CConstaterende datAlkmaar
Koppel je AI →
Document · PDF

2 Toelichting bestemmingsplan Oostgrafdtijk 92a 2023 10 18 (geanonimiseerd)

Gemeenteraad 18 december 2023, gemeente AlkmaarBij agendapunt: Raadsvoorstel Bestemmingsplan Oostgraftdijk 92a16.422 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

33

beperkte mate draagt het ook bij aan het recreatief aanbod, zoals aangegeven komen wandelaars regelmatig langs om de paarden te aanschouwen. Het plan past daarmee binnen de omgevingsvisie.

3. 4. 2 Beeldkwaliteitsplan Graft - De Rijp 17 maart 2008

Op 17 maart 2008 heeft de gemeenteraad het Beeldkwaliteitsplan voor Graft- De Rijp vastgesteld. In dit plan is vastgelegd hoe de gemeente de ruimtelijke kwaliteit bewaakt en richting geeft. De gemeente Graft - De Rijp is een gemeente met een zeer open landschap met daarin duidelijke herkenbare landschappelijk eenheden. Daarnaast wordt Graft-De Rijp gekenmerkt door een grote hoeveelheid historische bebouwing in de dorpen. Deze historische (dijk-/lint) bebouwing kent een grote dichtheid, een hoge diversiteit en is uitgevoerd in een duidelijk herkenbare regio specifieke architectuur. Dit wil de ge- meente behouden. Het motto daarbij is 'behoud door ontwikkeling'. Het perceel behoort in het plan tot het Veenweidegebied en de oude Dorpskernen. De richtlijnen voor de groenstructuur in de oude dorpskernen zijn: In de overgang van de bebouwing naar het landschap dient water toegepast te wor- den als begrenzing van het perceel. Daarbij kan aanvullend open opgaande beplan- ting (d. w. z. geen hoge struikbeplanting, e. d. toepassen) en lage beplanting zoals ha- gen toegepast worden.

Bovenstaande is uitgangspunt voor het landschappelijk inpassen van de diverse voor- zieningen op het perceel, zie hoofdstuk 2.

34

4 Milieu- en omgevingsaspecten

4. 1 Milieu-aspecten

4. 1. 1 Besluit milieueffectrapportage (m. e. r. )

Algemeen In het Besluit milieueffectrapportage is bepaald dat een milieueffectbeoordeling ook uitgevoerd moet worden als een project, dat wordt genoemd in de bijlage onder D van het Besluit m. e. r. nadelige gevolgen heeft voor het milieu. ,

Beoordeling Het plan voorziet in het bestendigen van een bestaand agrarisch bedrijf. Het gaat niet om activiteiten die zijn genoemd in de D-lijst (categorie D 11. 2 Stedelijk vernieuwings- project) Hiermee wordt immers bedoeld grootschalige integrale gebieds (her) ontwik- .

keling 11 Uit verschillende uitspraken van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de .

Raad van State (ECLI: NL: RBOBR: 2017: 3537, 29 juni 2017) en (ECLI: NL: RVS: 2018: 2414, 18 juli 2018) blijkt dat het antwoord op de vraag of er sprake is van een (wijziging van een) stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit milieueffectrapportage afhangt van de concrete omstandigheden van het ge- val, waarbij onder meer aspecten als aard en omvang van de voorziene wijzigingen van de stedelijke ontwikkeling een rol spelen. Daarbij mogen de bestaande planolo- gische mogelijkheden worden meegewogen bij de vraag of er sprake is van een ste- delijke ontwikkeling. Ook het opvullen van een open gebied in een stedelijke omge- ving en het uitbreiden van bebouwing zijn, op basis van een uitspraak 12 juni 2019 (ECLI: NL: RVS: 2019: 1879, 12 juni 2019) en een tussenuitspraak van de AbRvS (ECLI: NL: RVS: 2019: 1668, 22 mei 2019) niet zonder meer te beschouwen als een ste- delijke ontwikkeling zoals bedoeld in het Besluit m. e. r.

In dit plan neemt het verhard oppervlak nauwelijks toe ten opzichte van de bestaande situatie en mede gezien de geringe planomvang is geen sprake van een stedelijke ontwikkelingsproject) en daarom is geen vormvrije m. e. r beoordeling nood- zakelijk.

M. e. r. -plicht op grond van de Wet natuurbescherming Een M. e. r plicht kan ook ontstaan vanwege de Wet natuurbescherming. Natuurgebie- den of andere gebieden die belangrijk zijn voor flora en fauna kunnen aangewezen worden als Europese Vogelrichtlijn en/of Habitatrichtlijngebieden (Natura 2000) De.

verplichtingen uit de Vogel- en Habitatrichtlijngebieden zijn in Nederland opgenomen in de Wet natuurbescherming. Met het opstellen van een plan mag het plan de in- standhoudingsdoelstelling, de kwaliteit van de natuurlijke habitattypen en de habitats van soorten niet verslechteren en het plan mag geen verstorend effect hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen. Nu het plangebied niet is gelegen bin- nen beschermd natuurgebied en er ook geen effecten zijn op de instandhoudingsdoel- stellingen van enig Natura 2000-gebied (zie meer in detail paragraaf 4. 3. 1) ontstaat er ,

ook geen M. e. r plicht als gevolg van de Wet natuurbescherming.

11 ECLI: NL: RVS: 2022: 2394

35

Conclusie Het aspect Besluit m. e. r. vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.

4. 1. 2 Milieuzonering

Bij milieuzonering gaat het om de belangenafweging tussen bedrijvigheid enerzijds en gevoelige functies met betrekking tot de hinderaspecten geluid, geur, gevaar en stof. Deze milieuzonering vindt plaats aan de hand van een Staat van Bedrijfsactiviteiten (SvB) Dit is een lijst waarin de meest voorkomende bedrijven en bedrijfsactiviteiten .

zijn gekoppeld aan een mate van milieubelasting. De SvB is opgesteld met behulp van de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (2009) Er dient hierbij nadrukkelijk on- .

derscheid gemaakt te worden in de bestaande situatie en de nieuwe situatie.

Bij het realiseren van een nieuwe functie (woningbouw) dient vanuit een goede ruimte- lijke ordening gekeken te worden naar de omgeving waarin de nieuwe functies worden gerealiseerd. Hierbij spelen twee vragen: 1. past de nieuwe functie in de omgeving? 2. laat de omgeving de nieuwe functie toe?

