naar optredende trillingniveaus ten gevolge van railverkeer ter plaatse van de beoogde woningbouwlocatie (Peutz, d.d. 16 juli 2025, zie bijlage 7). Over het spoortraject rijden regelmatig passagierstreinen. Er zijn op verschillende posities metingen verricht. Uit deze metingen blijkt dat het maximaal optredende trillingsniveau vanwege treinpassages op alle meetposities voldoet aan de streefwaarde voor dag, avond en nacht. Er kan gesteld worden dat het aspecten trillingen geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling.
7.9
Omgevingsveiligheid
Gemeenten nemen in hun omgevingsplan regels op over omgevingsveiligheid. Dat geldt onder meer als zij in de buurt van een risicobron nieuwe gebouwen toestaan of als de gemeente nieuwe risicobronnen op haar grondgebied wil toestaan. De belangrijkste regels over omgevingsveiligheid zijn in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) en in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) opgenomen. In het Bkl worden activiteiten met externe veiligheidsrisico’s risicobronnen genoemd. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en de aandachtsgebieden en kunnen effecten hebben op kwetsbare gebouwen en locaties. Kwetsbare gebouwen en locaties Bij het bepalen van de kwetsbaarheid van een gebouw of locatie wordt gekeken naar het aantal personen dat gelijktijdig aanwezig is, de aanwezigheidsduur van personen en in hoeverre personen zichzelf in veiligheid kunnen brengen bij een incident. Er wordt onderscheid gemaakt tussen beperkt kwetsbare gebouwen en locaties, kwetsbare gebouwen en locaties en zeer kwetsbare gebouwen. Beperkt kwetsbaar gebouwen en locaties zijn onder meer verspreid liggende woningen en recreatieterreinen voor nachtverblijf van ten hoogste 50 personen. Kwetsbare gebouwen en locaties zijn alle gebouwen met een woonfunctie (niet verspreid liggende bebouwing) en locaties bestemd voor recreatief nachtverblijf voor meer dan 50 personen.
Een gebouw is zeer kwetsbaar als het een gebouw is voor mensen die zichzelf niet op tijd in veiligheid kunnen brengen, zoals onderwijs- en gezondheidsinstellingen, kinderopvang en dagverblijven. De volledige beschrijving is opgenomen in bijlage IV van het Bkl. Een gemeente kan andere categorieën van locaties of gebouwen dan die in bijlage VI staan een vergelijkbare bescherming bieden. Daarnaast kan ze categorieën meer bescherming bieden, door bijvoorbeeld sommige kwetsbare gebouwen als zeer kwetsbaar te behandelen. Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico is het risico dat 1 persoon die zich onafgebroken en onbeschermd op die plaats bevindt, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een calamiteit met een gevaarlijke stof. Voor (zeer) kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties is in het Bkl (artikel 5.7) een grenswaarde voor het plaatsgebonden risico opgenomen van ten hoogste één op de miljoen per jaar (10-6/jaar). In het omgevingsplan moet deze grenswaarde ‘in acht worden genomen’. Het in acht nemen betekent dat het bevoegd gezag er niet van mag afwijken. (Zeer) kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties mogen daarom niet binnen de PR (plaatsgebonden risico) 10-6-contour van een
pagina 31 van 44
activiteit worden gerealiseerd. Voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties moet het bevoegd gezag rekening houden met een standaardwaarde (PR 10-6-contour) voor het plaatsgebonden risico. 'Rekening houden met' betekent een inhoudelijke sturing op de belangenafweging. Er kan van de standaardwaarde afgeweken worden. Aandachtsgebieden Aandachtsgebieden zijn gebieden die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen, onvoldoende beschermd kunnen zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen. Er is een onderscheid tussen drie soorten gevaren: warmtestraling (brand), overdruk (explosie) en concentratie giftige stoffen in de lucht (gifwolk). Daarmee zijn er ook drie typen aandachtsgebieden: brandaandachtsgebied, explosieaandachtsgebied en gifwolkaandachtsgebied. De gemeente moet in het omgevingsplan binnen deze aandachtsgebieden rekening houden met het groepsrisico. Dit is opgenomen in het eerste lid van artikel 5.15 van het Bkl. Aan het groepsrisico wordt voldaan door in het aandachtsgebied geen (zeer, beperkt) kwetsbare gebouwen en locaties toe te laten. Deze gebouwen en locaties zijn wel toelaatbaar als er daarvoor extra maatregelen worden genomen. Dat kan ook door het beperken van het aantal personen of de verblijftijd van personen in deze gebouwen of op deze locaties.
