ter inzage gelegde ontwerp Buijtenland van Rhoon 2021_ontwerp_excl bijlagen en verbeelding.pdf
Tekst van het document
Vervolgens kan een bestemmingsplan slechts worden vastgesteld indien is verzekerd dat ook bij een maximale invulling van het plan de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000‐gebied niet worden aangetast. Soortenbescherming In de Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen: soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn; soorten die worden beschermd in de Habitatrichtlijn; overige soorten. De Wnb bevat onder andere verbodsbepalingen ten aanzien van het opzettelijk vernielen of beschadigen van nesten, eieren en rustplaatsen van vogels als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. Gedeputeerde Staten (hierna: GS) kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen Provinciale Staten (hierna: PS) vrijstelling verlenen van dit verbod. De voorwaarden waaraan voldaan moet worden om ontheffing of vrijstelling te kunnen verlenen zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Vogelrichtlijn. Verder is het verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen of te verstoren. GS kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen PS vrijstelling verlenen van dit verbod.
De gronden voor verlening van ontheffing of vrijstelling zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Habitatrichtlijn.
61/188
Uitwerking Verordening uitvoering Wet natuurbescherming Zuid‐Holland In de provincie Zuid‐Holland wordt vrijstelling verleend voor het weiden van vee en voor het op of in de bodem brengen van meststoffen. In het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied, bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw, bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of natuurbeheer, of bestendig beheer of onderhoud van de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied worden vrijstellingen verleend ten aanzien van de soorten genoemd in bijlage 6 bij de verordening. Het betreft aardmuis, bastaardkikker, bosmuis, bruine kikker, bunzing, dwergmuis, dwergspitsmuis, egel, gewone bosspitsmuis, gewone pad, haas, hermelijn, huisspitsmuis, kleine watersalamander, konijn, meerkikker, ree, rosse woelmuis, veldmuis, vos, wezel en woelrat. Provinciale Ruimtelijke Verordening: Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het rijksbeleid ten aanzien van de bescherming van soorten (flora en fauna) en de bescherming van de leefgebieden van soorten (habitats) is opgenomen in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR). De uitwerking van dit nationale belang ligt bij de provincies.
De bescherming van gebieden is geregeld via de provinciale Ruimtelijke Verordening. Het Natuurnetwerk Nederland (voorheen ecologische hoofdstructuur) is een netwerk van natuurgebieden en verbindingszones. Planten en dieren kunnen zich zo van het ene naar het andere gebied verplaatsen. Op plekken waar gaten in het netwerk zitten, legt de provincie nieuwe natuur aan. Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is in de eerste plaats belangrijk als netwerk van leefgebieden voor veel planten en dieren. Robuuste leefgebieden voor planten en dieren zijn nodig om soorten van uitsterven te behoeden. Maar het netwerk is er ook voor mensen die willen genieten van de schoonheid van de natuur, om te recreëren en tot rust komen. Bestemmingsplannen moeten voldoen aan de regels die in de Provinciale Ruimtelijke Verordening zijn opgenomen. Dat gaat met behulp van de “nee, tenzij”‐toets. Een nieuw project, dat de natuur significant aantast, mag niet worden toegestaan in het bestemmingsplan (“nee”), tenzij het een groot openbaar belang dient én er geen alternatieven zijn buiten de natuur. Als het toegestaan is, is natuurcompensatie verplicht. 4.6.2
Beschermde gebieden
Ten aanzien van de beschermde natuurgebieden wordt onderscheid gemaakt tussen Natura 2000 en het Natuurnetwerk Nederland. Natura 2000‐gebieden Het plangebied grenst aan de zuidzijde aan het Natura 2000‐gebied Oude Maas (zie figuur 4.4).
62/188
Figuur 4.4 Ligging Natura 2000‐gebieden (bron: AERIUS Calculator) De instandhoudingsdoelen van dit Natura 2000‐gebied zijn als volgt: Tabel 4.1 Instandhoudingsdoelen Oude Maas (bron: https://www.natura2000.nl/gebieden/zuid‐holland/oude‐maas/oude‐maas‐doelstelling) Doelstellingen areaal
Doelstellingen kwal.
Doelstellingen pop.
Habitats H3270 ‐ Slikkige rivieroevers =
=
H6430B ‐ Ruigten en zomen > harig wilgenroosje
=
H91E0A ‐ Vochtige alluviale = bossen zachthoutooibossen
=
Habitatsoorten H1337 ‐ Bever
=
=
=
H1340 ‐ Noordse woelmuis >
>
>
Legenda =
Behouddoelstelling
>
Verbeter‐ of uitbreidingsdoelstelling
63/188
Natuurnetwerk Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de opvolger van de Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Het gehele plangebied (behalve de golfbaan en het stukje langs de Maas alsmede wegen, woonkavels en erven) is onderdeel van het NNN (zie figuur 4.5).
Figuur 4.5 ‐ Ligging Natuurnetwerk Nederland (bron: Ruimtelijke plannen) 4.6.3
Beschermde soorten
De huidige aanwezige beschermde soorten zijn vastgesteld aan de hand van algemene ecologische kennis en verspreidingsatlassen/gegevens (o.a. www.waarneming.nl). Daarnaast is in 2019 ecologisch veldonderzoek verricht naar de aanwezig akkerflora en akkervogels (Van der Goes en Groot, 2019). Deze onderzoeken zijn als Bijlage 10 en Bijlage 11 bijgevoegd. Flora In 2019 heeft onderzoek plaats gevonden naar typische akkerkruiden in de akkerlanden in het plangebied. In de aangelegde flora‐akkers in het plangebied komen diverse zeldzame tot zeer zeldzame soorten voor. Buiten de flora‐akkers gaat het om zeer algemeen voorkomende soorten. De onderstaande beschermde soorten zijn aangetroffen tijdens het onderzoek: Dreps Getande veldsla Groot spiegelklokje Grote leeuwenklauw Naaldenkervel Wilde ridderspoor Wilde weit Strikt genomen zijn de soorten niet als wild te beschouwen omdat er sprake is van een ingezaaid mengsel (Van der Goes en Groot, 2019).
64/188
Vogels In de periode 2019‐2020 heeft onderzoek plaats gevonden naar broedvogels en wintervogels in het plangebied (van der Goes en Groot 2020). In het voorjaar (april – juni 2019) zijn broedvogeltellingen uitgevoerd, aangevuld met wintertellingen (oktober 2019 – maart 2020). In het onderzoek zijn 21 soorten met 311 territoria vastgesteld. Het gebied is vooral van belang voor weidevogels, vogels van erven en bebouwing en vogels van opgaande bossen en bosranden. Van deze soorten staan er 8 op de rode lijst namelijk; boerenzwaluw, gele kwikstaart, graspieper, kneu, ransuil, ringmus, spotvogel en veldleeuwerik. Op basis van gegevens van www.waarneming.nl sinds 2015 zijn ook broedgevallen van sperwer, havik, buizerd, steenuil en huismus in het plangebied aannemelijk. Naast de kerkuil en ransuil zijn dit allen soorten met jaarrond beschermd nesten. Alle broedende vogels en in gebruik zijnde nesten van broedende vogels zijn beschermd. Ook is de functionele leefomgeving rond in gebruik zijnde nesten beschermd. De functionele leefomgeving is het leefgebied dat vogels nodig hebben om een broedsel succesvol groot te brengen. Amfibieën en reptielen Uit het plangebied zijn sinds 2015 waarnemingen bekend van gewone pad, groene en bruine kikker en kleine watersalamander. Genoemde amfibieën komen verspreid voor in het agrarisch gebied.
Hierbij worden sloten, poelen en oeverhoeken als leefgebied gebruikt. Zoogdieren In het plangebied zijn waarnemingen bekend van 15 soorten wettelijk beschermde zoogdieren. Zwaarbeschermde soorten (bijlage IV Habitatrichtlijn) betreffen de bever (langs de zuidrand van het plangebied) en vier soorten vleermuizen. Verspreid in het gebied komen ook steenmarter, ree, wezel, bunzing, vos, haas, konijn en egel voor. Aannemelijk is ook de aanwezigheid van hermelijn en verschillende soorten muizen. Overige soorten Het plangebied kent herbergt verschillende soorten vissen, dagvlinders en libellen. Geen van deze soorten is wettelijk beschermd. In tabel 4.2 staat aangegeven welke beschermde soorten er binnen het plangebied (naar verwachting) voorkomen en onder welk beschermingsregime van de Wet natuurbescherming deze vallen.
