5 Bloemwijk bijlagen toelichting
Tekst van het document
De onderzoekslocatie betreft een woonwijk en wordt gevormd door de diverse woonpercelen, straattracés, trottoirs en het openbaar groen binnen bovengenoemde herontwikkelingslocatie. De totale oppervlakte van de onderzoekslocatie bedraagt circa 3,05 hectare. Kadastraal gezien is de locatie gelegen binnen sectie E van de kadastrale gemeente Alkmaar en bestaat uit vele verschillende perceelnummers.
In figuur 1 op de volgende pagina is de onderzoekslocatie nader weergegeven. De ligging van de onderzoekslocatie is tevens nader weergegeven op de situatietekening in bijlage 1.
3 I 18
M20018 Verkennend bodemonderzoek
Bloemwijk te Alkmaar
Figuur 1: Ligging onderzoekslocatie (rood kader)
De onderzoekslocatie is deels bebouwd met diverse woningen. Het onbebouwde deel bestaat uit de achtertuinen, straattracés en trottoirs en het openbaar groen. De diverse straattracés, trottoirs en stegen (brandgangen) zijn volledig voorzien van een klinker- dan wel tegelverharding.
2.2 Bodemopbouw en geohydrologie De regionale globale bodemopbouw ter plaatse is weergegeven in onderstaande tabel. De gegevens uit deze tabel zijn ontleend aan de gegevens van TNO (www.dinoloket.nl). Tabel 1: Regionale bodemopbouw Globale diepte Lithostratigrafie Algemene samenstelling beneden maaiveld (m) Zand, zeer fijn tot uiterst grof, kleiig tot grindig, lokaal schelphoudend; 0 tot 33 Holocene afzettingen klei, siltig tot zandig, lokaal humeus; veen, lokaal kleiig Zand, matig fijn tot uiterst grof, lokaal grindig; grind, zandig; klei, siltig 33 tot 36 Formatie van Kreftenheye tot zandig, lokaal humeus Zand, zeer fijn tot uiterst grof, lokaal grindig, lokaal schelphoudend; klei, 37 tot 65 Formatie van Urk lokaal siltig tot zandig, lokaal humeus; veen, lokaal kleiig
Het maaiveld van de locatie ligt ongeveer op 0,4 tot 0,7 meter NAP. Op basis van gegevens van TNO wordt het freatische of ondiepe grondwater op een diepte van circa 1,0 meter beneden maaiveld verwacht. Er kan op basis van de bekende gegevens van TNO geen eenduidige grondwaterstroming worden opgemaakt. De stromingsrichting van het freatisch grondwater wordt voornamelijk bepaald door de ondergrondse infrastructuur, bebouwing ter plaatse en nabij gelegen watergangen.
2.3 Historische informatie De Bloemwijk betreft een woonwijk welke dateert van het begin van de 20ste eeuw en is aangelegd met de zogenaamde tuinstadgedachte (wonen met tuin). Tot de aanleg van de Bloemwijk bestond de locatie uit weidegebied (opgedeeld in verschillende kavels door sloten) tussen de destijds al aanwezige Westerweg en de spoorlijn. Voorafgaand aan de realisatie van de Bloemwijk is de volledige nieuwbouwlocatie opgehoogd met zand. Tevens kan worden opgemerkt dat de realisatie van de Bloemwijk, waarbij het verkavelingspatroon is gehandhaafd, gefaseerd is uitgevoerd. Het deel ten
4 I 18
M20018 Verkennend bodemonderzoek
Bloemwijk te Alkmaar
noorden van de Boomkampstraat is grotendeels aangelegd in de periode van 1918-1920. De bouwblokken tussen de C.W. Bruinvisstraat en de Boomkampstraat (zuidelijk deel) dateren van overwegend van 1924.
In onderstaande figuren is de situatie weergegeven omstreeks 1915, 1951 en 1992.
Figuur 2: Topografische kaart 1915 (onderzoekslocatie binnen geel kader)
Figuur 3; Topografische kaart 1951 (onderzoekslocatie binnen geel kader)
5 I 18
M20018 Verkennend bodemonderzoek
Bloemwijk te Alkmaar
Figuur 4; Topografische kaart 1992 (onderzoekslocatie binnen rood kader)
Sinds de aanleg van de betreffende woonwijk hebben er geen grootschalige veranderingen plaatsgevonden en heeft deze immer gefunctioneerd als woonwijk. Hooguit plaatselijk is sprake geweest van kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten (zie paragraaf 2.4).