Risicobronnen Activiteiten met externe veiligheidsrisico’s worden risicobronnen genoemd. Voor deze activiteiten moet de gemeente regels opnemen in het omgevingsplan. Het gaat onder meer om activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven, vervoer van gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor en vervoer van gevaarlijke stoffen door buisleidingen. Voor een groot aantal van de risicovolle activiteiten gelden vaste afstanden. Deze staan in het Bal of in het Bkl. In het Bal gaat het om activiteiten zonder vergunningplicht met relatief kleine afstanden. In het Bkl staan afstanden voor zowel vergunningplichtige als niet-vergunningplichtige activiteiten.
Planspecifiek Transport gevaarlijke stoffen Het plangebied ligt in het explosie- en gifwolkaandachtsgebied van de N9. Derhalve is een onderzoek naar omgevingsveiligheid uitgevoerd (Kragten, d.d. 6 februari 2025, zie bijlage 8). Onderstaand zijn de belangrijkste conclusies weergegeven. Explosieaandachtsgebied Bij een koude BLEVE-explosie is geen bestrijding mogelijk; effectbestrijding richt zich daarom op het beperken van secundaire branden. Bij een warme BLEVE is tijdige koeling en blussing essentieel. Een goede bereikbaarheid van het plangebied via twee onafhankelijke aanvalswegen en voldoende bluswatervoorzieningen zijn daarbij cruciaal. Er worden geen specifieke functies voor minder zelfredzame personen voorzien. Bij incidenten is snel vluchten van belang, vooral bij BLEVE-scenario’s. Vluchtroutes moeten van de risicobron worden afgericht en goed worden aangeduid. Uitgangen dienen strategisch te worden geplaatst, bij voorkeur aan de zijde van de binnenterreinen. Gifwolkaandachtsgebied Bestrijding van een toxische gaswolk hangt af van de aard van de stof; de brandweer kan deze eventueel neerslaan of verdunnen. Voor dit scenario zijn bereikbaarheid van de risicobron (zoals de N9) en externe bluswatervoorzieningen van belang.
pagina 32 van 44
Bij een gifwolk is schuilen in luchtdichte woningen het meest effectief. Nieuwbouwwoningen voldoen doorgaans aan de eisen hiervoor. Volgens regelgeving moet een mechanisch ventilatiesysteem aanwezig zijn dat handmatig uitgeschakeld kan worden. Als toch wordt geëvacueerd, moeten er haaks op de risicobron gerichte vluchtwegen beschikbaar zijn. Over de spoorlijn aan de oostzijde vindt geen bulktransport van gevaarlijke stoffen plaats, waardoor deze transportas buiten beschouwing gelaten kan worden. Buisleiding Uit de risicokaart komt naar voren dat op een afstand van ca. 740 m een buisleiding is gelegen. Gezien deze afstand kan gesteld worden dat het plangebied buiten het invloedsgebied ligt van deze buisleiding. Inrichtingen Op basis van de risicokaart kan worden geconcludeerd dat er geen risicovolle bedrijven of activiteiten (stationaire inrichtingen) in of nabij het plangebied aanwezig zijn. Met andere woorden, het plangebied ligt niet in een invloedsgebied van een risicovolle inrichting. Ook worden door het plan geen risicovolle inrichtingen mogelijk gemaakt. Conclusie Er kan geconcludeerd worden dat het aspect omgevingsveiligheid geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling.
7.10 Natuur Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening gehouden te worden met de natuurwaarden ter plaatse. De Omgevingswet regelt activiteiten die met natuur te maken hebben. Deze natuuractiviteiten gaan over dieren en planten en gebieden waarin ze leven. Het doel van de regels is onder meer het beschermen van soorten en gebieden. Bij een ontwikkeling dient inzichtelijk gemaakt te worden dat voldaan wordt aan natuurregelgeving uit de Omgevingswet. Activiteiten die gevolgen kunnen hebben voor dieren en planten worden flora- en fauna-activiteiten genoemd. De Omgevingswet geeft regels over flora- en fauna-activiteiten om soorten te beschermen. Een activiteit die significant nadelig kan zijn voor een Natura 2000-gebied wordt een Natura 2000-activiteit genoemd. Verder bevat de Omgevingswet regels over het vellen van houtopstand en herbeplanten om bossen te beschermen. Gebiedsbescherming Wat betreft de gebiedsbescherming richt de Omgevingswet zich op de bescherming van Natura 2000-gebieden, Natuurnetwerk Nederland-gebieden (NNN-gebieden) en andere bijzondere natuurgebieden en landschappen. De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. Per Natura 2000-gebied zijn (instandhoudings)doelen voor habitattypen en -soorten opgesteld.
