CConstaterende datAlkmaar
Koppel je AI →
Document · PDF

1u Bijlage 17 Vooronderzoek Ontplofbare Oorlogsresten

Commissie Ruimte 4 juni 2024, gemeente AlkmaarBij agendapunt: Raadsvoorstel Vaststellen bestemmingsplan Pendorp38.881 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 5

Vooronderzoek Ontplofbare Oorlogsresten ‘conflictperiode’ Gemeente Alkmaar Kenmerk 22S049-VO-01, versie 1, 28-11-2022

Inhoudsopgave 8.1 BIJLAGE 1: VERANTWOORDELIJKHEID ............................................................................ 111 8.2 BIJLAGE 2: DEFINITIE VAN DE TERM ‘VERDACHT GEBIED’ ................................................... 112 1 SAMENVATTING ........................................................................................................ 3 8.3 BIJLAGE 3: AFBAKENINGSMETHODEN ............................................................................ 113 8.4 BIJLAGE 4: INVENTARISATIE BRONNENMATERIAAL ............................................................ 115 2 INLEIDING .................................................................................................................. 4 8.5 BIJLAGE 5: BRONNENLIJST........................................................................................... 183 2.1 AANLEIDING EN OPDRACHTOMSCHRIJVING.......................................................................... 4 8.6 BIJLAGE 6: PROTOCOL SPONTANE VONDST OO .............................................................. 197 2.2 PROBLEEMSTELLING ....................................................................................................... 4 8.7 BIJLAGE 5: CERTIFICATEN ............................................................................................

198 2.3 DOELSTELLING .............................................................................................................. 4 2.4 ONDERZOEKSGEBIED ...................................................................................................... 4 2.5 ONDERZOEKSMETHODE .................................................................................................. 7 2.6 LEESWIJZER .................................................................................................................. 8 2.7 VERANTWOORDING ....................................................................................................... 8 3 INVENTARISATIE VAN BRONNENMATERIAAL ............................................................ 9 3.1 EERDER ONDERZOEK....................................................................................................... 9 3.2 GRONDGEVECHTEN ...................................................................................................... 11 3.3 MILITAIRE AANWEZIGHEID ............................................................................................. 13 3.4 LANDMIJNEN .............................................................................................................. 24 3.5 VLIEGTUIGWRAKKEN ....................................................................................................

26 3.6 LUCHTAANVALLEN ....................................................................................................... 41 3.7 VERGELTUNGSWAFFEN ................................................................................................. 87 3.8 MUNITIEVONDSTEN ..................................................................................................... 88 3.9 OVERIGE GEBEURTENISSEN .......................................................................................... 101 4 BEPERKINGEN EN KEUZES .......................................................................................102 5 RELEVANTE GEBEURTENISSEN ................................................................................107 6 OVERZICHT VERDACHTE GEBIEDEN ........................................................................108 6.1 SOORT EN VERSCHIJNINGSVORM VAN ONTPLOFBARE OORLOGSRESTEN ................................. 108 6.2 VERTICALE AFBAKENING .............................................................................................. 108 6.3 GEBEURTENISSENKAART .............................................................................................. 108 6.4 BODEMBELASTINGKAART.............................................................................................

108 7 CONCLUSIE EN AANBEVELINGEN ............................................................................110 7.1 CONCLUSIE ............................................................................................................... 110 7.2 ADVIES VERVOLGTRAJECT ............................................................................................ 110 8 BIJLAGEN ................................................................................................................111

2 22S049-VO-01

1 Samenvatting

In opdracht van de Gemeente Alkmaar heeft Saricon een Vooronderzoek Ontplofbare Oor- logsresten1 (OO) ‘conflictperiode’ uitgevoerd voor de gehele gemeente Alkmaar.

Op basis van de beoordeling van al het geraadpleegde bronnenmateriaal is geconcludeerd dat er aanleiding bestaat om als gevolg van oorlogshandelingen binnen het onderzoeksgebied Gemeente Alkmaar verdachte gebieden aan te merken. Dit is aangegeven op de bodembe- lastingkaart Ontplofbare Oorlogs-resten met kenmerk 22S049-BB-01, die separaat zal worden aangeleverd.

De volgende gebeurtenissen in Alkmaar hebben geleid tot een (of meerdere) verdachte ge- bieden:

• Luchtaanval d.d. 12 april 1941; • Luchtaanval d.d. 14 april 1941; • Luchtaanval d.d. 15 januari 1942; • Luchtaanval d.d. 8 april 1943; • Vliegtuigcrash (T3218) d.d. 16 december 1943; • Luchtaanval zonder datum, begin 1944; • Luchtaanval d.d. 4 mei 1944; • Vliegtuigcrash (T5204), d.d. 6 februari 1945; • Luchtlandingshindernis in de Sluispolder.

Deze gebeurtenissen worden in hoofdstuk 3 verder toegelicht.

Het is niet gezegd dat in het onverdachte deel van het onderzoeksgebied met zekerheid geen ontplofbare oorlogsresten aanwezig zijn. De conclusie van dit onderzoek moet beschouwd worden als een waarschijnlijkheidsuitspraak, die is gedaan op basis van uitgebreid historisch bronnenonderzoek, een kritische beoordeling van deze bronnen, gehanteerde afbakenings- methoden en expertinschattingen. Alle methoden zijn naar inschatting van de opsteller con- sistent toegepast; conclusies zijn herleidbaar en reproduceerbaar.

1 Niet-gesprongen munitie en achtergelaten ontplofbare munitie zoals bedoeld in artikel 4.10, eerste lid, aanduiding Niet-Gesprongen Explosieven (NGE), die door verschillende partijen en instanties nog altijd onderdeel c respectievelijk b, van het Arbeidsomstandighedenbesluit. De benaming ontplofbare oorlogs- werd/wordt gebezigd, is daarmee verouderd. resten (OO) is vanaf 1 januari 2021 in de plaats gekomen van conventionele explosieven (CE). Ook de 3 22S049-VO-01

Vooronderzoek ‘conflictperiode’ en een Vooronderzoek ‘na-conflictperiode’. In dit onderzoek 2 Inleiding wordt alleen het Vooronderzoek ‘conflictperiode’ uitgevoerd.

Indien in het Vooronderzoek conflictperiode op ontplofbare oorlogsresten verdachte gebieden 2.1 Aanleiding en opdrachtomschrijving worden aangemerkt, dienen deze te worden gespecificeerd in termen van:

In opdracht van de Gemeente Alkmaar heeft Saricon een Vooronderzoek Ontplofbare Oor- • Hoofdsoort, subsoort, gewichtsklasse/kaliber, verschijningsvorm, nationaliteit van de logsresten2 (OO) ‘conflictperiode’ uitgevoerd voor de gehele gemeente Alkmaar. ontplofbare oorlogsresten; Het gehele vooronderzoek is uitgevoerd in overeenstemming met de offerte 2020-S-017-AB- • Indien mogelijk, aantal(len) ontplofbare oorlogsresten en het verwachte type 02 en opdrachtbrief onder zaaknummer 228200852. Het onderzoeksgebied is weergegeven ontsteker(s); in figuur 1. • De horizontale afbakening van het verdacht gebied; • De verticale afbakening van het verdacht gebied (indien opgenomen in de opdracht). 2.2 Probleemstelling 2.4 Onderzoeksgebied Als gevolg van oorlogshandelingen in de Tweede Wereldoorlog kunnen ontplofbare oorlogs- resten zijn achtergebleven in de het onderzoeksgebied. Bij het spontaan aantreffen van een Het onderzoeksgebied is gelegen in de provincie Noord-Holland, in de gemeente Alkmaar. explosief kan een verhoogd veiligheidsrisico ontstaan doordat het explosief door direct contact Gedurende de Tweede Wereldoorlog bestond deze gemeente uit (delen van) 17 gemeenten. of trillingen kan exploderen.3 Dergelijke ongecontroleerde explosies kunnen dodelijk letsel Dit waren: en/of zware schade aan materieel en omgeving tot gevolg hebben.

