CConstaterende datAlkmaar
Koppel je AI →
Document · PDF

231123 RIB terinzagelegging concept beleidskader kleine windturbines - Bijlage 2 Concept beleidskader kleine windturbines Alkmaar november 2023

Gemeenteraad 18 december 2023, gemeente AlkmaarBij agendapunt: Lijst van ingekomen stukken9.429 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

• VVoorb

Beleidskader kleine windturbines Boerderijmolens voor het landelijk gebied Miniturbines en dakturbines voor bedrijventerreinen Concept november 2023

Inhoudsopgave

Hoofdstuk 1 3 1.1 Aanleiding 3 1.2 Inleiding 3 1.3 Wat willen we bereiken? 4 Hoofdstuk 2 Begrippen, wijze van meten en uitgesloten gebieden 8 2.1 Begrippen en wijze van meten 8 2.2 Uitgesloten gebieden 10 Hoofdstuk 3 Voorwaarden omgevingsvergunning kleine windturbines 13 3.1 Algemene voorwaarden 13 3.2 Randvoorwaarden 13 3.3 Afstand windturbines tot overige objecten en functies 13 3.4 Voorwaarden en voorschriften omgevingsvergunning 14 Hoofdstuk 4 Ruimtelijke voorwaarden voor boerderijmolens 15 4.1 Vormgeving boerderijmolen 16 4.2 Locatiekeuze boerderijmolens 17 4.3 Inpassing binnen het erf-ensemble 18 4.4 Verhouding tot de omgeving 20 Hoofdstuk 5 Ruimtelijke voorwaarden mini- en dakturbines 21 Hoofdstuk 6 Ruimtelijk inpassingskader boerderijmolens 23 6.1 Achtergrond: landschapstypen 23 6.1.1 Droogmakerijen 23 6.1.2 Veenweidegebied 23 6.1.3 Achtergrond: landschappelijke waarden 24 Hoofdstuk 7 Ruimtelijk inpassingskader mini- en dakturbines 27 7.1 Achtergrond: kernkwaliteiten en waarden overig bebouwd gebied 27 7.2 Achtergrond: kernkwaliteiten en waarden bedrijventerreinen 27 Hoofdstuk 8 Overige 28 8.1 Nieuwe types kleine windturbines 28 8.2 Toekomstige ontwikkelingen 28 8.3 Overige wet- en andere regelgeving kleine windturbines 28 8.4 Milieu en natuur 28 8.5 Participatie met de omgeving 29 8.6 Tijdelijke vergunningen 29 Hoofdstuk 9 Bijlagen 30 9.1 Kosten en checklist aanvraag

omgevingsvergunning 30 9.2 Provinciale en gemeentelijke regelgeving/beleid 30

2

Hoofdstuk 1 1.1 Aanleiding

Sinds eind 2020 zijn kleine windturbines met een maximale ashoogte van 15m toegestaan in het landelijk gebied in de provincie Noord-Holland. Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Alkmaar ziet hierin kansen voor bedrijven die voorzien in het opwekken van duurzame energie en wil dan ook het plaatsen van boerderijmolens en kleine windturbines met een maximale ashoogte van 15 meter (onder voorwaarden) faciliteren.

Deze kleine windturbines maken het mogelijk om te voorzien in de eigen energiebehoefte van bedrijven en dragen bij aan het realiseren van de gemeentelijke duurzaamheidsdoelstellingen. Bovendien kan het faciliteren van kleine windturbines een bijdrage leveren aan de doelstellingen voor duurzaamheid voor bedrijven. De gemeente hoopt dat het toestaan van kleine windturbines tot meer bewustzijn over de energietransitie leidt.

1.2 Inleiding

Samen met ondernemers wil de gemeente Alkmaar bijdragen aan een energieneutrale samenleving. Door de verduurzamingsopgave groeit de behoefte aan alternatieve energiebronnen, vooral bij ondernemers en bij agrarische bedrijven. Voor deze groep biedt de kleine windturbine een oplossing. Kleine windturbines zijn bedoeld voor individueel gebruik en dragen niet wezenlijk bij aan de opgave voor grootschalige energieopwekking. Maar zij hebben wel een belangrijke aandeel in een toekomstbestendig landelijk gebied. Mede daarom schept de gemeente mogelijkheden voor ondernemers voor het plaatsen van kleine windturbines. Het gaat om miniturbines en dakturbines op bedrijventerreinen en boerderijmolens bij agrarische bedrijven in het landelijk gebied.

Tegelijkertijd bewaakt de gemeente de leefbaarheid, het natuurlandschap en de cultuurhistorische kwaliteit van de omgeving. De ambitie is dan ook om deze te behouden, door zorgvuldig toe te zien op de inpassing en vormgeving van deze kleine windturbines.

Energieopwekking aan de ene kant en behoud van het aanzicht aan de andere kant lijken twee tegenstrijdige belangen. Dit was dan ook een belangrijk onderwerp in de gesprekken met betrokken inwoners, ondernemers en andere organisaties. De uitkomsten van deze gesprekken zijn verwerkt in dit beleidskader.

Dit beleidskader voor kleine windturbines geeft de gebieden en voorwaarden aan voor plaatsing. Doordat een aanvraag voortaan kan worden getoetst aan dit beleidskader, wordt de aanvraagprocedure voor een vergunning eenvoudiger en korter.

3

Wat zijn kleine windturbines? In dit beleidskader wordt de verzamelterm ‘kleine windturbines’ gebruikt voor drie typen:

1. Boerderijmolens met een maximale ashoogte van 15 meter (voor boeren erven) 2. Mini-turbines met een maximale ashoogte van 7 meter (voor bedrijventerreinen) 3. Dakturbines met een maximale ashoogte van 7 meter (voor bedrijventerreinen)

Beleid kleine windturbines Dit beleidskader geeft een volledig overzicht van de voorwaarden, inclusief de uitgangspunten van deze documenten en situaties:

de Leidraad Landschap en Cultuurhistorie van provincie Noord-Holland, de Handreiking ‘Wind op Land’, de kernkwaliteiten van het Bijzonder Provinciaal Landschap, het Ervenhandboek van de gemeente Alkmaar, bij Natuurnetwerk Nederland, Natura 2000, UNESCO werelderfgoed, beschermde monumenten en bij cultuurhistorisch waardevolle gebouwen en (aardkundige) elementen.

Voor mini- en dakturbines heeft de gemeente in 2016 het ‘Toetsingskader kleine windturbines’ vastgesteld. Dit toetsingskader uit 2016 vervalt en is aangepast en geïntegreerd in dit beleidskader.

1.3 Wat willen we bereiken?

De hoofddoelstelling van dit beleidskader is om de toepassing van kleine windturbines mogelijk te maken, op een manier die passend is in de omgeving. Daarbij kunnen tegenstrijdige belangen spelen, zoals de wens van energieopwekking tegenover behoud van het aanzicht, Om deze verschillende belangen af te wegen, zijn betrokken ondernemers, (erfgoed)instellingen, dorpsraden en burgers geraadpleegd tijdens participatiebijeenkomsten. Dit heeft hier en daar geleid tot aanscherping en nuancering van de voorwaarden in dit beleidskader.

Op die manier zijn de verschillende belangen in dit document vertegenwoordigd. Ook als deze tegenover elkaar staan. Het gevolg is dat in toetsing van een aanvraag soms om maatwerk vraagt en dat het plaatsen van een kleine windturbine niet in alle gevallen vanzelfsprekend is. De verschillende belangen zijn verwoord in onderstaande doelen.

Doelen 1. Mogelijk maken van het plaatsen van kleine windturbines voor ondernemers. En bijdragen aan behoud en verbetering van het vestigingsklimaat voor ondernemers. Door de energiecrisis en verduurzamingsopgave groeit is de behoefte aan alternatieve energiebronnen, vooral onder ondernemers, met name agrarische bedrijven. Daarom wil de gemeente kleine windturbines mogelijk maken voor het landelijk gebied en voor bedrijventerreinen. Dit beleidskader schrijft voor op welke manier dat kan.

2. Bijdragen aan de verduurzamingsopgave. Kleine windturbines zijn bedoeld voor individueel gebruik en dragen niet wezenlijk bij aan de opgave voor grootschalige energieopwekking. Maar zij dragen wel bij aan verduurzaming en aan een toekomstbestendig landelijk gebied. Binnen de hoogtelimiet van 15 meter zijn diverse typen windturbines op de markt. De gebouwde windturbines bestaan bij voorkeur uit circulair ontworpen en geproduceerde materialen.