Deze instandhoudingsdoelstellingen geven aan of de instandhouding moet zijn gericht op alleen behoud, of dat ook herstel moet worden nagestreefd om een habitattype of -soort weer in gunstige staat te brengen.
pagina 33 van 44
In het kader van de gebiedsbescherming is ook het Natuurnetwerk Nederland (NNN) van belang. Het NNN is een samenhangend landelijk ecologisch netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk is opgebouwd uit kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en verbindingszones, en heeft ook ten doel om de structuur te laten aansluiten op ecologische verbindingszones in het buitenland. Het NNN is gericht op de bescherming, de instandhouding en zo nodig het herstel van een gunstige staat van:
▪
aanwezige dier- en plantensoorten;
▪
typen natuurlijke habitats;
▪
leefgebieden van soorten die van nature in Nederland voorkomen.
Bijna alle aangewezen Natura 2000-gebieden zijn onderdeel van het NNN. Soortenbescherming Om de natuur te beschermen, geeft het Rijk regels voor flora- en fauna-activiteiten. Voor flora- en fauna-activiteiten met gevolgen voor dieren en planten kan een omgevingsvergunning nodig zijn. De beschermde soorten blijven in twee groepen verdeeld:
▪
strikt beschermde soorten waaronder soorten uit de Vogel- en Habitatrichtlijn;
▪
andere soorten, bijvoorbeeld uit de Rode Lijst.
Voorts geldt dat iemand die weet of kan weten dat een flora- en fauna-activiteit nadelig kan zijn voor natuurbescherming, zich altijd moet houden aan de specifieke zorgplicht bij het verrichten van de activiteit. De specifieke zorgplicht geldt bij alle dier- en plantensoorten, dus bij (inter)nationaal beschermde soorten én bij andere soorten. De zorgplicht moet nageleefd worden bij het verrichten van werkzaamheden. Voor menig soort geldt dat indien deze zorgplicht nagekomen wordt een bepaald beoogd project uitvoerbaar is. Houtopstanden Er gelden rijksregels als sprake is van het (deels) vellen van houtopstanden. Bij vellen kan een herbeplantingsplicht gelden. In het Besluit activiteiten leefomgeving worden echter uitzonderingen genoemd, zoals voor houtopstanden binnen stedelijk gebied, op erven of in tuinen en met een oppervlakte van minder dan 10 are.
Planspecifiek Gebiedsbescherming Het plangebied maakt geen onderdeel uit van beschermde gebieden. Het plangebied ligt op circa 4,5 km afstand van het Natura 2000-gebied Noordhollands Duinreservaat'. Het dichtstbijzijnde gebied dat is aangewezen als Natuurnetwerk Nederland (NNN) ligt eveneens op ca. 80 m afstand van de onderzoekslocatie. Het gebied maakt eveneens geen onderdeel uit van een ander beschermd gebied, zoals een weidevogelgebied of strategische reservering natuur. Verder zijn er geen karakteristieke landschapselementen aanwezig. Gezien de afstand tot Natura 2000-gebieden en de aard en omvang van de gewenste ontwikkeling, zijn effecten op Natura 2000-gebieden, met uitzondering van stikstofdepositie, uitgesloten. Om aan te tonen wat de mogelijke effecten van het voorgenomen plan op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden zijn, is een onderzoek naar stikstofdepositie benodigd.
pagina 34 van 44
Stikstofdepositie Om het bovenstaande nader te onderbouwen is een AERIUS-berekening uitgevoerd (Buro SRO, d.d. 9 juli 2025, zie bijlage 9) uitgevoerd. Uit de AERIUS-berekening blijkt dat in de sloop-,aanlegfase als de gebruiksfase de stikstofdepositie niet groter is dan 0,00 mol/ha/jr op stikstofgevoelige habitats en leefgebieden in verschillende Natura 2000-gebieden. Soortenbescherming Voor het plangebied zijn twee quickscans uitgevoerd, voor de bestaande bebouwing (Kwinfra, d.d. 19 december 2023, bijlage 10) en het groenpark (Kwinfra, d.d. 5 juni 2024, bijlage 11). Onderstaand zijn de belangrijkste conclusies weergegeven. Bestaande bebouwing Uit de quickscan blijkt dat er mogelijk verblijfplaatsen van vleermuizen en gierzwaluwen aanwezig zijn. Voorafgaand aan de sloop- en nieuwbouw dient nader onderzoek te worden uitgevoerd naar vleermuizen en gierzwaluwen. Het vleermuisonderzoek richt zich op gebouwbewonende soorten en omvat vijf veldbezoeken tussen mei en oktober. Voor gierzwaluwen zijn drie veldbezoeken nodig tussen 1 juni en 15 juli. Indien er geen verblijfplaatsen worden aangetroffen, zijn geen aanvullende maatregelen of ontheffing nodig. Bij aanwezigheid van nesten zijn mitigerende maatregelen en een ontheffing vereist. Werkzaamheden dienen overdag plaats te vinden om verstoring door licht te voorkomen.
