231207 Raadsinformatiebrief Ontwerpbestemmingsplan Olympiaweg Bijlage 4 - Toelichting Olympiaweg tussen 1 en 17
Tekst van het document
Vervoer van gevaarlijke stoffen Per 1 april 2015 is het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en het Basisnet in werking getreden. Het Bevt vormt de wet- en regelgeving, en de concrete uitwerking volgt in het Basisnet. Het Basisnet is onderverdeeld in drie onderdelen: Basisnet Spoor, Basisnet Weg en Basisnet Water.
Besluit externe veiligheid buisleidingen
32/48
Per 1 januari 2011 is het Besluit externe veiligheid buisleidingen in werking getreden. In dat besluit wordt aangesloten bij de risicobenadering uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) zodat ook voor buisleidingen normen voor het PR en het GR gelden.
Onderzoek Uit de professionele risicokaart blijkt dat er in de directe omgeving van het plangebied geen vervoer van gevaarlijke stoffen plaats over het spoor, het water of door buisleidingen plaatsvindt dat van invloed is op de externe veiligheidssituatie in het plangebied.
LPG-tankstation Martin Luther Kingweg Het plangebied bevindt zich binnen het invloedsgebied van één risicovolle inrichting, namelijk het LPG-tankstation aan de Martin Luther Kingweg. Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van 150 meter rond het LPG-vulpunt en het LPG-reservoir van dit tankstation. Hierom zijn de externe veiligheidsrisico's van dit tankstation onderzocht. Dit onderzoek is opgenomen in bijlage 13. In het onderzoek wordt het volgende geconcludeerd: Het plangebied ligt buiten de vastgestelde PR 10-6-contouren rond de LPG-installaties. Het plaatsgebonden risico vormt geen belemmering. Het groepsrisico neemt toe van 0.23 keer de oriëntatiewaarde in de huidige situatie tot 0.66 in de toekomstige situatie. Een verantwoording van het groepsrisico is vereist en het bestuur van de veiligheidsregio dient in de gelegenheid te worden gesteld om advies uit te brengen over de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp en over de zelfredzaamheid van personen in het invloedsgebied van de inrichting.
Vervoer gevaarlijke stoffen N9 (Martin Luther Kingweg) Het plangebied bevindt zich binnen het invloedsgebied van een weg waarover vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt, namelijk de N9 (Martin Luther Kingweg). Hierom zijn de externe veiligheidsrisico's van deze transportroute onderzocht. Dit onderzoek is tevens opgenomen in bijlage 13. In het onderzoek wordt het volgende geconcludeerd: Het plaatsgebonden risico vormt geen belemmering. Het groepsrisico in zowel de huidige als toekomstige situatie is kleiner dan 0.1 keer de oriëntatiewaarde. De verdere verantwoording van het groepsrisico kan achterwege blijven. Er is geen sprake van een plasbrandaandachtsgebied rond het beschouwde deel van de N9.
Verantwoording groepsrisico Uit het onderzoek naar het LPG-tankstation en de N9 is gebleken dat een verantwoording van het groepsrisico is vereist. Deze verantwoording is opgesteld in een separaat document, zie bijlage 14.
Conclusie Het plangebied ligt binnen de invloedsgebieden van een LPG-tankstation en een weg waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt (N9). Vanwege de toename van het groepsrisico is er een verantwoording van dit groepsrisico opgenomen. Met de uitvoering van de bijbehorende maatregelen staat het aspect externe veiligheid de uitvoering van de beoogde ontwikkeling niet in de weg.
33/48
4.8 Ecologie Beleid en normstelling Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient onderzocht te worden of de Wet natuurbescherming (hierna: Wnb) en het beleid van de provincie ten aanzien van de bescherming van dier- en plantensoorten en de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland de uitvoering van het plan niet in de weg staan. In elk geval moet aannemelijk zijn dat vergunning of ontheffing van de van de bij of krachtens deze wet geldende verbodsbepalingen kan worden verkregen voor de activiteiten die met deze ruimtelijke onderbouwing mogelijk worden gemaakt. Dit is anders indien uit de Wnb voortvloeit dat een passende beoordeling moet worden gemaakt. Deze dient te zijn verricht ten tijde van vaststelling van het bestemmingsplan.
Toetsingskader Wet natuurbescherming Met de Wnb zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dier- en plantensoorten samengebracht in één wet. De Wnb implementeert diverse Europeesrechtelijke regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn in de Nederlandse wetgeving.
