251218 Raadsinformatiebrief Plan van aanpak Jeugd 2026-2028 bijlage
Tekst van het document
hiervoor het kompas: meer preventie, normalise ren waar dat kan, versterken van het gewone leven en sociale netwerken, en alleen specialisti sche hulp inzetten waar dit echt nodig is. Deze pijler beschrijft hoe we deze dubbele beweging realiseren: enerzijds structureel besparen, anderzijds de kwaliteit en toegankelijk heid van hulp voor jeugdigen en gezinnen verbe teren. Het gaat niet om bezuinigen als doel op zich, maar om doelmatiger middelen in te zetten, niet‑effectieve inzet te stoppen, problemen eerder aan te pakken en alternatieve vormen van ondersteuning beter te benutten. 4.4.1 De financiële opgave Onder coördinatie van het programma Grip op Jeugd is een realistisch doelkader voor de komende jaren vastgesteld. De gemeente Alkmaar werkt toe naar een structureel duurzaam en betaalbaar jeugdstelsel, met de volgende opgave: • 2026: 5 miljoen euro besparing (inclusief inzet investeringsbudget) • 2027: 6,2 miljoen euro besparing • 2028 en verder: 7,7 miljoen euro structurele besparing Deze opgave komt voort uit de kadernota en de middelen die via de zogenaamde van Ark‑middelen beschikbaar zijn gesteld voor transformatie. De kern is dat investeringen in de sociale basis, het CJG en het versterken van het lokale veld worden gebruikt om het beroep op zwaardere jeugdhulp terug te dringen en de bestaande middelen doelmatiger in te zetten.
Omdat het jeugdstelsel complex is en maatrege len onbedoelde effecten kunnen hebben (het zogenoemde waterbedeffect), is ervoor gekozen de maatregelen bewust te overprogrammeren ten opzichte van de financiële doelstelling. De financiële opgave rust op vier pijlers: • Eigen kracht en gebruikelijke hulp waar mogelijk • Beter en efficiënter inzetten van bestaande budgetten voor jeugdhulp, preventie en sociale basis. • Gericht inzetten van het investeringsbudget (van Ark‑middelen) voor het versterken van de sociale basis, het CJG 2.0 en alternatieve vormen van hulp. • Efficiency‑winst door strakker te sturen op toegang, duur en intensiteit van zorg en door niet‑effectieve of niet‑passende inzet af te bouwen.
Een gezonde basis voor de toekomst | 26
4.4.2 Sturingsprincipes Om de financiële opgave te realiseren én recht te doen aan de visie op jeugd, werkt Alkmaar met een aantal sturingsprincipes. Deze vormen het kader waarbinnen de maatregelen uit de verschil lende pijlers worden vormgegeven en afgewo gen. Eigen kracht en gebruikelijke hulp waar mogelijk Veel opvoed‑ en opgroeivragen horen bij het normale leven. Door ouders en jeugdigen tijdig te ondersteunen met uitleg, advies en praktische tips, kunnen zorgen vaak binnen het eigen netwerk of binnen algemene voorzieningen worden opgelost. Dit voorkomt onnodige medica lisering en zorgt ervoor dat gespecialiseerde hulp beschikbaar blijft voor wie deze echt nodig heeft. Dit vraagt om een heldere afbakening van wat onder jeugdhulp valt en wat tot de verantwoorde lijkheid van het gezin, het netwerk of andere domeinen (zoals Wmo, onderwijs, participatie of inburgering) behoort. Zo licht als mogelijk, zo zwaar als nodig Niet elk probleem vraagt om specialistische of geïndiceerde jeugdhulp. Veel vragen kunnen worden opgelost met informatie, advies, collec tieve ondersteuning of hulp in de sociale basis.
We maken daarom bewust de beweging van: • individuele trajecten naar collectief en groeps gericht aanbod waar dat verantwoord is, • inzet van specialistische professionals naar versterking van het lokale team en basisvoor zieningen, • jeugdhulp op indicatie naar gebruikelijke hulp en ondersteuning in de sociale basis, waar dit passend is. De verordening jeugdhulp voor gebruikelijke hulp zijn belangrijke instrumenten om deze lijn in de toegang en in de praktijk van hulpverlening concreet te maken.
Dit sluit aan bij de regionale afspraken over de transformatie van het zorglandschap: minder verblijf, meer pleegzorg en ambulante ondersteu ning, en een betere aansluiting op de overgang naar volwassenenzorg. Datagedreven en lerend stelsel Met Grip op Jeugd is een belangrijke basis gelegd voor datagedreven sturing. Door gege vens over instroom, duur, intensiteit en kosten van trajecten te combineren met informatie over effectiviteit, ontstaat inzicht in waar bijsturing nodig en mogelijk is. Dit betekent onder meer: • periodieke analyse van afwijkende en dure trajecten, • kritische beoordeling van verlengingen en stapelingen van hulp, • stoppen of aanpassen van inzet die onvol doende effectief blijkt. Zo ontstaat een lerend stelsel, waarin beleid, uitvoering en financiën in samenhang worden gevolgd en bijgestuurd. Grip op Jeugd levert hiervoor doorlopende rapportages en visualisa ties aan college en raad. Integraal sociaal domein Problemen van jeugdigen en gezinnen spelen vaak op meerdere levensdomeinen tegelijk. Daarom sturen we op integrale samenwerking tussen jeugd, WMO, werk en inkomen, onderwijs, gezondheid, veiligheid en andere beleidsterrei nen. Waar mogelijk worden budgetten in het sociaal domein ontschot of verschoven naar maatrege len die problemen bij de bron aanpakken.