Verder wordt geadviseerd buiten het broedseizoen te werken; als dat niet mogelijk is, moet maximaal twee dagen voorafgaand een broedvogelcontrole plaatsvinden door een ecoloog. Er worden geen effecten verwacht op andere wettelijk beschermde soorten, omdat deze zich buiten het plangebied bevinden. Ook zijn er geen negatieve effecten op beschermde natuurgebieden te verwachten op het gebied van geluid, licht, trillingen of visuele verstoring. Groenpark Uit ecologisch onderzoek blijkt dat binnen het plangebied mogelijk beschermde soorten aanwezig zijn, waarvoor aanvullende maatregelen nodig kunnen zijn. Voor de start van de werkzaamheden is nader soortgericht onderzoek vereist naar vleermuizen, vanwege potentiële verblijfplaatsen en vliegroutes in het groenpark. Indien verblijfplaatsen worden aangetroffen, zijn mitigerende maatregelen en een omgevingsvergunning Flora- en Faunactiviteit verplicht. Daarnaast is nader onderzoek nodig naar kleine marterachtigen zoals de bunzing en wezel. Hiervoor worden gedurende minimaal acht weken cameravallen ingezet. Bij aanwezigheid van rust- of verblijfplaatsen geldt eveneens een vergunningsplicht. Ook wordt geadviseerd werkzaamheden buiten het broedseizoen (1 maart t/m 1 augustus) te plannen om verstoring van algemene broedvogels te voorkomen. Als binnen deze periode wordt gewerkt, is een broedvogelcheck door een ecoloog vereist.
Voor algemene en vrijgestelde amfibieën en vissoorten moet de zorgplicht worden nageleefd. Aanbevolen wordt te werken tussen 15 juli en 1 november, en voorafgaand hieraan deze soorten af te vangen en over te plaatsen naar geschikt leefgebied.
pagina 35 van 44
Het groenpark fungeert bovendien als ecologische schakel tussen het Natuur Netwerk Nederland en de stedelijke omgeving, wat kansen biedt voor biodiversiteit. Er worden geen overige beschermde soorten verwacht binnen het plangebied; hiervoor zijn dan ook geen aanvullende maatregelen nodig. Nader onderzoek De initiatiefnemer is voornemens om bestaande bebouwing te slopen, nieuwbouw te realiseren en onderhoudswerkzaamheden uit te voeren in het naastgelegen groenpark. Uit de eerder uitgevoerde quickscans is gebleken dat er mogelijk beschermde soorten in het plangebied aanwezig zijn. Derhalve is een nader onderzoek naar de vleermuis, gierzwaluw en marterachtigen uitgevoerd (KWInfra, d.d. 17 december 2024, zie bijlage 12). Onderstaand zijn de belangrijkste conclusies weergegeven. Uit het onderzoek is gebleken dat de huidige bebouwing niet gebruikt wordt door gierzwaluwen, waardoor negatieve effecten op deze soort uitgesloten zijn. Daarnaast zijn er tijdens het onderzoek geen marterachtigen waargenomen en zijn er geen voortplantings- of rustplaatsen van soorten als de boommarter, steenmarter, hermelijn, wezel of bunzing aangetroffen binnen het plangebied. Ook is er geen sprake van essentieel leefgebied voor deze soorten in het gebied. Wel zijn er tijdens het onderzoek verblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuis aangetroffen in de bebouwing.
Het gaat hierbij om negen zomerverblijfplaatsen en vier kraamverblijfplaatsen. Bovendien vormt het naastgelegen groenpark mogelijk een belangrijk foerageergebied of een vaste vliegroute voor deze soort. Door de voorgenomen sloopwerkzaamheden zullen deze verblijfplaatsen verloren gaan. Om deze reden is het noodzakelijk om een Omgevingsvergunning flora- en fauna activiteiten aan te vragen op grond van artikel 11.46 van het Besluit activiteiten leefomgeving, onder de Omgevingswet. In dit kader moet een activiteitenplan worden opgesteld waarin wordt onderbouwd hoe de staat van instandhouding van de gewone dwergvleermuis behouden blijft. Dit plan dient tevens inzicht te geven in de gemaakte afwegingen, waarom alternatieven niet mogelijk zijn en welk wettelijk belang de voorgenomen activiteit dient. Een essentieel onderdeel van het activiteitenplan is de onderbouwing van de reeds genomen en nog te nemen mitigerende maatregelen om negatieve effecten op de vleermuizen te beperken of te voorkomen. Activiteitenplan Naar aanleiding van de resultaten van het nader onderzoek is een activiteitenplan opgesteld voor de dwergvleermuis (Kwinfra, d.d. 12 mei 2025, bijlage 13). Onderstaand zijn de belangrijkste conclusies weergegeven.
