CConstaterende datAlbrandswaard
Koppel je AI →
Document · PDF

totaal bijlage 2 E Streefbeeld Buijtenland van Rhoon PDF.pdf

Gemeenteraad AW 7 februari 2022, gemeente AlbrandswaardBij agendapunt: 8: Ontwerp Bestemmingsplan Buijtenland van Rhoon 202140.832 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 5 van 5

Wanneer blijkt dat er behoefte is aan een hondenlosloopgebied, zou deze in het noorden van het Buijtenland van Rhoon gerealiseerd kunnen worden.

37

Hans Engels, allround beleidsmedewerker grond en groen, Gemeente Albrandswaard.

38

7. Overig

Parachutespringen Midden in het in te richten vogelrustgebied ligt een perceel dat momenteel door Skydive Rotterdam gebruikt wordt om te landen met parachutisten. Studies naar de effecten van parachutespringen op vogels zijn niet bekend. Er zijn wel enkele studies gedaan naar de invloed van paragliders en deltavliegers op vogels. Overigens hebben deze sporten de doelstelling om zo lang mogelijk in de lucht te blijven, terwijl bij het parachutespringen de parachute enkel als middel dient om veilig te kunnen landen. De vogelverstoring van parachutespringen kan dus afwijken. De gedane studies suggereren dat paragliders en deltavliegers een verstorend effect hebben op vogelbroedsoorten en dat dit effect een paar honderd meter ver kan reiken. Ook zal dit effect waarschijnlijk groter zijn in een open gebied met weinig dekking39. Rond het perceel waar Skydive Rotterdam momenteel landt, is een luchtkolom van 4 kilometer hoog en 3 kilometer breed gereserveerd voor het parachutespringen. Dit is de enige plek in Noord- en Zuid-Holland waar parachutelandingen mogen plaatsvinden. Vanwege de mogelijke vogelverstoring die op kan treden is het wenselijk dat Skydive Rotterdam in de toekomst kan landen op een iets noordelijker gelegen perceel in het Buijtenland van Rhoon. Een perceel van 1 hectare is al voldoende.

Skydive Rotterdam is bereid om op een andere plek te gaan landen en is ook al op zoek naar een geschikte plek. In de zomer wordt op woensdagavond en op zaterdag en zondag gesprongen. In totaal vinden per week ruim 20 vluchten plaatsen waarbij per keer 10 personen springen. Skydive Rotterdam brengt op deze manier recreanten naar het gebied en wil in de toekomst ook arrangementen gaan aanbieden in samenwerking met lokale ondernemers, zodat de parachutspringers ook in het Buijtenland van Rhoon gaan recreëren.

Der Einfluss von Hängegleitern und Gleitseglern auf die Avifauna, Zukunft Biosphäre GmbH: Gesellschaft zur nachhaltigen Entwicklung (2003). Einfluss des Flugverkehrs auf die Avifauna: Literaturstudie, Schriftenreihe Umwelt Nr. 344, Natur und Landschaft (2002). Krijgsveld, K.L., R.R. Smits en J. van der Winden, Verstoringsgevoeligheid van vogels: update literatuurstudie naar de reacties van vogels op recreatie, Vogelbescherming Nederland en Bureau Waardenburg BV (2009).

Verblijfsmogelijkheden Het is belangrijk dat recreanten ook in het Buijtenland van Rhoon kunnen overnachten. Op dit moment ontbreken die verblijfsmogelijkheden nog in het gebied zelf40. De te ontwikkelen overnachtingsmogelijkheden moeten passen binnen het landschap, de cultuurhistorie, de agrarische functie en de natuurdoelstellingen van het gebied. Kleinschalige ondernemingen zoals een B&B, logeren bij de boer of een natuurkampeerterrein passen daar bijvoorbeeld goed bij.

Herkenbaarheid Het Buijtenland van Rhoon moet zichtbaar en vindbaar zijn, zowel voor de mensen die van buitenaf komen als voor de mensen die bij de ontwikkeling van het gebied betrokken zijn. Voor het vergroten van de herkenbaarheid en zichtbaarheid van het Buijtenland van Rhoon zijn een herkenbaar logo en beeldmerk belangrijk. Deze komen zoveel mogelijk terug in alle uitingen, zoals buitenmeubilair (routemarkeringen, informatieborden, bankjes, prullenbakken), streekproducten, website en social media. Figuur 8: Meubilair van Park Lingezegen.

