CConstaterende datAlkmaar
Koppel je AI →
Document · PDF

260205 Raadsinformatiebrief Update over de GGD HN - bijlage 3

Gemeenteraad 19 februari 2026, gemeente AlkmaarBij agendapunt: Voorstel tot afdoening lijst van ingekomen stukken23.263 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Risicotaxatie en veiligheidsbeoordeling ter voorkoming van fataal geweld

Goed kijken en <<Ondertitel>> echt zien <<Ondertitel>> <<Ondertitel>> <<Ondertitel>> 1

Risicotaxatie en veiligheidsbeoordeling ter voorkoming van fataal geweld

Goed kijken en echt zien EINDRAPPORT

Auteurs Luna van Dijk Jasmijn Groen Katrien de Vaan

Aan dit onderzoek is bijgedragen door vertegenwoordigers van de volgende partijen in Europees en Caribisch Nederland: Veilig Thuis, Nationale Politie, Valente, Blijfgroep, Moviera, Openbaar Ministerie, De Waag, 3RO (reclassering), Raad voor de Kinderbescherming, Krusada, ZJCN Jeugdzorg, Akseso, Politie Caribisch Nederland, Mental Health Caribbean, Stichting Reclassering Caribisch Nederland, AMHK en vrouwenopvang Saba en Sint Eustatius. Zonder hen had het onderzoek niet uitgevoerd kunnen worden. We zijn hen dan ook zeer erkentelijk voor hun bijdrage.

Amsterdam, 11 december 2025 Publicatienr. 25045

© 2025 Regioplan, in opdracht van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport Het gebruik van cijfers en/of teksten als toelichting of ondersteuning in artikelen, scripties en boeken is toegestaan mits de bron duidelijk wordt vermeld. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand en/ of openbaar gemaakt in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen of op enige andere manier zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van Regioplan. Regioplan aanvaardt geen aansprakelijkheid voor drukfouten en/of andere onvolkomenheden.

2

Inhoudsopgave 1

2

3

4

Inleiding .............................................................................................................................................................. 5 1.1

Aanleiding voor het onderzoek .......................................................................................................................... 5

1.2

Doel- en vraagstelling ........................................................................................................................................ 5

1.3

Aandachtspunten bij de doel- en vraagstelling ................................................................................................. 6

1.4

Aanpak van het onderzoek ................................................................................................................................ 7

1.5

Leeswijzer........................................................................................................................................................... 8

Analysekader ..................................................................................................................................................... 10 2.1

Onderbouwing analysekader ........................................................................................................................... 10

2.2

Analysekader ................................................................................................................................................... 12

Analyse van gebruikte instrumenten ................................................................................................................. 14 3.1

Inventarisatie instrumenten ............................................................................................................................ 14

3.2

Wijze van gebruik instrumenten ...................................................................................................................... 14

3.3

Analyse............................................................................................................................................................. 18

3.4

Randvoorwaarden ........................................................................................................................................... 21

3.5

Bevindingen ..................................................................................................................................................... 22

Samenwerking ................................................................................................................................................... 25 4.1

5

6

Fases van samenwerking tussen betrokken partijen ....................................................................................... 25

Oplossingsrichtingen ......................................................................................................................................... 32 5.1

Fase 1 – Handelen op een signaal/melding/incident ....................................................................................... 33

5.2

Fase 3 – Vertragen en verdiepen ..................................................................................................................... 35

5.3

Overkoepelende ontwikkelpunten ................................................................................................................... 38

Conclusie ........................................................................................................................................................... 40 6.1

Beantwoording hoofdvraag ............................................................................................................................. 40

6.2

Onderbouwing ................................................................................................................................................. 41

6.3

Afsluitende aanbevelingen .............................................................................................................................. 44

Bijlage 1 – In de literatuurstudie geïncludeerde studies ............................................................................................. 47 Bijlage 2 – Analysekader ............................................................................................................................................. 48

3

1. Inleiding

4

1

Inleiding

1.1 Aanleiding voor het onderzoek Er is de laatste tijd veel aandacht voor fataal geweld in de relationele sfeer. Femicide (in de brede definitie van moord op vrouwen) krijgt in dat kader veel aandacht, maar fataal geweld in de relationele sfeer betreft ook moord op kinderen door één van de ouders (vaak de vader), moord op een ouder door een kind, en moord op mannen door hun (ex-)partner (in een zeer beperkt aantal gevallen vrouwelijke (ex-)partner). Fataal geweld in de relationele sfeer heeft een grote impact, zowel maatschappelijk als persoonlijk, en ook op de professionals die beroepsmatig met betrokkenen bij deze moorden werken. Het is dan ook van groot belang om risico’s op fataal geweld in de relationele sfeer in een zo vroeg mogelijk stadium te herkennen en daar adequaat op te handelen. Niet elke moord of ernstige escalatie is te voorkomen, maar op dit moment wordt achteraf nog te vaak geconstateerd dat een adequate en tijdige herkenning van signalen door professionele partijen in onderlinge samenwerking onvoldoende plaatsvond.

In het Plan van aanpak Stop Femicide! uit 2024 is het voornemen opgenomen om te onderzoeken hoe veiligheids- en risicobeoordeling beter kan: ‘Uit de dramatische verhalen van nabestaanden van vrouwen die door hun (ex-)partner of familielid zijn omgebracht, blijkt dat er in een aantal gevallen vaker bij instanties zoals Veilig Thuis, politie of een ggz-instelling is aangeklopt, maar dat signalen niet als onveilig of risicovol werden ingeschat, met uiteindelijk noodlottige gevolgen. Dit kan en mag niet gebeuren. Wie in (Caribisch) Nederland de moed heeft om uit een onveilige thuissituatie te ontsnappen en aanklopt bij de bevoegde instanties, moet ervan op aan kunnen dat de instanties hun signalen serieus nemen en verder onderzoeken als dat nodig is. Dat is niet alleen een verdragsrechtelijke verplichting, maar volgens het kabinet ook een morele plicht van de overheid. Op basis van een goede veiligheids- en risicobeoordeling kunnen eerder de juiste interventies worden ingezet om het geweld te stoppen en dodelijk geweld te voorkomen. In opdracht van de staatssecretaris van VWS en de minister voor Rechtsbescherming wordt in 2024 wetenschappelijk onderzocht of en hoe een veiligheids- en risicobeoordeling door onder andere Veilig Thuis en politie eerder en beter kan plaatsvinden.

Daarbij gaan we er onder andere voor zorgen dat geweldspatronen en de bekende rode vlaggen van femicide daarin een duidelijke plek krijgen. Op die manier kan op het juiste moment het juiste instrument worden gebruikt en verwachten we dat hoog risico-situaties eerder kunnen worden herkend. Ook zal daarbij, gesterkt door de aanbevelingen van GREVIO op dit punt, worden onderzocht hoe de veiligheidsen risicobeoordelingen door de verschillende organisaties beter op elkaar kunnen aansluiten, of mogelijk ook in elkaar kunnen opgaan.’1

1.2 Doel- en vraagstelling Het doel van dit onderzoek is om te komen tot een advies aan de kernpartijen2 over de verbetering van (het gebruik van) de instrumenten voor veiligheids- en risicobeoordeling bij HGKM. Het achterliggende maatschappelijke doel is dat de betrokken organisaties in onveilige situaties risico- en beschermende factoren snel en goed in beeld hebben. Zodat zij tijdig passende hulp en maatregelen kunnen inzetten/nemen, gericht op het bereiken van directe, stabiele en duurzame veiligheid en ter voorkoming van verdere escalatie of fataal geweld. De centrale vraag voor het onderzoek betreft: • Welke instrumenten voor veiligheidsbeoordeling en risicotaxatie moeten door welke partij(en), in welke samenstelling, op welk moment en op welke manier worden ingezet, zodat zij tijdig passende veiligheidsmaatregelen en hulp kunnen inzetten? Daaronder vallen de volgende vier deelvragen: 1. Wat zijn de meest gebruikte instrumenten voor veiligheidsbeoordeling en risicotaxatie die de partijen in Europees en Caribisch Nederland gebruiken bij de aanpak van HGKM? Op welk moment en hoe worden die instrumenten gebruikt? 2.