Voor de sloop en herontwikkeling van appartementencomplexen aan de Picassolaan in Alkmaar is een flora- en fauna-activiteitvergunning vereist vanwege de aanwezigheid van verblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuis. Uit soortgericht onderzoek (2024) blijkt dat de bebouwing vier kraamverblijfplaatsen en negen zomerverblijfplaatsen herbergt. Daarnaast zijn essentiële vliegroutes en foerageergebieden vastgesteld in het aangrenzende groenpark. Aangetroffen verblijven moeten gemitigeerd worden met factor 4 voor overcompensatie, derhalve dienen er minimaal 16 mitigerende kraamverblijfplaatsen en 36 zomerverblijfplaatsen te worden gerealiseerd. Aan deze eis wordt voldaan en er worden als extra compensatie nog extra mitigerende verblijven aangeboden.
pagina 36 van 44
De geplande sloop leidt tot het verdwijnen van deze verblijfplaatsen, wat mitigatie verplicht maakt. Er worden tijdelijke voorzieningen getroffen, waaronder gevelkasten, paalkasten en een vleermuistoren, gevolgd door permanente inbouwvoorzieningen in de nieuwbouw (300 woningen). De mitigatie voldoet aan de overcompensatieeis (factor 4). Monitoring van de tijdelijke en permanente maatregelen vindt plaats over meerdere jaren. De vergunningaanvraag is juridisch onderbouwd met een beroep op het wettelijk belang van woningbouw. Renovatie is onhaalbaar en gefaseerde sloop onwenselijk. Het plan levert bovendien positieve milieu- en duurzaamheidseffecten op. Er kan geconcludeerd worden dat de getroffen maatregelen het behoud van de soort op populatieniveau waarborgen en de effecten op de staat van instandhouding van de gewone dwergvleermuis tot een minimum beperken. De vergunning is reeds verleend door de omgevingsdienst. Houtopstanden Volgens artikel 22.299 van het Omgevingsplan gemeente Alkmaar dient er een aanvraag voor een omgevingsvergunning te worden ingediend voor het vellen van houtopstanden binnen de gemeente. Hierin dienen de volgende gegevens te worden vermeld; de soort houtopstand, de locatie van de houtopstand, de diameters (gemeten op 1,30 meter vanaf het maaiveld) van elke te kappen boom, mogelijkheid tot herbeplanting en de aangewezen locaties, aantallen en soorten.
Hierbij is het van belang te vermelden dat het op het plangebied gaat om oude bomen van boven de 15 en soms 20 meter hoog. Het verwijderen en kappen van dit formaat bomen heeft een significant effect op natuurwaarde en leefgebied voor aanwezige dieren. Daarnaast kost het meerdere decennia voordat herbeplante jonge bomen tot hetzelfde formaat en natuurwaarde zijn ontwikkeld. Bomen Voor de beoogde ontwikkeling is de waarde van de aanwezige bomen in beeld gebracht (Groenadvies, d.d. 2 oktober 2024, bijlage 14). Binnen het plangebied zijn 226 bomen geïnventariseerd, verdeeld over 28 verschillende soorten. Van deze bomen verkeren 164 in redelijke conditie, 45 in matige conditie, 12 in slechte conditie en 5 zijn dood. De levensverwachting is ingeschat op basis van de conditie, eventuele gebreken en de lokale groeiplaatsomstandigheden. In totaal hebben 105 bomen een verwachte levensduur van meer dan 25 jaar, 68 bomen een levensduur van 10 tot 25 jaar, en de resterende bomen een levensverwachting van 1 tot 10 jaar. Voor de voorgenomen ontwikkeling worden enkele bomen verwijderd om ruimte te maken voor de nieuwbouw. Bomen met een waardevolle levensverwachting die worden gekapt, zullen binnen het plangebied op een andere locatie worden gecompenseerd in de nieuwe situatie. Conclusie Er kan geconcludeerd worden dat het aspect natuur geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling.
