Art. 42 - SP - Warmtenet - beantwoording - bijlage 1
Tekst van het document
Hiervoor kunnen onder andere de Veerkrachtkaarten van Aedes gebruikt worden; - Welke instrumenten gemeenten en woningcorporaties afzonderlijk en gezamenlijk inzetten ter verbetering van de leefbaarheid; - Afspraken over een integraal wijkbudget; - Ruimte voor ontmoeting in de wijk en extra inzet op sociaal beheer; - Mogelijkheden voor maatschappelijk onroerend goed (MOG). • Het ondersteuningsaanbod vanuit het Rijk aan gemeenten voor de inzet van handhavingsinstrumenten op grond van de Wet goed verhuurderschap en de Huisvestingswet wordt versterkt. Voorbeelden van dit ondersteuningsaanbod zijn kennis sessies en handreikingen over de mogelijkheden met betrekking tot toewijzing van woningen aan verschillende doelgroepen. Aedes en de VNG zijn hierbij betrokken. In 2025 wordt een interdepartementaal beleidsonderzoek over het huurbeleid afgerond waarin ook onderzoek wordt gedaan naar het toewijzingsbeleid en de mogelijkheden om te sturen op de leefbaarheid in wijken. Veiligheid Ondermijning, explosies en zware overlast tasten de leefbaarheid en het woongenot aan in steeds meer steden, dorpen en buurten. Afhankelijk van de lokale situatie maken woningcorporaties, gemeenten en huurdersorganisaties afspraken over:
20 | Ministerie van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening
• Het terugdringen van criminele ondermijning in de wijken en over de rol die woningcorporaties en gemeenten daarin kunnen en moeten pakken. • Het terugdringen van gevoelens van onveiligheid van bewoners én medewerkers van woningcorporatie én het verminderen van ervaren overlast. Het voorgaande wordt periodiek uitgevraagd voor gebruik in wijkbarometers en wijkwijzers. Hieruit kan een gezamenlijke inzet volgen met programma’s zoals Preventie met gezag, maar ook door het versterken van de jeugdstrafrechtketen en het zoveel mogelijk een publieke bestemming geven van afgepakt crimineel geld in met name wijken die lijden onder criminaliteit. Met het dashboard ‘Zicht op Ondermijning’ worden risicofactoren voor ondermijnende criminaliteit in een gebied inzichtelijk gemaakt. Corporaties hebben bij de uitvoering van hun leefbaarheidstaak in voorkomende gevallen een noodzaak om bijzondere persoonsgegevens te kunnen delen met zorgorganisaties en te verwerken om hun huurders zo goed mogelijk te kunnen ondersteunen en verdere escalatie van woonoverlast te voorkomen. De Woningwet biedt hiertoe op dit moment onvoldoende grondslag. De minister van VRO zal daarom een wetsvoorstel indienen die deze mogelijkheden voor corporaties verruimt, met inachtneming van het waarborgen van de privacy voor huurders. Dit wetsvoorstel is in het vierde kwartaal van 2024 in consultatie gegaan.
Huisvesting van aandachtsgroepen De leefbaarheid in wijken en buurten kan onder druk staan door een concentratie van huishoudens in een kwetsbare positie. Om een concentratie van huishoudens in kwetsbare positie in wijken te voorkomen, is het nodig dat alle gemeenten en woningcorporaties hun ‘fair share’ leveren in het huisvesten van aandachtsgroepen zoals dak- en thuisloze mensen, mensen die uitstromen uit een intramurale (zorg)instelling of detentie en mensen met sociale of medische urgentie. Ook goede huisvesting van arbeidsmigranten is een aandachtspunt in het kader van leefbaarheid. Door een meer evenwichtige verdeling ontstaat minder concentratie. Als onderdeel van het programma ‘Een (t)huis voor iedereen’ wordt toegewerkt naar voldoende en passende woningen voor alle aandachtsgroepen, met een meer evenwichtige verdeling over gemeenten en met de juiste zorg, ondersteuning en begeleiding. Partijen spreken af dat in beginsel elke gemeente ten minste 30% sociale huur in de nieuwbouw opneemt. Afwijking hiervan in het kader van gebiedsdifferentiatie kan passend zijn, maar dat dient altijd in overleg te gebeuren binnen de regio en met inachtneming van de regionale doelstelling dat in de regio 30% sociale huur in de nieuwbouw wordt gerealiseerd.
Gemeenten stellen in hun beleidsplannen (waaronder straks in het volkshuisvestingsprogramma) kaders op over hoe zij 30% van de nieuwbouw in de sociale huur willen realiseren. Dit wordt geregeld met het Wetsvoorstel versterking regie volkshuisvesting (Wvrv). • Met de inwerkingtreding van de Wet versterking regie volkshuisvesting wordt het volkshuis vestingsprogramma geïntroduceerd. De woonzorgvisie gaat hier in op. Om deze volkshuisvestings programma’s tijdig gereed te hebben is het zaak dat gemeenten en regio’s in 2024 een woonzorganalyse gereed hebben en in 2025 een woonzorgvisie. Dit vormt de basis voor het op te stellen volkshuisvestings programma dat de woonvisie vervangt bij inwerkingtreding van de Wet versterking regie volkshuisvesting. In het volkshuisvestingsprogramma worden beleidsdoelen opgenomen over de bouwopgave voor aandachtsgroepen, met de juiste zorg en ondersteuning. Ook gaat het volkshuisvestingsprogramma in op het beter benutten van de bestaande voorraad en geeft het input voor de evenwichtige verdeling van aandachtsgroepen. Een verplicht onderdeel van het volkshuisvestingprogramma is de woonzorgvisie. • Voor de uitvoering van het gemeentelijk volkshuisvestingsprogramma worden lokale prestatieafspraken gemaakt tussen de gemeente, woningcorporatie en de huurdersorganisatie.
Om de verbinding tussen het fysieke en sociale domein te leggen worden zorg- en ondersteuningspartijen betrokken bij het opstellen van de lokale prestatieafspraken.
Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening | Nationale prestatieafspraken 2025 - 2035 | 21
• Alle gemeenten gaan een huisvestingsverordening opstellen, inclusief een urgentieregeling waarmee zij met voorrang de wettelijk bepaalde aandachtsgroepen gaan huisvesten en verdelen binnen de regio. Daarnaast kunnen gemeenten extra groepen toevoegen aan hun urgentieregeling. De landelijke brancheorganisaties (Aedes, IPO en VNG) bieden samen met het Rijk ondersteuning aan betrokken partijen op provinciaal, regionaal en lokaal niveau. Bijvoorbeeld middels een model-huisvestings verordening en een handreiking over het volkshuisvestingsprogramma. • Woningcorporaties gaan ter uitvoering van de Wet versterking regie volkshuisvesting in het traject monitor huisvesting aandachtsgroepen (eventueel rechtstreeks vanuit de vier grote woonruimte verdeelsystemen) gegevens beschikbaar stellen aan gemeenten over het aantal woningen dat in gebruik is genomen op grond van een huisvestingsvergunning. • Om te komen tot een goede verbinding tussen het sociaal domein en het fysieke domein wordt een ondersteuningsstructuur ingevoerd, in het bijzonder gericht op de programma’s ‘Een thuis voor iedereen’ en ‘Wonen en zorg voor ouderen’. De ondersteuning is erop gericht om het werken met specifieke (en nieuwe) instrumenten te vergemakkelijken en het fysieke domein (woningbouw) en het sociale domein regionaal en lokaal te verbinden.