In hoeverre worden de in de recente (wetenschappelijke) literatuur beschreven risico- en beschermende factoren voor HGKM, en specifiek voor fataal geweld, waaronder femicide, goed in beeld gebracht en tijdig meegenomen in de meest gebruikte instrumenten voor veiligheidsbeoordeling en risicotaxatie in Europees en Caribisch Nederland?

1 Stop Femicide! Plan van aanpak om dodelijk geweld tegen vrouwen en meisjes door (ex-)partner of familie te voorkomen (2024), p. 45. 2 Kernpartijen: Veilig Thuis, politie, Openbaar Ministerie, reclassering, Raad voor de Kinderbescherming, vrouwenopvang, ambulante forensische ggz in

Europees en Caribisch Nederland.

5

3. Zijn er (inhoudelijke) verbeteringen nodig in de bestaande instrumenten die in Europees en Caribisch Nederland worden gebruikt, of is de ontwikkeling van nieuwe instrumenten nodig, om de effectiviteit van de veiligheidsbeoordeling en risicotaxatie bij HGKM te vergroten, ter voorkoming van verdere escalatie of fataal geweld (femicide)? 4. Welke samenwerkingsafspraken en randvoorwaarden zijn in Europees Nederland nodig voor een effectieve veiligheidsbeoordeling en risicotaxatie bij HGKM, ter voorkoming van verdere escalatie of fataal geweld (femicide)? Uit de onderzoeksvragen vloeit voort dat het eerste deel van het onderzoek zich richt op zowel Europees als Caribisch Nederland. Het tweede deel van het onderzoek, waarin de samenwerking tussen kernpartners bij de inzet van veiligheids- en risicobeoordeling wordt onderzocht, vindt alleen plaats in Europees Nederland.

1.3 Aandachtspunten bij de doel- en vraagstelling Het onderzoek richt zich op het tijdig signaleren van en adequaat handelen op risico’s op fataal geweld. In dit kader wordt in het onderzoek gekeken naar alle vormen van huiselijk geweld (fysiek geweld, seksueel geweld, psychisch geweld en schadelijke praktijken) en ook naar risico’s voor anderen dan de (ex-)partner. Er wordt gekeken naar zowel mannelijke als vrouwelijke daders en slachtoffers, waarbij wel in ogenschouw genomen wordt dat fataal geweld in huiselijke kring in grotere mate vrouwelijke slachtoffers kent (en dat dus ook gendersensitiviteit van belang is in de verbetering van veiligheids- en risicobeoordeling). Onder gendersensitiviteit wordt verstaan dat er in de aanpak rekening wordt gehouden met gender3 en met genderongelijkheid als oorzaak van het ontstaan van het geweld. In de aanpak is men zich bewust van en houdt men rekening met de verschillen in macht, afhankelijkheid en wederzijdse verwachtingen die uit genderrollen voortvloeien. Ook is er oog voor de druk die de maatschappij en sociale netwerken kunnen leggen op partnerrelaties.

4 GREVIO, de commissie van onafhankelijke experts die de implementatie van het Verdrag van Istanbul tegen geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld periodiek evalueert, wijst in haar meest recente rapport5 op het belang van gendersensitiviteit bij risicoanalyse, om risico’s tijdig te herkennen en op waarde te kunnen schatten. De daarvoor benodigde kennis is er volgens GREVIO nog onvoldoende: geweld wordt door professionals nog te vaak gezien als iets neutraals, dat mannen en vrouwen in gelijke mate kan overkomen. Het doel van veiligheidsbeoordeling en risicotaxatie is uiteraard om risico’s in een zo vroeg mogelijk stadium te herkennen, en niet pas als het vijf voor twaalf is; en om ze ook te herkennen situaties waarin er geen acuut incident is, maar wel sprake is van structurele onveiligheid. Jane Monckton Smith6 gebruikt een analysemodel dat in dat kader verleidelijk eenvoudig lijkt: de verschillende fasen in dat model volgen elkaar op, met femicide als uiterste escalatie. Je zou dan denken: als het lukt om de eerdere fasen beter te herkennen, wordt het mogelijk om vroegtijdig te handelen.

De praktijk is echter weerbarstiger: ja, het is belangrijk om te weten welke stappen in een relatie voorafgaan aan escalatie naar fataal geweld, maar nee, niet elke moord wordt door al die stappen (en door dwingende controle/intieme terreur – in dit rapport verder dwingende controle genoemd) voorafgegaan en bovendien zal lang niet elke situatie al in de eerdere stappen zichtbaar zijn bij professionals. Veiligheidsbeoordeling en risicotaxatie met het oog op fataal geweld draait vooral om zicht krijgen op de patronen die samen het risico op fataal geweld vormen. Terugkijken naar eerdere fasen in de relatie is daarbij essentieel. We kijken daarom in dit onderzoek naar hoe casussen bij de kernpartners in beeld kunnen komen, en onderscheiden daarbij een incident (acuut) van signalen die buiten specifieke incidenten kunnen en moeten worden waargenomen (structureel). We lichten dat in hoofdstuk 4 verder toe. Voor veiligheidsbeoordeling en risicotaxatie gebruiken organisaties en professionals binnen die organisaties instrumenten. Het doel van het onderzoek is om in kaart te brengen of die instrumenten, die vaak met een ander doel voor ogen zijn ontwikkeld, geschikt zijn voor het zien en wegen van risico’s op fataal geweld.

Daarbij zijn uiteraard factoren als de kwaliteit en inhoud van het instrument zelf, de deskundigheid van de gebruiker en de beschikbare tijd voor het invullen belangrijke randvoorwaarden. Samenwerking is dat ook. Essentieel voor het signaleren van fataal geweld is namelijk het kunnen zien van patronen, en dat vereist dat informatie uit verschillende bronnen bij elkaar komt. Informatie moet er immers eerst zijn, voordat die gebruikt kan worden bij het invullen van instrumenten voor veiligheidsbeoordeling en risicotaxatie. Dat bij elkaar komen van informatie kan alleen als die bronnen (lees: organisaties) met elkaar samenwerken en informatie delen. Een belangrijk onderdeel van dit onderzoek was dan ook het onderzoeken van de feitelijke 3

De maatschappelijke interpretatie van mannelijke en vrouwelijke rollen (historisch gegroeid, cultureel bepaald, afhankelijk van sociale, politieke en culturele context). 4 Bron: Handreiking voor gemeenten (College voor de Rechten van de Mens, 2021). 5 Building trust by delivering support, protection and justice. Netherlands First thematic evaluation report (GREVIO, 21 oktober 2025). 6 J. Monckton Smith (2022) In Control. Dangerous relationships and how they end in murder (Bloomsbury).

6

samenwerking voor veiligheidsbeoordeling en risicofactoren, en het identificeren van verbeterpunten daarin. Dat leidt tot een afgewogen advies dat niet alleen ingaat op het instrumentarium, maar overstijgend daaraan inzet op het op de juiste manier en op het juiste moment bij elkaar komen van de signalen, die met dat instrumentarium dienen te worden gezien en op waarde geschat.

1.4 Aanpak van het onderzoek De aanpak van het onderzoek was als volgt: Stap 1. Voorbereiding

2. Inventarisatie & analyse in Europees en Caribisch Nederland 3. Onderzoek naar gebruik & samenwerking in Europees Nederland 4. Analyse en rapportage

Doel Kaders inrichten voor de uitvoering van het onderzoek: vaststellen aanpak en planning, realiseren medewerking stakeholders Beantwoording onderzoeksvragen 1 t/m 3

Beantwoording onderzoeksvragen 3 en 4

Overzichtelijk presenteren uitkomsten onderzoek en integrale beantwoording onderzoeksvragen.