pagina 37 van 44
7.11 Water Het aspect water is van groot belang binnen de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.a.) voorkomen worden en kan ook de kwaliteit van het water hoog gehouden worden. Artikel 5.37 van het Bkl stelt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Naast de specifieke regels als gesteld in paragraaf 5.1.3 Bkl over onderdelen van het watersysteem in het omgevingsplan, worden voor een duiding van de gevolgen voor het beheer van het watersysteem, de opvattingen van het bestuursorgaan dat is belast met het beheer van die watersystemen betrokken. Het is aan het bevoegd gezag om te bepalen hoe andere bestuursorganen bij de besluitvorming worden betrokken bij de weging van het waterbelang. De gemeente is vrij om hier zelf invulling aan te geven. Beleid De Omgevingswet verplicht overheden om een aantal programma’s vast te stellen ten aanzien van het aspect water. Dit zijn hoofdzakelijk het Nationaal Water Programma dat door het Rijk is vastgesteld, het Regionaal Water Programma dat door de provincie wordt vastgesteld en het Waterbeheerprogramma van het waterschap. De grenzen van beperkingengebieden voor waterstaatswerken in beheer bij het Rijk staan in de Omgevingsregeling.
De grenzen van beperkingengebieden voor regionale waterstaatswerken staan in de waterschapsverordening. Tot slot stelt elk waterschap een waterschapsverordening op. Nationaal Water Programma Het Nationaal Water Programma geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2022-2027 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Water Programma richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water en de diverse vormen van gebruik van water. Het geeft maatregelen die in de periode 2022-2027 genomen moeten worden om Nederland ook voor toekomstige generaties veilig en leefbaar te houden en de kansen die water biedt te benutten. Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier hanteert bij ontwikkelingen waarbij sprake is van een verhardingstoename tot 2.000 m² de regel dat 15% van de toename aan verhard oppervlak dient te worden gecompenseerd door middel van het inrichten van nieuwe waterberging. Uitgangspunt is dat de compensatie wordt gerealiseerd binnen het plangebied.
Planspecifiek Watercompensatie Met de voorgenomen ontwikkeling neemt het verhard oppervlak binnen het plangebied toe van 11.840 m² (circa 35%) naar 20.127 m² (circa 59%), een toename van 8.287 m² (circa 24%). Conform de gemeentelijke richtlijnen voor klimaatadaptatie moet deze toename worden gecompenseerd door extra waterberging, zodat regenwater tijdelijk kan worden vastgehouden en langzaam in de bodem infiltreert voordat het naar de watergangen afstroomt. In afstemming met Stadswerk072 wordt een pakket aan maatregelen uitgewerkt, waaronder kleine wadi’s of groenblauwe daken binnen de bouwblokken en grotere wadi’s in het openbare gebied, om voldoende waterberging
pagina 38 van 44
te realiseren. Deze onderbouwing heeft betrekking op de aanvraag voor het ‘gebruik’ van de gronden. Bij de indiening van de omgevingsvergunning voor de bouw dient voor het voorgenomen initiatief een passende watercompensatie te zijn uitgewerkt en geborgd. Waterafvoer De beoogde woningen worden aangesloten op het bestaande rioleringssysteem en het hemelwater wordt gescheiden afgevoerd. Voor het hemelwaterafvoer wordt, waar mogelijk, uitgegaan van infiltratie in de bodem. Waterkeringen Het plangebied ligt binnen de beschermingszone van een regionale waterkering. Op navolgende afbeelding is de uitsnede van de legger van het HHNK weergegeven.
Uitsnede legger waterkeringen (bron: HHNK)
Met de voorgenomen ontwikkeling dient rekening te worden gehouden met de specifieke maatregelen zoals gesteld in de Waterschapsverordening van het HHNK.
7.12 Bezonning In het kader van de Omgevingswet dient bij wijziging van een planologische situatie, bijvoorbeeld ten behoeve van nieuwbouw, in het besluit gemotiveerd te worden of de wijziging ruimtelijk acceptabel is. De wet gebruikt hiervoor de term goede ruimtelijke ordening, waarbij voor plannen binnen een stedelijke omgeving een beperkte verslechtering acceptabel wordt geacht. Afhankelijk van de opgave kan het wenselijk zijn om een bezonningsstudie uit te voeren, waarmee inzicht wordt verkregen of er sprake is van schaduwhinder en zo ja, in welke mate. Voor zowel de toepassing als de inhoud van een bezonningsstudie bestaat geen directe wettelijke basis. Voor de inhoud wordt landelijk veelal gebruik gemaakt van de zogenaamde ‘TNO-norm’, een richtlijn of er sprake is van voldoende en goede bezonning. De TNO-norm bevat een aantal uitgangspunten voor de mate van bezonning en tijdstippen die algemeen gehanteerd worden.