39

40 Langs de Koedood, vlak buiten het Buijtenland van Rhoon, zijn wel twee B&B’s te vinden (B&B Buytenland en B&B De Grienden).

75

Landbouw De landbouw in Nederland loopt in toenemende mate tegen de grenzen van het mogelijke aan. De snelle groei in productie per hectare, die met name vanaf de jaren ’70 zichtbaar was, vlakt steeds meer af terwijl de prijzen van voedsel blijven dalen. Het inkomen van de boeren komt daarmee onder druk te staan wat zich vertaalt in intensieve bouwplannen die de bodemkwaliteit aantasten. Daarnaast heeft de boer door de groeiende afhankelijkheid van externe inputs (bemesting en gewasbescherming) het vakmanschap uit handen gegeven, wat lokaal maatwerk erg moeilijk maakt.

1. Toelichting op de uitvoeringsmaatregelen a. Belangrijke elementen voor herstel Een werkelijk natuur-inclusieve landbouw streeft naar productie-optimalisatie die deze probeert te bereiken met het toepassen van enkele belangrijke basisprincipes: • Gebruik maken van natuurlijke processen: Er wordt zo veel mogelijk gestreefd naar het optimaliseren van natuurlijke, levende processen om tot oplossingen komen. Dit begint bij het leren begrijpen van deze natuurlijke processen. • Preventief ontwerpen: Bij het ontstaan van problemen wordt niet reactief en curatief gehandeld, maar wordt een stap terug gezet om te kijken of er iets in de randvoorwaarden van de productie kan worden veranderd zodat dit probleem zich niet meer voordoet. Problemen zijn dus eerder een indicator voor een ontwerpfout dan voor een gegeven dat met welke middelen dan ook moet worden bestreden. Als kapstok voor het herontwerp van de landbouw wordt daarbij gebruik gemaakt van het conceptueel kader voor natuur-inclusieve landbouw dat is ontwikkeld in opdracht van het WNF en voor de akkerbouw wordt uitgewerkt in samenwerking met het Louis Bolk Instituut en Stichting Veldleeuwerik (Erisman, 2014). In dit conceptueel kader worden vier pijlers gebruikt van waaruit naar deze integratie

76

van landbouw en natuur kan worden gestreefd.

b. Beheer van de maatregelen Om het lerend beheer vorm te geven gelden de volgende ontwerpprincipes:

1. Functionele agrobiodiversiteit: dit betreft goed bodembeheer en een gezonde vruchtwisseling. Een gezonde, levende bodem en een bewuste keuze voor de gewassen die men daarop verbouwt legt de basis voor zowel de agrarische productie als al het overige leven (planten, insecten en vogels). 2. Landschappelijke diversiteit: gaat over de ruimtelijke indeling van gewassen en landschapselementen die direct een rol spelen bij de ondersteuning in de agrarische productie, zoals kleinere percelen, zodat er meer randen ontstaan of bloeiende akkerranden die het aandeel plaagbeheersende insecten verhoogt waardoor er een natuurlijke plaagonderdrukking ontstaat. 3. Specifieke soorten: hoewel de hierboven genoemde pijlers reeds belangrijke bijdragen leveren aan het herstel van sommige natuurdoelsoorten (planten, insecten, vogels) zullen er aanvullende maatregelen moeten worden getroffen om de beoogde natuurdoelen te kunnen realiseren. Brede akkerranden, natuurvriendelijke oevers, plas-dras zones, vochtige hooilanden, struweel, extensief beheerde hoogstamboomgaarden en flora-akkers worden heel specifiek voor dit doel ingericht. Daarnaast zal extra aandacht worden besteed aan vogelinventarisaties gedurende het broedseizoen om via uitgestelde maaidatum, gefaseerd maaibeheer en nestbescherming de nestverstoring door landbouwkundige maatregelen te kunnen minimaliseren. 4.

Brongebieden verbindingszones: met name de maatregelen in pijler 3 die op individuele bedrijven worden genomen moeten zo veel mogelijk afgestemd zijn op het gehele gebiedsplan waarin ook de invloed van de omgeving (dijken, grienden, bomen en watergangen) wordt meegenomen zodat ze elkaar versterken. Tegelijkertijd wordt begonnen om de landbouw die op de overige 60% van het areaal wordt bedreven om te vormen naar natuur-inclusieve landbouw. Voor deze 60% geldt in eerste instantie wel dat de agrariër hier een goede boterham moeten kunnen blijven verdienen die niet afhankelijk is van de beheersubsidies die zij ontvangen, maar dat wel maximaal gekeken wordt hoe deze landbouw bij kan dragen aan het realiseren van de natuur en recreatiedoelen.

