231123 RIB bedrijventerrein Oudorp - Bijlage 3 Toelichting De Staalmeester Schermerweg 33
Tekst van het document
De stoere zuidkant van de stad vertelt het verhaal van Alkmaar als havenstad. Met de bouw van Schelphoek en het Jaagpad heeft dit karakter al vorm gekregen. Stoer staat voor een stoer stedelijk
Hoofdstuk 3 27
Waterfront, maar ook voor de stoere keuze om voldoende openingen in dit front vrij te laten voor goede verbindingen en licht, lucht en ruimte naar het achterland. Deze verbindingen kunnen routes, of zonnig groene of waterrijke ruimtes zijn. Deze verbindingen zijn noodzakelijk om de kwaliteiten van het kanaal zover mogelijk de gebieden in te trekken. Het huidige zuiden bestaat nu voornamelijk uit bedrijventerreinen waar nog geen sprake is van een evidente woon- of verblijfskwaliteit die past bij een stad. Dit zal gecreëerd moeten worden. De relatie met het kanaal als open ruimte en publieke plek is daarbij het belangrijkste. Daarnaast is het bij herontwikkeling van belang dat de maat en schaal van de bedrijventerreinen wijzigen in een maat en schaal die ook passen bij wonen en een meer ste- delijke vorm van werken. Dit betekent dat de huidige infrastructuur onvoldoende is en aangevuld dient te worden. Meer verbindingen en kleinere kavels en gebouwen zijn nodig om stad te maken.
Als actie wordt daarnaast het volgende beschreven: Bouw woningen die passen bij de verschillende gebiedsidentiteiten van Kanaalzone noord, centrum en Kanaalzone zuid. Draag bij aan de discussie en de ontwikkeling van de Alkmaarse Woonnorm en creëer naast het wonen ook een diversiteit van werkmilieus die passen bij de gebiedsidentiteit en die iets nieuws toevoegen aan de reeks van bestaande werkgebouwen en hallen.
De ontwikkeling sluit in beginsel aan bij de uitgangspunten zie zijn beschreven in het omgevingsbeeld Kanaalzone Alkmaar. De uitgangspunten en ontwikkelwensen voor de locatie zijn verder uitgewerkt in het Ontwikkelbeeld Oudorp. Hier wordt hierna op ingegaan.
Ontwikkelbeeld Oudorp In het Ontwikkelbeeld Oudorp worden de uitgangspunten en ambities beschreven voor de ontwikke- ling van bedrijventerrein Oudorp. Dit sluit aan bij de grotere ontwikkeling van de Kanaalzone. Het vol- gende wordt onder andere beschreven:
Oudorp wordt meer stad. Oudorp mag in de toekomst transformeren naar een meer stedelijk woon- en werkgebied gecombineerd met voorzieningen. Het totale gebied is 43 hectare. Voor het hele gebied is in de toekomst ruimte voor 50% wonen en 50 % werken en sociaal maatschappelijke voorzieningen van het totaal aan vierkante meters bebouwing. Dit geeft bij een stedelijk woonmilieu (gemiddelde van 5 bouwlagen) ruimte voor circa 2.300 woningen, 1/3 van de woningen is sociaal. Alle appartementen moeten tenminste voldoen aan de “Alkmaarse Woonnorm”. Dit is een nieuwe kwaliteitsnorm in ontwik- keling voor Alkmaar als stad van de toekomst. Met deze norm wordt bepaald welke basiskwaliteit past bij een appartement in Alkmaar, die geschikt is voor alle doelgroepen. Per ontwikkeling zal steeds 20% van de locatie onverhard en onbebouwd moeten blijven ten behoeve van infiltratie van regenwa- ter. Uitgangspunt daarbij is een “normale” regenbui. Dit als een belangrijke bijdrage aan de klimaat adaptieve stad. Deze ruimte ligt 40 centimeter onder het peil van de straten. Wanneer minder diepte wordt gemaakt, wordt de oppervlakte naar verhouding groter. Voor elke gebiedsontwikkeling wordt een mobiliteitsplan gemaakt door de initiatiefnemers. Dit plan geeft inzicht in de bereikbaarheid in ba- lans. Dit betekent een ruimte voor de fietser voetganger en bereikbaar voor de auto en openbaar ver- voer.
Onderdeel van dit mobiliteitsplan is een invulling van de deelmobiliteit zoals gevraagd in de Om- gevingsvisie Alkmaar 2040. Op basis van dit plan wordt bekeken welke parkeernorm voor de fiets en auto past. Bij nieuwe ontwikkelingen past een parkeeroplossing die uit het zicht is vanaf de openbare ruimte. Op eigen terrein of collectief op gebiedsniveau op een centrale locatie.
Hoofdstuk 3 28
Enkele ambities bij de planvorming zijn hieronder beschreven die aansluiten bij het Ontwikkelbeeld Oudorp: Mobiliteit: - Meer straten, singels en kleinere kavels, - Parkeren vanaf openbare ruimte uit het zicht - Autoluw binnengebied - Voetganger centraal - Inzetten deelmobiliteit Ecologie en milieu: - Omringdijk herkenbaar als doorgaande route in het groen - 20% onverhard en onbebouwd - Effectief omgaan met verharding - Daken en parkeerdek inzetten voor waterbuffering - Opheffen bedrijf met milieucategorie 4 Vitale mixed use wijken: - Mix aan gebouwtypes - 33% sociale woningen - Gemengd maaiveld, sociale veiligheid versterken - Geen lange blinde plinten - Mix aan doelgroepen Economie: - Betaalbare voorzieningen - Katalysator gebiedsontwikkeling Oudorp
De ontwikkeling sluit ook aan bij de uitgangspunten zie zijn beschreven in het omgevingsbeeld Ka- naalzone Alkmaar. Het gaat om de realisatie van maximaal 300 appartementen. Er wordt een mix ge- creëerd van kleine en grote appartementen (ongeveer tussen 45 en 100 m2). Daarnaast wordt ge- zorgd voor een variatie van huur- en koopappartementen. Bij de totale ontwikkeling wordt rekening ge- houden met de implementatie van 33% sociale huurwoningen (waarvan 50% sociale koop en 50% so- ciale huur). De woningen trekken daardoor verschillende doelgroepen aan, zoals starters, senioren en kleine gezinnen.
Ook voldoet de ontwikkeling aan de ambities van mobiliteit, economie en milieu, vitale mix-used wij- ken (zie ook hoofdstuk 2) en kan deze beschouwd worden als een belangrijke katalysator voor de ver- dere gebiedsontwikkeling Oudorp, niet alleen door de nieuwe ontwikkeling zelf, maar ook door het feit dat met dit bestemmingsplan de huidige bestemming ‘Gemengd’, waarbinnen bedrijven zijn toege- staan met veel milieuhinder, verdwijnt. Conform de nieuwe bestemming ‘Gemengd’ zijn activiteiten met veel milieuhinder niet meer toegestaan. Daarmee is de weg open om ook naast het plangebied gelegen percelen te gaan ontwikkelen voor woningbouw en andere gewenste niet-woonfuncties.
Een samenvatting van de kaders van de gemeente zijn afgebeeld in onderstaand figuur 3.2.
Hoofdstuk 3 29
Figuur 3.2 Kaders gemeente Alkmaar
Programma Duurzaamheid Alkmaar 2020-2024 Het Programma Duurzaam Alkmaar 2020-2024 geeft weer op welke wijze de gemeente Alkmaar de komende jaren de opgaven uit het klimaatakkoord oppakt.
Naast een aantal grote onderdelen als de uitvoering van de warmtevisie, de RES-opgave en grote pro- jecten als het energieleverend geluidsscherm en het Europese Horizon2020 project gaat het om onder- delen als mobiliteit, landbouw, innovatie, isolatie, klimaatadaptatie en vergroening. Met de uitvoering van het programma draagt de gemeente bij aan de uitvoering van de landelijke doelstellingen voor 2030.
