b. Goede Ruimtelijke Onderbouwing (geanonimiseerd)
Tekst van het document
4.6.4 Conclusie De digitale watertoets is doorlopen en er spelen waterbelangen. In het kader van het voorover-
leg wordt de ruimtelijke onderbouwing toegestuurd aan HHNK. gelden aandachtspunten van-Er
wege verhardingstoename, de het uitvoeren van werkzaamheden nabij waterlopen, de bouw in de beschermingszone van de dijk, de tijdelijke onttrekking van grondwater tijdens de bouw en de ligging in een molenbiotoop van een windmolen met bemalingsfunctie. Met de hieruit vol-
gende eisen en aandachtspunten wordt rekening gehouden.
4.7 Natuur 4.7.1 Wettelijk kader In ruimtelijke plannen moet worden aangetoond hoe de ontwikkelingen die hierin mogelijk wor- den gemaakt zich verhouden met de wet- en regelgeving op het gebied van gebieds- en soor-
tenbescherming. Dit betekent, dat bij de voorbereiding van het project moet worden onderzocht of deze wet- en regelgeving de uitvoering van de ontwikkeling al dan niet in de weg staat. De gebiedsbescherming en de soortenbescherming zijn per 1 januari 2017 geregeld in de Wet na- tuurbescherming (W/nb).
4.7.2 Beoordeling en onderzoek Voor de ontwikkeling die plaatsvindt op het transformatorstation Oterleek is een quickscan uit-
gevoerd RN NN (geanonimiseerd) en (geanonimiseerd) «3 februari 2023). Het rapport is opgenomen als bijlage 4. In de quickscan is ingegaan op de effecten op beschermde gebieden en beschermde soorten van-
wege de nieuwbouw waar deze ruimtelijke onderbouwing op toeziet.
4721 Gebiedsbescherming De projectlocatie ligt niet in of in de directe omgeving van Natura 2000-gebied, Natuurnetwerk Nederland (NNN), een natuurverbinding of een weidevogelleefgebied. Het dichtstbijzijnde Na- tura-2000 gebied is ‘Eilandspolder’, welke ligt op een afstand van circa 4 kilometer van de pro-
jectlocatie. Directe aantasting, zoals oppervlakteverlies en versnippering van een Natura 2000- gebied is niet aan de orde is. Ook is vanwege de grote afstand tot het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied geen sprake van verstoring van aangewezen dieren door beweging, geluid, trilling en licht. Ook leidt het project niet tot een negatief effect op een NNN gebied.
Stikstofdepositie Stikstofemissies kunnen op grotere afstand effect hebben. Bij een transformatorstation dat in gebruik is, is geen sprake van uitstoot van stikstof. Het gebouw wordt niet verwarmd en de ver- keersbewegingen zijn te verwaarlozen (het station is onbemand). Zodoende is geen berekening uitgevoerd voor de gebruiksfase.
Tijdens de aanlegfase, bij het gebruik van materieel voor de bouw en installatie vindt in be-
perkte mate uitstoot van stikstofdioxide plaats. Om te beoordelen wat de depositie is op Natura- 2000 gebieden is een Aeriusberekening uitgevoerd (Qirion, 29 november 2023). De berekenin- gen zijn opgenomen alsbijlage 5.
Ruimtelijke onderbouwing Transformatorstation Oterleek 23/32
Omgevingsaspecten
De geschatte doorlooptijd van het project is 39 maanden. Ten behoeve van een worst-case be- nadering zijn de kengetallen doorgerekend binnen één bouwjaar voor de realisatie van het elek- triciteitsstation en één bouwjaar voor de realisatie van het kabeltracé, waarin de betreffende bouwwerkzaamheden en verkeersbewegingen van het project zijn gemodelleerd. Er is een berekening voor 2024 en een berekening voor 2025 gemaakt. De ingevoerde inzet van de mobiele werktuigen en de verkeersbewegingen zijn gebaseerd op ervaringen bij andere vergelijkbare projecten. Uit de berekeningen volgt dat er geen sprake is van een depositie ho- ger dan 0,00 mol/hectare/jaar op een Natura-2000 gebied. Op basis hiervan is te concluderen dat het project geen negatieve gevolgen heeft voor een beschermd natuurgebied. Voor het as- pect stikstofdepositie is geen vergunning of VVGB voor de Wnb gebiedenbescherming beno- digd.
4. 7. 2. 2 Soortenbescherming Uit de quickscan komt naar voren dat het onderzoeksgebied in potentie geschikt is voor enkele beschermde soorten. Hieronder is ingegaan op de bevindingen.