Aanpak • Startoverleg met opdrachtgever • Presentatie tijdens themamiddag • Stakeholders informeren • Literatuuronderzoek • Opstellen en vaststellen analysekader • Inventarisatie van gebruikte instrumenten • Analyse instrumenten m.b.v. analysekader • Digitale interviews • Beschrijving voorbeeldcasussen • Analysesessies samenwerking • Opstellen eerdere bevindingen • Ontwerpsessie • Rapportage/advies

Het eerste deel van het onderzoek (stap 2) had betrekking op zowel Europees als Caribisch Nederland. Het tweede deel van het onderzoek, waarin nader werd ingezoomd op het gebruik van de instrumenten, is alleen in Europees Nederland uitgevoerd. Naar verwachting wordt dit in de toekomst ook in Caribisch Nederland uitgevoerd. Nu werd dat nog prematuur geacht. De aandacht voor en aanpak van fataal geweld in Caribisch Nederland vraagt eerst nog verdere ontwikkeling, voordat onderzoek naar de uitvoeringspraktijk en samenwerking daarin zinvol is. In Europees Nederland zijn de partners in de netwerksamenwerking van Veiligheid Voorop (politie, OM, Veilig Thuis, reclassering (3RO), Raad voor de Kinderbescherming) betrokken in het onderzoek, aangevuld met de vrouwenopvang (Valente) en ambulante forensische ggz (De Waag). In Caribisch Nederland zijn de volgende partijen betrokken: de adviesen meldpunten HGKM op Saba en Sint-Eustatius, de Stichting Reclassering CN, Akseso, Krusada, ZJCN Jeugdzorg en Mental Health Caribbean (Bonaire en Sint-Eustatius & Saba). Er is ontzettend veel geschreven over veiligheidsbeoordeling en risicotaxatie op het gebied van HGKM.

De literatuurstudie voor dit onderzoek is beperkt tot literatuur die in het Nederlands en Engels beschikbaar is en algemeen toegankelijk is via open wetenschappelijke databases op internet (zoals Google Scholar en ResearchGate), die actuele toonaangevende studies op het gebied van fataal geweld in de familiale sfeer betreft, waaronder femicide, en die zich richt op metastudies van onderzoeken op het gebied van veiligheids- en risicotaxatie. Bijlage 1 bevat een overzicht van de gebruikte literatuur. Ook voor het instrumentarium geldt dat dit heel divers en omvangrijk is. In het onderzoek zijn instrumenten geïncludeerd die: • zich richten op het bepalen van de mate van (on)veiligheid en het bepalen van aspecten van geweld. Instrumenten die zich richten op het in kaart brengen van de gevolgen van het geweld of het beoordelen van psychisch welzijn zijn bijvoorbeeld buiten beschouwing gelaten; • in de praktijk zijn gevalideerd, wat betekent dat er onderzoek is gedaan waaruit blijkt dat ze geschikt zijn voor het doel waarvoor ze worden ingezet; • zich richten op vormen van geweld die binnen de afbakening van het onderzoek vallen.

7

1.5 Leeswijzer Het rapport is als volgt opgebouwd. Hoofdstuk 2 bevat een toelichting op de totstandkoming van het analysekader, dat het resultaat is van de uitvoerde literatuurstudie. Het analysekader zelf is opgenomen in bijlage 2. De uitkomst van de analyse van de meeste gebruikte instrumenten in Europees en Caribisch Nederland langs de lat van het analysekader staat beschreven in hoofdstuk 3. Daarin wordt ook ingegaan op het gebruik van de instrumenten en daarvoor geldende randvoorwaarden. Hoofdstuk 4 beperkt zich tot Europees Nederland en beschrijft de samenwerking bij de inzet van de instrumenten. Hoofdstuk 5 gaat in op oplossingsrichtingen voor de geconstateerde knelpunten.

8

2. Analysekader

9

2

Analysekader

2.1 Onderbouwing analysekader Het doel van het onderzoek is om een bijdrage te leveren aan het verbeteren van de veiligheids- en risicobeoordeling in de aanpak van huiselijk geweld en kindermishandeling, zodat vroegtijdiger zicht ontstaat op dreigende escalatie van onveiligheid en mogelijk fataal geweld. Er wordt in dat kader gekeken naar alle geweldsvormen die erop kunnen wijzen dat er sprake is van een vorm van dwingende controle/intieme terreur in een casus en die een aanloop kunnen vormen naar fataal geweld, voortvloeiend uit die specifieke vorm van gebruik van macht en controle in een relatie tussen (ex-)partners. Daar wordt gekeken naar alle vormen van huiselijk geweld (fysiek geweld, seksueel geweld, psychisch geweld en schadelijke praktijken) en wordt ook gekeken naar risico’s voor anderen dan de (ex-)partner. Er wordt gekeken naar zowel mannelijke als vrouwelijke daders en slachtoffers, waarbij wel in ogenschouw genomen wordt dat fataal geweld in huiselijke kring in grotere mate vrouwelijke slachtoffers kent (en dat dus ook gendersensitiviteit van belang is in de verbetering van veiligheids- en risicobeoordeling). 2.1.1 Methodologische verantwoording Zoekstrategie en selectiecriteria De literatuur is verzameld op basis van een vooraf opgestelde zoekstrategie.

Hierbij is gebruikgemaakt van de volgende zoektermen: "femicide”, “intimate partner violence", “intimate partner femicide", "domestic violence", “intimate partner aggression", “violence against women", "gender violence” en “gender-based violence” in combinatie met "risk assessment", “safety assessment", en "red flags”. De zoekopdrachten zijn uitgevoerd binnen de databases Google Scholar en ResearchGate, evenals binnen het tijdschrift Journal of Interpersonal Violence. Daarnaast is de sneeuwbalmethode toegepast, waarbij relevante literatuur is opgespoord via verwijzingen in al geselecteerde studies. Voor de selectie van studies zijn de volgende criteria gehanteerd: peer-reviewed artikelen, focus op de afbakening van het object van onderzoek (zoals hierboven beschreven), beschikbaar in het Engels of Nederlands, aard onderzoek (metastudie), en actualiteit. Een overzicht van de dertien geïncludeerde reviews is opgenomen in bijlage 1. Uit elk van deze dertien studies zijn de significante risicofactoren geëxtraheerd. Deze risicofactoren zijn vervolgens gegroepeerd in vijf thematische categorieën: 1. Persoons- en demografische kenmerken dader Deze categorie omvat demografische factoren zoals leeftijd en etniciteit, maar ook andere factoren zoals mentale gezondheid, middelengebruik en meer. 2.

Persoonskenmerken slachtoffer Deze categorie omvat dezelfde factoren als bij categorie 1, alleen gaat het hier over factoren van het slachtoffer. Deze factoren kunnen wijzen op kwetsbaarheid, wat het risico op fataal geweld vergroot. 3. Voorgeschiedenis van geweld en dreiging Deze categorie bevat factoren zoals het hebben van een strafblad, aanwezigheid van een geweldsgeschiedenis, en eerdere relaties waar de dader macht en controle uitoefende over zijn of haar partner. 4. Relationele factoren waaronder coercive control Hieronder vallen factoren zoals recente relatiebreuk, jaloezie, controlerend gedrag en andere vormen van coercive control. Deze factoren zijn vaak aanwezig bij vormen van partnergeweld die kunnen leiden tot partnermoord. In deze categorie is een subcategorie gemaakt: context. Binnen deze subcategorie zijn de volgende factoren opgenomen: stiefkinderen in huis (biologisch niet van de dader) en de houding van de (ex)partner tegenover o.a. huiselijk geweld en vrouwen. Laatstgenoemde betreft bijvoorbeeld het neutraliseren van verantwoordelijkheid, patriarchale waarden, vrouw is inferieur, ziet zichzelf als slachtoffer etc. 5. Beschikbaarheid/toegang tot middelen van geweld Hier gaat het om toegang hebben tot wapens. Deze categorieën zijn gemaakt om de veelheid aan factoren overzichtelijk te ordenen.