Op de volgende manier is binnen dit plan rekening gehouden met duurzaamheid: De appartementen worden gasloos gebouwd; de woongebouwen zijn bijna energieneutraal (BENG) en worden aangesloten op het Warmtenet van HVC. Naast deze voorziening zijn ook andere voorzieningen al dan niet gecombineerd moge- lijk; In het ontwerp van het plangebied is rekening gehouden met wateradaptatie door toepassing van water- en groenvoorzieningen (zie paragraaf 2.3).
Coalitieakkoord en Criteria bij woningbouw 2022 In het Coalitieakkoord ‘vertrouwen in Alkmaar’ (2023) wordt topprioriteit gegeven voor woningbouw. Bij nieuwe ontwikkelingen wordt ingezet op 15% sociale huur en 15% sociale koop. Bij elkaar vormt dit de basis voor 30% sociale woningvoorraad. Daarnaast wil het bestuur bouwen van woningen in het mid- densegment bevorderen. In de gemeentelijke notitie ‘Criteria bij realisatie van nieuwe woningen’ (2022) is opgenomen dat ten- minste 30% van de nieuwbouwwoningen sociale huur moet zijn. Deze sociale huurwoningen worden ondergebracht bij een corporatie die de woningen aanbiedt op de website van de SVNK. Met de corpo- ratie dient het plan/ woonprogramma verder te worden uitgewerkt.
Hoofdstuk 3 30
Het stedenbouwkundig plan, dat de basis is voor dit bestemmingsplan, kent een invulling met een vari- atie aan woningtypes, gebouwen, oriëntatie en buitenruimtes. Hierdoor worden verschillende doelgroe- pen bediend van levensloopbestendig tot compacte starters woningen. Er is een mix van sociaal, mid- den en het hogere segment in zowel koop als huur beoogd. Het plan voorziet in 1/3 sociale woningen waarvan de helft bestemd voor sociale huur en de helft voor sociale koop (conform eerdere afspraken tussen gemeente en ontwikkelaar). De oppervlaktes van de woningen varieert van 40 m2 tot 90 m2 GO. De exacte invulling per segment hiervan is nog niet bekend en wordt op basis van de mogelijkheden van de locatie en marktonderzoek de komende periode verder uitgewerkt.
De eerste oriënterende gesprekken met corporaties zijn ingepland om ook dit deel verder in te vullen.
Tenslotte: direct ten noordwesten van het plangebied vindt ook een transformatie plaats van bedrijven naar wonen. In dit plan is een groot aantal stadswoningen opgenomen. Beide projecten gezamenlijk leiden tot brede variatie van woningtypes.
Hoofdstuk 3 31
4. OMGEVINGSASPECTEN
In dit hoofdstuk worden de diverse relevante omgevingsaspecten aangehaald en wordt het plan hier- aan getoetst.
4.1 Verkeer en parkeren
Verkeer Er is door Mobycon een verkeersonderzoek uitgevoerd voor het plan. Deze is opgenomen in bijlage 7. Hieronder worden de belangrijkste conclusies beschreven.
De ontwikkeling leidt tot een toename in verkeer van 2.504 motorvoertuigbewegingen per werkdag- etmaal, omgerekend 193 pae tijdens het drukste ochtendspitsuur en 251 pae tijdens het drukste avondspitsuur.
Na toetsing van de toename van het verkeer aan het wegennet blijkt dat er op de Edisonweg nog vol- doende restcapaciteit is. Met een maximale i/c-waarde van circa 28% zal de ontwikkeling niet tot knel- punten leiden. Op de Nieuwe Schermerweg zijn er i/c-waarden tot 115%, hier is dus geen sprake van restcapaciteit.
Als gekeken wordt naar de kruispunten van de Edisonweg en de Nieuwe Schermerweg blijkt dat deze dicht bij hun maximale afwikkelcapaciteit zitten. De i/c-verhoudingen liggen op veel van de kruispunt takken boven de 90% en met name de grote verliestijd laat zien dat de kruispunten het verkeer tijdens het drukste avondspitsuur moeilijk kunnen verwerken. Als het verkeer als gevolg van de ontwikkeling toegevoegd wordt verandert er echter weinig. Er is een marginale toename in de al bestaande knel- punten.
De ontwikkeling levert dus slechts een geringe toename aan de (beginnende) knelpunten die zich in 2032 voordoen. Deze knelpunten kunnen dan ook niet aan de ontwikkeling toegeschreven worden, waardoor deze knelpunten de ontwikkeling niet in de weg staan. De bestaande (beginnende) knelpun- ten op de kruispunten zullen in een breder perspectief met de gemeente moeten worden opgepakt. Al met al is de conclusie dat het aspect ‘verkeer’ de ontwikkeling niet in de weg staat.
Parkeren Er is door Mobycon een berekening van de parkeerbehoefte uitgevoerd voor het plan. Deze is opge- nomen in de bijlagen (8). Hieronder worden de belangrijkste conclusies beschreven.
Op basis van de parkeernormen uit de ‘Parkeernormennota 2020 - 2027 Gemeente Alkmaar’ bedraagt de parkeervraag tijdens het maatgevende moment, de werkdagavond, 244 parkeerplaatsen waarvan 75 openbaar toegankelijk moeten zijn. De beoogde parkeergarage heeft minimaal 233 parkeerplaat- sen en op maaiveld worden 11 parkeerplaatsen beoogd.
Hiermee is er voldoende capaciteit voor het invullen van de parkeeropgave.
Geconcludeerd kan worden, dat het aspect ‘parkeren’ de ontwikkeling van 'De Staalmeester Scher- merweg 33’ te Alkmaar niet in de weg staat.
Hoofdstuk 4 32
4.2 Geluid
4.2.1 Toetsingskader
Op basis van de Wet geluidhinder (artikel 77 Wgh) dient bij een bestemmingsplan een akoestisch on- derzoek te worden uitgevoerd als het plan mogelijkheden biedt voor: de toevoeging van een nieuwe woning of andere geluidsgevoelige functie binnen de zone van een weg; de aanleg van een nieuwe weg; de reconstructie van een bestaande weg. De breedte van de zone van een weg is afhankelijk van het aantal rijstroken, het stedelijk gebied en de maximumsnelheid. In een akoestisch onderzoek kunnen wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt buiten beschouwing worden gelaten.
Tabel: Breedte geluidszones langs wegen Aantal rijstroken Zone breedte Stedelijk gebied 1 of 2 200 meter 3 of meer 350 meter Buiten stedelijk gebied 1 of 2 250 meter 3 of 4 400 meter 5 of meer 600 meter
In de Wgh zijn grenswaarden opgenomen met betrekking tot de geluidbelasting op de gevels van wo- ningen en andere geluidgevoelige bestemmingen. De voorkeursgrenswaarde voor de geluidbelasting op de gevel is 48 dB en mag in principe niet worden overschreden. Onder bepaalde voorwaarden, als maatregelen onvoldoende doeltreffend zijn en het voldoen aan de grenswaarden onoverkomelijke be- zwaren ontmoet van landschappelijke, stedenbouwkundige of financiële aard, mag de geluidbelasting hoger zijn dan de voorkeursgrenswaarde. Hiervoor dient middels een ontheffing een hogere waarde te worden vastgesteld.
Tabel: Maximale ontheffingswaarden Situatie Maximale ontheffings- Artikel waarde Stedelijk gebied Nieuwe woningen 63 dB Artikel 83, lid 2 Wgh Vervangende nieuwbouw 68 dB Artikel 83, lid 5 Wgh Buiten stedelijk gebied Nieuwe woningen 53 dB Artikel 83, lid 1 Wgh Agrarische bedrijfsbebouwing 58 dB Artikel 83, lid 4 Wgh Vervangende nieuwbouw 58 dB Artikel 83, lid 7 Wgh Vervangende nieuwbouw* binnen de zone van 63 dB Artikel 83, lid 6 Wgh een autoweg of autosnelweg *Met dien verstande dat de vervanging niet zal leiden tot een ingrijpende wijziging van de bestaande stedenbouwkundige func tie of structuur en een wezenlijke toename van het aantal geluidgehinderden bij toetsing op bouwplanniveau voor ten hoogte 100 woningen.