4

3. Behouden van de leefbaarheid, ruimtelijke kwaliteit en hoge kwaliteit van het cultuurhistorische aanzicht. Het behoud van de ruimtelijke kwaliteit en een goede woon- en leefomgeving vinden we belangrijk. Omdat Alkmaar als erfgoedgemeente ook zorg draagt voor het behoud van het historisch aanzicht zijn gebieden uitgesloten, zoals stedelijke (woon)gebieden, de directe omgeving van historische molens en gebouwen, maar ook specifieke (landschappelijke) gebieden. Ook is om deze reden de vorm en uitvoering gebonden aan voorwaarden.

4. Bescherming van de natuur Alkmaar beschikt over een groot aantal gebieden met hoge natuurwaarden. Wij hechten veel waarde aan deze natuurgebieden. Deze omgevingskwaliteiten moeten in stand worden gehouden. Kwetsbare locaties moeten bij plaatsing van windturbines worden vermeden. Er moeten kansen zijn voor natuurbehoud en natuurontwikkeling. Zorgvuldige inpassing voor het behoud van de kwaliteit van de leefomgeving voor de natuur is daarom vereist.

5. Heldere toetsingscriteria voor het aanvragen van een vergunning. En daarmee het vereenvoudigen en versnellen van de vergunningverlening. Dit beleidskader geeft een concreet toetsingskader, zodat helder is in welke gevallen een vergunning kan worden verkregen. Omdat de spelregels vooraf bekend zijn kan de vergunningprocedure sneller worden doorlopen. Na vaststellen van het beleidskader door zowel het college als de gemeenteraad, is het college bij een ruimtelijk initiatief voor een kleine windturbine bevoegd om de aanvraag zonder bindend advies van de gemeenteraad af te handelen. Dit betekent voor de aanvrager een snellere afhandeling van de aanvraag.

Energieopgave en behoefte van ondernemers Daarnaast heeft de gemeente in de Omgevingsvisie duurzaamheidsdoelen opgenomen. Het doel is om de CO2-emissie te verlagen. Op de weg daarnaartoe is het streven dat de gemeente in de nabije toekomst energieneutraal en aardgasvrij is. Voor de langere termijn wordt gestreefd naar een energieneutrale regio Noord-Holland Noord.

In het coalitieakkoord 2023-2026 ‘Vertrouwen in Alkmaar- Verschil mag er zijn’ is opgenomen dat wij kaders stellen voor het reguleren van kleine windmolens. De huidige generatie kleine windturbines biedt als voordeel een relatief beter rendement dan zonnevelden èn behoud van schaarse (agrarische) gronden. Daarnaast is de energieopwekking niet alleen afhankelijk van de zon.

Korte vergunningprocedure voor aanvrager Het huidige omgevingsplan voorziet niet in de mogelijkheid tot het plaatsen van kleine windturbines. Deze kunnen nu door een (buitenplanse) afwijkingsprocedure worden vergund.

Het college is bevoegd tot het verlenen van een omgevingsvergunning voor een kleine windturbine. Op grond van artikel 6.5 van het Besluit omgevingsrecht gold dat de gemeenteraad een zogenaamde verklaring van geen bedenkingen moest verlenen voor een omgevingsvergunning waarmee werd afgeweken van het bestemmingsplan. De gemeenteraad kon via een lijst aangeven dat voor bepaalde typen planologische afwijkvergunningen een verklaring van geen bedenkingen niet noodzakelijk werd geacht. Onder de Omgevingswet is het besluit ‘Adviesrecht onder de Omgevingswet’ van 25 maart 2021 door de gemeenteraad geldend.

De gemeenteraad maakt alleen gebruik van het adviesrecht als het gaat om aanvragen die afwijken van een eerder door de gemeenteraad vastgesteld ruimtelijk kader, zoals een nota van uitgangspunten, stedenbouwkundige visie/randvoorwaarden, gebiedsvisie of daarmee te vergelijken ruimtelijk kader. Dit beleidskader daarmee zowel een uitvoeringskader voor aanvragen om kleine

5

windturbines als een door de gemeenteraad vastgesteld ruimtelijk kader waarbij het college bij de aanvraag omgevingsvergunning geen verplicht advies van de gemeenteraad hoeft te worden gevraagd. Om het proces voor initiatiefnemers verder te vereenvoudigen worden de toetsingscriteria op termijn opgenomen in het omgevingsplan.

Er kan alleen worden meegewerkt aan initiatieven voor het plaatsen van kleine windturbines als wordt voldaan aan de wet- en andere regelgeving die van toepassing is, het initiatief zorgvuldig ruimtelijk en landschappelijk wordt ingepast en er geen (onevenredige) afbreuk wordt gedaan aan cultuurhistorische kwaliteiten van het landschap.

Participatie: raadpleging inwoners, ondernemers en belangenorganisaties Participatie bij het ontwikkelen van ruimtelijke kaders en plannen vinden we belangrijk. Het bouwen van een windturbine gebeurt daarom altijd met aandacht voor de ruimtelijke kwaliteit van de omgeving en met zorgvuldige en duidelijke participatie van belanghebbenden. Ook voor de ontwikkeling van dit beleidskader hebben inwoners, ondernemers, dorpsraden en andere belanghebbende organisaties aangegeven wat zij belangrijk vinden bij de ontwikkeling van kleine windturbines en welke gebieden meer of minder geschikt zijn. Inwoners, ondernemers, dorpsraden en andere belanghebbende organisaties zijn daarom geraadpleegd. Het concept-beleidskader is gedurende twee maanden voor participatie vrijgegeven, zodat inwoners, bedrijven en andere organisaties konden reageren.

Er zijn drie bijeenkomsten in de dorpen Schermerhorn en Graft georganiseerd. Tijdens de bijeenkomsten zijn diverse onderwerpen besproken, zoals de te onderscheiden gebieden waar windturbines kunnen worden geplaatst, het vereiste van ‘voorzien in eigen energiebehoefte’ van met name agrarische bedrijven en de bescherming van Bijzonder Provinciaal Landschap en de daar aanwezige ecologische waarden. Voorafgaand aan de bijeenkomsten is een digitale peiling gehouden. Er zijn hierbij drie vragen over met name boerderijmolens gesteld. Dit zijn de uitkomsten van de peiling:

Vraag 1: kleine molens bij boerderijen zijn belangrijk voor verduurzaming. Aantal ontvangen opmerkingen bij deze vraag: 79. Helemaal mee oneens, aantal 75, 28% Oneens, aantal 43, 16% Geen mening, aantal 9, 16% Mee eens, aantal 39, 15% Helemaal mee eens, aantal 101, 38%

Vraag 2: Met het mogelijk maken van kleine windmolens bij boerderijen komen we tegemoet aan de behoefte van de lokale agrariërs (boeren) Aantal ontvangen opmerkingen bij deze vraag: 56 Helemaal mee oneens, aantal 64, 24% Oneens aantal 29, 11% Geen mening, aantal 39, 15% Mee eens, aantal 55, 21% Helemaal mee eens, aantal 78, 29%

Vraag 3: Bij de plaatsing van kleine windmolens wordt het Noord-Hollands polderlandschap voldoende beschermd. Aantal ontvangen opmerkingen bij deze vraag: 61 Helemaal mee oneens, aantal 99, 37% Oneens aantal 33, 12% Geen mening, aantal 15, 6% Mee eens, aantal 44, 17% Helemaal mee eens, aantal 75, 28%

6

Daarnaast was er ruimte voor algemene/overige opmerkingen over kleine windturbines in Alkmaar. Uit zowel de uitkomsten van de digitale peiling als de ontvangen reacties blijkt dat er verdeeldheid is over plaatsing van kleine windturbines in Alkmaar. Enerzijds kunnen ze een bijdrage leveren aan de verduurzaming van (agrarische) bedrijven, anderzijds moet het wel gaan om een aantoonbare bijdrage aan de eigen energiebehoefte van een bedrijf. Daarnaast is veel aandacht gevraagd voor bescherming van de kernkwaliteiten van het Bijzonder Provinciaal Landschap, zoals de bescherming van de historische molens, de openheid en vergezichten in het landschap. Ook de bescherming van de aanwezige natuur, waaronder ook weidevogels, overtrekkende vogels en vleermuizen moet bij plaatsing van kleine windturbines worden gewaarborgd. Tijdens een derde bijeenkomst zijn de voorlopige aanpassingen aan het concept beleidskader besproken.