Door bij nieuwe ontwikkelingen voldoende afstand in acht te nemen tussen milieube- lastende activiteiten (bedrijven) en gevoelige functies (woningen) worden hinder en gevaar voorkomen (anders gezegd, er kan een acceptabel woon- en leefklimaat voor de woningen worden gegarandeerd) en wordt het bedrijven mogelijk binnen aanvaard- bare voorwaarden te vestigen/ de bedrijfsvoering uit te oefenen. Dit heet milieuzone- ring.

Richtafstandenlijsten De twee belangrijkste bouwstenen voor milieuzonering zijn de twee richtafstandenlijs- ten in bijlage 1 van de VNG-brochure. Voor een scala aan milieubelastende activitei- ten (lijst 1) en opslagen en installaties (lijst 2) zijn richtafstanden aangegeven ten op- zichte van een rustige woonwijk. In de lijsten wordt onderscheid gemaakt naar richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van deze vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een activi- teit in een milieucategorie. Daarbij omvat categorie 1 de lichtste en categorie 6 de zwaarste vormen van bedrijvigheid. De richtafstanden gaan uit van gemiddeld mo- derne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet worden beoogd of aan- wezig zijn, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting (in plaats van de richtafstanden) .

Twee omgevingstypen: rustige woonwijk en gemengd gebied De richtafstanden in bijlage 1 van de VNG-brochure zijn afgestemd op de omgevings- kwaliteit zoals die wordt nagestreefd in een rustige woonwijk of een vergelijkbaar om- gevingstype (zoals een rustig buitengebied, een stiltegebied of een natuurgebied) .

Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functie- scheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere func- ties (zoals bedrijven of kantoren) voor.

36

Indien de aard van de omgeving dit rechtvaardigt, kunnen gemotiveerd kleinere richt- afstanden worden aangehouden bij het omgevingstype gemengd gebied, dat gezien de aanwezige functiemenging of ligging nabij drukke wegen al een hogere milieube- lasting kent. Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functie- menging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, dienstver- lening, horeca en/of kleine bedrijven. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid is als ge- mengd gebied te typeren. De richtafstanden uit bijlage 1 van de VNG-brochure gel- den ten opzichte van een rustige woonwijk. De afstanden kunnen, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat, met één afstandsstap worden verlaagd in- dien sprake is van omgevingstype gemengd gebied.

Milieucategorie Richtafstand woonom- Richtafstand gemengd geving in meters gebied in meters 1 10 0 2 30 10 3. 1 50 30 3. 2 100 50 4. 1 200 100

In beginsel dient te worden uitgegaan van de maximale mogelijkheden van het bestemmingsplan, er dient tussen enerzijds de grens van de bestemming die bedrij- ven (of andere milieubelastende functies) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een woning die volgens het bestemmingsplan of via vergunningvrij bouwen mogelijk is 12 Blijkens meerdere jurisprudentie mag echter ook uitgegaan wor- .

den van de representatieve mogelijkheden van het bestemmingsplan 13 De maximale .

mogelijkheden worden dan bepaald door de huidige, feitelijke situatie.

Zo kan van het bestaand gebruik blijkens een uitspraak van de Raad van State wor- den uitgegaan als verandering van het bestaand agrarisch gebruik binnen de planperi- ode zodanig onwaarschijnlijk dat de raad in redelijkheid geen rekening heeft hoeven houden met een vorm van agrarisch gebruik waarbij spuitzones dienen te worden aangehouden 14 In deze uitspraak van de Raad van State is er sprake van een melk- .

veehouderij, ten behoeve waarvan recent nog een nieuwe ligboxenstal is gebouwd, en geen concreet voornemen kenbaar is gemaakt om de veehouderij te staken of de be- drijfsvoering ervan ingrijpend te wijzigen. Dit oordeel is in lijn met de uitspraak ABRS 20 december 2017, ECLI: NL: RVS: 2017: 3524, r. o. 36. 2.

Daarmee wordt dus het huidig gebruik bepalend en hoeft niet gekeken te worden naar de maximale mogelijkheden die het bestemmingsplan biedt. Er wordt uitgegaan van een representatieve invulling van de maximale planologische mogelijkheden. Ook wordt in dit verband gewezen op een uitspraak van 4 april 2012, ABRS 4 april 2012,

12 ECLI: NL: RVS: 2014: 1173 13 ABRS 26 september 2012, nr. 201206937/1/R1 en 20120693/2/R1, r. o. 4. 2. en Vz. ABRS 5 november 2010, nr. 201007744/2/R1, r. o. 2. 7. 5 14 ECLI: NL: RVS: 2018: 3131

37

nr. 201004316/1/R1 welke betrekking op een nieuw te realiseren bedrijventerrein. De Afdeling overweegt dat in het akoestisch onderzoek en het luchtkwaliteitonderzoek uit is gegaan van een invulling van het bedrijventerrein met bedrijven in milieucategorie 3. 1 en 3. 2. Zij is van oordeel dat niet tevens rekening hoefde te worden gehouden met bedrijven in milieucategorie 4. 1. Weliswaar kunnen volgens de Afdeling met ontheffing categorie 4. 1-bedrijven op Distriport worden gerealiseerd, maar kunnen tevens bedrij- ven in een lagere milieucategorie dan 3. 1 worden gevestigd. Gelet daarop is de Afde- ling van oordeel dat in het akoestisch onderzoek en het luchtkwaliteitonderzoek een representatieve invulling van de maximale planologische mogelijkheden als uitgangs- punt is genomen.

Beoordeling en conclusie Dit plan voorziet in de bestendiging van een bestaand agrarisch bedrijf, niet om de vestiging er van. Voornoemde VNG publicatie gaat evenwel over nieuwe situaties. De bestaande stal kan zodoende buiten beschouwing blijven. Wel komen er een stal, paardenbak en paardenstal bij. Wanneer gekeken wordt naar de afstanden, dan kan voor paardenstallen, paardenbakken en paddocks uitgegaan worden van een afstand van 30 meter aan te houden tot woningen. Aan deze afstand wordt voldaan (alleen de bestaande stal staat binnen 30 meter van woningen doch zoals aangegeven deze kan buiten beschouwing blijven. Zodoende vormt het onderwerp bedrijven en milieuzone- ring geen belemmering.

4. 1. 3 Externe veiligheid

Algemeen Externe veiligheid richt zich op het beheersen van risico’s bij onder meer de productie, opslag, transport en gebruik van gevaarlijke stoffen. Dergelijke activiteiten leggen be- perkingen op aan de omgeving. Door maatregelen kunnen de afstanden worden ver- kleind. Er wordt onderscheid gemaakt tussen plaatsgebonden risico en groepsrisico. Het groepsrisico heeft een oriënterende waarde, voor het plaatsgebonden risico geldt een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwets- bare objecten. De grenswaarde mag niet worden overschreden. Voor de oriënterende waarde en richtwaarde geldt dat afwijken alleen met een degelijke motivering is toege- staan. Het aspect externe veiligheid betreft het risico op een ongeval waarbij een ge- vaarlijke stof aanwezig is. Deze gevaarlijke stoffen kennen twee verschillende bron- nen. Dit zijn de stationaire bronnen, zoals een chemische fabriek of een lpg- tankstation en de mobiele bronnen, zoals een tankwagen.