Hoofdstuk 4 33
4.2.2 Onderzoek
Er is een akoestisch onderzoek naar wegverkeerslawaai uitgevoerd voor het plangebied. Deze is op- genomen in de bijlagen. Hieronder worden de belangrijkste resultaten beschreven.
Schermerweg De voorkeursgrenswaarde wordt wel, maar de maximale ontheffingswaarde wordt niet overschreden. De geluidbelasting ten gevolge van de Schermerweg is maximaal 58 dB (incl. aftrek art. 110g Wgh). Onderzocht is of bron- en/of overdrachtsmaatregelen doelmatig en/of effectief genoeg zijn om de ge- luidsbelasting te verminderen tot onder de voorkeursgrenswaarde. Dit is niet geval.
De gemeente zal een procedure starten voor het verlenen van een hogere waarde. In de voorliggende situatie kan als ontheffingscriterium worden aangedragen dat er sprake is van nieuw te bouwen wo- ningen, waarbij sprake is van het algemene criteria ‘flexibiliteit bestemmingsplan’, onderdeel 3.2.1 Be- leidscriteria hogere waarden Wet geluidhinder gemeente Alkmaar.
Indien een hogere waarde wordt vastgesteld, kan de gemeente aan deze ontheffing aanvullende voor- waarden stellen. In het Beleid Hogere Waarden Wet Geluidhinder van de gemeente Alkmaar is opge- nomen dat aanvullende eisen alleen gelden indien de geluidbelasting op de gevel van de woningen ten opzichte van de voorkeursgrenswaarde 5 dB hoger is. Volgens tabel 4.1 en bijlage IIB (van het akoestisch rapport) is de geluidbelasting op de gevel maximaal 58 dB en is de voorkeursgrenswaarde voor bepaalde delen van de gevels daarmee met meer dan 5 dB overschreden. Als gevolg wordt voor dit deel van de woningen aanvullende eisen gesteld met betrekking tot een geluidluwe gevel, woning- indeling en buitenruimte: De woning heeft ten minste één gevel met een geluidniveau dat gelijk of lager is aan de voor- keursgrenswaarde per bron en per zone uit de Wgh en Wm. De verblijfsruimten van de woning dienen voor ten minste 30% van het vloeroppervlakte aan de geluidluwe zijde te zijn geprojecteerd. Onder verblijfsruimte wordt verstaan: een ruimte binnen een woning die of bestemd is als slaap-, woon- of eetkamer alsmede een keuken van ten minste 11 m². Bij voorkeur worden ten eerste de slaapvertrekken aan de geluidluwe zijde gesitueerd. Indien de woning beschikt over een buitenruimte volgens het Bouwbesluit, dan is deze bij voor- keur gelegen aan de geluidluwe zijde.
Indien de buitenruimte aan de geluidbelaste zijde is gesitu- eerd, dan mag het gecumuleerde geluidniveau ter plaatse van de buitenruimte (in het midden van de buitenruimte op 1.20 m hoogte) niet meer zijn dan de betreffende voorkeursgrenswaarde + 5 dB (voor weg- en railverkeer) respectievelijk 5 dB(A) (voor industrielawaai). Bij een gecumuleerd geluidniveau is de laagste voorkeursgrenswaarde maatgevend. Conform Bouwbesluit worden in deze situatie eisen gesteld aan de minimale gevelgeluidwering. Wan- neer een hogere waarde wordt verleend, moet voor de nieuwe woning worden aangetoond welke ge- luidwerende maatregelen aan de gevel noodzakelijk zijn om te kunnen voldoen aan het gestelde in Afdeling 3.1 van het Bouwbesluit. De minimaal vereiste geluidwering is het verschil in geluidbelasting (zonder aftrek artikel 110g Wgh) en 33 dB.
Alexander Flemingstraat, Oudorperdijkje De geluidbelasting ten gevolge van Alexander Flemingstraat en Oudorperdijkje bedraagt respectieve- lijk maximaal 42 dB en maximaal 43 dB incl. aftrek artikel 110g Wgh. De waarde ligt onder de voor- keursgrenswaarde waardoor geen hogere waarde ten aanzien van deze weg hoeft te worden aange- vraagd. De Wet geluidhinder legt ten gevolge van deze weg geen restricties op aan het plan.
Hoofdstuk 4 34
Edisonweg De voorkeursgrenswaarde wordt wel, maar de maximale ontheffingswaarde wordt niet overschreden. De geluidbelasting ten gevolge van de Edisonweg is maximaal 49 dB (incl. aftrek art. 110g Wgh). On- derzocht is of bron- en/of overdrachtsmaatregelen doelmatig en/of effectief genoeg zijn om de geluids- belasting te verminderen tot onder de voorkeursgrenswaarde. Dit is niet geval.
De gemeente zal een procedure starten voor het verlenen van een hogere waarde.
In de voorliggende situatie kan als ontheffingscriterium worden aangedragen dat er sprake is van nieuw te bouwen woningen, waarbij sprake is van het algemene criteria ‘flexibiliteit bestemmingsplan’, onderdeel 3.2.1 Beleidscriteria hogere waarden Wet geluidhinder gemeente Alkmaar. Indien een ho- gere waarde wordt vastgesteld, kan de gemeente aan deze ontheffing aanvullende voorwaarden stel- len. In het Beleid Hogere Waarden Wet Geluidhinder van de gemeente Alkmaar is opgenomen dat aanvullende eisen alleen gelden indien de geluidbelasting op de gevel van de woningen ten opzichte van de voorkeursgrenswaarde 5 dB hoger is. Volgens tabel 4.1 en bijlage IIB is de geluidbelasting op de gevel maximaal 49 dB en is de voorkeursgrenswaarde voor bepaalde delen van de gevels daar- mee niet met meer dan 5 dB overschreden. Er worden geen aanvullende eisen gesteld door de ge- meente Alkmaar.
Conform Bouwbesluit worden in deze situatie eisen gesteld aan de minimale gevelgeluidwering. Wan- neer een hogere waarde wordt verleend, moet voor de nieuwe woning worden aangetoond welke ge- luidwerende maatregelen aan de gevel noodzakelijk zijn om te kunnen voldoen aan het gestelde in Afdeling 3.1 van het Bouwbesluit. De minimaal vereiste geluidwering is het verschil in geluidbelasting (zonder aftrek artikel 110g Wgh) en 33 dB. In bijlage IIB is de benodigde karakteristieke geluidwering weergegeven.
Niet gezoneerde wegen (Scheepsjagerstraat en Zegelis) Er is sprake van een 30 km/h zone, zodat niet hoeft te worden getoetst aan de Wet geluidhinder. In het kader van een goede ruimtelijke ordening zijn deze wegen wel meegenomen en zijn de optre- dende gevelbelastingen beschouwd volgens de systematiek van de Wet geluidhinder. De voorkeurs- grenswaarde wordt niet overschreden, zou getoetst worden aan de Wet geluidhinder. De geluidbelas- ting bedraagt ten hoogste 47 dB (incl. art. 110g Wgh) vanwege de Scheepsjagerstraat en ten hoogste 31 dB (incl. art. 110g Wgh) vanwege de Zegelis, waarmee deze waarde voldoet aan de voorkeurs- grenswaarde. Er is sprake van een goed woon- en leefklimaat.
Nieuwe weg Er is sprake van een 30 km/h zone, zodat niet hoeft te worden getoetst aan de Wet geluidhinder. In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt de weg wel beschouwd en wordt ook het toet- singskader van de Wet geluidhinder gehanteerd. In een aantal waarneempunten zijn gevelbelastingen vastgesteld hoger dan de ‘voorkeursgrenswaarde’.
De geluidbelasting bedraagt ten hoogste 49 dB (incl. art. 110g Wgh) waarmee deze boven de voor- keursgrenswaarde zou liggen wanneer getoetst zou worden aan de Wet geluidhinder. De maximale ontheffingswaarde wordt niet overschreden. Omdat geen sprake is van een gezoneerde weg, hoeft ook geen hogere waarden ten aanzien van deze weg worden aangevraagd.