Er zijn naar aanleiding van de raadpleging verschillende reacties ontvangen die uiteindelijk tot een aanpassing, verduidelijking of aanvulling van het concept-beleidskader hebben geleid. Het concept beleidskader is daardoor in samenspraak tussen de gemeente en alle betrokkenen tot stand gekomen. De opgehaalde informatie en reacties op het concept-beleidskader zijn daarmee meegewogen bij de uiteindelijke besluitvorming over een beleidskader. De uitkomsten van het volledige participatieproces zijn in het participatieverslag opgenomen. Met de opbrengsten van het participatieproces is een toekomstbestendig, gedragen en compleet beleidskader gerealiseerd.

Monitoring en evaluatie Dit beleidskader zal na vaststelling binnen vijf jaar worden geëvalueerd. Als gemeente monitoren we de uitvoering van dit beleidskader en evalueren of een aanpassing van het beleid moet plaatsvinden. Vooral de zorgvuldige inpassing en ecologie zijn belangrijke onderwerpen. Er wordt bekeken of het plaatsen van de windturbines in de praktijk voor de aangewezen gebieden in het grondgebied van Alkmaar passend is. Dit ook in het licht van mogelijke resultaten uit nieuw onderzoek die op dat moment beschikbaar zijn.

Ook wordt bezien of voor wat betreft functies en gebieden uitbreiding kan plaatsvinden of juist moet worden ingeperkt. Daarnaast kunnen andere, nog onvoorziene, ontwikkelingen of herijkingen van ambities plaatsvinden die aanleiding kunnen zijn voor evaluatie van dit beleidskader.

Het is de bedoeling om de ervaringen met kleine windturbines te gebruiken voor het vaststellen van het toekomstig beleid voor kleine windturbines bij bedrijven. Dit beleid zal daarnaast in het toekomstig omgevingsplan worden door vertaald. Op deze manier worden kleine winturbines binnen het omgevingsplan mogelijk gemaakt.

1.3 Leeswijzer In het volgende hoofdstuk worden de begrippen toegelicht die in het beleidskader worden gebruikt, de wijze van meten en de kansgebieden voor het plaatsen van mini- en boerderijmolens. Hoofdstuk drie, vier, vijf, zes en zeven vormen de kern van dit beleidskader en het toetsingskader voor het plaatsen van kleine windturbines. Hoofdstuk 9 bevat een checklist met aan te leveren gegevens bij een aanvraag om een omgevingsvergunning en tot slot nog de verwijzingen naar relevante provinciale en gemeentelijke regelgeving/beleid.

Van links naar rechts: mini- en dakturbines, boederderijmolen en een grote windturbines.

7

Hoofdstuk 2 Begrippen, wijze van meten en uitgesloten gebieden

2.1 Begrippen en wijze van meten

In dit beleidskader wordt verstaan onder:

Ashoogte: de ashoogte van een kleine windturbine wordt gemeten vanaf het peil tot aan: Bij een HAT-turbine: het middelpunt van de wieken van de turbine; Bij een VAT-turbine: de bovenzijde van de rotor.

Boerderijmolen: kleine windturbine of een erfturbine bij een volwaardig agrarisch bedrijf voor het opwekken van elektriciteit uit wind, met een maximale ashoogte van 15 meter ten opzichte van het peil;

Bouwvlak: aaneengesloten stuk grond waarop bebouwing met een hoofdgebouw en bijbehorende gebouwen is toegestaan. Wat onder een bouwvlak wordt verstaan is vastgelegd in het omgevingsplan;

Cultuurhistorie: het geheel van historische landschappelijke structuren aangebracht door de mens, en de daarbij horende historische bebouwing. Cultuurhistorie ligt in het individuele element, in de samenhang met de omgeving en in het aanzicht. Erf-ensemble: samenhangend geheel van erfgebouwen (o.a. boerderij, huis, schuren, bijgebouwen), erfbeplantingen (o.a. bomen, singels, tuinen), waterlopen en erfinrichting (o.a. verhardingen, hekken, brug,);

Horizontale as-turbine (HAT-turbine): turbine die wordt gekenmerkt door een as evenwijdig aan de richting van de wind met de wieken loodrecht op de wind. In de ‘actieve stand’ staat deze turbine met de as richting in de wind. Het HAT-type is vooral geschikt voor open gebieden, waar de wind van één kant komt;

Kleine windturbine: windturbine met een maximale ashoogte van 15 meter die op een duurzame manier energie opwekken. Hieronder vallen de boerderijmolen, de erfturbine, de miniturbine en de dakturbine;

Landelijk gebied: het gebied buiten de bebouwde kom zoals opgenomen in de Omgevingsverordening NH2020;

Miniturbine/dakturbine: kleinste soort windturbine voor het opwekken van elektriciteit uit wind. Behalve op de grond, kan dit type windturbines vaak ook op het dak van een gebouw worden bevestigd. Deze turbines bestaan niet alleen in de vorm van horizontale as-turbines (HATs), maar ook als windturbines met een verticale as (VATs);

Peil: peil is geregeld in het voor de locatie geldende bestemmingsplan/omgevingsplan;

Rotordiameter: diameter van de rotor wordt bepaald door het maximale bereik van de rotorbladen, gemeten loodrecht op de as.

8

Tiphoogte: Bij een turbine met een horizontale as: de tiphoogte is de ashoogte van een windturbine plus de straal van de rotorcirkel. Bij een turbine met een verticale as: de tiphoogte is de ashoogte van een windturbine plus het deel van de rotorbladen dat daarbovenuit steekt.

Verticale as-turbine (VAT-turbine): turbine die in tegenstelling tot de HAT-turbine draait om een as die loodrecht op de windrichting staat. Het VAT-type is vaak vooral geschikt voor bebouwde gebieden met veranderlijke wind.

Wijze van meten

Meetpunten voor de ashoogte en de tiphoogte bij het HAT en het VAT-type.

Meetpunten voor de rotordiameter bij het VAT en het HAT-type

9

Voorbeeld van een erfensemble, een samenspel van bebouwing.

2.2 Uitgesloten gebieden Gemeente Alkmaar hecht veel waarde aan haar natuurgebieden en aan haar cultuurhistorische kwaliteiten. Deze omgevingskwaliteiten moeten in stand worden gehouden. Er is een aantal gebieden uitgesloten voor het plaatsen van kleine windturbines. Het betreft onder andere de gebieden die aangemerkt zijn als Natura 2000 en Natuurnetwerk Nederland (NNN). De onderstaande gebieden uitgesloten voor het plaatsen van kleine windturbines:

1. Natura 2000-gebieden, waaronder de Eilandspolder; 2. Gebieden in Natuurnetwerk Nederland, natuurverbindingen en natuurontwikkelingsgebieden; 3. Gebied rond 1km de Schermer ringdijk- en vaart, Beemsterringvaartdijk; 4. Stedelijke (woon)gebieden; 5. Het gebied van UNESCO werelderfgoed Stelling van Amsterdam inclusief de inundatiegebieden*; 6. Weidevogelgebied*; 7. Molenbiotopen of 400m rondom een historische molen.

Toelichting Het Natura 2000-netwerk bestaat uit gebieden die zijn aangewezen onder de Vogel- en Habitatrichtlijn. Beide Europese richtlijnen zijn belangrijke instrumenten om de Europese biodiversiteit te waarborgen. Alle gebieden zijn geselecteerd, omdat daar soorten en habitattypen voor komen die vanuit Europees oogpunt bescherming nodig hebben. Om die reden zijn daarom geen kleine windturbines toegestaan in deze gebieden. Dit geldt ook voor gebieden van Natuurnetwerk Nederland. Het Natuurnetwerk Nederland is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter met elkaar verbinden en ook met het omringende agrarisch gebied. Het natuurnetwerk is een netwerk van gebieden in Nederland waar de natuur voorrang heeft. Ook de erven die formeel binnen deze gebieden liggen, maar buiten de natuurbestemmingen vallen liggen zijn uitgesloten.

De Schermer ringdijk- en vaart markeren de randen van de droogmakerij. De dijk en andere historische dijken zijn beeldbepalende lijnen in het landschap. Deze elementen zijn van zeer hoge cultuurhistorische waarde en daarom zijn geen kleine windturbines binnen 1km van de Schermer ringdijk- en vaart en andere historische dijken van de droogmakerij van de Schermer toegestaan.