2.4 Voorgaand bodemonderzoek Uit de bevindingen van het vooronderzoek blijkt dat bij de Omgevingsdienst Noord-Holland Noord van meerdere percelen binnen de onderzoekslocatie bodeminformatie beschikbaar is. In onderstaande tabel is de beschikbare informatie kort en bondig weergegeven
Tabel 1: Beschikbare bodeminformatie Locatie Activiteit volgens info OD NHN Beschikbare informatie Geen overige informatie beschikbaar, betreft / betrof C.W. Bruinvisstraat 42 Elektronisch installatiebedrijf C. Dek vermoedelijk enkel correspondentieadres, betreft in huidige situatie woonhuis. In 2008 is door Wareco een historisch onderzoek verricht. Bij dit onderzoek zijn de bedrijfsactiviteiten op basis archief- Machine en apparatenindustrie onderzoek bevestigd. Echter, aangezien de locatie zo C.W. Bruinvisstraat 36 J. van Haaster kleinschalig is en dat niet aannemelijk is dat er bodem- bedreigende activiteiten hebben plaatsgevonden, is er geen veldwerk noodzakelijk. In 2008 is door Wareco een historisch onderzoek verricht. Bij dit onderzoek is via archiefonderzoek bevestigd dat het Ontsmettings- en ontsmettings- en ongediertebestrijdingsbedrijf ter plaatse C.W. Bruinvisstraat 22 ongediertebestrijdingsbedrijf gevestigd is dan wel is geweest. Echter aangezien de locatie Ratvang zo kleinschalig is en dat niet aannemelijk is dat er bodem- bedreigende activiteiten hebben plaatsgevonden, is er geen veldwerk noodzakelijk. Geen overige informatie beschikbaar, betreft / betrof C.W. Bruinvisstraat 20 Schildersbedrijf Jac Schipper vermoedelijk enkel correspondentieadres, betreft in huidige situatie woonhuis.
In 2009 is door Wareco een oriënterend bodemonderzoek Brandstoffendetailhandel verricht. Uit het betreffende onderzoek wordt geconcludeerd Boomkampstraat 38 P. Schoenmaker dat er geen verontreinigingen zijn aangetroffen en dat de activiteiten geen bodemverontreiniging hebben veroorzaakt.
6 I 18
M20018 Verkennend bodemonderzoek
Bloemwijk te Alkmaar
Vervolg tabel 1: Beschikbare bodeminformatie Locatie Activiteit volgens info OD NHN Beschikbare informatie In 2009 is door Wareco een oriënterend bodemonderzoek uitgevoerd. In dit onderzoek is in de bovengrond een matige verontreiniging aangetroffen met lood en is het grondwater Ontsmettings- en licht verontreinigd met naftaleen en xylenen. Geconcludeerd Anjelierstraat 1 ongediertebestrijdingsbedrijf wordt dat de activiteiten geen geval van ernstige bodem- P.J. Sneeboer verontreiniging hebben veroorzaakt. Overige (lichte) verontreinigingen komen overeen met de achtergrond- waarden en is geen vervolgactie nodig. In 2008 is door Wareco een historisch onderzoek verricht. In dit onderzoek is geconcludeerd dat de activiteiten niet zijn Auto- en motorensloperij Boomkampstraat 22 bevestigd in het archief. Het betreft een woning, het is niet M. van der Sluis aannemelijk dat hier een auto- en motorsloperij gevestigd is geweest. Geen veldwerk noodzakelijk. Geen overige informatie beschikbaar, betreft / betrof Brandstoffendetailhandel Boomkampstraat 18 vermoedelijk enkel correspondentieadres, betreft in huidige Kossen situatie woonhuis. In 2009 is door Wareco een historisch onderzoek verricht. Uit het onderzoek wordt opgemaakt dat op de locatie Vleesrokerij R. Elslo brandstoffen-detailhandel gevestigd is geweest en dat Dahliastraat 9-11 Brandstoffenhandel P.
Groot / veldwerk wordt geadviseerd. De locatie is echter in een later Petrolifere stadium toch niet als urgent genoeg beschouwd aangezien er geen bodemonderzoek is uitgevoerd. Dahliastraat 3 Transportbedrijf Fa Hoogvorst & Zn. Geen overige informatie beschikbaar, betreft / betrof Glaszettersbedrijf/ vermoedelijk enkel correspondentieadres, betreft in huidige Schagenstraat 2 situatie woonhuis. Groen’s Lakbedrijf In 2009 is door Wareco een oriënterend bodemonderzoek verricht. Uit het betreffende bodemonderzoek wordt opgemaakt dat de bovengrond ten hoogste licht verontreinigd is met PAK en dat het grondwater niet is Van der Woudestraat Brandstoffenhandel verontreinigd met de geanalyseerde parameters. 61 G. Serpent Geconcludeerd is dat de aangetroffen gehalten in de grond overeenstemmen met de achtergrondgehaltes in dit deel van de gemeente, de brandstoffendetailhandel heeft geen geval van bodemverontreiniging veroorzaakt. Geen vervolgonderzoek noodzakelijk.
Bij de opdrachtgever en Omgevingsdienst Noord-Holland Noord is geen overige bodeminformatie beschikbaar welke eventueel relevant kan zijn voor onderhavig onderzoek.
2.5 Bodemkwaliteitskaart Uit de Nota bodembeheer voor de Gemeenten Alkmaar, Bergen, Castricum, Heerhugowaard en Heiloo (documentcode: 14M1136.RAP.002 d.d. april 2016) wordt opgemaakt dat: de onderzoekslocatie is gelegen binnen een gebied welke de bodemfunctieklasse ‘Wonen’ toebedeeld heeft gekregen; de onderzoekslocatie is gelegen in bodemkwaliteitszone ‘B2. Alkmaar woongebieden tussen 1900 en 1930’ (bovengrond) en ‘O2. Alkmaar woongebieden tussen 1900 en 1930’ (ondergrond). Hierbij is opgemerkt dat de P95 (95 percentielwaarde) de interventiewaarde overschrijdt en dat er (plaatselijk) sprake kan zijn van sterke verontreinigingen; de verwachte ontgravingsklasse ter plaatse voor de bovengrond ‘Industrie’ en voor de ondergrond ‘Wonen’ is; de toepassingseis voor het toepassen van grond in zowel de boven- als ondergrond is gedefinieerd als ‘Wonen’.