Er zijn geen rugstreeppadden aangetroffen. Om te voorkomen dat overwinterende rugstreep- padden in het gebied zich vestigen, dienen opgeslagen zandhopen te worden verwijderd of te worden afgedekt met folie voorafgaand aan het overwinteringsseizoen.
Er kunnen algemeen voorkomende vogels voorkomen waarvan de nesten niet-jaarrond zijn be- schermd. Door rekening te houden met het broedseizoen zijn negatieve effecten te voorkomen. Verder zijn er geen beschermde amfibieën, reptielen of insecten te verwachten. Mogelijke nest- locaties van vogelsoorten met een jaarrond beschermde vaste rust- en verblijfplaats of sporen die wijzen op hun aanwezigheid, zijn niet waargenomen op of rond de projectlocatie.
In het onderzoeksgebied kunnen beschermde amfibieën en grondgebonden zoogdieren voorko- men die zijn beschermd onder de Habitatrichtlijn of als ‘andere soort’. Het gaat om de Rug- streeppad (landbiotoop) en kleine marterachtigen. Omdat negatieve effecten door de werk- zaamheden niet uit te sluiten zijn, is onderzoek naar voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van deze soorten noodzakelijk (zie voor de optimale onderzoeksperiode Tabel 2). Worden tijdens de veldinventarisatie volgens landelijk geldende richtlijnen, protocollen, soortstandaarden en/of kennisdocumenten één of meer van deze soorten aangetroffen, dan dient een ontheffingsaan- vraag te worden ingediend, waarin passende mitigerende en compenserende maatregelen wor- den beschreven.
Zorgplicht De Wet natuurbescherming kent een algemene zorgplicht. Dit betekent dat zorgvuldig met aan- wezige planten en dieren moet worden omgegaan. Dit geldt ook voor algemeen voorkomende en vrijgestelde soorten. Voor eventueel aanwezige algemene (vrijgestelde) soorten geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming. Hiervoor geldt wel de zorgplicht, wat betekent dat nadelige gevolgen voor planten en dieren zoveel mogelijk moet worden voorkomen. Aanwezige dieren dienen in de gelegenheid gesteld te worden het gebied te verlaten.
4. 7. 3 Conclusie Er zijn geen directe of indirecte negatieve effecten op Natura-2000 gebieden of op het Natuur- netwerk Nederland. Uit de Aeriusberekening volgt dat er geen sprake is van depositie op een Natura-2000 gebied.
Uit het soortenonderzoek is gebleken dat voor de bouw van het nieuwe 50kV-gebouw nader on- derzoek nodig is naar kleine marterachtigen en de rugstreeppad. Voor de rugstreeppad is on- derzoek nodig voor de periode juni-september en voor kleine marterachtigen is onderzoek no- dig in de periode mei – augustus. Dit onderzoek wordt uitgevoerd en met de uitkomsten wordt rekening gehouden voor de uitvoering van de werkzaamheden.
Geconcludeerd kan worden dat vanuit het aspect ecologie geen belemmeringen bestaan ten aanzien van het afwijken van het bestemmingsplan.
Ruimtelijke onderbouwing Transformatorstation Oterleek 24/32
Omgevingsaspecten
4. 8 Verkeer en parkeren Het nieuw te realiseren gebouw is onbemand. Af en toe vindt onderhoud en controle plaats. Dit vindt ook al plaats op het bestaande station. Er wordt geparkeerd op het terrein van het trans- formatorstation. Hier is voldoende ruimte voor. De capaciteitsuitbreiding zal niet leiden tot een significante wijziging van de verkeersbewegingen.
Er wordt gebruik gemaakt van de bestaande toegangsweg op de Huygendijk. De verkeersbe- wegingen zijn minimaal, enkele keren per maand komt er personeel.
Het aspect verkeer en parkeren vormt geen belemmering voor de uitvoering van het project.
4. 9 Bedrijven en Milieuzonering 4. 9. 1 Algemeen De ruimtelijke ordening stelt zich tot doel een goede kwaliteit van leefomgeving te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van voldoende afstand tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen anderzijds. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast.
Voor het bepalen van de aan te houden afstanden is gebruik gemaakt van de VNG-uitgave 'Be- drijven en Milieuzonering'. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieu- belastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuas- pecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie.