Tevens kan een spontane vondst resulteren in meerkosten door stagnatie van de uitvoeringswerkzaamheden. Aan de • Broek op Langendijk; • Heiloo; hand van een vooronderzoek kan de mogelijke aanwezigheid van ontplofbare oorlogsresten • Sint Pancras; • Groot Schermer; ter plaatse van het onderzoeksgebied worden onderzocht, zodat de opdrachtgever een bere- deneerd oordeel kan vellen over de noodzaak en vorm van vervolgwerkzaamheden in het • Koedijk; • Akersloot; kader van explosievenopsporing en/of risicobeheersing rond werkzaamheden in de nabije of • Bergen; • Graft; verdere toekomst. • Alkmaar; • De Rijp; • Oudorp; • Jisp; 2.3 Doelstelling • Oterleek; • Wormer; • Ursem; • Uitgeest; Het doel van een vooronderzoek is om op beredeneerde wijze te komen tot een • Schermerhorn. waarschijnlijkheidsuitspraak over de aanwezigheid van ontplofbare oorlogsresten. 4 Daartoe wordt vastgesteld welke indicaties aantonen dat er ter plaatse van het onderzoeksgebied In figuur 1 is het onderzoeksgebied weergegeven op luchtfotomateriaal uit 2021. Figuur 2 ontplofbare oorlogsresten aanwezig zijn, en worden deze indicaties beoordeeld. toont het onderzoeksgebied zoals deze in gemeenten was ingedeeld in 1945.

Het vooronderzoek bestaat uit zowel het inventariseren als beoordelen (analyseren) van bronnenmateriaal. Eindresultaat is een rapportage en een bijbehorende Bodembelastingkaart ontplofbare oorlogsresten. Het vooronderzoek omvat twee onderdelen, namelijk een

2 Niet-gesprongen munitie en achtergelaten ontplofbare munitie zoals bedoeld in artikel 4.10, eerste lid, Opsporing vindt doorgaans alleen plaats als er werkzaamheden zijn voorzien die een explosief onbedoeld onderdeel c respectievelijk b, van het Arbeidsomstandighedenbesluit. De benaming ontplofbare oorlogs- tot ontploffing kunnen brengen. 4 resten (OO) is vanaf 1 januari 2021 in de plaats gekomen van conventionele explosieven (CE). Ook de Het doel van een historisch vooronderzoek kan nooit zijn om de kans op het spontaan aantreffen van aanduiding Niet-Gesprongen Explosieven (NGE), die door verschillende partijen en instanties nog altijd ontplofbare oorlogsresten uit te sluiten. De gebruikte middelen zijn daarvoor niet geschikt. De gebruikte werd/wordt gebezigd, is daarmee verouderd. middelen zijn historische bronnen, wat wil zeggen dat zij geen zekere of objectief meetbare waarden 3 In Nederland zijn nauwelijks voorbeelden bekend van het ‘spontaan’ ontploffen van explosieven (waar- kunnen opleveren. Het uitsluiten van de kans op het spontaan aantreffen van ontplofbare oorlogsresten mee hier is bedoeld: ontploft zonder dat er een aanwijsbare oorzaak was die buiten het lichaam was kan dus alleen plaatsvinden via detectie- / opsporingswerkzaamheden of beheersmaatregelen. gelegen). Mede daardoor worden explosieven in Nederland in principe niet meer actief opgespoord.

4 22S049-VO-01

Figuur 1. Het onderzoeksgebied, ingelegd op luchtfotomateriaal uit 2021. (Bron achtergrond: World Imagery via Esri)

5 22S049-VO-01

Figuur 2. . Het onderzoeksgebied ingedeeld in historische gemeenten. De gemeenten zijn ingelegd op kaartmateriaal uit 1945 (Bron achter- grond: topotijdreis.nl)

6 22S049-VO-01

2.5 Onderzoeksmethode aanwezigheid van bomkraters of militaire objecten in het landschap, zoals zichtbaar op lucht- verkenningsfoto’s uit de oorlogsperiode. Onder contra-indicaties voor de aanwezigheid van ontplofbare oorlogsresten kan een veelheid aan gegevens worden verstaan, variërend van Dit vooronderzoek is uitgevoerd volgens de richtlijnen van het Certificatieschema Vooronder- concrete informatie over de ruiming van specifieke ontplofbare oorlogsresten tijdens of na de zoek en Risicoanalyse ontplofbare oorlogsresten (CS-VROO), dat op 29 januari 2021 werd oorlog, vrijwaringstekeningen (processen-verbaal van oplevering) opgesteld door gecertifi- gepubliceerd. Het CS-VROO is in beheer van de Stichting Veilig Omgaan met Explosieve ceerde explosievenopsporingbedrijven tot gegevens over naoorlogs bodemverzet waaruit kan Stoffen (Stichting VOMES). Doelstelling van dit certificatieschema is dat door toepassing kan blijken dat naoorlogs significante hoeveelheden grond zijn verwijderd.

Dergelijke gegevens worden voldaan aan de onderzoekverplichting in artikel 4.10 van het Arbeidsomstandigheden- over naoorlogs grondverzet maken deel uit van een Vooronderzoek na-conflictperiode en wor- besluit om het risico van de mogelijke aanwezigheid van ontplofbare oorlogsresten vooraf- den alleen verzameld en geanalyseerd indien de gegevens over de periode 1940-1945 vol- gaand aan werkzaamheden in een gebied te inventariseren en te evalueren. doende indicaties voor de aanwezigheid van ontplofbare oorlogsresten.

In de periode 2012-2020 werden vooronderzoeken in Nederland uitgevoerd volgens de richt- Bij het vooronderzoek wordt gewerkt aan de hand van een geografisch informatiesysteem lijnen van het Werkveldspecifiek certificatieschema voor het systeemcertificaat Opsporen Con- (GIS). Het GIS betreft een digitale kaart met gekoppelde database, waarin zo veel mogelijk ventionele Explosieven (WSCS-OCE). Vanaf 1 januari 2021 is het WSCS-OCE overgegaan in historische informatie (met een geografische component) is verzameld die van belang kan zijn het Certificatie Schema-Opsporing Ontplofbare Oorlogsresten (CS-OOO). Het CS-OOO is ge- voor het bepalen van de kans op aanwezigheid van ontplofbare oorlogsresten. Zo worden in richt op het fysieke opsporingsproces en bevat geen richtlijnen en eisen meer met betrekking GIS de historische luchtverkenningsfoto’s en het relevante historisch kaartmateriaal uit de pe- tot vooronderzoeken en risicoanalyses. Dergelijke richtlijnen en eisen zijn nu opgenomen in riode 1940-1945 gepositioneerd ten opzichte van de huidige topografie. Vervolgens worden het CS-VROO. Bovendien zijn voor dit vooronderzoek de richtlijnen van RWS aangehouden – alle op luchtfoto’s zichtbare indicaties voor de aanwezigheid van explosieven gedigitaliseerd ‘Vraagspecificatie Vooronderzoek Conventionele Explosieven’, versie 1.4, d.d. 25 maart 2020. (ingetekend).

Ook andere indicaties en contra-indicaties worden zo veel mogelijk vertaald naar een locatie in het Rijksdriehoeksmeting-coördinatenstelsel (RD) en opgeslagen in het GIS. De Het eindresultaat van een vooronderzoek is een rapportage en een bijbehorende Bodembe- gegevensset in het GIS is veelal de belangrijkste basis voor de beoordeling of sprake is van lastingkaart ontplofbare oorlogsresten. De richtlijnen zijn onder te verdelen in drie categorieën: op explosieven verdachte gebieden binnen het onderzoeksgebied, alsmede voor de afbake- ning van deze gebieden. • Richtlijnen aangaande het proces van inventarisatie van het bronnenmateriaal: de onderzoeksinspanningen het bronnengebruik; Beoordeling bronnenmateriaal • Richtlijnen aangaande het proces van beoordeling van het bronnenmateriaal: het In deze fase van het vooronderzoek worden de indicaties en contra-indicaties uit het bronnen- aanmerken en afbakenen van op ontplofbare oorlogsresten verdachte gebieden; onderzoek beoordeeld. Op basis daarvan wordt vastgesteld wat de verdachte gebieden zijn. • Richtlijnen aangaande de presentatie van de conclusies van het onderzoek (verslag- Bij dit beoordelingsproces gaat het niet zozeer om de vraag óf er indicaties of contra-indicaties legging). zijn.

Immers, de onderzoeker kan altijd wel een oorlogshandeling in (de buurt van) zijn onder- zoeksgebied vinden die hij mogelijk relevant acht, afhankelijk van zijn definitie van de term Inventarisatie bronnenmateriaal ‘relevant’. Eerder gaat het om de vraag hoe deze indicaties en contra-indicaties worden ge- Het bronnenonderzoek vindt plaats op basis van een inventarisatie van: duid, dus welk belang er na gedegen bronnenonderzoek aan wordt toegekend.