65/188
Tabel 4.2 Naar verwachting voorkomende beschermde soorten en het beschermingsregime Beschermingsregime
Nader onderzoek nodig bij ontwikkelingen
Vrijstellingsregeling
Provinciale verordening
egel, gewone bosspitsmuis, Nee huisspitsmuis, veldmuis, bosmuis, rosse woelmuis, vos, wezel, hermelijn, bunzing, ree, haas en konijn bruine kikker, gewone pad, kleine watersalamander
Ontheffingsregeling
Bijlage IV Habitatrichtlijn
alle vleermuizen, bever
Vogelrichtlijn
Alle inheemse vogelsoorten Ja
Overige soorten 4.6.4
beschermde steenmarter
Ja Ja
Toetsing
4.6.4.1 Natura 2000 Het plangebied grenst aan de zuidzijde aan het Natura 2000‐gebied Oude Maas. De aangewezen habitats en soorten zijn niet stikstofgevoelig en weinig tot niet verstoringsgevoelig. Het bestemmingsplan zal ook niet leiden tot veranderingen in de waterhuishouding binnen het Natura 2000‐gebied. Significante aantasting van de Natura 2000‐doelen van het gebied Oude Maas als gevolg van het bestemmingsplan kunnen daarom op voorhand worden uitgesloten. Op veel grotere afstand (ca 16 km) ligt het Natura 2000‐gebied Biesbosch dat deels wel stikstofgevoelig is. Omdat de uitvoering van het bestemmingsplan zal leiden tot een toename van de verkeersbewegingen in het gebied is bepaald of deze toename kan leiden tot extra stikstofdepositie op de Biesbosch. In opdracht van de Gebiedscoöperatie Buijtenland van Rhoon UA heeft Goudappel Coffeng een verkeersstudie uitgevoerd (26 september 2020). Daarin is onderzocht wat het effect van de ontwikkeling Buijtenland van Rhoon tot recreatiegebied is op de aspecten verkeer en parkeren (zie ook paragraaf 4.7 Verkeer). Op basis van dit onderzoek is voor de verschillende wegvakken in het plangebied de verkeerstoename op een gemiddelde weekdag op jaarbasis berekend. Deze verkeerstoename is ingevoerd in AERIUS Calculator 2020 met als rekenjaar 2021. De berekening heeft geen depositieresultaten opgeleverd boven 0,00 mol/ha/jr.
De AERIUS‐berekening is als Bijlage 8 bij de toelichting van dit bestemmingsplan opgenomen. Conclusie; uitvoering van het bestemmingsplan leidt niet tot significante effecten op Natura 2000.
66/188
4.6.4.2 Natuurnetwerk Nederland Het provinciale beleid is gericht op het behouden, herstellen en op langere termijn vergroten van de biodiversiteit in Zuid‐Holland, inclusief de biodiversiteit van de bodem. Om dit doel te bereiken zet de provincie in op duurzaam beheer, bescherming en voltooiing van de het Natuurnetwerk Nederland, meer natuurwaarden op boerenland en in recreatiegebieden. Een groot deel van het plangebied is met dit doel aangewezen als onderdeel van het NNN. Middels dit bestemmingsplan wordt op experimentele wijze de balans tussen natuur, recreatie en landbouw gezocht om tot behoud en vooral een vergroting van de biodiversiteit te komen. Het bestemmingsplan geeft daarmee invulling aan het provinciale beleid ten aanzien van het NNN in het plangebied. 4.6.4.3 Beschermde soorten Aannemelijk is dat uitvoering van het bestemmingsplan zal leiden tot een toename van hoogwaardige akkernatuur, waarvan vele beschermde en/of rode lijstsoorten zullen profiteren. Echter; het bestemmingsplan is het besluit dat ingrepen mogelijk maakt, hetgeen incidenteel ook een aantasting van beschermde dier‐ of plantensoorten kan betekenen.
Uiterlijk bij het nemen van een besluit dat ruimtelijke veranderingen mogelijk maakt, zal daarom zekerheid moeten zijn verkregen of verlening van ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming nodig zal zijn en of het reëel is te verwachten dat deze zal worden verleend.
Er is geen ontheffing nodig voor de soorten waarvoor een provinciale vrijstelling geldt van de verbodsbepalingen van de Wnb. Uiteraard geldt wel de algemene zorgplicht. Dat betekent dat iedereen voldoende zorg in acht moet nemen voor alle in het wild voorkomende planten en dieren en hun leefomgeving. Tijdens werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met het broedseizoen. Verstoring van broedende vogels is verboden op grond van de Wnb. Overtreding van verbodsbepalingen ten aanzien van vogels wordt voorkomen door de werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren. In het kader van de Wnb wordt geen standaardperiode gehanteerd voor het broedseizoen. Van belang is of een broedgeval aanwezig is, ongeacht de periode. Indien de werkzaamheden uitgevoerd worden op het moment dat er geen broedgevallen (meer) aanwezig zijn, is overtreding van de wet niet aan de orde. De meeste vogels broeden overigens tussen 15 maart en 15 juli (bron: website vogelbescherming). Het plangebied herbergt jaarrond beschermde nestplaatsen van vogels en mogelijk ook vaste rust‐, verblijfs‐ of voortplantingsplaatsen van vleermuizen in bomen en gebouwen. Bij ingrepen aan potentieel geschikte bomen en gebouwen is nader (veld)onderzoek daarom noodzakelijk om te bepalen of het plan uitvoerbaar is in het kader van de Wnb.
Indien jaarrond beschermde nestplaatsen van vogels of rust‐, verblijfs‐ of voortplantingsplaatsen van vleermuizen aanwezig blijken te zijn en aangetast worden door de beoogde ontwikkeling, dan dient overtreding van de Wnb voorkomen te worden door het treffen van mitigerende en compenserende maatregelen. Indien de vereiste maatregelen worden genomen zal de Wnb de uitvoering van het bestemmingsplan niet in de weg staan.
67/188
4.7
Verkeer
Toetsingskader Op het gebied van verkeer en vervoer bestaat geen specifieke wetgeving die relevant is voor de voorgenomen activiteit. Wel dient in het kader van het ruimtelijk plan dat de activiteit mogelijk maakt, te worden onderbouwd dat het geheel voldoet aan een goede ruimtelijke ordening. Dit houdt onder meer in dat er voldoende parkeergelegenheid aanwezig dient te zijn en de eventuele verkeerstoename niet leidt tot knelpunten in de verkeersafwikkeling. Verkeersstudie Buijtenland van Rhoon In opdracht van de Gebiedscoörperatie Buijtenland van Rhoon UA heeft Goudappel Coffeng een verkeersstudie uitgevoerd (26 september 2020). Daarin wordt onderzocht wat het effect van de ontwikkeling Buijtenland van Rhoon tot recreatiegebied is op de aspecten verkeer en parkeren. Het doel van de studie is om verkeersbewegingen, middels tellingen, in beeld te krijgen. Daarnaast werden er interviews gehouden met verschillende ondernemers in het gebied en is er een parkeerbalans opgesteld. Het eindrapport biedt een overzicht van kansen en knelpunten van het gebied. Ook worden enkele verkeersmaatregelen geadviseerd. De belangrijkste bevindingen, conclusies en aanbevelingen uit deze verkeersstudie staan hieronder beschreven. Zie Bijlage 3 voor de volledige verkeersstudie. Ontsluiting en bezoekers In het noorden wordt het plangebied afgebakend door de Rhoonse Baan en de A15.