Onderstaande tabel geeft de relatie weer tussen milieucategorie, richtafstanden en omgevings- type. De richtafstanden van de richtafstandenlijst gelden ten opzichte van het omgevingstype rustige woonwijk of het omgevingstype gemengd gebied. Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwe- gend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Binnen gemengd gebied is het mogelijk om gemotiveerd voor één of meer milieuaspecten een kleinere afstand aan te houden dan wordt geadviseerd voor een rustige woonwijk. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend.
Milieucategorie Richtafstand (rustige woonwijk) Richtafstand (gemengd gebied) 1 10 m 0 m 2 30 m 10 m 3. 1 50 m 30 m 3. 2 100 m 50 m 4. 1 200 m 100 m 4. 2 300 m 200 m 5. 1 500 m 300 m 5. 2 700 m 500 m Tabel 1: Bedrijven en milieuzonering (bron: VNG, Brochure Bedrijven en milieuzonering)
In de VNG-uitgave ‘Bedrijven en Milieuzonering’ is een stappenplan omschreven voor de toet- sing van het aspect geluid. Hieronder zijn de stappen beschreven.
Stap 1 Indien de richtafstand voor de gewenste bedrijfscategorie voor het aspect geluid niet wordt overschreden, kan verdere toetsing voor het aspect geluid in beginsel achterwege blijven en is het plan inpasbaar geacht.
Ruimtelijke onderbouwing Transformatorstation Oterleek 25/32
Omgevingsaspecten
Stap 2 Indien ‘stap 1' niet toereikend is, is het nodig om de geluidbelasting te berekenen. Hiervoor gel- den de volgende grenswaarden: * Bij een geluidbelasting op woningen en andere geluidgevoelige bestemmingen in ge- biedstype ‘rustige woonwijk’ van maximaal: o 45 dB(A) langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (etmaalwaarde). o 65 dB(A) maximaal (piekgeluiden, etmaalwaarde). o 50 dB(A) ten gevolge van verkeersaantrekkende werking (etmaalwaarde). * Bij een geluidbelasting op woningen en andere geluidgevoelige bestemmingen in ge- biedstype ‘gemengd gebied’ van maximaal: o 50 dB(A) langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (etmaalwaarde). o 70 dB(A) maximaal (piekgeluiden, etmaalwaarde). o 50 dB(A) ten gevolge van verkeersaantrekkende werking (etmaalwaarde).
Stap 3 en 4 Indien ‘stap 2' niet toereikend is, is in de VNG-uitgave nog een stap 3 en zelfs een stap 4 be- schreven. Daar is in dit bestemmingsplan niet verder op ingegaan.
4.9.2 Betekenis voor het project Het transformatorstation zal in totaal na de uitbreiding een opgesteld transformatorvermogen hebben van 420 MVA. Hiermee valt het station in milieucategorie 4.2 (200 tot en met 1.000 MVA, zie Tabel 2). De richtafstand is 300 m in het omgevingstype rustige woonwijk en 10 meter in het omgevingstype ‘gemengd gebied’. Er is voor de beschouwing vooralsnog uitge-
gaan van het omgevingstype ‘rustige woonwijk’.
De meest nabijgelegen geluidgevoelige gebouwen zijn de woningen in Oterleek richting het westen en noordwesten van het transformatorstation. De meest nabijgelegen woning is gelegen
aan de Dorpsstraat 1 op ongeveer 85 meter (gerekend vanaf de terreingrens van het transfor- matorstation tot het bouwvlak van de woning). Ook staat de woning Noordschermerdijk 4 op on-
geveer 95 meter afstand. Er zijn zodoende meerdere woningen gelegen binnen de richtafstand van 300 meter.
OMSCHRIJVING AFSTANDEN IN METERS INDICES
Elektriciteitsdistributiebedrijven, met transformatorv ermogen: CATEGORI NERK 10 MVA
l. -
< D
Df D
Df “D| Tabel 2: milieucategorie van een elektriciteitsdistributiebedrijf
Er is getoetst aan het stappenplan uit de VNG-richtlijn ‘Bedrijven en milieuzonering’ beschreven
stappenplan om te onderzoeken of de uitbreiding van het transformatorvermogen ruimtelijk in- pasbaar is. Er is een akoestisch onderzoek uitgevoerd (Peutz, 12 december 2023). Het rapport is opgenomen als bijlage 6.
Aan stap 1 (richtafstand) wordt niet voldaan. Daarom is stap 2 uitgevoerd. In stap 2 worden de optredende geluidniveaus op de gevel van de woningen getoetst aan de grenswaarden die van toepassing zijn voor een ‘rustige woonwijk’, te weten 45 dB(A) etmaalwaarde voor de langtijdge- middelde beoordelingsniveaus en 65 dB(A) etmaalwaarde voor de maximale geluidniveaus.