Wonen en zorg Het aantal ouderen in onze samenleving zal sterk toenemen. In 2040 is het aantal 65+ers toegenomen met meer dan 40%. Het aantal 80+-ers neemt nog sterker toe. Met het veranderen van de gemiddelde leeftijd van de bevolking verandert ook de behoefte aan woonruimte. Daarom moeten we woningen bouwen die aansluiten bij de wensen en behoeften van onze ouderen. Binnen de kaders van het programma ‘Wonen en zorg voor ouderen’ zijn acties uitgevoerd om de doorstroming van ouderen te stimuleren en worden nog andere mogelijkheden verkend: • Gemeenten en woningcorporaties hebben een inspanningsverplichting om acties in te zetten die passend wonen en doorstroming van ouderen bevorderen, en daarmee ook passend wonen en doorstroming van andere woningzoekenden. Deze acties worden vastgesteld in de lokale prestatieafspraken. Dit kunnen bijvoorbeeld zijn: - huurgewenning en verhuiskostenvergoeding; - inzet van verhuiscoaches en voorrangsregelingen; - lokale bewustwordingscampagnes. • Daarnaast hebben gemeenten en woningcorporaties een inspanningsverplichting om (een vertegen woordiging van) ouderen te betrekken voor input in het proces van het realiseren van geclusterde woonvormen en van zorggeschikte woningen, als ook bij lokale bewustwordingscampagnes en informatievoorziening.
• In lijn met de eerdere afspraken uit de Nationale prestatieafspraken investeren woningcorporaties ook tot en met 2030 jaarlijks € 40 miljoen extra in het levensloopbestendig maken van bestaande woningen om het mogelijk te maken dat mensen langer zelfstandig kunnen blijven wonen. Daarnaast zetten woningcorporaties zich onverminderd in voor de bouw van en transformatie naar nul-tredenwoningen.
22 | Ministerie van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening
Duurzaamheid De verduurzaming van het woningcorporatiebezit heeft een positief effect op de energierekening van huurders, het comfort van de woning en de afname van CO2-uitstoot van de gebouwde omgeving. De opgave is complex en vraagt veel van gemeenten, woningcorporaties, VRO en huurders. Partijen hebben elkaar nodig om de verduurzamingsopgave te realiseren: het nationale doel is om in 2050 geen CO2 uitstoot meer te hebben in de gebouwde omgeving. In 2022 hebben VRO, Aedes, de VNG en de Woonbond afgesproken dat woningcorporaties alle E-, F- of G-labels versneld verduurzamen, om uiterlijk in 2030 675.000 bestaande woningen toekomst-klaar te isoleren en om 450.000 bestaande corporatiewoningen aardgasvrij te maken. Om huurders optimaal van deze verduurzaming te laten profiteren is afgesproken dat zij geen huurverhoging krijgen na isolatie maatregelen. In 2024 kunnen we constateren dat woningcorporaties goed op koers zijn met de afbouw van E, F en G labels en dat het isoleren van woningen sinds de Nationale prestatieafspraken versneld wordt opgepakt. De ambitie om 450.000 woningen in 2030 aardgasvrij te maken lijkt echter niet langer realistisch, onder andere door vertraging in wet- en regelgeving en onzekerheden rondom warmtenetten én door netcongestie in sommige regio’s, wat de beoogde aantallen all-electric warmtepompen in de weg staat.
De partijen kiezen daarom voor aangepaste doelen op het gebied van aardgasvrije woningen en een preciezere manier van monitoren van de isolatieafspraken door te sturen op warmtevraagreductie, waarbij de betaalbaarheid voor huurders centraal staat en we een gelijke hoeveelheid CO2 reductie blijven realiseren. De ambitie voor een aardgasvrije corporatievoorraad in 2050 blijft ongewijzigd, wel stellen we het tussendoel op het gebied van aantallen aardgasvrije woningen bij van 2030 naar 2034. Hierdoor kunnen er in deze periode meer stappen gezet worden in het isoleren van woningcorporatiebezit en in het installeren van hybride warmtepompen. Uitfaseren E-, F- en G-label-woningen Woningcorporaties blijven onverminderd inzet plegen om uiterlijk in 2028 alle E, F en G-labels uit de sector te laten verdwijnen, met uitzondering van monumenten en de voor sloop aangemerkte woningen. Deze opgave is bij complexmatige verduurzaming onder voorbehoud van instemming van 70% van de huurders en eventuele VvE. In de concept regelgeving ten behoeve van het uitfaseren van E-, F- en G-labels bij alle huurwoningen wordt verder invulling gegeven aan de wijze van uitfaseren van E-, F-, en G-labels die deel uitmaken van een VvE. De uitfasering van EFG-woningen door woningcorporaties ligt op koers.
Woningcorporaties en gemeenten zetten in op deze snelle uitfasering, omdat het ook helpt tegen energiearmoede. Een goed voorbeeld van deze goede samenwerking is zichtbaar bij de lokale energieloketten en energieteams. Tezamen met de uitfasering van EFG-labels, zal ook steeds meer focus liggen op reductie van de warmtevraag door isolatie. Er wordt onderzoek gedaan naar labelbeoordeling van nieuwe kleine (flex-)woningen. Indien uit het onderzoek blijkt dat kleine (flex-)woningen onredelijk worden beoordeeld zal worden voorzien in een correctietabel voor de labelbeoordeling van kleine woningen. Een correctietabel vraagt een wetswijziging waar partijen zich alsdan samen voor inspannen. De toepassing van een correctietabel kan alleen onder beperkte voorwaarden, zoals bij kleine (flex)woningen. Om meer mogelijkheden te bieden in de aanpak van E- F- en G-labels in gespikkeld bezit en VvE’s onderzoekt VRO of het experimenteerartikel uit de Woningwet ingezet kan worden om investeringen in particulier bezit tijdelijk toe te staan, mits de baten voor woningcorporaties groter zijn dan de kosten.
Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening | Nationale prestatieafspraken 2025 - 2035 | 23
Sturen op warmtevraagreductie De verduurzaming van woningen is een opgave die met grote investeringen gepaard gaat. Het is daarom belangrijk een isolatieopgave te formuleren die ruimte biedt om CO2-reductie op een effectieve wijze in te vullen en tegelijk een zo groot mogelijke bijdrage levert aan het verlagen van de woonlasten van huurders. Door meer in te zetten op reductie van de gemiddelde warmtevraag van huurwoningen, worden de maatregelen met de beste relatie tussen kosten enerzijds en een reductie van de warmtevraag anderzijds als eerste genomen. Dit draagt bij aan de betaalbaarheid van het wonen voor huurders. • We monitoren de realisatie van deze ambitie aan de hand van een warmtevraag-reductie pad. In 2024 is de gemiddelde warmtevraag van alle corporatiewoningen 108 kWh/m2. Het warmtevraag-reductie pad is de jaarlijkse reductie van de warmtevraag in de tijd uitgezet met een tussentijdse doelstelling voor de gemiddelde warmtevraag van de voorraad van 94 kWh/m2 in 2030 en 87 kWh/m2 in 20345. De reductie van de warmtevraag vlakt na verloop van tijd af omdat de maatregelen waarmee de grootste winst te behalen valt dan al zijn genomen. Wanneer we het warmtevraag-reductie pad door projecteren tot 2050 dan komen we bij een gemiddelde warmtebehoefte die past bij een aardgasvrije corporatievoorraad.
