2 Toelichting bestemmingsplan Oostgrafdtijk 92a 2023 10 18 (geanonimiseerd)
Tekst van het document
Toelichting Oostgraftdijk 92a
Gemeente Alkmaar
18 oktober 2023
IMRO: 0361. BP00206-0305
INHOUD
TOELICHTING
1 Inleiding 3 1. 1 Aanleiding en doelstelling 3 1. 2 Plangebied 4 1. 3 Geldend planologisch regime 5 1. 4 Leeswijzer 9
2 Bestaande en toekomstige situatie 10 2. 1 Bestaande situatie 10 2. 2 Het plan 14
3 Beleidskader 20 3. 1 Algemeen 20 3. 2 Rijksbeleid 20 3. 3 Provinciaal beleid 22 3. 4 Gemeentelijk beleid 32
4 Milieu- en omgevingsaspecten 35 4. 1 Milieu-aspecten 35 4. 2 Omgevingsaspecten 44
5 Economische uitvoerbaarheid 52 5. 1 Inleiding 52 5. 2 Beoordeling plan 52 5. 3 Conclusie 52
6 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 53 6. 1 Overleg 53 6. 2 Zienswijzen 53 6. 3 Conclusie 53
7 Juridische regeling 54
Bijlage 1: Landschappelijke inpassing Oostgraftdijk 92a, SRO, 9 juni 2023 Bijlage 2: Detailrapportage foto’s perceel Oostgraftdijk 92a Bijlage 3: Watervergunning Oostgraftdijk 92a, Hoogheemraadschap Hollands Noor- derkwartier, 26 juni 2023 Bijlage 4: Correspondentie grondgebruik Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwar- tier, 21 juni 2023
Bijlage 5: Handtekeningenlijst buurt op situatieschets Bijlage 6: Toestemming D. van Tiel Veeschuur
1 Inleiding
1. 1 Aanleiding en doelstelling
Aan de Oostgraftdijk 92a, gelegen in het dorp Oostgraftdijk 92a, bevindt zich een paardenfokkerij. Het betreft een continuering van eerdere agrarische activiteiten, die minimaal terug te herleiden zijn tot de jaren ’30 van de 20 e eeuw. Toen is namelijk de stal gebouwd die er nu nog altijd staat. De ‘veeschuur’ is aangewezen als gemeente- lijk monument 1 maar als gebouw niet positief bestemd in het geldende bestemmings- ,
plan (het gebruik voldoet wel) Gelet op het feit dat de stal er al zeer lang staat en .
deze als gemeentelijk monument is aangewezen, wordt aangenomen dat dit een omissie betreft. Een andere opvatting zou immers inhouden, dat de stal moet verdwij- nen, maar dat is tegenstrijdig met de aanwijzing als monument, hetgeen immers bete- kent dat de wens is deze te behouden.
De monumentale veeschuur Met het ontbreken van een positieve bestemming (bouwvlak) ontstaat tevens ondui- ,
delijkheid over wat precies gerekend moet worden tot het agrarisch erf. Dit is van be- lang omdat er dan ook onzekerheid ontstaat ten aanzien van de plek waar bij de paar- denfokkerij behorende (al dan niet vergunningsvrije) activiteiten, zoals de opslag van balen hooi, mestplaat, paddocks en paardenbak, mogelijk zijn.
Met dit bestemmingsplan wordt de stal alsnog positief bestemd en het agrarisch erf geduid. Om een zorgvuldige landschappelijke inpassing te borgen zijn andere elemen- ten specifiek geduid en daar toegestaan. Tevens worden met het oog hierop diverse landschappelijke maatregelen verplicht gesteld. In de toelichting wordt het plan voor- zien van een ruimtelijke, landschappelijke en stedenbouwkundige onderbouwing.
1 https: //nl. wikipedia. org/wiki/Lijst_van_gemeentelijke_monumenten_in_Alkmaar_ (plaats)
3
De activiteiten door de jaren heen zijn agrarisch geweest, maar bij tijden ook meer hobbymatig. Thans wil men het bedrijf professionaliseren en met het oog op dieren- welzijn diverse voorzieningen treffen. Uiteindelijk zal het een kleinschalig agrarisch zijn en blijven, men voorziet in een maximale omvang van 4 veulens (paarden in op- fok) .
1. 2 Plangebied
Het plangebied bevindt zich aan de Oostgraftdijk 92a in Oostgraftdijk, een dorp even ten zuidwesten van de Rijp, gelegen in de gemeente Alkmaar.
Globale ligging plangebied
Begrenzing plangebied
4
1. 3 Geldend planologisch regime
Ter plaatse geldt het bestemmingsplan Buitengebied Graft de Rijp 2009. Er is aan de gronden een bestemming Agrarisch toegekend.
Uitsnede vigerend bestemmingsplan, locatie globaal bij blauwe ster
De voor agrarisch aangewezen gronden zijn bestemd voor: a) De uitoefening van grondgebonden agrarische bedrijven met daaraan onder- geschikt niet-grondgeboden agrarische activiteiten met een oppervlakte van niet meer dan 250 m 2 dan wel de bestaande oppervlakte indien deze meer is, en tevens voor: b) (. ) .
c) (. ) .
d) Behouden van de cultuurhistorische waarden van de Stelling van Amsterdam Met de daarbij behorende: e) Groenvoorzieningen; f) Openbare nutsvoorzieningen en voorzieningen ten behoeve van de water- huishouding; g) Verkeerd- en verblijfsvoorzieningen; h) Waterlopen en -partijen. Een agrarisch bedrijf wordt in dit bestemmingsplan gedefinieerd als volgt:
Nu geen sprake is van een paardenhouderij maar een paardenfokkerij, is het gebruik in overeenstemming met het bestemmingsplan. In de begrippen wordt het onder- scheid ook gemaakt:
5
De paardenfokkerij valt dus onder een agrarisch bedrijf en dat geldt gezien jurispru- dentie ook voor het africhten, trainen (opfokken) ervan, zie ECLI: NL: RVS: 2012: BW3023: “Het africhten, trainen (opfokken) en verkopen van ter plaatse op het bedrijf gefokte paarden, die eigendom zijn van [appellant] hangt zoda- ,
nig samen met het fokken van paarden, dat deze activiteiten kunnen worden be- schouwd als behorende bij het uitoefenen van een agrarisch bedrijf, als bedoeld in ar- tikel 1, onder 3, van de planvoorschriften. Het bedrijf is ook in zoverre aan te merken als een productiegerichte paardenhouderij, waarbij het africhten van de gefokte paar- den ten behoeve van de verkoop dient te worden aangemerkt als onderdeel van de paardenfokkerij, zodat dit gebruik ingevolge het bestemmingsplan is toegestaan. Gelet hierop was het college niet bevoegd handhavend op te treden ten aanzien van het ge- bruik van het perceel als rijbak (. ) ”. .
Volledigheidshalve wordt nog vermeld dat een volwaardigheidseis in dit bestemmings- plan niet is opgenomen (van een volledig inkomen is momenteel geen sprake, maar daar wordt wel naar toegewerkt, zie verder deze toelichting) .
Overwogen wordt dat de stal ondanks dat deze niet expliciet positief bestemd is, toch planologisch rechtmatig aanwezig is. Ze staat er immers al geruime tijd en is door de gemeente bovendien als monument gekenmerkt. Ook heeft de gemeente aangegeven dat de stal onder het overgangsrecht valt, en als dat zo is, valt de stal al vanwege twee voorgaande bestemmingsplannen (1994 en 1974) onder het overgangsrecht. Meer in algemene zin is het niet toegestaan een gebruik/ object twee keer onder het overgangsrecht te vallen 2 ; er dient dan ofwel een positieve bestemming te volgen, of- wel er dient te worden gehandhaafd. Duidelijk is, dat gezien de status als monument en het feit dat de stal er al ca. 90 jaar staat, handhaving niet in de rede ligt. Recente steun voor de onmogelijkheden rondom handhaving als een object er al zeer lang staat, wordt gevonden in twee recente uitspraken van de Afdeling 3 Onder meer ging .
het in één uitspraak ook over een cultuurhistorisch waardevol pand, en in beide zaken speelde ook mee dat de omgeving nooit klachten had geuit en de gemeente blijkens meerdere correspondentie op de hoogte was. De ‘standaard’ dat in bestuursrechtelijk opzicht er niet zoiets bestaat als verjaring, komt met deze uitspraken dus in een ander daglicht te staan.