Gebiedsbescherming De Wnb kent diverse soorten natuurgebieden, te weten: Natura-2000 gebieden; Natuurnetwerk Nederland (NNN).
Natura 2000-gebieden De Minister van Economische Zaken (EZ) wijst gebieden aan die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden: Natura 2000. Een dergelijk besluit bevat de instandhoudingsdoelstellingen voor de leefgebieden van vogelsoorten (Vogelrichtlijn) en de instandhoudingsdoelstellingen voor de natuurlijke habitats en habitats van soorten (Habitatrichtlijn). Een ruimtelijk plan dat afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, kan uitsluitend vastgesteld worden indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: alternatieve oplossingen zijn niet voor handen; het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard, en de nodige compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft.
De bescherming van deze gebieden heeft externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden verstoring kunnen veroorzaken en moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats.
34/48
Natuurnetwerk Nederland (NNN) Gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) worden aangewezen in de provinciale verordening. Voor dit soort gebieden geldt het 'nee, tenzij' principe, wat inhoudt dat binnen deze gebieden in beginsel geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogen plaatsvinden.
Soortenbescherming In de Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen: soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn; soorten die worden beschermd in de Habitatrichtlijn; overige soorten.
De Wnb bevat onder andere verbodsbepalingen ten aanzien van het opzettelijk vernielen of beschadigen van nesten, eieren en rustplaatsen van vogels als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. Gedeputeerde Staten (hierna: GS) kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen Provinciale Staten (hierna: PS) vrijstelling verlenen van dit verbod. De voorwaarden waaraan voldaan moet worden om ontheffing of vrijstelling te kunnen verlenen zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Vogelrichtlijn. Verder is het verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen of te verstoren. GS kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen PS vrijstelling verlenen van dit verbod. De gronden voor verlening van ontheffing of vrijstelling zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Habitatrichtlijn.
Ten slotte is een verbodsbepaling opgenomen voor overige soorten. Deze soorten zijn opgenomen in de bijlage onder de onderdelen A en B bij de Wnb. De provincie kan ontheffing verlenen van deze verboden. Verder kan bij provinciale verordening vrijstelling worden verleend van de verboden. De noodzaak tot ontheffing of vrijstelling kan hierbij ook verband houden met handelingen in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden.
Bij de voorbereiding van de beoogde ontwikkeling moet worden onderzocht of de Wet natuurbescherming de uitvoering van het plan niet in de weg staat. Dit is het geval wanneer de uitvoering tot ingrepen noodzaakt waarvan moet worden aangenomen dat daarvoor geen vergunning of ontheffing ingevolge de wet zal kunnen worden verkregen.
Onderzoek Gebiedsbescherming Het plangebied vormt geen onderdeel van een natuur- of groengebied met een beschermde status, zoals Natura 2000. Het plangebied maakt ook geen onderdeel uit van het Natuurnetwerk Nederland. Dit geldt overigens ook voor belangrijke weidevogelgebieden en gebieden die zijn aangewezen als 'strategische reserve natuur'. Daarnaast zijn binnen het plangebied ook geen karakteristieke landschapselementen aanwezig. Het dichtstbijzijnde Natura 2000 gebied is gelegen circa 3.100 meter afstand en betreft het gebied Noordhollands Duinreservaat. Het dichtstbijzijnde NNN-gebied ligt op circa 1.310 meter afstand. Vanwege de afstand zijn directe effecten zoals areaalverlies, versnippering, verandering van de waterhuishouding en verstoring op voorhand uitgesloten.
35/48
Om stikstofdepositie van de beoogde ontwikkeling uit te sluiten is een onderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is opgenomen in bijlage 8. De bijbehorende berekeningen is opgenomen in bijlage 9 (aanlegfase 2024), bijlage 10 (aanlegfase 2025), bijlage 11 (aanlegfase 2026) en bijlage 12 (gebruiksfase). In dit onderzoek wordt geconcludeerd dat er voor de gebruiksfase geen depositiebijdrage binnen Natura 2000-gebieden wordt berekend. Er zijn geen rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/jr.
Op basis van het voorgaande kan geconcludeerd worden dat er voor de ontwikkeling geen vergunning op grond van de Wet natuurbescherming is vereist.