Wet- en regelgeving Voor inrichtingen (bedrijven) is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en de Regeling externe veiligheid (Revi) van toepassing. Het Besluit externe veiligheid buis- leidingen (Bevb) en de Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) is van toepas- sing op onder meer hoofdtransportleidingen voor aardgas. Voor het transport van ge- vaarlijke stoffen over de weg, het spoor en het binnenwater is een risiconormering vastgesteld in het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt).

Op 1 april 2015 is het Basisnet volledig in werking getreden. Het basisnet bestaat uit een aangewezen aantal routes (wegen, spoorwegen en vaarwegen) waarop het mo- gelijk moet zijn en blijven om gevaarlijke stoffen te vervoeren.

38

De Wet Basisnet en het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) stellen dat bij ruimtelijke besluiten waarbij de vestiging van kwetsbare objecten wordt toegelaten in de nabijheid van een weg, waarover het vervoer van gevaarlijke stoffen is toegestaan, de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico (PR) en de oriëntatiewaarde van het groepsrisico (GR) moet worden beschouwd. Nieuw in het Bevt ten opzichte van de huidige situatie is het begrip Plasbrandaandachtsgebied (PAG) Dit begrip heeft be- .

trekking op de kans dat een tankwagen met brandbare vloeistof als gevolg van een calamiteit lek raakt, waardoor brandbare vloeistof vrij komt en vlam vat.

De regelgeving voor externe veiligheid kent twee grootheden waaraan getoetst wordt bij het nemen van een besluit: het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR) .

Het PR is een maat voor de veiligheid van het individu op een bepaalde locatie. Het PR heeft een wettelijk vastgelegde grenswaarde van maximaal 10 -6 per jaar voor nieuwe situaties. Dit betekent dat de kans op overlijden van een persoon als gevolg van handelingen met gevaarlijke stoffen maximaal 1 op een miljoen per jaar mag zijn. Op locaties waar het risico hoger is, mogen geen nieuwe kwetsbare objecten worden gesitueerd en in beginsel ook geen nieuwe beperkt kwetsbare objecten. Op basis van art 5, 1 e lid van het Bevi dient het bevoegd gezag bij het vaststellen van een bestem- mingsplan (lees: afwijkingsbesluit ex art. 2. 12, lid 1 onder a sub 2 Wabo waar in dit geval sprake van is) de grenswaarde (voor het PR) in acht te nemen. Daarbij is dus niet relevant of het kwetsbare object reeds aanwezig is; op het moment van het vast- stellen van het bestemmingsplan dient aangetoond te zijn dat de aanwezige kwets- bare objecten in het plangebied voldoen aan de grenswaarde.

Het GR heeft ten opzichte van het PR een extra dimensie; het wordt namelijk beïn- vloed door het aantal personen dat zich binnen de invloedssfeer van mogelijke onge- vallen bevindt. Het groepsrisico zet de kans op een ongeval uit tegen het aantal mo- gelijke slachtoffers. Hoe groter de groep slachtoffers kan zijn, hoe lager de kans op een dergelijk ongeval mag zijn.

Het GR kent een richtwaarde, de zogenaamde oriëntatiewaarde. Deze oriëntatie- waarde, vaak aangeduid met " 1”, geeft weer wat de algehele politiek-maatschappe- lijke opvatting is over de aanvaardbaarheid van een kans op een ramp met een groep slachtoffers. De oriëntatiewaarde biedt een handvat om tot consensus te komen over de mate van vertrouwen dat de toekomst gevrijwaard blijft van een ramp. Door het groepsrisico te vergelijken met de oriëntatiewaarde legt het bevoegd gezag verant- woording af of de kans acceptabel is.

Het GR wordt berekend binnen het invloedsgebied dat ligt tussen de risicobron en lijn waar 1% letaliteit optreedt. Als oriëntatiewaarde geldt de in het externe veiligheidsbe- leid gehanteerde “norm” voor het GR, namelijk: 1 10 -5 voor een ongeval met meer dan 10 dodelijke slachtoffers; 2 10 -7 voor een ongeval met meer dan 100 dodelijke slachtoffers; 3 10 -9 voor een ongeval met meer dan 1. 000 dodelijke slachtoffers; 4 enzovoort (een lijn door deze punten bepaalt de norm) .

Een verantwoording van het GR kan achterwege blijven indien:

39

b het groepsrisico, gelet op de dichtheid van personen, bedoeld in het eerste lid, on- derdeel a, onder 1° en 2°, niet hoger is dan 0, 1 maal de oriëntatiewaarde, of c 1°. het groepsrisico, gelet op de redelijkerwijs te verwachten verandering van de dichtheid van personen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, onder 2°, met niet meer dan tien procent toeneemt, en 2°. de oriëntatiewaarde, gelet op de dichtheid van personen, bedoeld in het eer- ste lid, onderdeel a, onder 1° en 2°, niet wordt overschreden.

Beoordeling en conclusie Om te bepalen of er sprake is van veiligheidsrisico’s wordt per potentieel gevaar ople- verende activiteit (Inrichtingen, buisleidingen, vervoer over de weg) gekeken naar de aanwezigheid daarvan in de buurt van het plangebied en daarna naar het eventuele plaatsgebonden- en groepsrisico.

Inrichtingen en buisleidingen Aan de hand van de Risicokaart (www. risicokaart. nl) kan worden gesteld dat het plan- ,

gebied - en de omgeving daarvan – niet valt binnen een Plaatsgebonden Risico con- tour (PR) of binnen het invloedsgebied van een inrichting, buisleiding of transport- route. Dit houdt tevens in dat het Groepsrisico (GR) van die activiteiten niet nader hoeft te worden beschouwd. Beredeneerd kan worden dat over de provinciale weg de N244 enig vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt, maatgevend is GF3. De af- stand tot deze bedraagt meer dan 750 m, voldoende om te concluderen dat het om een verwaarloosbaar (rest) risico gaat. Het onderwerp externe veiligheid levert daarom geen belemmeringen op.