2 Het gaat hier om een ‘standaard overweging’ van de Raad van State: zie onder meer ECLI: NL: RVS: 2021: 1225 3 ECLI: NL: RVS: 2022: 559 en ECLI: NL: RVS: 2022: 1582
6
Toegepast op deze casus, wordt opgemerkt dat naast de monumentenstatus, het agrarisch bedrijf op zeer goede voet staat met de omgeving. Niet alleen zijn er geen klachten, omwonenden maar ook toeristen (er zijn nabij recreatieparken aanwezig) ko- men regelmatig langs en betreden het erf om de paarden te aanschouwen e/o de fraaie veeschuur te fotograferen. Het bedrijf laat dit toe; stelt zich open op naar de om- geving. Voorts is de gemeente goed op de hoogte van de situatie: vóór de aanwijzing van de veeschuur als monument heeft de gemeente ingestemd deze te vervangen met toepassing van artikel 19 WRO (oud) De veeschuur had dus positief bestemd .
moeten worden .
Hoewel een gebruik als paardenfokkerij dus past binnen het bestemmingsplan en de stal ook rechtmatig aanwezig is, is zoals aangegeven een ‘bouwvlak’ in het bestem- mingsplan ter plaatse niet opgenomen (in dit bestemmingsplan is dit bij wijze van fic- tief bouwvlak ingeregeld ter plaatse van de aanduiding agrarisch bedrijf) en hier mag dus in beginsel niet gebouwd worden. Het idee is daarom opgevat een paardenbak te realiseren die niet vergunningsplichtig is, oftewel niet als bouwwerk te kwalificeren valt.
De paardenbak of beter omschreven loswerk (rij) bak wordt daarom aangelegd met een natuurlijke haag (bijvoorbeeld een beukenhaag of meidoorn) als afscheiding met een drainage met doek en zandlaag daarbinnen. Zie hoofdstuk 2. Een constructie als zo- danig valt niet als bouwwerk aan te merken, hetgeen uit deze rechterlijke uitspraak blijkt (ECLI: NL: RBOBR: 2018: 3633) : De rechtbank volgt verweerder in zijn opvatting dat geen sprake meer is van een paardenbak. Gelet op de zich bij de gedingstukken bevindende foto’s van een controlerapport is sprake van een verlaagd doorzichtig hek- werk. Van een bij een paardenbak gebruikelijke (schuin geplaatste houten) omheining voor het africhten, trainen en berijden van paarden is geen sprake. De bijbehorende lichtmasten zijn verwijderd. Of al dan niet nog sprake is van een aangepaste bodem maakt niet dat enkel op grond daarvan sprake is van een paardenbak. Hiermee is geen sprake van een bouwwerk waarvoor een omgevingsvergunning voor de activiteit “bouwen” en “planologische afwijking” is vereist. Een natuurlijke haag is qua aard, impact en omvang vergelijkbaar aan een aarden wal, en dat is ook geen bouwwerk, blijkens deze uitspraak van de Raad van State: ECLI: NL: RVS: 2015: 279. Ingevolge artikel van is voor het aanbrengen van verhardin- gen een aanlegvergunning nodig, doch het aanbrengen van een zandlaag is geen ver- harding.
Zodoende is voor zowel het gebruik, de natuurlijke haag en de drainage/doek met zandlaag geen vergunning nodig op basis van het bestemmingsplan c. q. is dit in overeenstemming met het bestemmingsplan. De activiteiten zijn m. a. w. vergunnings- vrij.
Zichtbaar op de situatieschets zijn ook enkele kleine paddocks. Deze zijn van zodanig geringe omvang dat deze om reden niet als bouwwerk (‘=elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct of indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren’) aangemerkt kunnen worden. In sommige gemeenten, zoals Hollands Kroon, is expliciet aangegeven dat dit ook in- derdaad het geval is. Ook de VNG en de Sectorraad Paarden wijst in die richting 4 : een paddock wordt hierin niet als bouwwerk aangemerkt.
4 De paardenhouderij in het omgevingsrecht handreiking voor de praktijk, VNG en SRP, 2014
7
Dat geldt ook voor de geplande tweede stal, die qua uiterlijk ondergeschikt zal zijn aan de veeschuur, maar wel volgens dezelfde bouwprincipes zal worden gebouwd, be- staande uit zwarte houten wanden en een oranje kap. Wanneer de gemotiveerde stel- ling aangenomen wordt, dat de veeschuur planologisch rechtmatig aanwezig is, ont- staat daarmee automatisch een achtererfgebied als bedoeld in het Besluit omgevingsrecht, en kan er ingevolge bijlage II, artikel 2 onder voorwaarden vergun- ningsvrij gebouwd worden. De veeschuur dient hier dus als hoofdgebouw-zie ter ver- gelijking de uitspraak van de Raad van State: ECLI: NL: RVS: 2021: 1173.
Tot slot is een mestplaat voorzien, waarvan aangenomen wordt dat dit wel een bouw- werk betreft. Deze levert dus wel strijdigheid op met het bestemmingsplan.
Op een separate kaart is een archeologische dubbelbestemming ingeregeld. Het bou- wen zonder archeologisch onderzoek is niet toegestaan als er grondroerende werk- zaamheden groter dan 500 m² plaatsvinden en waarbij grondroerende werkzaamhe- den plaatsvinden dieper dan 0, 40 m. Het is voorts verboden zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning (aanlegvergunning) van Burgemeester en wethouders, de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren waarbij grondroerende werkzaamheden groter dan 500 m 2 plaatsvinden, en die dieper gaan dan 0, 40 m onder het maaiveld. Op basis van het gemeentelijk beleid heeft een deel een strenger regime (oranje deel) :
Hier geldt een uitzondering tot 50 m2 en 0, 35 beneden maaivel. Er worden geen bouwwerken gerealiseerd groter dan 500 m 2 (stal + mestplaat) De .
paardenbak is wel groter dan 500 m 2 maar er zijn geen werkzaamheden dieper dan ,
0, 35 beneden maaiveld voor vereist. Zodoende levert archeologie geen strijd op.
Volledigheidshalve wordt vermeld dat er ook een Parapluplan Parkeren geldt (vastge- steld 28 juni 2018) waarin in essentie wordt geregeld dat er voldoende parkeerplaat- ,
sen op eigen terrein moeten zijn om te voldoen aan de behoefte. Daar is in dit geval voldoende ruimte voor. Zodoende levert dit bestemmingsplan geen strijdigheid op.
8
1. 4 Leeswijzer
Deze toelichting is opgebouwd uit zeven hoofdstukken. Het volgende hoofdstuk (Hoofdstuk 2) beschrijft de bestaande en toekomstige situatie. Hoofdstuk 3 geeft een overzicht van het ruimtelijke beleidskader van de verschillende overheden waaraan het plan moet voldoen. Hoofdstuk 4 bevat de milieu- en de omgevingsaspecten van het plan. In hoofdstuk 5 wordt ingegaan op de economische uitvoerbaarheid en in het hoofdstuk 6 wordt ingegaan op de maatschappelijke procedure. In hoofdstuk 7 ten- slotte wordt de juridische werking van het bestemmingsplan uitgelegd.
9
2 Bestaande en toekomstige situatie
2. 1 Bestaande situatie
West- en Oost-Graftdijk (Westerbuurt en Oosterbuurt) ontstonden in de tweede helft van de 16e eeuw. Voor de droogmaking van het Starnmeer en de Schermer was, naast de veeteelt op het land, de visserij op die meren heel belangrijk. Maar daarnaast namen ook vele Graftdijkers deel aan de zeevaart. In de 17 e eeuw werkten de Graft- dijkers in grote getale in de hennep-nijverheid. In Oost-Graftdijk stond in het Kamerhop een hennepmolen en vier nettenbanen. In West-Graftdijk waren aan de Kloosterhaven en aan de Vuile Graft lijnbanen; aan de Moor zes nettenbanen en een korenmolen. Tussen 1742 en 1812 was bijna 50% van de beroepsbevolking betrokken bij de hennepen vlasverwerking (het hekelen, spinnen, weven, kloppen en touwslaan) .