In het grootschalige en zeer open landschap van de Schermer zijn onder voorwaarden boerderijmolens met een maximale ashoogte van 15m toegestaan. Ondanks dat boerderijmolens onderdeel zijn van een erf zijn deze molens vanwege de openheid toch op grotere afstand zichtbaar in het landschap en boerderijmolens vormen daardoor sneller een aantasting van de kernkwaliteiten. Boerderijmolens zijn daarom niet voor alle agrarische erven geschikt.

10

*Binnen de gebieden Stelling van Amsterdam/Nieuwe Hollandse Waterlinie en het weidevogelgebied kunnen in sommige gevallen onder voorwaarden toch kleine windturbines worden geplaatst. Bij de Stelling van Amsterdam/Nieuwe Hollandse Waterlinie zijn verbindende elementen als liniedijken, opstelpunten voor geschut, sluizen, duikers en andere minder zichtbare bouwwerken beschermd.

Voor de Stelling van Amsterdam/Nieuwe Hollandse Waterlinie geldt dat bij een aanvraag om een vergunning dient te worden aangetoond dat de landschappelijke karakteristieken, de openheid en ruimtebeleving (beleving van de vrije open ruimte, horizon en de oriëntatiepunten) en de ruimtelijke dragers met de driedimensionale structuren en lijnen die in het (vlakke) landschap het beeld bepalen en begrenzen (bebouwingslinten, bomenlanen en dijken) niet worden aangetast.

Verder mag er geen nadelig effect op de overige gebieden, zoals voor de vogels in het weidevogelgebied, zijn. Een aantasting of inperking van weidevogelgebied is niet toegestaan.

Er is ook een aantal gebieden waarbij gelet op de ligging ten opzichte van Natura-2000 gebied de Eilandspolder en NNN-gebied, het behoud van het open karakter en kwetsbare vogelstand uiterst terughoudend zal worden omgegaan met aanvragen voor kleine windturbines. Dit zijn onderstaande gebieden: 1. Mijzenpolder, 2. Noordeindermeerpolder, aangrenzende Sapmeerpolder 3. Polder de Graftermeer 4. Graftmeerpolder, allen onderdeel van BPL Eilandspolder; 5. Starnmeerpolder, onderdeel van BPL Alkmaardermeer en omgeving.

Alleen als plaatsing van een kleine windturbine geen verstorend effect op de weidevogels en overtrekkende fauna heeft, dan kan aan een initiatief medewerking worden verleend. Plaatsing bij bijvoorbeeld een bouwvlak met hoge dichtheden van broedende vogels is bijvoorbeeld uitgesloten.

In welke gebieden kansrijk zijn voor boerderijmolens, mini- en dakturbines zijn te zien op de volgende kaarten. De daadwerkelijke actuele weergave van door regelgeving aangewezen gebieden is leidend.

Kansgebieden voor boerderijmolens. Op www.alkmaar.nl/kleinewindturbines is een actuele kansenkaart voor kleine windturbines beschikbaar

11

Kansgebied mini- en dakturbines: bedrijventerreinen Alkmaar (gele vlakken).

Kansgebied mini- en dakturbines: Kansgebied mini- en dakturbines: bedrijventerrein De bedrijventerrein Stompetoren (geel vlak). Rijp (geel vlak).

12

Hoofdstuk 3 Voorwaarden omgevingsvergunning kleine windturbines

3.1 Algemene voorwaarden

1. Binnen de gemeente wordt gestreefd naar een zo breed mogelijke geografische spreiding van de windturbines;

2. Aan concentraties van kleine windturbines in de Schermerpolder wordt geen medewerking verleend. Concentraties tasten de kernwaarden van dit gebied aan.

3.2 Randvoorwaarden

Voor een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een kleine windturbine gelden de volgende randvoorwaarden: 1. Voor het verlenen van de vergunning sluit de initiatiefnemer een planschadeovereenkomst met de gemeente; 2. Er is in de eerste plaats onderzocht of het plaatsen van zonnepanelen mogelijk is. Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning legt de aanvrager een onderzoek over waaruit blijkt dat het plaatsen van zonnepanelen niet mogelijk is 3. De windturbine draagt aantoonbaar bij aan de eigen energiebehoefte van een bestaand bedrijf. Het gemiddeld jaarlijks energieverbruik past bij het bedrijfstype en de bedrijfsvoering. De windturbine draagt bij aan en sluit aan op de energiebehoefte. 4. De initiatiefnemer levert bij de aanvraag actuele energiegegevens aan, waaruit blijkt dat de opgewekte elektriciteit van een kleine windturbine nodig is voor de eigen energievoorziening. Teruglevering is voor maximaal 10% aanvaardbaar.

3.3 Afstand windturbines tot overige objecten en functies

1. De minimale afstand tot meest nabijgelegen (beperkt) gevoelige bestemming (zoals een woning) is 100 meter, ruim 6x de ashoogte van de turbine; 2. De minimale afstand tot gasinfrastructuur is 25 meter, tenzij de leidingbeheerder instemt met een kortere afstand; 3. De afstand tot hoogspanningsinfrastructuur bedraagt niet minder dan de maximale werpafstand bij twee keer het nominaal toerental van de windturbine, tenzij de netbeheerder instemt met een kortere afstand; 4. Wieken of de constructie van de kleine erfturbines mogen niet overhangen boven openbaar toegankelijk gebied.

De minimale afstand van 100m tot een gevoelige bestemming is bedoeld om het woon- en leefklimaat (gezondheid) van omwonenden extra te beschermen.

13

3.4 Voorwaarden en voorschriften omgevingsvergunning

Het college kan de volgende specifieke voorwaarden en voorschriften aan de omgevingsvergunning verbinden: 1. Het bestaande erf-ensemble moet ten behoeve van de windturbine in stand worden gehouden. Er worden geen bomen gekapt of gebouwen (blijvend) verwijderd; 2. De windturbine is uitgerust met een stilstandvoorziening ter voorkoming van aanvaringsslachtoffers; 3. Het verven van één blad (bijvoorbeeld zwart) van een windturbinerotor ter voorkoming van aanvaringsslachtoffers; 4. Een opruimplicht voor de windturbine en bijbehorende installaties bij een windturbine die niet langer in gebruik is; 5. Een opruimplicht voor windturbines bij beëindiging van het (agrarisch)bedrijf.

14

Hoofdstuk 4 Ruimtelijke voorwaarden voor boerderijmolens De gemeente biedt ruimte voor het plaatsen van boerderijmolens op de agrarische erven in het buitengebied (de erven in de natuurgebieden zijn uitgesloten). Deze molens zijn bedoeld voor verduurzaming van de bedrijfsvoering. Kleine windturbines bij stedelijke functies, zoals woningen sluiten we daarom uitdrukkelijk uit. Om risico op verrommeling van het landschap te verkleinen hecht de gemeente waarde aan een goede landschappelijke inpassing. De boerderijmolens moeten met de locatiekeuze, de inpassing op het erf en de vormgeving van de masten een vanzelfsprekend onderdeel van het erf-ensemble gaan vormen: boerderij, erfbebouwing, opslag, silo’s, erfbeplantingen én de boerderijmolen vormen een samenhangend geheel.

Voor beschrijvingen van specifieke kenmerken en bijzonderheden van de erven wordt verwezen naar de Welstandsnota, de Leidraad Landschap en Cultuurhistorie en de benoemde kernkwaliteiten in het Bijzonder Provinciaal Landschap (wanneer van toepassing).

Aanbevolen wordt daarbij ook goed naar het erf zelf en zorgvuldig ingerichte erven in de omgeving te kijken. Een handig hulpmiddel daarbij is het ervenhandboek van de gemeente.

Boerderijmolens die op erven met een monumentaal of historisch karakter worden geplaatst, moeten in vormgeving passen bij de historische karakteristiek. Bij jongere en meer moderne erven kan worden gekozen voor een type met een modernere uitstraling. Maar ook hier is samenhang met het erf- ensemble in kleur, materiaal en vormgeving van belang. Het uitgangspunt is dat het plaatsen van een boerderijmolen aan de volgende voorwaarden voldoet:

Algemeen 1. De landschappelijke en cultuurhistorische waarden blijven behouden; 2. Er wordt rekening gehouden met de landschappelijke kwaliteiten; 3. Er is sprake van een goede inpassing in het bestaande omgevingsbeeld; 4. Niet in of nabij kwetsbare natuur of vlieggebied van kwetsbare vogels of vleermuizen. Een natuurtoets wijst uit of het plaatsen verantwoord is.