7 I 18
M20018 Verkennend bodemonderzoek
Bloemwijk te Alkmaar
2.6 Mogelijke bronnen voor perfluoralkylverbindingen (PFAS) Onlangs is de stofgroep PFAS als nieuwe parameter aan de te onderzoeken milieubelastende stoffen in grond en grondwater toegevoegd. Op grond van artikel 43 dan wel artikel 55ab van de Wet Bodembescherming dient de aanwezigheid van deze stoffen in de bodem te worden onderzocht tenzij kan worden aangetoond dat de bodem redelijkerwijs niet met PFAS kan zijn belast. Daarnaast dient op basis van het op 8 juli j.l. van kracht geworden Tijdelijke Handelingskader PFAS (zie tevens §4.1), deze stofgroep eveneens bij het bepalen van de hergebruiksmogelijkheden van af te voeren grond te worden onderzocht.
Of de onderzoekslocatie verdacht is voor verontreinigingen met PFAS en met name de varianten PFOA en PFOS, is nagegaan of sprake kan zijn geweest van activiteiten waarbij deze stof is gebruikt. Bekende toepassingen van PFAS zijn blusschuim, verf, vetvrij karton en papier en waterafstotende materialen zoals kleding, tapijten e.d. Ook aan smeermiddelen en mogelijk zelfs bestrijdingsmiddelen kunnen PFAS zijn toegevoegd.
De onderzoekslocatie ligt niet in de nabijheid van potentiële bronlocaties waar bijvoorbeeld uitgebreid blusschuim is gebruikt of één van de voornoemde producten is gefabriceerd. Aangezien de locatie niet gelegen is in de nabijheid van specifieke bronlocaties is er, mede gezien de aanleiding voor onderhavig onderzoek, vooralsnog geen aanleiding om deze stofgroep mee te nemen in het onderzoek.
2.7 Conclusie vooronderzoek Op basis van de beschikbare bodeminformatie bestaat er vooralsnog geen aanleiding om separate verdachte deellocaties te definiëren en wordt de onderzoekslocatie als onverdacht beschouwd ten aanzien van het voorkomen van een noemenswaardige bodemverontreiniging. Verwacht wordt dat de bodemkwaliteit niet afwijkt van de verwachte ontgravingsklasse ‘Industrie’ dan wel ‘Wonen’ zoals is vastgelegd in de bodemkwaliteitskaart van de gemeente Alkmaar.
Met betrekking tot het voorkomen van asbest is de locatie op basis van de beschikbare informatie eveneens niet specifiek verdacht.
8 I 18
M20018 Verkennend bodemonderzoek
Bloemwijk te Alkmaar
Uitgevoerd 3 onderzoek 3.1 Onderzoeksstrategie Bodemonderzoek: De opzet van het verkennend bodemonderzoek is gebaseerd op de Nederlandse Norm 5740+A1 “Bodem - Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek - Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond” (april 2016).
Aangezien op basis van de beschikbare historische informatie geen specifieke verdachte deellocaties zijn te onderscheiden is de volledige onderzoekslocatie onderzocht conform de onderzoeksstrategie voor een onverdachte niet-lijnvormige locatie (ONV-L). Hierbij dient te worden opgemerkt dat, in overleg met de opdrachtgever, de veldwerkzaamheden grotendeels zijn uitgevoerd in de openbare ruimte (straten, trottoirs, openbaar groen en stegen). Enkel een paar percelen waren vrij toegankelijk voor de uitvoering van bodemonderzoek.
Bodemlagen met zintuiglijk waarneembare afwijkingen, zoals puin anders dan hierboven beschreven of passief waargenomen geuren, zijn afzonderlijk onderzocht als die niet samen in één mengmonster kunnen worden opgenomen.
In tabel 2 is het volledige (uitgevoerde) onderzoeksprogramma samengevat.
Tabel 2: Onderzoeksprogramma verkennend bodemonderzoek Boringen Uit te voeren analyses 4 28 x tot 0,5-1,0 m-mv Grond: 9 x STAP grond 1 en 7 x lood incl. lutum en organische stof 2 8 x tot 0,5 m-gws 4 x peilbuis Grondwater: 4 x STAP grondwater 3 m-mv meter minus maaiveld m-gws meter minus grondwaterstand 1 STAP grond: standaardpakket grond, bestaande uit: sedimentkarakteristieken: droogrest, organische stof en lutum; zware metalen: barium, cadmium, kobalt, koper, kwik, lood, molybdeen, nikkel en zink; minerale olie; polycyclische aromatische koolwaterstoffen (som PAK 10); polychloorbifenylen (som PCB 7). 2 Aangezien in eerste instantie in een mengmonster een matige verontreiniging met lood is aangetroffen zijn de betreffende deelmonsters separaat onderzocht op lood 3 STAP grondwater: standaardpakket grondwater, bestaande uit: zware metalen: barium, cadmium, kobalt, koper, kwik, lood, molybdeen, nikkel en zink; vluchtige aromatische koolwaterstoffen (BTEXXN en styreen); vluchtige gehalogeneerde koolwaterstoffen (o.a. chlooralifaten); minerale olie (GC). 4 Aangezien de locatie niet specifiek verdacht is met betrekking tot de nieuwe stofgroep PFAS en niet wordt verwacht dat bij de herontwikkeling grond afgevoerd dient te worden is de grond vooralsnog niet aanvullend onderzocht op deze stofgroep
9 I 18
M20018 Verkennend bodemonderzoek
Bloemwijk te Alkmaar
Asbestonderzoek in aangetroffen funderingslaag: De opzet van het asbestonderzoek is niet specifiek gebaseerd op een onderzoeksstrategie uit de Nederlandse Norm 5897+C2 “Bodem – Inspectie en monsterneming van asbest in bouw- en sloopafval en recyclinggranulaat’ maar is ‘indicatief’ van karakter. Hiermee is getracht om direct ten tijde van het verkennend bodemonderzoek meer inzicht te verkrijgen in de aan- dan wel afwezigheid van asbest ter plaatse. In onderstaande tabel is het onderzoeksprogramma met betrekking tot het uitgevoerde asbestonderzoek nader verwoord.