Formeel hoeven ten gevolge van deze weg geen maatregelen te worden getroffen aan de gevel. Uit het oogpunt van wooncomfort en gezondheid wordt echter geadviseerd wel maatregelen te treffen om
Hoofdstuk 4 35
een binnenniveau van 33 dB te garanderen. In bijlage IIB is de benodigde karakteristieke geluidwering weergegeven.
4.2.3 Conclusie
De maximale geluidsbelasting vanwege de Schermerweg bedraagt 57 dB en van de Edisonweg 49 dB. De gemeente zal een procedure starten voor het verlenen van een hogere waarde. Verder is een aanvullend akoestisch onderzoek geluidwering gevels, een toetsing aan het Bouwbesluit 2012 én een toetsing aan het Beleid Hogere Waarden Wet Geluidhinder van de gemeente Alkmaar noodzakelijk in het kader van een omgevingsvergunning bouwen aanvraag.
De overige wegen zorgen niet voor belemmeringen.
4.3 Luchtkwaliteit
4.3.1 Toetsingskader
De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5, titel 5.2 Wm). Hierin zijn grenswaarden opgenomen voor luchtvervuilende stoffen. Voor ruimtelijke projecten zijn fijn stof (PM10 en PM2,5) en stikstofdioxide (NO2) de belangrijkste stoffen.
Een project is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging; het project is opgenomen in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) of een regionaal programma van maatregelen.
Om te bepalen of een project "niet in betekenende mate" bijdraagt aan de luchtkwaliteit is een alge- mene maatregel van bestuur 'Niet in betekenende mate' (Besluit NIBM) en een ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM) vastgesteld waarin de uitvoeringsregels zijn vastgelegd. Een project kan in twee situaties NIBM bijdragen aan de luchtkwaliteit: het project behoort tot de lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woning- bouwlocaties) die is opgenomen in de Regeling NIBM; het project heeft een toename van minder dan 3% van de jaargemiddelde concentratie NO2 en PM10 (1,2μg/m3).
4.3.2 Onderzoek
NIBM Het voorziene project is een project als bedoeld in de lijst met categorieën van gevallen die is opgeno- men in Bijlage 3a van de Regeling NIBM. Er wordt middels onderhavig bestemmingsplan niet voorzien in meer dan 1500 woningen per woningbouwlocatie, als genoemd in Bijlage 3a van de Regeling NIBM. Dat houdt in dat het project in kwestie niet in betekenende mate bijdraagt aan luchtverontreini- ging. Om die reden is het niet noodzakelijk om ten behoeve van vaststelling van het bestemmingsplan eerst te bepalen of voldaan wordt aan de gestelde norm voor de toename van de jaargemiddelde con- centratie NO2 en PM10 van 3%. Zorgvuldigheidshalve is de NIBM-tool ingevuld. Hierbij is gebruik ge-
Hoofdstuk 4 36
maakt van de toename aan verkeer vanwege dit plan zoals blijkt uit het uitgevoerde verkeersonder- zoek. Bij de NIBM-tool wordt gebruik gemaakt van de cijfers per weekdag in plaats van de werkdag. In figuur 4.1 is het resultaat weergegeven.
Worst-case berekening voor de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van een plan op de luchtkwaliteit, GCN2022
Jaar van planrealisatie 2025 Extra verkeer als gevolg van het plan Extra voertuigbewegingen (weekdaggemiddelde) 2289 Aandeel vrachtverkeer 0,0% Maximale bijdrage extra verkeer NO2 in μg/m3 1,05 PM10 in μg/m3 0,33 3 Grens voor "Niet In Betekenende Mate" in μg/m 1,2 Conclusie De bijdrage van het extra verkeer is niet-in-betekenende-mate; geen nader onderzoek nodig
Figuur 4.1: Resultaat NIBM tool
Aanvaardbaar woon- en leefklimaat Ook wanneer een project niet in betekenende mate bijdraagt aan luchtverontreiniging, moet in het ka- der van een goede ruimtelijke ordening worden bekeken of er ter plaatse van het projectgebied sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat met betrekking tot luchtkwaliteit. Over luchtkwaliteit kunnen uitspraken gedaan worden aan de hand van achtergrondwaarden voor NO2, PM10 en PM2.5. Die waarden kunnen meestal bepaald worden middels de NSL-monitoringstool. De achtergrondwaar- den voor NO2, PM10 en PM2.5 met betrekking tot een aantal van de rekenpunten voor het jaar 2020 zijn weergegeven in navolgende tabel.
Id NO2 μg/m3 PM10 μg/m3 PM10 overschrijdingsdagen PM2.5 μg/m3 Jaar 8189 19.7 16.8 6.0 8.3 2020 8190 19.4 17.0 6.0 8.5 2020 8191 19.4 17.0 6.0 8.5 2020 8192 19.3 17.0 6.0 8.5 2020 Norm 40 40 35 25
Uit bovenstaande tabel kan worden opgemaakt dat de achtergrondwaarden significant lager zijn dan de gestelde normen. Ook ten aanzien van de andere in de omgeving van het plangebied gesitueerde rekenpunten geldt dat geen sprake is van normoverschrijding. Hiermee is voldoende aannemelijk ge- maakt dat ter plaatse van het plangebied sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
4.3.3 Conclusie
Het onderdeel luchtkwaliteit zorgt niet voor belemmeringen.
Hoofdstuk 4 37
4.4 Bedrijven en milieuzonering
4.4.1 Toetsingskader
Onder milieuzonering wordt verstaan het waar nodig zorgen voor een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds bedrijven of overige milieubelastende functies en anderzijds milieugevoelige functies zoals woningen. Bij de planontwikkeling dient rekening te worden gehouden met milieuzonering om de kwaliteit van het woon- en leefmilieu te handhaven en te bevorderen en daarnaast bedrijven vol- doende zekerheid te bieden dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kun- nen uitvoeren.
Richtafstanden Bij de milieuzonering wordt gebruik gemaakt van de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) opgestelde publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ 2. In de publicatie is een lijst opgenomen met bedrijfstypen. Voor de bedrijfstypen zijn indicatieve (richt)afstanden bepaald voor de milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De richtafstanden vormen een indicatie van de aanvaardbaarheid in de situatie dat gevoelige functies in de nabijheid van milieubelastende functies worden gesitueerd. Indien bekend is welke activiteiten concreet worden beoogd of aanwezig zijn, kan gemotiveerd worden uitge- gaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting (in plaats van de richtafstanden).
Omgevingstype De richtafstanden zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit zoals die wordt nagestreefd in een rustige woonwijk of een vergelijkbaar omgevingstype (zoals een rustig buitengebied, een stiltegebied of een natuurgebied). Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functie- scheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals be- drijven en kantoren) voor. Binnen gemengde gebieden heeft men te maken met milieubelastende en milieugevoelige functies die op korte afstand van elkaar zijn gesitueerd. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Voorbeelden van gebieden met func- tiemenging zijn horecaconcentratiegebieden, stadscentra, winkelcentra en winkelgebieden van dorps- kernen, woon-werkgebieden met kleinschalige ambachtelijke bedrijvigheid, gebieden langs stadstoe- gangswegen met meerdere functies en lintbebouwing in het buitengebied met veel agrarische en an- dere bedrijvigheid.
4.4.2 Onderzoek
Om aan te tonen of sprake is van een goed woon- en leefklimaat is gekeken naar de verschillende be- drijven en functies in de omgeving. Aan de west- en zuidzijde van het plangebied komen alleen wonin- gen voor (zonder milieucategorie of richtafstand). Ten noorden en oosten van het terrein liggen ver- schillende bedrijven met op dit moment de bestemming ‘Gemengd – 1’. Hier zijn bedrijven met een milieucategorie 2 toegestaan. Hiervoor geldt een richtafstand van 10 meter (gezien de ligging in een gemengd gebied). De nieuwe bouwvlakken zullen op minimaal 10 meter van deze bedrijven gesitu- eerd worden, waardoor voldaan wordt aan de richtafstand en een goed woon- en leefklimaat behaald wordt. Binnen het gebied dat is bestemd als Gemengd – 1 ligt ook een hondenschool, namelijk aan het adres Alexander Flemingstraat 1. Deze hondenschool zal geen onevenredig negatieve invloed hebben op het woon- en leefklimaat bij de woningen in het plangebied. Er is eerder een akoestisch onderzoek uitgevoerd. Hieruit blijkt dat bij woningen die dichter bij de hondenschool liggen geen grenswaarden worden overschreden. Daarnaast kan gezien gelet op de afstand van de planlocatie en
2 ‘Bedrijven en Milieuzonering’, Uitgave VNG, Den Haag, 2009.