In het zuiden wordt het gebied afgebakend door de Oude Maas. De belangrijkste ontsluitingswegen van het gebied zijn de Essendijk en de Rijsdijk. De Essendijk verbindt Rhoon met Barendrecht en de Rijsdijk verbindt het Buijtenland met de N492 richting Rotterdam en de A15. Er zijn twee varianten mogelijk: een toekomstig bezoekersaantal van 1,25 miljoen bezoekers per jaar en 3,3 miljoen bezoekers per jaar. Aangezien in het Buijtenland van Rhoon gerecreëerd wordt (wandelen, paardrijden en fietsen) zijn grote hoeveelheden autoverkeer niet wenselijk. Het gebied dient echter wel per auto bereikbaar te blijven. Om toch genoeg bezoekers aan te trekken zijn drie locaties aangewezen waar reizigers hun auto kunnen parkeren, zoals weergegeven in figuur 4.6. Het betreft de parkeerlocaties: de Johannapolder (parkeren zuid), parkeerplaats Zevenmeet (parkeren noord) en de parkeerplaats langs de Koedood (parkeren oost). Verder huisvest het gebied verschillende ondernemers die recreatieve activiteiten aanbieden en ook parkeergelegenheid hebben op eigen terrein.
68/188
Figuur 4.6 ‐ Ontsluiting en parkeerlocaties Verkeersgeneratie De aantallen bezoekers en auto's naar het Buijtenland van Rhoon zijn hieronder samengevat voor variant 1 (1,25 miljoen bezoekers per jaar) en variant 2 (3,3 miljoen bezoekers per jaar: Er worden 1,25 – 3,3 miljoen bezoekers per jaar verwacht. Dit komt overeen met 371.775 tot 1.017.720 auto's per jaar. In de drukste maand worden tot 35.319 tot 96.683 auto's verwacht. Op de drukste dag worden 2.561 tot 7.010 auto's verwacht. Dat levert een minimale dagelijkse verkeersgeneratie van 5.122 tot 14.020 motorvoertuigbewegingen op. Verkeerstellingen Om de huidige verkeerscirculatie en intensiteiten op het wegennet in beeld te brengen zijn gedurende de volgende maanden verkeerstellingen uitgevoerd: maart 2018 (van 10 maart tot en met 23 maart); september en oktober 2019 (van 25 september tot en met 08 oktober). De resultaten uit de tellingen zijn naast elkaar gelegd en schematisch weergegeven in een visualisatie. In figuur 4.7 is onderscheidt gemaakt in wegen met hoge intensiteit (1.000 – 2.000 motorvoertuigbewegingen per etmaal), gemiddelde intensiteit (100 tot 1.000 motorvoertuigbewegingen per etmaal) en lage intensiteit (tot 100 motorvoertuigbewegingen per etmaal).
69/188
Figuur 4.7 ‐ Schematische weergaven van de verkeerstellingen en de hoofdstructuur Analyse infrastructuur Onderdeel van de verkeersstudie is een analyse van de huidige infrastructuur. Door de verkeersintensiteiten uit de tellingen te vergelijken met de huidige infrastructuur is bepaald of er sprake is van te hoge verkeersdruk in het gebied. Ook worden de gemeten snelheden vergeleken met de wettelijke snelheden en de daarbij horende breedtes van de verschillende wegen. Er heeft een analyse plaatsgevonden op basis van algemene cijfers uit het 'CROW Handboek Verkeersveiligheid' en de door Goudappel Coffeng uitgevoerde Wegenscan, waarin alle relevante ontwerpcriteria van CROW zijn opgenomen. Hiermee wordt bepaald hoeveel verkeer de huidige infrastructuur daadwerkelijk op een verkeersveilige wijze kan verwerken. Een groot deel van de wegen in het Buijtenland van Rhoon heeft geen of beperkte restcapaciteit op basis van de huidige vormgeving. De wegvakken zijn weergegeven in tabel 4.3 en figuur 4.8. Met verstevigde bermen op de Omloopseweg kan de verkeersveilige capaciteit verhoogd worden van 500 naar 1.000 motorvoertuigen per etmaal. Daarmee kan het huidige knelpunt opgelost worden. Er lopen inmiddels gesprekken tussen het waterschap, de gebiedscoöperatie en gemeente of dit wenselijk is.
Met verstevigde bermen op de Oudeweg kan de verkeersveilige capaciteit verhoogd worden van 700 naar 1.800 motorvoertuigen per etmaal. Daarmee kan de restcapaciteit vergroot worden. Bij de overige wegvakken is alleen een wegvakverbreding mogelijk om de restcapaciteit te vergroten. Dit is echter zeer lastig te realiseren.
70/188
Tabel 4.3 ‐ Wegvakken zonder of met weinig restcapaciteit
Figuur 4.8 ‐ Wegvakken zonder of met weinig restcapaciteit Toekomstige verkeersdruk De opgave van de provincie Zuid‐Holland is om gedurende een jaar 1,25 tot 3,3 miljoen bezoekers aan te trekken naar het Buijtenland van Rhoon. Om het gebied toch bereikbaar en leefbaar te houden heeft de provincie Zuid‐Holland in totaal drie locaties aangewezen waar bezoekers hun auto dienen te parkeren (de Johannapolder, parkeerterrein Zevenmeet en parkeerterrein langs de Koedood). Om te bepalen of het gebied genoeg parkeergelegenheid bezit om 1,25 tot 3,3 miljoen bezoekers per jaar aan te kunnen zijn de drie parkeerlocaties geanalyseerd. Ten eerste is het huidige parkeeraanbod op de drie locaties in beeld gebracht. Door het in kaart brengen van de huidige parkeervraag is met behulp van schouwen op locaties bepaald wat de parkeerlocaties zijn met een parkeeroverschot of ‐tekort. Uiteindelijk is berekend wat de parkeervraag zal zijn in de toekomst. Daarbij is tevens rekening gehouden met de deelontwikkelingen Buytenhof (70.000 bezoekers per jaar) en Horeca Graaf van Portland (600 á 700 bezoekers extra op een zondag) die binnen het plangebied plaats zullen vinden.
71/188
Met deze informatie kan de conclusie getrokken worden of meer parkeergelegenheid benodigd is en wat de locatie is waar het parkeeraanbod uitgebreid dient te worden. In figuur 4.9 is weergegeven waar, zonder maatregelen, problemen ontstaan in het Buijtenland van Rhoon. Ten opzichte van de huidige situatie neemt de problematiek toe op de Essendijk, Korteweg en Oudeweg.
Figuur 4.9 ‐ Wegvakken zonder of met weinig restcapaciteit (plansituatie) Langzaam verkeer In de planregels zijn mogelijkheden opgenomen voor de aanleg van nieuwe routestructuren als voet‐, fiets‐ en ruiterpaden. Er wordt nog een uitwerking gemaakt van de inrichting van de diverse voet‐, fiets‐ en ruiterpaden. De aanleg van nieuwe paden wordt vormgegeven door de gebiedscoöperatie en komt tot stand in overleg tussen de gebiedscoöperatie en de omgeving. Omwonenden worden altijd in een vroeg stadium betrokken. Een aandachtspunt hierbij is de kano‐oversteekplaats van de 'Blauwe Verbinding' rond Koedood 31A/B en 36. Hier steekt langzaam verkeer met een groot voertuig (de kano) de straat over om aan de andere kant van de Koedood verder te varen. Het is aan te bevelen hier aandacht voor te hebben bij de verdere uitwerking de verkeerssituatie in het plangebied. Parkeren Sommige recreatieve voorzieningen bieden parkeergelegenheid aan op eigen grond. Uit de opgemaakte parkeerbalans wordt geconcludeerd dat Golfcenter Rhoon, de Graaf van Poortland, de Buytenhof en de Vossenburg genoeg parkeerplaatsen bevatten om aan de parkeervraag te voldoen op drukke dagen in variant 1 (1,25 miljoen bezoekers per jaar). Voor variant 2 (3,3 miljoen bezoekers per jaar) is de uitbreiding van parkeerplaatsen nodig.