De categorieën weerspiegelen belangrijke elementen uit de homicide timeline van Jane Monckton-Smith.1 Haar model beschrijft acht opeenvolgende fasen in de opbouw naar fataal partnergeweld, en biedt daarmee een belangrijke kapstok voor het herkennen van risicodynamieken binnen relaties.2 Hoewel in dit project niet is gekozen om dit model een-op-een over te nemen in het analysekader, onder meer vanwege beperkte wetenschappelijke onderbouwing, vormt het model alsnog een relevante leidraad. In diverse relevante artikelen wordt verwezen naar de homicide timeline. Zo beargumenteert Ine Avontuur in haar artikel over risicotaxatie in het familie- en jeugdrecht dat de homicide timeline een goed inzetbare tool is, omdat de

10

risico's voor kinderen nadrukkelijk een punt van aandacht zijn.3 In de Signalenwijzer Femicide en intieme terreur van het Expertisecentrum huiselijk geweld en kindermishandeling en in een recent artikel van het Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde wordt eveneens gewezen op het belang van de homicide timeline van Monckton Smith.4 Hoewel de homicide timeline een belangrijk kader biedt, blijkt uit onderzoek dat voortbouwt op dit model dat de dynamiek richting fataal partnergeweld in de praktijk complexer en minder lineair kan verlopen dan de acht opeenvolgende fasen doen vermoeden. Het model vormt een ‘blueprint’ voor het begrijpen van fataal partnergeweld, maar er bestaan meerdere wegen naar fataal geweld. Zoals volgt uit de volgende drie onderscheiden typen daders, blijkt ook dat coercive control niet altijd voorafgaat aan femicide.7 1. De controlerende dader Dit is de meest voorkomende groep en sluit nauw aan bij het model van Monckton-Smith. Bij deze daders is sprake van een patroon van coercive control, waaronder isolatie, jaloezie, dreiging en stalking. Vaak is er een voorgeschiedenis van huiselijk geweld en zijn er eerdere meldingen bekend bij de politie. Het geweld escaleert vooral bij een (dreigende) relatiebreuk, waarbij het verlies van controle de aanleiding vormt tot de moord. 2.

De suïcidale of depressieve dader Deze daders lijden aan psychische problemen, zoals depressie, angst of middelengebruik, en zijn hier soms voor onder behandeling. In tegenstelling tot de controlerende dader is er meestal geen langdurige voorgeschiedenis van geweld. De moord vindt vaak plaats als gevolg van de individuele problemen van de dader waarbij de dader ook van plan is zichzelf van het leven te beroven. Hier ontbreekt een patroon van coercive control. 3. De reactieve dader Bij dit derde type dader ontbreekt een patroon van coercive control ook. Het geweld ontstaat uit een plotselinge uitbarsting van woede, vaak in combinatie met alcohol of drugs. De dader reageert impulsief op een conflict of afwijzing. Er is geen sprake van voorbedachte rade of psychotische ontregeling. Deze typen daders zijn geen elkaar uitsluitende categorieën, er kan sprake zijn van overlap. Sommige daders vertonen kenmerken van meerdere typen. Voor dit onderzoek is het van belang te benadrukken dat niet alle plegers binnen de fasering van Monckton-Smith passen, en fataal partnergeweld ook kan ontstaan zonder voorafgaand patroon van coercive control.

Femicide versus (aanloop tot) fataal geweld binnen relaties gericht op (ook) anderen dan vrouwen In de literatuur wordt onderscheid gemaakt tussen femicide – gendergerelateerd fataal geweld tegen een vrouw (of meisje) waaraan de in een maatschappij geldende normen over (traditionele) genderrollen ten grondslag liggen8 – en bredere studies naar fataal partnergeweld, dat ook andere slachtoffers dan vrouwen kan omvatten (zoals mannen of kinderen). In dit onderzoek zijn beide typen studies meegenomen. Elk van de geïncludeerde studies is binnen een van de volgende categorieën geschaald: • Femicide Enkel fataal geweld van de man tegenover de vrouw in een (ex)partnerrelatie • IPV = Intimate Partner Violence Geweld tussen (ex)partners in een relatie die een aanloop zou kunnen vormen naar fataal geweld • IPH = Intimate Partner Homicide of domestic homicide Fataal geweld tussen (ex)partners) of tegenover iemand anders in de familiale sferen (ook kinderen) • IPS = Intimate Partner Stalking Stalken, wat wordt gezien als onderdeel van het gebruik van macht en controle in een relatie tussen (ex)partners Risicotaxatie versus veiligheidsbeoordeling Bij het zoeken naar relevante literatuur is gebruikgemaakt van zoektermen die verwijzen naar risicotaxatie en zoektermen die verwijzen naar veiligheidsbeoordeling.

In de internationale literatuur wordt voornamelijk geschreven over hybride instrumenten; instrumenten waarbij het inschatten van de veiligheidssituatie gecombineerd wordt met de risicotaxatie. In Nederland is dit, met het werken volgens de visie Gefaseerd samenwerken aan veiligheid, meer gefaseerd ingericht. Met de veiligheidsbeoordeling wordt eerst bepaald of er sprake is van acute onveiligheid; waar er wordt gekeken naar onveilig gedrag in het heden en verleden (fase 1). Risicofactoren en rode vlaggen worden hierbij meegenomen om de 7 Boxall et al., 2022. The “Pathway to intimate partner homicide” project – Key stages and events in male-perpetrated intimate partner homicide in

Australia. 8 Justitiële verkenningen. (2025). Femicide in perspectief (Jrg. 51, nr. 3).

11

mate van (on)veiligheid van de situatie in te schatten. Indien er sprake is van een acute onveilige situatie dient er direct actie te worden ondernomen om een structurele veilige situatie te creëren. Die veilige situatie moet er eerst zijn, pas dan kan een risicotaxatie plaatsvinden (fase 2). Met een risicotaxatie-instrument wordt geïnventariseerd wat de onderliggende problematiek van de onveilige situatie is. Op basis van de resultaten wordt besloten welke zorg en/of interventies passend zijn.

2.2 Analysekader We hebben de keuze gemaakt om in het analysekader (zie bijlage 2) geen algemene criteria, zoals middelengebruik en mentale problematiek te includeren. Uit de geanalyseerde reviews blijken deze weliswaar samen te hangen met (fataal) huiselijk geweld, maar deze factoren hangen samen met vrijwel álle vormen van criminaliteit. Door deze weg te laten uit het analysekader, willen we niet zeggen dat deze helemaal niet relevant zijn. Ze kunnen wel degelijk een rol spelen, maar dan in combinatie met andere factoren. Middelengebruik an sich vormt niet direct een risico voor (fataal) huiselijk geweld, maar in combinatie met factoren zoals stalking of dreiging met wapens kan het wél een verklaring vormen voor partnermoord. Om het analysekader beknopt en goed hanteerbaar te houden, en omdat we in ieder geval ook de factoren die specifiek samenhangen met fataal geweld terug willen zien in het gehanteerde instrumentarium, spitst dat zich toe op factoren die minder generiek zijn. Naast de aan fataal partnergeweld gerelateerde risicofactoren zijn drie andere factoren toegevoegd aan het analysekader. Dit zijn: Voorgeschiedenis van geweld en dreiging, aanwezigheid stiefkinderen in het huishouden en houding (ex)partner ten aanzien van huiselijk geweld/vrouwen. Deze drie factoren zijn als ‘overige factoren’ meegenomen in het analysekader.