120 110
108
kwh/m2
100 94 90 87 80 70
70 2021
2025
2030
2035
2040
2045
2050
Jaar Warmtevraag
2022: Start NPA
2034: Tussentijds doel
2025: NPA 2025-2034
2050: Alle woningen naar de standaard
Met deze doelstellingen verwachten we in 2034 het energieverbruik van ongeveer een miljoen huishoudens te verlagen met 330m3 gas per jaar. Dit gaat in 2030 om ruim 800.000 huishoudens. Voor woningen die een significante sprong maken in isolatie levert dat een besparing op van €350 tot €550 per jaar.6 Dat betekent dat huurders van een verduurzaamde woning een minder sterke stijging van de energiekosten kunnen verwachten. De energiebehoefte van deze woningen is namelijk blijvend lager. In 2034 heeft naar verwachting tussen de 70% en 75% van de corporatievoorraad een label A of beter. En zijn 79% tot 85% van de corporatiewoningen na 2034 klaar om te worden aangesloten op een duurzame warmtebron.7
Voor het doel in 2030 zijn de afspraken vanuit de NPA 2022 vertaald naar een warmtebehoefte van 94 kwh/m2. Dit doel is vertaald naar een warmtebehoefte op basis van een verdere uitfasering van EFG labels naar label B en verduurzaming van 675.000 woningen naar de Standaard.
5
De invoering van ETS II heeft hierop invloed. De verwachting is dat ETS II zorgt voor hogere energietarieven. Uitgaande van een gasprijs van €1,35 in 2024 en €1,50 in 2035 is dat gemiddeld €1,43 per m3 gas.
6
7
Woningen met een schillabel B of beter.
24 | Ministerie van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening
Met deze afspraken trekken we de ingezette lijn uit 2022 door naar eerst 2030 en vervolgens naar 2034 zodat het grootste deel van de isolatieopgave al in 2034 is ingevuld. Om alle woningen in 2050 aardgasvrij te kunnen maken wordt de Standaard als referentie gebruikt. Dit is voor de corporatievoorraad ongeveer 73kwh/m2 warmtebehoefte per woning. De Standaard wordt in 2025 door VRO, Aedes en de Woonbond geëvalueerd, in lijn met de afspraak uit het Klimaatakkoord. Voor de evaluatie zijn de praktische haalbaarheid, de doelmatigheid, het tempo van de verduurzaming en het comfortniveau voor huurders relevant. De minister voor VRO blijft zich inzetten op het gebied van voorlichting op het gebied van isolatie. Ook komt er meer voorlichting over de Standaard richting professionele partijen zoals woningcorporaties en de bouwsector. De voorlichting zal zich meer integraal richten op de combinatie van isolatie, ventilatie en duurzame warmtevoorzieningen. Aardgasvrij De aanleg van warmtenetten loopt vertraging op door vertraagde wetgeving in relatie tot warmtenetten. Ook wordt de uitrol van warmtepompen in sommige regio’s lastiger als gevolg van netcongestie. Hierdoor gaat de warmtetransitie minder snel dan verwacht. De in de Nationale prestatieafspraken afgesproken gemeentelijke uitvoeringsplannen zijn nog onvoldoende concreet en te vrijblijvend om hieraan uitvoering te geven.
Tegelijkertijd is het belangrijk dat we in deze opgave blijven investeren. Een aardgasvrije woningvoorraad in 2050 blijft namelijk het doel. Voor de betaalbaarheid van de warmtevoorziening, en daarmee energierekening, is het op de langere termijn nodig om af te stappen van aardgas. In de tussentijd verhogen we daarom het tempo van isoleren in de periode tussen 2030-2034 zodat een groot deel van de corporatievoorraad eind 2034 klaar is om op een aardgasvrije oplossing aan te sluiten. Daar waar mogelijkheden zijn voor de realisatie van aardgasvrije woningen, blijven woningcorporaties zich ook de komende jaren hiervoor inzetten. Om de realisatie van een zo groot mogelijk aantal aardgas vrije woningen mogelijk te maken spannen het Rijk, gemeenten en woningcorporaties zich de komende jaren in om de volgende randvoorwaarden in te vullen: • Uiterlijk in 2027 liggen er uitgewerkte gemeentelijke plannen om het aantal van 450.000 aardgasvrije huurwoningen in 2034 te realiseren. Om dat te realiseren werken gemeenten tijdig hun warmte programma’s uit volgens de eisen uit het Wetsvoorstel gemeentelijke instrumenten warmtetransitie. De gemeentelijke plannen leggen de nadruk op de oplossing met de laagste maatschappelijke kosten.
Daarmee wordt ook rekening gehouden met zekerheid op het gebied van betaalbaarheid voor bewoners en beheersbaarheid van de (financiële) risico’s voor woningcorporaties; • Om duidelijkheid te geven over de mogelijkheden voor verduurzaming in het geval van netcongestie (zoals nu onder meer het geval is in delen van Flevoland, Gelderland en Utrecht), zal het Rijk samen met woningcorporaties, gemeenten en netbeheerders een leidraad opstellen om woningcorporaties te helpen met netbewust verduurzamen. Ook moet er in samenwerking met de netbeheerders en gemeenten duidelijk worden gemaakt in welke wijken (hybride) warmtepompen wel opportuun zijn; • Ten behoeve van de realisatie van collectieve systemen zoals warmtenetten wordt publieke realisatie kracht bij warmtenetten geborgd door het Rijk. Daarnaast wordt de noodzakelijke wet -en regelgeving, zoals Wgiw en de Wcw, tijdig geïmplementeerd; • Woningcorporaties ondersteunen gemeenten en netbeheerders bij het maken van de plannen met informatie over hun eigen voorraad en toekomstige renovatieplannen. Daar waar nodig en mogelijk kunnen woningcorporaties hun isolatieaanpak voor toekomstige aardgasvrije wijken hierop aansluiten.
Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening | Nationale prestatieafspraken 2025 - 2035 | 25
Duurzame installaties Woningcorporaties nemen bij verduurzaming of bij vervanging van de cv-ketel in overweging een duurzamer verwarmingsalternatief te plaatsen, zoals een hybride warmtepomp. De woningcorporatie maakt daarbij een afweging op basis van de te behalen energiebesparing en de totale kosten om zodoende de betaalbaarheid op lange termijn te bewaken. Naar verwachting zijn de woningen die hiervoor geschikt zijn vaak eengezinswoningen met een warmtevraag die niet te laag en niet te hoog is, vanaf ca. 80 kwh/m2 (bij een lagere warmtevraag is het logische alternatief is dan een volledig elektrische warmtepomp) tot circa 110-140 kwh/m2 (omdat de elektriciteitsrekening anders te veel stijgt). Naar schatting komen 200.000 tot 250.000 woningen in aanmerking voor een hybride warmtepomp. Woningcorporaties, huurders en het Rijk zien dat zonnepanelen goed hebben geholpen om de woonlasten van huurders te verlagen. Aedes en VRO zullen onderzoeken of dat ook het geval is als de salderings regeling voor zonnepanelen wordt afgeschaft en wat het effect van deze maatregel is op huurders die momenteel veel zonnepanelen hebben. Klimaatadaptatie en onderhoud Woningcorporaties en Rijk stimuleren het verlagen van de milieudruk bij renovaties en stimuleren het verbeteren van milieuprestaties bij nieuwbouw en renovatie.