Soortenbescherming De aanwezigheid van beschermde planten- en diersoorten vormt een te onderzoeken aspect omdat met de plannen effecten kunnen ontstaan op soorten die beschermd zijn via de Wet natuurbescherming. In dit kader zijn er ter plaatse van het plangebied twee inventarisaties naar beschermde planten- en diersoorten uitgevoerd (quick scan flora & fauna). De resultaten en conclusies worden hieronder behandeld:
Quick scan flora & fauna perceel D 1915 Deze quick scan heeft plaatsgevonden op kadastraal perceel sectie D, nummer 1915. Binnen dit onderzoeksgebied is het kantoorgebouw beoogd. Tevens bevindt zich een deel van het parkeerterrein van de hotelontwikkeling binnen het onderzoeksgebied. In het onderzoek wordt het volgende geconcludeerd: De groenstructuren in het plangebied kunnen mogelijk fungeren als foerageergebied of vliegroute voor vleermuizen. Indien er bomenkap plaatsvindt kunnen deze functies verloren gaan. In het plangebied kunnen mogelijk algemene amfibieën, broedvogels en zoogdieren voorkomen. Overige beschermde soorten worden door het ontbreken van geschikt habitat niet verwacht voor te komen. De bomen in het plangebied vallen binnen de bebouwde komgrenzen van de gemeente Alkmaar. Zodoende is toetsing aan de bepalingen uit de Wet natuurbescherming ten aanzien van houtopstanden niet noodzakelijk. Er vindt geen bomenkap plaats. Nader soortgericht onderzoek is hierom niet noodzakelijk.
Het volledige onderzoek is opgenomen in bijlage 15.
Quick scan flora & fauna percelen D 1496, 1638, 1658 Deze quick scan heeft plaatsgevonden op de kadastrale percelen sectie D, nummer 1496, 1638 en 1658. Binnen dit onderzoeksgebied is het hotel beoogd.
In het onderzoek wordt het volgende geconcludeerd: Er zijn geen verblijfplaatsen van huismus, gierzwaluw en vleermuizen aangetroffen. Er werden foeragerende gewone dwergvleermuizen en (sporadisch) ruige dwergvleermuizen waargenomen rond de woning. De Olympiaweg wordt gebruikt als vliegroute. Er zijn geen (kleine) marterachtigen aangetroffen. De aangetroffen egel, bosmuis en rosse woelmuis zijn beschermde soorten, waarvoor krachtens de PRV (Provinciale Ruimtelijke Verordening) een vrijstelling geldt. Wel geldt voor deze soorten de zorgplicht.
36/48
Het volledige onderzoek is opgenomen in bijlage 16.
Vanwege de (mogelijke) aanwezigheid van vleermuizen wordt hiervoor aanvullend onderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek wordt voorafgaand aan de vaststelling aan het bestemmingsplan toegevoegd. Indien noodzakelijk worden er op basis van het onderzoek passende maatregelen genomen en/of een Wnb ontheffing aangevraagd.
Conclusie Op basis van het voorgaande kan geconcludeerd worden dat er in het kader van gebiedsbescherming geen vergunning op grond van de Wet natuurbescherming is vereist. In het kader van soortenbescherming wordt er aanvullend onderzoek naar vleermuizen uitgevoerd. De resultaten worden voorafgaand aan de vaststelling in het bestemmingsplan verwerkt.
4.9 Water Waterbeheer en watertoets Bij een ruimtelijk plan dient in een vroeg stadium overleg gevoerd te worden met de waterbeheerder over een ruimtelijk planvoornemen. Hiermee wordt voorkomen dat ruimtelijke ontwikkelingen in strijd zijn met duurzaam waterbeheer. Het plangebied ligt binnen het beheersgebied van het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier, verantwoordelijk voor het waterkwantiteits- en waterkwaliteitsbeheer.
Beleid duurzaam stedelijk waterbeheer Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding, allen met als doel een duurzaam waterbeheer (kwalitatief en kwantitatief). Deze paragraaf geeft een overzicht van de voor het plangebied relevante nota's, waarbij het beleid van het Hoogheemraadschap nader wordt behandeld.
Europa: Kaderrichtlijn Water (KRW) Nationaal: Nationaal Waterplan (NW) Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) Waterwet Provinciaal: Provinciaal Waterplan Provinciale Verordening Ruimte Provinciale Structuurvisie
Waterschapsbeleid Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier heeft samen met haar partners haar waterbeleid op lange termijn (Deltavisie) en op middellange termijn (Waterprogramma 2016-2021) opgesteld. In het Waterprogramma 2016-2021 (voorheen waterbeheerplan) zijn de programma's en beheertaken van het hoogheemraadschap opgenomen met de programmering en uitvoering van het waterbeheer. Het programma is nodig om het beheergebied klimaatbestendig te maken, toegespitst op de thema's waterveiligheid, wateroverlast,
37/48
watertekort, schoon en gezond water en crisisbeheersing. Door het veranderende klimaat wordt het waterbeheer steeds complexer. Alleen door slim samen te werken is integraal en doelmatig waterbeheer mogelijk. Bij de ontwikkeling van het Waterprogramma is hieraan invulling gegeven door middel van een partnerproces en de ontwikkeling van gezamenlijke bouwstenen.