1. Ondernemers spannen zich vanaf het begin in om hun bedrijfsvoering aan te passen t.b.v. de natuurdoelen. Daarbij beginnen zij met werkende landbouwsystemen (zie hieronder) en maatregelen ten behoeve van natuurinclusieve landbouw die ook elders werken en hun diensten hebben bewezen (waaronder minder diep ploegen, beperken van vlakdekkende grondbewerkingen in het broedseizoen, inzetten van nieuwe technologieën t.b.v. nestbesparing, uitmijnen van de grond, etc.) 2. Veranderingen in dit systeem die leiden tot een verbetering van de ecosysteemdiensten die deze akkerbouw levert en die agronomisch en markttechnisch goed werken, eventueel door een lichte aanpassing in pacht of beheersvergoeding (€100-300/ha), worden direct doorgevoerd. 3. Veranderingen die een groter agronomisch of economisch risico met zich meebrengen worden uitgeprobeerd in experimenten. In deze experimenten (lerend beheren) wordt goed gekeken hoe groot de natuurwinst is en hoe deze agronomisch en markttechnisch uitwerkt. Er wordt prioriteit gegeven aan experimenten die een grote verwachte ecologische winst opleveren. Elk experiment dat mogelijk leidt tot een verbetering van de ecologische of natuurinclusieve prestaties van het systeem wordt aangegaan maar de schaal waarop dit gebeurt, is in overeenstemming met het risico dat gelopen wordt (hele wilde ideeën klein en bijna praktijkrijpe ideeën groter). 4.

Zodra zo’n aanpassing een daadwerkelijke verbetering vormt (natuurwinst, ecosysteemdienst) en agronomisch en markttechnisch inpasbaar blijkt, wordt deze maatregel breder uitgerold en/of verplicht gesteld. 5. Monitoren van de resultaten van het lerend beheren, waardoor er een dynamisch leerproces ontstaat. Resultaten van ontwikkelde aanpakken uitrollen en tot een succes brengen. Dit is een continue proces. 1. Werkende landbouwsystemen Voor de schaal van het Buijtenland van Rhoon zijn er op dit moment twee bewezen akkerbouwsystemen die agronomisch en markttechnisch werken: gangbare akkerbouw en biologische akkerbouw. Uit een proefschrift van Steven Kragten in 2009 (Breeding birds on organic and conventional arable farms Flevoland) is gebleken dat deze twee akkerbouwsystemen beide gelijkelijk presteren op het

gebied van akkervogels waarbij specifiek is gekeken naar veldleeuwerik, kievit en boerenzwaluw. Door een diverser bouwplan en het ontbreken van chemische gewasbescherming werden er iets meer territoria en broedgevallen aangetroffen op de biologische bedrijven, maar door de nestverstoring als gevolg van de mechanische onkruidbestrijding was het broedsucces in beide systemen gelijk. Op basis van deze studie blijkt dus dat er niet bij voorbaat een voorkeur kan worden uitgesproken voor één van beide systemen, maar dat voor beide systemen geldt dat er wel veel ruimte is voor verbetering. Zo geldt voor beide systemen dat de intensiteit van de bouwplannen in de laatste tientallen jaren door de hoge grondlasten nog steeds aan het toenemen is (nog steeds trend van minder maai- of rustgewassen en meer hak- of cashcrops), percelen in grootte aan het toenemen zijn en gewasverzorging sterk is geoptimaliseerd ten koste van overhoekjes, zaadaanbod van kruiden etc. 2. Praktijkrijpe aanpassingen Er zijn twee belangrijke, praktijkrijpe veranderingen die in het Buijtenland van Rhoon zo kunnen en zullen worden doorgevoerd die ook al reeds in het advies Veerman worden genoemd en in het Alterrarapport en uitgewerkt zijn in Koopmans et al (2017):