Daarnaast bevorderen partijen ook circulaire bouw en klimaat adaptief bouwen, wanneer deze in balans is met de kosten. Denk hierbij aan op grotere schaal toepassen van bio-based materialen bij dakisolatie. Ter ondersteuning van deze inzet zijn er vanuit het Rijk diverse programma’s waarbij woningcorporaties en gemeenten betrokken zijn, zoals de ‘Nationale Aanpak Bio-based Bouwen’. Rijk, woningcorporaties en gemeenten zullen deze samenwerking voortzetten, waarmee er richting 2034 steeds meer bio-based, circulair en klimaat adaptief gebouwd en verbouwd gaat worden. De combinatie van steeds warmere zomers en beter geïsoleerde woningen roept in toenemende mate de vraag op hoe we hitte in huizen kunnen aanpakken en voorkomen. Partijen gaan in gesprek over de aanpak van hittestress en het handelingsperspectief om deze problematiek te adresseren. Woningcorporatie, huurder en gemeente dragen voor deze aanpak een gedeelde verantwoordelijkheid, en gaan hierover in gesprek. Er is bij renovaties aandacht voor mogelijke hittestress, een koele leef omgeving en informatievoorziening over goed gebruik van de woning. Funderingsproblematiek is een groot probleem voor een toenemend aantal woningen in Nederland. Ook corporatiewoningen hebben hiermee steeds vaker te maken. Dit vraagt een integrale aanpak vanuit structurele samenwerking, onder regie van het Rijk.
Dit vraagt ook duidelijke afspraken over ieders rol, verantwoordelijkheden en (financiële) bijdrage. We werken de komende tijd samen met andere betrokken partijen zoals medeoverheden, de financiële sector en de eigenaren van de betrokken gebouwen aan een doelgerichte aanpak. In de volgende Nationale prestatieafspraken worden hierover nadere afspraken gemaakt. Samenwerken aan verduurzaming Gemeenten, provincies, rijksoverheid, huurders en woningcorporaties committeren zich om de komende jaren verdere versnelling te realiseren door een gezamenlijke planning te maken voor de isolatieaanpak van woningen. Elk van de partijen werkt hierin uit wat zijn verantwoordelijkheid is, stelt doelen en maakt een planning voor het doorlopen van de benodigde stappen zodat tijdige uitvoering van het project mogelijk is. De opgave is omvangrijk en partijen willen het tempo van verduurzaming kunnen opvoeren in lijn met de opgave. Dit kan alleen wanneer woningcorporaties, huurders, gemeenten, provincies en de Rijksoverheid intensief samenwerken om tijdig alle processen door te lopen. Dit is een maatschappelijke en daarmee gezamenlijke opgave.
26 | Ministerie van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening
• Er wordt actief gebruik gemaakt van instrumenten die doorlooptijden kunnen verkorten en kosten kunnen verlagen zoals soortenmanagementplannen (SMP’s) voor alle wijken waar corporatiebezit is. Het Rijk zet in op de versnelling van (pre)SMP’s. Dit is ook onderdeel van de landelijke aanpak natuurvriendelijk isoleren die gemaakt zijn met de VNG, het IPO, het ministerie van LVVN en het ministerie van VRO. Hiervoor zijn middelen beschikbaar gesteld voor gemeenten en provincies. Daarbij wordt ondertussen onderzoek gedaan naar de eDNA methodiek. Dit is een opsporingsmethode waarbij de aanwezigheid van vleermuizen snel en effectief kan worden uitgesloten. Deze werkwijze wordt momenteel wordt uitgewerkt als een erkende maatregel onder de Omgevingswet. • Aedes, de VNG en het Rijk gaan met elkaar in gesprek over hoe woningcorporaties via een gestand aardiseerde aanpak de verduurzamingsopgave efficiënt kunnen uitvoeren. Extra gemeentelijke eisen aan de verduurzaming van woningen bovenop landelijke afspraken en wet- en regelgeving zit de gestandaardiseerde opgave in de weg en brengt extra kosten met zich mee.8 • Bij renovatie is de samenwerking met bewoners essentieel. De Overlegwet regelt het recht op informatie van huurdersorganisatie en bewonerscommissies.
Woningcorporaties zijn verantwoordelijk voor het delen van de informatie met de bewoners en het faciliteren van een bewonerscommissie. De woningcorporatie kan een bewonerscommissie ook een vergoeding verstrekken om deskundige ondersteuning in te huren. • Woningcorporaties en bewoners voeren periodiek evaluaties uit van over de kwaliteit van de verrichte renovaties en waar nodig brengen we aan de hand hiervan verbeteringen aan. • Ten behoeve van de gestandaardiseerde en industriële aanpakken werken woningcorporaties, verbouwen onderhoudsbedrijven in toenemende mate samen in regionale verbouwstromen. Het Rijk ondersteunt deze verbouwstromen met een landelijk ondersteuningsprogramma. De ondersteuning richt zich onder meer op het vergroten van de arbeidsproductiviteit over de hele renovatieketen met 50%. In dit kader worden vanuit het programma Verbouwstromen ook uniforme handvatten voor innovatie ontwikkeld, die kunnen zorgen voor eenduidige bepalingsmethoden en definities voor de uitvraag van nieuwe verduurzamingsconcepten, zodat deze versneld en tegen zo laag mogelijke kosten kunnen worden opgeschaald. • Om sneller en betaalbaarder te verbouwen zetten woningcorporaties, gemeenten, marktpartijen en het Rijk ten slotte in op verbeterde digitale ketensamenwerking en standaard afspraken over het delen van data.
Maatregelen hiervoor zijn opgenomen in het bestuursakkoord digitale gebouwde omgeving 2027. Het gaat daarbij onder meer over het ontwikkelen van afspraken over het digitaal uitwisselen van onderhoudsopdrachten en data delen bij gebiedsontwikkeling.
Partijen houden zich ten aanzien van duurzaamheid, veiligheid, gezondheid of bruikbaarheid van gebouwen aan de landelijke geüniformeerde bouwregelgeving en gemeenten houden zich (bij gronduitgifte) aan 23.7 van de Omgevingswet.
8
Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening | Nationale prestatieafspraken 2025 - 2035 | 27
Samenwerking en uitvoering In de vorige Nationale prestatieafspraken is de volkshuisvestelijke opgave9 voor de corporatiesector gedefinieerd. Dit is een opgave waarvoor een gezamenlijke verantwoordelijkheid wordt ervaren en waarvoor alle partijen een prestatie moeten leveren. We maken daarom op elk van de deelthema’s afspraken die noodzakelijk zijn voor de realisatie van de concrete bijdragen van elk van de partijen. Daarnaast maken we een aantal aangescherpte afspraken die als kader dienen voor de uitvoering van deze Nationale prestatieafspraken. In de vorige Nationale prestatieafspraken (2022) zijn enkele algemene afspraken gemaakt waarbij de verantwoordelijkheid te veel in het midden bleef liggen. Daardoor zien we dat de uitkomsten onvoldoende zijn. Verder zien we door gebrek aan monitoringsinformatie niet voldoende wat er nodig is om tijdig tot uitvoering van de opgave te komen en welke partij actie moet ondernemen. Deze Nationale prestatieafspraken vervangen de afspraken uit 2022. Aard van de afspraken De volkshuisvestelijke opgave voor de corporatiesector wordt als een collectieve verantwoordelijkheid van alle partijen ervaren en van daaruit committeren wij ons collectief om aan die opgave te voldoen. De partijen die de Nationale prestatieafspraken sluiten, hebben een belangrijke rol in deze opgave.