Keur HHNK In september 2016 heeft het algemeen bestuur van het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier (HHNK) een nieuwe Keur 2016 vastgesteld die op 1 oktober 2016 in werking is getreden.
Huidige situatie Algemeen Het plangebied bestaat uit onbebouwd terrein. Het grootste deel van het plangebied is onverhard.
Waterkwantiteit Binnen het plangebied was één secundaire watergang aanwezig (zie figuur 4.2). Deze watergang is sinds 2022 gedempt. Ten zuiden is tevens een secundaire watergang aanwezig. Het plangebied reikt niet tot de beschermingszone van deze watergang.
Figuur 4.2. Uitsnede Legger Wateren 2022 HHNK
Veiligheid en waterkeringen Er bevindt zich geen regionale waterkering binnen het plangebied. Ten noorden van het plangebied bevindt zich
38/48
wel een regionale waterkering. De beschermingszone van deze waterkering reikt niet tot aan het plangebied (zie figuur 4.3).
Figuur 4.3. Uitsnede Legger Waterkeringen HHNK
Toekomstige situatie Waterkwantiteit Met de beoogde ontwikkeling vindt er een toename aan verhard oppervlak plaats. Volgens het beleid van het Hoogheemraadschap geldt er per toename aan m² verharding een bergingseis van 70 mm. Om aan te tonen dat dat de ontwikkeling in voldoende waterberging voorziet is hiervoor een notitie opgesteld. Deze notitie is opgenomen in bijlage 17. In de berekening is opgenomen dat de waterberging en infiltratie wordt opgelost via IT-drainbuizen onder de rijbanen op het perceel. Dit is verder uitgewerkt in een situatietekening, zie bijlage 18. Met de beoogde waterberging wordt er voorzien in voldoende waterbergingscapaciteit.
Watersysteemkwaliteit en ecologie Ter voorkoming van diffuse verontreinigingen van water en bodem is het van belang om duurzame, niet-uitloogbare materialen te gebruiken, zowel gedurende de bouw- als de gebruiksfase.
Veiligheid en waterkeringen Er vinden geen werkzaamheden plaats binnen de beschermingszone van een waterkering.
Afvalwaterketen en riolering
39/48
Het hotel en het kantoor worden ieder voorzien van een aansluiting op het bestaande afvalwaterriool in de Olympiaweg. Het hemelwater wordt zo veel mogelijk lokaal vastgehouden en geïnfiltreerd (zie bijlage 17).
Voorafgaand aan de aanvraag omgevingsvergunning vindt er een nadere uitwerking van de riolering van het plangebied plaats.
Grondwater De terreinverharding wordt op circa 130 cm boven de grondwaterstand gerealiseerd. Er worden geen problemen vanwege de grondwaterstand verwacht.
Conclusie De beoogde ontwikkeling heeft geen negatieve invloed op de waterhuishouding in het gebied. Het aspect water staat de ontwikkeling niet in de weg.
4.10 Archeologie en cultuurhistorie Beleid en normstelling Erfgoedwet Sinds 1 juli 2016 is de Wet op de archeologische monumentenzorg vervangen door de Erfgoedwet. De uitgangspunten uit het 'Verdrag van Malta' blijven in de Erfgoedwet de basis van de Nederlandse omgang met archeologie. De Erfgoedwet regelt de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem, de inpassing ervan in de ruimtelijke ontwikkeling en de financiering van opgravingen. Voor gebieden waar archeologische waarden voorkomen of waar reële verwachtingen bestaan dat ter plaatse archeologische waarden aanwezig zijn, dient door de initiatiefnemer voorafgaand aan bodemingrepen archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. De uitkomsten van het archeologisch onderzoek dienen vervolgens volwaardig in de belangenafweging te worden betrokken. Het belangrijkste doel is de bescherming van het archeologische in de bodem (in situ) omdat de bodem doorgaans de beste garantie biedt voor een goede conservering. Er wordt uitgegaan van het basisprincipe de 'verstoorder' betaalt voor het opgraven en het documenteren van de aangetroffen waarden als behoud in de bodem niet tot de mogelijkheden behoort.