Tabel 3: Onderzoeksprogramma verkennend asbestonderzoek Locatie Gate Uit te voeren analyses Steeg/ brandgang t.p.v. boring 17 1 gat (0,3 x 0,3 x 0,5 m) Puin: 1 x asbest in grond
3.2 Veldwerkzaamheden De boorwerkzaamheden, het nemen van de grondmonsters en het plaatsen van de peilbuis, zijn uitgevoerd op 16 en 17 maart 2020 door de heren M.M. Dobber en J. de Nijs van Prommenz Milieu BV. Het grondwater ter plaatse van de geplaatste peilbuizen is op 23 maart 2020 bemonsterd door de heer M.M. Dobber. Het veldwerk is uitgevoerd conform de BRL-SIKB 2000 - veldwerk bij milieuhygiënisch bodemonderzoek (versie 6, 01-02-2018) en de bijbehorende SIKB-protocollen 2001 en 2002.
3.3 Maaiveld-inspectie verdachte activiteiten Voorafgaand aan de monstername is het onderzoeksgebied visueel geïnspecteerd op de aanwezigheid van activiteiten die mogelijk tot een (oppervlakkige) bodemverontreiniging hebben geleid. Bij deze visuele inspectie van het maaiveld zijn op de onderzoekslocatie geen verdachte activiteiten aangetroffen (bv. geen olievlekken op wegdek). Overigens dient te worden opgemerkt dat nagenoeg de volledige onderzoekslocatie bebouwd dan wel verhard is met klinkers/ tegels en daarmee geen directe inspectie van de bovengrond heeft kunnen plaatsvinden.
3.4 Resultaten veldwerkzaamheden Verkennend bodemonderzoek Tijdens de veldwerkzaamheden is de bodem zintuiglijk beoordeeld op de aanwezigheid van bodem- vreemde materialen en andere waarnemingen die kunnen duiden op de mogelijke aanwezigheid van verontreiniging in de bodem.
De locaties van de uitgevoerde boringen zijn weergegeven op de situatietekening in bijlage 1. In bijlage 2 is de bodemopbouw per boring weergegeven inclusief boorbeschrijving en zintuiglijke waarnemingen. In tabel 4a is de algemene lokale bodemopbouw op de onderzoekslocatie weergegeven.
Tabel 4a: Lokale bodemopbouw Laagdiepte Grondsoort (m-mv) 0,0–0,5 Zand, matig fijn, zwak siltig, plaatselijk zwak humeus 0,5–1,3 Overwegend zand, matig fijn, zwak tot matig siltig, plaatselijk kleilaag, zwak zandig, zwak humeus Overwegend zand, matig fijn, zwak tot matig siltig, plaatselijk kleilaag (zwak zandig, zwak humeus) dan wel 1,3–2,0 veenlaag (zwak zandig) 2,0-2,8* Zand, matig fijn, zwak siltig, * Maximale boordiepte
10 I 18
M20018 Verkennend bodemonderzoek
Bloemwijk te Alkmaar
Ter plaatse van enkele boringen is bodemvreemd materiaal aangetroffen hetgeen is verwoord in tabel 4b. In de overige bodemlagen en ter plaatse van alle overige boringen is geen bodemvreemd materiaal waargenomen.