Ze zijn meermaals als significant bestempeld voor (fataal) huiselijk geweld door de geïncludeerde reviews en worden daarom ook als belangrijk geacht om mee te nemen. Ze zeggen niet alleen iets over de dader, maar ook over structurele of relationele omstandigheden die van invloed kunnen zijn op het risico op fataal geweld. Zo komt een voorgeschiedenis van geweld ook terug in de homicide timeline van Jane Monckton-Smith en kan de aanwezigheid van stiefkinderen gelinkt worden aan een verhoogd risico op (fataal) huiselijk geweld, mogelijk vanwege gevoelens van jaloezie. De houding van een (ex-)partner ten aanzien van vrouwen en geweld kan bovendien een indicatie zijn van onderliggende denkbeelden die controlerend of gewelddadig gedrag in stand houden.

12

3. Analyse van gebruikte instrumenten

13

3

Analyse van gebruikte instrumenten

3.1 Inventarisatie instrumenten Onderstaande tabel 3.1 geeft een overzicht van de instrumenten die de betrokken partijen in Europees Nederland en Caribisch Nederland hanteren bij de beoordeling van veiligheid en risico’s in het kader van huiselijk geweld en kindermishandeling (HGKM). Elke partij heeft hierbij zelf aangegeven welke instrumenten zij gebruiken; deze zijn allemaal opgenomen in tabel 3.1 Daarbij moet worden opgemerkt dat niet alle genoemde instrumenten zich lenen voor verdere analyse. Het gaat hier specifiek om het Veiligheidsplan en het Afwegingskader vader-kindcontact van de partijen aangesloten bij het Landelijk Netwerk Vrouwenopvang (LNVO) en de Veiligheidskaart van De Waag. Dit wordt nader toegelicht. Tabel 3.1

Overzicht gebruik instrumenten Europees Nederlandse partijen en Caribisch Nederlandse (CN) partijen en grootte itemlijst +/Partij Instrument Grootte itemlijst +/LNVO GIA Risicoscreening 33 items De Waag, LNVO VAF-PR 27 items LNVO ARIJ 40 items LNVO RIIT 62 items RvdK, LNVO MASIC 89 items De Waag SDA-P 25 items De Waag Veiligheidskaart 3 items Politie SASH 15 items Politie RiHG 20 items Politie, 3RO, SRCN (CN) B-SAFER 15 items Veilig Thuis Triage-Instrument 36 items Akseso (CN), AMHK + vrouwenopvang Saba (CN), Krusada (CN) Kadera 23 items AMHK + vrouwenopvang Sint-Eustatius (CN) HAVIK 14 items MHC Bonaire (CN) LIRIK 51 items LNVO Veiligheidsplan 3 items Politie RI EGG 19 items

Uit de inventarisatie blijkt dat in Europees Nederland een breed scala aan instrumenten wordt toegepast, variërend van veiligheidsbeoordelingen tot gespecialiseerde risicotaxaties. Ook zijn er aanvullende instrumenten gericht op specifieke situaties, zoals inzet van de RI EGG bij vermoedens van eergerelateerd geweld of het RiHG wanneer er sprake is van de (mogelijke inzet van) een tijdelijk huisverbod. In Caribisch Nederland (CN) lijkt het gebruik van instrumenten minder ontwikkeld. Sommige partijen werken wel met instrumenten, en andere partijen geven aan geen instrumenten te hanteren (MHC Saba en Sint-Eustatius, ZVH Bonaire).

3.2 Wijze van gebruik instrumenten Naast de inventarisatie van de instrumenten, is gekeken op welk moment en hoe de instrumenten in de praktijk worden toegepast. Hiervoor is per partij nagegaan wie binnen de organisatie het instrument hanteert en wanneer in het werkproces het instrument wordt ingezet. Dit zal per partij kort worden toegelicht. De partijen die hierna als eerste volgen, zijn partijen die werkzaam zijn in Europees Nederland. LNVO De organisaties die zijn aangesloten bij het LNVO maken standaard gebruik van de GIA-risicoscreening en de Kindcheck voor het inschatten van de (acute) veiligheidssituatie. De GIA-risicoscreening wordt uitgevoerd om te achterhalen of de cliënt veilig kan worden opgevangen in de vrouwenopvang. Dit is opgenomen als vaste stap in de werkwijze van de betrokken organisaties en wordt doorgaans toegepast door hbo-geschoolde hulpverleners met ervaring en expertise op het gebied van huiselijk geweld. Deze screening wordt ingezet in de fase waarin directe veiligheid wordt beoordeeld, bij voorkeur vóór opname van de cliënt (bijvoorbeeld tijdens de intake of in een vervolggesprek). In het geval van een crisisplaatsing wordt de screening zo snel mogelijk alsnog uitgevoerd, idealiter op de eerstvolgende werkdag.

Vanuit de Kindcheck controleert de professional hoe de gezagsverhoudingen binnen het gezin liggen en wat de veiligheidssituatie is van de kinderen die niet meekomen naar de opvang. De Kindcheck wordt afgenomen tijdens de

14

allereerste intake door een professional. De Kindcheck is officieel geen instrument maar een onderdeel van stap 1 van de meldcode HGKM. Om deze reden is de Kindcheck niet meegenomen in de verdere analyse. Voor organisaties die werken met de Oranje Huis-aanpak is ook het Veiligheidsplan een verplicht instrument: dit zijn per 2025 acht van de twintig leden van het LNVO (in verschillende stadia van implementatie van deze methodiek). Daarnaast is er een toolbox ontwikkeld, bestaande uit allerlei verschillende risicotaxatie-instrumenten die in verschillende situaties aanvullend ingezet kunnen worden. Niet alle leden werken met elk instrument. Per instrument in de toolbox is aangegeven wat het doel van het instrument is, de doelgroep, wie het af mag nemen en op welk moment dit gebruikt dient te worden. Leden van het LNVO kunnen deze toolbox gebruiken en besluiten welk instrument passend is bij een specifieke casus. Zo heeft Blijf Groep aangegeven de VAF-PR (ontwikkeld door De Waag) te hebben ingezet als pilot. Met de VAF-PR vullen zowel de cliënt als partner van de cliënt een vragenlijst in om de aard en frequentie van het partnergeweld vast te stellen. Ook maakt Blijf Groep gebruik van de ARIJ, bestaande uit een risicotaxatie en veiligheidstaxatie. Deze wordt toegepast in samenwerking met jeugdbescherming of specialistische jeugdhulp.

Verder zet Blijf Groep bij vermoedens van dwingende controle de RIIT in. Dit gebeurt momenteel standaard op de locatie Amsterdam door de zorgcoördinator van het Kenniscentrum Intiem Terreur (KIT), en in de toekomst ook op andere locaties. Moviera gebruikt soms de MASIC. Dit is een gestructureerde methode voor screening op partnergeweld die kan worden ingezet bij complexe scheidingsproblematiek. Ambulante hulpverleners gebruiken dit instrument wanneer er behoefte is aan betere duiding van het geweld. Het kan namelijk voorkomen dat de verhalen van beide partners uiteenlopen en/of de geweldsdynamiek onduidelijk is. De MASIC wordt niet standaard ingezet tijdens het werkproces. Daarnaast hanteert Moviera aanvullend de Geweldsanalyse. Dit instrument wordt standaard in alle trajecten afgenomen als verdieping op de inhoud. De Geweldsanalyse is echter niet bedoeld om de taxatie van het geweld te doen. Om deze reden wordt de Geweldsanalyse niet meegenomen in de verdere analyse. De Waag De Waag maakt gebruik van meerdere instrumenten. Naast de eerdergenoemde inzet van de VAF-PR zet De Waag ook de SDA-P in. De VAF-PR wordt nog gevalideerd, waardoor deze nog niet standaard is opgenomen in het werkproces. Met de SDA-P worden acute, dynamische en statische risicofactoren structureel in kaart gebracht; het wordt ingevuld door de behandelaar van de cliënt.