Uitsnede Atlas Leefomgeving

4. 1. 4 Bodem

Algemeen Bij functiewijzigingen die leiden tot een verandering van de bestaande bestemming moet worden aangetoond dat de kwaliteit van de bodem de realisatie van de

40

gewenste functie toestaat. Daarnaast geldt dat de bodemkwaliteit invloed kan hebben op de financiële haalbaarheid als blijkt dat de bodem gesaneerd moet worden.

Besluit bodemkwaliteit (Bbk) Het Besluit bodemkwaliteit geeft de lokale bevoegde gezagen de mogelijkheid om de bodemkwaliteit binnen hun gebied actief te gaan beheren binnen de gegeven kaders. Dit geeft onder andere ruimte voor nieuwe projecten op het gebied van natuur, wonen en industrie. Daarnaast worden de kwaliteit en de integriteit van belangrijke intermedi- airs bij bodemactiviteiten beter geborgd. In het Besluit staan ook regels met betrekking tot het toepassen van bouwstoffen, grond en baggerspecie.

De bodemkwaliteit is in het kader van een plan van belang indien er sprake is van functieveranderingen of een ander gebruik. De bodem moet geschikt zijn voor de nieuwe functie. Grond wordt in Nederland als volgt ingedeeld.

Beoordeling en conclusie Het plan gaat over het bestendigen van een reeds aanwezig agrarisch bedrijf. Er wordt geen bedrijfswoning of andere functie mogelijk gemaakt waar mensen langdurig kunnen verblijven. Onder deze omstandigheden is geen bodemonderzoek vereist.

4. 1. 5 Geluid

Inleiding De mate waarin het geluid veroorzaakt door het (spoor) wegverkeer het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh) Voor wegverkeer stelt de wet .

dat in principe de geluidsbelasting op geluidsgevoelige functies de voorkeurgrens- waarde van 48 dB niet mag overschrijden. Indien nieuwe geluidsgevoelige functies worden toegestaan, stelt de Wet geluidhinder de verplichting akoestisch onderzoek te verrichten naar de geluidsbelasting ten gevolge van alle (spoor) wegen op een be- paalde afstand van de geluidsgevoelige functie (s) .

Algemeen Langs wegen en spoorwegen liggen zones. Binnen deze zones moet voor de realisa- tie van geluidgevoelige bestemmingen akoestisch onderzoek worden uitgevoerd.

Spoorverkeer is ter plaatse niet relevant.

41

De breedte van de zone bij wegverkeer is afhankelijk van het aantal rijstroken en de ligging van de weg: stedelijk of buitenstedelijk. De zone ligt aan weerszijden van de weg en is gemeten vanuit de rand van de weg. De zones, zoals beschreven in artikel 74 van de Wgh, zijn weergegeven in de onderstaande tabel.

Aantal rijstroken Zones langs wegen Stedelijk gebied Buitenstedelijk gebied 1 of 2 rijstroken 200 meter 250 meter 3 of 4 rijstroken 350 meter 400 meter 5 of meer rijstroken 350 meter 600 meter Tabel 4-1. Overzicht van de zones langs wegen

Artikel 74 lid 2 van de Wgh maakt een uitzondering voor wegen met een 30 km-re- gime en woonerven. Deze wegen hebben geen zone en zijn daarmee niet onder- zoeksplichtig 15 .

Beoordeling en conclusie Het plan bevindt zich binnen het onderzoeksgebied van de Oostgraftdijk. Echter, er wordt geen geluidgevoelige als bedoeld in de Wgh toegevoegd. Zodoende kan akoes- tisch onderzoek achterwege blijven. Daarnaast is het geluidniveau ter plaatse accep- tabel, omdat de verkeerintensiteit op de Oostgraftdijk relatief laag is. Dit beeld wordt bevestigd door de Atlas voor de Leefomgeving, de geluidwaarde bedraagt hier 53 dB.

Uitsnede Atlas Leefomgeving

15 Conform artikel 74 lid 2 van de Wgh is voor 30 km/uur-wegen geen onderzoeksplicht. Op 3 september 2003 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State uitgespro- ken (nr. 200203751/1: Abcoude) dat nog niet geconcludeerd kan worden dat het plan aan- vaardbaar is vanuit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening (goed woon- en leefkli- maat, zoals opgenomen in het Bouwbesluit) Daarom wordt bij 30 km/uur-zones onderzocht .

of wordt voldaan aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB of de hoogst toelaatbare geluid- belasting op de gevel.

42

4. 1. 6 Luchtkwaliteit

Wettelijk kader Het aspect luchtkwaliteit is verankerd in de Wet Milieubeheer hoofdstuk 5, titel 5. 2 en is een implementatie van diverse Europese richtlijnen betreffende luchtkwaliteit waarin onder andere grenswaarden voor vervuilende stoffen in de buitenlucht zijn vastgesteld ter bescherming van mens en milieu. In Nederland zijn stikstofdioxide (NO2) en zwe- vende deeltjes als PM10 (fijn stof) de maatgevende stoffen waar de concentratieni- veaus het dichtst bij de grenswaarden liggen. Overschrijdingen van de grenswaarden komen, uitzonderlijke situaties daargelaten, bij andere stoffen niet voor.

De jaargemiddelde grenswaarden voor NO2 en PM10 is 40 µg/m 3 ; voor PM2, 5 is dat 25 µg/m 3 Het uitgangspunt is dat de grenswaarden voor luchtkwaliteit worden gehaald. .

In artikel 5. 16 lid 1 van de Wm staat opgesomd wanneer een (luchtvervuilend) project toelaatbaar is. Dan moet aannemelijk worden gemaakt, dat het project aan één of een combinatie van de volgende vier voorwaarden voldoet: 1. er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grens- waarde; 2. een project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; 3. een project draagt slechts in ‘niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging een project is opgenomen in; 4. past binnen het NSL of een regionaal programma van maatregelen. Hoewel de luchtkwaliteit de afgelopen jaren flink is verbeterd kan Nederland niet vol- doen aan de luchtkwaliteitseisen die in 2010 van kracht zijn geworden. De EU heeft Nederland derogatie (uitstel) verleend op grond van het Nationaal Samenwerkingspro- gramma Luchtkwaliteit (NSL) Dit betreft een gemeenschappelijke aanpak van het Rijk .

en diverse regio’s om samen te werken aan een schonere lucht waarbij ruimte wordt geboden aan noodzakelijke ruimtelijke ontwikkelingen. Plannen die in betekenende mate bijdragen aan luchtverontreiniging worden opgenomen in het NSL in de provin- cies c. q. regio’s waar overschrijdingen plaatsvinden. Het maatregelenpakket in het NSL is hiermee in evenwicht en zodanig dat op termijn de luchtkwaliteit in heel Neder- land onder de grenswaarden ligt. Plannen die ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bij- dragen aan luchtverontreiniging hoeven niet langer individueel getoetst te worden aan de Europese grenswaarden omdat deze niet leiden tot een significante verslechtering van de luchtkwaliteit. Deze grens is in de AMvB NIBM gelegd bij 3% van de grens- waarde van een stof: Voor NO2 en PM10 betekent dit dat aannemelijk moeten worden gemaakt dat het plan tot maximaal 1, 2 ųg/m³ verslechtering leidt. Voor een aantal functies (o. a. woningen, kantoren, tuin- en akkerbouw) is dit gekwantificeerd in de mi- nisteriële regeling NIBM. Bij woningen ligt de grens op 1. 500 bij één ontsluitingsweg.