Om aan de opgave te voldoen spreken we met elkaar wederkerige en afdwingbare afspraken af. Het vetrekpunt daarbij is de intrinsieke wens van alle partijen om deze afspraken te realiseren, omdat deze volkshuisvestelijk noodzakelijk zijn. Gezamenlijk verbinden wij ons aan deze afspraken en de volledige volkshuisvestelijke opgave hierin, samen met onze achterban. Er moet vertrouwen zijn dat ieder de afspraken nakomt. Hiervoor is waar mogelijk voor elk van de overeengekomen opgaven afgesproken wat de bijdrage is die elke partij levert om tot uitvoering te komen. Wanneer omstandigheden wijzigen gaan we in gesprek over wat er nodig is om de opgave -al dan niet op een aangepaste manier- op te pakken. Wij stellen ons hierbij creatief en oplossingsgericht op. Komt de nakoming van de afspraken in de knel, dan informeren wij elkaar hierover. Indien nodig bezien wij gezamenlijk welke inzet elk van ons kan leveren om elkaar te helpen de afspraken in die gewijzigde omstandigheden alsnog na te komen.
Waar wij in de Nationale prestatieafspraken spreken over ‘de opgave’, wordt daarmee de volkshuisvestelijke opgave voor de corporatiesector bedoeld zoals we die hebben afgesproken, oftewel de doelen en maatregelen die rond beschikbaarheid, verduurzaming, leefbaarheid en betaalbaarheid binnen de looptijd van de afspraken behaald en uitgevoerd moeten worden.
9
28 | Ministerie van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening
Naast de collectieve verantwoordelijkheid heeft iedereen een eigen verantwoordelijkheid: Landelijke partijen • Het Rijk is verantwoordelijk voor: - het stelsel van de volkshuisvesting en het inrichten en voeren van regie daarop, inclusief het aanmerken van de afgesproken opgaven als volkshuisvestelijke prioriteiten (en nationale volkshuisvestelijke programma); - sturing geven op de realisatie van de volkshuisvestelijke opgave zowel informeel (bestuurlijke inzet richting partijen) als formeel (instrumentarium inzetten); - uitvoering geven aan de overeengekomen monitoring; - de inzet van projectsteun en waar relevant andere subsidies; - ondersteuning van de opgaven vanuit de rol als achtervanger van het borgstelsel; - zorgen voor de juiste randvoorwaarden voor het realiseren van nieuwbouw zoals is afgesproken in deze afspraken en de woondeals. • De VNG is verantwoordelijk voor: - het commitment namens alle gemeenten aan de afspraken; - ondersteuning van de opgaven vanuit de rol van vertegenwoordiger van de gemeentelijke achtervangers van het borgstelsel; - het doorvertalen van de opgaven naar de regio, in het bijzonder via de woondeals; - het ondersteunen van gemeenten, onder andere bij het maken van lokale prestatieafspraken.
• Aedes is verantwoordelijk voor: - het commitment van de Vereniging van Woningcorporaties aan de afspraken; - het ondersteunen van woningcorporaties, onder andere met inzicht bij het doorvertalen van de volkshuisvestelijke opgaven naar de regio; - het stimuleren dat haar leden zich maximaal inzetten voor de realisatie van de volkshuisvestelijke opgave en de inzet van het hiervoor benodigde volkshuisvestelijk vermogen, het bevorderen van samenwerking en solidariteit en het aanjagen van de realisatie van de opgaven; - het ondersteunen van huurdersorganisaties zodat zij hun rol regionaal en lokaal effectief kunnen invullen. Lokale partijen • Gemeenten zijn verantwoordelijk voor het vaststellen van de woonvisie/het gemeentelijk volkshuis vestingsprogramma; de programmering (zowel lokaal als in de woondealregio), het beschikbaar stellen van locaties/grond (samen met andere grondeigenaren) en het voorzien in voortvarende procedures voor vergunningverlening en de inzet van bestaand instrumentarium. Gemeenten faciliteren, net als het Rijk, dat woningcorporaties maximaal invulling kunnen geven aan de volkshuisvestelijke opgave en stimuleren waar nodig samenwerking tussen woningcorporaties.
• Woningcorporaties zijn verantwoordelijk voor het maximaal inzetten van hun investeringscapaciteit voor de volkshuisvestelijke opgaven, zowel in de eigen gemeenten, in de regio en landelijk indien nodig. Zij bespreken de inzet van hun investeringscapaciteit met de lokale driehoek. • Huurdersorganisaties zijn verantwoordelijk voor het participeren in het lokale proces van besluitvorming voor de volkshuisvestelijke opgaven en het integraal wegen van de (regionale) volkshuisvestelijke opgaven vanuit het perspectief van huurders en woningzoekenden.
Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening | Nationale prestatieafspraken 2025 - 2035 | 29
Samenwerking en solidariteit Het vertrekpunt van de Nationale prestatieafspraken is dat we gezamenlijk staan voor de volkshuis vestelijke opgave. Niet alleen lokaal, maar ook in de regio en in heel Nederland. Dat vereist dat we de samenwerking tussen alle partijen verdiepen en belemmeringen wegnemen. Zonder samenwerking en wederkerigheid kan de opgave niet worden gerealiseerd. Alle partijen zijn sterk onderling van elkaar afhankelijk om de prestaties tot stand te brengen. • De volkshuisvestelijke opgave staat centraal. Deze opgave kent geen geografische grenzen en alle beschikbare middelen moeten hiervoor kunnen worden ingezet. Het is een collectieve verant woordelijkheid van partijen om invulling te geven aan de vastgestelde volkshuisvestelijke opgave. • Het is noodzakelijk dat woningcorporaties, gemeenten en huurdersorganisaties de opgaven gezamenlijk in de regio oppakken, en elkaar over een weer helpen waar dat kan. Dat kan bijvoorbeeld doordat woningcorporaties elkaar pro-actief vanuit solidariteit helpen. Het Rijk, gemeenten en huurdersorganisaties werken mee aan deze vrijwillige solidariteit en ondersteunen dit waar nodig. Woningcorporaties bespreken de inzet van solidariteit in de lokale driehoek en leggen dit vast in lokale prestatieafspraken. • Het werk van de lokale huurdersorganisaties wordt beïnvloed door de Nationale prestatieafspraken.
De grote volkshuisvestelijke opgave voor de corporatiesector en de benodigde samenwerking en solidariteit tussen corporaties hebben tot gevolg dat er lokaal mogelijk minder ruimte kan zijn voor afspraken die niet in lijn zijn met de Nationale prestatieafspraken, zoals een aangepast huurbeleid, aanvullende ambities of beperkende maatregelen op beschikbaarheid. De rol van huurdersorganisaties wordt daarentegen naar verwachting groter als het gaat om beschikbaarheidsbeleid voor verschillende doelgroepen. Ook voor de benodigde versnelling van de verduurzamingsopgave is betrokkenheid van huurdersorganisaties en huurders van groot belang. • Wij committeren ons aan het mogelijk maken van de benodigde samenwerking tussen woningcorporaties. Tegelijk helpen wij elkaar ook over de ‘scheidslijnen’ van de sectoren heen. Wij bieden elkaar bijvoorbeeld waar nodig hulp in de uitvoeringskracht, zoals (tijdelijke) inzet van menskracht vanuit woningcorporaties bij gemeenten of tussen woningcorporaties onderling. • Voor een succesvolle uitvoering van de plannen is draagvlak van huurders en woningzoekenden nodig. Dit draagvlak ontstaat door participatie. Huurdersorganisaties zijn een volwaardige partij bij het maken van lokale prestatieafspraken in de lokale driehoek: woningcorporaties, gemeente en huurdersorganisaties.