Plaatsing 1. Ten hoogste één boerderijmolen op een (bestaand) agrarisch erf per bouwvlak; 2. De locatie voor de boerderijmolen heeft een erf-ensemble van ruim voldoende omvang en past bij de schaal van het erf; 3. Alleen op een agrarisch bouwperceel met een agrarische bestemming; 4. Ook voormalige agrarische bestemmingen komen in aanmerking, maar alleen als: a. een bouwvlak van minimaal 1 hectare aanwezig is én b. het erf in ruimtelijk opzicht nog steeds als agrarisch kan worden beschouwd. 5. De boerderijmolen wordt geplaatst binnen het bouwvlak; 6. De boerderijmolen wordt geplaatst aan de achterzijde van het erf-ensemble, waarbij deze zo min mogelijk zichtbaar is vanaf de openbare weg; 7. De boerderijmolen wordt niet geplaatst in een eventuele zichtlijn vanaf de openbare weg, over het erf naar het achterliggende landschap; 8. Op een ondergeschikte positie ten opzichte van de typologische voorzijde van de boerderij en ten opzichte van de openbare weg; 9. Op voldoende afstand, in elk geval minimaal 100m tot cultuurhistorisch of landschappelijk waardevolle elementen en structuren zoals dijken of karakteristieke waterlopen; 10. Niet binnen 1km van de ringvaartdijk en andere historische dijken van de droogmakerij van de Schermer. Niet binnen 1km van de Beemsterringvaart- en dijk; 11.

De boerderijmolen staat op voldoende afstand van overige, aanwezige landschappelijke elementen zoals bomen, kades en sloten en greppels;

15

12. Geclusterd als onderdeel van en in verhouding met de bebouwing in directe ruimtelijke aansluiting op het erf-ensemble; 13. De boerderijmolen staat op een afstand van ten minste 5 meter en ten hoogste 30 meter (2x de ashoogte) tot de erfbebouwing óf erfbeplantingen en waterlopen die de ruimtelijke begrenzing en inpassing van het erf vormen; 14. Binnen de (visuele) erfbegrenzing, niet als onderdeel van die begrenzing en niet ten koste van bestaande erfbeplantingen/groen/bomen; 15. Er is aandacht voor de inrichting en beplanting van het erf; 16. Niet in een molenbiotoop of in de invloedssfeer van een historische molen; 17. Als er boerderijmolens in de buurt in een zone van 150m aanwezig zijn, dan moet worden onderzocht of sprake moet zijn van ruimtelijke samenhang tussen de molens; 18. Interferentie van molens treedt op als opstellingen te dicht bij elkaar staan. Verschillende boerderijmolens staan daarom op voldoende afstand van elkaar, op ten minste 150m en mogen niet ruimtelijk interfereren (visueel samenklonteren van meerdere (opstellingen van) windturbines).

Hoofdvorm 1. De boerderijmolen heeft een zelfstandige, eenduidige hoofdvorm; 2. De maximale ashoogte is 15m, gemeten vanaf peil; 3. Er is een evenwichtige verhouding tussen de verhouding masthoogte/wiekdiameter; 4. Met een overwegend rank silhouet; 5. De bijbehorende elementen zijn ondergeschikt in maat en kleurstelling (transformator etc.).

Opmaak 1. Het materiaal bestaat uit metaal, kunststof en/of hout; 2. De kleur van de molen is onopvallend zonder felle kleuren, mat en zonder opvallende materialen. Materiaal en kleur van de molen en bijbehorende elementen zijn in een gedekte kleurstelling, passend bij de specifieke kenmerken van de erfbeplanting en het landschap. 3. Reclame en tekstuitingen op de molen is niet toegestaan; 4. Er ontstaat een rustig bewegend rotorbeeld (een driewieker bij een HAT-type) en een evenwichtige verhouding tussen de masthoogte en rotordiameter. Richtlijn is een verhouding 1:1; 5. Bijkomende objecten zoals accu’s moeten in eerste instantie in bestaande gebouwen worden geïntegreerd. Als dit niet mogelijk is dan moeten objecten een terughoudend kleur- en materiaalgebruik hebben en behouden en binnen het bestaande erf-ensemble worden ingepast; 6. Er worden geen hekken of andere afscheidingen bij of rond de boerderijmolen geplaatst.

4.1 Vormgeving boerderijmolen Hoogte, rotoromvang, kleur- en materiaalgebruik van de mast bepalen de uitstraling en zichtbaarheid van de boerderijmolens. Het uitgangspunt is daarom om alleen boerderijmolens te plaatsen die terughoudend zijn vormgegeven (en dus niet sterk opvallen in het landschap) en in schaal, kleur en vormgeving aansluiten bij het karakter van het specifieke erf.

Daarbij geldt dat de boerderijmolens niet te hoog mogen zijn. Uit ervaring met andere gebieden blijken molens tot een maximale masthoogte van 15 meter (met een maximale tiphoogte van 22 meter) landschappelijk goed inpasbaar op de agrarische erven.

Deze hoogte is vergelijkbaar met een grote boom. Ook de omvang van de rotor is van belang; de mast en de rotor moeten een evenwichtige verhouding tot elkaar hebben.

De rotor mag niet te groot zijn, omdat dit voor een grotere zichtbaarheid zorgt en omdat wieken die dicht bij het maaiveld komen als intimiderend kunnen worden ervaren. Maar daarentegen kan een kleine rotor, met kleine, snel draaiende wieken, juist een onrustig beeld opleveren.

16

Het realiseren van een goede verhouding tussen de masthoogte en de omvang van de rotor is daarom van belang. De richtlijn is een verhouding van ongeveer 1:1.

Ook het aantal wieken speelt een rol. Een driewieker wordt over het algemeen als rustiger ervaren dan een tweewieker. Uitgangspunt is het creëren van een rustig, samenhangend erf- en landschapsbeeld, daarom zijn tweewiekers niet toegestaan. Daarnaast hebben tweewiekers vaak een sterk industriële vormgeving en dat past minder bij een historisch polderlandschap. Een klassieke windturbine met drie wieken past in de meeste gevallen beter in het polderlandschap dan moderne types windturbines.

4.2 Locatiekeuze boerderijmolens Grote windturbines worden op grote afstand van bebouwing in de open ruimtes van het landschap geplaatst. Boerderijmolens worden juist zo dicht mogelijk bij de erven geplaatst.

De molens worden zo ruimtelijk onderdeel van de erf-ensembles. Op deze manier ontstaan geen nieuwe objecten los in het landschap. Zo kan aantasting en vervuiling van het landschap worden voorkomen.

Een boerderijmolen moet dan ook altijd binnen het bouwvlak worden geplaatst. Daarbij is het van belang dat boerderijmolens zoveel mogelijk op afstand van de openbare weg en buiten het directe zicht – achter op het erf – worden gesitueerd. Er moet rekening worden gehouden met eventuele open zichtlijnen vanaf de weg, over het erf naar het achterliggende landschap.

Boerderijmolens niet buiten het bouwvlak en uit het zicht plaatsen.

17

Maar altijd op het bouwvlak, buiten het zicht, aan de achterzijde van het erf

4.3 Inpassing binnen het erf-ensemble De verhouding tussen een windturbine en de omliggende objecten in het landschap heeft invloed op de beleving van de windturbine. Agrarische bedrijven met bijbehorende woning en verschillende schuren en bijgebouwen vormen gezamenlijk een erf- en bebouwingsensemble: een aaneengesloten ruimte die als een landschappelijk geheel wordt beschouwd.

Een ensemble bestaat uit verschillende fragmenten (zoals gebouwen, infrastructuur, reliëf, open ruimte en vegetatie) die door hun onderlinge verhouding een zekere ruimtelijke samenhang vertonen. Het is van belang dat de nieuw toe te voegen windturbines onderdeel worden van de rest van het bestaande erf- of bebouwingsensembles. Vanwege het grootschalige open karakter van met name de Schermerpolder is het van belang dat boerderijmolens met een maximale ashoogte van 15m alleen op een erf met ruim voldoende gebouwen, infrastructuur, reliëf, open ruimte en vegetatie worden geplaatst.

Boerderijmolens moeten ruimtelijk een vanzelfsprekend onderdeel gaan vormen van het erf-ensemble. Ze worden daarom altijd achterop het erf geplaatst in directe ruimtelijke aansluiting op het erf- ensemble. Daarbij moet van de aanwezige landschappelijke elementen zoals beplantingen, kades, sloten en greppels voldoende afstand worden gehouden. Een molen moet altijd ten minste 5 meter uit de insteek van sloot, bomen en beplantingen worden geplaatst voor een royale inpassing, om beschadigingen te voorkomen en onderhoud mogelijk te houden. De inpassing vraagt daarom om een zorgvuldig inpassingsplan, waarin ook de andere functies en waarden van het erf worden meegenomen.