Tabel 4b: Zintuiglijke waarnemingen Boring Laagdiepte (m-mv) Grondsoort Bijzonderheden
01 0,2 - 0,7 Zand, matig fijn, zwak siltig Sporen metselpuin
02 0,1 - 0,5 Zand, matig fijn, zwak siltig, brokken klei Sporen baksteen
03 0,1 - 0,3 Zand, matig grof, zwak siltig Laagjes baksteen, zwak metselpuinhoudend
04 0,05 - 0,5 Zand, matig fijn, zwak siltig, zwak humeus Sporen kolengruis
05 0,4 - 0,5 Zand, matig fijn, zwak siltig Sporen baksteen 06 0,1 - 0,4
07 0,2 - 0,5 Zand, matig fijn, zwak siltig, zwak humeus Sporen kolengruis
08 0,1 - 0,4 Laagjes baksteen Zand, matig fijn, zwak siltig 09 0,05 - 0,5 Sporen kolengruis
10 0,1 - 0,3 Zand, matig fijn, kleiig, zwak humeus Sporen baksteen
12 0,05 - 0,5 Zand, matig fijn, zwak siltig, zwak humeus, Sporen kolengruis en baksteen
13 0,05 - 0,5 Sporen grind
15 0,1 - 0,3 Zand, matig fijn, zwak siltig Sporen baksteen
16 0,05 - 0,5 Sporen baksteen en aardewerk Volledig baksteen, matig zandhoudend, zwak 17 0,05 - 0,3 n.v.t. (funderingslaag) aardewerk, sporen kolengruis 21 0,3 – 0,5 Zand, matig fijn, zwak siltig Sporen baksteen 22 0,05 - 0,4
27 0,05 – 0,3 n.v.t. (funderingslaag) Volledig metselpuin
29 0,05 - 0,3 Matig baksteenhoudend Zand, matig fijn, zwak siltig 31 0,05 - 0,3 Zwak baksteenhoudend
32 0,05 - 0,5 Zand, matig fijn, zwak siltig, zwak humeus Sporen grind
33 0,05 - 0,2 Zand, matig fijn, zwak siltig Sporen baksteen
34 0,05 - 0,5 n.v.t. (funderingslaag) Volledig baksteen
37 0,1 - 0,9 Zand, matig fijn, zwak siltig Sporen baksteen
In aanvulling op bovenstaande tabel wordt opgemerkt dat in de opgeboorde grond en opgegraven funderingslagen visueel geen asbestverdacht materiaal is aangetroffen waarmee, mede gezien de aard van de bijmenging (met name resten baksteen en beton), alle bodemlagen op basis van de visuele waarnemingen als niet asbestverdacht zijn beschouwd.
Asbestonderzoek funderingslaag Bij de veldwerkzaamheden is op een drietal locaties in een steeg/ brandgang een funderingslaag aangetroffen welke met name bestaat uit (delen van) bakstenen en is daarmee niet direct asbest- verdacht. Echter aangezien in de funderingslaag ter plaatse van boring 17 naast een bijmenging van zand ook aardewerk en kolengruis is aangetroffen is in overleg met de opdrachtgever besloten om als extra verificatie een asbestonderzoek met beperkte inspanning te verrichten.
Het veldwerk is bij daglicht uitgevoerd tussen 12.00 en 13.00 uur. De steeg/ brandgang ter plaatse van boring 17 is volledig verhard met tegels waardoor er geen visuele inspectie plaats heeft kunnen vinden van de betreffende funderingslaag. Er heeft dan ook geen verificatie plaatsgevonden tot hoever de funderingslaag aanwezig is en of deze uit overeenkomstig materiaal bestaat.
11 I 18
M20018 Verkennend bodemonderzoek
Bloemwijk te Alkmaar
Binnen het asbestonderzoek is ter plaatse van boring 17 één gat gegraven met de afmetingen 0,3 x 0,3 meter tot de ongeroerde ondergrond (0,3 m-mv).
Het opgegraven materiaal is visueel geïnspecteerd op asbestverdacht materiaal en vervolgens gezeefd met behulp van een zeef 20 mm. In onderstaande tabel zijn resultaten van het uitgevoerde veldonderzoek weergegeven.
Tabel 5: Resultaten veldwerk asbestonderzoek Gat Laagdiepte Gewicht fractie <20 mm Gewicht fractie >20 mm Zintuiglijke waarneming (m-mv) (kg) (kg) 0,05 - 0,3 Zwak siltig zand, sporen baksteen 21,5 16,4 17avm 0,3 - 0,5 Zand, matig fijn, matig siltig n.v.t. n.v.t. m-mv meter minus maaiveld
In het opgegraven materiaal is in grove fractie (>20 mm) geen asbestverdacht materiaal aangetroffen. Echter bij het zeven heeft de veldwerker echter een tweetal zeer kleine stukjes bodemvreemd materiaal (<20 mm) gezien welke als asbestverdacht zijn beoordeeld. De betreffende stukjes zijn meegenomen in het bij het laboratorium aan te leveren mengmonster van de ‘fijne fractie (<20 mm)’ ten behoeve van analytisch onderzoek.
3.5 Uitgevoerde analyses grondonderzoek Van de opgeboorde grond zijn, op basis van grondsoort en zintuiglijke waarnemingen, grond(meng)- monsters samengesteld en geselecteerd voor chemische analyse. In tabel 6 zijn de (meng)monsters en de eigenschappen ervan weergegeven.