In 1742 was het nog mogelijk om de hennep te laten kloppen in drie hennepklopmo- lens en in 1811 nog één. In 1811 was er in Graft nog een afzetmogelijkheid voor de grove hennep bij de zes touwslagerijen en vier grauwdoekverwerkers, maar in 1850 was er nog maar één touwslager over. 65 mensen waren in 1830 nog werkzaam in thuisarbeid als hekelaar, spinner of wever. Rond 1900 werd er nog hennep gehekeld voor zeilen en netten, in hoofdzaak in opdracht van de zeildoekwevers in Krommenie. De Graft-dijkers haalden per schuit de bossen op uit Krommenie. Thuis werden de bossen verwerkt tot vlas- en hennepgaren, in zakken gedaan en ter keuring in Krom- menie aangeboden.
Op navolgende pagina is een historisch overzicht van het plangebied te zien. Dit over- zicht beslaat de periode van 1850-2022. Gedurende deze periode is te zien hoe het landschap van Oost Graftdijk en de omliggende polder verandert. Oost-Graftdijk is een lintdorp langs de vaarroute Vinkenhop, onderdeel van het Noord- hollandsch Kanaal, die in directe verbinding staat met het Alkmaardermeer. Het ge- bied rondom Oost-Graftdijk is polder met een onregelmatige blokverkaveling. De pol- der is aanvankelijk beëindigd door de ringdijk van de aangrenzende Starnmeerpolder, ten noorden. Opvallend is dat Oost-Graftdijk’s polderstructuur een blokverkaveling is terwijl de naastgelegen Starnmeerpolder een strookverkaveling heeft. De landschappelijke functie van de Oost-Graftdijk polder is overwegend landbouw met een focus op veehouderij. Oost-Graftdijk blijft gedurende de periode 1850-2022 een klein dorp met een inwonersaantal van 145 (2021) Tot 1982 blijft het landschap gro- .
tendeels onveranderd. In 1983 ontstaat een nieuwe landschappelijke ontwikkeling,
10
een grote camping. Camping ’t Rietbos blijft tot januari 2009 bestaan waarna deze wordt gesloopt en wordt omgebouwd tot bungalowpark door de nieuwe eigenaar. Te- vens wordt ook een provinciale weg aangelegd, de N244. Daarmee krijgt de polder een nieuwe harde grens aan de noordzijde. Vanaf 2013 komen de eerste ontwikkelin- gen voor dit bungalowpark, nu genaamd ‘De Rijp’. Dit bungalowpark blijft gestaag uit- breiden tot de huidige tijd en overtreft het aangrenzende dorp Oost-Graftdijk qua op- pervlakte.
De planlocatie is gelegen in Oost-Graftdijk, onderdeel van de Eilandspolder. De Ei- landspolder is een open en waterrijk veenpolderlandschap tussen de droogmakerijen Schermer en Beemster. De ontginningsgeschiedenis en de beheersing van het water zijn goed afleesbaar in het landschap aan de onregelmatige stroken- en blokverkave- ling en brede sloten van de veenweidepolders en de soms grillige restanten van veen- stromen. De grote openheid van de Eilandspolder is een bijzondere waarde, zowel voor bewoners en recreanten, als voor weidevogels. Kenmerkend zijn de lintdorpen langs ontginningsassen, wegen en dijken.
Lintdorp Oost-Graftdijk heeft op deze locatie als bijzonderheid dat er sprake is van twee parallelle wegen aan weerszijden van het lint: de Oost-Graftdijk met vrij uitzicht over het veen-weidelandschap aan de noordzijde en de Kanaaldijk met vrij uitzicht over de ringvaart en het open landschap van de Starnmeerpolder aan de zuidzijde.
11
De ontginningsgeschiedenis van het gebied heeft geresulteerd in karakteristieke, lang- gerekte en kortere bebouwingslinten. De bebouwing van Oost-Graftdijk vormt een lint- dorp langs de vaarroute Vinkenhop. Dit soort linten zijn kenmerkende opgaande structuren in het landschap die voor hoogteverschil in het landschap zorgen. Ze be- staan uit één rij van individuele erven in een onregelmatig ritme aan één of beide kan- ten langs de weg. West- en Oost-Graftdijk bestaan oorspronkelijk uit een éénzijdig lint langs de kanaaldijk. De bebouwingslinten zijn geënt op de ontginningsassen uit de vroege middeleeuwen van waaruit het veengebied is ontgonnen.
Analyse gebied, SRO
De locatie grenst aan een deel van de Oost-Graftdijk waar er sprake is van wisse- lende doorkijkjes naar het achtergelegen veenweidenlandschap. Deze wisselende doorkijkjes worden beperkt door bebouwing of groenelementen. De planlocatie be- slaat twee percelen in het veenweidenlandschap, een deel voor de paardenbak en een deel voor de nieuwe stal. Aan de achterzijde van het perceel is er een erfafschei- ding met enkele solitaire bomen die het zicht op de stal en het perceel, gezien vanaf de provinciale weg N244 blokkeren. Vanaf de Kanaaldijk is er overigens ook geen zicht op, er staat een ononderbroken strook bebouwing tussen. Alleen vanaf de noor- delijk daarvan gelegen parallelweg is er dus zicht op de locatie, gedurende een relatief klein deel. Deze parallelle weg dient ter ontsluiting van de achtererven en het landelijk gebied van de bebouwing langs de dijk, heeft geen functie voor doorstromend verkeer en wordt verder alleen door wandelaars gebruikt (fietsers pakken de dijk) .
Het agrarisch verleden van Oostgraftdijk is onder meer nog leesbaar aan enkele aan- wezige stolpboerderijen. Stolpen zijn van oorsprong Noord-Hollandse boerderijen die werden gebouwd vanaf de 16e eeuw. Een stolp heeft bijzondere kenmerken: een hou- ten vier- of zeskant dat de kapconstructie draagt (zie navolgende afbeelding) Onder .
dit dak was plaats voor de boerenfamilie, het vee, het hooi, de wagens en andere werktuigen. Momenteel is de bebouwing vooral als woning in gebruik. Er komt vrijwel alleen traditionele bebouwing voor, in dorpse stijl.
Uitzondering op de woonfunctie vormt het agrarisch bedrijf Stal van Tiel, een paarden- fokkerij, aan de Oostgraftdijk 92a. In de huidige situatie worden de paarden gestald in een historische veeschuur, zoals aangegeven een gemeentelijk monument. Ze be- staat uit gepotdekseld zwart houtwerk met rode pannen. De paarden werden getraind in een paardenbak van derden, gelegen op enkele kilometers. Dit gebruik is daar door
12
eigenaar echter gestaakt, zodat gekeken is naar de mogelijkheden deze op eigen ter- rein te realiseren.
Het bedrijf omvat tevens ca. 3, 5 ha land (exclusief erf) gelegen ten noorden van de ,
stal en voornamelijk bestaande uit grasland, die als zodanig door de Stal van Tiel wor- den onderhouden. De hierna zichtbare slootjes worden door het bedrijf ook onderhou- den, doch zijn in eigendom van het Hoogheemraadschap Noordhollands Noorder- kwartier.
13
Aanduiding grond in eigendom
2. 2 Het plan
Er is gelet op bovenstaande nagedacht over hoe een gunstig perspectief ter plaatse kan worden gerealiseerd, waarbij tegelijk de kleinschaligheid en de landschappelijke kwaliteiten geborgd worden. Dit mede indachtig de jurisprudentie dat een bedrijf ook altijd voldoende planologische mogelijkheden geboden moet worden zodat een suc- cesvolle onderneming geëxploiteerd kan worden 5 .
Voor de wintermaanden is momenteel ter plaatse geen adequate voorziening aanwe- zig. Beweiding op gras is in de wintermaanden gezien de natte bodemgesteldheid niet mogelijk; de paarden zakken dan weg in de venige, modderige grond. Ook kunnen in- fecties ontstaan. Anders dan bij koeien is het vanuit dierenwelzijnoogpunt niet moge- lijk paarden de gehele winter op stal te houden. Bovendien is het bij de opfok van
5 Zie bijvoorbeeld ECLI: NL: RVS: 2009: BK5866
14
paarden noodzakelijk dat ze buiten afgericht en getraind kunnen worden. Een en an- der volgt ook uit richtlijn 3 van de sectorraad Paard en het paardenbesluit van de Die- renbescherming.