• Om een optimale basis te creëren voor het maken van lokale prestatieafspraken, is het belangrijk dat de drie lokale partijen elkaar regelmatig treffen, elkaar de benodigde informatie verstekken en bijdragen aan een sfeer voor goede samenwerking. Ook is een passende en professionele ondersteuning voor huurdersorganisaties hiervoor een belangrijke randvoorwaarde en een gezamenlijke verantwoordelijkheid. Ook voor samenwerking in regionaal verband is het noodzakelijk dat de stem van de huurders vertegenwoordigd is. Wij zetten ons er dan ook voor in om de huurders organisaties in positie te brengen wanneer in regionaal verband afspraken worden gemaakt. Hiermee stellen we huurdersorganisaties in staat om effectief de belangen van huurders en woningzoekenden te kunnen behartigen.
30 | Ministerie van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening
Positie Nationale prestatieafspraken (NPA) en lokale prestatieafspraken Nationaal volkshuisvestings programma NPA
Provinciale omgevingsvisie en volkshuisvestings programma
Gemeentelijke omgevingsvisie en volkshuisvestings programma
Regionale woondeals
Lokale prestatieafspraken
• De Woningwet en de (toekomstige) Wet versterking regie volkshuisvesting stellen de kaders waarbinnen de partijen lokaal, regionaal en landelijk met elkaar afspraken maken over de opgaven. • De Nationale prestatieafspraken worden vertaald in de volkshuisvestelijke prioriteiten/het nationale volkshuisvestingsprogramma. Daarmee hebben deze directe doorwerking in de provinciale en gemeentelijke volkshuisvestingsprogramma’s. De Nationale prestatieafspraken zijn leidend bij de verdere uitwerking van de bouwopgave in de woondeals. • De uitwerking van de Nationale prestatieafspraken landt uiteindelijk, via de gemeentelijke volkshuis vestingsprogramma’s, in de lokale prestatieafspraken die gemeenten, woningcorporaties en huurdersorganisaties met elkaar sluiten. Omdat alle partijen gezamenlijk aan de lat staan voor de volkshuisvestelijke opgave wordt bij de totstandkoming van lokale prestatieafspraken ook rekening gehouden met benodigde investeringen in de regio. • Doordat de opgave voor beschikbaarheid uit de Nationale prestatieafspraken landt in het (toekomstige) nationale volkshuisvestingsprogramma, in de woondeals en vervolgens in de (toekomstige) gemeentelijke volkshuisvestingsprogramma’s dient bij de beoordeling van het redelijke bod van de woningcorporatie op het gemeentelijke volkshuisvestingsprogramma ook de regionale opgave in acht te worden genomen.
• Tegelijkertijd is er lokale autonomie in de prestatieafspraken, bijvoorbeeld over het lokale huurbeleid. Hiervoor is een rol weggelegd voor woningcorporaties, gemeenten en de huurdersorganisatie. De Nationale prestatieafspraken schetsen daarbij de kaders die voortkomen uit het landelijk beleid, en het is aan lokale partijen om binnen die kaders de ruimte te benutten voor lokaal maatwerk waar dit passend en nodig is. • Met het Duurzaam prestatiemodel wordt geborgd dat de corporatiesector, afzonderlijke regio’s en individuele woningcorporaties voldoende financiële middelen hebben voor hun volkshuisvestelijke opgave en voldoende zekerheid hebben dat in de toekomst de woningvoorraad kwantitatief en kwalitatief op peil kan blijven.
Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening | Nationale prestatieafspraken 2025 - 2035 | 31
Afdwingbaarheid Als sluitstuk voor het behalen van de opgave kunnen alle partijen elkaar zo nodig aan de gemaakte afspraken houden met inzet van het instrumentarium vanuit wet- en regelgeving. Dat geldt voor de Nationale prestatieafspraken: alle partijen kunnen elkaar onderling aan de afgesproken prestaties houden. Dat geldt ook voor de lokale prestatieafspraken: de afdwingbaarheid van de lokale prestatieafspraken is geborgd via de geschilbeslechting op grond van de Woningwet. De mogelijkheid voor geschilbeslechting voor lokale prestatieafspraken wordt verbreed in de Wet versterking regie volkshuisvesting. Die wet voorziet erin dat niet alleen geschillen over het maken van lokale prestatie afspraken aan de minister kunnen worden voorgelegd, maar ook geschillen over het nakomen daarvan. Hiermee wordt de afdwingbaarheid van de lokale prestatieafspraken verstevigd. De Nationale prestatieafspraken worden doorvertaald in de volkshuisvestelijke prioriteiten/het nationale volkshuisvestingsprogramma en hebben daarmee óók directe doorwerking in de lokale prestatieafspraken. Dit betekent dat de lokale prestatieafspraken worden gemaakt op basis van de gemeentelijke Woonvisie/ het gemeentelijk volkshuisvestingsprogramma én op basis van de Nationale prestatieafspraken.
Een eventueel lokaal geschil prestatieafspraken kan daarom ook gaan over de vraag of in voldoende mate wordt voldaan aan de Nationale prestatieafspraken (zie bijvoorbeeld de bindende uitspraak in het geschil prestatieafspraken voor Leeuwarden 202410). Sturen op basis van inzicht Inzicht verkrijgen • Voor alle afspraken die we maken, spreken we concreet af (in het betreffende hoofdstuk) hoe we inzicht krijgen in de realisatie van die afspraak. Concrete indicatoren zijn nodig om tijdig te kunnen signaleren dat een opgave te beperkt tot stand komt. Alleen dan kan er tijdig worden bijgestuurd. • Daarbij is inzicht in de tussenstappen nodig om te komen tot realisatie (bijvoorbeeld de voorwaarden zoals netcapaciteit, warmtetransitie-visies, vergunningverlening, participatie). Bijsturing • Bijsturen om de opgaven te realiseren begint lokaal. Hier moet het gesprek worden gevoerd, op basis van de cijfers, over welke acties van alle partijen nodig zijn om de opgaven te realiseren. • De optelsom van de regionale cijfers vormt de basis voor het gesprek van de landelijke partijen. Waar de realisatie van de opgave achter blijft worden concrete interventies voorgesteld om het tij te keren. • Wanneer de resultaten alsnog achterblijven wordt tijdig bestuurlijk geïntervenieerd en vervolgens wordt het volledige wettelijk instrumentarium toegepast.
• Tevens ontwikkelen we een methodiek om te komen tot een meer structurele vorm van evaluatie van de voortgang met als doel om het stelsel van afspraken zowel op inhoud als proces continu te kunnen verbeteren.
Bindende uitspraak geschil prestatieafspraken Leeuwarden 2024 | Publicatie | Home | Volkshuisvesting Nederland.