72/188
Daarbij is wel als uitgangspunt aangenomen dat alle parkeerplaatsen worden gebruikt. In de praktijk hebben de parkeerplaatsen aan de Johannapolder een hogere bezettingsgraad dan op de Zevenmeet. Dit kan wellicht voor problemen zorgen in de toekomst. De recreatieve voorzieningen en belevingspunten worden wel gelijkmatig over het gebied verspreid. Dat kan er voor zorgen dat de Zevenmeet in de toekomst meer aantrekkingskracht krijgt. Duidelijke routeaanduiding en bewegwijzering zijn noodzakelijk om de Zevenmeet bekender te maken bij het bezoekende publiek. Tenslotte zijn de openbare parkeerplaatsen allemaal aan de randen van het gebied gevestigd waardoor ze nauwelijks verkeersgeneratie zullen opleveren in het Buijtenland van Rhoon. De nieuwe recreatieve voorzieningen zullen meer verkeersgeneratie opleveren. De Essendijk biedt als hoofdweg door het gebied onvoldoende restcapaciteit om dit verkeer in goede banen te leiden. Het is wenselijk het parkeerterrein bij het golfcenter uitsluitend te gebruiken door de bezoekers van de golfbaan. Het is niet wenselijk om grote stromen bezoekers van het Buijtenland van Rhoon dwars door het gebied te laten rijden. Aanbevelingen 1. Aanbevolen wordt om het parkeerterrein bij het golfterrein niet te laten gebruiken door de nieuwe recreanten. Dit leidt tot ongewenste verkeersbewegingen op de Essendijk en Kortweg. 2.
Met verstevigde bermen op de Omloopseweg kan de verkeersveilige capaciteit verhoogd worden van 500 naar 1.000 motorvoertuigen per etmaal. Daarmee kan het huidige knelpunt opgelost en het toekomstige knelpunt sterk verminderd worden. 3. Met verstevigde bermen op de Oudeweg kan de verkeersveilige capaciteit verhoogd worden van 700 naar 1.800 motorvoertuigen per etmaal. Daarmee kan de restcapaciteit vergroot worden en kan de toekomstige verkeersdruk op een veilige wijze opgelost worden. Deze maatregel is echter niet mogelijk zonder verlegging van watergangen. 4. Een algemene aanbeveling is om de recreant via bebording en overige (online) bezoekersinformatie duidelijk te maken, dat zij parkeren bij de drie parkeerlocaties aan de randen van het gebied en vervolgens te voet, met de step of met de fiets het gebied in trekken. Dit past ook in de vastgestelde Recreatievisie 2030 voor het Buijtenland van Rhoon (augustus 2020). 5. Aanbevolen wordt ook de recreant te wijzen op de nabije ligging van metrostation Rhoon. De combinatie 'openbaar vervoer + (deel‐) fiets' kan een interessant alternatief zijn voor de auto. Het verdient ook aanbeveling wandelroutes door het Buijtenland van Rhoon te laten starten en eindigen bij het metrostation.
Conclusie Afhankelijk van de toekomstvariant (1,25 miljoen of 3,3 miljoen bezoekers per jaar) zijn binnen het plangebied maatregelen nodig om een goede parkeer‐ en verkeerssituatie te kunnen waarborgen. Voor variant 1 (1,25 miljoen bezoekers per jaar) zijn er voldoende parkeerplaatsen voorzien, voor variant 2 (3,3 miljoen bezoekers per jaar) is de uitbreiding van parkeerplaatsen nodig. Verder zullen de in de verkeersstudie aangedragen aanbevelingen noodzakelijk zijn om een goede en verkeersveilige afwikkeling van het verkeer te kunnen garanderen. Dit betreffen algemene en wegvak specifieke maatregelen. Als deze maatregelen worden getroffen staan de aspecten verkeer en parkeren de voorgenomen ontwikkeling niet in de weg.
73/188
4.8
Luchtkwaliteit
Toetsingskader In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit. Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer. Dit onderdeel van de Wet milieubeheer (Wm) bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar‐ en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in tabel 4.4 weergegeven. Stof
Toetsing van
Grenswaarde
stikstofdioxide (NO2)
jaargemiddelde concentratie
40 µg/m³
fijn stof (PM10)
jaargemiddelde concentratie
40 µg/m³
24‐uurgemiddelde concentratie
max. 35 keer p.j. meer dan 50 µg / m³
jaargemiddelde concentratie
25 µg /m³
fijn stof (PM2,5)
Tabel 4.4 Grenswaarden maatgevende stoffen Wm Op grond van artikel 5.16 van de Wm kunnen bestuursorganen bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit onder andere uitoefenen indien de bevoegdheden/ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden of de bevoegdheden/ontwikkelingen niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht. Besluit niet in betekenende mate In dit Besluit niet in betekenende mate is bepaald in welke gevallen een plan vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden 2 situaties onderscheiden: een plan heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10 (= 1,2 µg/m³); een plan valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg en 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen, kantoorlocaties met een bruto vloeroppervlak van niet meer dan 100.000 m2 bij één ontsluitingsweg en 200.000 m2 bij twee ontsluitingswegen. Onderzoek Op basis van de verkeersstudie bedraagt de maximale plantoename van de verkeersgeneratie op een wegvak (Korteweg) 3.169 mvt/etmaal. Middels de NIBM‐tool is de bijdrage van extra verkeer aan de luchtkwaliteit berekend.
74/188
Tabel 4.5 NIBM‐tool In het kader van een goede ruimtelijke ordening is een indicatie van de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied gegeven. Dit is gedaan aan de hand van de NSL‐monitoringstool 2019 (http://www.nsl‐monitoring.nl/viewer/) die bij het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit hoort. De dichtstbijzijnde maatgevende wegen betreffen de Rijsdijk en Esserdijk. De concentraties luchtverontreinigende stoffen bedragen 23,8 µg/m³ voor NO2, 19,1 µg/m³ voor PM10 en 11,4 µg/m³ voor PM2,5. Het maximaal aantal overschrijdingsdagen van het 24‐uurs gemiddelde voor fijnstof bedraagt 6.7 dagen. Wanneer de toename luchtverontreinigende stoffen wordt opgeteld bij de achtergrondconcentraties blijkt dat wordt voldaan aan de grenswaarden uit de Wet milieubeheer voldaan. Daarnaast zullen gezien het Streefbeeld, de kleinschaligheid van mogelijke nieuw te vestigen bedrijven en de huidige lage achtergrondconcentraties, de grenswaarden voor luchtkwaliteit in geen geval worden overschreden. Conclusie Er wordt voldaan aan de luchtkwaliteitswetgeving. Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Ter plaatse van het plangebied is sprake van een aanvaardbaar woon‐ en leefklimaat.
4.9
Externe veiligheid
Toetsingskader Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk: bedrijven waar activiteiten plaatsvinden die gevolgen hebben voor de externe veiligheid; vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of door buisleidingen.
75/188
Voor zowel bedrijvigheid als vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang, te weten het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon dodelijk wordt getroffen door een ongeval, indien hij zich onafgebroken (dat wil zeggen 24 uur per dag gedurende het hele jaar) en onbeschermd op een bepaalde plaats zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting dan wel infrastructuur. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn. De norm voor het GR is een oriëntatiewaarde. het bevoegd gezag heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde overschrijdt. Risicovolle inrichtingen Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (hierna: Bevi) geeft een wettelijke grondslag aan het externe veiligheidsbeleid rondom risicovolle inrichtingen. Op basis van het Bevi geldt voor het PR een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. Beide liggen op een niveau van 10‐6 per jaar. Bij de vaststelling van een ruimtelijke onderbouwing moet aan deze normen worden voldaan, ongeacht of het een bestaande of nieuwe situatie betreft.