• Gebeurtenissen die hebben geleid tot de mogelijke aanwezigheid van ontplofbare Bij het aanmerken van verdachte gebieden geldt dat dit in principe alleen mogelijk is indien via oorlogsresten (indicaties); luchtfoto’s of kaartmateriaal met voldoende precisie een locatie van een indicatie voor de aan- • Gebeurtenissen die hebben geleid tot het niet aanwezig zijn van ontplofbare oorlogs- wezigheid van mogelijk aanwezige ontplofbare oorlogsresten kan worden vastgesteld. Bij het aanmerken en afbakenen van de verdachte gebieden wordt zo veel mogelijk gebruikgemaakt resten (contra-indicaties). van de richtlijnen die zijn opgenomen in het document ‘Nadere bepalingen beoordelen bron- nenmateriaal en afbakening verdacht gebied, behorende bij het CS-VROO’ (CS-VROO-002), De indicaties en contra-indicaties worden verzameld aan de hand van literatuuronderzoek, zoals gepubliceerd door de Stichting VOMES op 29 januari 2021. archiefonderzoek, luchtfoto-onderzoek en eventueel getuigenonderzoek. Onder indicaties voor de aanwezigheid van ontplofbare oorlogsresten kunnen bijvoorbeeld worden verstaan: De in de richtlijnen opgenomen methoden voor het in horizontale zin afbakenen van verdachte vermeldingen van bombardementen of beschietingen in literatuur en archiefstukken, of gebieden zijn over het algemeen gebaseerd op afspraken tussen bedrijven in de branche. 7 22S049-VO-01

Hoewel aan deze methoden wel enig theoretisch of empirisch onderzoek ten grondslag kan uitgewerkte bronnen per gebeurtenis (vliegtuigcrash, luchtaanval, V-wapeninslag, munitie- liggen; is dat over het algemeen geen diepgaand en uitputtend wetenschappelijk onderzoek. vondst of overige gebeurtenis) toegevoegd. De richtlijnen kunnen eerder worden gezien als handvatten dan als regels. In diverse situaties zijn zij niet of nauwelijks toepasbaar. Richtlijnen die uitgaan van een kraterpatroonanalyse bij het afbakenen van een op afwerpmunitie verdacht gebied zijn bijvoorbeeld vaak ongeschikt voor toepassing op stedelijke of industriële gebieden. De bedrijven die in Nederland vooron- 2.7 Verantwoording derzoeken uitvoeren, hanteren dan ook elk allerlei eigen methoden en normen naast de richt- lijnen uit de certificatieschema’s. Van de richtlijnen van het CS-VROO mag dan ook worden Bij de totstandkoming van het vooronderzoek zijn de volgende disciplines betrokken geweest afgeweken, mits dit wordt gemotiveerd en de gemaakte keuzes zijn onderbouwd. die voldoen aan de deskundigheidseisen die worden gesteld in het CS-VROO:

Verslaglegging • Historicus; Het resultaat van de beoordeling van het bronnenmateriaal met behulp van het GIS wordt • GIS-deskundige; • Senior-adviseur/ munitietechnicus; gepresenteerd op de Bodembelastingkaart ontplofbare oorlogsresten. Deze kaart bevat in ie- der geval de horizontale grenzen van de op ontplofbare oorlogsresten verdachte gebieden, Bovengenoemde disciplines werken onder verantwoordelijkheid van J.T.A.C. Huijbers, die in- gespecificeerd naar hoofdsoort, verschijningsvorm en nationaliteit van de aan te treffen explo- stemt met de inhoud van de rapportage. sieven. De gegevens die tijdens dit onderzoek zijn verzameld en beoordeeld, alsmede de rapportage Bij de kaart wordt een rapportage geleverd waaruit blijkt hoe de conclusies op de Bodembe- en bodembelastingkaart, zijn door Saricon gearchiveerd onder het projectdossier met project- lastingkaart ontplofbare oorlogsresten tot stand zijn gekomen, en op basis van welke gege- nummer 22S049. Gegevens benodigd voor een vervolgstap in het proces van opsporen van vens. De kaart waarop de verdachte en onverdachte gebieden zijn aangegeven, heet in het OO zijn in dit projectdossier te vinden. Zij zijn, voor zover niet in deze rapportage beschreven, vooronderzoek conflictperiode de ‘Bodembelastingkaart ontplofbare oorlogsresten’. Maar of op aanvraag bij Saricon beschikbaar. Projectdossiers worden minimaal tien jaar bewaard.

de bodem daadwerkelijk is belast met ontplofbare oorlogsresten, kan alleen worden vastge- steld via fysieke explosievenopsporingswerkzaamheden. De eventuele aanwezigheid van ver- dachte gebieden op de Bodembelastingkaart ontplofbare oorlogsresten houdt dus niet in dat op die locaties met zekerheid ontplofbare oorlogsresten aanwezig zijn. Omgekeerd betekent het niet dat in onverdacht gebieden met zekerheid geen ontplofbare oorlogsresten aanwezig zijn. De verdachte gebieden en onverdachte gebieden op een Bodembelastingkaart ontplof- bare oorlogsresten moeten worden beschouwd als waarschijnlijkheidsuitspraken.

2.6 Leeswijzer

In hoofdstuk 3 wordt, per hoofdthema, uiteengezet welke (oorlogs)activiteiten er in en rondom het onderzoeksgebied hebben plaatsgevonden, en tot een verdacht gebied geleid hebben. Hoofdstuk 4 staat in het teken van de leemte in kennis en de onderzoekskeuzes. Hoofdstuk 5 herhaalt kort de relevante gebeurtenissen die tot een verdacht gebied geleid hebben, en hoofdstuk 6 geeft een overzicht van de verdachte gebieden. In hoofdstuk 7 wordt vervolgens de conclusie omschreven. Tot slot zijn in hoofdstuk 8 alle bijlagen opgenomen, zoals de bron- nenlijst en een nadere toelichting op de term ‘verdacht gebied’ en ‘verantwoordelijkheid over risico’s rondom explosieven’. In dit hoofdstuk zijn ook, waar relevant en aanwezig, de

8 22S049-VO-01

2022 een vooronderzoek doorgestuurd, te weten T&A Survey GPR5420.25, zoals in onder- 3 Inventarisatie van bronnenmateriaal staande lijst opgenomen.

Vooronderzoek De inventarisatie van het bronnenmateriaal vormt het fundament van het vooronderzoek. Aan De onderstaande rapporten zijn bestudeerd: de hand van diverse soorten bronnen wordt informatie vergaard die mogelijk relevant is voor het onderzoeksgebied of bijdraagt aan de context van de probleemstelling. Daarbij dient ook • REASeuro, Vooronderzoek Beverwijk-Oterleek kabeltracé, met projectcode RO- inzage geboden te worden in het onderzoeksproces: in welke archieven zijn relevante stukken 200214 versie 8.0 (definitief) d.d. 12 november 2021; gevonden en in welke publicaties stonden gegevens die bruikbaar waren? Een aantal bevin- • Beobom, Vooronderzoek Kanaaldijk 301 Alkmaar, met projectcode BB-21-157 d.d. dingen moet vooral worden beschouwd als indicatief, met andere woorden: zij maken de ach- 04-11 2021; tergronden van diverse oorlogshandelingen duidelijk, maar kunnen niet worden gezien als een • Saricon, Vooronderzoek Conventionele Explosieven Kademuur te Alkmaar met pro- volledige inventarisatie van bronnenmateriaal voor alle oorlogshandelingen die in de Tweede jectcode 20S024-VO-02 d.d. 19-05-2020; Wereldoorlog binnen het onderzoeksgebied hebben plaatsgevonden. Dit hoofdstuk is per hoofdthema ingedeeld om kwaliteit en herleidbaarheid te waarborgen. • Saricon, Vooronderzoek Conventionele Explosieven Victoriebrug te Alkmaar met projectcode 19S087-VO-02 d.d.

21-10-2019; Punt van aandacht • Beobom, Vooronderzoek Jaagpad Alkmaar, met projectcode BB18-187 d.d. 14-11- 2018; Het CS-VROO stelt dat ‘de organisatie dient beschikbare luchtfoto’s betreffende de datum • Beobom, Vooronderzoek PGO Hollands Noorderkwartier km.58.7-43, met waarop de oorlogshandelingen hebben plaatsgevonden te inventariseren. Daaruit worden projectcode BB18-047-04 d.d. 31-07-2018; de bruikbare luchtfoto’s geselecteerd. Bij de selectie van luchtfoto’s dient rekening te wor- • Beobom, Vooronderzoek Alkmaar-Heerhugowaard, met projectcode 2017-BB-38, den gehouden met: opnamedatum in relatie tot oorlogshandelingen, kwaliteit van het foto- d.d. 07-07-2017; beeld en de schaal. De organisatie interpreteert de geselecteerde luchtfoto’s ten minste op schade aan het landschap als gevolg van oorlogshandelingen en de aanwezigheid van • Beobom, aanvullend vooronderzoek conventionele explosieven emplacement Alk- militaire werken. De interpretatie van luchtfoto’s dient te geschieden door een deskundige maar, met projectcode 2016-BB-50-01, d.d. 09-02-2017; met ervaring in de interpretatie van luchtfoto’s uit het tijdvak 1940-1945. De organisatie • T&A Survey, Vooronderzoek polder Starnmeer, met projectcode GPR5890 d.d.