Etmaalwaarden Het transformatorstation beschikt over een geluidzone die rondom het station in de huidige be- stemmingsplannen is vastgelegd. Op de grens van deze geluidzone mag de geluidbelasting niet meer bedragen dan 50 dB(A). Alleen de woning (geanonimiseerd) ligt in deze geluidzone. Hiervoor geldt een Maximale Toe Grenswaarde -waarde) van 5/ dB(A) etmaalwaarde.
Ruimtelijke onderbouwing Transformatorstation Oterleek 26/32
Omgevingsaspecten
Uit het onderzoek volgt dat na de uitbreiding van het transformatorvermogen er nog steeds wordt voldaan aan de milieuvergunning en de geluidzone. Er wordt ook voldaan aan de MTG- waarde die geldt voor (geanonimiseerd) De geluidbelasting hier bedraagt in de eindsituatie .
maximaal 38 dB(A).
Uit de rekenresultaten blijkt dat de geluidbelasting bij woningen aan de Dorpsstraat 31 dB(A) tot 43 dB(A) etmaalwaarde bedraagt, inclusief toeslag voor het tonale karakter van het geluid in de eindsituatie.
Maximale geluidniveaus Voor wat betreft het optreden piekgeluiden (maximale geluidniveaus) zullen de wijzigingen van
van het transformatorstation gevolgen hebben. geen Er is één locatie (woning Noordschermerdijk) waar een maximaal geluidniveau is berekend van ten hoogste 67 dB(A). Deze waarde voldoet aan de normaliter gehanteerde grenswaarde van 70 dB(A) voor de dagperiode maar niet aan de 65dB(A) die wordt gehanteerd voor een rustige
woonwijk. Er wordt echter voldaan aan de voor deze woning geldende grenswaarde uit voor- schrift 2.1.2 van de milieuvergunning, namelijk dat het maximale geluidniveau maximaal 10 dB hoger mag zijn dan de vergunde waarde van 57 dB(A).
De piekbelastingen hebben betrekking op de maximale geluidniveaus ten gevolge van het scha- kelen met de vermogensschakelaars. De meeste dagen van het jaar zal niet geschakeld wor- den. Mede gelet hierop kan worden geconcludeerd dat sprake is van een toelaatbare situatie. Verder is er van uit te gaan dat het schakelen onder normale omstandigheden alleen in de dag-
periode plaatsvindt. Enkel bij calamiteiten zal dit ook in de avond- en nachtperiode gebeuren, maar hier hebben de grenswaarden geen betrekking op.
Gesteld kan worden dat derhalve sprake is van een uit akoestisch oogpunt planologisch inpas- bare situatie. Vanuit milieuzonering is er geen belemmering ten aanzien van het project.
4.9.3 Conclusie De transformatorvermogen leidt tot een verhoging van de milieucategorie. uitbreiding van het Binnen de richtafstand zijn woningen gelegen. Uit het akoestisch onderzoek volgt dat wordt vol- daan aan de grenswaarden voor de geluidbelasting vanuit de vergunning en dat aan de grens- waarden van de geluidzone wordt voldaan. Zodoende bestaan er vanuit het aspect milieuzone-
ring geen belemmeringen ten aanzien van het project.
4.10 Geluid 4.10.1 Wettelijk kader De Wet geluidhinder (Wgh) vormt het juridische kader voor het Nederlandse geluidsbeleid en bevat een stelsel van bepalingen ter voorkoming en bestrijding van geluidhinder door onder meer wegverkeer, spoorwegverkeer en industrie.
4.10.2 Betekenis voor het project Het transformatorstation grote lawaaimaker? volgens de Wet geluidhinder. Er is een ge- is een luidzone rondom het station vastgelegd in de vigerende bestemmingsplannen. Op de grens van deze geluidzone mag de geluidbelasting maximaal 50dB(A) bedragen. Er is één woning gele-
gen binnen de geluidzone, namelijk aan de € (geanonimiseerd) Voor deze woning is een MTG-waarde vastgesteld. Uit het akoestisch onderzoek dat is uitgevoerd (zie bijlage 6), volgt dat na de uitbreiding van het
transformatorvermogen er nog steeds wordt voldaan aan de vigerende milieuvergunning en de geluidzone. Alleen voor de huidige situatie en de situatie na bijplaatsing van transformator T4 (tijdelijke toekomstfase 1) wordt voor de avondperiode een overschrijding van de zonegrens be- rekend indien de koelventilatoren (van met name de transformatoren T1 en T2) in bedrijf zijn. Na vervanging van de transformatoren T1 en T2 (toekomstfasen 2 en 3) wordt in alle gevallen
2 inrichtingen zoals genoemd in onderdeel D van bijlage 1 van het Besluit omgevingsrecht.