Dat betekent dat we bijvoorbeeld goed aansluiten bij preventie, onderwijsachterstandenbeleid, sport en cultuur, en armoedebestrijding om zwaardere jeugdhulp op termijn te voorkomen.
Zo thuis en nabij mogelijk Voor jeugdigen die wél aangewezen zijn op specialistische zorg, geldt dat we inzetten op hulp zoveel mogelijk thuis of in de eigen omge ving. Verblijf in instellingen wordt beperkt tot situ aties waarin dat echt noodzakelijk is. Waar mogelijk wordt verblijf omgezet in ambulante en thuisnabije vormen van zorg, met een prominente plek voor pleegzorg en burgervoogdij.
Een gezonde basis voor de toekomst | 27
4.4.3 Besparingslijnen: hoe realiseren we de opgave? De maatregelen uit de eerste drie pijlers zijn te groeperen langs vier samenhangende bespa ringslijnen. Deze lijnen vormen de belangrijkste hefbomen om de financiële opgave te realiseren én tegelijk inhoudelijk recht te doen aan de visie op jeugd. Lijn 1: Minder instroom door sterke sociale basis en normaliseren Doel van deze lijn is dat minder jeugdigen en gezinnen een beroep hoeven te doen op jeugd hulp, doordat zij eerder en beter worden geholpen in hun eigen omgeving en in de sociale basis. We doen dit door: • het versterken van de sociale basis in wijken, onder meer via jeugd‑ en jongerenwerk, sport, cultuur, kinderopvang en onderwijs, • het CJG als herkenbare, laagdrempelige plek voor alle vragen over opvoeden en opgroeien verder te ontwikkelen (CJG 2.0), • professionals in de sociale basis (zoals scholen, huisartsen, kinderopvang en jonge renwerk) beter te ondersteunen met informa tie, expertise en mogelijkheden voor laagdrem pelige doorverwijzing binnen de sociale basis, • ouders en jongeren handvatten te geven om alledaagse problemen zelf aan te pakken, bijvoorbeeld door opvoedondersteuning, ouderbijeenkomsten en themagerichte groeps programma’s.
Voorbeelden van maatregelen die onder deze lijn vallen, zijn onder meer de herpositionering van opvoedadviseurs binnen het CJG, plus‑groepen in de kinderopvang, VE‑pluspeutergroepen, inzet op mentaal welbevinden in het onderwijs en het benutten van sport en cultuur als middel om jongeren te versterken. Deze lijn draagt bij aan een lagere instroom in de jeugdhulp, met een verwachte reductie van het beroep op geïndiceerde hulp op de middellange termijn. Lijn 2: Strakker sturen op toegang, duur en intensiteit Met deze lijn benut de gemeente de directe sturingsmogelijkheden op de toegang tot jeugd hulp. Doel is dat jeugdigen de juiste hulp krijgen, in de juiste vorm en voor een passende duur – niet langer en niet intensiever dan nodig.
Belangrijke elementen zijn: • een scherpere verordening in de toegang: hoort dit bij jeugdhulp, of is ondersteuning in de sociale basis of via andere wetten passen der? • kritische beoordeling van verlengingsverzoe ken en van trajecten die afwijken in duur of intensiteit, • aandacht voor recidive: als gezinnen opnieuw in zorg komen, wordt samen met betrokken partijen gekeken wat nodig is om structureel andere resultaten te bereiken, • aparte regie op de duurste trajecten, waarbij actief wordt gezocht naar passende alternatie ven. Door deze lijn verwachten we een aanzienlijke besparing op de reguliere jeugdhulpuitgaven, terwijl de toegankelijkheid voor jeugdigen die echt hulp nodig hebben behouden blijft. Lijn 3: Anders organiseren van specialistische en dure zorg De derde besparingslijn richt zich op een andere organisatie en bekostiging van de meest com plexe en dure vormen van zorg. Veel van deze trajecten zijn langdurig en intensief, en drukken zwaar op het jeugdbudget.
We werken onder andere aan: • zorgvuldige afweging of langdurige zorg beter onder de Wet langdurige zorg (WlZ) kan vallen dan onder de Jeugdwet, • verdere afbouw van verblijf en omvorming naar ambulante en thuisnabije zorg, waar mogelijk met inzet van pleegzorg en burger voogdij, • versterking van integrale aanpakken bij complexe scheidingen en gezinnen met meervoudige problematiek, bijvoorbeeld via gezinsregie of een gezinsadvocaatbenadering, • regionale samenwerking rond de meest specialistische vormen van jeugdhulp om expertise te bundelen en doelmatiger in te kopen. Deze lijn heeft vooral effect op de duurste trajecten en draagt bij aan stabilisering van de kosten op de langere termijn.