Paarden dienen dagelijks buiten de box te komen tenzij ziekte van het dier dit belem- mert. Naast de training of ander gebruik dient het paard zoveel mogelijk beweging te krijgen afhankelijk van de mogelijkheden. Inclusief training of ander gebruik, minimaal 4 uur per dag. De Dierenbescherming spreekt in het paardenbesluit van vrije bewe- ging. Dit is en blijft wel maatwerk, mede afhankelijk van de behoeften en mogelijkhe- den van het paard. De sector zet in op motivatie van de paardenhouder om voor zijn paard (en) een adequate aanpak te vinden.
Zoals aangegeven, werd er gebruik gemaakt van een nabij gelegen paardenbak die er nu niet meer is. Het is gewenst dat er ter plaatse een wintervoorziening in de vorm van een loswerk (rij) bak gerealiseerd wordt. Ten 1 e omdat jonge paarden niet gesteld zijn op vervoer in een trailer en het 2x per dag vervoer (van en naar de stal) zowel tij- dens het verblijf op stal als buiten merkbaar tot onrust en onbehagen bij de dieren leidt, ook onderling. Ten 2 e gaat het om in wezen onnodige verkeersbewegingen, van- uit bedrijfslogistiek en efficiency oogpunt een ongewenste situatie. Het belast boven- dien de infrastructuur ter plaatse onnodig: de vaak smalle wegen zijn niet goed uitge- rust voor het rijden met zwaar materieel. Met eveneens het oogmerk dierenwelzijn zijn enige paddocks ook noodzakelijk als wintervoorziening: hier kunnen de paarden zich vrij bewegen en indien nodig afzonderlijk van elkaar. Tot slot betreft de VOF een jong bedrijf, dat recent is opgestart. Het bedrijf wordt gerund door een jonge onderneem- ster zonder groot winstoogmerk maar om het bedrijf enigszins rendabel te kunnen la- ten zijn wordt een bescheiden tweede stal voor 2 á 3 extra paarden + opslag gewenst geacht.
Met deze gedachte in het achterhoofd wordt overwogen dat het bieden van enkele aanvullende mogelijkheden in ruimtelijk, landschappelijk, maatschappelijk-sociaal, economisch opzicht en vanuit dierenwelzijn aanvaardbaar geacht moet worden. Zeker gelet op de kleinschaligheid van de plannen in combinatie met de intentie de grootst mogelijke zorgvuldigheid te betrachten als het gaat om landschappelijke inpassing (desgewenst kan een beeldkwaliteitsplan/landschappelijk inpassingsplan opgesteld worden) Een belangrijke overweging is ook dat het bedrijf 3, 5 hectare land onder- .
houdt. Het gaat dan o. a. om het baggeren van slootjes en het hooien van het gras. Het door de gemeente en provincie zo waardevol geachte weidelandschap, openheid en slotenpatroon blijft op die manier in stand. Dat geldt ook voor de monumentale vee- schuur. Een positief economisch bedrijfsperspectief is nodig blijvend te kunnen inves- teren in onderhoud van het pand. Zodoende kan een cultuurhistorisch waardevol pand voor huidig en toekomstig generaties worden behouden. Uit recente jurisprudentie blijkt dat omwille van de wens tot behoud en herstel van cultuurhistorisch waardevolle panden er planologische mogelijkheden kunnen worden geboden waaruit de beno- digde inkomsten gegenereerd kunnen worden 6 .
De wintervoorziening, ofwel paardenbak, wordt met een haag omheind. Hagen heb- ben bieden bovendien een voordeel voor de natuur. Hagen dragen bijvoorbeeld bij
6 ECLI: NL: RVS: 2022: 252
15
aan de biodiversiteit, muizenplagen en zorgen voor CO2 afvang”. het voorkomen van
Het gaat om een lage beukenhaag (tot 1 m hoog), afgewisseld met meidoorn. Een
omheining rondom de bak is nodig voor jonge paarden om binnen de bakgrens te blij- ven. Door de keuze voor een haag in tegenstelling tot hekwerken ontstaat er een
groen beeld en door deze haag laag te houden blijft de karakteristieke openheid van het landschap behouden.
Daarvoor komen enkele paddocks. Ook deze voorzieningen dient voor het dierenwel- zijn. In de winter voor de frisse lucht het vrij kunnen bewegen, wat in de winter niet en
mogelijk is op het land. In de zomer is de voorziening er als er paarden zijn die last hebben van insulineresistentie (verstoord suikermetabolisme). Dit komt met enige re-
gelmaat voor. Hierdoor is het voor de paarden niet mogelijk om een periode op het gras te staan omdat er in gras teveel suikers aanwezig zijn. Meerdere paddocks zijn daarbij noodzakelijk om paarden gelijktijdig buiten te kunnen zetten (paarden zijn kud- dedieren en blijven niet graag alleen achter in stal of op het land. Tevens kunnen niet
alle paarden samen in 1 paddock staan omdat de ruimte beperkt is en zij daardoor
niet kunnen vluchten als 1 van de paarden dominant is/wordt. De voorziening dient op
dat moment ook ter bescherming van de veulens, die zijn nog erg kwetsbaar om zich
in een groep bevinden met een beperkte ruimte. Overwogen is volledigheidshalve nog
wel de paddocks ook met een haag te realiseren, maar dit wordt landschappelijk niet
gewenst geacht (alsook niet door de omgeving): het beeld van meerdere paddocks naast elkaar met een haag komt de transparantie en openheid niet ten goede, iets wat
je wel bereikt met enkele hekwerken, die uit traditioneel materiaal zullen bestaan.
Het nieuwe hekwerk voor de paddock uitbreiding sluit aan op het huidige hek en zal
ongeveer dezelfde hoogte aanhouden (1,30 m). Omdat zowel de haag en hekwerk dicht bij de grond zullen blijven zal het zicht niet worden belemmerd naar het achter- gebied. De situering van paardenbak en paddocks volgen de richting van de kavels- loot en zijn beide op het oostelijke deel van de open kavel tussen de vier kavelsloten
ingepast, dicht tegen het bebouwde erf. Het kenmerkende kavelpatroon blijft hierdoor intact en het westelijke deel van de kavel blijft volledig vrij van ingrepen. De effecten
van de inpassing van de paardenbak en paddocks worden verzacht doordat de paral-
lelweg hoger ligt dan de polder. Deze parallelweg is tevens ook geen doorgaande weg. Verder kan er worden beargumenteerd dat het zicht op de polder vanaf de door- gaande weg (Kanaaldijk) volledig is onttrokken door het gesloten bebouwingslint. Vanaf de provinciale weg (N 244) is de nieuwe inpassing ook niet zichtbaar door de
grote afstand.
Voor een efficiënte bedrijfsvoering wordt een tweede stal voorzien. De voorgestelde locatie van de nieuwe stal is op hetzelfde perceel als de originele historische stal. De
nieuwe stal wordt gerealiseerd achter de bestaande stal en zal daarom niet zichtbaar zijn vanaf de straat. Aan de achterzijde van het perceel wordt het zicht op de stal ont- trokken door een bomenreeks.
De nieuwe stal zal in dezelfde kleurstelling zijn als de oude stal. Verder is er ook de
wens om zonnepanelen te plaatsen op de nieuwe stal. Ten behoeve van deze nieuwe
7 Eris recent een boekje uitgebracht waarin de biovoordelen van de heg worden beschreven
Heg door (geanonimiseerd) -
Managementboek.nl
stal zal tevens ook de caravan en schuurtje worden verwijderd zodat er per saldo de ruimtelijke kwaliteit verbeterd. Hierdoor ontstaan meer mogelijkheden voor binnenopslag in plaats van buitenopslag, wat in visueel opzicht een verbetering is. De stal dient bedrijfseconomische doeleinden (het bedrijf kan iets uitgebreid worden) maar ook dierenwelzijnsdoeleinden: strobalen kunnen grootschaliger worden inge- kocht en dus goedkoper en kunnen worden opgeslagen in de nieuwe schuur. Daar- naast wordt de beschikbare stalruimte per paard groter en kan er aan de stal een uit- loopmogelijkheid worden gemaakt waardoor de jonge paarden zelf kunnen beslissen of zij binnen of buiten willen zijn. Een overweging vormt voorts, dat de stal gebouwd wordt volgens hetgeen maximaal vergunningsvrij mogelijk zou zijn, zowel qua opper- vlakte als goot- en bouwhoogte.