Ruimtelijke onderbouwing Transformatorstation Oterleek 27/32
Omgevingsaspecten
voldaan aan zowel de vigerende milieuvergunning als de zonegrens. Gesteld kan worden dat door de voorgenomen wijzigingen de geluidsituatie in de eindsituatie zal verbeteren.
afbeelding 11: toekomstige geluidcontouren in de eindsituatie ten opzichte van de vastgelegde geluidzone (bron: Peutz)
4. 10. 3 Aanpassing zonegrens Doordat er sprake is van een grondruil met het aangrenzende bedrijf, wijzigt de grens van het terrein dat hoort bij het transformatorstation. Formeel gezien dient hierdoor ook de zonegrens te worden gewijzigd. Dit komt omdat een klein driehoekje van de uitbreiding buiten de bestaande zonegrens heen steekt. Dit heeft verder geen inhoudelijke betekenis daar in praktijk de geluidni- veaus ten gevolge van het transformatorstation niet kunnen toenemen. In afbeelding 12 wordt een en ander aangeduid.
Ruimtelijke onderbouwing Transformatorstation Oterleek 28/32
Omgevingsaspecten
aanpassing zonegrens Bl Ea
afbeelding 12: aanpassing zonegrens
4.10.4 Conclusie Het transformatorstation is een grote lawaaimaker volgens de Wet geluidhinder. Uit het akoes- tisch onderzoek dat is uitgevoerd, volgt dat na de uitbreiding van het transformatorvermogen er nog steeds wordt voldaan aan de milieuvergunning en de geluidzone.
4.11 EM velden 4.111 Algemeen Voor deblootstelling kortdurend of langdurend aan magnetische velden zijn in Nederland - -
geen wettelijke grenswaarden vastgesteld. Wel heeft de Europese Unie (EU) een richtwaarde voor maximale blootstelling van 100 UT (micro tesla) geadviseerd voor 50 Hz magnetische vel- den 5. Nederland heeft deze richtwaarde overgenomen. De richtwaarde houdt in dat burgers in de openbare ruimte niet mogen worden blootgesteld aan magneetvelden ten gevolge van de
elektriciteitsvoorziening van meer dan 100 microtesla. De 100 microtesla magneetveldcontour van een transformatorstation blijft zeer nauw beperkt rondom de componenten op dat station, en strekt vrijwel nooit buiten de erfgrens van het station.
4.11.2 Conclusie VN zergt dat alle installaties die het in beheer heeft hieraan voldoen en dat burgers niet (geanonimiseerd) worden blootgesteld aan magnetische velden van meer dan 100 microtesla. Dit betekent dat buiten het hekwerk altijd zal worden voldaan aan de grenswaarde van 100 microtesla voor
blootstelling in de openbare ruimte.
$ EU publicatie 1999/519/EG, ‘AANBEVELING VAN DE RAAD van 12 juli 1999 betreffende de beperking van blootstel- ling van de bevolking aan elektromagnetische velden van Q Hz 300 GHZ’, 12 juli 1999. —
Ruimtelijke onderbouwing Transformatorstation Oterleek 29/32
Omgevingsaspecten
4. 12 Luchtkwaliteit 4. 12. 1 Wettelijk kader In de Wet milieubeheer (verder: Wm) zijn eisen opgenomen waaraan de luchtkwaliteit in de bui- tenlucht moet voldoen. Hierbij is onderscheid gemaakt in grenswaarden waaraan nu moet wor- den voldaan en grenswaarden waaraan in de toekomst moet worden voldaan. De meest kritieke stoffen zijn stikstofdioxide en fijn stof. Voor de andere in de Wm genoemde stoffen, wordt in Ne- derland, behoudens bijzondere situaties, overal voldaan aan de vereisten.
In de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) zijn categorieën van gevallen aangewezen die in ieder geval niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtveront- reiniging. Een bijdrage is “niet in betekenende mate” als de toename maximaal drie procent van de jaargemiddelde grenswaarde van fijn stof of stikstofdioxide bedraagt. Wanneer een ontwik- keling valt onder één van die categorieën is het niet nodig een onderzoek naar de luchtkwaliteit uit te voeren.