pagina 39 van 44
Er is een lichte en een strenge TNO-norm geformuleerd. Landelijk wordt enkel de lichte norm gehanteerd. De norm wordt alleen toegepast op gevels die zon kunnen ontvangen. Om die reden blijven noordgevels buiten beschouwing, omdat deze gevels nooit direct zonlicht ontvangen. De normen zijn in principe gericht op de bezonning door een raam in de woonkamer. Zo houdt de lichte TNO-norm in dat er sprake is van voldoende bezonning bij ten minste 2 mogelijke bezonningsuren per dag, in de periode van 19 februari tot 21 oktober en gemeten in de woonkamer op de begane grond, aan de binnenkant van het raam in het midden van de vensterbank. De normen zijn ook te gebruiken om te bepalen of er voldoende bezonning is op balkons, tuinen en/of andere buitenruimtes, maar hiervoor geeft de TNO-norm geen ijkpunten.
Planspecfiek Om aan te tonen dat iedere woning voldoende zonlicht ontvangt, is een bezonningsstudie uitgevoerd (zie bijlage 15). Bij het bepalen van het bouwvolume is rekening gehouden met de bezonning. De getrapte opbouw maakt dat alle woningen een redelijke bezonning hebben. De kaart toont de totale hoeveelheid zonlicht per dag. Het uitgangspunt is dat elke woning – in lijn met de lichte TNO norm - over een bezonde gevel beschikt die gedurende 8 maanden per jaar tenminste 2 uur per dag zon ontvangt. De bovenste impressie toont de bezonning op 19 februari. Deze datum markeert het begin van de periode van 8 maanden die maatgevend is voor de lichte TNO norm. De onderste impressie toont de bezonning weergegeven op 21 maart. Deze datum ligt halverwege tussen de kortste en de langste dag van het jaar en is daarmee representatief.
3D-impressies bezonning (bron: FARO)
pagina 40 van 44
7.13 M.e.r.-beoordeling De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een hulpmiddel om bij diverse procedures het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming te geven. Een m.e.r. is verplicht bij de voorbereiding van plannen en besluiten van de overheid over initiatieven en activiteiten van publieke en private partijen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. De wetgeving omtrent de milieueffectrapportage (m.e.r) is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit. In artikel 16.34, tweede lid van de Omgevingswet is aangegeven dat onder een plan of programma, als bedoeld in artikel 2, onder a, van de SMB-richtlijn (richtlijn 2001/42/EG (Strategische milieubeoordeling), in ieder geval wordt verstaan een omgevingsvisie, een programma, een omgevingsplan en een voorkeursbeslissing. Er zal niet meer getoetst worden aan de limitatieve lijst van m.e.r.-plichtige plannen en programma’s uit de bijlage bij het Besluit m.e.r. Het bevoegd gezag zal per specifiek geval na moeten gaan of er sprake is van een plan of programma in de zin van de SMB-richtlijn. Er wordt onder de Omgevingswet geen onderscheid meer gemaakt tussen een formele en vormvrije m.e.r.beoordeling op grond van aangewezen drempelwaarden. Er is dus nog maar één m.e.r.-beoordelingsprocedure.
In bijlage V bij het Omgevingsbesluit worden de projecten en de daarvoor benodigde besluiten waarvoor een m.e.r.(beoordelings)plicht geldt aangewezen. Als het project voldoet aan de voorwaarden van kolom 2, dan is er een m.e.r.-plicht. Als het project voldoet aan de voorwaarden in kolom 3, dan is er een m.e.r.-beoordelingsplicht. Een m.e.r.-beoordeling bestaat uit twee verplichte stappen.
▪
Stap 1: Mededeling van de initiatiefnemer aan het bevoegd gezag.
▪
Stap 2: Beslissing bevoegd gezag over wel of geen milieueffectrapportage.
De initiatiefnemer van een m.e.r.-beoordelingsplichtig project moet zijn voornemen schriftelijk mededelen aan het bevoegd gezag. De mededeling is vormvrij, wel zijn er eisen aan de inhoud zoals opgenomen in artikel 11.10 van het Omgevingsbesluit. Dit kan een aparte aanmeldnotitie zijn.