Een gezonde basis voor de toekomst | 28
Lijn 4: Integrale investeringsstrategie en maat schappelijk gesprek De vierde lijn en daarmee dit hoofdstuk gaat over de manier waarop we investeren in het stelsel, de samenhang en het maatschappelijk gesprek voeren over wat we normaal vinden. We zetten het investeringsbudget gericht in voor: • versterking van het lokale team en het CJG 2.0, zodat meer vragen vroegtijdig en dichtbij kunnen worden opgepakt, • ontwikkeling en borging van alternatieve, vaak lichtere vormen van hulp, zoals kortdurende interventies, collectieve programma’s en gezinsgerichte trajecten in de sociale basis, • ondersteuning van het maatschappelijke gesprek met ouders, jongeren en professionals over wat bij het gewone leven hoort en wan neer jeugdhulp aangewezen is. De lijn is vooral transformatief van aard. De investeringen kosten in eerste instantie geld, maar zijn noodzakelijk om structureel minder een beroep te hoeven doen op zwaardere en duurde re vormen van jeugdhulp. 4.4.4 Financieel effect en risicobeheersing De vier besparingslijnen samen moeten leiden tot het realiseren van de financiële opgave zoals beschreven in paragraaf 4.4.1. Om de onzekerhe den en het waterbedeffect te ondervangen, zijn de verwachte opbrengsten van de maatregelen bewust hoger geprogrammeerd dan de doelstel ling.
Belangrijke uitgangspunten bij de risicobeheer sing zijn: • overprogrammeren van maatregelen, zodat tegenvallers op de ene lijn kunnen worden opgevangen door meevallers op een andere lijn, • periodieke monitoring van de uitgaven en effecten via Grip op Jeugd, met de mogelijk heid om maatregelen bij te stellen of te intensiveren, • combineren van maatregelen met snel effect (bijvoorbeeld strakker sturen op toegang) en maatregelen die pas na enige tijd effect sorteren (bijvoorbeeld versterking van de sociale basis), • op basis van gemeten effecten bijstellen van de investeringen naar de hoogste impact, • formuleren van aanvullende maatregelen indien de effecten onvoldoende zijn,
• blijvende monitoring van de voortgang door het programma Grip te verankeren in de gemeentelijke organisatie voor de komende jaren. Daarnaast worden de risico’s die gepaard gaan met de transformatie – zoals verschuiving naar andere domeinen, personeelstekorten en onze kerheid in landelijke kaders – meegenomen in hoofdstuk 7 over financiën en risico’s. 4.4.5 Verbinding met pijlers 1, 2 en 3 en governance Dit hoofdstuk vormt het sturingskader voor een duurzaam en betaalbaar jeugdstelsel. De inhou delijke uitwerking vindt plaats in de eerste drie pijlers van het plan van aanpak. De samenhang is als volgt: • Pijler 1 (Sterke sociale basis en preventie) draagt vooral bij aan lijn 1 (minder instroom) en lijn 4 (investeringen en maatschappelijk gesprek). • Pijler 2 (Wijkgericht werken en een stevig lokaal team) is een belangrijke motor achter lijn 1, 2 en 4, via de inrichting van de toegang, het CJG 2.0 en de gebiedsteams. • Pijler 3 (Specialistische zorg voor de meest kwetsbaren) richt zich op lijn 2 en 3, door scherpere sturing op specialistische trajecten en passende door- en uitstroom. 4.4.6 Maatschappelijke dialoog en tijdpad 2026–2028 Tot slot vraagt deze beweging om een blijvende maatschappelijke dialoog.
Samen met jongeren, ouders, professionals, aanbieders en partners in onderwijs, zorg en welzijn voeren we het gesprek over wat we van elkaar kunnen verwachten en hoe we de beschikbare middelen zo inzetten dat ze het meeste betekenis hebben voor de jeugd in Alkmaar. Het tijdpad sluit aan bij de looptijd van dit plan: 2026–2028 is een periode van doorontwikkeling, waarin we zowel investeren als scherp sturen, leren en bijstellen.
Een gezonde basis voor de toekomst | 29
5. Prioritering, fasering en governance 5.1 Prioritering en fasering
5.2 Governance
Gezien de omvang en beschikbare middelen werken we in drie fases.
In onze governance-rol zetten we in op regie en samenhang binnen het sociaal domein. We willen het preventieve veld versterken, maar onze invloed daarop is beperkt en vraagt nauwere samenwerking met partners. Onze directe sturingskracht ligt vooral bij de toegang tot jeugd hulp, waar we als gemeente richting kunnen geven aan de kwaliteit en organisatie van onder steuning.