23- dient de beschikbare luchtfoto’s te rapporteren en daarin tevens de selectie te motiveren.’ 07-2016; • T&A Survey, Vooronderzoek Alkmaar, Castricum, Heerhugowaard, met projectcode Daar waar nodig is binnen het relevante hoofdthema luchtfoto-onderzoek uitgevoerd. De GPR5420.25 d.d. 10-05-2016; luchtfoto-interpretatie is dus niet separaat behandeld binnen dit hoofdstuk. • T&A Survey, Trajectbenadering N244-N246, met projectcode GPR5536 d.d. 20-04- 2016; • T&A Survey, Addendum historisch vooronderzoek naar de mogelijke aanwezigheid van Conventionele Explosieven voor diverse spoorlocaties ten bate van project “Re- 3.1 Eerder onderzoek gio Randstad Noord L-004891, met projectcode GPR5420.25 d.d. 01-03-2016; • IDDS, Vooronderzoek naar de mogelijke aanwezigheid van conventionele explosie- Bij aanvang van een vooronderzoek wordt nagegaan of er in het verleden revelante onder- ven Noord Holland Boezemwateren, met projectcode 14070206 d.d. 12-08-2015; zoeken zijn uitgevoerd naar de aanwezigheid van ontplofbare oorlogsresten in (de nabijheid • ECG, Kabelverbinding Oterleek-Westwoud, met projectcode 188-014, d.d. 10-07- van) het onderzoeksgebied. In de rapportage wordt beschreven hoe deze informatie is ver- 2014; werkt. • Saricon, Vooronderzoek Conventionele Explosieven tracé Purmerend - Ursem, met projectcode 14S030-VO-02 d.d. 18-03-2014.

Saricon heeft hiervoor zijn eigen database5 geraadpleegd en gebruik gemaakt van de VEO Bommenkaart6 die in beheer is van de Vereniging voor Explosieven Opsporing (VEO). Voorts heeft Saricon een aanvraag bij Rijkswaterstaat (RWS) en Prorail gedaan. RWS vermeldt niet Er zijn ook rapporten bekend die een minimale overlap hebben met het onderzoeksgebied. In te beschikken over vooronderzoeken met relevantie voor Alkmaar, en Prorail heeft op 29 juni dat geval zijn deze niet aangevraagd. Daarnaast zijn rapporten die ouder zijn dan rapporten

5 6 Hiermee worden niet enkel de eigen werken bedoeld, maar ook de werken van derden die bijvoorbeeld Op de VEO Bommenkaart staan vooronderzoeken en opsporingsprojecten ingetekend op Nederlands niet op de VEO Bommenkaart staan. grondgebied die zijn uitgevoerd door de bedrijven die zijn aangesloten bij de VEO. 9 22S049-VO-01

uit 2012 niet opgevraagd. Deze onderzoeken voldoen namelijk niet meer aan het WSCS-OCE en/of het CS-VROO. Daarnaast zijn onderzoeken aangevraagd bij Bombs Away, die tot op heden niet zijn geleverd.

De rapporten zijn, waar nodig, gebruikt om te controleren of alle informatie was verzameld, en of er mogelijk bronnen over het hoofd gezien waren. Zij hadden zo vooral een controlefunctie. Wanneer een melding in een rapport relevant is, is dit vermeld bij de gebeurtenis waarvoor deze relevantie geldt.

Opsporing

Voor zover bekend hebben ter plaatse van het onderzoeksgebied in het verleden enkele ex- plosievenopsporingsprojecten plaatsgevonden. Deze worden waar relevant in het onderzoek beschreven. Het gaat hierbij om meldingen in hoofdstuk 3.6.12 en 3.6.30.

10 22S049-VO-01

3.2 Grondgevechten

Onder grondgevechten worden oorlogshandelingen verstaan die door grondtroepen, zoals bij- voorbeeld infanterie, cavalerie of artillerie zijn uitgevoerd. Er zijn diverse mogelijkheden om de aard en omvang van deze acties te herleiden. De grondgevechten waarbij het Nederlands Figuur 3. Uitsnede uit NIMH, 409 Gevechtsverslagen en – rapporten mei 1940, inv. 535022 Verslag van leger betrokken was zijn goed gedocumenteerd en raadpleegbaar.7 Duitse operationele gege- de commandant van het VIIIe depot infanterie reserve luitenant-kolonel H.C. Honig, d.d. 25 mei 1940. vens zijn te vinden in Kriegstagebücher8 en de geallieerde acties zijn herleidbaar via zogehe- ten War Diaries.9

3.2.1 Meidagen (1940) Bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog in Nederland op 10 mei 1940 lag het onder- zoeksgebied ver van de frontlinie. Binnen de stad Alkmaar en omliggende gemeenten waren dan ook relatief weinig Nederlandse eenheden gestationeerd. In het geval van Alkmaar ging het alleen om het VIIIe Depot Infanterie.

De grondgevechten waarbij het Nederlands leger betrokken was in 1940 zijn beschreven in gevechtsverslagen. Dit zijn rapporten die officieren, onderofficieren en soldaten hebben opge- steld in de periode zomer 1940 tot enkele jaren na de bevrijding. Dit gebeurde ten behoeve van geschiedschrijving van de strijd in de meidagen door de Krijgsgeschiedkundige Sectie van het Hoofdkwartier van de Generale Staf.

De verslagen betreffen de persoonlijke ervaringen van de opstellers, dan wel hun persoonlijke, achteraf gereconstrueerde visies op het verloop van de strijd; zij kunnen zijn beïnvloed door gebrekkige herinneringen van de opstellers en door het gebrek aan mogelijkheden tijdens een chaotisch strijdverloop de juiste gang van zaken vast te stellen.

Saricon heeft de gevechtsverslagen van het VIIIe Depot Infanterie geraadpleegd, aangezien deze eenheid in Alkmaar gestationeerd was (zie figuur 4). Reserve Luitenant-Kolonel H.C. Honig, commandant van deze eenheid, vermeldt daarin dat het Depot geen gevechtshande- lingen heeft uitgevoerd.

In Alkmaar was, naast het Depot Infanterie, een Luchtverdedigingsgroep aanwezig, welke ge- durende de meidagen van 1940 vijandige vliegtuigen bij Alkmaar probeerde uit te schakelen, Figuur 4. Het onderzoeksgebied ingelegd op een kaart van het noordfront van Vesting Holland. (Bron: hoofdstuk 3.3.1.1. Nierstrasz, De Strijd op het Nederlands grondgebied tijdens de Wereldoorlog II, hoofddeel III, deel 4E De gebeurtenissen op het West- en Noordfront Vesting Holland (Den Haag, 1961) kaart 10.)

7 8 Collectie 409 (Gevechtsverslagen en Rapporten mei 1940) in het Nederlands Instituut voor Militaire His- In collectie 401 (Duitse Kriegstagebücher) van het NIMH zijn Duitse stukken opgenomen. Verder kan torie (NIMH) bevat detailinformatie over de strijd op Nederlands grondgebied in de meidagen van 1940. men KTB’s verkrijgen via het Bundesarchiv-Militärarchiv te Freiburg im Breisgau en The National Archives De collectie bestaat uit gevechtsverslagen en rapporten die officieren, onderofficieren en soldaten hebben and Records Administration (NARA) in de Verenigde Staten. 9 opgesteld in de periode zomer 1940 tot enkele jaren na de bevrijding. Deze verslagen stonden aan de Deze zijn o.a. ondergebracht in NARA en The National Archives te Londen. basis van de geschiedschrijving over Meidagen 1940 door de Krijgsgeschiedkundige Sectie van het Hoofdkwartier van de Generale Staf (beter bekend als ‘de Groene Serie’). 11 22S049-VO-01

3.2.2 Bevrijding (1945) Alkmaar is officieel bevrijd middels de algehele Duitse capitulatie op 5 mei 1945. Vervolgens kwamen de eerste Canadese troepen (van de Brits-Canadese Tweede Divisie) op 8 mei via de Kennemerstraatweg Alkmaar binnen gereden.10 Bij de bevrijding van de gemeente Alkmaar hebben geen grondgevechten plaatsgevonden binnen het onderzoeksgebied.

Samengevat

Binnen het onderzoeksgebied hebben, beide in 1940 en 1945, geen grondgevechten plaats gehad. Saricon ziet dan ook geen reden voor grondgevechten een verdacht gebied in te tekenen.