Beoordeling en conclusie Het onderhavige project gaat over de bouw van een stal, het positief bestemmen van een bestaande stal en de aanleg van een paardenbak en paddock. Het gaat om een bestaand agrarisch bedrijf, waarbij het aantal verkeersbewegingen niet toeneemt, sterker nog, deze nemen af (zie waarom in hoofdstuk 2) Daarmee valt het binnen de .

NIBM gevallen. Daarnaast blijkt uit de Atlas voor de Leefomgeving dat de luchtkwali- teit ter plaatse goed is (zie vorige paragraaf) ; er worden geen grenswaarden over- schreden (PM10, PM2, 5 of NO2) .

43

Conclusie Het aspect “luchtkwaliteit” vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.

4. 2 Omgevingsaspecten

4. 2. 1 Water

Beleid In het kader van het verkrijgen van een duurzaam watersysteem hebben Rijk, provin- cies, gemeenten en waterschappen in 2001 de Startovereenkomst waterbeleid 21 e eeuw (WB’21) ondertekend. Onderdeel van het nieuwe waterbeleid is de “watertoets” de check van ruimtelijke plannen aan de gevolgen voor het watersysteem. De uitkom- sten uit deze watertoets zijn in deze paragraaf opgenomen.

Europees beleid Europese Kaderrichtlijn De Europese Kaderrichtlijn is gericht op het bereiken van een goede ecologische wa- terkwaliteit in alle Europese wateren. In 2009 zijn de eerste (inter) nationale stroomge- biedbeheersplannen vaststellen waarin zij aangeven welke maatregelen zij gaan ne- men om de doelstelling te halen. De provincie Noord-Holland maakt volledig deel uit van het deelstroomgebied Rijndelta en het daarbinnen begrensde deelstroomgebieds- district Rijn-West. Binnen Rijn-West is het Stroomgebied beheerplan Rijn 2016-2021 vastgesteld.

Nationaal Water Programma 2022–2027 Nederland heeft te maken met grote wateropgaven die bovendien in de toekomst steeds groter en complexer worden. Dit komt door een aantal samenhangende uitda- gingen: klimaatverandering, bodemdaling, milieuverontreiniging, biodiversiteitsverlies en ruimtedruk. In de uitvoering ligt bovendien een grote opgave om verouderde infra- structuur zoals bruggen en sluizen in stand te houden en waar nodig te vervangen of te renoveren. De wateropgaven waar Nederland op dit moment voor staat, de uitdagingen richting de toekomst en de noodzaak van een integrale aanpak vormen de basis voor 3 hoofd- ambities van dit NWP: • Een veilige en klimaatbestendige delta. • Een concurrerende, duurzame en circulaire delta.

44

• Een schone en gezonde delta met hoogwaardige natuur

Voor een integrale aanpak is het belangrijk om bij alle afwegingen in de leefomgeving de waterdoelen uit dit NWP op het gebied van klimaatadaptatie, waterveiligheid, zoet- watervoorziening, waterkwaliteit, ecologie, landschap, cultureel erfgoed en scheep- vaart mee te wegen. In waterland Nederland moeten ‘aansluiten op de (historische) karakteristieken van het watersysteem’ en ‘meebewegen met water’ leidende princi- pes voor de ontwikkeling van onze leefomgeving blijven.

Waterwet Voornoemd beleid is voor zover nodig juridisch verankerd in de Waterwet. De Water- wet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater. Ook verbetert de Water- wet de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) stelt een watertoets verplicht voor ruimtelijke plannen waarin waterbe- langen spelen. De watertoets bewaakt waterkwaliteit en waterkwantiteit. Een water- toets is het hele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en beoordelen. Waterhuishoudkundige aspecten zijn onder meer veiligheid, wateroverlast, waterkwali- teit, verzilting en verdroging. De watertoets heeft betrekking op alle wateren: rijkswate- ren, regionale wateren, gemeentelijke en particuliere wateren en grondwater.

Provinciaal beleid In het provinciaal Waterplan Noord-Holland is het Europese en nationale beleid ver- taald naar wat er binnen de provincie moet gebeuren om het water zo goed mogelijk te blijven. Het Provinciaal Waterplan staat niet op zichzelf. Water heeft met heel veel zaken te maken, variërend van landbouw tot recreatie en van stadsuitbreidingen tot gezond drinkwater. Daarom is het Provinciaal Waterplan afgestemd met het beleid op het gebied van natuur, recreatie, landschap, cultuurhistorie, milieu, landbouw, ruimte- lijke ordening en verkeer en vervoer. In het Provinciaal Waterplan is het waterbeleid beschreven aan de hand van de thema’s veiligheid, wateroverlast en watertekort, wa- terkwaliteit en grond- en drinkwater. Het Provinciaal Waterplan fungeert hierbij als het kader voor de uitvoering: het is de basis voor allerlei te nemen maatregelen door de Provincie, waterschappen en gemeenten gedurende de looptijd van het plan. Het is dus geen uitvoeringsprogramma. Er zal een apart uitvoeringsprogramma worden

45

opgesteld dat jaarlijks wordt aangepast.

Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier, Waterplan 2022-2027 Dit Waterplan geeft de koers van het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier op hoofdlijnen voor het waterbeheer in Hollands Noorderkwartier. Het maakt onder- scheid in doelstellingen op het gebied van effecten, thema’s en gebieden.