• Fase 1 - 2026: In 2026 ligt het accent op het uitvoeren van de acties vanuit het programma Grip op Jeugd en het ontwikkelen van het CJG 2.0. We implementeren ombuigingen in het lokale veld en sturen strenger op verlengingen. We versterken de kerninfrastructuur, waaronder inzet op het CJG 2.0, de opvoedadviseurs, de gezinsadvocaat en de bekendheid van het aanbod in de sociale basis. Tevens wordt dit aanbod uitgebreid zoals het groepsaanbod en stut- en steuntrajecten. De ervaring leert dat de effecten van deze maatregelen grotendeels pas vanaf 2027 zichtbaar zullen worden, omdat het tijd kost om de veranderingen te realiseren en te borgen in de praktijk. • Fase 2 - 2027: Vanaf 2027 verschuift het zwaartepunt naar het omgebouwde lokale veld en het realiseren van structurele besparingen door preventie, collectieve inzet en effectievere samen werking. We werken aan het doorontwikkelen van de inhoudelijke aanpak. Onderdeel hiervan zijn de verdiepende onderzoeken naar com plexe scheidingen en armoede i.r.t. jeugdhulp en het verder uitbreiden van het groepsaan bod. • Fase 3 - 2028: We zorgen voor borging en evaluatie van de ingezette acties. We sturen bij waar nodig en breiden bewezen effectieve interventies uit. Minder effectieve interventies worden dan omgebogen naar de succesvolle interventies.
Een succesvolle uitvoering is dus mede afhanke lijk van een goede onderlinge en integrale samen werking tussen alle betrokken partijen. Hierop gaat nog meer worden gestuurd. Heldere afspraken over verantwoordelijkheden, rollen en afstemming zijn hierbij essentieel. De betrokken partners hebben reeds input geleverd bij de totstandkoming van dit plan en zijn daarmee bekend met hun rol en de acties waarvoor zij aan zet zijn. In dat kader is een robuuste governance-struc tuur van groot belang. Dit zorgt voor gezamen lijke sturing op de doelen, voortgang en resulta ten van dit plan van aanpak. Ook draagt dit bij aan het tijdig signaleren van knelpunten en het behalen van de gewenste resultaten, het beheer sen van risico’s en het creëren van draagvlak bij alle betrokkenen. De governance wordt nader uitgewerkt, in afstemming met de verschillende beleidsterreinen (waaronder Jeugd, Wmo, Participatie, Sport, Cultuur, Onderwijs, Diversiteit, Ruimtelijke Ordening en Veiligheid).
Een gezonde basis voor de toekomst | 30
6. Monitoring en evaluatie We starten in 2026 met de uitvoering en verdere uitwerking van de eerdergenoemde acties. Het is daarbij belangrijk om te onderkennen dat preven tieve maatregelen doorgaans pas op de langere termijn hun vruchten afwerpen. De effecten zullen dus niet direct zichtbaar zijn, maar de maatregelen vormen een essentiële investering in duurzame verbetering op de langere termijn. We werken volgens een vaste beleidscyclus. De monitoring begint bij het ontwikkelen van beleid, waarbij ook passende indicatoren worden vastgesteld. Vervolgens wordt het beleid geïm plementeerd en uitgevoerd. Daarna volgt een fase van terugkoppeling en evaluatie. Dit vormt een doorlopend proces, zoals geïllustreerd in figuur 1. Gedurende de hele beleidscyclus vindt monitoring plaats, wat – op basis van de evalua tie – kan leiden tot aanpassingen van het beleid. We sluiten voor de monitoring zo veel mogelijk aan bij de planning en control-cyclus en de daarbij horende momenten van rapportage richting het college en de gemeenteraad.
Bele ids on
vo
er
in
en
U it
tat
ie
Ev al
g elin ikk tw
tie ua
g
Imp
le
m
Figuur 1. Visuele weergave van de beleidscyclus.
6.1 Huidige situatie Op dit moment wordt op de volgende manieren gemonitord. • Per kwartaal verschijnt de kwartaalmonitor jeugdhulp. Deze wordt met een duiding naar de gemeenteraad gestuurd. Er wordt gemoni tord op de volgende elementen: - Aantal cliënten in jeugdhulp en de in-/ uitstroom - Het gebruik en de kosten per leeftijdscate gorie - Aantal cliënten per jeugdzorgtraject - Aantal cliënten in verblijf (excl. jeugdzorg +) - Kostenontwikkeling jeugdhulp (incl. jeugd zorg +) • Binnen de P&C-cyclus monitoren we op: - In de bestuursrapportages: ⸰ Kosten jeugdhulp - In de begroting: ⸰ Het aantal intake huisbezoeken na geboorte door de jeugdgezondheidszorg en % t.o.v. totaal aantal geboorten ⸰ Het aantal bezoeken van jongeren aan de huiskamers ⸰ % cliënttevredenheid: ‘Door de hulp kan ik mijn problemen beter oplossen.’ ⸰ Het % jeugdigen met jeugdhulp t.o.v. het totaal aantal jeugdigen per jaar ⸰ % jeugdigen met ondersteuningsgerichte ambulante hulp t.o.v. totaal aantal jeugdigen en verdeling naar zorgzwaarte ⸰ % of aantal jeugdigen met op herstel gericht verblijf t.o.v. totaal aantal jeugdi gen met op herstel gerichte jeugdhulp (totaal verblijf en ambulant) in aantallen ⸰ %/aantal jeugdigen met (op herstel gericht) verblijf in gezinsvorm t.o.v.