10 https://www.museumalkmaar40-45.nl/alkmaar-in-wo2/bevrijding alsook https://www.noordhollandsdag- blad.nl/cnt/dmf20200116_33870875?utm_source=google&utm_medium=organic 12 22S049-VO-01

3.3 Militaire aanwezigheid 3.3.1.1 Nederlandse militaire aanwezigheid in de Meidagen 1940

Gedurende de verdediging van Nederland in de meidagen was te Alkmaar een zogeheten Militaire aanwezigheid kan op verschillende manieren achterhaald worden, zo zijn er diverse luchtverdedigingsgroep gelegerd. De kapitein van deze Luchtverdedigingsgroep hield een collecties in Nederlandse archieven te raadplegen met betrekking tot dit onderwerp 11 en in verslag van de meidagen van 1940 bij, waarin onder andere vermeld werd over welke bewa- buitenlandse archieven zijn onder andere zogeheten Defence Overprints te vinden – gealli- pening de Luchtverdedingingsgroep beschikte. De Luchtverdedigingsgroep beschikte over 5 eerde kaarten waarop Duitse stellingen zijn ingetekend.12 Deze kaarten zijn zeer waardevol en pelotons, die ieder beschikte over 3 stuks Oerlikon 2 tl. (luchtdoelmitrailleurs) of 3 stuks Scotti werden vervaardigd door 21st Army Group A.P.I.S. De bevindingen die op de kaart zijn weer- 2 tl. (luchtafweergeschut). Daarnaast was er nog de 24e batterij luchtafweer, welke met een gegeven, zijn gebaseerd op de resultaten van de geallieerde luchtfoto-interpretatiediensten Hazemeyer no. 17 (7,5 cm luchtafweer). Op 10 mei 1940 werd vervolgens extra munitie aan- die nauwlettend de locaties van Duits luchtafweer, geschut, loopgraven, mitrailleurnesten, mu- gevoerd, waarna nog twee extra pelotons van luchtafweer opgesteld werden.

Zij maakten ook nitieopslagplaatsen en dergelijke monitorden en documenteerden (zie figuur 7). Om met ze- gebruik van Oerlikons, danwel Scotti luchtafweergeschut. Op 10 mei werden 2 vliegtuigen kerheid militaire aanwezigheid te bepalen en duiden, wordt idealiter gebruik gemaakt van een beschoten. Ook op 11 mei werden meerdere vliegtuigen beschoten. Op deze datum werden combinatie van deze middelen. Om het een en ander te kunnen verifiëren wordt gebruik ge- de geschutopstellingen daarnaast door Duitse vliegtuigen met mitrailleurs beschoten.13 maakt van luchtfoto’s. In de middag van 11 mei zou de gehele groep Alkmaar gereorganiseerd, waarna er drie groe- 3.3.1 Procesbeschrijving militaire aanwezigheid pen opgesteld werden, met luchtdoelgeschut en luchtdoelmitrailleurs, zodat de Duitse vlieg- tuigen niet bekend konden raken met de locaties waar het geschut stond opgesteld (zie ook figuur 5). Ook op 12 en 13 mei werden verschillende Duitse vliegtuigen onder vuur genomen. Bij het beoordelen van militaire objecten maakt Saricon gebruik van onderzoeksvragen om te Op 14 mei moesten alle pelotons luchtverdediging zich vervolgens in Den Haag melden (dit onderbouwen of er wel of geen aanleiding is een verdacht gebied aan te merken. Voorbeelden bevel kwam om 09.45u). Vanaf die datum werd het luchtafweergeschut dan ook niet meer in van dergelijke vragen zijn: Alkmaar ingezet.14

• Waren binnen de grenzen van de militaire infrastructuur grote hoeveelheden munitie Luchtfotomateriaal aanwezig? Zoals hierboven beschreven zijn deze Nederlandse luchtafweerstellingen maar 4 dagen in • Is bekend tot welk moment de militaire infrastructuur in gebruik is geweest? En wat Alkmaar ingezet. Dit betekent dat de luchtfotoverificatie alleen plaats kan vinden aan de hand is er in de maanden na het verlaten met de stelling gebeurd? van een luchtfoto uit de periode 10 tot (de ochtend van) 14 mei 1940. Saricon beschikt niet • Zijn er ‘risicomomenten’ geweest voor dumping van ontplofbare oorlogsresten, zoals over een foto uit deze periode. Het is daarom niet mogelijk om deze luchtafweerstellingen grondgevechten of een overhaast vertrek van (Duitse) eenheden? exact te lokaliseren. • Waren de stellingen ingegraven of stonden ze op het maaiveld? • Wat waren de voor de hand liggende dumplocaties voor munitie? Is het bekend of er Munitievondsten munitiedumpingen hebben plaatsgevonden? Saricon maakt normaliter geen verdachte gebieden aan voor verschoten munitie van luchtaf- • Hoe diep kunnen ontplofbare oorlogsresten ten opzichte van het historisch maaiveld weer.

De inslagen van deze munitie hebben in principe namelijk een zeer willekeurig ka- worden aangetroffen? rakter.15 Het was echter wel mogelijk dat men nabij de wapenopstellingen een kleine voorraad • Welke invloed hebben naoorlogse ontwikkelingen gehad? munitie bewaarde, en dat deze voorraad is achtergelaten. Om dit te controleren is bij de EOD • Zijn er op de locatie van het militaire object naoorlogs daadwerkelijk ontplofbare oor- nagegaan of er naoorlogs munitievondsten zijn gedaan die overeenkomen met bovenstaande logsresten aangetroffen? wapensoorten. Indien op een specifieke locatie, die enigszins overeenkomst met de in figuur • 5 aangegeven locaties, een groot aantal Oudhollandse granaten is aangetroffen, dan kan

11 In het Nationaal Archief gaat het om collectie 2.13.167 (Inventaris van het archief van het 2e Geniecom- 12 Een klein deel van deze kaarten is via het Kadaster te raadplegen, maar het merendeel van de kaarten mandement, Bureau Registratie Verdedigingswerken "Bunkerarchief" van het Ministerie van Defensie, is te vinden in The National Archives te Londen en het Library and Archives Canada (LAC). 13 1946-1987) en in het Nederlands Instituut voor Militaire Historie gaat het om de collectie 575 (Collectie NIMH 409/446120. 14 Duitse Verdedigingswerken). Ook in provinciale en lokale archieven kan informatie gevonden worden over NIMH 409/446120. 15 militaire aanwezigheid. Zie ook hoofdstuk 4, beperkingen en keuzes. 13 22S049-VO-01

immers worden aangenomen dat daar in de omgeving een Nederlandse luchtaafweerstelling aanwezig is geweest.

In totaal zijn er in de hedendaagse gemeente Alkmaar 5 Oudhollandse granaten (meestal 7,5 cm, overeenkomstig met luchtafweergeschut) aangetroffen. Deze granaten zijn over een groot gebied aangetroffen.16 Zo zijn er munitievondsten gemeld in de Sluispolder in Alkmaar, in Koedijk en in Graft. Het is daarom niet mogelijk een munitievondst te verbinden aan een waar- schijnlijke geschutopstelling.

Ervan uitgaande dat deze geschutopstellingen maximaal vier dagen in gebruik zijn geweest, deze niet op het luchtfotomateriaal verifieerbaar zijn, en er relatief weinig munitievondsten zijn gedaan die kunnen wijzen op een munitiedump van Oudhollandse munitie binnen de ge- meente Alkmaar, is gekozen om voor gedumpte Oudhollandse munitie geen verdacht gebied aan te merken.

16 Zie onder andere MORA’s 20080627, 20080777, 20140164 en 20181431. 14 22S049-VO-01

Figuur 5. De opstelling van de Ne- derlandse luchtafweer in Alkmaar, op 11 mei 1940, 15.00u (Bron ach- tergrond: NIMH 409/446120)

15 22S049-VO-01

3.3.1.2 Duitse militaire aanwezigheid

Binnen het onderzoeksgebied, vooral het deel bij de stad Alkmaar, was een groot aantal Duitse stellingen aanwezig. Saricon acht het niet doelmatig om elke stelling apart te behandelen. Om deze reden wordt allereerst een algemeen beeld betreffende militaire aanwezigheid in Alkmaar en omgeving geschetst. Vervolgens worden locaties waar een afwijkende vorm van militaire aanwezigheid bestond apart behandeld.