4. 12. 2 Conclusie voor het plan Het project leidt niet tot een toename aan verkeersbewegingen. Het project draagt zodoende niet-in-betekenende-mate bij en er is geen luchtkwaliteitonderzoek nodig. Het aspect luchtkwali- teit vormt geen belemmering voor de uitvoering van het project.
4. 13 Externe veiligheid 4. 13. 1 Inleiding Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het verminderen en beheersen van risico’s van zware ongevallen met gevaarlijke stoffen in inrichtingen en tijdens het transport ervan. Op basis van de criteria, zoals onder andere gesteld in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (verder: Bevi) worden bedrijven en activiteiten geselecteerd die een risico van zware ongevallen met zich mee (kunnen) brengen. Het beleid voor externe veiligheid heeft tot doel zowel individuele burgers als groepen burgers een minimum beschermingsniveau te bieden tegen een ongeval met gevaarlijke stoffen. Om dit doel te bereiken zijn gemeenten en provincies verplicht om bij de besluitvorming rondom ruimtelijke plannen de invloed van een risicobron op zijn omgeving te beoordelen. Daartoe wordt in het externe veiligheidsbeleid het plaatsgebonden risico en het groepsrisico gehanteerd.
Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico (PR) is de kans dat een persoon zich gedurende een jaar onafgebro- ken onbeschermd op een bepaalde plaats bevindt, overlijdt als gevolg van een ongeval met ge- vaarlijke stoffen. Dit risico wordt per bedrijf vastgelegd in contouren. Er geldt een contour waar- binnen die kans 10 -6 (één op 1. 000. 000) bedraagt. Binnen deze plaatsgebonden risicocontour mogen geen kwetsbare objecten mogelijk worden gemaakt.
Groepsrisico Het groepsrisico (GR) is een berekening van de kans dat een groep personen binnen een be- paald gebied overlijdt ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De oriëntatiewaarde geeft hierbij de indicatie van een aanvaardbaar groepsrisico, mede bepaald door het aantal per- sonen (dichtheid) binnen het te beschouwen gebied. Indien een ontwikkeling is gepland in de nabijheid van een risicobron geldt afhankelijk van de ontwikkeling een verantwoordingsplicht voor het toelaten van gevoelige functies.
4. 13. 2 Betekenis voor het project Voor het project is de Atlas Leefomgeving geraadpleegd, zie afbeelding 13. In het oosten op ruim 950 meter afstand zijn ondergrondse buisleidingen gelegen. De projectlocatie ligt niet in een plaatsgebonden risicocontour of invloedsgebied van een risicobron. Een transformatorsta- tion is geen inrichting die valt onder het Bevi en bezit geen plaatsgebonden risicocontour of groepsrisicocontour. Ook is het geen kwetsbaar object. Er verblijven geen mensen voor langere duur (station is onbemand).
Ruimtelijke onderbouwing Transformatorstation Oterleek 30/32
Omgevingsaspecten
afbeelding 13: uitsnede Atlas Leefomgeving, de rode stippellijnen zijn de buisleidingen, de blauwe lijnen zijn de hoogspanningsverbindingen (bron: www. attlasleefomgeving. nl)
4. 13. 3 Conclusie Geconcludeerd kan worden dat vanuit het aspect externe veiligheid geen belemmeringen be- staan ten aanzien van het project.
4. 14 Besluit milieueffectrapportage Sinds de wijziging van het Besluit m. e. r. per 1 april 2011 zijn er twee vormen van m. e. r. -beoor- delingen: 1. ) projecten die vallen onder bijlage D van het Besluit m. e. r. en 2. ) de vormvrije m. e. r. -beoordeling ook wel vergewisplicht genoemd. Achterliggende gedachte hierbij is dat ook kleine projecten het milieu relatief zwaar kunnen belasten.
Voor de vormvrije m. e. r. -beoordeling gelden twee voorwaarden: • het gaat over één of meer activiteiten die voorkomen op de D-lijst van het Besluit m. e. r. • de omvang van al die activiteit(en) ligt onder de drempelwaarde (kolom 2 van de D-lijst).
Realisatie of uitbreiding van een transformatorstation is geen activiteit die is genoemd in de C of D-lijsten van het Besluit m. e. r. Er is geen (vormvrije) m. e. r. beoordeling voor het project nodig. .