Door de verschillende schaalgroottes van de erven kunnen de boerderijmolens in een landelijk lint verspringen. Om een rommelig beeld te voorkomen moeten linten daarom in samenhang worden bezien. Zo kan rekening worden gehouden met de schaal van het erf en de verspringing in het aanzicht van bijgebouwen.

De achterzijden van de agrarische erven zien er altijd anders uit. Soms bestaat het achtererf uit erfbeplantingen, soms uit stallen of schuren en soms uit opslagterrein met bijvoorbeeld sleufsilo’s.

18

Bij de grotere erven zijn de kenmerkende erfbeplantingen aan de zijkanten en achterkant vaak in de loop van de tijd verdwenen.

Erfbeplantingen zijn van groot belang voor de inpassing van de – veelal grote – agrarische erven. Het uitgangspunt is dat er geen erfbeplantingen worden verwijderd voor de realisatie van een windturbines op het erf. Bestaande erfbeplantingen moeten behouden blijven. Het college kan, wanneer de cultuurhistorische oorsprong van een perceel daartoe aanleiding geeft, bepalen dat met de realisatie van de boerderijmolen de eventueel nu ontbrekende streek en gebiedseigen erfbeplantingen en erfinpassingen alsnog worden hersteld. Daarvoor wordt dan door de initiatiefnemer een beplantingsplan opgesteld.

Afstand boerderijmolen maximaal 5 tot 30 meter vanaf de erfbeplantingen.

Afstand boerderijmolen maximaal 5 tot 30 meter vanaf de aanwezige erfbebouwing.

19

4.4 Verhouding tot de omgeving Bij het plaatsen en inpassen van boerderijmolens moet rekening worden gehouden met de omgeving en het omliggend landschap. Naast de ruimtelijke weerslag op het erf-ensemble hebben de boerderijmolens ook effect op elkaar, op het (cultuur)landschap waarvan zij onderdeel van uitmaken en de directe leefomgeving.

De plaatsing van een boerderijmolen mag de op een locatie aanwezige waarden en kwaliteiten niet onevenredig aantasten. Er moet worden beoordeeld of monumentale waarden en andere bijzondere ruimtelijke, cultuurhistorische of landschappelijke kwaliteiten op of in de omgeving van het erf niet worden aangetast. Denk hierbij bijvoorbeeld aan monumentale erven, bebouwing, historische molens, molengangen, dijken, karakteristieke waterlopen en beplantingen.

Wanneer meerdere boerderijmolens in een gebied worden geplaatst, dan kan worden overwogen tot gezamenlijke inkoop en planontwikkeling, om zo tot schaalvoordelen en ruimtelijke samenhang te komen.

Landschappelijke inpassing agrarische erven meenemen in plaatsingsplan boerderijmolen

20

Hoofdstuk 5 Ruimtelijke voorwaarden mini- en dakturbines Mini- en dakturbines zijn in beginsel niet toegestaan in het landelijk gebied, met uitzondering van de dorpse bedrijventerreinen (zie kaart bijlage). Omdat het rendement van erfturbines relatief veel hoger is dan mini- en dakturbines, zet de gemeente in op erfturbines en niet op de veel minder efficiënte miniturbines. Om dezelfde reden zijn dakturbines ook in beginsel uitgesloten: dakturbines zijn er in veel vormen en maten waardoor het risico op een negatieve impact op de ruimtelijke kwaliteit groot is. Daarom blijft maatwerk voor alle mini- en dakturbines in het buitengebied vereist.

Het rendement van een mini- en dakturbines is in bebouwde gebieden door het ontbreken van een ongehinderd windaanbod laag. De gemeente is daarom terughoudend met het toestaan van mini- en dakturbines in het overige bebouwde gebied: de lage opbrengst legitimeert de ruimtelijke impact van deze windturbines op de omgeving in de meeste gevallen niet. Kansen kunnen zich in het overig bebouwd gebied alleen voordoen wanneer mini- en dakturbines vanaf de tekentafel worden geïntegreerd tijdens planvorming van een ruimtelijke ontwikkeling óf onder voorwaarden op hoge en platte daken. Op de bedrijventerrein is de gemeente minder terughoudend: hier gelden ruimere voorwaarden. De uiteindelijke keuze voor een turbine hangt samen met de locatie.

Voor de positionering, maatvoering en uitvoering van mini- en dakturbines gelden onderstaande uitgangspunten:

Algemeen 1. De landschappelijke waarden en cultuurhistorische waarden blijven behouden; 2. Er wordt rekening gehouden met de landschappelijke kwaliteiten; 3. Er is sprake van een goede inpassing in het bestaande omgevingsbeeld; 4. Niet in of nabij kwetsbare natuur of vlieggebied van kwetsbare vogels of vleermuizen. Een locatie specifieke natuurtoets wijst uit of plaatsing verantwoord is.

Plaatsing 1. Dakturbines worden geplaatst op het dak; 2. Niet op of nabij monumenten; 3. Niet op of nabij karakteristieke panden; 4. Niet in beschermd stads- of dorpsgezicht; 5. De afstand tot woningen van anderen bedraagt ten minste 75m.

Hoofdvorm 1. Bij meerdere windturbines op één dak zijn alle windturbines van hetzelfde type met gelijke hoogte, verhoudingen, materialen en kleuren; 2. Ten hoogste 1m boven de nok; 3. Windturbines zijn alleen toegestaan als ze aansluiten bij de (kap)contour van het bouwvolume en in architectonisch opzicht een eenheid vormen met het dak; 4. De windturbines zijn ondergeschikt in beeld en omvang ten opzichte van het dakvlak waar de turbine op wordt geplaatst.

Opmaak 1. Bij meerdere windturbines op één dak zijn alle windturbines van hetzelfde type met gelijke hoogte, verhoudingen, materialen en kleuren; 2. De materialen bestaan uit: metaal, hout, kunststof. Uit het oogpunt van duurzaamheid bij voorkeur een hernieuwbaar materiaalsoort, zoals staal en hout; 3. De kleur is afgestemd op de dakbedekking; 4. Voor reclame wordt aangesloten bij de specifieke bepalingen van de Welstandsnota. 5. Een miniturbine wordt alleen binnen een bouwvlak geplaatst;

21

6. De maximale bouwhoogte van een miniturbine is 9,5 meter; 7. De maximale ashoogte van een miniturbine is 7 meter; 8. De rotordiameter van een miniturbine is kleiner dan 5 meter; 9. Bij het plaatsen op plat dakvlak is de hoogte van de dakturbine niet meer dan 1/3 van de gerealiseerde bouwhoogte van een gebouw met een maximale hoogte van 9,5 meter; 10. De maximale hoogte van de windturbine samen met het gebouw is altijd 35 meter; 11. Miniturbines en dakturbines zijn alleen op bedrijventerreinen toegestaan (zie kaart); 12. In het overig bebouwde gebied (zie kaart) kunnen miniturbines alleen worden toegestaan als sprake is van: • a. bouwkundige integratie van windturbines bij projectontwikkeling en er geen zichthinder/geluidhinder wordt veroorzaakt of; b. positionering op platte daken, waarbij de afstand vanuit de dakrand ten minste gelijk is aan de hoogte van de te realiseren dakturbine, er geen zichthinder/geluidhinder wordt veroorzaakt en de minimale bouwhoogte van het gebouw 20 meter is of de gebouwhoogte twee keer zo hoog is als alle omliggende bebouwing en beplanting; 13. De wieken of de constructie van de turbine mogen niet boven openbaar toegankelijk gebied overhangen.

Bij het plaatsen op het dak in het overig bebouwd gebied, is de afstand vanuit de dakrand ten minste gelijk aan de hoogte van de te realiseren dakturbine.

Bij het plaatsen op een plat dakvlak (bedrijventerrein en overig bebouwd gebied) is de hoogte van de dakturbine niet meer dan 1/3 van de gerealiseerde bouwhoogte van een gebouw met een maximale hoogte van 9,5 meter.