Besluit ruimtelijke ordening Op basis van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) dient in de toelichting van elk bestemmingsplan een beschrijving te worden gegeven van de aanwezige cultuurhistorische en archeologische waarden van het plangebied.
Onderzoek Archeologie In het 'Erfgoedbeleid Alkmaar 2016-2026' is het plangebied aangewezen met een archeologische verwachting 'Waarde E' (lage verwachtingswaarde). Dit betekent dat archeologische onderzoek noodzakelijk is bij verstoringen die groter zijn dan 10.000 m2 en dieper reiken dan 40 cm diepte.
Om de archeologische waarden in toekomstige situaties te beschermen is er in de regeling van dit
40/48
bestemmingsplan een archeologische dubbelbestemming opgenomen. Indien bij een vergunningaanvraag de bouwwerkzaamheden een oppervlakte groter dan 10.000 m² hebben en dieper reiken dan 40 cm is een archeologisch (bureau) onderzoek noodzakelijk.
Cultuurhistorie Het plangebied ligt niet binnen een beschermd stads- of dorpsgezicht. Ook zijn in het plangebied geen monumenten aanwezig. Wel ligt het plangebied binnen de molenbiotoop van de Robonsbosmolen. De molen bevindt zich op circa 300 meter ten noorden van het plangebied.
De beoogde ontwikkeling vanwege haar omvang invloed hebben op de werking van de Robonsbosmolen. Om het effect van de luchtstroming richting de wieken van de molen te onderzoeken is hier onderzoek naar verricht. Dit onderzoek is opgenomen in bijlage 19. In het onderzoek wordt geconcludeerd dat de ontwikkeling zorgt voor een geschatte afname van 1% in het aantal uren dat de molen kan draaien per jaar.
Conclusie Geconcludeerd kan worden dat de aspecten archeologie en cultuurhistorie geen belemmering zijn voor de uitvoering van de beoogde ontwikkeling.
4.11 Bezonning Om de veranderende schaduwwerking van de beoogde ontwikkeling in beeld te brengen is er een bezonningsstudie opgesteld voor het plangebied in de huidige- en de toekomstige situatie. Deze studie is opgenomen in bijlage 20.
Er is geen regelgeving ten aanzien van bezonning. De meeste Nederlandse gemeenten hanteren de TNO-norm om aan te toetsen. TNO kent een 'lichte' en een 'strenge' norm: De 'lichte' TNO-norm: ten minste 2 mogelijke bezonningsuren per dag in de periode van 19 februari – 21 oktober (gedurende 8 maanden) in midden vensterbank binnenkant raam. De 'strenge' TNO-norm: ten minste 3 mogelijke bezonningsuren per dag in de periode 21 januari – 22 november (gedurende 10 maanden) in midden vensterbank binnenkant raam.
Onderzoek en conclusie In de bezonningsstudie zijn de verschillende maatgevende dagen van de 4 seizoenen beschouwd, namelijk de volgende: 21 maart: de dag dat de zon op 'half' staat, namelijk precies tussen de stand van 22 december en 21 juni in (zomertijd); 21 juni: de dag dat de zon het hoogst staat; 23 september: de dag dat de zon op 'half' staat, namelijk precies tussen de stand van 21 juni en 22 december in (wintertijd); 22 december: de dag dat de zon het laagst staat.
Om tot een oordeel te komen of er aan de TNO-normen wordt voldaan is er naar de schaduwwerking van de ontwikkeling op nabijgelegen woningen. De relevante woningen bevinden zich ten noorden van het plangebied,
41/48
aan de Olympiaweg 10 en 14. Uit de bezonningsstudie blijkt dat op 22 december (de dag dat de zon het laagst staat) er gedurende de ochtend een beperkte toename van schaduwwerking op deze woningen is. De schaduw is afkomstig van het hotel. In de middag heeft het hotel geen invloed op de schaduwwerking op deze woningen. Tijdens alle andere meetmomenten is de beschaduwing gunstiger. Hierdoor kan er worden geconcludeerd dat er aan de TNO-normen wordt voldaan.
4.12 Milieueffectrapportage Beleid en normstelling In onderdeel C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten in het kader van het omgevingsvergunning planmer-plichtig, projectmer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Daarnaast dient het bevoegd gezag bij de betreffende activiteiten die niet aan de bijbehorende drempelwaarden voldoen, maar waarbij wel sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject, na te gaan of sprake kan zijn van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. Hierbij moet worden gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen: de kenmerken van de projecten; de plaats van de projecten; de kenmerken van de potentiële effecten.