Extensivering van de bouwplannen Voor zowel de gangbare als de biologische akkerbouw geldt dat de intensiteit van de bouwplannen niet alleen voor de natuur, maar ook agronomisch te ver is doorgeschoten. Het aandeel intensieve teelten (m.n. hakvruchten) als aardappels, bieten en uien is nog steeds aan het toenemen ten koste van de rustgewassen granen. Ook is de diversiteit in de rustgewassen afgenomen. In lijn met het Zegenpolder experiment en ervaringen met akkervogels in Engeland ligt een belangrijke sleutel tot het verbeteren van de habitat voor akkervogels in het terugbrengen van de balans in die vruchtwisselingen: van de nu gebruikelijke 50% maai vs 50% hakvruchten zal er toegewerkt moeten worden naar een verdeling van ongeveer 66%/33%. In de maaivruchten is het belangrijk dat er weer meer voorjaarsgezaaide maaivruchten komen en dat er een grotere diversiteit aan bloeiende maaivruchten komt (peulvruchten, kruisbloemige oliegewassen) en rustgewassen als luzerne of grasklaver. Wat daarin een optimale balans is, is nog niet duidelijk omdat er enerzijds nog niet veel ervaring mee is, maar anderzijds ook heel veel dingen niet heel zwart wit zijn.

77

Terugdringen van chemische gewasbescherming Hierin geldt dat voor alle gewasbeschermingsmiddelen wordt gestreefd naar een maximale reductie. Daar er ambitieuze natuurdoelen zijn geformuleerd terwijl tegelijkertijd de agrariërs een goede boterham moeten kunnen blijven verdienen, vraagt dit ook hier weer om veel maatwerk. Bij dit maatwerk wordt prioriteit gegeven aan die onderdelen die het meest bijdragen aan het halen van de natuurdoelen, maar wel vanuit een werkend landbouwsysteem en vanuit een begrip voor het verdienmodel van de agrariër. Wat de reductie van chemische gewasbeschermingsmiddelen betreft, komt uit veel recente studies naar voren dat vooral het gebruik van insecticiden de groei van de vogelstand in de weg zit. Hierbij wordt met name de groep van neonicotinoïden als ecologisch sterk verstorend beschouwd. Om de akkervogeldoelstellingen te kunnen halen, is het daarom essentieel om de afbouw van insecticiden een stevige prioriteit te geven. Fungiciden worden veel minder in verband gebracht met de terugloop van het aantal akkervogels terwijl het achterwege laten van fungiciden wel een belangrijk opbrengstreducerend effect heeft en daarmee een sterke invloed op het verdienmodel van de agrariër.

Voor herbiciden geldt dat het alternatief (mechanische onkruidbeheersing) op dit moment het halen van de natuurdoelen in de weg kan staan in verband met de mechanische nestverstoring (Kragten, 2006). Er zijn recentelijk echter veel technische ontwikkelingen op het gebied van mechanische onkruidbeheersing (GPS gestuurde trekkers, gewasherkenning, gewasgeleide schoffels) die het mogelijk maken dat de nadelen van de nestverstoring door mechanische onkruidbeheersing worden geminimaliseerd. Deze technieken zijn op dit moment nog niet voor dit doel ontwikkelt en vragen dus nog om een ontwikkelfase. Dit kan daarom een belangrijk onderdeel uitmaken van het lerend beheren. Hoewel het geheel afbouwen van het gebruik van alle chemicaliën dus als ideaal overeind blijft, zal in eerste instantie prioriteit gegeven worden aan de sterke afbouw van het gebruik aan insecticiden, terwijl tegelijkertijd ook werk wordt gemaakt van de afbouw van herbiciden en fungiciden in een proces van lerend beheren. Als nadere toelichting op het verdienmodel van de agrariër is het essentieel om te weten dat er een grote diversiteit is in het salderend vermogen van verschillende gewassen vaak gepaard gaand met een groot verschil in benodigde arbeids- en kapitaalsinzet. Met de meeste maaigewassen (graan, peulvruchten, luzerne) zijn

78

relatief weinig arbeid en teeltkosten (kapitaal) mee gemoeid, maar de opbrengsten zijn laag en zeker bij de in het gebied geldende grondprijzen zijn deze gewassen eerder verliesgevend dan winstgevend. Een goede oogst van bijvoorbeeld wintergraan levert ongeveer €2.000/ha op, maar de teeltkosten (arbeid, machines) en pacht liggen rond de €2.600/ha. Zelfs met de volle GLB gelden meegerekend (€300/ha) geeft dit nog een verliesgevend gewas. De voornaamste reden dat deze gewassen door de akkerbouwer in het bouwplan worden opgenomen is omdat deze cruciaal zijn voor het behouden van een gezonde bodem. De maaigewassen nemen daarom in de meeste akkerbouwgebieden toch nog 50% van het areaal in beslag. Omdat met deze gewassen relatief weinig teeltkosten gemoeid zijn en de financiële risico’s bij een opbrengstreductie te overzien zijn, valt met deze gewassen makkelijker te experimenteren dan met meer renderende gewassen. Aan de andere kant van het spectrum vinden we de groententeeltgewassen als spruiten, brocolli en sla en de fruitteelt. Bij deze gewassen zijn hoge arbeids- en kapitaalsinvesteringen nodig om deze mogelijk te maken, maar de opbrengsten zijn navenant waardoor deze gewassen in de meeste jaren winstgevend zijn. Een goede oogst spruiten levert bijvoorbeeld €10-11.000/ha op, maar daar staan dan ook grote investeringen in arbeid (130 uur/ha) en kapitaal tegenover (€8.000/ha).