Binnen de hedendaagse gemeente Alkmaar concentreerde de Duitse militaire aanwezigheid zich rondom de stad Alkmaar, de Westdijk te Schermer en Akersloot, en in Koedijk en Bergen langs het Noord-Hollandsch Kanaal (zie figuur 8). Deze stellingen werden vanaf 1942 aange- legd om Alkmaar te beschermen van een mogelijke geallieerde aanval vanaf de kust. Het zwaartepunt van de militaire aanwezigheid bevond zich dan ook aan de westzijde van de stad. Militaire aanwezigheid concentreerde zich daar rondom belangrijke wegen en bij bruggen (zie figuur 8). Het zou met militaire voertuigen immers bijna onmogelijk zijn om de waterrijke land- bouwgebieden rondom Alkmaar te doorkruisen. Daarnaast werden de weilanden doorkruist door een tankgracht, die gegraven was door verschillende watergangen met elkaar te verbin- den. De locaties waar de weg de tankgracht doorkruiste, werden zwaar bewaakt, met gebruik van wapenopstellingen en geschutopstellingen.

Indien bovenstaande stellingen doorbroken werden, dan kon het oude stadscentrum van Alk- maar in het westen worden afgesloten middels Rollkörpersperre op de Emmabrug, de Berger- brug, de Heilooërbrug en de Tesselsebrug. Een voorbeeld van een Rollkörpersperre staat op Figuur 6. Een voorbeeld van Rollkörpersperre. Let wel, hier wordt gesproken van Walzkör- de voorpagina van dit rapport. Twee grote ronde betonnen blokken konden indien nodig naar persperre. Dit zijn echter sperren met een kantelblok dat een doorgang in bijvoorbeeld een tankmuur kon dichten. Rolkörpersperren werden dicht gerold. (Bron: National Archives and het midden van de straat gerold worden, om zo de straat af te zetten voor beide voertuigen Records Administration, via https://forum.axishistory.com/viewtopic.php?t=92311&start=60). en personen. Daarnaast bestonden in en rond Alkmaar ook andere typen versperringen, zoals drakentanden (deze zijn tot op heden aanwezig aan de Monnikenweg) waarbij in sommige Bestaat de kans dat in deze stellingen munitie is achtergelaten? gevallen de weg geheel afgesloten was. De kans is niet groot dat in deze stellingen munitie is achtergelaten. Bij het verlaten van stel- lingen was het, onder normale omstandigheden, gebruikelijk dat munitievoorraden werden Was er gedurende de oorlog munitie in deze stellingen aanwezig? meegenomen, en dus niet werden achtergelaten of gedumpt.

In de omgeving van Alkmaar Voor zover bekend zijn deze stellingen tot het einde van de oorlog bezet geweest. Er is echter was in de laatste oorlogsmaanden geen sprake van een acute dreiging van een geallieerde nooit sprake geweest van grondgevechten. Het is dan ook niet waarschijnlijk dat er in de grondopmars, waardoor er voor de Duitsers geen aanleiding was om stellingen overhaast te loopgraven in 1945 grote munitievoorraden aanwezig waren. Ook omdat dergelijke locaties verlaten. achter de frontlinies doorgaans een minimale personele bezetting kenden. Ter plaatse van wapenopstellingen waren mogelijk wel munitievoorraden aanwezig, al werden dergelijke po- Waar zou deze gedumpte munitie zijn achtergelaten? sities in het achterland vaak aangelegd met het oog op eventuele grondgevechten. Deze po- Mocht er munitie zijn gedumpt, dan is het aannemelijk dat dit bij waterpartijen werd gedaan. sities waren dan ook lang niet altijd permanent bemand. Dit was niet altijd het geval bij ge- Er is echter geen bewijs aanwezig voor de aanwezigheid van een grote hoeveelheid ge- schutopstellingen, aangezien deze ook gebruikt werden om het luchtruim te verdedigen. Be- dumpte munitie in het water. Er zijn slechts zelden concrete historische gegevens bekend, schietingen op vliegtuigen worden meermaals genoemd in het archiefmateriaal.

Zo wordt op waaruit op voorhand kan worden opgemaakt op welke locaties dumpingen hebben plaatsge- 20 juli 1942 een melding gemaakt van een beschieting met granaten waarbij een inwoner van vonden. Ook loopgraven waren in principe geschikte dumplocaties, maar ook hiervoor geldt Alkmaar om het leven komt.17

17 RAA 0003/2125. 16 22S049-VO-01

dat het lastig is om op basis van historische gegevens specifieke locaties als verdacht aan te kunnen merken.

In algemene zin kan niet zondermeer worden gesteld dat de kans op dumping significant groter was in de nabijheid van een verdedigingswerk. De locaties waarvan bekend is dat Duitse militairen in 1945 er hun munitie hebben gedumpt, zoals in grachten in de binnenstad, lijken tamelijk willekeurig te zijn. Op basis van historisch onderzoek is daar niet of nauwelijks een patroon in te ontdekken. Het is op voorhand dan ook zeer lastig om een beredeneerde uitspraak over te doen over locaties waar munitie is gedumpt.

Zijn er in Alkmaar munitievondsten gedaan die een munitiedump aannemelijk maken? Sinds 1971 houdt de Explosieven Opruimingsdienst (EOD) alle meldingen/ruimingen van ont- plofbare oorlogsresten systematisch bij. Dergelijke gegevens zijn in de periode daarvoor veel minder goed geregistreerd. Voor de periode vanaf 1971 blijkt dat er in Alkmaar en omliggende plaatsen een redelijk aantal munitievondsten is gedaan. In de regel is de informatie in een melding of ruimrapport te summier en de opgegeven locatie te algemeen om een directe ver- binding te kunnen leggen tussen de munitievondst en de aanwezigheid van een specifiek militair object. In het geval van de gemeente Alkmaar is het dat de meeste munitievondsten in naoorlogs bebouwde gebieden zijn gedaan (Zie figuur 9). Dit is logisch: Men vindt eerder munitie op een locatie waar grondroerende werkzaamheden worden uitgevoerd.

De meeste locaties van Duitse stellingen, die in 1945 nog in poldergebied lagen, liggen nu in verstedelijkt gebied. In deze gebieden heeft naoorlogs aanzienlijk grondverzet plaatsgevon- den. Het zou daarbij logisch zijn dat gedumpte munitie, indien aanwezig, daarbij wordt aan- geruimd. Het is niet mogelijk om binnen deze opdracht voor al deze (graaf)werkzaamheden precies vast te stellen tot welke diepten er grondroeringen hebben plaatsgevonden. Maar het uitgangspunt is wel om locaties van voormalige stellingen die nu in verstedelijkt gebied liggen, als onverdacht te beschouwen.

Om bovenstaande redenen is ervoor gekozen geen verdacht gebied voor militaire aanwezig- heid binnen het stedelijke deel van hedendaags Alkmaar aan te merken.

17 22S049-VO-01

Figuur 7. Militaire aanwezigheid zoals in- getekend op de Defence Overprint van Alkmaar (Bron achtergrond: Library and Archives Canada, Defence Overprint 338). 18 22S049-VO-01

Figuur 8. Militaire aanwezigheid zo- als waargenomen op het luchtfoto- materiaal, kaartenserie 575 uit het NIMH en op de Defence Overprint. De luchtfoto’s op de achtergrond date- ren van 26 februari 1945.

19 22S049-VO-01

Figuur 9. De munitievondsten die niet aan een specifieke gebeurtenis konden worden verbonden, zijn in deze kaart weergegeven. Het is daar- bij duidelijk dat deze, in de meeste gevallen, niet overeenk omen met de binnen de gemeente aanwezige stel- lingen.

20 22S049-VO-01

3.3.2 Bijzondere objecten toegelicht daarop een voorbeeld van dit type hindernis, en figuur 11, met daarop een voorbeeld van palenvelden bij vliegveld Bergen).22

3.3.2.1 Fort bij Marken-Binnen Het Fort bij Marken-Binnen ligt in het zuidelijkste deel van de Gemeente Alkmaar. Alhoewel bij het fort nooit gevochten is, is het wel meermaals in gebruik geweest om troepen te huisvesten. Gedurende de Tweede Wereldoorlog waren in het fort ook Duitse troepen aanwezig. Er zou- den 320 soldaten in het fort aanwezig zijn geweest. Dit werd al gedurende de oorlog minder, omdat de locatie tactisch niet belangrijk genoeg geacht werd. 18 Voordat de Duitse troepen echter geheel vertrokken waren, moesten waardevolle materialen uit het fort gehaald worden. Uiteindelijk werd hierbij gekozen om de hefkoepelgebouwen op te blazen, en de pantserplaten en het geschut mee te nemen. Het fort is naoorlogs in gebruik genomen door de dienst Be- scherming Bevolking.19

Het ligt echter binnen de verwachting dat de Duitse troepen, bij het vertrek uit het Fort bij Marken-Binnen, ook hun munitie hebben meegenomen, aangezien ze de tijd hebben gehad om twee koepelgebouwen op te blazen. Saricon heeft voor deze gebeurtenis dan ook geen verdacht gebied aangemerkt. Het ligt daarnaast buiten de verwachting dat hier vernielingsla- dingen zijn achtergebleven. De Duitse troepen hadden de mogelijkheid hun materiaal rustig weg te halen. Daarnaast is het fort tegenwoordig in gebruik als trainingslocatie voor brand- en Bhv-cursussen. Het is zeer onwaarschijnlijk dat dit wordt gedaan op een locatie waar nog explosieven aanwezig zijn.