Sinds 7 juli 2017 is een aanpassing van het Besluit m.e.r. in werking getreden met daarin een nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling. Zo moet voor de ontwerpbestemmingsplanfase een m.e.r-beoordelingsbeslissing worden genomen, waarin wordt aangegeven of wel of geen milieueffectrapportage nodig is, gelet op de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële (milieu)effecten en mogelijke mitigerende maatregelen. Dit hoeft alleen voor projecten die aangemerkt worden als een stedelijk ontwikkelingsproject.
Onderzoek en conclusie In het Besluit milieueffectrapportage is opgenomen dat de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject m.e.r.-beoordelingsplichtig is in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op: 1°. een oppervlakte van 100 hectare of meer, 2°. een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat, of 3°. een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer.
Opgemerkt dient te worden dat voor activiteiten die niet aan de bijbehorende drempelwaarden voldoen, toch dient te worden nagegaan of er sprake kan zijn van belangrijke gevolgen voor het milieu. In dit kader is een aanmeldnotitie voor een vormvrije m.e.r.-beoordeling opgesteld. Deze aanmeldnotitie is opgenomen in bijlage 21. Hieruit blijkt dat een mer-procedure conform het Besluit m.e.r. niet noodzakelijk is.
42/48
4.13 Duurzaamheid In de uitwerking van de beoogde ontwikkelingen zal aandacht worden besteed aan het aspect duurzaamheid. Duurzaam bouwen betreft een wijze van plannen, bestemmen, ontwerpen, bouwen, inrichten en beheren van de te realiseren woningen. Bij de bouw van kan aan de volgende duurzaamheidsaspecten worden gedacht zijn: energiehuishouding, materiaalgebruik, watergebruik, gezondheid, comfort, en toekomstbestendigheid.
De gemeente Alkmaar heeft het duurzaamheidsbeleid vastgesteld in haar Programma Duurzaam Alkmaar 2020 – 2024. Met als basis de doelstellingen die afgesproken zijn in de regio Alkmaar. Er wordt gewerkt naar een toename van het aandeel duurzame energie en een afname van het gebruik van fossiele energie.
De gemeente hanteert de volgende uitgangspunten voor de nieuwbouw: gasloos bouwen; (bijna) energieneutraal bouwen/lokale opwekking duurzame energie; circulair bouwen/wateradaptie; duurzame mobiliteit.
Circulair bouwen In Alkmaar streven we naar circulaire ontwikkeling door te focussen op vier thema's: milieu-impact en materiaalgebruik, gebouwflexibiliteit, omgang met restmateriaal, en gezonde materialen. We willen de milieu-impact van gebouwen verminderen door een lagere MilieuPrestatie Gebouwen (MPG) te bereiken en het gebruik van non-virgin en biobased materialen te bevorderen. Daarnaast streven we naar adaptief ontwerpen en losmaakbaar bouwen om gebouwen langer in gebruik te houden. We benaderen de gebouwde omgeving als een grondstoffenbank, waarbij we restmateriaal hoogwaardig herbestemmen en materialenpaspoorten gebruiken voor toekomstig hergebruik. Tot slot willen we gezonde materialen promoten door het vermijden van toxische stoffen in bijna alle van de gebruikte materialen.
In het voornemen wordt op de volgende wijze rekening gehouden met het duurzaamheidsprogramma van de gemeente: De beoogde ontwikkelingen worden gasloos en (bijna) energieneutraal (BENG) gerealiseerd. Daarnaast worden de parkeerterreinen voorzien van (snel)laadpunten. In de verdere uitwerking van de ontwikkelingen worden de duurzame maatregelen verder geconcretiseerd.
Klimaatadaptatie Het klimaat verandert. De stijging van de gemiddelde temperatuur brengt extremer weer met zich mee natter, droger en heter. Het plangebied is in de huidige situatie volledig verhard. Met het planvoornemen wijzigt de inrichting naar een situatie met een hotel, kantoor en bijbehorende parkeerterreinen. In overleg met het Hoogheemraadschap zijn oplossingen bedacht voor de toename aan verharding in het plangebied. Dit is uitgewerkt in paragraaf 4.9. Daarnaast is er beoogd om de bestaande bomen op het perceel te behouden.
Natuurinclusiviteit Door de initiatiefnemers worden de mogelijkheden onderzocht om gebouwgebonden maatregelen te nemen
43/48
inzake natuurinclusiviteit. Hierbij wordt gedacht aan het plaatsen van verblijfsvoorzieningen voor vogels of vleermuizen aan de gevels van de nieuwbouw. Dit wordt geconcretiseerd bij de verdere uitwerking van de ontwikkelingen.