Ruimtelijke onderbouwing Transformatorstation Oterleek 31/32
5 Uitvoerbaarheid
5.1 Maatschappelijke uitvoerbaarheid Door | (geanonimiseerd) de initiatiefnemer is een inloopbijeenkomst georganiseerd geweest op 24 novem- ber 2022. Het verslag van de bijeenkomst is opgenomen als bijlage 7 bij deze ruimtelijke onder- bouwing. Er waren vragen over de keuze van de locatie, de geluidbelasting en het ontwerp van het gebouw. Ook werd gevraagd om beplanting te plaatsen om het gebouw heen.
Zoals aangegeven in paragraaf 2.2.1 van de ruimtelijke onderbouwing is de projectlocatie de best beschikbare locatie voor het gewenste gebouw. Om de geluidbelasting op de omliggende woningen in beeld tebrengen is akoestisch onderzoek gedaan en daar kwam uit dat voor alle
woningen aan de grenswaarden wordt voldaan.
Begin november 2023 is aan de omwonenden een brief gestuurd met een uitnodiging voor het meedenken over de uitstraling van gebouw, het hekwerk en inrichting van omliggende ter- het rein. Vanwege de functionele en technische eisen van het gebouw bedraagt de minimale bouw-
hoogte 11 meter voor het hoogste deel, dit kan eventueel hoger worden vanwege esthetische architectonische wensen. Dit wordt nog verder uitgewerkt in het lopende participatietraject
waarbij er op 20 november 2023 en 19 december 2023 werksessies met enkele omwonenden hebben plaatsgevonden. De uitkomsten van deze participatiewerksessies worden door GM (geanonimiseerd) meegenomen in de uitwerking van het project voor de omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen. De voorliggende ruimtelijke procedure gaat over de strijdigheid met het bestemmings-
plan en niet over materialisatie, kleurgebruik en de inrichting van het terrein.
5.2 Economische uitvoerbaarheid
Ingevolge artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) en artikel 5.20 van het Besluit omgevingsrecht dient er in het kader van de omgevingsvergunning voor afwijking van een be- stemmingsplan (Wabo, artikel 2.12 lid 1 onder a, sub 3) onderzoek te worden gedaan naar de economische uitvoerbaarheid van het plan.
In artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) is voorgeschreven dat de gemeenteraad een exploitatieplan vaststelt voor de gronden waarop een bouwplan is voorgenomen. In artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening is de definitie van bouwplan gegeven. Hierbij gaat het
bijvoorbeeld om de bouw van één of meer woningen, de bouw van één of meer andere hoofd- gebouwen of de uitbreiding of verbouwing van gebouwen. In de wet is aangegeven welke kos- ten verhaald kunnen worden. Het vaststellen van een exploitatieplan is niet nodig indien het kostenverhaal anderszins verzekerd is, bijvoorbeeld door gronduitgifte of een anterieure over-
eenkomst, of wanneer er geen verhaalbare kosten zijn.
De uitvoering van het project en de aanleg van de benodigde infrastructuur komt voor rekening en risico van B (geanonimiseerd) Er zijn voor de gemeente geen verhaalbare kosten. Er is geen noodzaak tot het vaststellen van een exploitatieplan.
Het garanderen van leveringszekerheid is een BEM op grond van de wettelijke taak van (geanonimiseerd) Elektriciteitswet. Nut en noodzaak van het plan is aangetoond met deze ruimtelijke motivatie. Hierdoor kan BM de investeringskosten (geanonimiseerd) doorberekenen in de tarieven voor transport van elektriciteit.
Ruimtelijke onderbouwing Transformatorstation Oterleek 32/32
Uitvoerbaarheid
5.3 Planschade Planschade wordt in beginsel toegekend door het besluitvormend orgaan aan degenen die waardevermindering van onroerend goed ondervinden ten gevolge van het besluit tot afwijken van het bestemmingsplan. De grondslag voor deze planschaderegeling wordt gegeven in artikel 6.1 Wro. In artikel 6.4 onder a Wro is bepaald dat de gemeente de mogelijkheid heeft om met de initiatiefnemer een overeenkomst te sluiten ten aanzien van planschade.
Er zal tussen de ))MMeen MM (geanonimiseerd) ddrereseismimnionoaenga(eg( (geanonimiseerd)(geanonimiseerd) gemeente en overeenkomst worden gesloten waarin wordt
opgenomen planschaderisico voor rekening van de initiatiefnemer komt. dat het Daarmee is het risico op planschade afgedekt voor de gemeente.