22

Hoofdstuk 6 Ruimtelijk inpassingskader boerderijmolens Gemeente Alkmaar wil met dit beleidskader een bijdrage leveren aan de gemeentelijke duurzaamheidsdoelen, aan de instandhouding van de ruimtelijke kwaliteit en het behoud van de cultuurhistorische kwaliteiten van de landelijke gebieden. In dit hoofdstuk wordt daarom ingegaan op de cultuurhistorische waarde en kernkwaliteiten van de landelijke gebieden, en de gebieden waar vanuit de bijzondere waarde die het landschap heeft geen erfturbines geplaatst mogen worden. Om de windturbines zo goed mogelijk in de omgeving in te passen is per locatie maatwerk vereist. De inrichting van het beoogde erf, de omliggende omgeving en de ruimtelijke kwaliteiten zijn leidend bij de beoordeling van het inpassen van een windturbine.

Bij een aanvraag moet het totale erf worden beoordeeld, waarop aan de hand van de bestaande bebouwing, beplanting en de positie van de windturbine de landschappelijke inpassing is onderbouwd.

De kernkwaliteiten van de bijzondere stadse omgeving van Alkmaar en het landelijk gebied met gebieden als de Eilandspolder, Oterleek, de Mijzen, de Schermerpolder, Starnmeer en Graft-De Rijp moeten worden behouden, beschermd en waar mogelijk ook worden versterkt.

6.1 Achtergrond: landschapstypen In het buitengebied van Alkmaar komen de volgende drie landschapstypen voor: droogmakerijen, veenweidegebied en Oer-IJ gebied.

6.1.1 Droogmakerijen De grootste droogmakerij is de Schermer, van oorsprong een binnenmeer dat in de zeventiende eeuw door bemaling is omgevormd tot een droogmakerij. Het landschap is grootschalig, zeer open en heeft een karakteristieke geometrische opzet. De kenmerkende binnenboezemvaarten, de Noorder- en Zuidervaart, zijn de hoofdassen waarmee de droogmakerij verder is ingedeeld. De rechthoekige, langgerekte verkaveling is zeer regelmatig en strekt zich uit zover het oog reikt. Naast de Schermer komen in het buitengebied van Alkmaar nog andere polderlandschappen voor. Dit zijn Boekelermeer, Oterleek, Mijzen, Starnmeer, Oostwouder- en Markerpolder, Geestmerambacht, de polders in Noord-Kennemerland en de drie kleinere polders in het veenweidegebied van de Eilandspolder: de Noordeindermeerpolder, polder de Graftermeer en de Sapmeerpolder. In de droogmakerijen worden twee typen erven onderscheiden: het Schermererf en het poldererf (een eenvoudige versie van het Schermererf). De kenmerken van beide typen worden beschreven in het ervenhandboek van de gemeente Alkmaar.

6.1.2 Veenweidegebied Het veenweidegebied wordt gevormd door de Eilandspolder, een open en waterrijk landschap tussen de droogmakerijen Schermer en Beemster in. Het gebied heeft een eeuwenlange geschiedenis van veenvorming, veenontginning -en ontwatering, dijkdoorbraken en inpolderingen. De ontginningsgeschiedenis en de kracht en beteugeling van het water zijn nog goed afleesbaar aan de onregelmatige stroken- en blokverkaveling en brede sloten van de veenweidepolders en de soms grillige restanten van veenstromen. De grote openheid van de Eilandspolder is een bijzondere cultuurhistorische waarde, zowel voor bewoners en recreanten als voor weidevogels. Kenmerkend zijn de lintdorpen langs ontginningsassen, wegen en dijken. Ook in het veenweidegebied worden twee typen erven onderscheiden: het veenweide erf en het dijkerf. Ook deze typen worden omschreven in het ervenhandboek van gemeente Alkmaar.

23

Landschapstypen in het buitengebied van gemeente Alkmaar

6.1.3 Achtergrond: landschappelijke waarden Het grootste deel van het buitengebied is door de gemeente in haar welstandsbeleid aangemerkt als een gebied met een bijzonder welstandsniveau. De gebieden met een bijzonder niveau zijn: de Schermer, polder Oterleek, polder Mijzen, de Eilandspolder, de droogmakerijen in de Eilandspolder, de Starnmeerpolder, de landelijke linten Groeneweg/Bergerweg (de polders in Noord-Kennemerland) en de rand langs het Kanaal ter hoogte van Geestmerambacht. Het bijzondere niveau houdt in dat behoud van de oorspronkelijke structuurelementen en cultuurhistorisch waardevolle bebouwing het uitgangspunt is.

De Schermer heeft een heldere hiërarchische opbouw. De belangrijkste ruimtelijke dragers zijn de ringvaarten en kanalen, de ringdijk rond de droogmakerijen en de Noorder- en Zuidervaart met bijbehorende bebouwingslinten in de droogmakerij. Samen vormen zij een helder raamwerk. Hierbinnen is de droogmakerij verder opgedeeld door ontsluitingswegen, waterlopen en lintbebouwing. In de linten is een groot aantal stolpen aanwezig, vaak met zorgvuldig ontworpen erven.

24

De Schermer ringdijk- en vaart markeren de randen van de droogmakerij. De dijk is met name aan de noord- en oostzijde een beeldbepalende lijn in het landschap en is onlosmakelijk verbonden met de ontstaansgeschiedenis van de droogmakerij. Het element is van zeer hoge cultuurhistorische waarde. Ruimtelijke ontwikkelingen mogen deze kernkwaliteiten niet aantasten.

Landbouw is in de droogmakerij ook een overwegende functie aan natuur, landschap en cultuurhistorie. Ook in de toekomst moet worden ingezet op een gezond agrarisch productiegebied en de agrarische bedrijvigheid ontplooiingsmogelijkheden te bieden om zich te kunnen handhaven. Agrarische bedrijvigheid heeft daarom ook prioriteit. Deze kan zich ontwikkelen binnen de randvoorwaarde dat de openheid van het gebied behouden blijft.

In mindere mate bestaat het buitengebied uit gebieden met een regulier niveau, waaronder de polder Geestmerambacht en de polders in Noord-Kennemerland. In deze gebieden is het beleid ook gericht op behoud van oorspronkelijke structuurelementen en cultuurhistorisch waardevolle bebouwing, maar daarbij ligt de nadruk vooral op het beeld vanuit de openbare ruimte.

Het buitengebied van Alkmaar is, met uitzondering van polder Geestmerambacht en polder Boekelermeer, Bijzonder Provinciaal Landschap (BPL). De Schermer maakt onderdeel uit van het ensemble Schermer-Beemster zoals is vastgelegd in de Leidraad Landschap en Cultuurhistorie. Daarnaast vallen delen van het landschap onder de Werelderfgoedlijst van UNESCO (Stelling van Amsterdam/Nieuwe Hollandse Waterlinie), Natura 2000 en Natuurnetwerk Nederland. Een deel van het landschap is beschermd als weidevogelleefgebied. Deze waarden overlappen elkaar in sommige gebieden en worden getoond op onderstaande kaart. Daarin zijn ook de waardevolle stolpenstructuren en monumenten opgenomen. Naast bovengenoemde beschermde gebieden en objecten vormen de historische molenstructuren belangrijke cultuurhistorische waardevolle elementen in het landschap. De Schermer heeft een grootschalig en zeer open landschap. In de Leidraad Landschap en Cultuurhistorie is het gebied verder als volgt beschreven. De openheid is vrijwel overal goed te beleven. Beplanting en bebouwing staan langs de hoofdassen, de Noorder- en Zuidervaart. Alleen deze hoofdassen delen de enorme ruimte op. De dwarswegen door de droogmakerij zijn vrij van beplanting.

De bebouwingslinten aan de weerszijde van de Noorder- en Zuidervaart en overige bebouwingslinten zijn niet dicht; de erven met bebouwing en beplanting liggen grotendeels als losse groene eenheden langs het lint. Hierdoor is de openheid vrijwel overal goed zichtbaar en beleefbaar. Er zijn brede vergezichten over de tochten. De openheid van de Schermer is van bijzondere waarde. De openheid is zeer kwetsbaar, omdat in het vlakke land bijna elke ruimtelijke ingreep zichtbaar is. Dit betekent dat bijvoorbeeld de boerderijmolens, ondanks dat zij onderdeel zijn van een erf-ensemble toch op grotere afstand zichtbaar in het landschap zijn. Een grote hoeveelheid aan boerderijmolens met een maximale ashoogte van 15m vormen daardoor al snel een aantasting van deze kernkwaliteit en zijn daarom onwenselijk. Bij het plaatsen van een boerderijmolen moet rekening worden gehouden met de schaal van het erf. Aan de Noorder- en Zuidervaart, Molendijk en Lange Molendijk is meer geconcentreerde bebouwing aanwezig. Boerderijmolens met een maximale ashoogte van 15m passen het beste bij agrarische percelen met meer erfbebouwing. Bij kleinschalige agrarische percelen met weinig omliggende bebouwing heeft een boerderijmolen meer impact.