Tabel 6: Eigenschappen mengmonsters Meng- Samengesteld uit laagdiepte Grondsoort Bijzonderheid Analyse monster Boring/deelmonster (m-mv) 01.2+02.1+03.2+04.1+ Zeer zwakke bijmenging aan baksteen, MM01.01 0,1-0,7 05.1+06.1+07.2+08.1 metselpuin of kolengruis Zand, siltig 09.1+10.1+12.1+13.1+1 MM02.01 0,05-0,6 Sporen baksteen dan wel kolengruis STAP grond 5.1+22.1 14.1+18.1+19.2+20.1+ Zand, siltig MM03.01 0,0,5-0,5 Geen 21.1+24.2 - kleiig Uitsplitsing MM03.01 M03.02 14.1 0,1-0,3 Zand, kleiig M03.03 18.1 0,05-0,3 M03.04 19.2 0,2-0,5 Geen Lood M03.05 20.1 0,1-0,5 Zand, siltig M03.06 21.1 0,1-0,3 M03.07 24.2 0,1-0,5 Sporen baksteen tot matig MM04.01 29.1+31.1+33.1+37.1 0,05-0,6 baksteenhoudend 25.1+28.1+30.1+32.1+ MM05.01 35.1+36.1+38.1+39.1+ 0,05-0,6 Zand, siltig Plaatselijk sporen grind 40.1 01.3+03.3+04.2+06.2 MM06.01 0,5-1,1 +07.3+08.2+092+10.2 STAP grond 11.2+14.3+17.2+19.3+ MM07.01 0,3-1,3 22.2 Zand, siltig Geen 30.2+30.3+36.2+36.3 - kleiig MM08.01 0,6-1,7 +37.4+40.4+40.5 27.2+29.2+31.2+33.2+ MM09.01 0,2-1,4 Klei, zandig 34.2+37.3
12 I 18
M20018 Verkennend bodemonderzoek
Bloemwijk te Alkmaar
3.6 Grondwatergegevens en uitgevoerde analyses In tabel 7 zijn de in het veld gemeten grondwatergegevens en de uitgevoerde analyse op het grondwater weergegeven. Tabel 7: Eigenschappen grondwatermonsters Diepte filter Grondwater- Troebelheid EC Peilbuis pH 1 Opbrengst Analyse (m-mv) peil (m-mv) (NTU) 2 (mS/cm) 3 06 1,7-2,7 1,05 6,6 9,9 1,07 14 1,3-2,3 0,90 7,2 9,5 0,44 goed STAP grondwater 30 1,3-2,3 0,95 7,5 8,5 0,35 37 1,8-2,8 1,26 7,3 7,8 0,4 1 de zuurgraad (pH) hangt sterk samen met de biologische en chemische processen welke van nature in de bodem voorkomen maar kan ook worden beïnvloed door menselijk handelen. Over het algemeen varieert de pH van grondwater tussen de 6,0 en 8,5. 2 de troebelheid wordt gemeten in de zogenaamde Nephelometric Turbidity Unit. Over het algemeen kan worden aangenomen dat grondwater van nature in de bodem een troebelheid heeft van 0-10 NTU. 3 de geleidbaarheid (Ec) is primair afhankelijk van de hoeveelheid geladen deeltjes in het grondwater en wordt gemeten in millisiemens per cm. De geleidbaarheid in grondwater is locatie-afhankelijk en kan sterk variëren als gevolg van zowel natuurlijke chemische bodemprocessen maar ook door menselijk handelen. De geleidbaarheid van grondwater is over het algemeen gelegen tussen de 0,2 en 1,5 mS/cm maar kan door verzilting of de aanwezigheid van brak dan wel zout water oplopen tot wel 54 mS/cm (zeewater).
1 / 2/ 3 opgemerkt dient te worden dat een afwijkende zuurgraad, geleidbaarheid of troebelheid op zich niet bezwaarlijk is maar eventueel gebruikt kunnen worden bij de interpretatie van analyseresultaten.
De bovengenoemde grondwaterstand, zuurgraad (pH), troebelheid (NTU) en geleidbaarheid (EC) van het ondiepe grondwater zijn in het veld gemeten. De gemeten pH-, Ec-waarden en troebelheid kunnen als normaal worden beschouwd en geven geen aanleiding voor opmerkingen.
3.7 Uitgevoerde analyses asbestonderzoek Het in het veld samengestelde grondmonster bestaande uit de fijne fractie (fractie <20 mm) afkomstig van het gegraven gat ter plaatse van boring 17 (17AVM, 0,05-0,3m-mv) is conform de NEN5898 onderzocht op de aanwezigheid van asbest.
13 I 18
M20018 Verkennend bodemonderzoek
Bloemwijk te Alkmaar
Onderzoeksresultaten 4 4.1 Toetsingskaders De analyseresultaten van de grond en het grondwater zijn getoetst aan de onderstaande toetsings- kaders. De resultaten van de diverse toetsingen zijn opgenomen in bijlage 4.
Toetsingskader grond en grondwater De analyseresultaten zijn getoetst aan de achtergrondwaarden voor grond, de streefwaarden voor grondwater en de interventiewaarden voor grond en grondwater conform de Circulaire Bodem- sanering 2013. Een nadere toelichting op het toetsingskader van de Circulaire bodemsanering en de daarbij behorende normstellingen is opgenomen in bijlage 5.
Hierbij wordt opgemerkt dat de achtergrondwaarde is opgenomen in de Regeling bodemkwaliteit en dat bij toetsing aan de achtergrondwaarde rekening gehouden dient te worden met artikel 4.2.2 uit deze regeling. Artikel 4.2.2 geeft een lichte verruiming van deze achtergrondwaarde voor een beperkt aantal parameters om zodoende een zeer licht verhoogd gehalte van een beperkt aantal parameters niet direct te moeten classificeren als ‘licht verontreinigd’.
Ten behoeve van eventuele hergebruiksmogelijkheden van de grond zijn de analyseresultaten eveneens ter indicatie getoetst aan de normen zoals opgenomen in de Regeling bodemkwaliteit (normen voor toepassen op landbodem). In het Besluit bodemkwaliteit worden bij deze toets de volgende classificaties gehanteerd: ‘Altijd toepasbaar’, klasse ‘Wonen’, klasse ‘Industrie’ en ‘Niet toepasbaar’.
Met betrekking tot het Besluit bodemkwaliteit wordt volledigheidshalve opgemerkt dat gemeenten gebiedsspecifiek beleid kunnen voeren. In dat geval gelden de Lokale Maximale Waarden (LMW), zoals deze zijn vastgesteld op een bodemkwaliteitskaart (Bkk).