De opslag van balen hooi zal zoveel mogelijk uit het zicht worden geplaatst. Daar waar mogelijk direct achter de bestaande stal, en op piekmomenten (voorjaar) worden de balen die daar niet passen verder naar achteren op het terrein geplaatst, achter een hoogopgaande bomenrij, en derhalve ook niet zichtbaar.
Nieuwe situatie Oostgraftdijk 92a, SRO
De bestaande mestplaat wordt verplaatst en vervangen voor een iets grotere. Deze wordt, vloeistofdicht met grotendeels een dak erboven. Dit is nodig omdat het aantal paarden iets toeneemt en gelet op de normstelling (Maat is ca 8 x 7, 5 x 1, 5 = 90 m 3 .
De norm voor paarden is 7, 8 m 3 per paard 8 (tabel hieronder) Dit zou dus betekenen .
maximaal 11 paarden. Echter het maximum qua stallen en erf zal uitkomen op 8 paar- den. Dit aantal paarden zal er hooguit een aantal keer zijn maar niet standaard, dus is echt het maximumaantal) .
8 Tabel 4 Diergebonden normen, RVO, 2023
17
Bijkomende voordelen van de geplande voorzieningen zijn dat minder verkeersbewe- gingen nodig zijn en dat het dierenwelzijn wordt bevorderd, en het bedrijf efficiënter gerund kan worden, en er zodoende een betere basis is voor een blijvend en besten- dig onderhoud van het achterliggende agrarisch weidegebied en de monumentale veeschuur. Positief is dat de ontsluiting van het bedrijf plaatsvindt via een landdijk aan de achterzijde van het land, zodat niet met zwaar materieel door het dorp gereden hoeft te worden. Het gaat hier blijkens de toelichting van het bestemmingsplan alsook de provinciale Omgevingsverordening (de locatie ligt in Bijzonder provinciaal land- schap) om landschappelijk en cultuurhistorisch waardevol gebied, zodat de beschre- ven gewenste situatie ook vanuit beleidsmatig oogpunt wenselijk is. Vanaf de dijk/straat zal de voorziening voorts niet zichtbaar zijn, omdat er een aaneengesloten bebouwingslint bevindt tussen dijk en land (er zijn hier geen doorkijkjes aanwezig).
Ook wanneer vanaf het parallelle toegangsweggetje naar de locatie wordt gekeken, zijn er geen landschappelijk ongewenste effecten. De voorziening wordt in de lengte- richting gerealiseerd, op geruime afstand van de weg en de omheining krijgt zoals aangegeven een natuurlijk karakter en is van beperkte hoogte. Er komen voorts geen lichtmasten. De voorziening gaat daarmee als het ware op in het landschap. Belang- rijk te vermelden is dat de buurt volledig achter de plannen staat en het agrarisch be- drijf steunt. De omgeving hecht belang aan een adequaat en verzorgd onderhoud en beheer van het land en waardeert de kleinschalige, plaatselijk passende levendigheid die het bedrijf met zich meebrengt.
In een landschappelijke studie 9 is zoals aangegeven nader ingegaan op landschappe- lijke effecten. De belangrijkste conclusies zijn in bovenstaande tekst verwerkt. Op na- volgende fotomontage is verder duidelijk gemaakt hoe het plan landschappelijk inpas- baar is. De maatregelen worden als voorwaardelijke verplichting gekoppeld aan de regels van dit bestemmingsplan, zodat zowel het realiseren als het in stand houden hiervan geborgd is. Er kan gelet op bovenstaande medewerking worden verleend. In navolgend hoofdstuk wordt getoetst aan ruimtelijk relevant beleid van diverse overhe- den en in het hoofdstuk aan milieu-en omgevingsaspecten.
9 Bijlage 1: Landschappelijke inpassing Oostgraftdijk 92a, SRO, 9 juni 2023
18
19
3 Beleidskader
3. 1 Algemeen
Planologische besluitvorming dient te passen binnen de ruimtelijke kaders die ontwor- pen worden op alle verschillende overheidsniveaus. Ter verkenning van de beleids- ruimte wordt daarom in dit hoofdstuk het ruimtelijk (relevante) beleid weergegeven.
3. 2 Rijksbeleid
3. 2. 1 Nationale Omgevingsvisie 2021
De kaders van het rijksbeleid op het gebied van de fysieke leefomgeving zijn opgeno- men in de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) De NOVI is op 11 september 2020 vast- .
gesteld en per 1 januari 2021 in werking getreden. De NOVI vervangt vanaf dat mo- ment de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR, 2012) .
Met de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) geeft het Rijk een langetermijnvisie op de toekomst en de ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. Nederland staat im- mers voor een aantal urgente opgaven, die zowel lokaal, nationaal als wereldwijd spe- len. Het zijn grote en complexe opgaven op het gebied van klimaatverandering, ener- gietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw. Deze opgaven zullen Nederland flink veranderen. De toenemende druk op de fysieke leefomgeving vraagt daarbij om een actiever Rijksoverheid. De NOVI stelt een integrale aanpak voor: integraal, samen met andere overheden en maatschappelijke organisatie, en met meer regie vanuit het Rijk. Regie vanuit het Rijk betekent echter niet het centrali- seren van taken en verantwoordelijkheden; wel het geven van richting op grote opga- ven en regie op goed samenspel, zowel publiek als publiek/privaat.
In de NOVI zijn de genoemde opgaven samengevat in vier prioriteiten: 1. ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; 2. een duurzaam en economisch groeipotentieel; 3. sterke en gezonde steden en regio's; 4. toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.
Om dit te bereiken worden 21 nationale belangen benoemt in de NOVI waarop de na- tionale overheid zich richt. Deze hebben onder andere betrekking op het zorgdragen voor een woningvoorraad die aansluit op de woonbehoeften, het waarborgen en reali- seren van een veilig, robuust en duurzaam mobiliteitssysteem, het beperken van klimaatverandering, het waarborgen van de hoofdinfrastructuur voor transport van stoffen via (buis) leidingen, het behouden en versterken van cultureel erf- goed en landschappelijke en natuurlijke kwaliteiten van (inter) nationaal belang en het verbeteren en beschermen van natuur en biodiversiteit.
Deze 21 nationale belangen hebben ook een relatie met het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zie ook paragraaf hierna. ,
20
Beoordeling en conclusie Er zijn geen Rijksbelangen in het geding.
3. 2. 2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening
Op 30 december 2011 is het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) in werking getreden. Voortaan moeten gemeenten bij het vaststellen van bestemmingsplannen, wijzigingsplannen of uitwerkingsplannen rekening houden met het Barro. Doel van het Barro is bepaalde onderwerpen van nationaal belang uit de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte te verwezenlijken. De volgende onderwerpen worden in het Barro genoemd: Rijksvaarwegen, Project Mainportontwikkeling Rotterdam, Kustfundament, Grote rivieren, Waddenzee en waddengebied, Defensie, Ecologische hoofdstructuur, Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde, Hoofdwegen en hoofdspoorwegen, Elektriciteitsvoorziening, Buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen, Primaire waterkeringen buiten het kustfundament en IJsselmeergebied (uitbreidingsruimte) .
Beoordeling en conclusie Het plan valt niet binnen de reikwijdte van één van de onderwerpen uit het Barro. Er zijn hierin daarom geen regels opgenomen die van belang zijn voor het onderhavige plangebied. Het plan is hierdoor niet strijdig met het Barro.
3. 2. 3 Ladder voor duurzame verstedelijking
Het laatste nationale belang, zorgvuldige afweging, is verankerd in het Besluit ruimte- lijke ordening. De regeling komt er op neer dat van bepaalde ontwikkelingen nut en noodzaak dient te worden aangetoond. Op 1 oktober 2012 is de ‘Ladder voor duur- zame verstedelijking’ toegevoegd aan het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) Op 1 juli .
2017 is een wijziging van het Bro in werking getreden, waarbij de Ladder voor duur- zame verstedelijking is aangepast. De (gewijzigde) Ladder is in artikel 3. 1. 6 lid 2 Bro vastgelegd en luidt als volgt: De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt bui- ten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.