Een kleine reductie in de oogst heeft dan grote financiële consequenties en kan al snel het verschil tussen winst of verlies betekenen. Omdat deze gewassen de winst van een bedrijf bepalen, moet hiermee veel voorzichtiger omgegaan worden als het om experimenteren gaat. Wij stellen daarom ten aanzien van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen de volgende aanpak voor:

wordt via een hectarevergoeding geregeld. (wvvo41 ± €2000/ha) • 15% van het areaal (Hakvruchten akkerbouw): geen preventief gebruik meer van insecticiden vanaf het moment van oprichting van de coöperatie, alleen curatief en precies gebruik (d.w.z. waar echt nodig): hier wordt gewerkt met bestaande gewasmonitorsystemen (Groene Vlieg voor uien en wortels en Delphy voor aardappelen) die in de gaten houden wat de ontwikkeling van de schade-insecten zijn en alleen bij overschrijding van de schadedrempel, door een onafhankelijke, objectieve toets bepaald, wordt tot curatieve bespuiting overgegaan. Op basis van de experimentele ervaringen in de eerste 5 jaar wordt een hectarevergoeding afgesproken om het gemiddelde teeltrisico af te dekken (wvvo ± €4-8.000/ha). In het kader van deze experimenten kan het zijn dat enkele percelen met hakvruchten ter referentie wel gangbaar bespoten worden. • maximaal 5% (Hakvruchten groententeelt zoals sla, spruiten etc: dit zijn de meest kwetsbare gewassen waar de grootste financiële risico’s in gelopen worden (wvvo ± €10-15.000/ha). Ook in de biologische teelt wordt hier van (biologisch afbreekbare) insecticiden gebruik gemaakt.

Ambitie: afbouw van chemie via gebruik minder vatbare rassen, verhogen plaagbestrijders (bloeiende stroken langs en door gewas) en in middelenkeuze voor die middelen kiezen die de minst breedwerkende effecten hebben (gebruik lijsten Milieu Belasting Punten). Kennisuitwisseling met innoverende gangbare en biologische telers om tot maximale reductie te komen. Uitgangspunt bij wisselteelt is dat er geen verspreiding van persistente stoffen plaatsvindt in het gebied, net zo min als het ontstaan van een ecologische val. Voorafgaand aan het bouwplan voor wisselteelt is een onafhankelijke, objectieve toets nodig ten aanzien van het voorkomen van de persistentie en ecologische val. Dit vergt optimale inzet van zowel goed ondernemerschap als partnerschap. Deel van de oplossing kan ook in markt liggen omdat tot nu toe hier voor veel gewassen een nultolerantie geldt voor insecten zoals rupsen.

1. Insecticiden:

uitgezocht. -- Verlaging van de onkruiddruk door middel van vruchtwisseling, (groene) braak en stoppelbewerkingen. -- Bij het gebruik van herbiciden voor die middelen kiezen die de minste ecologische verstoring veroorzaken (gebruik lijsten Milieu Belasting Punten). -- Inzetten van experimenten met nestbesparende mechanische onkruidbeheersing. 3. Fungiciden • Natuurmaatregelen (40%): geen gebruik van fungiciden • Productieareaal (60%): Voor fungiciden is op voorhand nog niet duidelijk in welke mate de aanvullende maatregelen afdoende zijn zodat gebruik helemaal niet meer nodig is. Hiervoor zal binnen het Lerend beheren gezocht moeten worden naar de goede balans. Ook hier wordt gezorgd voor een onafhankelijke, objectieve toets. -- Gebruik van ziekteresistente rassen. -- Bij het gebruik van fungiciden voor die middelen kiezen die de minste ecologische verstoring veroorzaken (gebruik lijsten Milieu Belasting Punten). -- Experimenten met het verlagen van de infectiedruk door het toepassen van mengteelten en of strokenteelt.

wvvo betekent ‘waarde veldgewas voor oogst’. Alle kosten zijn dan al gemaakt (vaak in dezelfde orde van grootte), maar de opbrengst (de oogst) moet nog komen. Dit is dus het financiële risico dat een boer loopt wanneer er iets misgaat met de teelt. 10% opbrengstreductie kan dan al snel het verschil tussen een winstgevend en een verliesgevend gewas betekenen omdat de kosten al gemaakt zijn.