Daarnaast wordt de Veiligheidskaart gebruikt. Na aanmelding bij De Waag volgt een intakegesprek met de pleger. In dit eerste gesprek wordt bij de pleger de VAF-PR afgenomen. Vervolgens wordt de partner van de pleger afzonderlijk uitgenodigd voor een gesprek en wordt de VAF-PR ook afgenomen bij de partner. De uitkomsten van beide vragenlijsten worden naast elkaar gelegd om vast te stellen of er aanwijzingen zijn voor dwingende controle. Als dit zo is, volgt de risicotaxatie en wordt de SDA-P ingezet om de dynamische en acute risicofactoren in kaart te brengen. Op basis van de SDA-P wordt de risicograad en intensiteit van de behandeling bepaald, waarna de behandeling start gericht op de geïdentificeerde risicofactoren. Politie Nederland De politie handelt volgens de afspraken van ‘Veiligheid Voorop’. Daarin is bepaald dat de politie bij elk vermoeden van HGKM melding maakt bij Veilig Thuis. Wanneer er sprake is van stalking, een risicofactor voor HGKM en mogelijk fataal (partner)geweld, voert de politie standaard een gestructureerde beoordeling uit aan de hand van de SASH. Dit instrument richt zich niet uitsluitend op stalking binnen relationale sferen, maar kan ook worden ingezet bij situaties zonder relatiegeschiedenis (denk aan een burgemeester die wordt lastiggevallen door een burger).

De SASH is daarmee breder van scope en fungeert als prioriteringsinstrument: het geeft een niveau van ongerustheid aan (laag, matig of hoog), maar voorspelt geen fataal geweld. Enkele factoren in het instrument hebben een sterretje (*), wat betekent dat de aanwezigheid van deze factor automatisch leidt tot een hoog niveau van ongerustheid. Naast de gescoorde factoren weegt ook het professionele oordeel van de politiemedewerker mee bij de uiteindelijke beoordeling van de mate van ongerustheid. Het SASH-formulier is onderdeel van het registratiesysteem van de politie. Per politie-eenheid kan het verschillen welke functie gekoppeld is aan het invullen van de SASH. In elke eenheid zijn er specialisten en taakaccenthouders huiselijk geweld, die als vraagbaak dienen en kunnen helpen in de aanpak van de casus en het invullen van de SASH.

15

Verder werken er binnen de politie ook recherchepsychologen die als specialisten in complexe casuïstiek, en als dat van meerwaarde is in de ketenaanpak, een uitgebreide risicotaxatie kunnen maken bij huiselijk geweld. Dit gebeurt op verzoek van collega’s en is dus geen standaard stap in het werkproces. De recherchepsychologen zijn getraind in het gebruik van diverse instrumenten op het thema van huiselijk geweld, zoals de SASH, SRP en de B-SAFER/SARA. De SRP, ook wel Stalking Risk Profile, hebben we niet kunnen ontvangen en wordt daarom ook niet meegenomen in de verdere analyse. Daarnaast kan een Hulpofficier van Justitie (HovJ) het RiHG invullen om te beoordelen of er bij een bepaalde situatie van (mogelijk) huiselijk geweld een tijdelijk huisverbod (THV) wordt opgelegd. Reclassering Binnen de reclassering wordt voor partnergeweld de B-SAFER gebruikt. Dit instrument is geïntegreerd in de digitale omgeving van de RISc, waar meerdere instrumenten in worden meegenomen. De RISc vormt de basis voor reclasseringsadviezen in alle fasen van het strafproces en wordt door alle reclasseringswerkers gebruikt. De RISc helpt bij het inschatten van het risico op recidive en bevat hulpmiddelen bij specifieke casuïstiek. Zo wordt er in het geval van partnergeweld standaard gebruikgemaakt van de B-SAFER. Deze wordt ingevuld door professionals die hiervoor specifiek getraind zijn.

Dit kan op elk moment in het reclasseringstraject plaatsvinden, en indien nodig worden herhaald. De B-SAFER wordt individueel ingevuld door de reclasseringswerker, maar de beoordeling vindt plaats volgens het vierogenprincipe. Zo is er altijd overleg en collegiale toetsing, bijvoorbeeld in casuïstiekoverleggen, door meelezers bij rapportages en via leidinggevenden. Daarmee is een extra controle ingebouwd. Bij het invullen wordt, waar relevant, gebruikgemaakt van informatie van betrokken partijen zoals het OM, Slachtofferhulp en Veilig Thuis, die bijvoorbeeld als referent kunnen worden geraadpleegd. De uitkomst van de B-SAFER wordt tot slot altijd geplaatst naast andere instrumenten binnen de RISc. Op die manier ontstaat er een totaalbeeld dat is gestoeld op gestructureerd professioneel oordeel, waarbij instrumenten ondersteunend zijn aan een bredere risicoanalyse. RvdK De RvdK maakt niet structureel gebruik van risicotaxatie-instrumenten, maar bij signalen of tijdens het onderzoek kan de MASIC worden ingezet. Wanneer de MASIC wordt ingezet, wordt vooraf informatie verzameld over de gezinssituatie, de aanleiding van de melding, eerdere hulpverlening en de effecten daarvan. Indien nodig wordt aanvullende diagnostiek ingezet, na multidisciplinair overleg. De verzamelde informatie wordt tijdens gesprekken met betrokkenen geverifieerd en meegenomen in de beoordeling.

Het professionele oordeel van de medewerker bij de RvdK is dus doorslaggevend bij de conclusie. Veilig Thuis Bij Veilig Thuis maakt men gebruik van het Triage-Instrument dat standaard wordt ingezet bij iedere melding. Dat geldt ook wanneer binnen één dossier meerdere meldingen samenkomen. Dit instrument wordt ingevuld door collega’s binnen Veilig Thuis die de veiligheidsbeoordelingen voor elke melding maken. Dit zijn voornamelijk SKJ-geregistreerde professionals (denk aan maatschappelijker werkers, forensisch verpleegkundigen, gedragswetenschappers en vertrouwensartsen). Besluiten worden multidisciplinair of intercollegiaal genomen. De melder wordt verder ook gevraagd naar de eigen inschatting van de mate van (on)veiligheid en diens grootste zorg. Deze input wordt meegenomen. Ook direct betrokkenen kunnen worden bevraagd over hun inschatting van de toekomstige veiligheid. Het Triage-Instrument helpt om in kaart te brengen en te bepalen of er sprake is van acute onveiligheid, structurele onveiligheid en/of een multi-problematische leefsituatie. De beoordeling wordt inhoudelijk verrijkt met gegevens uit eigen systemen en, waar nodig, met informatie van politie, RvdK en het OM. Op basis van deze totaalafweging bepaalt Veilig Thuis of en welke vervolgstap nodig is en of er een reden is om zelf (langer) betrokken te blijven.

16

De partijen die hierna volgen, zijn partijen die werkzaam zijn in Caribisch Nederland. Akseso Akseso biedt zorg en sociale hulp op Bonaire, waaronder jeugdgezondheidszorg en maatschappelijk werk. Onderdeel van Akseso is ook het Family Justice Center (Guiami): het Advies en Meldpunt Huiselijk Geweld en Kindermishandeling op Bonaire. Akseso heeft aangegeven gebruik te maken van de ARIJ en het Kadera formulier. De ARIJ is standaard opgenomen in het werkproces en wordt ingezet bij meldingen waarbij kinderen betrokken zijn. Binnen Akseso gebruiken de afdelingen maatschappelijk werk en Guiami de ARIJ. Het Kadera formulier wordt ingevuld bij plaatsing in de vrouwenopvang Refugio Tabitha (= een afdeling van Krusada). Dit is ook opgenomen als standaardstap in het werkproces. Het formulier wordt ingevuld op het moment van plaatsing in de opvang. Op het formulier staan een aantal vragen. Na beantwoording van de vragen komt er een kleurcode uit: groen, oranje of rood. Daarmee wordt bepaald de cliënt wel of niet op te nemen. Advies en Meldpunt Huiselijk geweld en Kindermishandeling (AMHK) + vrouwenopvang Sint-Eustatius Het AMHK en de vrouwenopvang op Sint-Eustatius heeft aangegeven gebruik te maken van het Havik-instrument bij (vermoeden van) HGKM. Dit instrument wordt ingezet door de Family Suport Coördinator HGKM en door de maatschappelijk werker.