Het Bevi bevat geen norm voor het GR; wel geldt op basis van het Bevi een verantwoordingsplicht ten aanzien van het GR in het invloedsgebied van de inrichting. De in het externe veiligheidsbeleid gehanteerde norm voor het GR geldt daarbij als oriëntatiewaarde. Vervoer van gevaarlijke stoffen Per 1 april 2015 is het Besluit externe veiligheid transportroutes (BEVT) en de regeling Basisnet in werking getreden. Het BEVT vormt de wet‐ en regelgeving, en de concrete uitwerking volgt in het Basisnet. Het Basisnet beoogt voor de lange termijn (2020, met uitloop naar 2040) duidelijkheid te bieden over het maximale aantal transporten van, en de bijbehorende maximale risico's die het transport van gevaarlijke stoffen mag veroorzaken. Het Basisnet is onderverdeeld in drie onderdelen: Basisnet Spoor, Basisnet Weg en Basisnet Water. Het BEVT en het bijbehorende Basisnet maakt bij het PR onderscheid in bestaande en nieuwe situaties. Voor bestaande situaties geldt een grenswaarde voor het PR van 10‐5 per jaar ter plaatse van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en een streefwaarde van 10‐6 per jaar. Voor nieuwe situaties geldt de 10‐6 waarde als grenswaarde voor kwetsbare objecten, en als richtwaarde bij beperkt kwetsbare objecten. In het Basisnet Weg en het Basisnet Water zijn veiligheidsafstanden (PR 10‐6 contour) opgenomen vanaf het midden van de transportroute.
Tevens worden in het Basisnet de plasbrandaandachtsgebieden benoemd voor transportroutes. Het Basisnet vermeldt dat op een afstand van 200 m vanaf de rand van het tracé in principe geen beperkingen hoeven te worden gesteld aan het ruimtegebruik. Er geldt een oriënterende waarde voor het groepsrisico en onder voorwaarden een verantwoordingsplicht tot 200 m binnen de transportroute. Besluit externe veiligheid buisleidingen In het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) wordt aangesloten bij de risicobenadering uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) zodat ook voor buisleidingen normen voor het PR en het GR gelden. Op grond van het Bevb dient zowel bij consoliderende bestemmingsplannen als bij ontwikkelingen inzicht te worden gegeven in de afstand tot het PR en de hoogte van het GR als gevolg van het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen.
76/188
Onderzoek In het kader van het bestemmingsplan heeft onderzoek plaatsgevonden naar externe veiligheidsrisico's. De resultaten daarvan worden hieronder weergegeven. Inrichtingen Ten oosten van het plangebied bevinden zich de inrichtingen Vitesse Warehouse en distribution en Evides. Uit nader onderzoek is gebleken dat het invloedsgebied van deze inrichtingen niet reikt tot het onderhavige plangebied. In het plangebied zelf liggen geen risicovolle inrichtingen. Onder‐ en bovengrondse infrastructuur (transport) In het plangebied bevindt zich een groot aantal buisleidingen, onder andere voor het vervoer van gevaarlijke stoffen (zie onderstaande tabellen).
Tabel 4.6 Leidingenstraat
77/188
Tabel 4.7 Overige leidingen Autonome ontwikkelingen in het gebruik van de leidingen binnen het plangebied zijn niet bekend uitgezonderd het plan Graaf van Portland. Hiervoor is separaat onderzoek uitgevoerd dat is toegevoegd in de ruimtelijke onderbouwing die hiervoor is opgesteld. Vervoer over weg, spoor en water Nabij het plangebied bevindt zich een aantal transportroutes voor gevaarlijke stoffen. Het gaat hier om de wegen A15, A29, N492, het spoortraject Barendrecht vork – Rotterdam Waalhaven Zuid en de rivier de Oude Maas. Het plangebied valt buiten het invloedsgebied van de A29 en de N492. Deze wegen zijn derhalve niet meegenomen in het onderzoek. Het plangebied ligt op ongeveer 340 meter van de A15 en op ongeveer 1.200 meter van spoortraject Barendrecht – Rotterdam Waalhaven Zuid. Conclusie In de nabijheid van het plangebied bevinden zich geen inrichtingen waarvan de PR 10‐6 contour of het invloedsgebied zich uitstrekt tot in het plangebied. Binnen het plangebied lopen diverse buisleidingen met gevaarlijke stoffen. Voor de leidingstraat geldt een veiligheidsgebied van 55 meter. De geplande ontwikkelingen voldoen aan de voorschriften die voor dit gebied gelden. Naast de leidingen in de leidingstraat loopt een olieleiding (RRP) door het gebied. De PR 10‐6 contour van deze leiding bedraagt 25 meter. Er zijn geen ontwikkelingen binnen deze contour.
Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor het voorliggende plan.
4.10 Bodemkwaliteit Toetsingskader Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening dient in verband met de uitvoerbaarheid van een plan rekening gehouden te worden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijziging dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of er sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd.
78/188
Onderzoek en conclusie Het bestemmingsplan maakt geen nieuwe ontwikkelingen rechtstreeks mogelijk. In het geval van nieuwe ontwikkelingen zal ten tijde van vergunningsaanvraag nader bodemonderzoek uitgevoerd moeten worden. Het aspect bodem staat de ontwikkeling niet in de weg.
4.11 Archeologie Beleid en normstelling De Erfgoedwet regelt de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem, de inpassing ervan in de ruimtelijke ontwikkeling en de financiering van opgravingen met als uitgangspunt: 'de veroorzaker betaalt'. Voor gebieden waar archeologische waarden voorkomen of waar reële verwachtingen bestaan dat ter plaatse archeologische waarden aanwezig zijn, dient door de initiatiefnemer voorafgaand aan bodemingrepen archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. De uitkomsten van het archeologisch onderzoek dienen vervolgens volwaardig in de belangenafweging te worden betrokken. Het belangrijkste doel is de bescherming van het archeologische in de bodem (in situ) omdat de bodem doorgaans de beste garantie biedt voor een goede conservering. Er wordt uitgegaan van het basisprincipe de 'verstoorder' betaalt voor het opgraven en het documenteren van de aangetroffen waarden als behoud in de bodem niet tot de mogelijkheden behoort. Onderzoek Vanaf 1000 na Chr. worden de veengebieden en wellicht ook klei‐op‐veengebieden op IJsselmonde systematisch ontgonnen. Hierdoor is een grote polder ontstaan op centraal IJsselmonde, de Riederwaard. Een groot gedeelte van het plangebied valt binnen deze polder. Door overstromingen gaat de polder in 1373 ten onder.
Restanten van de oude dijk om de Riederwaard zijn mogelijk nog terug te vinden in de bodem binnen het plangebied. Na deze dijkdoorbraak is het gebied in fasen weer heringedijkt. Het gehele plangebied bestaat uit stroomgordel‐, geul‐ en dekafzettingen uit de Late Middeleeuwen (Afzettingen van Duinkerke III). Zie ook figuur 4.11, de archeologische kenmerkenkaart Albrandswaard. De dikte bedraagt minimaal 100 cm op veen, het zogenaamde Hollandveen. Plaatselijk bevinden zich tussen het dek en het veen ook oudere afzettingen. Er is een middelgrote kans op aanwezigheid van archeologische sporen uit de Late Middeleeuwen op het Hollandveen. De geologische opbouw van de diepere ondergrond is in detail vaak onbekend. Ten zuiden van de Essendijk is ook een middelgrote kans op de aanwezigheid van archeologische sporen uit de IJzertijd en Romeinse tijd op kleiafzettingen op het veen, de zogenaamde afzettingen van Duinkerke I. Daarnaast is daar ook een kleine kans op de aanwezigheid van archeologische sporen uit de Vroege Middeleeuwen onder de laatmiddeleeuwse overstromingsafzettingen. In de Oude Maas is een kleine kans op vondst van scheepswrakken uit de Late Middeleeuwen en de Nieuwe tijd.