totaal aantal jeugdigen met op herstel gerichte jeugdhulp met verblijf ⸰ Aantal jeugdigen in gesloten jeugdhulp ⸰ Aantal jeugdigen in crisishulp
Een gezonde basis voor de toekomst | 31
6.2 Nieuwe situatie De evaluatie van de monitoring in de huidige situatie, samen met de wensen vanuit dit plan van aanpak, leidt tot het opzetten van een aangepaste manier van monitoren. Het monito ren is essentieel om te begrijpen of de maat regelen daadwerkelijk bijdragen aan het welzijn en de ontwikkeling van de jeugd. Door systema tisch gegevens te verzamelen en te analyseren, krijgen we inzicht in wat werkt en voor wie. Hiervoor gebruiken we de genoemde indicatoren uit de huidige situatie. Toch vertellen cijfers niet het hele verhaal. Daarom is storytelling een waardevolle aanvul ling. Verhalen van jongeren zelf geven context, verdieping en emotionele lading aan de data. Ze maken de impact van beleid zichtbaar op individueel niveau en zorgen voor meer betrok kenheid bij beleidsontwikkeling. Door monitoring op indicatoren te combineren met storytelling ontstaat een krachtiger en menselijker beeld van de werkelijkheid en dat is een noodzakelijke basis voor effectief en gedragen jeugdbeleid. Om deze inzichten te delen en samen met betrokken partijen te reflecteren op de uitkom sten, organiseren we terugkerend bijeenkomsten met onze partners. Tijdens deze bijeenkomsten bespreken we de resultaten van de inzet en geven we ruimte aan persoonlijke verhalen en ervaringen. De belangrijkste bevindingen en aandachtspunten worden vervolgens gebundeld in een raadsinformatiebrief.
Een gezonde basis voor de toekomst | 32
7. Financiën en risico’s 7.1 Financiën De programmabegroting biedt het financieel kader. Voor het financieren van de inzet worden bestaande budgetten gebruikt, waaronder het GA! en IZA budget20, het investeringsbudget voor het voorkomen van jeugdhulp en reguliere budgetten. De komende jaren is er een investeringsbudget beschikbaar om de vraag naar jeugdzorg op indicatie om te bouwen naar andere voorzienin gen die jeugdhulp kosteneffectiever maakt. Daar is in 2026 2 miljoen euro voor beschikbaar en vanaf 2027 tot en met 2029 2.7 miljoen euro per jaar. Deze begroting zal in 2026 nader worden geconcretiseerd en is afhankelijk van de voort gang van de maatregelen en het monitoren waar investeringen het meest effectief zijn. Op korte termijn zal het accent liggen op de gemeentelijke toegang om in 2027 de verschuiving te maken naar de inrichting van het lokale veld. Een deel van de aanloopkosten zullen ook in 2025 al gemaakt worden. De inzet is dat deze investering uiteindelijk vanaf 2028 een besparing van 7,7 miljoen euro gaat opleveren. De investeringen zijn ondergebracht in de diverse pijlers van de visie. Er is een werkbegroting gemaakt en het budget wordt apart gemonitord. De werk begroting wordt jaarlijks bijgesteld. De resultaten die toe te schrijven zijn aan de investeringen zijn hier deels leidend in.
•
•
•
7.2 Risico’s • Als gemeente hebben we beperkt invloed op wat ouders en andere inwoners voor elkaar doen en wat de maatschappelijke norm is voor ‘normaal’. Dit is wel noodzakelijk voor een beweging naar ‘voren’ en het normaliseren samen met de partners en stakeholders verder vorm te geven. Het risico is dat jongeren en gezinnen die steun nodig hebben dit onvol doende in hun eigen netwerk en omgeving kunnen organiseren waardoor er vaker een beroep gedaan wordt op professionele hulp
•
en de schaarste in de jeugdhulp toeneemt. Dit risico kunnen we terugbrengen door ouders en jongeren meer te betrekken bij de onder steuning die ze krijgen, door aan te sluiten bij wat zij zelf met hulp van netwerk en omgeving kunnen doen en dat te faciliteren (versterken eigen kracht). We zijn mede afhankelijk van Rijksbeleid. Het is mogelijk dat het Rijk in de komende jaren wetten of budgetten aanpast die van invloed zijn op de plannen uit dit plan van aanpak. De Jeugdwet is een openeinderegeling. Inherent hieraan is het risico op hoge kosten. We kunnen als gemeente geen noodzakelijke zorg weigeren omdat er geen budgettaire ruim te is. Ondanks de inzet op kostenbesparende maatregelen, moeten we met dit risico reke ning houden. Bij de uitvoering van dit plan van aanpak vormt de beschikbaarheid van voldoende en geschikt personeel een belangrijke randvoorwaarde. Dit geldt niet alleen voor de interne capaciteit binnen de gemeente, maar ook voor de inzetbaarheid van medewerkers bij maat schappelijke partners die betrokken zijn bij de uitvoering. De huidige krapte op de arbeids markt en de druk op capaciteit binnen zowel publieke als maatschappelijke organisaties kunnen van invloed zijn op de voortgang en realisatie van de beoogde activiteiten. Hier door vormt personele beschikbaarheid een potentieel risico voor de haalbaarheid en tijdige uitvoering van het plan.