10
32 | Ministerie van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening
Reguliere herijking Nationale prestatieafspraken • De afspraken en opgaven worden eens in de drie jaar herijkt, rekening houdend met een logisch moment in de beleidsvorming. Indien alle partijen hierover overeenstemming bereiken kan eerder worden herijkt, bijvoorbeeld bij een significante wijziging van de opgaven of middelen van de corporatiesector of bij wijzigingen in het beleid. Sluitend Duurzaam prestatiemodel • Al bij het afsluiten van de Nationale prestatieafspraken in 2022 werd geconstateerd dat woning corporaties bij volledige realisatie van de afspraken op langere termijn op een onhoudbaar financieel pad terecht zouden komen. Daarom werd vastgelegd om bij de periodieke herijking in 2024 een nadere verkenning uit te voeren naar de mogelijkheden om te komen tot een strategie waarbij ook op de lange termijn de financiële continuïteit en uitvoering van de volkshuisvestelijke opgave gewaarborgd is. De gezamenlijke uitwerking van het Duurzaam prestatiemodel door WSW, Aw, VRO en Aedes geeft hier invulling aan. • Het Duurzaam prestatiemodel zorgt voor waarborging van zowel de financiële continuïteit als van de volkshuisvestelijke prestaties van de woningcorporaties. Het rapport nemen we daarom op als bijlage bij de Nationale prestatieafspraken.
Het Duurzaam prestatiemodel is daarmee leidend voor het bepalen van de financiële ruimte die de corporatiesector heeft voor bijdragen aan de volkshuisvestelijke opgave. • Voor uitvoering van de afspraken moeten voor deze periode voldoende middelen aanwezig zijn op nationaal niveau. De doorrekeningen en de uitgangspunten van het Duurzaam prestatiemodel liggen hieraan ten grondslag. Daartoe worden afspraken gemaakt voor de volkshuisvestelijke opgaven voor circa tien jaar, en wordt bepaald of er ook voor de vijf jaren hierna voldoende middelen zijn om de volkshuisvestelijke continuïteit te waarborgen. Bij de herijking van de Nationale prestatieafspraken wordt de opgave vastgesteld rekening houdend met het Duurzaam prestatiemodel. Verantwoordelijkheden en inzet woningcorporaties • Onderdeel van het Duurzaam prestatiemodel is dat woningcorporaties hun volkshuisvestelijk vermogen/leencapaciteit maximaal inzetten voor deze opgave, voor zover dit de volkshuisvestelijke continuïteit - zoals gedefinieerd in het Duurzaam prestatiemodel - niet in het geding brengt. De volkshuisvestelijke opgave - zoals afgesproken in de Nationale prestatieafspraken - is dan ook de verantwoordelijkheid van alle woningcorporaties, óók als deze opgave zich buiten de eigen gemeentegrenzen bevindt.
• Uitvoering van de volkshuisvestelijke opgave mag niet ten koste gaan van de volkshuisvestelijke continuïteit van een individuele woningcorporatie. Ook na de afsprakenperiode moeten individuele woningcorporaties hun volkshuisvestelijke continuïteit kunnen waarborgen. Dit betekent dat individuele woningcorporaties hun voorraad zowel kwantitatief als kwalitatief op peil kunnen houden daarbij wordt gerekend met de in het Duurzaam prestatiemodel gedefinieerde instandhoudingsopgave. • Alvorens woningcorporaties landelijke projectsteun aanvragen hebben zij een beroep gedaan op de verschillende vormen van solidariteit binnen en buiten de regio. De ruimte die hier aanwezig is moet eerst worden benut.
Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening | Nationale prestatieafspraken 2025 - 2035 | 33
Verantwoordelijkheden en inzet Rijk • Het Rijk committeert zich aan een opgave die in balans is met de beschikbare middelen. Indien de opgave niet in balans is met de beschikbare middelen gaan partijen met elkaar in overleg hoe meer middelen ter beschikking kunnen worden gesteld of hoe de prestatie in neerwaartse zin moet worden bijgesteld. • Afspraken over de opgave worden in samenhang gemaakt. Dat betekent ook dat het Rijk zich committeert aan deze afspraken en deze niet eenzijdig aanpast. Verantwoordelijkheden en inzet gemeenten en huurdersorganisaties • Het Duurzaam prestatiemodel is uitgewerkt door Aedes, VRO, Aw en WSW. Het Duurzaam prestatiemodel vraagt van deze vier partijen dan ook concrete inzet en langjarig commitment. VNG heeft geen rol gespeeld in de uitwerking hiervan en is hieraan niet specifiek gebonden. • Gemeenten en huurdersorganisaties krijgen op lokaal niveau met de uitgangspunten van het Duurzaam prestatiemodel te maken in de wijze waarop woningcorporaties, en waar relevant ook VRO, zich inzetten voor het realiseren van de volkshuisvestelijke opgave door middel van samenwerking en solidariteit tussen woningcorporaties.
Van gemeenten en huurdersorganisaties wordt verwacht dat zij de inzet van woningcorporaties op samenwerking en solidariteit vanuit een positieve grondhouding beschouwt en weegt in het licht van zowel de lokale opgave als de regionale opgave, zoals elders in deze afspraken ook beschreven is. Escalatieladder voor sturing op een sluitend DPM • We stellen het realiseren van de volkshuisvestelijke opgave centraal, zoals die is vastgelegd in de Nationale prestatieafspraken. We stellen alles in het werk om de volkshuisvestelijke opgave zoals geformuleerd in de Nationale prestatieafspraken waar mogelijk en verantwoord binnen de kaders van het Duurzaam prestatiemodel te versnellen. • De financiële haalbaarheid van de afgesproken opgave wordt jaarlijks getoetst door de doorrekeningen te actualiseren. Daarnaast wordt in de periodieke herijking van de Nationale prestatieafspraken in ieder geval elke twee jaar de volkshuisvestelijke opgave opnieuw vastgesteld voor een periode van tien jaar. • De balans tussen de opgaven en middelen is gevoelig voor macro-economische ontwikkelingen. Het is belangrijk voor alle partijen dat er een bestendig beeld is van de opdracht waar zij voor staan. Door jaarlijks te monitoren en periodiek de opgaven opnieuw vast te stellen houden we de vinger aan de pols en kan er tijdig worden bijgestuurd als het tekort te veel oploopt.
Dit maakt het mogelijk dat woningcorporaties op een verantwoorde manier hun investeringsprogramma opvoeren en uitvoeren. • Als één van de partijen de opgave niet langer financieel haalbaar acht door de toegenomen omvang van het tekort dan treden partijen in overleg om gezamenlijk (bijgestelde) afspraken te maken op basis van de situatie en omstandigheden van dat moment. Daarbij zijn er drie mogelijkheden om bij te sturen, waarbij partijen zo veel mogelijk oog houden voor volkshuisvestelijke opgave: - extra Rijksmiddelen (fiscaal, subsidies) - extra inkomsten genereren - terugbrengen van de opgave (verduurzaming, nieuwbouw, extra verkoop) • Aangezien woningcorporaties nu al investeringsbeslissingen moeten nemen voor projecten die op middellange termijn moeten worden gerealiseerd en hiermee tevens mede zorg dragen voor de betaalbaarheid van de volkshuisvesting, willen wij voorkomen dat zorgen over de lange termijn leiden tot voortijdig “remmen”. Om partijen het vertrouwen te geven dat tijdig maatregelen genomen kunnen worden wanneer dit nodig is, zullen partijen in 2025 maatregelen uitwerken die genomen kunnen worden op het moment dat duidelijk is dat het duurzaam prestatiemodel niet meer sluit. Leidraad voor de uit te werken maatregelen is het Interdepartementaal Beleidsonderzoek “Op grond kun je bouwen”.