De doelstellingen ten aanzien van de effecten zijn als volgt gevisualiseerd:

46

Ten aanzien van de thema’s zijn de volgende te onderscheiden:

Keur en algemene regels In 2016 heeft het Hoogheemraadschap een nieuwe Keur en bijbehorende Algemene Regels vastgesteld. Artikel 4. 2 Verbod versnelde afvoer door verhard oppervlak is in de nieuwe Keur gewijzigd. In de nieuwe Keur 2016 is nu het volgende opgenomen: " Artikel 3. 3 Verbod versnelde afvoer door nieuw verhard oppervlak. Het is verboden zonder watervergunning van het bestuur neerslag door nieuw verhard oppervlak ver- sneld tot afvoer te laten komen. "

In de Algemene Regels 2016 zijn vervolgens de volgende aanvullingen opgenomen: " Artikel 23. nieuw verhard oppervlak. Op grond van artikel 3. 9, eerste lid van de keur geldt een vrijstelling van de vergunningplicht van artikel 3. 3 voor het aanbrengen van nieuw verhard oppervlak indien: 1. de bebouwing of verharding van de onverharde grond door een of meer aaneen- gesloten bouwplannen met een gezamenlijke oppervlakte minder dan 800 m² be- draagt en; 2. de aanleg van nieuw verhard oppervlak minder dan 10% van het oppervlak van het desbetreffende peilvak beslaat en; 3. het desbetreffende watersysteem de toename van de piekafvoer kan verwerken. "

Watertoets Met behulp van de watertoets wordt getoetst of binnen nieuwe plannen aan de water- huishouding voldoende aandacht is besteed. Uitgangspunt van de watertoets is dat de initiatiefnemer en de waterbeheerder samenwerken aan het ruimtelijk plan, waarbij het wateraspect volledig wordt ingevuld. In de dagelijkse praktijk van de ruimtelijke orde- ning is de positie van de waterbeheerder met de introductie van de watertoets sterker geworden. Navolgende tekst dient als watertoets (de opbouw en inhoud van de water- toets is vormvrij) .

47

Beoordeling en conclusie Er is sprake van een toename van de verharding, namelijk de tweede stal, die een op- pervlakte van maximaal 150 m 2 zal krijgen. Dit heeft geen significant effect op de wa- terhuishoudkundige situatie, er wordt gebleven onder voornoemde grens van 800 m 2 en daarom hoeven geen compenserende maatregelen uitgevoerd worden. In het plan is verder geen sprake van activiteiten die als gevolg kunnen hebben dat vervuild he- melwater naar het oppervlaktewater afstroomt. Het hemelwater kan als schoon wor- den beschouwd. Voorts wordt niet gebouwd in een beschermingszone van een water- kering en wordt er geen water gedempt. wel is de huidige dam in het verleden zonder watervergunning verplaatst. Daarnaast is er geconstateerd dat er in het verleden ook een boothuis zonder vergunning is geplaatst bij hetzelfde perceel. Er is hiervoor als- nog een watervergunning aangevraagd en deze is inmiddels verleend 16 Het betreft .

gronden in eigendom van het Hoogheemraadschap waarvoor het grondgebruik gere- geld moet worden. Door het Hoogheemraadschap is aangegeven dat ze dit gaan doen. Er is daarom geen sprake van een evidente privaatrechtelijke belemmering 17 .

Daarmee werpt het aspect water geen belemmering op.

4. 2. 2 Natuur

Bij ruimtelijke ingrepen moet rekening gehouden worden met de aanwezige natuur- waarden van het plangebied. Bescherming in het kader van de natuur wet- en regel- geving is op te delen in gebieds- en soortenbescherming. Bij gebiedsbescherming zijn de Wet natuurbescherming en provinciale verordeningen van toepassing. De provin- cies beschermen via provinciale verordening waardevolle natuurgebieden zoals het Natuurnetwerk Nederland, weidevogelgebied en ganzenfoerageergebied. Daarnaast kunnen natuurgebieden of andere gebieden die essentieel zijn voor het behoud van bepaalde flora en fauna, aangewezen worden als Europees vogelrichtlijn- en/of habi- tatrichtlijngebied (Natura 2000) De verplichtingen uit de Vogel- en Habitatrichtlijn zijn .

in Nederland opgenomen in de Wet natuurbescherming. Ook de bescherming van in- dividuele plant- en diersoorten is geregeld in deze wet.

Toetsing Gebiedsbescherming: Nu er geen (ingrijpende) bouw- of sloopactiviteiten plaatsvinden, bomen worden ge- kapt of water wordt gedempt kan geen sprake zijn van overtreding van de Nb-wet, on- derdeel soortenbescherming. Datzelfde geldt voor gebiedsbescherming. Het gebied ligt niet nabij enig Natura 2000- gebied zodat op voorhand kan worden geconcludeerd dat er geen externe effecten zijn, zoals trilling of verstoring. Voor een eventuele toename van stikstofdepositie wordt overwogen dat dit buiten beschouwing kan blijven, nu het agrarisch bedrijf er qua situering en omvang al mag zijn op de referentiesituatie, die bij plannen wordt ge- vormd door de feitelijke, planologisch legale situatie.

16 Bijlage 3: Watervergunning Oostgraftdijk 92a, Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwar- tier, 26 juni 2023

17 Bijlage 4: Correspondentie grondgebruik Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier, 21 juni 2023

48

Uitsnede omgevingsverordening provincie NH, NNN

Soortenbescherming Er worden geen bomen gekapt. Ook wordt geen water gedempt. Wel wordt een ge- bouwtje gesloopt. Gezien de bouwkundige opbouw en het materiaal waarvan het ge- bouw is gemaakt, kan op voorhand worden uitgesloten dat het ge-schikt is als vaste rust-of verblijfplaats voor (strikt) beschermde soorten. Er zijn geen dakpannen aanwe- zig, geen open stootvoegen, geschikte of gaten in muren, zolders die als geschikte lo- catie voor bijvoorbeeld uilen, huismussen of gierzwaluwen kan dienen. Ook voor vleermuizen gaat deze redenatie op, waarbij sommige soorten ook achter spouwmu- ren of gevelbetimmeringen kunnen verblijven, of achter luiken, achter dak-beshot of in schoorstenen. Deze elementen zijn naast het ontbreken van dakpannen, open stoot- voegen, kieren e. d. ook niet aanwezig. ,

Andere vogelsoorten waarvan het nest jaarrond is beschermd, nestelen op hoge ge- bouwen (slechtvalk) op richels van bergen of steengroeven en soms op oude roofvo- ,

gelnesten (oehoe) langs stromende beken (grote gele kwikstaart) in hoge bomen in , ,

bos of boomgroepen (buizerd, roek, havik, sperwer, wespendief, zwarte wouw) in ,

oude nesten van kraaien en roofvogels in boomgroepen (boomvalk) in oude nesten van kraaien en roofvogels in vooral naaldbomen (ransuil) in holtes in bomen in nissen ,

van kerktorens of op speciale nestpalen (ooievaar) (SOVON 2002, vogelbescher- ming. nl, sovon. nl) Deze elementen zijn niet in het plangebied aanwezig. Nesten van .

deze vogelsoorten worden niet in het plangebied verwacht.