Het doel dat hiermee wordt beoogd is het stimuleren van zuinig en zorgvuldig ruimte- gebruik en het bewerkstelligen van een goede ruimtelijke ordening, onder meer door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden, het bevorderen van vraaggerichte programmering en het voorkomen van overprogrammering. Met de lad- der wordt een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke besluiten nagestreefd. Een nieuwe stedelijke ontwikkeling moet daarom altijd worden afgewogen en gemotiveerd. Daarbij moet een beschrijving worden gegeven van de behoefte aan de betreffende ontwikkeling. Indien de ontwikkeling buiten bestaand ste- delijk gebied mogelijk wordt gemaakt, dient te worden gemotiveerd waarom de ontwik- keling niet binnen bestaand stedelijk gebied wordt voorzien.
Wat onder ‘stedelijke ontwikkeling’ en ‘bestaand stedelijk gebied’ wordt verstaan is in het Bro opgenomen en verder uitgekristalliseerd in jurisprudentie. Een stedelijke ont- wikkeling is volgens het Bro ‘een ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of
21
zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stede- lijke voorzieningen’. Onder ‘bestaand stedelijk gebied’ verstaat het Bro een ‘bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverle- ning, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur’.
Niet elke ontwikkeling van stedelijke aard wordt door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State aangemerkt als een stedelijke ontwikkeling in de zin van de ladder. Uit enkele uitspraken blijkt dat plannen tot 11 woningen niet als stedelijke ont- wikkeling zijn aan te merken. Zie onder meer 201308263/2/R4 en 201302867/1/R4- 201501297/1/R4. Ook inpandige functiewijzigingen zijn in beginsel niet als stedelijke ontwikkeling aan te merken. Zie onder meer een uitspraak van de Afdeling van 24 augustus 2016 (ECLI: NL: RVS: 2016: 2316) of de uitspraak van de Afdeling van 21 ja- nuari 2015 (ECLI: NL: RVS: 2015: 96) inzake een functiewijziging van een restaurant. Bedrijfsuitbreidingen tot 400 m 2 (ECLI: NL: RVS: 2014: 4409) of van een winkel met 400 m 2 (ECLI: NL: RVS: 2014: 4409) of van een kantoor met 540 m 2 (201506789/1/A1) wor- ,
den niet gezien als stedelijke ontwikkeling. Uitzondering hierop vormt een ontwikkeling waarvan de aard en impact zodanig substantieel is dat deze aanleiding geeft de ont- wikkeling wel als stedelijke ontwikkeling te merken. Een functiewijziging naar een ho- tel met 160 kamers is daar een voorbeeld van (ECLI: NL: RVS: 2016: 1064) .
Beoordeling en conclusie Onderhavig plan betreft het positief bestemmen van een reeds lange tijd aanwezige monumentale stal. Er wordt geen nieuw agrarisch bedrijf toegestaan: het bedrijf is reeds aanwezig en mag dat ook zijn op basis van het bestemmingsplan. Onder deze omstandigheden is geen sprake van een stedelijke ontwikkeling als bedoeld in het Bro. De voorziene tweede stal, paardenbak en paddocks kunnen vergunningsvrij wor- den gerealiseerd, en vallen daarmee buiten de reikwijdte van de Ladder. Resteert de mestplaat. Dit betreft een zodanig kleine ontwikkeling, dat ook niet gesproken kan worden van de stedelijke ontwikkeling. Het plan hoeft daarom niet verder getoetst aan de Ladder.
3. 3 Provinciaal beleid
3. 3. 1 Omgevingsvisie NH2050 (2018)
De Omgevingsvisie NH2050 is op 19 november 2018 door Provinciale Staten (PS) vastgesteld. In de Omgevingsvisie NH2050 staat een duurzame ontwikkeling van de fysieke leefomgeving centraal. De leefomgeving is de basis is, met een samenleving die wensen en behoeften heeft en de leefomgeving gebruikt voor ruimtelijk- economi- sche ontwikkelingen. De hoofdambitie is gericht op een goede balans tussen econo- mische groei en leefbaarheid.
De belangrijkste onderwerpen zijn: 1. Klimaatverandering bedreigt onze leefomgeving; de ambitie is een klimaatbe- stendig en waterrobuust Noord-Holland; 2. Verbetering van bodem, water- en luchtkwaliteit; de ambitie is het behouden en waar mogelijk verbeteren van de kwaliteit van de fysieke leefomgeving 3. Biodiversiteit; de ambitie luidt deze te vergroten;
22
4. Economische transitie; ambitie is een duurzame economie, met innovatie als belangrijke motor; 5. Energietransitie; de ambitie is dat Noord-Holland als samenleving in 2050 vol- ledig klimaatneutraal en gebaseerd is op (een maximale inzet op opwekking van) hernieuwbare energie; 6. Mobiliteit: de ambitie is dat de inwoners en bedrijven van Noord-Holland zich- zelf of producten effectief, veilig en efficiënt kunnen verplaatsen, waarbij de negatieve gevolgen van de mobiliteit op klimaat, gezondheid, natuur en land- schap steeds nadrukkelijk meegewogen worden; 7. Wonen en Werken: de ambitie is dat vraag en aanbod van woon- en werklo- caties (kwantitatief en kwalitatief) beter met elkaar in overeenstemming zijn; 8. Landschap: de ambitie is het benoemen, behouden en versterken van de unieke kwaliteiten van de diverse landschappen en de cultuurhistorie.
Relevant zijn thema 6 en 7. Met het plan kan een bedrijf zich blijvend vestigen in Noord-Holland, waarbij aandacht is voor gezondheid (dierenwelzijn) natuur (o. a. haag ,
om paardenbak) en landschap (zie bijlage 1 en hoofdstuk 2) Daarnaast zijn de land- .
schappelijke en cultuurhistorische kwaliteiten benoemd en worden deze niet oneven- redig aangetast. Sterker nog, met het positief bestemmen van de monumentale vee- schuur ontstaat een betere planologische basis deze te behouden en te onderhouden. Tevens wordt een gunstig perspectief geboden aan een agrarisch bedrijf, zodat deze blijvend het waardevol grasland met slootjes kan onderhouden. Het initiatief past bin- nen de Omgevingsvisie.
3. 3. 2 Omgevingsverordening NH2020 (2020)
Op 11 november 2020 is de Omgevingsverordening NH2020 vastgesteld. In de veror- dening staan de regels waaraan bestemmingsplannen moeten voldoen. In de verorde- ning zijn regels opgenomen over onderwerpen in zowel het landelijke als het stedelijke gebied van Noord-Holland waar een provinciaal belang mee gemoeid is. Een deel van de regels is alleen van toepassing voor het landelijk gebied.
Beoordeling en conclusie Het plan is zoals aangegeven niet als stedelijke ontwikkeling aan te merken. De pro- vincie hanteert voor het begrip stedelijke ontwikkeling namelijk hetzelfde begrip als het Besluit ruimtelijke ordening (zie paragraaf 3. 2. 3) .
23
Wel ligt de locatie binnen Bijzonder provinciaal landschap (Bpl) alsook binnen de Stel- ling van Amsterdam en het werkingsgebied Landelijk Gebied MRA.
Uitsnede provinciale omgevingsverordening
Voor de ligging binnen de Stelling van Amsterdam is vooral van belang dat het plan- gebied wel binnen een inundatieveld ligt (lichtblauw op afbeelding rechtsonder) maar ,
niet binnen een Verboden Kring rondom een fort of vesting (groen op afbeelding rechtsonder) die traditioneel gezien zoveel mogelijk open moesten blijven om een vrij ,
schootsveld te behouden. De ligging binnen positievuur forten en pantserkoepels en flankementen levert ook geen beperking op.
Uitsneden Stelling van Amsterdam
24
Het gebied ligt ook niet in één van de deelgebieden waar het beeldkwaliteitsplan Stel- ling van Amsterdam van de provincie Noord-Holland speciale aandacht voor vraagt, zie hieronder.