41

2. Herbiciden • 40% van het areaal (natuurmaatregelen): geen enkel gebruik van insecticiden (noch preventief, noch curatief) • 35-40% van het areaal (Maaigewassen): eveneens geen enkel gebruik van insecticiden, voor kwetsbare gewassen (bv peulvruchten en koolzaad) wordt naar aanvullende maatregelen zoals vruchtwisseling en braak gezocht om de risico’s van opbrengstreductie te verkleinen. Overgebleven opbrengstreductie

• Natuurmaatregelen (40%): geen gebruik van herbiciden • Productieareaal (60%): Ook voor herbiciden streven we naar geen enkel gebruik. Daarbij zal maximaal ingezet worden op de aanpassing van de mechanische onkruidbeheersingstechnieken die de nestverstoring zo veel mogelijk verkleint. Dit zal in een proces van lerend beheren moeten worden

79

Op deze manier wordt op het overgrote deel van het areaal (75-80%) direct gestopt met het gebruik van insecticiden. Op een aanvullende 15% van het areaal wordt hier in 5 jaar naar toe gewerkt. Voor de overige maximaal 5% van het areaal, waar de meest kapitaalsintensieve gewassen worden geteeld, wordt naast de inspanningen op het gebied van reductie van middelengebruik, ook gekeken of deze beperkte oppervlakte niet een zuigende of leegtrekkende functie heeft op de insectenstand in het omliggende gebied of dat persistentie van middelen leidt tot de sterke beïnvloeding van de insectenstand in de volggewassen. Mocht dit namelijk wel het geval zijn dan vormt dit zeer beperkte oppervlak een soort van ecologische val voor insecten in een veel groter gebied, waardoor het de realisatie van natuurdoelen in dit grotere gebied alsnog in de weg kan staan. Het onderzoeken van deze mogelijk zuigende werking voor insecten zal dus onderdeel uitmaken van het begeleidende onderzoek ten dienste van het lerend beheren. Zodra uit monitoring blijkt dat de natuurdoelen niet gehaald worden (mede) door het gebruik van chemie op deze 5 % van het areaal, dan zal de coöperatie ook voor dit areaal het chemiegebruik verder moeten reduceren of afbouwen. Het kunnen bereiken van de in dit streefbeeld afgesproken natuurdoelen is daarbij leidend. 3.

Experimenteren Aanvullend zullen op veel vlakken experimenten worden gestart om te kijken of de bijdrage van de 60% landbouwgrond aan het realiseren van de natuurdoelen nog verder kan worden verbeterd. Deze experimenten zullen samen met de ondernemers worden aangegaan waarbij de risico’s en mogelijk opbrengstverlies als bij een onderzoeksprogramma worden gedekt vanuit de coöperatie en de praktische uitvoer en monitoring van de effecten door inhoudelijke experts begeleid.

Literatuur Bakker, P. en A. van der Berg; 2000; Beschermingsplan Akkerplanten; Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, Den Haag; 98 p. Bekius, drs. D. en drs. O. Deunhouwer; 2002; 750 ha natuur en recreatie, deelgebied Midden-IJsselmonde: inventarisatie en waardering van cultuurhistorische elementen en patronen; RAAP-rapport 791; RAAP Archeologisch Adviesbureau B.V.; Weesp; 76 p. Bieleman, J; 1992; Geschiedenis van de Landbouw in Nederland (1500-1950); Boom; Meppel; 423 p.

Erisman, J.W., N.J.M. van Eekeren, W.J.M. Cuijpers, J. de Wit. 2014; Biodiversiteit in de melkveehouderij: Investeren in veerkracht en reduceren van risico’s. Rapport 2014 042 LbD. Louis Bolk Instituut, Driebergen. 55 p. Goosen, C.M., R.J.H.G. Henkens en I. Woltjer; 2010; Ontwikkeling behoefte aan recreatie-activiteiten en relatie met motieven: analyse vrijetijdsgegevens voor een herijking van recreatietekorten, Alterra. Groenkennisnet 2018. https://www.groenkennisnet.nl/nl/groenkennisnet/show/ Ingrijpende-gevolgen-essentaksterfte.htm gevonden op 26-02-2018

Binder, T.; 2016; Erfgoed van Rhoon; Rhoon; 50 p.