44/48
Hoofdstuk 5 Juridische vormgeving
5.1 Algemeen Het plan voldoet aan de bepalingen van de Wro en de daaruit volgende aanvullende regelingen. De Wro en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) stellen de digitalisering van ruimtelijke plannen en besluiten volgens daartoe gestelde standaarden verplicht. Het Bro stelt verplicht dat een uitwerkingsplan in digitale vorm volgens de RO-standaarden voor de digitalisering wordt vastgesteld en dat daarvan tevens een analoge verbeelding wordt vastgesteld. Het voorliggende uitwerkingsplan voldoet aan de standaarden voor vergelijkbaarheid, de SVBP 2012, en er is tevens een digitaal plan.
5.2 Regels In de standaarden voor verglijkbaarheid, De SVBP 2012, is voorgeschreven hoe de regels van het uitwerkingsplan dienen te worden opgebouwd. Voor de leesbaarheid en raadpleegbaarheid dienen de regels in hoofdstukken te worden geplaatst. Daarbij dient een vaste volgorde te worden aangehouden. De regels van het uitwerkingsplan zijn opgebouwd uit vier hoofdstukken.
In het eerste hoofdstuk worden de Begrippen (Artikel 1) en Wijze van meten (Artikel 2) behandeld. Deze hebben als doel begrippen in de regels te verklaren en eenduidige richtlijnen te geven op basis waarvan de bouwmaten, die zijn opgenomen in de regels, dienen te worden gemeten. In het tweede hoofdstuk zijn de regels opgenomen, die betrekking hebben op alle bestemmingen die in het uitwerkingsplan zijn opgenomen. Het derde en vierde hoofdstuk omvat een aantal regels, dat niet op een bepaalde bestemming betrekking heeft, maar voor het gehele uitwerkingsplan geldt.
Het overgangsrecht en de anti-dubbeltelregel zijn opgenomen in het Bro met de verplichting deze over te nemen in het uitwerkingsplan. De Wro bevat een algemeen verbod om de gronden en bebouwing in strijd met het uitwerkingsplan te gebruiken.
In een bestemmingsregel wordt aangegeven waarvoor en - zo nodig - hoe de betreffende gronden mogen worden gebruikt en bebouwd. Ter bevordering van de leesbaarheid en de raadpleegbaarheid is hierbij een vaste volgorde aangehouden.
De regels van een bestemming worden als volgt opgebouwd en benoemd: Bestemmingsomschrijving. Bouwregels. Nadere eisen. Afwijken van de bouwregels. Specifieke gebruiksregels. Afwijken van de gebruiksregels. Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden.
45/48
In de bestemmingsomschrijving wordt beschreven welke functies binnen de betreffende bestemming zijn toegestaan. In de bouwregels wordt weergegeven of en hoe gebouwd mag worden. Daarin wordt in algemene zin geregeld in alle bestemmingen dat er slechts gebouwd mag worden ten behoeve van de bestemming. In de navolgende (sub)leden worden maten zoals oppervlakten en bouwhoogten opgenomen, die betrekking hebben op de toegestane gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde. In een aantal gevallen is een afwijking van de regels in de eerder genoemde leden mogelijk, in sommige gevallen is dit slechts mogelijk na afwijking.
In de specifieke gebruiksregels worden nadere bepalingen gegeven omtrent de functies die zijn vermeld in de bestemmingsomschrijving. Zo kan bijvoorbeeld de omvang van bepaalde functies beperkt worden, of de situering van functies worden aangewezen.
5.3 Toelichting op de bestemmingen In dit bestemmingsplan zijn de enkelbestemmingen 'Horeca', 'Kantoor' en 'Verkeer - Verblijfsgebied' conform de gemeentelijke systematiek opgenomen. In de navolgende paragraaf is nader ingegaan op de opgenomen bestemmingen.
5.3.1 Horeca De bestemming 'Horeca' geldt voor het beoogde hotel, inclusief de bijbehorende faciliteiten, zoals het restaurant, de bars, de vergader- en congresruimten, wellness en het zwembad. Ook het bijbehorende parkeerterrein bevindt zich binnen deze bestemming. Het hotelgebouw dient binnen het bouwvlak te worden gebouwd. De maatvoeringen staan aangegeven op de verbeelding van het bestemmingsplan.
Voor het hotel is een maximum aantal kamers van 150 opgenomen.