Het wordt vrij vroeg in het hulpverleningstraject ingezet om de veiligheid van alle betrokkenen vanaf het begin te waarborgen. Tijdens gesprekken met zowel slachtoffer(s) als dader wordt de Havik ingevuld. Het gebruik van de Havik is opgenomen als standaardstap in het werkproces. Onderdeel van de Havik is een veiligheidsplan. In alle gevallen worden er veiligheidsafspraken gemaakt om de veiligheid van de kinderen, het slachtoffer en de pleger te waarborgen. Deze afspraken worden regelmatig geëvalueerd en indien nodig bijgesteld. Het veiligheidsplan wordt in principe individueel opgesteld. De betrokkenen geven zelf aan wat zij nodig hebben om zich weer veilig te voelen. Advies en Meldpunt Huiselijk geweld en Kindermishandeling (AMHK) + vrouwenopvang Saba Het AMHK en de vrouwenopvang op Saba heeft aangegeven uitsluitend gebruik te maken van het Kadera formulier. Dit formulier wordt door medewerkers, waaronder social workers, direct bij binnenkomst van de cliënt in de opvang ingevuld. Het invullen van dit formulier is opgenomen als een standaardstap in het werkproces. De werkwijze van het Kadera formulier komt overeen met de toelichting die eerder bij Akseso is gegeven. Krusada Refugio Tabitha is een vrouwenopvang die deel uitmaakt van Krusada. Zoals eerder omschreven bij Akseso, maakt Krusada voor de risicotaxatie ook gebruik van het Kadera risicotaxatie-formulier.

Dit formulier kan worden ingevuld door de zorgcoördinator, teamleider en begeleider van de cliënt. Bij binnenkomst van een cliënte bij Refugio Tabitha wordt het formulier ingevuld. Na een aantal dagen wordt dit opnieuw gedaan om te kijken of er veranderingen zijn in de situatie van de cliënt. Dit is een standaardprocedure. Bij het invullen van het Kadera risicotaxatie-formulier kan er afstemming plaatsvinden met andere organisaties, zoals Akseso en Guiami. Dit is geen vereiste. MHC Bonaire Bij de MHC-afdeling kind en jeugd wordt er gebruikgemaakt van de LIRIK. Dit instrument wordt ingezet bij beoordeling van de veiligheid van de thuissituatie van kinderen en jongeren tot achttien jaar. Het doel van de LIRIK is om een vermoeden van kindermishandeling of anderszins onveilige opvoedsituatie te herkennen en het risico op kindermishandeling in de nabije toekomst in te schatten. Binnen de afdeling wordt het instrument ingezet door sociotherapeuten, (gz)-psychologen en psychiaters. Het gebruik van dit instrument gebeurt standaard na de intake zonder afstemming met andere organisaties. MHC Saba en Sint-Eustatius Heeft aangegeven geen gebruik te maken van risicotaxatie-instrumenten en/of veiligheidsbeoordelingen. SRCN Bij de SRCN wordt gebruikgemaakt van het GDI risicotaxatie-instrument. Dit instrument is te vergelijken met de RISc die wordt gebruikt door de 3RO in Nederland.

Vergelijkbaar met de 3RO, maakt de SRCN bij zaken specifiek over

17

partnergeweld ook gebruik van de B-SAFER. Dit geldt niet alleen voor Bonaire, maar ook voor de reclassering op SintEustatius en Saba. De B-SAFER wordt gebruikt door de reclasseringswerkers tijdens het advies- en toezichtproces. Het gebruik is opgenomen als standaardstap in de interne processen van de SRCN. Het gebruik vindt individueel plaats, maar mede op basis van informatie van andere (justitiële) betrokken partijen zodat er kan worden gekomen tot een taxatie en risico-inschatting op basis waarvan advies wordt uitgebracht aan de Rechter-Commissaris (RC), het Openbaar Ministerie (OM) en/of de Zittende Macht (ZM). ZHV Bonaire Heeft aangegeven geen gebruik te maken van risicotaxatie-instrumenten en/of veiligheidsbeoordelingen.

3.3 Analyse 3.2.1 Overzicht Op de volgende pagina in overzichtstabel 3.2 is weergegeven in hoeverre de gebruikte instrumenten van de betrokken partijen in Europees en Caribisch Nederland aandacht besteden aan risicofactoren die in de door ons uitgevoerde literatuurstudie zijn benoemd als relevant bij de voorspelling van fataal geweld, waaronder femicide. De bovenste rij toont de instrumenten en de linkerkolom bevat de factoren. Per cel is aangegeven of de factor wel aanwezig is (groen), niet aanwezig is (rood), of gedeeltelijk aanwezig (oranje). Enkele instrumenten, veelal veiligheidsbeoordelingen, zijn niet opgenomen in de overzichtstabel, omdat deze niet langs onze factoren gelegd kunnen worden. Het gaat hierbij om het Veiligheidsplan van de LVNO, de Veiligheidskaart van De Waag, de HAVIK van het AMHK en vrouwenopvang op Sint-Eustatius. Bijvoorbeeld: in het Veiligheidsplan van de LVNO worden voornamelijk veiligheidsafspraken en doelen vastgelegd. De beoordeling van de veiligheid gaat hieraan vooraf, maar in het Veiligheidsplan zelf wordt dit in een open tekstvak genoteerd. Er worden geen vragen gesteld die kunnen worden gekoppeld aan de door ons onderscheiden risicofactoren. Om die reden zijn deze instrumenten niet opgenomen in tabel 3.4. Ook het Afwegingskader vader-kindcontact van de LVNO komt niet terug in onderstaande tabel.

Dit Afwegingskader bevat open tekstvelden waarin professionals informatie noteren over geweld, wensen en belangen van het kind, vader en moeder, veilig ouderschap, psychosociale problematiek en juridische aspecten. Er gaan wel vragen aan vooraf, maar deze kunnen ook lastig langs de risicofactoren worden gelegd. In tegenstelling tot andere risicotaxatie-instrumenten ontbreekt een vaste structuur waarin diverse risicofactoren zijn opgenomen. Tot slot is het van belang om te benoemen dat bij de analyse van de instrumenten gebruik is gemaakt van de voor dit project beschikbare codeerbladen en lijsten van de instrumenten. Eventuele nadere toelichtingen, instructies of richtlijnen uit handleidingen van instrumenten die in de praktijk richting geven aan het gebruik en de interpretatie van items, konden niet altijd worden meegenomen. Dit betekent dat het mogelijk is dat enkele belangrijke aspecten van de itemlijst buiten de analyse zijn gebleven.

18

Tabel 3.2

Overzicht van instrumenten en aanwezigheid risicofactoren*

GIA

VAFPR

ARIJ

RIIT

RiHG

RI EGG SDA-P

MASIC

SASH

B-SAFER

TriageInstrument ** Kadera LIRIK

Dreigen met zelfmoord Stalken Relatiebreuk/scheiding Niet-fatale wurging Geweld tijdens zwangerschap Dreigen te vermoorden Dreiging met wapens Escalatie geweld Toename frequentie geweld Seksueel misbruik partner tijdens relatie Slachtoffer voelt dat partner in staat is tot moord (doodsangsten) Controlerend gedrag Jaloezie (Poging tot) isoleren slachtoffer Gewelddadig/fysiek gedrag naar partner/kind toe Niet willen reproduceren Voorgeschiedenis dreiging en geweld Aanwezigheid stiefkinderen huishouden Houding t.a.v. huiselijk geweld *

Een rood vakje duidt op de afwezigheid van de factor in het instrument, een groen vakje op de aanwezigheid en een oranje vakje op gedeeltelijke aanwezigheid. ** Deel A (acute veiligheid) en deel B (structurele veiligheid) samengenomen.