Komenda-Zehnder, S. en B. Bruderer; 2002; Einfluss des Flugverkehrs auf die Avifauna −Literaturstudie; Schriftenreihe Umwelt Nr. 344.; Bundesamt für Umwelt: Wald und Landschaft; Bern; 100 p.

Bos, J.F.F.P., H. Sierdsema, H. Schekkerman & C.W.M. van Scharenburg; 2010; Een Veldleeuwerik zingt niet voor niets! Schatting van kosten van maatregelen voor akkervogels in de context van een veranderend Gemeenschappelijk Landbouwbeleid; Wageningen; Wettelijke Onderzoekstaken Natuur & Milieu, WOtrapport 107 ;242 p.

Koopmans CJ, Erisman JW, Zanen M & B. Luske; 2017; Biodiverse akkerbouw; verkenning van indicatoren voor agrobiodiversiteit in de akkerbouw; Louis Bolk Instituut; Bunnik

Bootsma M.; 2018; Plan voor educatie in het Buijtenland van Rhoon

Krijgsveld, K.L., R.R. Smits en J. van der Winden; 2009; Verstoringsgevoeligheid van vogels: update literatuurstudie naar de reacties van vogels op recreatie, Vogelbescherming Nederland en Bureau Waardenburg BV

Bronsveld et al. ;2015; Soortenrijkdom Nederlandse dijken, een beheerdersdilemma? H2O online, 31 augustus 2015 Dochy O. & Hens M.; 2005; Van de stakkers van de akkers naar de helden van de velden. Beschermingsmaatregelen voor akkervogels; Rapport van het Instituut voor Natuurbehoud IN.R.2005.01, Brussel, i.s.m. het provinciebestuur WestVlaanderen, Brugge Eichhorn, K. en R. Ketelaar; 2010; Ecologie en beheer van kruidenrijke akkers op de zandgronden; Vereniging Natuurmonumenten; 84 p.

80

Eichhorn, K. en R. Ketelaar; 2012; Ecologie en beheer van kruidenrijke akkers op zware en basische grondsoorten; Vereniging Natuurmonumenten; 104 p.

Kroes, drs. R.A.C.; 2009; Project Mainportontwikkeling Rotterdam, MiddenIJsselmonde, gemeente Albrandswaard; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek; RAAP-Rapport 1807; RAAP Archeologisch Adviesbureau B.V.; Weesp; 36 p. Kuiper, MW, Ottens, HJ, Cenin, L, Schaffers, AP, van Ruijven, J, Koks, BJ, Berendse, F, de Snoo, GR, q.; 2013; Field margins as foraging habitat for skylarks (Alauda arvensis) in the breeding season; Agricultural ecosystems & environment 170; p.1015.

81

Luske et al (2013). Aanleg en beheer van akkerranden; onkruid de baas blijven. Louis Bolk Instituut, Driebergen. Lycklama T., J.J. Thijs & S. van de Laar; 2013; Recreatieve vraag-aanbodanalyse IJsselmonde: een gebiedsanalyse met behulp van leefstijlen; Bureau voor Ruimte & Vrije tijd; Driebergen; 91 p.

Sissingh, G.; 1950; Onkruid-associaties in Nederland: een sociologischsystematische beschrijving van de klasse Rudereto-Secalinetea Br.-Bl.; Staatsdrukkerij- en Uitgeverijbedrijf; Den Haag; 224 p. Slicher van Bath, B.; 1987; De agrarische geschiedenis van West-Europa (5001850); 6e druk; Aula; Utrecht; 416 p.

NBTC.NIPO research ;2017; Bezoek natuur- en recreatiegebieden Zuid-Holland 2017

Slikboer, L.; 2017; Wilde bijen in de gemeente Albrandswaard

NBTC.NIPO research ;2014; Bezoek aan recreatiegebieden in Zuid-Holland: dagrecreatiemonitor Zuid-Holland 2013-2014

Sparrius L.B., B. Odé & R. Beringen; 2014; Basisrapport Rode Lijst Vaatplanten 2012 volgens Nederlandse en IUCN-criteria; FLORON Rapport 57; FLORON; Nijmegen; 180 p.