Verdere informatie kan worden aangetroffen in bijgaande fotorapportage 18 .

Het onderdeel soortenbescherming werpt daarom geen belemmeringen op.

18 Bijlage 2: Detailrapportage foto’s perceel Oostgraftdijk 92a

49

Conclusie Het onderwerp natuur werpt gelet op bovenstaande geen belemmeringen op. Wel dient te allen tijden de zorgplicht in acht te worden genomen als opgenomen in artikel 1. 11 van de Wet Nb. In het tweede lid wordt de zorgplicht iets geconcretiseerd door te bepalen dat de zorgplicht in elk geval inhoudt dat een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor een Natura 2000-gebied, een bijzonder nationaal natuurgebied of voor in het wild levende dieren en planten: dergelijke handelingen achterwege laat, dan wel, indien dat achterwege laten redelij- kerwijs niet kan worden gevergd, de noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen, of voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zo- veel mogelijk beperkt of ongedaan maakt.

4. 2. 3 Archeologie

Algemeen Door ondertekening van het verdrag van Malta (1992) heeft Nederland zich verplicht om bij ruimtelijke planvorming nadrukkelijk rekening te houden met het niet-zichtbare deel van het cultuurhistorisch erfgoed, te weten de archeologische waarden. In de Erf- goedwet, die op 1 juli 2016 in werking is getreden is geregeld hoe met in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische waarden moet worden omgegaan. Op grond van het overgangsrecht van deze wet zijn de bepalingen uit de Monumen- tenwet 1988 van kracht gebleven totdat de Omgevingswet in werking treedt. Het stre- ven is om deze belangen tijdig bij het plan te betrekken. Bij ingrepen waarbij de onder- grond wordt geroerd, dient te worden aangetoond dat de eventueel aanwezige archeologische waarden niet worden aangetast.

Beoordeling In hoofdstuk 1 is aangegeven dat een archeologische dubbelbestemming geldt. Deze is in dit bestemmingsplan onverkort opnieuw opgenomen, zodat eventueel aanwezige archeologische relicten beschermd worden. In hoofdstuk 1 is ook aangegeven waarom er geen strijd met deze bestemming is en derhalve geen strijdigheid.

Wel geldt altijd de zorgplicht, zoals vastgelegd in de Erfgoedwet, ofwel ‘meldings- plicht’, zoals vastgelegd in Artikel 5. 10. Archeologische toevalsvondst: 1 Degene die anders dan bij het verrichten van opgravingen een vondst doet waarvan hij weet dan wel redelijkerwijs moet vermoeden dat het een archeologische vondst be- treft, meldt dit zo spoedig mogelijk bij Onze Minister. 2 De gerechtigde tot een archeologische vondst als bedoeld in het eerste lid, is ge- houden de vondst gedurende zes maanden, te rekenen van de dag van de in het eer- ste lid bedoelde melding, ter beschikking te houden of te stellen voor wetenschappelijk onderzoek.

4. 2. 4 Cultuurhistorie

Algemeen In 2012 is de Modernisering Monumentenzorg (Momo) in werking getreden. Onder meer heeft dit tot gevolg dat in bestemmingsplannen cultuurhistorie meegewogen dient te worden. Op grond van artikel 3. 1. 6, tweede lid, onderdeel a van het Besluit

50

ruimtelijke ordening (Bro) moeten cultuurhistorische waarden worden meegewogen bij het vaststellen van bestemmingsplannen.

Beoordeling en conclusie In hoofdstuk 2 is reeds ingegaan op de geschiedenis; de cultuurhistorische waarden van de locatie worden niet aangetast. Cultuurhistorie vormt geen beperking voor de uitvoerbaarheid van dit plan.

4. 2. 5 Verkeer en parkeren

De verkeerssituatie wijzigt zoals aangegeven in hoofdstuk 2 in positieve zin. Er zijn immers geen dagelijkse trailerbewegingen meer nodig om de paarden bij de paarden- bak te krijgen. Qua parkeren verander er niets. De geringe toename van het bedrijf met 2 á 3 paarden leidt er niet toe, dat er meer trailers nodig zijn. Oftewel er is één trailer en dat blijft zo. Deze kan op eigen terrein geparkeerd worden.

Conclusie Verkeer en parkeren vormt geen beperking voor de uitvoerbaarheid van dit plan.

4. 2. 6 Duurzaamheid

Over duurzaamheid kan worden aangegeven dat er zonnepanelen op de nieuwe stal komen en er op natuurlijke wijze met de opslag van hooi omgegaan wordt. Het plan draagt zoals in hoofdstuk 2 aangegeven bij aan het bevorderen van de biodiversiteit en kan als zodanig gezien worden als een vorm van natuurinclusief bouwen en ge- bruik.

51

5 Economische uitvoerbaarheid

5. 1 Inleiding

Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan/plan als bedoeld in artikel 2. 12, lid 1 onder a sub 3 Wabo, dient op grond van artikel 3. 1. 6, eerste lid, sub f van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) onderzoek plaats te vinden naar de financiële uitvoerbaar- heid van het plan. Doorgaans is in dit kader de vraag relevant of er gemeentelijke kos- ten zijn en hoe deze verhaald worden. Deze vraag omhelst tevens eventuele plan- schade.

5. 2 Beoordeling plan

Sinds de inwerkingtreding van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) op 1 juli 2008 is het onder omstandigheden verplicht om aan het opstellen van een bestemmingsplan een exploitatieplan te koppelen. Er is sprake van een bouwplan als bedoeld in artikel 6. 12, lid 1 van de Wro als onderdeel van afdeling 6. 4 inzake de grondexploitatie. Een ex- ploitatieplan is niet verplicht indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie van de in het plan opgenomen gronden op een andere wijze is verzekerd (artikel 6. 12, lid 2 sub a Wro) .

De begeleiding van de planologische procedure is door middel van het heffen van le- ges gedekt. Daarnaast is het aanleggen van voorzieningen in het aangrenzende openbaar gebied niet aan de orde en wordt het opstellen van het bestemmingsplan door de initiatiefnemer bekostigd. Voor de gemeente Alkmaar zijn derhalve geen kos- ten verbonden aan het opstellen en uitvoeren van dit plan. Er zijn voorts geen aanpas- singen in de openbare ruimte nodig, zoals aanpassing van het riool. Tussen de ge- meente en de initiatiefnemer wordt een planschadeovereenkomst afgesloten.

5. 3 Conclusie

De economische uitvoerbaarheid van het plan is voldoende aangetoond.