Planspecifiek Onderhavig plan is aan te merken als een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in J11 van bijlage V van het Omgevingsbesluit. Artikel 16.43 van het Omgevingsbesluit beschrijft wanneer er sprake is van mer(beoordelings)plichtige projecten en besluiten. Artikel 16.43 lid 1 luidt als volgt: Bij algemene maatregel van bestuur worden de projecten en de daarvoor benodigde besluiten aangewezen: a.
die aanzienlijke milieueffecten kunnen hebben en waarvoor bij de voorbereiding van het besluit een milieueffectrapport moet worden gemaakt; en
b.
waarvoor moet worden beoordeeld of die aanzienlijke milieueffecten kunnen hebben, en, als dat het geval is, waarvoor bij de voorbereiding van het besluit een milieueffectrapport moet worden gemaakt.
Om dit inzichtelijk te maken is een aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling opgesteld (Buro SRO, bijlage 16). Het bevoegd gezag kan op basis van deze aanmeldnotitie besluiten of er een m.e.r.-beoordeling nodig is.
pagina 41 van 44
8
Financiële haalbaarheid
Het kostenverhaal is het door de overheid verhalen van kosten op een initiatiefnemer. Het gaat over overheidskosten voor werken, werkzaamheden en maatregelen. Bijvoorbeeld kosten voor het wijzigen van het omgevingsplan en het aanleggen van openbare voorzieningen. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet is het exploitatieplan als publiekrechtelijk instrument komen te vervallen. Het publiekrechtelijk kostenverhaal is daarmee geïntegreerd in het omgevingsplan, het projectbesluit of de omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Het bevoegd gezag kan voorschriften verbinden aan een vergunning voor een BOPA. Deze voorschriften mogen betrekking hebben op het gebied waar de omgevingsvergunning voor geldt en de aangevraagde ontwikkeling. De overheid (meestal een gemeente) en een initiatiefnemer kunnen een overeenkomst sluiten over kostenverhaal voorafgaand aan het besluit dat de aangewezen activiteit mogelijk maakt: een zogenoemde ‘anterieure overeenkomst’. De Omgevingswet biedt daarvoor een grondslag. Naast het kostenverhaal kan ook een ‘financiële bijdrage gebiedsontwikkeling’ worden afgesproken. Dat is een bijdrage voor ontwikkelingen die niet onder het kostenverhaal vallen, maar wel bijdragen aan de kwaliteit van een gebied. Als er geen overeenkomst is gesloten, moet het kostenverhaal op een andere manier geregeld worden.
Meestal regelt de gemeente het kostenverhaal in dat geval publiekrechtelijk. Dat kan de gemeente doen door kostenverhaalregels in het omgevingsplan op te nemen of het kostenverhaal te regelen in de omgevingsvergunning. Wanneer een omgevingsvergunning wordt verleend op grond waarvan schade wordt veroorzaakt is artikel 4.5 Awb van toepassing en dient een overeenkomst nadeelcompensatie gesloten te worden.
Planspecifiek Het gemeentelijk kostenverhaal is verzekerd door de toekomstige verkoop van de grond. Verder heeft de ontwikkeling geen financiële gevolgen voor de gemeente. Een overeenkomst of opnemen van voorschriften voor kostenverhaal in de omgevingsvergunning is daarom niet noodzakelijk. Het plan is economisch uitvoerbaar.
pagina 42 van 44
9
Conclusie
De voorgenomen ontwikkeling ziet toe op het realiseren maximaal 340 woningen aan de Picassolaan in Alkmaar. Het initiatief is nauwkeurig getoetst aan de beleidslijnen op nationaal, provinciaal en gemeentelijk niveau. Uit deze toetsingen is gebleken dat het voorgestelde plan in overeenstemming is met deze beleidskaders. Deze bevinding benadrukt dat het initiatief binnen het kader van overheidsrichtlijnen valt en daarmee toepasbaar is binnen de geldende wet- en regelgeving. Bovendien is het initiatief nauwkeurig onderzocht op alle relevante aspecten met betrekking tot de fysieke leefomgeving en milieueffecten. Dit omvat een grondige analyse van mogelijke hinder of belemmeringen die zouden kunnen ontstaan door de voorgestelde ontwikkeling. Uit de resultaten is geconcludeerd dat er geen significante belemmeringen zijn die de uitvoering van de voorgenomen ontwikkeling zouden verhinderen. Bovendien is vastgesteld dat de voorgestelde ontwikkeling bijdraagt aan een evenwichtige toedeling van functies binnen de betreffende omgeving. Deze uitgebreide beoordeling en afstemming met de geldende beleidslijnen en milieuaspecten bevestigen dat de voorgenomen ontwikkeling zorgvuldig is voorbereid en alle relevante aspecten in ogenschouw heeft genomen, waardoor het plan op een verantwoorde wijze kan worden uitgevoerd.
pagina 43 van 44
pagina 44 van 44