34 | Ministerie van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening
• Partijen spreken in dat kader ook af dat eventuele beletselen als gevolg van Europese regelgeving (ATAD, VPB) kunnen worden weggenomen door hiervoor gezamenlijk met voorstellen te komen, zodat de politiek ook op dit vlak tijdig keuzes kan maken en voorkomen wordt dat de noodzakelijke investeringen in de volkshuisvesting terugvallen en de betaalbaarheid van de sociale huurvoorraad in het gedrang komt. Randvoorwaarden • De solidariteit en samenwerking tussen woningcorporaties is sterk afhankelijk van de instrumenten waartoe zij beschikking krijgen om hieraan praktisch invulling te geven. Het is voor het geven van uitvoering aan de solidariteit van belang dat: - het Rijk bij de evaluatie van de overdrachtsbelasting de effectiviteit van de regeling rondom de taak overdracht in kaart brengt en de gevolgen voor de werking van de inzet vanuit solidariteit. Het doel is dat woningcorporaties zoveel als mogelijk vrij van overdrachtsbelasting taken naar elkaar kunnen overdragen met het onroerend goed dat daarbij hoort. Indien woningcorporaties belast worden bij een taakoverdracht dan heeft dit gevolgen voor de mogelijkheden tot solidariteit en daarmee de haalbaarheid van de afgesproken opgave; - onderzoeken of in (fiscale) regelgeving iets moet worden aangepast om het mogelijk te maken dat woningcorporaties leningen met elkaar kunnen ruilen.
• Om tijdig uitvoering te kunnen geven aan de opgave is zo spoedig mogelijke inwerkingtreding van het Wetsvoorstel versterking regie volkshuisvesting nodig. • Het Duurzaam prestatiemodel vraagt een andere omgang met financiële buffers en de grenswaarden uit het gezamenlijk beoordelingskader zodat woningcorporaties meer comfort voelen om de grenzen op een verantwoorde manier te benaderen. Dit is een veronderstelling in de financiële haalbaarheid van de opgave en vraagt daarom ook dat enkele uitgangspunten uit de beleidsregels worden aangepast. De partijen committeren zich eraan om, ook in hun rol als achtervanger, de benodigde wijzigingen van deze regels goed te keuren mits deze blijven passen bij hun risicobereidheid. • Het maximale borgingsplafond van WSW is al geruime niet meer geïndexeerd, hierdoor blijft financiële slagkracht van woningcorporaties onnodig onbenut. Na gedegen onderzoek heeft WSW een voorstel gedaan deze grens aan te passen. VNG en VRO nemen begin 2025 een besluit over de hoogte van het borgingsplafond. • VRO en Aedes formuleren gezamenlijk een regeldrukagenda. De basis hiervoor is gelegd in een onderzoek van Aedes, deze komt begin 2025 beschikbaar. Aedes en VNG committeren zich in dit kader ook aan het programma STOER (Schrappen Tegenstrijdige en Overbodige Eisen in Regelgeving).
• Fiscale lasten monitor; VRO en Aedes monitoren de fiscale lastendruk van woningcorporaties, in relatie tot de financiële haalbaarheid van de opgaven. De lastendruk van woningcorporaties zal hiertoe actief worden gemonitord. Wij erkennen dat woningcorporaties te maken hebben met gestegen fiscale lasten die impact hebben op de financiële haalbaarheid van de opgave, deze fiscale lasten worden opgebracht uit de huurinkomsten. Hierdoor kunnen woningcorporaties minder doen aan betaalbaarheid, nieuwbouw, verduurzaming en leefbaarheid op de lange termijn.
Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening | Nationale prestatieafspraken 2025 - 2035 | 35
• Om hun maatschappelijke opgaven effectief te vervullen wensen woningcorporaties toegang tot relevante overheidsdata, zoals basisregistraties (BAG en WOZ) en gedetailleerdere databases, bijvoorbeeld in het kader van de wet kwaliteitsborging bouw, het opnameproces voor energielabels en WOZ-taxaties. Partijen werken gezamenlijk uit hoe woningcorporaties toegang zouden kunnen krijgen tot deze overheidsdatabases. Een voorwaarde daarbij is dat toegang verantwoord kan worden gegeven en het geven van toegang ook technisch haalbaar is. • Partijen spreken af dat indien het kabinet beleid doorvoert dat een significant effect heeft op de financiële haalbaarheid van deze afspraken, waardoor deze niet meer financieel haalbaar zijn, partijen hieraan niet langer gehouden kunnen worden. • Deze Nationale prestatieafspraken en de daarin verwoorde inzet van de gemeenten moet bezien worden in het perspectief van de slechte financiële positie van de gemeenten die na 2025 ontstaat. Vanaf het “ravijnjaar” 2026 worden gemeenten geconfronteerd met een forse bezuiniging op het gemeentefonds. Dit trekt een wissel op de balans tussen gemeentelijke taken en middelen en gaat ook consequenties hebben voor de inzet van de gemeenten op de volkshuisvesting.
36 | Ministerie van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening
Bijlage 1 Ontwikkeling sociale woning voorraad
2025
2026
2027
2028
2029
2030
2031
2032
2033
2034
TOTAAL
Bij: Nieuwbouw sociale huur
19.081
21.606
24.132
26.816
30.000
30.000
30.000
30.000
30.000
30.000
271.635
Af: sloop (t.b.v.nieuwbouw)
-6.413
-7.195
-8.019
-9.048
-10.494
-10.559
-10.337
-10.273
-10.296
-10.375
-93.009
Af: verkoop aan eigenaar/bewoner
-3.427
-3.941
-4.454
-4.999
-5.545
-5.545
-5.545
-5.545
-5.545
-5.545
-50.092
Netto groei woningvoorraad
9.241
10.471
11.659
12.768
13.961
13.896
14.118
14.182
14.159
14.080
128.535
Netto groei cummulatief
9.241
19.712
31.371
44.139
58.101
71.996
86.114
100.296
114.456
128.535
Ontwikkeling middenhuur woningvoorraad
2025
2026
2027
2028
2029
2030
2031
2032
2033
2034
TOTAAL
Bij: Nieuwbouw middenhuur
1.430
2.010
2.600
3.199
5.000
4.998
5.000
5.000
5.000
5.000
39.237
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
Af: verkoop
-491
-517
-537
-556
-590
-578
-577
-585
-591
-482
-5.504
Netto groei woningvoorraad
939
1.493
2.063
2.643
4.410
4.420
4.423
4.415
4.409
4.518
33.733
Netto groei cummulatief
939
2.431
4.494
7.137
11.547
15.967
20.390
24.806
29.215
33.733
Af: sloop (t.b.v.nieuwbouw)
300.000
271.635
250.000 200.000
162.268 128.535
150.000 100.000
39.237
50.000
-93.009
0
-5.504
-50.000 -100.000
-50.092 Bij: Nieuwbouw sociale huur
Af: sloop sociale huur
Af: verkoop sociale huur
Af: Netto groei Bij: Netto groei totale Nieuwbouw verkoop sociale woning- middenhuur middenhuur woningvoorraad voorraad
Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening | Nationale prestatieafspraken 2025 - 2035 | 37
Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening www.volkshuisvestingnederland.nl December 2024