Pouwels, R., H. Sierdsema, R.P.B.Foppen, R.J.H.G. Henkens, P.F.M. Opdam, M. van Eupen; 2017; Harmonizing outdoor recreation and bird conservation targets in protected areas : Applying available monitoring data to facilitate collaborative management at the regional scale; Journal of Environmental Management 198, p. 248-255. Prins, U.; 2016; Florarijke akkers in Nederland: Aanwijzingen voor succesvol beheer; Louis Bolk Instituut; Driebergen; 44 p.

Beek M. en G. Feldkamp; 2017; De Klik: nieuwe tijd – nieuwe inzichten; Stichting Lekker Groen iov Lekker de Stad Uit! Tooren, B. van, P. Dirks en N. van der Ploeg; 2015; Akkerbeheer: kennis vergaren en in de praktijk brengen; In: Vakblad Natuur, bos en Landschap; vol. dec 2015; p 6-11 Veerman C.P.; 2014; Behoud de polders van het Buijtenland van Rhoon” Een verkennend onderzoek

Reijers, V.C. et al. ;2014; De invloed van vegetatie op de erosiebestendigheid van dijken. De start van een monitoringsexperiment naar de effecten van de vegetatiesamenstelling op de erosiebestendigheid van de Purmerringdijk; Rapport Radboud Universiteit Nijmegen en Alterra, Wageningen UR i.o.v. Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier, 68 p.

Verbeek, P.J.M., E. Brouwer en M.C. Scherpenisse-Gutter; 2012; Akkerflora en kansen op herstel: bodem en akkerflora in natuurakkers in Brabant 2011; Natuurbalans - Limes Divergens BV & Bware BV; Nijmegen; 145 p.

Roodbergen, M ;2013; Het jaar van de Patrijs: Kennisupdate; Sovon rapport 2013/12; Sovon Vogelonderzoek Nederland, Nijmegen.

Verbeek et al.; 2016; Beheer en herkenning bedreigde akkerflora: hoe akkers met bedreigde akkerflora te creëren en te beheren en veldgids voor het herkennen bedreigde akkerflora; Natuurbalans - Limes Divergens BV; 3e druk; Nijmegen; 248 p.

Schoor, A. van der; 2013; De dorpen van Rotterdam: van ontstaan tot annexatie; Stichting Historische Publicaties Roterodamum, publ. 190; Uitgeverij Ad Donker; Rotterdam; 295 p.

82

Verdaas C., J.J. de Graeff en J. de Groot ;2016; Kansen pakken in het ‘Buijtenland van Rhoon’: samenwerken in een coöperatieve gebiedsontwikkeling, Vereniging Nederlands Cultuurlandschap ;2014; Levend Buijtenland van Rhoon: zorg voor natuurrijk en idyllisch landschap voor Stadsregio Rotterdam Weeda et al.; 2003; Atlas van Plantengemeenschappen in Nederland: deel 3 Kust en binnenlandse pioniermilieus; KNNV Uitgeverij; Utrecht; 256 p. Westerink, J., T.A. Vogelzang, T. van der Sluis, A.B. Smit en R.J.H.G. Henkens; 2015; Naar Buijten! Hoogwaardige akkernatuur en recreatie in het Buijtenland van Rhoon; Wageningen, Alterra Wageningen UR (University & Research centre), Alterra-rapport 2655. 36 p. Wiersma P., H.J. Ottens, M.W. Kuiper, A. E. Schlaich, R.H.G. Klaassen, O. Vlaanderen, M. Postma & B.J. Koks; 2014; Analyse effectiviteit van het akkervogelbeheer in provincie Groningen; Rapport Stichting Werkgroep Grauwe Kiekendief; Scheemda Zegers, S. en R. van Ham; 2009 ; Ruitersport in Landschapspark Buytenland: Kansen voor recreatie, beleving en voorzieningen; Grontmij Route IV; 26 p. Zegers, S.; 2009; Verkenning Ruiterroutenetwerk IJsselmonde; Grontmij Route IV; 81 p. Zeegers, T. & J. Noorddijk; 2018; Insecten in het Buijtenland van Rhoon 2017: patronen in soorten en biomassa in de Zegenpolder; EIS2018-05; EISKenniscentrum Insecten; Leiden; 40 p.

Verbeek P.; 2017; Flora-inventarisatie in het Buijtenland van Rhoon. Onderzoek naar huidige floristische waarden en potenties; Natuurbalans - Limes Divergens BV; Nijmegen; 21 p.

83

85

86

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.albrandswaard.nl/api/v1/meetings/3397/documents/26657