Ba r i u m Per 1 april 2009 zijn de normen voor barium (voor wat betreft grond en baggerspecie) buiten werking gesteld tenzij verhoogde bariumgehalten in de grond of baggerspecie het gevolg zijn van een antropogene bron. In dat geval wordt getoetst aan de voormalige Interventiewaarden (920 mg/kg d.s. voor toepassingen op landbodem en 625 mg/kg d.s. voor toepassingen in oppervlaktewater).
Asbest De analyseresultaten zijn getoetst aan het toetsingskader van het Ministerie van Infrastructuur en Milieu met betrekking tot asbest (Circulaire bodemsanering 2013 en Regeling bodemkwaliteit). Voor zowel grond als puin is voor asbest een interventiewaarde op basis van een gewogen asbest- concentratie van 100 mg/kg d.s. vastgesteld. De hergebruikswaarde is gelijk aan de interventiewaarde. Het gewogen gemiddelde gehalte wordt bepaald door de concentratie serpentijnasbest te vermeerderen met tienmaal de concentratie amfiboolasbest. Voor asbest geldt geen achtergrond- waarde. Bij een concentratie lager dan 100 mg/kg d.s. (gewogen) wordt puin dan wel grond beschouwd als ‘asbestvrij’.
14 I 18
M20018 Verkennend bodemonderzoek
Bloemwijk te Alkmaar
Als asbest in de contactzone (< 0,5 meter beneden maaiveld) wordt aangetroffen en de concentratie hechtgebonden asbest bedraagt < 1.000 mg/kg d.s. (gewogen) en/of de concentratie niet-hecht- gebonden asbest bedraagt < 100 mg/kg d.s. (gewogen), is geen sprake van onaanvaardbare risico’s. Als de interventiewaarde voor asbest wordt overschreden moet aan de hand van een risicobeoordeling worden vastgesteld of de verontreiniging onaanvaardbare risico’s oplevert en als dat het geval is, moet in overleg met het bevoegd gezag worden vastgesteld of een sanering spoedeisend is.
Overige toetsing De analyseresultaten zijn naast bovengenoemde toetsingskaders getoetst aan de eisen uit de CROW- publicatie 400. In de CROW 400 worden de veiligheidsklassen Oranje, Rood en Zwart gehanteerd waarbij een onderscheid wordt gemaakt in Niet vluchtige - en Vluchtige stoffen (kookpunt < 350°C). Brand- en explosiegevaar en risico’s als gevolg van uitdamping van vluchtige stoffen worden in principe dagelijks bepaald aan de hand van de locatiespecifieke omstandigheden zoals ventilatie, buitentemperatuur en werken met open vuur.
Als geen veiligheidsklasse van toepassing is dan geldt voor de grondwerkzaamheden het minimale niveau van risicobeheersing dat bekend staat als basishygiëne.
4.2 Resultaten grond In tabel 8 worden de toetsingsresultaten van de grond per (meng)monster weergegeven. De analysecertificaten (nummer: 1016025, 1020608 en 1016048) zijn opgenomen in bijlage 3.
Tabel 8: Toetsingsresultaten grond Monster- Analyseresultaat Indicatieve toetsing Deelmonsters Grondsoort/ bijzonderheden code Wbb Bbk/ CROW 400 Zand, siltig / zeer zwakke 01.2+02.1+03.2+04.1+ Wonen/ MM01.01 bijmenging aan baksteen, 05.1+06.1+07.2+08.1 >AW: Hg, Pb, Zn, Basishygiëne metselpuin of kolengruis PAK 09.1+10.1+12.1+13.1+ Zand, siltig / sporen baksteen dan Industrie/ MM02.01 15.1+22.1 wel kolengruis Basishygiëne 14.1+18.1+19.2+20.1+ MM03.01 Zand, siltig -kleiig / geen zie uitsplitsing zie uitsplitsing 21.1+24.2 Uitsplitsing MM03.01 M03.02* 14.1 Zand, kleiig / geen Wonen/ M03.03* 18.1 >AW: Hg, Pb Basishygiëne M03.04* 19.2
M03.05* 20.1 Zand, siltig / geen Altijd toepasbaar**/ M03.06* 21.1 -** Basishygiëne M03.07* 24.2 Zand, siltig/ sporen baksteen tot Industrie/ MM04.01 29.1+31.1+33.1+37.1 >AW: Pb, Zn, PAK matig baksteenhoudend Basishygiëne 25.1+28.1+30.1+32.1+ MM05.01 35.1+36.1+38.1+39.1+ Zand, siltig/ plaatselijk sporen grind 40.1 Altijd toepasbaar/ 01.3+03.3+04.2+06.2+ - MM06.01 Zand, siltig / geen Basishygiëne 07.3+08.2+09.2+10.2 11.2+14.3+17.2+19.3+ MM07.01 Zand, siltig-kleiig/ geen 22.2
15 I 18
M20018 Verkennend bodemonderzoek
Bloemwijk te Alkmaar