Ruimtelijke onderbouwing Transformatorstation Oterleek 33/32
6 Samenvatting en conclusie van de ruimtelijke onderbouwing
Het voornemen is om Huygendijk 43 in Oterleek uit te breiden. het transformatorstation aan de Hiervoor komt er 50kV-gebouw een nieuw westzijde van het stationsterrein en het trans- aan de
formatorvermogen wordt vergroot van 200 naar 420 MVA. Deze ontwikkelingen zijn in strijd met de bouwregels en gebruiksregels van de hier geldende bestemmingsplannen. Daarom wordt
afgeweken van het bestemmingsplan. Met deze ruimtelijke onderbouwing is aangetoond dat sprake is van een goede ruimtelijke inpassing en dat het voornemen voldoet aan de relevante milieuwet- en regelgeving.
Er is sprake van een snelle groei van vraag naar en aanbod zijn knelpun- van stroom. Daardoor ten ontstaan op het elektriciteitsnet. De kop van grote aantrekkings- Noord-Holland heeft een
kracht voor het opwekken van zonne- en windenergie. Deze energie wordt terug geleverd aan het elektriciteitsnet. Ook de vraag naar elektriciteit groeit. Bijvoorbeeld door elektrisch rijden, de
overstap naar gasloze woningen en doordat we steeds meer elektrische apparaten gebruiken. Daardoor is geen capaciteit meer beschikbaar en kunnen nieuwe woonwijken en bedrijven niet
op het net worden aangesloten. Het transformatorstation in Oterleek is een belangrijke schakel in het regionale elektriciteitsnet. BM (geanonimiseerd) gaat het vermogen van het transformatorstation Oter- leek vergroten, zodat meer ruimte ontstaat op het net in een groot deel van Noord-Holland. Het meest voor de hand liggend is om deze capaciteitsuitbreiding binnen het huidige terrein danwel hier zo dicht mogelijk bij te realiseren. Er is geen ruimte voor het nieuwe 50kV-gebouw binnen het huidige bouwvlak. De gronden van de groensingels aan de noord-, oost- en zuidzijde van het terrein hebben ook de bestemming ‘Bedrijf Nutsbedrijf. Nieuwbouw hier zou echter leiden —
tot verlies van deze groene randen, wat niet wenselijk is. Zodoende is gekozen voor een locatie aan de westzijde, ten dele binnen de gronden van het station en ten dele op de gronden van de
caravanstalling.
Het project is getoetst aan het relevante rijksbeleid en provinciale en gemeentelijke beleid en is daarmee in overeenstemming. De gemeentelijke ambities op het gebied van ruimtelijk-economi- sche ontwikkeling en duurzame energie vragen om een robuust elektriciteitsnetwerk. Hiervoor is een goed functionerend en robuust elektriciteitsnetwerk nodig. Gelet op de grote knelpunten in
het netwerk, is de capaciteitsuitbreiding hard nodig. Ook wordt met de ontwikkeling rekening ge- houden met de bestaande aanwezige ruimtelijke en landschappelijke structuren.
Daarnaast is de ontwikkeling getoetst aan alle milieuaspecten. Hieruit is gebleken dat de ont- wikkeling aantasting van het milieu, de natuur of een overschrijding van wette- niet leidt tot een
lijk voorgeschreven normen. Er is geen sprake van stikstofdepositie op Natura-2000 gebied. Uit het ecologisch soortenonderzoek is gebleken dat voor de uitvoering van de werkzaamheden voor het nieuwe 50kV-gebouw nog aanvullend onderzoek nodig is naar rugstreeppad en kleine
marterachtigen. Vanwege de toename aan verharding wordt in overleg met het hoogheemraad- schap een invulling geven aan de compensatieopgave. Uit het akoestisch onderzoek volgt dat de toekomstige geluidbelastingen voldoen aan de geldende vergunning en de geluidzone.
Op basis van onderbouwing is geconcludeerd dat het project noodzakelijk is voor het goed deze functioneren het regionale elektriciteitsnetwerk. De behoefte aan de capaciteitsuitbreiding is van
zeer groot. Er is sprake van een goede ruimtelijke ordening en er zijn geen belemmeringen voor de ruimtelijke procedure. Het is verantwoord om af te wijken van het bestemmingsplan voor de bouw van het nieuwe 50kV-gebouw en de uitbreiding van het transformatorvermogen op trans- formatorstation Oterleek.
Ruimtelijke onderbouwing Transformatorstation Oterleek 34/32
BNS DNS Planvorming BV | (geanonimiseerd) C | (geanonimiseerd) (geanonimiseerd) | info@dnsplanvorming.nl