Dit vraagt om flexibiliteit in de planning en, waar mogelijk, het tijdig anticiperen op knelpunten in capaci teit. We zitten vast aan de huidige inkoopkaders van de lopende contracten. Dit maakt het niet mogelijk daadwerkelijke wijzigingen aan te brengen in de overeenkomsten zonder op nieuw te gaan inkopen. Dat kan op zijn vroegst pas in 2029. Dit kan belemmerend werken en de mogelijkheden actief te sturen beperken. Nu ligt er ten aanzien van de intensiteit en duur van trajecten nog veel uitvoeringsvrijheid bij de aanbieders.
20 Vanaf 2026 gaan GA! en IZA over in het aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord (AZWA). Het AZWA richt zich op gelijke toegang tot zorg en welzijn, het tegengaan van arbeidsmarkttekorten en geeft het sociaal domein en de publieke gezondheid een duidelijkere plek, waardoor de inzet uit GA! en IZA voor de toekomst wordt geborgd.
Een gezonde basis voor de toekomst | 33
Bijlage 1. Wie verwijzen er naar de jeugdhulp? Onderstaande figuur toont het aantal cliënten per verwijzer in 2024. 96 (2,05%) Huisarts
274
(5,86%)
Gemeente
311
Rechter, officier van justitie
(6,65%)
1.799
(38,46%)
312
Aantal cliënten per verwijzer in 2024
(6,67%)
Zelfverwijzer / geen verwijzer Gecertificeerde instelling Onbekend Medisch specialist Jeugdarts
1.786
(38,19%)
Een gezonde basis voor de toekomst | 34
Bijlage 2. Begrippenlijst Ambulante hulp: Hulp die bij iemand thuis wordt gegeven.
sociale, maatschappelijke of informele onder steuning.
BSO+: Buitenschoolse opvang plus, geboden door een kinderopvangorganisatie binnen de Wet Kinderopvang. Dit betreft kinderopvang in aansluiting op de schooldag en in de school vakanties. Vanuit BSO+ wordt opvang geboden voor kinderen die extra zorg, structuur en begelei ding nodig hebben. Deze buitenschoolse opvang is bedoeld voor kinderen die niet (meer) naar de reguliere BSO kunnen en behoefte hebben aan een opvang met extra begeleiding. Dit gaat bijvoorbeeld om kinderen die niet goed tegen grote groepen kunnen. Deze inzet werkt kosten besparend omdat duurdere opvang vanuit de jeugdzorg wordt voorkomen.
Doorbraakmethode: De doorbraakmethode is een beproefde standaardaanpak voor maatwerk in het sociaal domein. Het stelt sociaal professio nals (zoals gemeenten, zorgorganisaties, consu lenten) in staat om complexe, vastgelopen casussen effectief op te lossen. Dit gebeurt aan de hand van een vaste, toegankelijke structuur van zes processtappen, ondersteund door hulpmiddelen zoals een digitale tool, een leerom geving en het “Grote Doorbraakboek”.
