Nota Zienswijzen BP Buijtenland van Rhoon, versie 13 dec 2022 DEF.pdf
Tekst van het document
Ten behoeve van de beoordeling van het bepaalde onder d wordt door het bevoegd gezag advies gevraagd aan de wegbeheerder
18.
19.
20.
21.
In artikel 7’ ‘Hoogwaardige akkernatuur’ wordt in lid 4, Uitvoeren van werken, geen gebouwen zijnde, wordt 1c als volgt gewijzigd: c. het uitvoeren van grondbewerkingen, waartoe worden gerekend afgraven en diepploegen; Aan artikel 7, ‘Hoogwaardige akkernatuur’ wordt een nieuw lid en sub toegevoegd, luidende: ‘7.4 Specifieke gebruiksregels 7.4.1 Strijdig gebruik Tot een strijdig gebruik van gronden en bouwwerken wordt in ieder geval gerekend: a. het gebruik van gronden en bouwwerken voor intensieve veehouderij; b. ter plaatse van de gronden ten zuiden van de Essendijk, het gebruik van in totaal minder dan 100 hectare aan gronden ten behoeve van natuurinclusieve landbouw behorende bij één agrarisch bedrijf.’ In artikel 9, Horeca, wordt in de bouwregels onder lid 2, sub 5 als volgt gewijzigd: ‘Bijgebouwen en bijbehorende bouwwerken, geen gebouw zijnde, mogen worden gerealiseerd mits de bouwhoogte en goothoogte niet meer dan 6 meter respectievelijk 3 meter bedragen.’ In artikel 9, Horeca, wordt in de bouwregels onder lid 2, sub 6 als volgt gewijzigd: 6. In afwijking van het eerste lid mogen bijgebouwen en bijbehorende bouwwerken, geen gebouw zijnde ook worden gerealiseerd binnen de bouwaanduiding 'bijgebouwen', mits de bijgebouwen en bijbehorende bouwwerken, geen gebouw zijnde niet als een (beperkt) kwetsbare objecten worden gebruikt.
Aw 14
Zw 16, punt 6 (sub a) Aw 15 (sub b)
Aw 16
Aw 17
78
22.
23.
24.
25.
26.
27.
In artikel 9, Horeca, wordt in de bouwregels onder lid 2, sub 8: Aw 28 ‘Nieuwe bouwwerken voldoen aan de vereisten die volgen uit het beeldkwaliteitsplan’ vervangen door ‘Nieuwe gebouwen dienen te passen binnen het poldergebied en dienen de beleving daarvan in stand te houden en te versterken. Hiertoe geldt dat nieuwe gebouwen voldoen aan de vereisten uit het Beeldkwaliteitsplan voor de van toepassing zijnde typologieën, ten aanzien van positie en oriëntatie, kap en bouwhoogte, materiaal en kleurgebruik en organisatie van de kavel’. Artikel 10, Recreatie, wordt in lid 1 sub 2 als volgt aangepast: Aw 18 2. Gronden en bouwwerken mogen ten behoeve van de functies bedoeld in het eerste lid worden gebruikt. Bouwen ten behoeve van de in het eerste lid genoemde functies is uitsluitend toegestaan indien wordt voldaan aan 9.2. 10.2 Artikel 12, Tuin, wordt lid 2 als volgt gewijzigd: Aw 19 12.2 Bouwregels
1. De bestaande bebouwing is toegestaan. 2. Binnen de bestemming tuin geldt een bouwverbod. Uitsluitend perceelafscheidingen van maximaal 1,5 meter hoog zijn toegestaan. In artikel 13, Verkeer wijzigt de bestemmingsomschrijving sub g als volgt: Aw, 20 ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van natuur - bomendijken' uitsluitend bestaande cultuurhistorische dijklichamen met aan weerszijden van de naastgelegen weg de ‘naastgelegen’ bomenrijen. In artikel 16, Wonen, wijzigt sub 2c van de bouwregels van lid 2 als volgt: Aw 21 ‘de maximale inhoud van het hoofdgebouw, inclusief aan- en uitbouwen en bijgebouwen bedraagt ten hoogste 750 m³.’ In artikel 16, Wonen, wijzigt in de bouwregels van lid 2 de tabel onder sub 6 als volgt: Zw 9, punt 3 en Aw 22 Locatie Maatvoering Maatvoering Maximum Maximum Maximum maximum bebouwd