3.2.2 Toelichting De tabel maakt zichtbaar dat er verschillen bestaan tussen de instrumenten in de mate waarin zij de geselecteerde risicofactoren meenemen. Op het eerste gezicht valt meteen op dat geen enkel instrument álle risicofactoren omvat. Wel valt op dat bepaalde factoren aanzienlijk vaker terugkomen in de instrumenten dan andere factoren, zoals dreigen met zelfmoord, pogingen tot isolatie van het slachtoffer, gewelddadig of fysiek gedrag naar partner en/of kinderen, en seksueel misbruik binnen de relatie. Deze risicofactoren worden dus breed herkend in de bestaande instrumenten. Daarnaast zijn er ook factoren die in bijna geen enkel instrument worden meegenomen, zoals geweld tijdens de zwangerschap, het niet willen reproduceren of de aanwezigheid van stiefkinderen in het huishouden. De literatuur geeft aan dat deze factoren wel in verband staan met een verhoogd risico op HGKM en fataal partnergeweld, maar in de geïncludeerde instrumenten is aandacht hiervoor niet structureel geborgd. Om in kaart te brengen hoe goed elk instrument de geselecteerde risicofactoren dekt, hebben we per instrument een score toegekend op basis van de aanwezigheid van factoren in de overzichtstabel 3.4. Deze score is opgebouwd als volgt: voor elke risicofactor die aanwezig is (groen vakje) ontvangt het instrument 1 punt.

Indien de factor slechts gedeeltelijk aanwezig is (oranje vakje), krijgt het instrument 0,5 punt. Wanneer een factor niet aanwezig is (rood vakje), wordt hiervoor geen punt toegekend. De keuze voor een oranje kleur verdient nog nadere toelichting. Zoals eerder benoemd, wordt de oranje kleur toegekend wanneer een risicofactor slechts gedeeltelijk aanwezig is in het instrument. Dit kan bijvoorbeeld voorkomen wanneer

19

een factor niet expliciet wordt uitgevraagd, zoals bij de factor ‘dreigen met wapen’. Meerdere instrumenten vragen wel uit of er een wapen in het huis aanwezig is, of dat de dader toegang heeft tot wapens. Dit is niet precies hetzelfde als ‘dreigen met wapen’, maar het kan er wel indirect mee te maken hebben. Daarnaast speelt mee dat sommige instrumenten met een enkele vraag de aanwezigheid van meerdere risicofactoren proberen te dekken. Dit heeft een nadeel: het blijft onduidelijk welke specifieke factoren daadwerkelijk aanwezig zijn bij het beantwoorden van het item met ‘ja’ of ‘nee’. Het gaat vaak om een opeenstapeling van meerdere risicofactoren die een situatie onveilig maken. Wanneer deze factoren niet afzonderlijk worden uitgevraagd, missen we belangrijke informatie. Door de factor in onze analyse in deze gevallen een oranje score toe te kennen, laten we zien dat het instrument wel aandacht besteedt aan de factor, maar dat de mate van dekking mogelijk beperkt is. Op deze manier ontstaat een totaalscore per instrument, die een indicatie geeft van de breedte van de factorendekking. Deze score maakt het mogelijk om instrumenten onderling te vergelijken en te beoordelen welke instrumenten het meest aansluiten bij de in de literatuur geïdentificeerde risicofactoren voor HGKM en fataal (partner)geweld. De totaalscores zijn in tabel 3.3 weergegeven. Tabel 3.3

Totaalscore breedte factorendekking

GIA Risicoscreening VAF-PR ARIJ RIIT RiHG RI EGG SDA-P MASIC SASH B-SAFER Triage-Instrument Kadera LIRIK

Totaalscore (max. 19) 16,5 8 2 16,5 15 2,5 7 15 11,5 7 11,5 7,5 3

Uit tabel 3.3 blijkt dat de dekking per instrument sterk varieert. De GIA-risicoscreening, de RIIT en het RiHG komen relatief goed uit de bus. Deze instrumenten dekken een aanzienlijk aantal van de risicofactoren. Daarmee sluiten zij beter aan bij wat wij hebben gevonden in de internationale literatuur. Tegelijkertijd zijn er ook instrumenten die de factoren onvoldoende adresseren. De RI EGG lijkt bijvoorbeeld slecht te scoren op de aanwezigheid van de geselecteerde factoren. Hierbij dient wel de kanttekening te worden geplaatst dat dit instrument zich specifiek richt op de risico’s van eergerelateerd geweld. Fataal (partner)geweld speelt ook zeker een rol binnen deze specifieke vorm van geweld, maar de aard van deze problematiek verschilt aanzienlijk. In het geval van eergerelateerd geweld gaat het om een groepsconflict omtrent zeden en seksualiteit, binnen de familiekring (niet alleen binnen het gezin, maar ook ooms, tantes, neven, nichten etc. zijn hierbij betrokken), en niet om een conflict in een relatie tussen twee individuen. Het gaat hier om een ander conflict, met een ander pad van ontwikkeling.9 Om deze redenen sluit het instrument minder goed aan op het analysekader en is een lagere score verklaarbaar.

Andere instrumenten zoals de ARIJ en de LIRIK zijn meer toegespitst op de inschatting van kindveiligheid en bevatten daarom minder factoren die kenmerkend zijn voor dwingende controle tussen partners. Link met de homicide timeline van Jane Monckton-Smith De overzichtstabel laat zien in hoeverre de geïncludeerde instrumenten aandacht besteden aan risicofactoren die samenhangen met HGKM en mogelijk fataal (partner)geweld. Zoals eerder besproken in hoofdstuk 2 zijn de categorieën in ons kader niet volledig gebaseerd op de homicide timeline van Jane Monckton-Smith, onder meer doordat onderzoek uitwijst dat er ook andere wegen naar fataal geweld bestaan. Femicide kan namelijk ook voortkomen uit psychische problematiek van de dader of een plotselinge uitbarsting van woede. In dergelijke gevallen gaat coercive control niet vooraf aan de moord, zie de uitleg bij H2.1. Tegelijkertijd erkennen we dat de homicide timeline wél een belangrijke ‘blueprint’ kan vormen voor het begrijpen van de opbouw naar fataal (partner)geweld.

9 Janssen, J., & Janmaat, W. (2025). Is dodelijk eergerelateerd geweld femicide? Een kritische analyse. Justitiële Verkenningen – Femicide in perspectief,

51(3), 110-122.

20

De timeline begint bij fase 1: een voorgeschiedenis van geweld en controle bij de dader (in het analysekader: voorgeschiedenis van dreiging en geweld). In fase 2 ontstaat een nieuwe, vaak snel verlopende relatie tussen dader en slachtoffer. Het slachtoffer wordt in deze periode vaak in de watten gelegd door de dader (‘love bombing’). Door gebrek aan wetenschappelijk bewijs is deze fase niet in het analysekader opgenomen. In fase 3 start de dwang en controle, deze fase en meerdere bijbehorende factoren komen terug in het analysekader. In fase 4 doet zich een trigger voor; in de wetenschappelijke literatuur vaak gekenmerkt door een (poging tot) beëindiging van de relatie (in het analysekader: relatiebreuk/scheiding). Fase 5 omvat een escalatie van gedrag (in het analysekader: escalatie geweld). In de laatste drie fasen (6 t/m 8) volgt een omslag in het denken, waarna de pleger plannen maakt en uiteindelijk overgaat tot (fatale) actie, waaronder moord of zelfmoord. De factoren ‘dreigen tot moord’ en ‘dreigen met zelfmoord’ zijn zowel relevant voor deze fasen, als voor fase 3. Uit onze analyse blijkt dat enkele instrumenten, zoals de GIA Risicoscreening, MASIC, B-SAFER, RIIT en het RiHG meerdere risicofactoren in lijn met de homicide timeline bevragen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16572116/1