3.3.2.2 Struikeldraad in de Sluispolder Na de Tweede Wereldoorlog zijn, ten minste vanaf 1983, met enige regelmaat granaten uit de Figuur 10. Duitse tekening van de ‘Luftlandehindernisse’, afkomstig uit het Bundesarchiv-Mili- tärarchiv te Freiburg. (Bron: Harff & Harff, IJmuiden – Den Haag. Atlantikwall 1940-1945 (z.p., Tweede Wereldoorlog aangetroffen in de Sluispolder te Alkmaar. Een groot deel van deze 10 2005) 23) en 7,5 cm granaten had een trekontsteker (ontsteker ZZ35).20 Deze ontstekers werden speci- fiek ingezet om valstrikken te leggen. De granaatontsteker werd aan een draad bevestigd. Als vervolgens druk op het draad werd uitgeoefend, ontplofte de granaat. Hoogstwaarschijnlijk is dit ook waar de melding van anti-personeelsmijnen uit het gemeentearchief vandaan komt.21

Volgens de (oud-)eigenaar van de golfbaan in de Sluispolder werden op deze locatie gedu- rende de Tweede Wereldoorlog palen neergezet, waaraan struikeldraden met granaten ge- spannen werden. Wanneer op deze locatie een parachutist landde, dan werd druk uitgeoefend op het draad, en sprong de granaat. Dit komt overeen met de literatuur, die meldt dat vliegveld Bergen vanaf februari 1944 verlaten werd door Duitse troepen. Om zich vervolgens te verze- keren dat de vliegvelden niet door geallieerde luchtlandingstroepen gebruikt zouden worden, werden deze ‘Luftlandehindernisse’ rond deze vliegvelden aangelegd. (Zie figuur 10, met

18 21 https://www.erfgoedalkmaar.nl/nieuws/een-fort-is-niet-dat-betonnen-gebouw/ Zie ook MORA nr. 19832644, in hoofdstuk 3.8. 19 https://fortmarkenbinnen.nl/de-stelling-van-amsterdam/ 22 Harff & Harff, IJmuiden – Den Haag. Atlantikwall 1940-1945 (z.p., 2005) 22-23. 20 Zie onder andere MORA’s 19832644, 19851866, 19871365, 19912849, 19962556, 20020296, 20101647, 20121857, Regionaal Archief Alkmaar 0004/11018, de Alkmaarsche Courant, 18 december 1996 en het Noordhollands Dagblad, ed. Zaanstreek, 21 maart 2002. 21 22S049-VO-01

gebied (O2645) is weergegeven in onderstaand figuur, en is verdacht op Franse en mogelijk Duitse brisantgranaten van 7,5 en 10 cm, met trekontsteker ZZ35:

Figuur 12. Het verdachte gebied behorende bij de hindernis in de Sluispolder. (Bron achter- grond: Sortie 106G/4532 fotonummer 4140 d.d. 26 februari 1945)

3.3.2.3 Inundaties

In het oosten van de gemeente Alkmaar, bij Schermer, Graft en De Rijp en Ursem, waren nauwelijks Duitse troepen aanwezig. Dit komt deels omdat een groot deel van de gemeente Figuur 11. Op deze foto zijn, palen zichtbaar bij vliegveld Bergen. Deze palen werden als lucht- landingshindernis gebruikt. Zo konden vliegtuigen niet op het vliegveld landen. Het type hin- tussen de Rijp en het fort bij Marken-Binnen geïnundeerd was (nadat dit in 1940 als onderdeel dernis bij de Sluispolder was meer op parachutistenlandingen gericht. (Bron: RAA, Bosman, van de Stelling van Amsterdam al eenmaal het geval was geweest). Het gaat hierbij om de P.J. / collectie Regionaal Archief Alkmaar / FO 1300011.) Starnmeerpolder en de Eilandspolder. Dit is weergegeven in figuur 13. Voor zover bekend zijn de dijken hierbij niet tot springen gebracht, maar zijn de gemalen uitgezet. Dit wordt bevestigd Aangezien de Sluispolder op ongeveer 2 kilometer van het vliegveld Bergen ligt, is het goed door de melding dat de Starnmeer op 28 mei 1945, twintig dagen nadat men was gestart met mogelijk dat hier een valstrik als deze geplaatst werd. Aangezien nog enkele keren granaten pompen, weer drooggemalen was.23 bij de golfbaan aangetroffen worden, is hier een verdacht gebied aangemerkt. Dit verdachte

23 https://www.regionaalarchiefalkmaar.nl/verdieping/blog/614-starnmeer1940 22 22S049-VO-01

Figuur 13. De inundatie in de voormalige gemeenten Jisp, Akersloot, Graft en De Rijp.

Aangezien bij het tot stand brengen van deze inundaties voor zover bekend geen explosie- ven zijn ingezet, heeft Saricon voor deze gebeurtenis geen verdacht gebied aangemerkt.

Samengevat

Binnen het onderzoeksgebied waren meerdere stellingen aanwezig. Deze hebben echter niet geleid tot een verdacht gebied. Alleen de luchtlandingshindernis bij golfbaan Sluispol- der heeft geleid tot een verdacht gebied.

23 22S049-VO-01

3.4 Landmijnen waren ‘opgeruimd’, maar waarbij de landmijnen niet zijn afgevoerd of vernietigd, maar ter plaatse bleken te zijn begraven. Ook het ter plaatse achterlaten van losse ontstekingsmecha- nismen, al dan niet bewust, kwam voor.24 Kort na de Tweede Wereldoorlog, in juni 1946, is een inventarisatie gemaakt van alle bekende en vermoedelijke mijnenvelden in Nederland. De Commandant van de Mijnopruimingsdienst De bij de mijnenruimingen in de periode 1944-1947 gebruikte mijnenlegrapporten, en de des- (MOD) verklaarde toen dat er op Nederlands grondgebied zo’n 5.400 mijnenvelden waren tijds opgestelde mijnenruimrapporten, zijn nu in beheer bij de Explosieven Opruimingsdienst gekarteerd en dat nog ongeveer 900 mijnenvelden gekarteerd moesten worden. In de jaren Defensie (EOD). Uit de ruimrapporten blijkt dat niet in alle gevallen alle gelegde landmijnen direct na de oorlog zijn de, zowel door Duitse als geallieerde eenheden gelegde, mijnenvelden zijn aangetroffen. Saricon beschikt over de voor het onderzoeksgebied relevante kaartmateri- opgeruimd. Het totale aantal in Nederland geruimde landmijnen wordt geschat op 1,8 miljoen. aal. Op basis van dit kaartmateriaal kan gesteld worden dat zich binnen het onderzoeksgebied Alleen al door Duitse krijgsgevangenen zijn een kleine 1,4 miljoen landmijnen geruimd. Verder geen mijnenvelden bevonden. Zie daarvoor ook figuur 14.

werden er onder meer landmijnen geruimd door geallieerde eenheden (operationeel ruimen – d.w.z. alleen het mijnenvrij maken van gebieden waarvan het direct voordeel opleverde voor Samengevat de oorlogsinspanning), door burgermijnopruimingsorganisaties en door het Korps Hulpverle- ningsdienst. In het najaar van 1947 staakten de organisaties die nog met het systematisch Binnen het onderzoeksgebied zijn, voor zover bekend, geen mijnenvelden aanwezig. opruimen van landmijnen waren belast hun werkzaamheden. Sindsdien zijn op of nabij de locaties van voormalige mijnenvelden nog sporadisch landmijnen aangetroffen. Zelfs eind 20e en begin 21e eeuw zijn in Nederland nog meerdere vondsten gedaan van in grote hoeveel- heden gedumpte landmijnen. Het betrof hier mijnenvelden die in de periode 1944-1947 wel

24 Informatie ontleend aan A.H. Meijers, Achtung Minen – Danger Mines. Het ruimen van landmijnen in Nederland 1940-1947 (Soesterberg 2013). 24 22S049-VO-01

Figuur 14. De mijnenvelden buiten het on- derzoeksgebied.