Hoofdstuk 4 38
de hondenschool en het bestaande (geluidwerende) bedrijfsgebouw tussen het plangebied en de hon- denschool, gezegd worden dat sprake zal zijn van een acceptabel woon- en leefklimaat.
In de omgeving is op één locatie bedrijvigheid boven categorie 2 toegestaan. Ten westen van het plangebied is namelijk voor een deel van de gemengde bestemming de functieaanduiding ‘bedrijf tot en met categorie 3’ opgenomen. Hier zijn bedrijven tot en met categorie 3.2 toegestaan, die een richt- afstand hebben van 50 meter. De woningen zijn gelegen binnen deze richtafstand. Op dit moment is hier echter feitelijk een categorie 2 bedrijf aanwezig, namelijk een garagebedrijf, zie ook figuur 4.2. In de huidige feitelijke situatie zou dus ter plaatse van het plangebied sprake zijn van een acceptabel woon- en leefklimaat vanwege dit bedrijf. Er wordt voldaan aan de richtafstand van een categorie 2 bedrijf. Wanneer hier in de toekomst een zwaarder bedrijf gevestigd zou worden, zal dit wel gevolgen kunnen hebben op het woon- en leefklimaat. Echter is het zo dat op deze locatie op termijn ook wo- ningbouw plaatsvinden. De planvorming is al in zodanig stadium, dat de verwachting is dat bij vaststel- ling van dit bestemmingsplan voldoende vaststaat, dat ook daadwerkelijk overgegaan zal worden tot nieuwbouw van woningen. De procedure hiervoor is inmiddels ook in gang gezet.
Figuur 4.2: Bedrijven in de omgeving
Op het bedrijventerrein komen ook zwaardere bedrijven voor uit categorie 3 en 4. Hiervoor geldt een richtafstand van 30 tot 100 meter. Het plangebied ligt echter ruim buiten deze richtafstanden. Verder gelegen bedrijventerrein zoals Boekelermeer en Overdie zorgen eveneens niet voor belemmeringen.
Gesteld kan worden dat sprake zal zijn van een goed woon- en leefklimaat op de locatie. De woningen belemmeren de bedrijven in de omgeving daarnaast niet. De woningen hebben zelf ook geen milieu- belastende werking, waardoor het woon- en leefklimaat bij omliggende woningen ook ongewijzigd blijft of zelfs wordt verbeterd door het verdwijnen van de bedrijfsfunctie op de locatie.
Hoofdstuk 4 39
Binnen het plangebied komt een mobiliteitshub.Deze behoort tot milieucategorie 2 met een aan te houden richtafstand van 10 m (in gemengd gebied). In de regels is gewaarborgd dat de minimale af- stand tussen naastgelegen gebouwen minimaal 10 meter dient te bedragen.
4.4.3 Conclusie
Het onderdeel bedrijven en milieuzonering zorgt niet voor belemmeringen.
4.5 Geur agrarisch
4.5.1 Toetsingskader
Voor veehouderijen is de regelgeving ten aanzien van het specifieke aspect geur vastgelegd in de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv). Bij nieuwe planologische projecten in het kader van de Wet ruimtelijke ordening dient te worden gekeken naar de aanvaardbaarheid van deze plannen in verband met omliggende geurbronnen, de zogenaamde omgekeerde werking. In de Wgv zijn voor verschil- lende dieren geuremissienormen opgenomen die de maximale geurbelasting op een gevoelig object bepalen. Als de geuremissie van een dier niet bekend is, stelt de wet minimumafstanden tussen een veehouderij en een geurgevoelig object. Als die geuremissie wel bekend is, dan moet de geurbelas- ting worden berekend. De emissie van geurstoffen uit een veehouderijbedrijf wordt uitgedrukt in geur- eenheden. De berekende geurbelasting wordt getoetst aan de norm (de maximale belasting die het bedrijf mag veroorzaken). Gemeenten mogen, binnen bepaalde bandbreedten, van deze wettelijke normen afwijken als er een gebiedsvisie is opgesteld en een geurverordening is vastgesteld.
4.5.2 Onderzoek
In de omgeving liggen geen veehouderijen of andere agrarische bedrijven met een geuruitstraling. Dit onderdeel is dan ook niet van belang.
4.5.3 Conclusie
Het onderdeel ‘geur agrarisch’ zorgt niet voor belemmeringen.
4.6 Externe veiligheid
4.6.1 Toetsingskader
Externe veiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van de opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit kan betrekking hebben op inrichtingen (bedrijven) of transportroutes. Op beide categorieën is landelijke wet- en regelgeving van toepassing. In de landelijke wet- en regelgeving zijn kwaliteitseisen en normen op het gebied van externe veiligheid geformuleerd. Doel is om bepaalde risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld, tot een aanvaardbaar minimum te beperken.
Deze bedoelde risico's hangen vooral samen met: activiteiten met gevaarlijke stoffen in inrichtingen;
Hoofdstuk 4 40
transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen; transport van gevaarlijke stoffen over de weg, het spoor en het water.
Ook zijn er onder meer landelijke regels voor de opslag en verkoop van vuurwerk. Verder wordt bij de plaatsing van windmolens ook de externe veiligheid in ogenschouw genomen.
De risico's voor externe veiligheid komen tot uitdrukking via het plaatsgebonden risico en het groepsri- sico. Het plaatsgebonden risico kan op de kaart worden weergeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde plaatsgebonden risico. Via het plaatsgebonden risico wordt een basisbeschermingsniveau gewaarborgd. Bij het groepsrisico wordt wel beoordeeld hoeveel perso- nen zich, redelijkerwijs, feitelijk in de omgeving kunnen bevinden. Voor het groepsrisico geldt geen grenswaarde, maar een oriëntatiewaarde. Dit is een ijkwaarde waaraan veranderingen getoetst kun- nen worden. Deze oriëntatiewaarde mag overschreden worden, mits goed beargumenteerd door het bevoegd gezag. Samen met de hoogte van groepsrisico moet andere kwalitatieve aspecten worden meegewogen in de beoordeling van het groepsrisico. Onder deze aspecten vallen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. Deze argumentatie is een onderdeel van de verantwoording van het groepsrisico. Onderdeel van deze verantwoording is overleg met (advies vragen aan) de regionale brandweer.
Het plaatsgebonden risico (PR) is de kans, per jaar, op overlijden van een onbeschermd individu ten gevolge van ongevallen met gevaarlijke stoffen. De aanwezigheid van een persoon is fictief. Niet wordt beoordeeld hoe groot de kans op de aanwe- zigheid van een persoon feitelijk is.
Het groepsrisico (GR) is een maat voor de kans per jaar dat een groep van bijvoorbeeld 10, 100 of 1000 personen het slachtoffer wordt van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico wordt ook beschouwd als een maat voor de maatschappelijke ontwrichting.
4.6.2 Onderzoek
Om te bepalen wat de eventuele externe veiligheidsrisico’s zijn ter plaatse van het plangebied is geke- ken naar de risicokaart. Een uitsnede van de risicokaart is weergegeven in figuur 4.2. Hierop is te zien dat nabij het bedrijventerrein Oudorp en nabij het plangebied geen risicovolle inrichtingen of transport- routes lopen. De verschillende BEVI-inrichtingen liggen allen op voldoende afstand. Ook aardgaslei- dingen of andere buisleidingen met gevaarlijke stoffen liggen op ruime afstand. Het plangebied ligt buiten de risicoafstanden en invloedsgebieden hiervan. Over de spoorlijn die door Alkmaar loopt wor- den daarnaast geen risicovolle stoffen vervoerd, waardoor deze route niet voor belemmeringen zorgt. Ten zuiden van Alkmaar loopt de rijksweg A9 die aan de westzijde overloopt in de N9. Over deze we- gen worden gevaarlijke stoffen vervoerd uit categorieën LF1, LF2 en LT2. Het invloedsgebied be- draagt 880 meter. Aangezien het plangebied op grotere afstand ligt zijn er geen belemmeringen. Een verantwoording van het groepsrisico is niet verder aan de orde.