79/188
De gemeente Albrandswaard heeft op 21 december 2009 de archeologische waardenkaart Albrandswaard vastgesteld. Zie ook figuur 4.10. Samen met de kenmerkenkaart Albrandswaard vormen deze kaarten de basis voor het archeologisch beleid binnen de gemeente. Uit de bronnen is af te leiden dat het laatmiddeleeuwse overstromingsdek in het plangebied vrij fors is. Uit deze kaarten en na afstemming met Archeologie Rotterdam (BOOR) worden binnen het plangebied twee waarden archeologie gedefinieerd. Het betreft het aanlandse deel en het gedeelte van het plangebied dat in de Oude Maas ligt. Dit onderscheid wordt zo opgenomen in de regels en verbeelding van dit plan. 'Waarde ‐ Archeologie 1' voor het aanlandse gedeelte van het plangebied en 'Waarde ‐ Archeologie 2' voor het gedeelte van het plangebied dat in de Oude Maas ligt. Voor 'Waarde ‐ Archeologie 1' geldt een bouwregeling en een omgevingsvergunning bij grondwerkzaamheden (inclusief heien) met een oppervlak groter dan 200 m² en bij een diepte dieper dan 100 cm onder het maaiveld. Voor 'Waarde ‐ Archeologie 2' gelden marges van respectievelijk 200 m² en de huidige onderwaterbodem.
Figuur 4.10 ‐ archeologische waardenkaart gemeente Albrandswaard
Figuur 4.11 ‐ archeologische kenmerkenkaart gemeente Albrandswaard
80/188
Conclusie Er vindt ten behoeve van dit bestemmingsplan geen archeologisch onderzoek plaats. Op basis van het gemeentelijk beleid en na afstemming met Archeologie Rotterdam (BOOR) is besloten de twee waarden Archeologie op te nemen in de regels en op de verbeelding. Voor de enige concrete ontwikkeling in het plangebied (Graaf van Portland) is voorzien in een onderbouwing binnen de ruimtelijke onderbouwing van dit project. Deze is opgenomen in Bijlage 4.
4.12 Cultuurhistorie Toetsingskader De Monumentenwet is op 1 juli 2016 deels (met een overgangstermijn tot de Omgevingswet) vervangen door de Erfgoedwet. Deze wet handelt over het aanwijzen van te beschermen cultureel erfgoed. Naast de Monumentenwet vervangt de Erfgoedwet ook andere wetten zoals de Wet tot behoud van cultuurbezit. De Erfgoedwet kent een aantal nieuwe bepalingen. Het gaat om het vaststellen van een gemeentelijke erfgoedverordening en het bijhouden van een erfgoedregister. Ook dienen burgemeester en wethouders het voornemen om hun cultuurgoederen en verzamelingen te vervreemden bekend te maken. De Erfgoedwet bevat bovendien diverse veranderingen met lokale gevolgen, zoals de vervanging van de landelijke aanwijzing van beschermde stads‐ en dorpsgezichten door een rijksinstructie aan gemeenten. Onderzoek Het Buijtenland van Rhoon is een ouderwets polderlandschap en bestaat uit verschillende polders. Het type polder is een jonge zeekleipolder. Het gebied is in verschillende fases ingepolderd en daardoor lopen er verschillende karakteristieke dijken door het landschap. Deze dijken en polders zijn beeldbepalend voor het weidse landschap. In figuur 4.12 staan de verschillende dijken vermeld. Omstreeks 1850 werden de meeste dijken extra gemarkeerd door het aanbrengen van beplanting (bomen) en sommige door bebouwing aan de dijk.
Figuur 4.12 ‐ de verschillende dijken die door het gebied lopen zijn cultuurhistorisch van waarde (bron: Cultuurhistorische kaart Provincie Zuid‐Holland)
81/188
In het gebied komen drie Rijksmonumenten voor. Dit zijn alleen karakteristieke oude boerderijen. Veerweg 3 ‐ Portlandhoeve: Boerderij "portland". Mooie hove XVIII. Middenlangsdeeltype. Fraaie monumentale puntgevel; Hoeve Johanna. Hoeve (ca. 1800?) met IJsselstenen puntgevel, waarin vlechtingen en boven de vensters rode strekken. 9‐ ruits en 25‐ruitsschuiframen. Deur met koperen knop en bovenlicht uit de bouwtijd. Stal XIXc. Pannen daken. Aan de weg een gietijzeren inrijhek, gedateerd 1877. Rijsdijk 104, “Edenhoeve”, boerderij met stal/wagenschuur uit 1868, rechts uitspringend t.o.v. voorhuis. Zijlangsdeel (Vlaamse schuurgroep). Voorhuis met entree in symmetrische (tuitgevel) voorgevel. Erf toegankelijk via gemetselde brug. Ook kleine kas en de aangrenzende siertuin is aangewezen als rijksmonument. In het kader van het monumenteninventarisatieproject uit 1999 zijn alle gemeentelijke monumenten in het plangebied beschreven. Het betreft de volgende objecten: Essendijk 4, boerderij uit 1891 (vrij gaaf, karakteristiek voor streek/periode); Essendijk 24, boerderij uit circa 1930 (vrij gaaf, karakteristiek voor streek/periode); Korteweg 4, boerderij uit 1912‐1933 (vrij gaaf, karakteristiek voor streek/periode); Oudeweg 1, boerderij uit ca.
1925 (vrij gaaf, karakteristiek voor streek/periode); Veerweg 4 (= 6), boerderij uit circa 1800 (bijzondere boerderij door ruimtelijke organisatie. Grote afmetingen, fraai woonhuis); Veerweg 7, voormalig veerhuis, thans woonhuis uit circa 1900 (oorspronkelijke functie (veerhuis) herkenbaar, markant object); Het Weegje 3, boerderij uit 1893 (vrij gaaf, karakteristiek voor streek/periode); brug bij Veerweg nr. 2, bouwjaar onbekend, brug/hekwerk circa 1875‐1900 (geschiedkundige en waterstaatkundige waarde). Daarnaast bevindt zich naast het plangebied een eendenkooi (ten zuiden van de golfbaan). Het bijbehorende stiltegebied dat als een cirkel om het gebied heen ligt heeft een cultuurhistorische waarde en dient beschermd te worden. Conclusie Met het onderhavige bestemmingsplan wordt geen afbreuk gedaan aan de bestaande (rijks‐) monumenten in het plangebied. Ook blijft het eeuwenoude polderlandschap gerespecteerd. Dit uit zich onder andere in het beschermen van de bomendijken op de Essendijk middels een aanduiding, het opnemen van het afpalingsrecht voor de eendenkooi en het in standhouden van de vergezichten die een polderlandschap als het Buijtenland van Rhoon biedt. De bestaande landschappelijke en cultuurhistorische kenmerken worden daarmee zoveel mogelijk behouden. Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor dit bestemmingsplan.
82/188
Hoofdstuk 5
5.1
Artikelsgewijze toelichting
Inleiding en opzet van dit plan
Dit bestemmingsplan met verbrede reikwijdte heeft een bijzondere totstandkomingsgeschiedenis in verhouding tot de meeste 'gewone' bestemmingsplannen. Dit bestemmingsplan maakt de realisatie van maatregelen mogelijk, waarmee de doelen van het Streefbeeld gehaald kunnen worden. Een toekomstvisie voor het gebied, onder meer opgesteld door (agrarische) ondernemers, natuur‐ en recreatieorganisaties, inwoners van het gebied, Vereniging Nederlands Cultuurlandschap, het Louis Bolk instituut en Peter Verkade landschapsarchitecten. Na de vaststelling van het Streefbeeld is dit bestemmingsplan een volgende stap in de realisatie van de ambities voor het Buijtenland van Rhoon. Omdat de ontwikkelingen die dit project tot een succes moeten maken, van te voren niet allemaal bekend zijn, is een flexibel bestemmingsplan nodig. Daarom is een bestemmingsplan met verbrede reikwijdte opgesteld. Een dergelijk bestemmingsplan biedt verschillende mogelijkheden tot een flexibeler plan. Zo ander gebruik met een bestemmingsplanactiviteit worden mogelijk gemaakt. De bestemmings‐ planactiviteit is een activiteit die past bij de doelen voor het gebied (lees het Streefbeeld) en die via een omgevingsvergunning met een relatief eenvoudige procedure gerealiseerd kan worden. Een verdere toelichting hierop wordt beschreven in Artikel 32.
De opzet van dit bestemmingsplan met verbrede reikwijdte is verder bijna hetzelfde als van een 'gewoon' bestemmingsplan. Vooraan vindt u de begripsbepalingen en meet‐ en rekenvoorschriften, vervolgens de regels die horen bij de bestemmingen en afsluitend de algemene regels en overgang‐ en slotbepalingen. Hierna volgt per artikel een toelichting. Let op, juridisch heeft deze toelichting geen waarde. De regels samen met de verbeelding bepalen wat wel of niet is toegestaan.