maximale inhoud bouwhoogte
bouwhoogte
goothoogte
oppervlakte voor
van het
hoofdgebouw
bijgebouwen
bijgebouwen
hoofdgebouw
hoofdgebouw
inclusief aan- en
inclusief aan- en
uitbouwen en
uitbouwen en
bijgebouwen
bijgebouwen
Essendijk 7a 303 m²
niet afwijkend
niet afwijkend
7 meter
3,6 meter
Essendijk 9a 495 m²
niet afwijkend
niet afwijkend
niet afwijkend
3,6 meter
Koedood 29 500 m²
niet afwijkend
niet afwijkend
8 meter
niet afwijkend
700 m³
10 m
niet afwijkend
niet afwijkend
niet afwijkend
niet afwijkend
niet afwijkend
3,6 meter
niet afwijkend
niet afwijkend
7 meter
3,6 meter
Essendijk
niet van
tussen 58 en toepassing 64 Het Weegje 3 953 m² en 5 Essendijk 9
414 m²
79
28.
29. 30.
31.
32.
33.
34.
In artikel 16, Wonen, wordt in de bouwregels onder lid 2, sub 8: Binnen de bestemming ‘Wonen’ (art. 16.2 onder 8) wordt de regel: ‘Nieuwe bouwwerken voldoen aan de vereisten die volgen uit het beeldkwaliteitsplan’ vervangen door ‘Nieuwe gebouwen dienen te passen binnen het poldergebied en dienen de beleving daarvan in stand te houden en te versterken. Hiertoe geldt dat nieuwe gebouwen voldoen aan de vereisten uit het Beeldkwaliteitsplan voor de van toepassing zijnde typologieën, ten aanzien van positie en oriëntatie, kap en bouwhoogte, materiaal en kleurgebruik en organisatie van de kavel’. In artikel 17, Wonen – Zorgwoning, wordt in de bouwregels (17.2) onder sub 2 en 3c ‘woning’ vervangen door ‘zorgwoning’. In artikel 17, Wonen – Zorgwoning van wordt onder strijdig gebruik, 17.3.2 het woordje ‘strijdig’ toegevoegd zodat de volgende aanhef ontstaat: Tot een ‘strijdig’ gebruik van gronden en bouwwerken wordt in ieder geval gerekend: Binnen artikel 17, Wonen – Zorgboerderij wordt in de bouwregels onder lid 2 sub 8: ‘Nieuwe bouwwerken voldoen aan de vereisten die volgen uit het beeldkwaliteitsplan’ vervangen door ‘Nieuwe gebouwen dienen te passen binnen het poldergebied en dienen de beleving daarvan in stand te houden en te versterken.
Hiertoe geldt dat nieuwe gebouwen voldoen aan de vereisten uit het Beeldkwaliteitsplan voor de van toepassing zijnde typologieën, ten aanzien van positie en oriëntatie, kap en bouwhoogte, materiaal en kleurgebruik en organisatie van de kavel’. Artikel 20, Leiding – Leidingstrook wordt in de specifieke gebruiksregels in 20.2 sub b als volgt aangevuld: b. andere activiteiten met een verhoogd groepsrisico. In artikel 20, Leiding – Leidingstrook worden de volgende wijzigingen overgenomen en aangepast in de regels van het bestemmingsplan: - Artikel 20.4, sub 1, is aangevuld met: ‘h. het opslaan van goederen, met uitzondering het opslaan van goederen t.b.v. van inspectie en onderhoud van de buisleidingen.’ - Artikel 20.4, sub 2, is aangevuld met: ‘d. het aanbrengen en het in bedrijf nemen van buisleidingen en kabels en bijhorende voorzieningen voor een goed functioneren van de buisleidingenstraat beftreffen; en e. zijnde graafwerkzaamheden in de Wet informatie-uitwisseling bovengrondse en ondergrondse netten en netwerken.’ - Artikel 20.4, sub 4, wijzigt naar: ‘Alvorens een omgevingsvergunning zoals bedoeld in 20.4 onder 1 wordt verleend vraagt het bevoegde gezag advies aan de Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond en aan LSNed.’ - De overige subletters worden herletterd.