Burgervoogd: Burgervoogdij is een wettelijk alternatief voor voogdij bij een gecertificeerde instelling. De burgervoogd heeft dezelfde taken als een voogd bij de jeugdbescherming. Deze persoon neemt het wettelijk gezag over de jongere op zich. Daardoor is de burgervoogd betrokken bij alle belangrijke beslissingen in diens leven. Centrum voor Jeugd en Gezin (CJG): De plek voor alle vragen over bij opvoeden en opgroeien. Het CJG netwerk kan steun en hulp bieden vanuit de sociale basis en waar nodig (jeugd)hulp erbij halen en bundelt alle vrij toegankelijke voorzienin gen op het gebied van opvoeden en opgroeien. Het CJG zowel fysiek in de wijk te vinden als online te raadplegen. Collectieve/vrij-toegankelijke voorzieningen: Collectieve of vrij toegankelijke voorzieningen zijn voorzieningen waar alle kinderen, jongeren en ouders gebruik van kunnen maken. Denk aan het consultatiebureau, het lokale (wijk)team, de sportclub, het kind- en jongerenwerk en de bibliotheek. Demedicaliseren: Demedicaliseren betekent het terugdringen van het onnodig gebruik van medische of zorgprofessionele interventies bij problemen die (deels) ook op een andere manier aangepakt kunnen worden, bijvoorbeeld via
Fietsplan: Met het fietsplan bouwen we aan een stad waar gezondheid, onderwijs, werk, armoede bestrijding en duurzaamheid samenkomen. Een Alkmaar waarin iedereen jong of oud, ongeacht achtergrond of inkomen actief, gezond en zelfstandig kan meedoen. De fiets is onze sleutel tot een inclusieve, toekomstgerichte en leefbare stad. Gebiedsteam Sociaal: De gebiedsteams sociaal vormen een werkstructuur voor professionals voor het gezamenlijk oppakken voor casussen met meervoudige problematiek en versterken van domeinoverstijgende samenwerking tussen jeugd, Wmo, participatie, veiligheid en andere relevante domeinen. Gezinsadvocaat: Een gezinsadvocaat is geen individuele advocaat, maar een duo van een familierecht-advocaat en een gedragsweten schapper die samen de regie voeren over de zorg en het recht in een complexe scheiding. De inzet van een gezinsadvocaat wordt ondersteund om een duurzame en positieve oplossing voor het hele gezin, inclusief kinderen, te bevorderen. Het doel is om zorg en recht te verbinden, conflicten te verminderen en de kosten voor alle betrokken partijen, inclusief de gemeenten, te verlagen. ‘Hosselaar’: Het doel van het programma Hosselaar is om jongeren in de leeftijd van 12 tot 16 jaar (voortgezet onderwijs) bewust te maken van de wereld van drugscriminaliteit.
Een gezonde basis voor de toekomst | 35
Jeugdhulp: Jeugdhulp is hulp en zorg voor kinderen jonger dan 18 jaar en hun ouders. Deze hulp en zorg zijn bedoeld om de gevolgen van problemen te verminderen, stabiel te maken, te behandelen of op te lossen. Denk hierbij bijvoorbeeld aan psychische problemen, gedragsproblemen, een verstandelijke beperking van een kind, opvoedingsproblemen, of proble men die te maken hebben met adoptie. Jeugdhulp is niet bedoeld om problemen te voorkomen. • Jeugdhulp kan ervoor zorgen dat kinderen jonger dan 18 jaar met een lichamelijke, verstandelijke, of zintuigelijke beperking beter mee kunnen doen in de maatschappij. • Jeugdhulp helpt kinderen jonger dan 18 jaar met een lichamelijke, verstandelijke of zintuig lijke beperking, of met een psychiatrische aandoening om persoonlijke verzorging zelf te leren. Maatschappelijke diensttijd: Dit is een participa tietraject voor jongeren die een tussenjaar hebben of zich oriënteren op werk maar nog niet precies weten wat ze leuk vinden en waar hun talenten liggen. Maatwerkvoorzieningen/niet vrij toegankelijke voorzieningen: Maatwerkvoorzieningen voorzien in individuele hulp wanneer vrij toegankelijke voorzieningen niet voldoende is. Hier is een beschikking voor nodig. Kinderen kunnen hier alleen gebruik van maken als ze worden als de gemeente daar toestemming voor geeft, bijvoor beeld via het lokale team of via de huisarts.
Voorbeelden van maatwerkvoorzieningen: intensieve vormen van opvoedhulp, psychologi sche hulp en behandeling en persoonlijke bege leiding. Ook pleegzorg hoort hierbij. Mobiel Media Lab: Het Mobiel Media Lab is een vrachtwagen die bij verschillende scholen wordt neergezet. Hierin gaan jongeren met politie het gesprek aan over online shaming, doen ze een quiz en komen ze ook in contact met jongeren werk en boa´s. Normaliseren: Normaliseren gaat over het accepteren of omarmen van het feit dat ieder kind anders is. En dat niet voor iedere opvoed- en opgroeivraag een professioneel antwoord nodig is.
Pedagogische basis: De pedagogische basis is het onderdeel van de sociale basis dat bijdraagt aan het opgroeien, het opvoeden en de ontwikke ling van kinderen en jongeren. Het is een combi natie van sociale, fysieke en online factoren. Peuteropvang VE-plus: Aanbod voor peuters van 2,5 – 4 jaar door een kinderopvangorganisatie binnen de Wet Kinderopvang. Peuters die in aanmerking komen voor deze groep functioneren niet (meer) in de reguliere kinderopvang en zijn afkomstig van een Alkmaarse VE-peuteropvang locatie. De groep sluit aan op de bestaande Alkmaarse zorgstructuur van de peuteropvang met voorschoolse educatie. Pilot online veiligheid: In 2026 start een pilot op het Murmellius rondom jongeren die als vrijwilliger aan de slag gaan op het onderwerp online veiligheid en zo aanspreekpunt zijn en het onderwerp promoten bij/voor hun mede leerlingen/docenten en ouders. Pleegzorg: Als een kind bij iemand anders, een pleeggezin, opgroeit en niet bij zijn of haar ouders. De pleegouder voedt het kind op. Sociale basis: De sociale basis bestaat uit wat inwoners met en voor elkaar doen. Aangevuld door meer professionele, georganiseerde sociale basisvoorzieningen die hen daarin ondersteunen. De sociale basis raakt aan álle aspecten van het dagelijkse leven: ontmoeting, onderwijs, opvoe ding, werk, gezondheid, wonen, bewegen, cultuur en veiligheid.
