4. Legesverordening Alkmaar 2024
Tekst van het document
Artikel 9. Voorlopige/definitieve aanslag. Vooral bij aanvragen omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen, waar de hoogte van de te heffen leges is gekoppeld aan de hoogte van de te realiseren bouwsom, is het ook voor aanvrager en/of de gemeente niet altijd mogelijk van te voren een correcte inschatting te maken van de feitelijke bouwkosten. Daarom kan er bij het indienen van de aanvraag een voorlopige heffing worden opgelegd. Die voorlopige heffing dient dan direct na gereed melding van het bouwwerk en de acceptatie daarvan door de gemeente, te worden gevolgd door een opgave door vergunninghouder van de definitief gemaakte bouwkosten De bevoegdheid tot het opleggen van een naheffingsaanslag
Legesverordening 2024 51
vervalt op grond van artikel 20, derde lid, van de AWR vijf jaren na het tijdstip waarop de belastingschuld is ontstaan. Ter verificatie zal daarvoor in de regel een accountantsverklaring of een daaraan door het college van burgemeester en wethouders gelijk te stellen verklaring moeten worden overgelegd. Daarna volgt de definitieve heffing. Als die hoger ligt dan de primaire volgt een navordering. Als die lager ligt dan de primaire vordering volgt een terugbetaling van het te veel betaalde. De teruggaaf wordt dan ambtshalve verleend (artikel 65 AWR). Van toepassing is dan de Legesverordening zoals die gold op het moment dat de aanvraag. Voor de toepassing van dit artikel ontstaat de belastingschuld vervolgens op het moment waarop aanvrager zijn afrekening indient, of het moment waarop de gemeente deze afrekening, vanwege het in gebreke blijven van aanvrager, zelf vast stelt. Omdat een naheffing of teruggave meestal geruime tijd tot aan meerdere jaren plaatsvindt nadat de primaire heffing heeft plaatsgevonden en het betreffende begrotingsjaar dan altijd is afgesloten in de jaarrekening, komen de naheffing ten gunste en de teruggave weer ten laste van het jaar waarin de naheffing plaatsvindt. Voor de berekening kostendekkendheid in het naheffing/teruggave jaar blijven deze zaken echter buiten beschouwing omdat anders de gegenereerde inkomsten een vertekend beeld zouden vertonen.
Artikel 10 Overdracht van bevoegdheden Bij wijzigingen in rijksregelgeving die gevolgen hebben voor de leges, kan de besluitvormingsprocedure voor belastingverordeningen (van ambtelijke voorbereiding tot en met raadsbesluit) belemmerend werken. Ook kan het gewenst zijn een redactionele wijziging op korte termijn door te voeren. Om de gewenste flexibiliteit en de te betrachten spoed te bereiken, kan de raad de bevoegdheid tot vaststelling van de legesverordening onder strikte voorwaarden aan het college overdragen (delegeren). Artikel 156, eerste en tweede lid, aanhef en onder h, van de Gemeentewet maakt dit mogelijk. Artikel 10 van de verordening voorziet in een beperkte overdracht van die vaststellingsbevoegdheid aan het college. In verband met dit artikel hebben wij artikel 156 van de Gemeentewet in de aanhef van de verordening genoemd. Op grond van artikel 10 is het college bevoegd tot wijziging van de legesverordening als sprake is van een zuiver redactionele wijziging (tekstuele wijzigingen die geen materiële gevolgen hebben) en bij wijzigingen in rijksregelgeving die direct moeten worden vertaald in de Verordening en/of de tarieventabel. Dan dient de implementatieperiode na bekendmaking in het Staatsblad of de Staatscourant korter te zijn dan drie maanden.
Het moet bovendien gaan om tariefbepalingen waarbij een rijkskostendeel onderdeel uitmaakt van het tarief of waarvoor bij of krachtens een wet een (maximum)tarief is gesteld. Daarnaast moet de raad niet zelf al met deze wijzigingen rekening heeft gehouden.
Implementatieperiode gewijzigde rijksregelingen. De implementatieperiode van drie maanden is de termijn die gemeenten doorgaans nodig hebben om een belastingverordening te wijzigen (van ambtelijke voorbereiding tot en met raadsbesluit). De implementatieperiode van drie maanden is ook opgenomen in aanwijzing 174 van de Aanwijzingen voor de regelgeving en in de zogenaamde Code Interbestuurlijke Verhoudingen (een afspraak tussen het kabinet, het Interprovinciaal Overleg (IPO) en de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) over hoe overheden met elkaar willen samenwerken, januari 2005). Voor wijzigingen in rijksregelgeving die meer dan drie maanden voor de inwerkingtreding officieel worden bekendgemaakt, blijft de raad altijd bevoegd. De beperking tot de situaties waarin de centrale overheid de hoogte van de tarieven (ook) is opgenomen in de verordening zelf. Een voorwaarde voor de uitoefening van de gedelegeerde bevoegdheid is verder dat de raad nog niet zelf bij het vaststellen van de verordening de wijziging heeft aangebracht of met de wijziging rekening
Legesverordening 2024 52
heeft gehouden (‘een en ander voor zover met deze wijzigingen niet al bij het vaststellen of latere wijziging van deze verordening bij raadsbesluit rekening is gehouden’).
Artikel 11. Overgangsrecht Voor de vraag welke legesverordening van toepassing is geldt de algemene regel, “die van het jaar waarin een aanvraag die aan legesheffing onderworpen is ingediend”. Dat geldt dan tot aan de definitieve afwikkeling ( betaling, naheffing, bezwaar en beroep). Om dat die zaak over de jaargrens heen kan schieten is dit overgangsrecht noodzakelijk.
Artikel 12 Inwerkingtreding . Vanaf 1 januari 2014 is bekendmaking langs elektronische weg verplicht voor de decentrale overheden en dus voorwaarde voor de inwerkingtreding. Daarnaast geldt op grond van artikel 140 Gemeentewet en artikel 7, derde lid, van de Europese Dienstenrichtlijn dat de legesverordening elektronisch beschikbaar en raadpleegbaar moet zijn.
Legesverordening 2024 53