25 22S049-VO-01

3.5 Vliegtuigwrakken • Moet rondom de crashlocatie rekening worden gehouden met de mogelijke aanwe- zigheid van stoffelijke resten, milieukundige bodemverontreiniging (zoals brandstof) en archeologisch erfgoed? Gedurende de Tweede Wereldoorlog zijn er enige duizenden militaire toestellen neergestort Een deel (14) van de 31 vliegtuigcrashes is relevant voor dit onderzoek. Wanneer een vlieg- boven Nederlands territorium. Bij een groot deel van deze toestellen waren nog explosieven tuigcrash als relevant is beoordeeld, dan wordt deze in de hoofdstukken 3.5.2. tot en met aan boord. Deze vliegtuigcrashes werden niet centraal geregistreerd. Naast gemeentelijke 3.5.15 verder uitgewerkt. Een vliegtuigcrash is als niet relevant beoordeeld wanneer meteen luchtbeschermingsdiensten hielden ook provincies en de rijksoverheid vliegtuigcrashes bij. duidelijk was dat het hier om een crash buiten het onderzoeksgebied ging, of wanneer het om Daarnaast werden vliegtuigcrashes geregistreerd door de Duitse bezetter. Deze registraties een noodlanding bleek te gaan. In principe komt een vliegtuig bij een noodlanding namelijk verschillen in detailniveau; over sommige vliegtuigcrashes bestaan meerdere gedetailleerde heel aan de grond, en boordt deze zich niet in de bodem.

Bij noodlandingen is de kans dat rapporten met ooggetuigenverslagen, terwijl andere crashes alleen vermeld zijn met een da- munitie in de bodem achterblijft daarmee zeer gering. tum en een ruwe locatieschets. Samengevat In 2008 is het verliesregister van de Studiegroep Luchtoorlog 1939-1945 (SGLO) samenge- steld. Dit register, dat van tijd tot tijd wordt bijgewerkt aan de hand van nieuw beschikbaar Binnen het onderzoeksgebied zijn, voor zover bekend, enkele vliegtuigwrakken aanwezig. komende historische informatie, betreft een in verregaande mate correct en volledig overzicht Dit heeft geleid tot enkele verdachte gebieden. van de verliezen van militaire vliegtuigen die in de Tweede Wereldoorlog op Nederlands grond- gebied hebben plaatsgevonden.25

De database vermeldt 31 vliegtuigcrashes die plaatsgevonden hebben in of nabij het onder- zoeksgebied. In hoofdstuk 8.4.1. wordt het bronnenmateriaal van de vliegtuigcrashes waar- over meer bronnenmateriaal beschikbaar is uitgeschreven. Deze informatie is per vliegtuig- crash geordend.

3.5.1 Procesbeschrijving relevantie vliegtuigcrashes

Bij het beoordelen van de relevantie per vliegtuigcrashes maakt Saricon gebruik van onder- staande onderzoeksvragen om te onderbouwen of er wel of geen aanleiding is nader onder- zoek te doen. Het uitgangpunt is dat in het eindstadium alleen een verdacht gebied kan worden aangemerkt als de exacte crashlocatie bepaald kan worden.

• Was het een crash of een noodlanding? • Is de exacte locatie van de crash bekend? • Had het toestel mogelijk nog explosieven aan boord tijdens de crash? • Wat was de toestand van het vliegtuig vlak voor het neerkomen: stond het al in brand of was het reeds in de lucht geëxplodeerd? • Is er informatie over bergingswerkzaamheden in de directe nasleep van de crash of na de oorlog? • Zijn er aanwijzingen dat ontplofbare oorlogsresten zijn aangetroffen op of in de di- recte omgeving van de crashlocatie? • Zijn er aanwijzingen dat er onderdelen van het toestel (of delen daarvan) in de bodem of op/in de (water)bodem zijn achtergebleven?

25 Dit register werd in samenwerking met het Nederlands Instituut voor Militaire Historie in Den Haag op- gesteld en is via de website, in de vorm van een digitale database, te raadplegen via de website/database https://www.verliesregister.studiegroepluchtoorlog.nl/ 26 22S049-VO-01

Tabel 3.2. Overzicht (mogelijk relevante) vliegtuigcrashes ID26 Datum Type (serienummer) Eenheid Locatie Relevant? T0010C 05-01-1940 Fokker G-1 (306) ML 4-II-1 LvR Graft, bij de Meggelsloot Zie hoofdstuk 3.5.2. T0903 15-11-1940 Wellington IC (L7852) RAF No. 9 Squadron Nabij Broek op Langendijk Nee, dit toestel kwam neer tussen Zuid-Scharwoude en Broek op Langedijk. Deze locatie ligt buiten het onder- zoeksgebied. T0944 10-02-1941 Hampden I (X3001) RAF No. 49 Squadron Pieter Zeemanweg te Zuid-Scharwoude Een bemanningslid kwam in Broek op Langendijk terecht. Het vliegtuig crashte echter buiten het onderzoeksgebied. R0115 18-06-1941 Bf 109 (1512) Luftwaffe 1./JG 1 Hoeverweg, ten zuid-zuidoosten van Bergen Deze vliegtuigcrash vond op minstens 1,5 kilometer buiten het onderzoeksgebied plaats. T1161A 06-08-1941 Ju 88 Luftwaffe 3.(F)/122 Nabij Alkmaar Zie hoofdstuk 3.5.3. T1849 17-09-1942 Wellington Ic (X9920) RAF No. 15 OTU Squa- Westerweg, Heiloo. Deze vliegtuigcrash vond buiten het onderzoeksgebied dron plaats. De Westerweg te Heiloo ligt namelijk op minstens 1,6 kilometer van het onderzoeksgebied. T1942 07-12-1942 Mustang I (AP212) RAF No. 268 Squadron Bij de kruising van de Groeneweg en de Berger- Dit betrof een noodlanding. weg te Bergen T1960 20-12-1942 Lancaster I (W4334) RAF No. 103 Squadron Westgraftdijk, Eilandspolder Driehuizen Zie hoofdstuk 3.5.4.

T2188 09-04-1943 Lancaster I (ED554) RAF No. 207 Squadron Kanaaldijk, Jisp Deze vliegtuigcrash vond op 3,8 kilometer buiten het on- derzoeksgebied plaats. T2216 27-04-1943 Wellington X (HE737) RAF No. 429 Squadron Kogendijk, tussen Koedijk en Bergen Zie hoofdstuk 3.5.5. T2282 12-05-1943 Halifax II (HR786) RAF No. 51 Squadron Kanaaldijk, Jisp Deze vliegtuigcrash vond op 2,9 kilometer buiten het on- derzoeksgebied plaats. T2551 23-06-1943 Halifax V (DK225) RAF No. 427 Squadron Oostmijzerdijk bij Oost-Mijzen bij Avenhorn Zie hoofdstuk 3.5.6. T2592 26-06-1943 Halifax V (DK180) RAF No. 427 Squadron Bij de Helderseweg, ten noorden van Alkmaar Zie hoofdstuk 3.5.7. T2590 26-06-1943 Halifax II (JB928) RAF No. 78 Squadron Bij de Bergerringsloot aan de Bergerweg, Ber- Deze vliegtuigcrash vond buiten het onderzoeksgebied gen, nabij de Zuivelfabriek Wilhelmina, voorbij plaats. de veerbrug richting Bergen. T2685 20-07-1943 Bf 109 (16140) Luftwaffe 7./JG 54 Rustenburg Dit betrof een noodlanding. R0569 20-07-1943 Bf 109 (14945) Luftwaffe III/JG 54 Uitgeest Dit betrof een noodlanding. T2792 16-08-1943 Typhoon Ib (JP549) RAF No. 195 Squadron Sluispolder Bergen Zie hoofdstuk 3.5.8. T2843 23-08-1943 Lancaster III (LM333) RAF No. 100 Squadron Bij de Franschman, tussen Bergen en Bergen Deze vliegtuigcrash vond buiten het onderzoeksgebied aan Zee plaats.

R0694 03-11-1943 Bf 109 (15963) Luftwaffe II./JG 3 Beemster, nabij Schermerhorn Exacte locatie niet bekend. T3131 29-11-1943 B-17 (42-29787) USAAF 379BG/525BS In de Noordzee, nabij Petten Een bemanningslid van dit toestel was in Heiloo begraven. Het vliegtuig zelf kwam buiten de gemeente neer. T3204 11-12-1943 Bf 110 (740046) Luftwaffe 11./NJG 1 Kanaaldijk 271 Koedijk Zie hoofdstuk 3.5.9. T3218 16-12-1943 Lancaster III (JB656) RAF No. 7 Squadron Molenweg C24 Oterleek Zie hoofdstuk 3.5.10. T3486 02-03-1944 B-24 (42-7645) USAAF 482BG/814BS Bergerweg, Bergen Zie hoofdstuk 3.5.11. T3593 12-04-1944 Bf 110 (5478) Luftwaffe 11./NJG 1 Engewormer, Wormerveer Deze vliegtuigcrash vond op minstens 3,6 kilometer buiten het onderzoeksgebied plaats.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14160433/1