Hoofdstuk 4 41
Figuur 4.2: Uitsnede risicokaart met ligging plangebied (omcirkeld)
Advies Veiligheidsregio Er is door de Veiligheidsregio een advies opgesteld ten aanzien van het plan. Deze is opgenomen in de bijlagen. Er worden geen inhoudelijke opmerkingen gemaakt. Het advies luidt als volgt: 1. Overweeg het plangericht voorbereiden van ontruiming, dit ter voorbereiding op een situatie waar- bij ‘een omvangrijke brand in de directe nabijheid’ noopt tot volledige ontruiming en opvang van betrokkenen gedurende meer dan één etmaal. 2. Organiseer vooroverleg met betrekking tot het voorlopig ontwerp van het gebouw, mede in relatie tot de ruimtelijke inrichting, met als doel dat hulpdiensten de verschillende gebouwfuncties in ge- val van een calamiteit goed kunnen bereiken, dat zij door de functionele installaties effectief gefa- ciliteerd worden en dat zelfredzaamheid functioneel wordt ondersteund.
4.6.3 Conclusie
Het onderdeel externe veiligheid zorgt niet voor belemmeringen.
Hoofdstuk 4 42
4.7 Ecologie
4.7.1 Toetsingskader
De bescherming van de natuur is vastgelegd in de Wet natuurbescherming (Wnb). De Wet natuurbe- scherming (Wnb) geeft het wettelijke kader voor de bescherming van natuurgebieden en voor soorten- bescherming. Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient onderzocht te worden of de Wnb ten aanzien van de bescherming van dier- en plantensoorten en gebieden de uitvoering van het plan niet in de weg staan. De provincie is bevoegd gezag voor de toetsing van handelingen met mogelijke ge- volgen voor beschermde dier- en plantensoorten (de soortenbeschermingsbepalingen) én voor Natura 2000-gebieden (de gebiedenbeschermingsbepalingen). Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, blijft het Rijk bevoegd gezag.
Daarnaast vindt beleidsmatige gebiedsbescherming plaats door middel van het Natuurnetwerk Neder- land (NNN), de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Ook in dit kader zijn de provincies het bevoegd gezag.
Gebiedsbescherming vanuit de Wet natuurbescherming De Wet natuurbescherming, heeft voor wat betreft gebiedsbescherming, betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, af- zonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optre- den, dienen deze bij de voorbereiding van een bestemmingsplan in kaart te worden gebracht en be- oordeeld.
Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is ver- kregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voor- waarden: 1. alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden; 2. het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en 3. de noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de alge- hele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied zijn vergunningsplichtig.
Gebiedsbescherming vanuit provinciaal beleid Het Natuurnetwerk Nederland (voorheen: Ecologische Hoofdstructuur (EHS)) is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden. Het netwerk wordt gevormd door kernge- bieden, natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszones met als doel natuurgebieden beter met elkaar en met het omringende agrarisch gebied te verbinden.
Conform artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming dragen gedeputeerde staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk,
Hoofdstuk 4 43
genaamd ‘Natuurnetwerk Nederland’. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit net- werk behoren. De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuurnetwerk Neder- land loopt via het traject van de provinciale ruimtelijke structuurvisies en verordeningen. Voor deze gebieden geldt een planologisch beschermingsregime. Activiteiten in deze gebieden zijn alleen toegestaan als ze geen negatieve effecten hebben op de wezenlijke kenmerken of waarden of als deze kunnen worden tegengegaan met mitigerende maatregelen.
Soortenbescherming De Wet natuurbescherming onderscheidt beschermingsregimes voor soorten op grond van internatio- nale verdragen, aangevuld met soorten die vanuit een nationaal oogpunt beschermd worden. Hierdoor zijn er in de Wet natuurbescherming drie verschillende verbodsartikelen per categorie soorten; soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1); soorten van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (artikel 3.5); andere soorten (artikel 3.10). Per beschermingsregime is aangegeven welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ont- heffing of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag. Volgens artikel 3.31 zijn de verbo- den, bedoeld in de artikelen 3.1, 3.5 en 3.10 niet van toepassing op handelingen die zijn beschreven in en aantoonbaar worden uitgevoerd overeenkomstig een door het Ministerie van Economische Za- ken goedgekeurde gedragscode en die plaatsvinden in het kader van bestendig beheer, bestendig ge- bruik, of ruimtelijke ontwikkeling of inrichting.
4.7.2 Onderzoek
Als bijlage 4 is de Quickscan flora en fauna bijgevoegd. Hieruit blijkt dat als het gaat om de soortenbe- scherming er geen belemmeringen zijn. Wel moet voorafgaand en tijdens het uitvoeren van de werk- zaamheden het bepaalde in de Wet natuurbescherming in acht wordt genomen: Ten aanzien van broedvogels dient, om overtreding op voorhand redelijkerwijs te voorkomen, het verwijderen van nestgelegenheid buiten het broedseizoen te worden uitgevoerd, of een controle moet de aanwezigheid van een broedgeval kunnen uitsluiten; In het kader van de algemene zorgplicht is het noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor aanwezige individuen. Dit houdt in dat al het redelijkerwijs mogelijke gedaan dient te worden om het doden van individuen te voorkomen.
Aanvullend op de Quickscan kan nog opgemerkt worden, dat de bomenrij langs de Schermerweg be- houden zal blijven. Deze bomen liggen niet binnen het plangebied en hebben de bestemming ‘Verkeer – Verblijfsgebied’. Omdat deze gronden in bezit zijn van de gemeente is het behoud van deze bomen voldoende geborgd.
Wat betreft de gebiedsbescherming is een aeriusberekening uitgevoerd te worden om vast te stellen of de wettelijke drempelwaardenals het gaat om stikstof worden overschreden. Dit is niet het geval. Het stikstofonderzoek is als bijlage 11 bij deze toelichting gevoegd.
4.7.3 Conclusie
Het onderdeel ecologie zorgt niet voor belemmeringen voor de beoogde herontwikkeling van het plan- gebied.
Hoofdstuk 4 44
4.8 Bodem
4.8.1 Toetsingskader
In het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 lid 1 onder d) is bepaald dat voor de uitvoerbaarheid van een plan rekening gehouden moet worden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij func- tiewijzigingen dient te worden bepaald of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden bepaald of nader onderzoek en eventueel saneringen noodzakelijk zijn. In de Wet bo- dembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd. Derhalve is een bodemonderzoek conform de NEN 5740 richt- lijnen noodzakelijk.
4.8.2 Onderzoek
Er is door Aeres Milieu een vooronderzoek bodem (NEN 5725) uitgevoerd voor het plan. Deze is op- genomen in de bijlagen (9). Hieronder worden de belangrijkste bevinden en conclusies beschreven.
De bodem binnen de onderzoekslocatie dient als verdacht beschouwd te worden op het licht tot matig verhoogd voorkomen van zware metalen, minerale olie, PAK, ftalaten en vluchtige gechloreerde kool- waterstoffen. Plaatselijk is in de bovengrond een uitschieter met zink mogelijk op het verhard binnen- terrein. Door de brand centraal op het perceel kan de aanwezigheid van PFAS in de bodem (mogelijke toepassing van blusschuim) vooralsnog niet uitgesloten worden. Ter plaatse zijn binnen 7-10 m-mv twee grondwaterverontreinigingen met vluchtige gechloreerde koolwaterstoffen bekend. In het verleden zijn eerdere saneringen stopgezet door een beperkte afname in concentraties in de aanwezige peilbuizen. Het nieuw opgemaakte saneringsplan uit 2004 is zover bekend niet uitgevoerd.