Bij deze percelen zijn geen windturbines met een maximale ashoogte van 15m toegestaan, maar wel kan worden onderzocht of een boerderijmolen met een lagere ashoogte/tiphoogte passend is. De polders Mijzen, Starnmeer en de drie kleinere polders in het veenweidegebied van de Eilandspolder: de Noordeindermeerpolder, polder de Graftermeer en de Sapmeerpolder zijn bijzondere en kwetsbare gebieden. De veenweidepolders en droogmakerijen kenmerken zich door de grote openheid. Daarnaast is stilte een kenmerk van BPL de Eilandspolder. Dit gebied geeft ook de ideale omstandigheden voor weidevogels. In de winter zijn de natte graslanden en brede waterlopen een belangrijk overwinteringsgebied voor watervogels.

25

Starnmeer is onderdeel van BPL Alkmaardermeer en omgeving. Het is een voornamelijk open, waterrijk landschap met hoge cultuurhistorische waarde. De grote openheid is een grote waarde, voornamelijk ook voor weidevogels. Vanwege deze waarden moet in bovenstaande polders dan ook terughoudend worden omgegaan met plaatsing van kleine windturbines.

1 km Vrijwaringszone polderringvaart Beschermd stads- en dorpsgezichten

UNESCO Natura2000 Molenbiotopen

Stedelijke gebieden Veenweide- en Weidevogelgebieden

26

Hoofdstuk 7 Ruimtelijk inpassingskader mini- en dakturbines De gemeente biedt onder voorwaarden ook ruimte om in het overig bebouwd gebied en op bedrijventerreinen mini- en dakturbines te plaatsen.

7.1 Achtergrond: kernkwaliteiten en waarden overig bebouwd gebied Het overig bebouwd gebied bestaat uit de woongebieden, dorpskernen en de beschermde stads- en dorpsgezichten. De woongebieden bestaan uit diverse wijken, vroege uitbreidingen en dorpsuitbreidingen. De woongebieden hebben elk hun eigen kernkwaliteiten. Deze worden omschreven in de welstandsnota. De dorpskernen bestaan uit de linten in het landelijk en het stedelijk gebied en hebben over het algemeen een gevarieerd en kleinschalig karakter. De rijksbeschermde en gemeentelijke stads- en dorpsgezichten zijn de binnenstad Alkmaar, Westerhout, Oostwijk en De Rijp. Kenmerkend voor de binnenstad is de historische structuur en kleinschalige bebouwing opgebouwd met variatie in panden en functies. Het Westerhoutkwartier is een groen woongebied net buiten de singelgracht met villa’s, woonhuizen en enkele bijzondere gebouwen. Het gebied is grotendeels aangelegd als een stedelijk park, waarin gedurende de tweede helft van de negentiende eeuw en de eerste helft van de twintigste eeuw overwegend voorname bebouwing is gerealiseerd. De Rijp heeft gevarieerde, kleinschalige bebouwing uit verschillende periodes in een gegroeide compacte structuur met als basis het individuele pand met overwegend een dorps karakter.

7.2 Achtergrond: kernkwaliteiten en waarden bedrijventerreinen Hieronder vallen alle bedrijventerreinen waaronder Boekelermeer, Beverkoog, Overdie en de dorpse bedrijventerreinen. De Boekelermeer is een bedrijventerrein in ontwikkeling. Het bedrijventerrein wordt doorsneden door de historische Boekelermeerweg en ligt als een centrale as van noord naar zuid door het bedrijventerrein. De kleinschaligheid en karakteristiek van deze weg blijft bij de ontwikkeling van het gebied behouden. Het bedrijventerrein Beverkoog wordt gekenmerkt door een duidelijke hoofdstructuur, de Berenkoog. Langs deze structuur is de groenstrook De Nollen nog goed zichtbaar en voelbaar. De Beverkoog heeft twee belangrijke entrees, één aan de noordzijde bij de Westerweg en een aan de zuidzijde bij de Nollenweg. De waarde van het bedrijventerrein Overdie ligt vooral in de heldere, rationele opzet. Publieksgerichte bedrijven zijn geclusterd langs de hoofdwegen. Het in zichzelf gekeerde terrein ligt door opgaande beplanting en een aarden wal buiten het zicht van de meeste passanten. Bedrijventerrein Overdie transformeert de komende jaren van een industrieterrein naar een gemengd werk- en woongebied aan het Alkmaars Kanaal. Initiatieven voor plaatsen van kleine windturbines zijn alleen mogelijk als dit binnen de ontwikkeling van dit gebied past.

De dorpse bedrijventerreinen zijn bescheiden van omvang met vooral kleinschalige bedrijfshallen, grootschalige detailhandel en een enkel kantoorgebouw. De terreinen liggen bij Omval, de Huijgendijk bij Oterleek, aan de Noordervaart bij Stompetoren en ten zuiden van de Rijp (De Volger).

27

Hoofdstuk 8 Overige 8.1 Nieuwe types kleine windturbines Door de nieuwe technologieën en hernieuwde interesse in kleine windturbines, is het aannemelijk dat de komende tijd nieuwe typen windturbines worden ontwikkeld. Nieuwe types van kleine windturbines worden niet bij voorbaat uitgesloten in dit beleidskader. Deze aanvragen worden per geval beoordeeld (maatwerk), waarbij zoveel mogelijk wordt aangesloten bij de voorwaarden van dit beleidskader.

8.2 Toekomstige ontwikkelingen We onderzoeken of erfturbines ook binnen bedrijventerreinen kunnen worden geplaatst. Een aantal bedrijventerreinen binnen de gemeente is bezig met verduurzaming, waarbij ook het plaatsen van erfturbines wordt overwogen. Deze windturbines worden niet bij voorbaat uitgesloten in dit beleidskader. Deze aanvragen worden per geval beoordeeld (maatwerk), waarbij zoveel mogelijk wordt aangesloten bij de voorwaarden van dit beleidskader.

8.3 Overige wet- en andere regelgeving kleine windturbines Ook aan overige uitgangspunten vanuit rijksregelgeving, provinciale verordeningen, de Leidraad landschap en Cultuurhistorie en provinciale handreiking Wind op Land moet worden voldaan. Deze regelgeving is niet in dit beleidskader opgenomen, maar moet wel in acht worden genomen voor een kleine windturbine.

Zo moet worden voldaan aan: 1. de eisen van het Besluit bouwwerken leefomgeving. Voordat een (onbekend) model windturbine wordt geplaatst, moet duidelijk zijn dat zowel de turbine als de draagconstructie voldoen aan alle normen. Een fundering moet ook voldoen aan het Besluit bouwwerken leefomgeving. 2. de eisen van het Besluit activiteiten leefomgeving. 3. de overige regels van het (de) ter plaatse geldende omgevingsplan; 4. de Verordening fysieke leefomgeving, waaronder regels voor monumenten en reclame; 5. de regels van de Wet natuurbescherming en de daaruit volgende voorwaarden; 6. de voorwaarden uit de Erfgoednota; 7. de gestelde eisen in de Welstandsnota; 8. aanwijzingen rond bouwen nabij (rijks- of provinciale)monumenten en in beschermde stads- en dorpsgezichten volgend uit erfgoedwetgeving; 9. de regels voor externe veiligheid; 10. de regels over het bouwen in de nabijheid van (rijks)wegen en spoorwegen; 11. bij de aanvraag voor een initiatief dat voorziet in het plaatsen van een kleine windturbine wordt aangetoond dat het initiatief aan de gehanteerde (inter)nationale normen en richtlijnen voor veiligheid, zichtbaarheid en geluidsproductie; 12. andere actuele (inter)nationale normen en richtlijnen voor windturbines.

8.4 Milieu en natuur De invloed van de windturbines op het milieu en de natuur moet beperkt blijven. Voor onder andere geluid en slagschaduw moet daarom worden voldaan aan het Activiteitenbesluit milieubeheer en de Activiteitenregeling milieubeheer. De Wet natuurbescherming regelt de gebiedsbescherming van Natura-2000 gebieden en bescherming van flora en fauna. Een initiatiefnemer moet daarom een natuuronderzoek laten uitvoeren.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13522012/1