52

6 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

6. 1 Overleg

Het plan wordt in het kader van artikel 3. 1. 1 Bro voorgelegd aan de overleginstanties. De reacties worden t. z. t. hier samengevat en van een antwoord voorzien.

Er is voorts gesproken met omwonenden, die zich allen positief en enthousiast over het plan hebben uitgelaten, waaronder ook het agrarisch bedrijf dat er direct naast is gelegen 19 .

6. 2 Zienswijzen

Op een bestemmingsplanherziening is afdeling 3. 4 Algemene wet bestuursrecht van toepassing. In navolging hiervan is het ontwerpplan voor zes weken ter inzage gelegd. Een ieder kon in deze periode zienswijze indienen. Er zijn geen zienswijzen inge- diend.

6. 3 Conclusie

Het bestemmingsplan wordt zodoende geacht maatschappelijk uitvoerbaar te zijn.

19 Bijlage 5: Handtekeningenlijst buurt op situatieschets

53

7 Juridische regeling

7. 1 Planonderdelen

Dit bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, planregels en een toelichting. De verbeelding en de planregels vormen tezamen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast.

Verbeelding Op de verbeelding wordt aangegeven welke bestemming gronden hebben. Dit gebeurt via een bestemmingsvlak. Voor het op de verbeelding aangeven bestemmingsvlak gelden de gebruiksmogelijkheden zoals die in de bijbehorende planregel worden ge- geven. Die toegekende gebruiksmogelijkheden kunnen op twee manieren nader wor- den ingevuld: 1. via een dubbelbestemming. Een dubbelbestemming is, zoals de naam al zegt, een bestemming die óók aan de gronden wordt toegekend. Voor gronden kunnen dus meerdere bestemmingen gelden. Er geldt altijd één ‘enkel’ bestemming (dat is dé bestemming) en soms geldt er een dubbelbestemming (soms zelfs meerdere) .

In het voorschrift van de dubbelbestemming wordt omschreven wat er voor de on- derliggende gronden geldt aan extra bepalingen in aanvulling, of ter beperking, van de mogelijkheden van de onderliggende bestemmingen; 2. via een aanduiding. Een aanduiding is een teken op de verbeelding. Dat teken kan bestaan uit een lijn, een figuur, of een lettercode etc. Via een aanduiding .

wordt in de planregels ‘iets’ geregeld. Dat ‘iets’ kan betrekking hebben op extra mogelijkheden of extra beperkingen voor het gebruik en/of de bebouwing en/of het aanleggen van werken. Aanduidingen kunnen voorkomen in een bestem- mingsregel, in meerdere bestemmingsregels en kunnen ook een eigen bestem- mingsregel hebben. Deze aanduidingen hebben alleen een juridische betekenis als in de planregels aan de betreffende aanduiding een gevolg wordt verbonden. Een aantal aanduidingen heeft juridisch gezien geen betekenis en is uitsluitend opgenomen ten behoeve van de leesbaarheid van de verbeelding (bijvoorbeeld topografische gegevens) .

Planregels De planregels zijn verdeeld over 4 hoofdstukken: 1. Inleidende regels. Het hoofdstuk “inleidende regels bestaat uit een tweetal artikelen te weten de begrippen en de wijze van meten. In de begripsbepaling worden begrippen waar nodig beschreven om interpretatieproblemen te voorkomen. Veelal worden begrippen gedefinieerd die in de planregels worden gebruikt en daar een bijzondere betekenis hebben, die afwijkt van of niet voor- komt in het “normale” spraakgebruik. Wanneer een begrip niet opgenomen is in de begripsomschrijvingen/-bepalingen en er ontstaat een interpretatieprobleem dan is het normale spraakgebruik richtinggevend. De begripsomschrijvingen/- bepalingen zijn niet uitputtend bedoeld. De belangrijkste en/of onduidelijke begrippen zijn opgenomen in dit artikel. De wijze van meten beschrijft hoe de ge- noemde maatvoeringen in de diverse bestemmingsbepalingen gemeten dienen te worden.

54

2. Bestemmingsregels. In dit tweede hoofdstuk zijn de planregels van de bestemmingen opgenomen. Dit gebeurt in alfabetische volgorde. Per bestemming is het toegestane gebruik geregeld en zijn bouwregels en, even- tueel, ook een aanlegvergunningstelsel opgenomen. Ieder artikel kent een vaste opzet. Eerst wordt het toegestane gebruik geformuleerd in de bestemmingsomschrijving. Vervolgens zijn bouwregels opgenomen. Eerst voor gebouwen, dan voor de overige bouwwerken. Deze worden genoemd ‘bouwwer- ken, geen gebouwen zijnde’, en betreffen de constructies van enig omvang die toch geen gebouw zijn. Te denken valt aan erfscheidingen, hekwerken, lichtmas- ten, speelvoorzieningen, vlaggenmasten, lantaarnpalen, en dergelijke. Aanslui- tend volgen afwijkingsbevoegdheden met betrekking tot bouw- en/of gebruiksre- gels. Ten slotte zijn eventueel een aanlegvergunningstelsel en/of wijzigingsbevoegdheden opgenomen. Belangrijk om te vermelden is dat naast de bestemmingsregels ook in andere artikelen relevante informatie staat die mede gelezen en geïnterpreteerd moeten worden. Alleen zo ontstaat een volledig beeld te verkrijgen van hetgeen is geregeld.

3. Algemene regels. In dit hoofdstuk zijn regels opgenomen met een algemeen ka- rakter. Ze gelden dus voor het hele plan.

4. Overgangs- en slotregels. In het laatste hoofdstuk zijn respectievelijk overgangsregels en een slotregel opgenomen. Hoewel het hier in wezen ook algemene regel betreft, zijn deze vanwege hun meer bijzondere karakter in een apart hoofdstuk opgenomen.

Toelichting De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit bestemmingsplan geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen. Tot slot is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan.

7. 2 De bestemmingen

In het bestemmingsplan zijn voor het plangebied de bestemmingen Agrarisch en Wa- ter opgenomen. Het plangebied omvat het ‘agrarisch erf’. De bestaande en nieuwe stal zijn van een bouwvlak en mogen daar, en uitsluitend daar, worden gerealiseerd. Datzelfde geldt voor de paardenbak, paddocks en mestplaat, hier zijn aanduidingen voor opgenomen. Aan de regels is een voorwaardelijke verplichting opgenomen, in- houdende dat de landschappelijke maatregelen als benoemd in bijlage 1, gerealiseerd en in stand worden gehouden. De vrijwaringszone voor de bescherming van het dijkli- chaam is overeenkomstig het geldende bestemmingsplan opgenomen.

55

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13458237/1