Voorts dient afhankelijk van de projectontwikkeling ook rekening gehouden te worden met de dieper gelegen grondwaterverontreiniging (VCK-pluim van Schermerweg 74).
De aanwezigheid van asbestverdacht materiaal in de bodem wordt binnen het perceel niet verwacht. In het verleden is op enkele panden een asbesthoudende dakbedekking met gootconstructie aanwezig geweest welke deels aangesloten was op het gemeentelijk rioolstelsel en deels op de nabijgelegen watergang. Deze daken zijn tussen 2003 en 2006 vervangen voor dakisolatieplaten. Ter plaatse van het perceel is derhalve geen asbest in de bodem te verwachten. Om de aanwezigheid van asbest in de bodem te onderzoeken, kan een verkennend asbest in bodem onderzoek conform de NEN 5707, stra- tegie onverdacht uitgevoerd worden.
Voor het huidige gebruik (industrie) vormt de bodemkwaliteit geen belemmering. Geadviseerd wordt om na beëindiging van de bedrijfsactiviteiten een actualiserend bodemonderzoek conform de NEN5740 (strategie VED-HE en drie verdachte deellocaties) uit te voeren (ook inpandig).
4.8.3 Conclusie
De verwachte bodemkwaliteit binnen de onderzoekslocatie vormt momenteel een belemmering voor het beoogde gebruik (woningbouw). Aan de hand van een actualiserend bodemonderzoek (bij voorkeur na
Hoofdstuk 4 45
beëindiging van de activiteiten ter plaatse) kan rekening houdend met de voorgenomen planontwikke- ling een nieuw saneringsplan opgesteld worden om de onderzoekslocatie geschikt te maken voor het toekomstig gebruik.
Bij bemalingen of grondwateronttrekkingen dient rekening gehouden te worden met de bestaande grondwaterverontreiniging. Hierbij zal een geschikte zuiverende voorziening toegepast dienen te wor- den. Dit dient voorafgaand met het bevoegd gezag afgestemd te worden. Indien er werkzaamheden plaatsvinden, waarbij grond vrijkomt van de locatie, kan de grond niet zonder meer worden afgevoerd of elders worden toegepast. Ten aanzien van hergebruik van deze grond elders is het Besluit Bodem- kwaliteit, de bodemkwaliteitskaart Regio Alkmaar en het Handelingskader PFAS van toepassing.
4.9 Water
4.9.1 Toetsingskader
De Watertoets geeft de inbreng van water een plaats in de procedures over ruimtelijke plannen en be- sluiten en vormt een verbindende schakel tussen het waterbeheer en de ruimtelijke ordening. Met de watertoets vindt vroegtijdig afstemming plaats tussen de waterbeheerder en de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan. Sinds 1 november 2003 is het wettelijk verplicht, in het kader van het Besluit Ruimte- lijke Ordening, een watertoets te verrichten.
De Watertoets heeft een integraal karakter: alle relevante waterhuishoudkundige aspecten worden meegenomen (naast veiligheid en wateroverlast/verdroging ook waterkwaliteit). In het Handboek wa- tertoets geeft het hoogheemraadschap aan hoe de advisering in het kader van ruimtelijke plannen of besluiten plaatsvindt en welke toetsingscriteria daarbij een rol spelen.
De rapportage is gebaseerd op de relevante vigerende wet- en beleidsregelgeving. De waterparagraaf hangt samen met de hieronder vermelde beleidsnota’s aangaande de waterhuishouding, met als doel een duurzaam waterbeheer. De beleidskaders, van Europees tot en met lokaal niveau (Kaderrichtlijn Water, Nationaal Waterplan, Nationaal Bestuursakkoord Water, Vierde Nota Waterhuishouding, Wa- terbeheer 21ste eeuw, Wet Ruimtelijke Ordening, Provinciaal Waterplan, Keur waterschap en ge- meentelijk Waterplan) waaraan wordt voldaan, staan hieronder deels samengevat.
Het provinciaal beleid is in de provinciale Watervisie 2016-2021 opgenomen. De Watervisie 2021 is een zelfbindend, strategisch beleidsdocument voor de waterschappen. De Watervisie beschrijft de ambitie en kaders voor het regionale waterbeheer in Noord-Holland richting 2021 en biedt een door- kijkje naar 2040. De visie dient bovenal werkbaar te zijn voor zowel de provincie als haar (water-) part- ners: de waterschappen, Rijkswaterstaat, gemeenten en andere relevante stakeholders.
De Watervisie 2021 wordt geschreven in de geest van de Omgevingswet, met duidelijke keuzes, korte en bondige formuleringen en draagvlak van de (water-)partners in onze omgeving. De provincie wil vanuit de wateropgaven een positieve bijdrage leveren aan het bewerkstelligen van een samenhan- gende benadering van de leefomgeving, onder meer voor ruimtelijke ordening, economie, natuur en milieu. Ten slotte vraagt de Omgevingswet om een bepaalde mate van flexibiliteit in werkwijze, en het in een vroeg stadium samenwerken met partijen die ruimtelijke plannen opstellen.
Hoofdstuk 4 46
Voor het beheer heeft het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier aanvullende regels. De Keur Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier 2016 bevat regels voor het beheer, het gebruik en het onderhoud van waterstaatswerken, zoals waterkeringen en watergangen. De regels hebben tot doel watersystemen in stand te houden en waterstaatswerken goed te laten functioneren. Daarvoor zijn in de keur verplichtingen en verbodsbepalingen opgenomen. Op grond van de keur zijn binnen de begrenzing van het waterstaatswerk en de beschermingszone bepaalde handelingen verboden. Voor werkzaamheden die plaats vinden binnen deze zones moet contact gezocht worden met het hoog- heemraadschap. Afhankelijk van de aard van de werkzaamheden of bestemmingswijzigingen moet waarschijnlijk een watervergunning worden aangevraagd.
Het beleid van de gemeente Alkmaar sluit hierop aan en is geborgd in het Beleidsplan Stedelijk water 2017-2026. Hierbij wordt op een zo efficiënt mogelijke wijze invulling gegeven aan de gemeentelijke zorgplicht voor afvalwater, hemelwater en grondwater. Het document geeft vooral de strategie voor de komende jaren weer. Uitwerking van de strategie vindt plaats in beheer- en uitvoeringsplannen. Voor zowel het hoogheemraadschap als gemeente Alkmaar staat klimaatbestendigheid en –adaptief bou- wen hoog in het vaandel. Het beleid van het hoogheemraadschap en gemeente Alkmaar is er daarom op gericht hemelwater in eerste instantie op eigen terrein vast te houden en te verwerken.
4.9.2 Onderzoek
Watertoets Als bijlage 5 is een waterparagraaf bijgevoegd. Daarin staan de volgende conclusies.
Door de voorgenomen sloop en nieuwbouw zal een 100% gescheiden stelsel aangelegd worden.
Door de voorgenomen planontwikkeling zal door een groenere planinvulling het verhard oppervlak af- nemen. Hierdoor is voor de voorgenomen planontwikkeling geen bijkomende watercompensatie ver- eist vanuit het geldend beleid.
Wel dient vanuit klimaatadaptief herontwikkelen gestreefd te worden naar een zoveel mogelijk herge- bruik en/of lokaal verwerken van hemelwater ingepast te worden. Gezien de kleiige bodem en hogere grondwaterstand is lokaal verwerken in de bodem geen mogelijkheid. Ter plaatse zal de terreininvul- ling met aangename groen- en schaduwplekken worden voorzien. Mogelijk kan op de toekomstige da- ken een groen- of blauw dak aangelegd worden. Hierdoor vertraagt de piekafvoer naar het omliggend aanwezige oppervlaktewater.
Door een bouwpeil boven het bestaand maaiveld van +0,4-+1 m NAP aan te houden, wordt voldaan aan de benodigde drooglegging. Eventuele kelderconstructies dienen waterdicht uitgevoerd te wor- den.