5.2
Artikel 1 en 2; Begripsbepalingen en Wijze van meten
Dit zijn twee algemene artikelen die als algemene verduidelijking gelden bij het lezen van de rest van de regels. Als in de regels onduidelijkheid bestaat over wat bedoeld wordt met een bepaalde term, dan is de kans groot dat die in de begripsbepalingen staat. Als dat niet het geval is, wordt aangesloten bij de begripsbepaling in de 'hogere regelgeving'. Denk hierbij aan de Wet ruimtelijke ordening, de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en de bijbehorende algemene maatregelen van bestuur. Als een begrip niet is gedefinieerd in dit plan of in de wet, dan is het 'normale spraakgebruik' leidend. Ook kan deze toelichting bij de bepaling handvatten bieden om duidelijk te maken wat bedoeld wordt. De wijze van meten is voornamelijk van belang bij het beoordelen van de bouwregels. Wat telt wel mee in het bepalen van de maatvoering (oppervlakte, bouwhoogte en dergelijke) en wat hoeft niet mee te worden gerekend.
83/188
5.3
Artikel 3; Doelstelling bestemmingsplan met verbrede reikwijdte
5.3.1 Algemene doelstelling Zoals bij de inleiding van dit hoofdstuk beschreven is dit geen 'gewoon' bestemmingsplan, maar een bestemmingsplan met verbrede reikwijdte. De doelstelling die in het eerste lid van deze bepaling staat, verwijst naar de verbrede reikwijdte zoals die bedoeld is in de Crisis‐ en Herstelwet. De bepaling is ook te herkennen in artikel 7c lid 1 van het Besluit uitvoering Crisis‐ en Herstelwet. Deze bepaling maakt het ook mogelijk om nieuwe activiteiten breder te toetsen, bijvoorbeeld aan duurzaamheid. Het tweede lid beschrijft de specifieke doelstellingen voor dit plan. Deze doelstellingen zijn voortgekomen uit het Streefbeeld, in feite een visie voor het Buijtenland van Rhoon met specifieke doelen en een globale aanpak hoe die doelen kunnen worden bereikt. De doelen staan in een soort driehoeksverhouding met elkaar. Akkerbouw, natuur en recreatie vullen elkaar aan en versterken elkaar. Deze driehoeksverhouding brengt vervolgens een landschap naar voren dat herkenbaar cultuurhistorisch zal zijn. Dit cultuurhistorische landschap versterkt vervolgens de recreatieve waarde van het gebied. Deze doelen zijn gespecificeerd in Artikel 4, zie voor de toelichting daarop paragraaf 5.4. 5.3.2 Nieuwe activiteiten Het Streefbeeld is de basis voor dit bestemmingsplan.
De maatregelen die de doelen van het Streefbeeld moeten realiseren, worden door de Gebiedscoöperatie Buijtenland van Rhoon uitgevoerd. Rechtspersonen kunnen zich bij de Gebiedscoöperatie aansluiten als lid en moeten zich dan committeren aan het Streefbeeld. Gronden die door de gebiedscoöperatie worden uitgegeven in pacht, kunnen agrarische ondernemers worden bewerkt zoals bedoeld in het Streefbeeld. Dit bestemmingsplan maakt een dergelijke natuurinclusieve landbouw mogelijk. Naast gebruik op basis van extensief bouwplan en een aangepaste wijze van beheer maakt het bestemmingsplan ook verdere verbreding van de landbouw mogelijk, zoals verkoop aan huis van streekproducten en kleinschalige recreatie. Om zicht te houden of de doelen ook worden gehaald, wordt gedurende de uitvoering ook gemonitord. Dit is in het Streefbeeld onderdeel van het 'lerend beheren' en betekent dat bepaalde maatregelen kunnen worden bijgesteld. Het gaat hier immers om een integratie van landbouw, natuur en recreatie die nog niet eerder is toegepast in Nederland. Hierbij zijn de doelen meetbaar en controleerbaar gedefinieerd, maar in de manier om deze doelen te bereiken (de inrichtings‐ en uitvoeringsmaatregelen) zal nog veel moeten worden geleerd. Hierbij zal onder andere de scherpe scheiding tussen natuur en landbouw steeds meer vervagen.
Aanpassen van het Streefbeeld op basis van deze monitoring heeft ook gevolgen voor dit bestemmingsplan, omdat de bestemmingsplanactiviteit getoetst wordt aan de beleidsregel uitwerking Streefbeeld.
5.4
Artikel 4; Specifieke doelstelling
Voor de doelen uit artikel 3.1 tweede lid zijn specifieke doelstellingen beschreven. Zoals beschreven in paragraaf 5.3.2 zijn de doelstellingen opgenomen om die daadwerkelijk door middel van gerichte maatregelen en monitoring te behalen. Om die reden zijn de doelstellingen nader gespecificeerd in dit artikel.
84/188
5.4.1
Natuurdoelstelling
In dit artikel is de specifieke doelstelling ten aanzien van natuur opgenomen. In het Streefbeeld en daarmee ook in dit bestemmingsplan ligt de nadruk op hoogwaardige akkernatuur. De term akkernatuur verwijst naar de grote biodiversiteit die op en om de akkers te vinden was tot ver in de 20e eeuw. Inmiddels behoort akkernatuur tot de meest bedreigde natuur in Nederland, veroorzaakt door de sterke intensivering van de agrarische productie na de Tweede Wereldoorlog. Niet alleen specifieke planten zoals de Akkerboterbloem en Akkergeelster, maar ook akkervogels zoals de Patrijs en Kievit vinden idealiter hun weg 'terug' naar het Buijtenland van Rhoon. Voor het behalen van dit doel zijn akkers nodig. Maar het behalen van deze natuurdoelstelling zal ook de landbouw versterken. Door het vergroten van de biodiversiteit herleeft de bodemkwaliteit en daarmee worden gewassen uiteindelijk weerbaarder tegen (planten)ziektes. Door het vergroten van de biodiversiteit zowel onder als boven de grond wordt de weerbaarheid van planten tegen ziektes verbeterd en neemt het aantal natuurlijke vijanden van plaaginsecten toe waardoor minder vaak hoeft te worden ingegrepen met gewas beschermingsmiddelen. Ook zal de natuur de recreatieve aantrekking van het gebied verhogen, waardoor deze ook bijdraagt aan het behalen van de recreatiedoelen. Deze doelen komen in 5.4.2 respectievelijk 5.4.3 terug.
Voor meer informatie over de doelsoorten en de voorgestelde maatregelen wordt verwezen naar het Streefbeeld. 5.4.2
Landbouwdoelstelling
De specifieke doelstelling ten aanzien van landbouw is opgenomen, omdat dit tevens randvoorwaarden zijn voor een succesvolle synergie tussen natuur en landbouw. Door het behalen van de doelstellingen voor landbouw, zijn de doelen voor natuur eveneens haalbaar. a. Bodemconditie en bodemleven: natuurlijke landbouw begint met zorg voor de bodem. De boer mist essentiële kwaliteit als deze onvoldoende in conditie is; b. Insecten op de landbouwhectares: de aanwezigheid van insecten op de landbouwhectares zegt veel over de verwevenheid tussen landbouw en natuur; c. Aanbod van zaden door het jaar voor foeragerende vogels; d. Korte ketens: het deel van de productie dat niet in de anonieme bulkmarkt wordt afgezet, maar herkenbaar en traceerbaar zijn weg vindt richting de consument. 5.4.3 Recreatieve doelstelling Voor recreatie is het doel om een substantiële toename te bewerkstelligen van het aantal bezoekers. Het Streefbeeld spreekt van 600.000 unieke bezoekers per jaar. Deze bezoekers komen voor het cultuurhistorische landschap waar natuur en de landbouw samenwerken en elkaar versterken. Hiermee wordt een verbinding gemaakt tussen stad en platteland en worden mogelijkheden geboden om de keten van voedselproductie tot consument in te korten. Specifiek is de bedoeling dat het Buijtenland van Rhoon 'op de kaart' wordt gezet.