Vervolg tabel 8: Toetsingsresultaten grond Monster- Analyseresultaat Indicatieve toetsing Deelmonsters Grondsoort/ bijzonderheden code Wbb Bbk/ CROW 400 30.2+30.3+36.2+36.3+ Wonen/ MM0801 >AW: Pb, PAK 37.4+40.4+40.5 Basishygiëne 27.2+29.2+31.2+33.2+ Altijd toepasbaar**/ MM09.01 Klei, zandig/ geen -** 34.2+37.3 Basishygiëne - Geachte kleiner of gelijk aan achtergrondwaarde (niet verontreinigd) >AW Gehalte groter dan de achtergrondwaarde en kleiner dan of gelijk aan de tussenwaarde (licht verontreinigd); >T Gehalte groter dan tussenwaarde maar kleiner dan interventiewaarde (matig verontreinigd) * Bij toetsing resultaten van mengmonster MM03.01 gecombineerd met resultaat lood (Pb) voortkomend uit separate analyse ** Op basis van artikel 4.2.2 uit de Regeling bodemkwaliteit Hg, Pb, Zn Hg: kwik, Pb: lood, Zn: zink PAK PAK: polycyclische aromatische koolwaterstoffen
Uit tabel 8 wordt opgemaakt dat: de zandige bovengrond op het noordelijk deel van de onderzoekslocatie, waarin een zeer zwakke tot zwakke bodemvreemde bijmenging is aangetroffen (MM01.01 en MM02.01), licht is verontreinigd met kwik, lood, zink en PAK. Bij toetsing aan de normen uit het Besluit bodemkwaliteit wordt de betreffende bovengrond geclassificeerd als ‘Wonen’ tot ‘Industrie’; de zintuiglijk ‘schone’ zandige bovengrond op het noordelijk deel van de onderzoekslocatie (M03.02 t/m M03.07), na separaat onderzoek, niet tot ten hoogste licht is verontreinigd met kwik en lood. De betreffende bodemlaag wordt in het kader van het Besluit bodemkwaliteit geclassificeerd als ‘Altijd toepasbaar’ tot ‘Wonen’; de zandige bovengrond op het zuidelijk deel van de onderzoekslocatie, waarin een zeer zwakke tot matige bodemvreemde bijmenging is aangetroffen (MM04.01), licht is verontreinigd met lood, zink en PAK.
In het kader van het Besluit bodemkwaliteit wordt de betreffende bovengrond geclassificeerd als ‘Industrie’; de zintuiglijk ‘schone’ zandige bovengrond (MM05.01) op het zuidelijk deel van de onderzoekslocatie niet is verontreinigd met de geanalyseerde parameters en in het kader van het Besluit bodemkwaliteit geclassificeerd wordt als ‘Altijd toepasbaar’; de zandige ondergrond op het noordelijk deel van de onderzoekslocatie (MM06.01 en MM07.01) niet is verontreinigd met de geanalyseerde parameters en in het kader van het Besluit bodemkwaliteit geclassificeerd wordt als ‘Altijd toepasbaar’; de zandige ondergrond op het zuidelijk deel van de onderzoekslocatie (MM08.01) licht is verontreinigd met lood en PAK en in het kader van het Besluit bodemkwaliteit gekwalificeerd wordt als ‘Wonen’; de plaatselijk aangetroffen kleiige bodemlaag op het zuidelijk deel van de onderzoekslocatie (MM09.01) niet is verontreinigd met de geanalyseerde parameters en in het kader van het Besluit bodemkwaliteit geclassificeerd wordt als ‘Altijd toepasbaar’. bij eventuele toekomstige graafwerkzaamheden geen veiligheidsklasse van toepassing is. Echter voor alle werkzaamheden waarbij grond wordt geroerd moet in ieder geval een minimaal niveau van risicobeheersing in acht worden genomen. Dit niveau staat bekend als de basishygiëne.
4.3 Resultaten grondwater In tabel 9 op de volgende pagina worden de analyseresultaten van de grondwateranalyse weergegeven. Het analysecertificaat (nummer: 1018413) is opgenomen in bijlage 3.
16 I 18
M20018 Verkennend bodemonderzoek
Bloemwijk te Alkmaar
Tabel 9: Toetsingsresultaten grondwater Peilbuis Filterstelling (m-mv) Bijzonderheden Analyseresultaat
06 1,7-2,7
14 1,3-2,3 geen - 30 1,3-2,3
37 1,8-2,8
- : Gehalte kleiner dan de streefwaarde (niet verontreinigd);
Uit tabel 9 wordt opgemaakt dat het grondwater ter plaatse van alle vier de peilbuizen niet verontreinigd is met de geanalyseerde parameters.
4.4 Resultaten asbestonderzoek In de grove fractie (>20 mm) van de opgegraven funderingslaag is geen asbestverdacht materiaal waargenomen. Van de fijne fractie (<20 mm) is één representatief mengmonster samengesteld. In tabel 10 zijn de resultaten van het asbestonderzoek samengevat. Het analysecertificaat (1016809) van het asbestonderzoek is opgenomen in bijlage 3.
Tabel 10: Toetsingsresultaten asbestonderzoek Gewogen gehalte asbest in mg/kg d.s. Gat Laag (m-mv) Fractie > 20 mm (plaatmateriaal) Fractie < 20 mm Totaal
17avm 0,05-0,3 n.v.t. <0,4 <0,4
Uit bovenstaande tabel wordt opgemaakt dat zowel visueel (fractie >20 mm) als analytisch (fractie < 20 mm) in de funderingslaag ter plaatse van boring 17 geen asbest is aangetroffen. De interventiewaarde (hergebruiksnorm) voor asbest wordt niet overschreden.
17 I 18