5.3.2 Kantoor De bestemming 'Kantoor' geldt voor het beoogde kantoorgebouw, inclusief bijbehorende voorziening zoals het parkeerterrein. Op de begane grond is tevens ruimte voor een dienstverlenende functie.
Voor de kantoorruimte een maximum bruto vloeroppervlak (bvo) van 5.200 m² opgenomen. Dit is afgestemd op het bvo van de eerder vergunde kantoorontwikkeling 'Olympiaweg naast 17'. Hierdoor kan het bvo aan kantoorruimte niet toenemen ten opzichte van die vergunning. Voor de dienstverlenende functie is een maximum bvo van 500 m² opgenomen.
5.3.3 Verkeer - Verblijfsgebied De bestemming 'Verkeer - Verblijfsgebied' is opgenomen voor de aansluiting op de Olympiaweg. Binnen deze bestemming zijn onder andere inritten naar het hotel en het kantoor toegestaan. Tevens is het aanwezige groen mogelijk binnen deze bestemming.
46/48
Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid
6.1 Participatie In het kader van participatie zijn belanghebbenden op verschillende momenten betrokken bij het planvoornemen.
06-07-2023 De plannen zijn bij de beheerder van de molen toegelicht. Vermeld dat er een windonderzoek is gemaakt. Afgesproken om dit windonderzoek naar de beheerder toe te sturen.
18-07-2023 Op verzoek van eigenaar Olympiaweg 1, de plannen naar eigenaar gestuurd.
20-07-2023 Er heeft er een participatiebijeenkomst plaatsgevonden waarin de plannen zijn toegelicht. Tijdens deze bijeenkomst hadden belanghebbenden tevens de gelegenheid om te reageren op het planvoornemen. Het verslag van deze bijeenkomst is opgenomen in bijlage 22. De aandachtspunten van de belanghebbenden worden meegenomen in de verdere planvorming.
24-07-2023 Het windonderzoek besproken met de molenaar. De opmerkingen op het onderzoek zullen doorgegeven worden aan One Simulations (opsteller windonderzoek). Overige opmerkingen molenaar : Mogelijke positie hotel nader belijken. Windvriendelijke ontwerpen maken. Bij voorkeur ingetogen kleuren gebruiken Hoogte gebouw Klaver.
Naar aanleiding van de opmerkingen op het windonderzoek zijn er verschillende windberekeningen gemaakt. Het uiteindelijke windonderzoek (bijlage 19) is verstuurd naar de molenaar.
6.2 Procedure
6.2.1 Wettelijk vooroverleg In het kader van bestuurlijk overleg ex. artikel 3.1.1. Bro is het concept-ontwerpbestemmingsplan aan verschillende maatschappelijke instanties aangeboden die daarmee in de gelegenheid zijn gesteld om een overlegreactie op het plan in te dienen. De binnengekomen reacties zijn samengevat en beantwoord in een reactienota, zie bijlage 23.
47/48
6.2.2 Terinzagelegging ontwerpbestemmingsplan Het ontwerpbestemmingsplan wordt voor een periode van zes weken ter inzage gelegd. Met het ter inzage leggen van het ontwerpbestemmingsplan stelt de gemeente eenieder in de gelegenheid om kennis te kunnen nemen van, alsmede te reageren op de inhoud van het planvoornemen.
6.3 Economische uitvoerbaarheid Bij nieuwe ontwikkelingen moet onder de Wet ruimtelijke ordening (Wro) tegelijk met het bestemmingsplan een exploitatieplan worden vastgesteld, tenzij het kostenverhaal anderszins is verzekerd, bijvoorbeeld door middel van gemeentelijke gronduitgifte of een anterieure overeenkomst. De gemeente heeft hierbij de onderzoeksverplichting om de financieel-economische uitvoerbaarheid van het plan te toetsen.
Het voorliggende plan betreft een particulier initiatief. De kosten voor het opstellen van het bestemmingsplan en de bijbehoren leges zijn voor rekening van de initiatiefnemer. Voor de gemeente zijn aan onderhavig plan geen financiële consequenties verbonden.
De gemeente Alkmaar sluit een anterieure overeenkomst met de betreffende initiatiefnemers waarin het kostenverhaal wordt geregeld. Hierdoor is een exploitatieplan niet noodzakelijk. De kosten voor de uitvoering van het bouwplan liggen volledig bij de ontwikkelende partij. Geconcludeerd wordt dat er voldoende middelen zijn om de ontwikkeling tot uitvoering te brengen. Het plan is daarmee economisch uitvoerbaar.
48/48