Door de ontwikkeling is een toename aan afvalwater te verwachten van ingeschat ca. 10-11 m³/h (300 woningen * 3 i.e. * 12 l/h/i.e.). Dit is een forse toename waarmee zover bekend nog geen rekening ge- houden is bij de bestaande gemaalcapaciteit. Of deze hoeveelheid door het bestaande vuilwaterstel- sel zuidelijk verwerkt kan worden, dient bij de gemeente (en HHNK als ontvanger) nagevraagd te wor- den. Indien noodzakelijk zijn aanpassingen zoals een vergroting van de aansluiting of een gedeelte- lijke aansluiting naar het noord- of oostelijk gelegen vuilwaterstelsel benodigd. Momenteel wordt het
Hoofdstuk 4 47
bestemmingsplan gewijzigd. Bij de verdere uitwerking van het bouwplan worden de hemel- en afval- waterstelsels verder uitgewerkt in overleg met de gemeente. In het huidige ontwerp vinden geen wijzigingen aan het oppervlaktewater gepland. Bij de ontwikkeling dient rekening gehouden te worden met een vrije strook van 5 meter voor het benodigde onderhoud. Om dit te borgen heeft deze strook de bestemming ‘Groen’ gekregen. Wel is over de watergang een brug gepland. Hiervoor wordt ten tijde, als hierover meer bekend is, een melding of vergunning aange- vraagd. Het omliggend terrein dient zo aangelegd te worden dat excessief water kan afstromen naar het omliggend aanwezige oppervlaktewater.
Verder dient bij de ontwikkeling rekening gehouden te worden met de zuidelijk aanwezige waterkering. Momenteel ligt in het ontwerp de gevellijn van de nieuwe bebouwing in de zuidwesthoek op dezelfde hoogte als de bestaande bebouwing en is geen kelder gepland in het theoretisch beoordelingsprofiel. Hier wordt voldaan aan de hier geldende dubbelbestemming ‘Waterstaat – Waterkering’.
De diepteligging van de nabijgelegen toekomstige panden in de zuidoosthoek zal beperkt zijn en der- halve kan voldaan worden aan de PvVR-eis dat de stabiliteit van de dijk niet in gevaar komt. Conform de dubbelbestemming dient hiervoor wel een procedure voor afwijking bestemmingsplan te worden gevolgd (zie artikel 6). Ook is een watervergunning noodzakelijk.
4.9.3 Conclusie
Door de aanleg van een gescheiden stelsel, de verhardingsafname, het voornemen om groen te reali- seren en door rekening te houden met de overige genoemde aandachtspunten wordt hydrologisch ge- zien positief ontwikkeld en is geen verhoogd risico op wateroverlast te verwachten door de voorgeno- men planontwikkeling.
4.10 Archeologie
4.10.1 Toetsingskader
De bescherming van archeologisch erfgoed in Nederland is vastgelegd in de Erfgoedwet, die op 1 juli 2016 in werking is getreden. De Erfgoedwet is in de plaats gekomen van zes wetten en regelingen op het gebied van cultureel erfgoed, waaronder de Monumentenwet 1988. Onderdelen van de Monumen- tenwet die van toepassing waren op de fysieke leefomgeving gaan naar de Omgevingswet die in 2019 van kracht wordt. Voor deze onderdelen is daartoe in de Erfgoedwet voor de periode 2016-2019 een overgangsregeling opgenomen.
De basis van de bescherming van archeologisch erfgoed in de Erfgoedwet is het verdrag van Valletta (ook wel het verdrag van Malta). De bescherming heeft als doel om archeologisch erfgoed zoveel mo- gelijk in situ, dus in de grond, te behouden. Dankzij het principe van “de verstoorder betaalt” uit het verdrag van Valletta worden meer archeologische resten in situ behouden.
Indien ruimtelijke ontwikkelingen plaatsvinden dient te worden beoordeeld of archeologische waarden in het geding raken.
Hoofdstuk 4 48
4.10.2 Onderzoek
Het plangebied ligt volgens de online Archeologische Beleidskaart van de gemeente Alkmaar in een zone E: lage archeologische verwachting. De Schermerweg (ligt buiten het plangebied) staat aange- geven als zone C: middelhoge archeologische verwachting. Voor de zone C geldt een onderzoeks- plicht bij bodemingrepen met een oppervlakte groter dan 500 m2 en een verstoringsdiepte vanaf 40 cm -mv. Voor de zone E geldt een onderzoeksplicht bij bodemingrepen met een oppervlakte groter dan 10.000 m2 en een verstoringsdiepte vanaf 40 cm -mv.
Volgens de gemeentelijke digitale archeologische verwachtingskaart is er inmiddels voldoende infor- matie aanwezig over het plangebied. Zo is op gegeorefereerde kaarten uit de 17de tot 19de eeuw te zien dat er in het plangebied geen bewoning is geweest. Er zijn ook geen geregistreerde archeolo- gische (losse) vondsten. Er is dan ook een dermate lage verwachting als het gaat archeologische waarden, dat archeologisch onderzoek achterwege kan blijven.
Onderhavig plangebied ligt buiten de Schermerweg. De Schermerweg is een nog bestaand deel van de Westfriese Omringdijk met een laatmiddeleeuwse oorsprong. Mochten er werkzaamheden plaats- vinden in het wegtracé dan kunnen daar nog wel archeologische verplichtingen aanwezig zijn, afhan- kelijk van eventueel geplande bodemingrepen. Ook blijft de wettelijke meldingsplicht van kracht bij het doen van toevalvondsten.
4.10.3 Conclusie
Het aspect vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
4.11 Cultuurhistorie
4.11.1 Toetsingskader
Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6, tweede lid, onderdeel a Bro) dient in het plan rekening gehouden te worden met cultuurhistorie. Cultuurhistorie heeft onder andere betrekking op de historische stedenbouwkundige en historisch geografische waarden in het gebied. In het plan moet beschreven worden hoe met de in het gebied aanwezige waarden en de aanwezige of te ver- wachten monumenten wordt omgegaan.
De Erfgoedwet bevat de wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en ar- cheologie in Nederland. Het is op basis hiervan verplicht om de facetten historische (steden)bouw- kunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel be- schermde als niet formeel beschermde objecten en structuren.
4.11.2 Onderzoek
Onderhavig plangebied grenst direct aan de Schermerweg. Deze weg is een nog bestaand deel van de Westfriese Omringdijk met een laatmiddeleeuwse oorsprong. De Westfriese Omringdijk is cultuur- historisch van betekenis omdat hij West-Friesland door de eeuwen heen beschermd heeft tegen het water van de zee en de omringende meren. Het tracé van de dijk is historisch bepaald. Men kan daarin sporen waarnemen van de strijd tegen het water in de loop der tijden. In de eerste plaats is dat
Hoofdstuk 4 49
het bochtige tracé zelf. Bochten in een dijk duiden meestal op inbraken. Vervolgens geven de wielen een indruk van regelmatig terugkerende doorbraken en zijn de kleiputten de resultaten van voortdu- rende onderhoud en herstel van de dijk. Tenslotte vormen de buitendijkse landen een essentieel on- derdeel van de oudste vorm van een dijkverdedigingssysteem, waarbij men vóór de dijk voorland liet liggen om de slag van het water te breken.
Historisch-morfologisch is de dijk van betekenis omdat hij in de loop der tijd hersteld, opgehoogd en afgegraven is en successievelijk voorzien. Belangrijk hierbij is de samenstelling van het dijklichaam en de vorm van het profiel daarvan, zoals minimum breedte, taludhelling etc. De dijk vormt een beeldbe- palend element in het Noord-Hollandse polderlandschap door de continuïteit en de hoogte van de dijk en de openheid van het landschap.
Tenslotte heeft de dijk nog historisch-ruimtelijke betekenis als scheiding tussen oud land, waardoor hij een essentieel deel uitmaakt van het omringende dijklandschap. Dit cultuurlandschap heeft in de loop der tijd in hoge mate invloed uitgeoefend op de huidige uiterlijke verschijningsvorm van verschillende dijkvlakken.