In artikel 6. 46 is hieromtrent het volgende geregeld:
1. De kernkwaliteiten van het Bijzonder provinciaal landschap zijn vastgelegd in Bijlage 6. 2. Een ruimtelijk plan ter plaatse van het werkingsgebied Bijzonder provinciaal landschap bevat regels ter bescherming van de voorkomende kernkwaliteiten. 3. In afwijking van artikel 6. 3 bevat het ruimtelijk plan geen regels die een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maken. 4. Het ruimtelijk plan kan regels bevatten die een andere nieuwe ruimtelijke ont- wikkeling dan een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, mits deze ontwikkeling de voorkomende kernkwaliteiten niet aantast. 5. De toelichting op het ruimtelijk plan bevat een beschrijving van de voorko- mende kernkwaliteiten en een motivering van de wijze waarop wordt voldaan aan het tweede en, indien van toepassing, het vierde lid. 6. Indien uit de motivering volgt dat maatregelen noodzakelijk zijn om te voldoen aan het bepaalde in het vierde lid, dan dient de uitvoering hiervan te zijn ge- borgd bij de vaststelling van het ruimtelijk plan. 7. In afwijking van het vierde lid kan het ruimtelijk plan regels bevatten die de volgende ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk maken: a. een uitbreiding van een agrarisch bouwperceel tot maximaal twee hectare; of b. nieuwe bebouwings- en functiemogelijkheden op grond van artikel 6. 33, eerste lid, onder e en f en artikel 6. 33, tweede en derde lid. 8.
In afwijking van het derde en vierde lid kan het ruimtelijk plan een nieuwe ste- delijke ontwikkeling of een andere nieuwe ruimtelijke ontwikkeling die de kern- kwaliteiten aantast mogelijk maken, indien: a. er sprake is van groot openbaar belang; b. er geen reële alternatieven zijn; en c. de aantasting zoveel mogelijk wordt beperkt en de aantasting wordt gecompenseerd. 9. In afwijking van het derde en vierde lid kan het ruimtelijk plan voorzien in wo- ningbouw overeenkomstig de afspraken tussen Rijk, provincie en betrokken gemeenten met betrekking tot de Pilot Waterland.
25
10. Gedeputeerde Staten kunnen nadere regels stellen over de motivering als be- doeld in het vijfde lid en over de wijze van compensatie als bedoeld in het achtste lid, aanhef en onderdeel c. 11. Gedeputeerde Staten kunnen de kernkwaliteiten zoals opgenomen in Bijlage 6 wijzigen.
Het Bijzonder Provinciaal Landschap (BPL) is het regime voor bescherming en waar mogelijk versterking en ontwikkeling van gebieden in Noord-Holland die landschappe- lijk, aardkundig, ecologisch of cultuurhistorisch van bijzondere waarde zijn. Het BPL is beschreven in kernkwaliteiten per deelgebied. De voormalige beschermingsregimes Bufferzones, Aardkundig Monument en Weidevogelleefgebied zijn geborgd in de kern- kwaliteiten. In het BPL zijn ruimtelijke ontwikkelingen, met uitzondering van nieuwe stedelijke ont- wikkelingen, toegestaan wanneer de beschreven kernkwaliteiten niet worden aange- tast. Per locatie kan aan de hand van de kernkwaliteiten een zorgvuldige afweging worden gemaakt welke ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk en welke niet wenselijk zijn. Hierdoor is er ruimte voor maatwerk en gebiedsgerichte differentiatie. In de ruim- telijke onderbouwing van een bestemmingsplan dat een ontwikkeling in het BPL mo- gelijk maakt, moet worden gemotiveerd dat de ter plaatse geldende kernkwaliteiten niet worden aangetast. In lijn met de provinciale Leidraad Landschap en Cultuurhistorie zijn de kernkwaliteiten beschreven aan de hand van drie provinciale kernwaarden: 1. Landschappelijke karakteristiek: de landschapstypen en de belangrijkste kenmer- ken van deze landschappen. 2. Openheid en ruimtebeleving: de beleving van de ruimte, de horizon en de oriënta- tiepunten. 3.
Ruimtelijke dragers: de driedimensionale structuren en lijnen die in het (vlakke) landschap het beeld bepalen en begrenzen.
Voorts ligt het plan binnen het werkingsgebied Landelijk Gebied, Noord-Holland- Noord.
Uitsnede omgevingsverordening provincie NH, Landelijk gebied
In artikel 6. 59 is het volgende geregeld: Ruimtelijke kwaliteitseis ingeval van een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling in het landelijk gebied
26
1. Gedeputeerde Staten stellen de Leidraad Landschap en Cultuurhistorie vast, die de provinciale belangen beschrijft ten aanzien van landschappelijke en 2. cultuurhistorische waarden. 3. Bij de inpassing van een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling ter plaatse van het werkingsgebied landelijk gebied, wordt in het ruimtelijk plan, gelet op de Leidraad Landschap en Cultuurhistorie: a. rekening gehouden met: de ambities en ontwikkelprincipes van het toepasselijke ensemble en van de toepasselijke provinciale struc- turen; b. bij de inpassing betrokken: de kansen zoals beschreven bij de ambi- ties en ontwikkelprincipes; en c. bij de inpassing betrokken: de ontstaansgeschiedenis en de kern- waarden van het toepasselijke ensemble en van de toepasselijke pro- vinciale structuren. 4. (. ) ñ. v. t .
5. De toelichting van een ruimtelijk plan bevat een motivering waaruit moet blijken dat voldaan is aan het bepaalde in het tweede lid. 6. Gedeputeerde Staten, het dagelijks bestuur van het betrokken waterschap of het college van burgemeester en wethouders van de betrokken gemeente kunnen de Adviescommissie Ruimtelijke Ontwikkeling om advies vragen, ook in een vroeg stadium, inzake de locatieafweging of de ruimtelijke inpassing.
In de Leidraad voor Landschap en Cultuurhistorie ligt het gebied binnen het ensemble Schermer-Beemster. Van belang voor dit plan is vooral dat het veenpolderlandschap met slotenpatroon behouden moet blijven. Daar is juist sprake van: niet alleen worden geen sloten gedempt, maar de bestaande sloten worden door het bedrijf onderhouden hetgeen alleen kan als er een inkomen gegenereerd kan worden uit het agrarisch be- drijf.
Uitsnede Leidraad voor Landschap en Cultuurhistorie
Voortbordurend op de Leidraad: De provincie geeft aan dat ensemble grote verschillen toont in de beleving van de openheid en de verschillende indelingen van ruimte (wa- ter- en wegstructuren) Beide geometrische droogmakerijen hebben een rand van .
27
grillige hoge boezemdijken. Het maaiveld van de polder ligt aanzienlijk lager dan de dijk. De markante randen vormen een scherpe grens tussen de verschillende land- schappelijke eenheden. De Eilandspolder is een zeer open landschap met enkele ruimtelijke onderbrekingen in de vorm van bebouwingslinten (gedeelde ruimte) .
In het veen liggen enkele kleinere droogmakerijen. Ze zijn niet of nauwelijks waar- neembaar vanuit het hoger gelegen veengebied.
Ruimtelijke dragers In het tussenliggende veengebied van de Eilandspolder en de polder Mijzen zijn de lintdorpen Grootschermer, De Rijp, Graft en Schermerhorn beeldbepalend en dra- gende structuren.
28
Ambities en Ontwikkelprincipes De algemene ambitie is om ruimtelijke ontwikkelingen: bij te laten dragen aan het zichtbaar en herkenbaar houden van de landschappe- lijke karakteristiek bij te laten dragen aan het versterken van (de beleving van) openheid en helder te positioneren ten opzichte van de ruimtelijke dragers. Onderstaande ambities en de bijbehorende ontwikkelprincipes zijn vertrekpunt bij het streven naar ruimtelijke kwaliteit. 1. De drie deelgebieden vormen een contrastrijk ensemble De combinatie van veenpolderlandschap en de twee grote droogmakerijen zorgt voor grote contrasten in landschapstypen, landschapsstructuren en beleving. Het veenpol- derlandschap van de Eilandspolder en de polder Mijzen ligt ingesloten tussen de ring- dijken van de droogmakerijen de Schermer en de Beemster.
Ruimtelijke kwaliteit is gebaat bij:
het behouden en versterken van de contrasten tussen de drie landschappelijke deelgebieden. De drie gebieden verschillen in hoogteligging, waterhuishouding, verkaveling en grondgebruik. Des te helderder deze verschillen blijven, des te beter de ontstaansge- schiedenis afleesbaar is. > Sluit bij ruimtelijke ontwikkelingen aan bij de landschappelijke karakteristiek van het betreffende deelgebied. het manifest houden van de landschappelijke overgangen vanaf de hoofdwe- gen. De ringdijken markeren de randen van de droogmakerijen en vormen landschappelijke overgangen. De ringdijk van de Schermer wordt gekenmerkt door een kronkelige vorm en is vrij van beplanting, de ringdijk van de Beemster is beplant. > Zorg dat de ringdijken als autonome, heldere randen in het landschap zichtbaar blij- ven.