Stut- en steuntrajecten: Stut- en steuntrajecten zijn korte, laagdrempelige interventies in de jeugdzorg die gericht zijn op het bieden van tijdelijke steun en praktische hulp aan jeugdigen en gezinnen. Het doel is om te voorkomen dat problemen verergeren en om de inzet van zwaardere of langdurige jeugdhulp te voor komen. Via zorg die aangeboden wordt op wijk en buurtniveau kan dit gerealiseerd worden. Het accent verschuift van langdurige, zware zorg naar tijdige, lichte en effectieve interventies. Zij vormen daarmee een schakel in het streven naar passende en betaalbare jeugdhulp. VE: Voorschoolse Educatie, aangeboden op een VE-gecertificeerde kinderopvanglocatie aan een peuteropvanggroep.
Een gezonde basis voor de toekomst | 36
Wijkcontactpunt: Een laagdrempelige fysieke plek voor iedereen uit de wijk met vragen over zorg, welzijn, werk of geldzaken. Wet langdurige zorg (Wlz): Dit is een wet die voorziet in zorg en ondersteuning voor mensen die permanent intensieve zorg of toezicht nodig hebben, voor kwetsbare ouderen, mensen met een handicap en mensen met een psychische aandoening.
Een gezonde basis voor de toekomst | 37
Bijlage 3. Toelichting regionale inzet specialistische zorg De regionale aanpak concentreert zich op vier hoofdlijnen met als doel dat de instroom, duur en volume van jeugdhulp afneemt. 1. Regionale afstemming en samenwerking over maatregelen die lokale verantwoordelijkheid zijn. Hiermee wordt eenheid aan maatregelen gecreëerd: a. Aanpassen van de reikwijdte van de Jeugd wet; dit betekent dat we de jeugdhulpplicht afbakenen b. Verminderen van administratieve lasten; verlagen van administratieve lasten in het primaire proces van de Toegang (jeugd) van gemeenten en jeugdhulpaanbieders en gericht op declaratie en verantwoording van jeugdhulp 2. Maatregelen binnen de huidige contracten van jeugdhulp: a. Grip op betaalovereenkomsten b. Versterken van datagestuurd contract management c. Meer inzet van Basis GGZ dan Specialistische GGZ d. Effectieve en efficiente jeugdhulp e. Intensiveren van materiele controles jeugdhulpaanbieders f. Maximeren van behandelduur g. Aantal uur ingezette hulp terugbrengen Deze maatregelen laten sturing en grip zien en zal effect hebben op het totaal aan omvang van de jeugdhulpkosten. Het Programma Onderwijs en Aansluiting jeugdhulp participeert ook in het onderzoeken en uitvoeren van maatregelen 3. Maatregelen die in samenspraak met aan bieders van jeugdhulp zijn opgesteld: Dit zijn maatregelen die binnen en buiten de contractafspraken kunnen vallen.
a. Verkorten behandelduur b. Regie op duurste cliënten c. Behandeling in groepsverband
4. Maatregelen die lokale gemeenten uitvoeren waaronder het versterken van de sociale basis, versterken van preventieve maatregelen en het werken aan stevige sociale teams o.a.: a. Lichte vormen van jeugdhulp opnemen als voorliggende voorziening: onderzoek of en hoe mogelijk wordt gemaakt om ingekocht jeugdhulpaanbod te verstrekken als voorlig gende voorziening b. de zes gemeenten verkennen één uniforme werkwijze van de toegang jeugd met als resultaat het bevorderen van grip en sturing op afname van de jeugdhulp, op voordelen in de bedrijfsvoering en op effectiviteit). Uitgangspunt is dat een uniforme werkwijze in de toegang tot jeugdhulp efficiënter is, bureaucratie/ administratielast vermindert bij de aanbieder (en de gemeente) en aanvullende sturingsmogelijk heden biedt. Hiermee wordt de huidige werkwijze van de gemeentelijke toegang jeugd onderzocht, vooren nadelen en best practices worden vergeleken waardoor de gemeentelijke Toegang op jeugd hulp wordt versterkt met als doel meer regie en grip op de afname van jeugdhulp. Alle gemeenten in de regio implementeren cf. de VNG afspraak de handreiking Stevige lokale teams. Dat gaat samen met een doorontwikke ling van de lokale teams. Deels betreft dit een lokaal inrichtingsvraagstuk. Maar de ontwikkeling bevat ook veel overeenkomsten en veel stakehol ders werken juist regionaal of bovenregionaal.
Verdere uniformering kan bijdragen aan efficiën tie, effectiviteit, duidelijkheid naar inwoners en (in de samenwerking met) aanbieders.
Een gezonde basis voor de toekomst | 38