De bekendheid van het gebied moet worden vergroot, evenals de bereikbaarheid. De andere doelen zullen de recreatieve waarde versterken, maar het behalen van de recreatieve doelen mag geen onevenredige afbreuk doen aan het behalen van die andere doelen. 5.4.4
Landschap en cultuurhistorische doelstelling
Ook het versterken van het landschap vormt een specifieke doelstelling voor dit bestemmingsplan met verbrede reikwijdte. Dat heeft zowel een landschappelijk als cultuurhistorisch motief, wat de recreatieve waarde van het gebied zal versterken. Het vastleggen van deze doelstelling zal het enerzijds mogelijk maken nieuwe ontwikkelingen passend te maken binnen de context van de landschappelijke kwaliteiten, maar maakt het ook mogelijk cultuurhistorische elementen die gedurende de tijd zijn verdwenen, te herstellen.
85/188
5.5
Artikel 5; Gemengd ‐ zorgboerderij
Deze bestemming ziet op natuurinclusieve agrarische bedrijven die deze functie combineren met andere functies die passen bij het Streefbeeld, zoals een zorgboerderij en natuur. Naast deze hoofdactiviteiten vinden er ook andere activiteiten plaats, zoals bijvoorbeeld een winkel met streekproducten en een kleine horeca‐gelegenheid. Deze activiteiten zijn in principe ondergeschikt aan de natuurinclusieve landbouw en de zorgboerderij. In deze bestemming is het mogelijk twee bedrijfswoningen te realiseren.
5.6
Artikel 6; Gemengd ‐ Educatief Centrum
Deze bestemming is specifiek opgenomen voor de Essendijk 24, waar de Gebiedscoöperatie haar kantoor heeft. De bestemming ziet op een educatief centrum., de kantoorfunctie en/of een natuurvriendelijke erfinrichting. Naast deze hoofdactiviteiten kunnen er ook andere ondergeschikte activiteiten plaats, zoals bijvoorbeeld een winkel met streekproducten en een kleine horeca‐gelegenheid.
5.7
Artikel 7; Hoogwaardige akkernatuur
De naam van deze bestemming volgt uit het Streefbeeld, het Besluit kwaliteit leefomgeving en de provinciale omgevingsverordening. Binnen deze bestemming is voldoende ruimte gelaten om de doelen uit Hoofdstuk 2 van de regels te kunnen behalen. Natuurmaatregelen tezamen met landbouwmaatregelen zijn mogelijk. Een tweetal aanduidingen is locatiegebonden; er wordt specifiek aangegeven dat op betreffende locatie uitsluitend dat gebruik is toegestaan Een aanduiding geeft aan dat tevens ander gebruik is toegestaan ( 'specifieke vorm van sport ‐ skydive'). Ter plaatse van de aanduiding 'verlaagd natuurlijk grasland' is geen hoogwaardige akkernatuur mogelijk. Dit komt doordat de betreffende gronden zijn afgegraven, waardoor ze te nat zijn. Ook zal deze locatie specifiek bijdragen aan het verhogen van de biodiversiteit. Hier leven veel insecten die als voedsel dienen voor akkervogels. Ter plaatse van de aanduiding 'bomendijken' moeten de cultuurhistorische bomendijken worden behouden en dus beschermd. Het zijn zogenaamde 'slapersdijken' en beslaan een gebied van 31 hectare groot. Slapersdijken zijn landinwaarts gelegen dijken, die door de aanleg van nieuwe voorliggende dijken geen directe waterkerende functie meer hebben. De bomendijken in het plangebied hebben cultuurhistorische waarde voor het gebied en moeten daarom behouden blijven.
Het achterliggende verhaal van de dijken, de geschiedenis over het ontstaan en de aanleg, zal voor de recreatie in het gebied een belangrijke leidraad zijn. Daarnaast wordt ook de ecologische waarde van de bomendijken versterkt. Ter plaatse van de aanduiding specifieke vorm van sport ‐ skydive, is een landingsplaats voor parachutisten opgenomen. Het landen van parachutisten is een vorm van extensieve recreatie. Dit is ook als zodanig opgenomen in de definitie van extensieve recreatie. Extensieve recreatie is binnen de hele bestemming Hoogwaardige akkernatuur mogelijk. Om te voorkomen dat binnen de gehele bestemming Hoogwaardige akkernatuur door parachutisten kan worden geland, is een aanduiding opgenomen van de gewenste landingsplaats. Binnen deze bestemming bevinden zich ook de agrarische bouwblokken, waarvoor specifieke bouwregels gelden. Er is in de regels voldoende ruimte voor de agrarische bedrijfsvoering, zoals bedoeld in de beleidsregel Streefbeeld. Dat betekent dat bebouwing ten behoeve van natuurinclusieve landbouw en voor eventuele verbreding mogelijk zijn.
86/188
Van de bouwregels kan worden afgeweken met een omgevingsvergunning onder een aantal voorwaarden. Deze afwijkingsmogelijkheid is opgenomen om overschrijding van het bouwvlak mogelijk te maken als daar een noodzaak vanuit de bedrijfsvoering voor bestaat. Voor het realiseren van een tweede zorgwoning nabij de Buytenhof, is eveneens een afwijkingsmogelijkheid opgenomen. Deze komt voort uit het bestaande rechten die golden in het bestemmingsplan Buytenland 2013. Voor grotere ingrepen, bijvoorbeeld het realiseren van een nieuw agrarisch bouwvlak is een bestemmingswijziging nodig. De impact van een dergelijke ingreep is dermate groot, dat een ruimtelijke onderbouwing moet worden aangeleverd om een goede afweging van belangen te kunnen maken. Criteria die van toepassing zijn op het verlenen van een omgevingsvergunning voor deze afwijking zijn noodzaak bebouwing, landschappelijke inpassing/toetsing aan het beeldkwaliteitsplan, andere natuurdoelen worden niet onevenredig geschaad en het niet veroorzaken van overlast voor de directe omgeving. Over de te maken afweging vraagt het bevoegd gezag advies aan bij de gebiedscoöperatie. Om natuur, landschap, cultuurhistorie en bodem verder te beschermen, is een omgevingsvergunningenstelsel opgenomen.
5.8
Artikel 8; Hoogwaardige akkernatuur ‐ Waterkering
Middels deze dubbelbestemming worden dijken en andere waterkerende elementen beschermd. Deze dubbelbestemming beperkt de bebouwingsmogelijkheden zodat de waterkerende werking gewaarborgd blijft.
5.9
Artikel 9; Horeca
Vooralsnog geldt deze bestemming uitsluitend voor de Graaf van Portland. Voor deze specifieke locatie wordt verwezen naar Bijlage 4 (ruimtelijke onderbouwing). Algemeen is het hier mogelijk een horeca‐onderneming te vestigen. Gezien de ligging van de Graaf van Portland in het gebied met hoogwaardige akkernatuur, zijn de horecamogelijkheden beperkt tot categorieën die weinig overlast veroorzaken (categorie 2 en 3). Ook is de maatvoering van het gebouw en het terras dusdanig dat effecten op de omgeving (Hoogwaardige akkernatuur, stiltegebied) tot een minimum beperkt zijn. Daarnaast worden andere activiteiten mogelijk gemaakt die passen bij het Streefbeeld, zoals de verkoop van streekproducten, extensieve recreatie en bed & breakfast. Deze activiteiten zijn ondergeschikt aan de hoofdfunctie horeca. Het organiseren van evenementen is expliciet verboden in deze bestemming om de effecten op de omgeving te beperken.
5.10 Artikel 10; Recreatie De bestemming 'Recreatie' betreft een strook buitendijks gebied langs de Oude Maas bestemd voor extensieve en kleinschalige dagrecreatieve activiteiten en voorzieningen voor de scheepvaart. De bestemming biedt beperkte bouwmogelijkheden, voornamelijk gericht op de voorzieningen voor de scheepvaart.