29
3. Eilandspolder en polder Mijzen: fijnmazige veenpolders met bijzondere verkavelin- gen
Deze veenpolders kenmerken zich door goed bewaard gebleven middeleeuwse ver- kavelingen en zijn van aardkundige waarde.
Ruimtelijke kwaliteit is gebaat bij: behoud van de verschillende typen veenverkaveling. > Behoud het patroon van waterlopen. > Respecteer ook bij natuurontwikkeling de verschillen in kaveltypen.
30
> Houd de randen van de kleine droogmakerijen binnen de Eilandspolder herkenbaar.
beperking van verdichting in het landschap. > Concentreer bebouwing hier aan de linten, maar houd deze wel transparant met doorzichten tussen de bebouwing. Ontwikkel per kavel in de verkavelingsrichting. > Beperk het toepassen van (weg) beplanting buiten de kernen. 6. Overige ontwikkelprincipes De ruimtelijke kwaliteit is gebaat bij: het behouden en het zichtbaar/beleefbaar blijven van de huidige verkavelings- structuur (inclusief sloten) bij (semi-) tijdelijke functies en opstellingen in het landschap, zoals voor zonne-energie. Zorg voor een ruime landschappelijke be- grenzing van het terrein, die aansluit op het bestaande omringende landschap; ver- mijd hoge hekken in het landschap. Streef ernaar dat de opstelling kwaliteit toevoegt aan het bestaande landschap Het plan past binnen de Leidraad omdat zoals de aangegeven de karakteristieke wa- terlopen behouden blijven, sterker nog het behoud daarvan wordt beter bestendigd door het agrarisch bedrijf een gunstig toekomstperspectief te bieden. Dat geldt ook voor de instandhouding van het veengebied. Van aantasting van openheid vanaf de dijk is zoals aangegeven ook geen sprake.
In een landschappelijke studie, als bijlage toegevoegd 10 is nader ingegaan op de ,
landschappelijke inpassing. In hoofdstuk 2 zijn een analyse en de belangrijkste bevin- dingen al benoemd.
In de studie wordt verder nog aangegeven dat op de locatie van de nieuwe stal staat al een reeks bomen die als erfafscheiding dienen, het voorstel is om nog twee streek- eigen bomen (meidoorn) hieraan toe te voegen om de nieuwe stal in te dekken. Hier- door is de nieuwe stal ook ingedekt vanaf de noordzijde. Aan deze voorstel zal wor- den voldaan. De paddocks en paardenbak liggen in het lager gelegen weidegebied van de polder (gezien vanaf de verhoogde Oost-Graftdijk) Een lage beukenhaag (tot 1m hoog) .
vormt een afscheiding voor de paardenbak. Door de keuze voor een haag in tegen- stelling tot hekwerken ontstaat er een groen beeld en door deze haag laag te houden, in het lager gelegen weidegebied, blijft de karakteristieke openheid van het landschap behouden.
10 Bijlage 1: Landschappelijke inpassing Oostgraftdijk 92a, SRO, 6 maart 2023
31
Het nieuwe hekwerk voor de paddock uitbreiding sluit aan op het huidige hek en zal dezelfde hoogte aanhouden (1, 30m) Omdat zowel de haag en hekwerk dicht bij de .
grond zullen blijven zal het zicht niet worden belemmerd naar het achtergebied. De si- tuering van paardenbak en paddocks volgen de richting van de kavelsloot en zijn beide op het oostelijke deel van de open kavel tussen de vier kavelsloten ingepast, dicht tegen het bebouwde erf. Het kenmerkende kavelpatroon blijft hierdoor intact en het westelijke deel van de kavel blijft volledig vrij van ingrepen. De effecten van de in- passing van de paardenbak en paddocks worden verzacht doordat de parallelweg ho- ger ligt dan de polder. Deze parallelweg is er verder alleen voor lokaal verkeer, het heeft geen functie voor doorgaand verkeer. Verder kan er worden beargumenteerd dat het zicht op de polder vanaf de doorgaande weg (Kanaaldijk) volledig is onttrokken door het gesloten bebouwingslint. Vanaf de provinciale weg (N244) is de nieuwe in- passing ook niet zichtbaar door de grote afstand.
In voornoemde landschappelijke studie en in hoofdstuk 2 is een en ander ook visueel weergegeven. Gelet op bovenstaande worden de kernkwaliteiten van het BPL niet on- evenredig aangetast.
3. 4 Gemeentelijk beleid
3. 4. 1 Omgevingsvisie Alkmaar 2020
De Omgevingsvisie Alkmaar 2040 is vastgesteld in 2017 en behelst een strategisch beleidsdocument dat betrekking heeft op de fysieke leefomgeving van Alkmaar. De visie biedt een stevig handvat om op hoofdlijnen sturing te geven aan de ontwikkeling van stad en land tot 2040. Doel van deze ambities is Alkmaar goed te laten fungeren als een gemeente met een complete stad met gezonde stadsvoorzieningen, een inno- vatief en toekomstbestendig buitengebied, een brede werkgelegenheid, een aantrek- kelijk aanbod voor bezoekers en een prettig leefmilieu voor bewoners, inclusief een gezond sport- en recreatieklimaat.
Relevant voor dit plan is met name Ambitie III: Toekomstbestendig en innovatief lan- delijk gebied Alkmaar streeft naar behoud van het landschap en haar karakteristieken en faciliteert tegelijkertijd veranderingen in de landbouw, zoals schaalvergroting. In het landelijk ge- bied is naast volledig agrarische bedrijven ook plaats voor kleinschalige recreatieve initiatieven om gebruik van het gebied te stimuleren. Het beter toegankelijk maken van het landelijk gebied gebeurt onder meer door het toevoegen van nieuwe recreatieve routes. Alkmaar streeft naar het oplossen van bodemdaling en verzilting en wil bijdragen in het verbeteren van de waterkwaliteit. De gemeente faciliteert daar- naast initiatieven om wateroverlast- en tekorten in het landelijk gebied te voorkomen. Bij het ontwikkelen van dorpen geldt de oorspronkelijke dorpsstructuur als leidend ruimtelijk uitgangspunt.
De ambities luiden: • Begeleiden schaalvergroting agrarische bouwvlakken • Passende invulling vrijkomende agrarische bouwvlakken • Meer ruimte voor kleinschalige initiatieven • Ruimte voor innovatieve landbouw om het veenweidegebied tebehouden
32
• Dialoog starten over toekomstige waterproblematiek • Opvangen van de gevolgen van bodemdaling en verzilting • Versterken cultuurhistorische kenmerken landschap • Versterken identiteit en vitaliteit dorpen
Uitsnede omgevingsvisie
Kleinschalige initiatieven Naast volledig agrarische bedrijven is er in het landelijk gebied plaats voor kleinscha- lige recreatieve initiatieven om het toeristisch gebruik van het gebied te stimuleren. Mengvormen van agrarische bedrijvigheid met recreatieve nevenactiviteiten zijn denk- baar.
Innovatieve landbouw behoudt veenweidegebied Het behoud van de veenweidegebieden is belangrijk vanuit landschappelijk en recrea- tief oogpunt. Ook milieutechnisch levert goed beheer van de gebieden door het tegen- gaan van het vrijkomen van CO2-gassen een positief effect op. Het beheer van het gebied is prijzig en kosten zullen met de klimaatverandering op komst verder stijgen. Traditionele economische agrarische modellen (huidige vormen van landbouwbedrij- ven en veeteelt) komen daardoor onder druk te staan. Daarom zet Alkmaar ook in op alternatieve vormen van landbouw, zoals natte teelten. Ook kleinschalige ontwikkelin- gen worden toegestaan in het gebied om voor inkomsten te zorgen voor de beheer- ders van het gebied. Dat kunnen agrarische en/of recreatieve functies zijn. Daardoor kan het gebied meer bezoekers trekken, waar ook bestaande voorzieningen in de dorpskernen van kunnen profiteren.
Beoordeling en conclusie Het plangebied is gelegen in veengebied. Het gaat om een kleinschalig initiatief, maar wel één die bijdraagt aan de instandhouding van veengebied (zie hoofdstuk 2) In .