In artikel 21, Leiding - Olie.1 wordt bestemmingsomschrijving als volgt gewijzigd: ‘21.1 Bestemmingsomschrijving De als Leiding-Olie aangewezen gronden zijn, naast de voor die gronden aangewezen bestemmingen, mede bestemd voor: a) de aanleg, het gebruik en instandhouding van een ondergrondse buisleiding (met een diameter van ten hoogste 24 inch en een druk van ten hoogste 62 bar) voor het transport van olieproducten met de daarbij behorende belemmeringenstrook van 5 meter ter weerszijden van de leiding en bijbehorende voorzieningen (zoals afsluiters, afsluiters huisjes, meet- & regelkasten etc.) b) de bij de in 21.1.a) genoemde buisleiding behorende veiligheidszone externe veiligheid.’
Aw 28
Aw 23 Aw 24
Aw 28
Aw 25
Zw, 14 punt 2
Zw 8, punt 2
80
35.
In artikel 21 Leiding - Olie wordt 21.3, Afwijken van de bouwregels als volgt gewijzigd: ‘21.3 Afwijken van de bouwregels Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van de bouwregels voor het bouwen overeenkomstig de andere daar voorkomende bestemming(en) indien: a) de belangen en de veiligheid van de betrokken buisleiding(en) niet worden geschaad, b) vooraf positief advies schriftelijk is verkregen van de betrokken leidingexploitant, c) er geen kwetsbare objecten worden toegelaten.’ 36. In artikel 21 Leiding – Olie wordt 21.6 onder 1 als volgt gewijzigd: Het is verboden op of in de in deze bestemming begrepen gronden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de navolgende werken of werkzaamheden uit te voeren: ‘a) het uitvoeren van grondbewerkingen, zoals ontgronden, vergraven, afgraven, egaliseren, diepploegen, ophogen, woelen of mengen van gronden; b) het wijzigen van maaiveld- of weghoogte; c) het aanbrengen, verwijderen of herstellen van ondergrondse kabels, leidingen of drainage; d) het aanleggen, verbreden en verharden van wegen, paden, banen, parkeervoorzieningen en andere open of gesloten oppervlakteverhardingen; e) het aanleggen, verdiepen, vergraven, verruimen, verbreden of dempen van greppels, sloten, watergangen, vijvers en overige waterpartijen; f) het in de bodem heien, indrijven, ingraven of aanbrengen van voorwerpen zoals palen,
hekwerken, lichtmasten, wegwijzers en ander straatmeubilair; g) het aanbrengen van oeverbeschoeiing; h) het aanbrengen van beplantingen, (hout-)gewas en/of bomen welke dieper dan 30 cm wortelen en/of hoger opgroeien dan 1,5 meter; i) het rooien van beplantingen, (hout-)gewas en/of bomen; j) het al dan niet tijdelijk inrichten van evenemententerreinen; k) werkzaamheden welke een wijziging van de grondwaterstand veroorzaken;’ 37. In artikel 21 Leiding – Olie wordt 21.6 onder 2 als volgt gewijzigd: Het in sub 1 genoemde verbod is niet van toepassing op werken en/of werkzaamheden: a) die reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van het plan b) die het normale onderhoud en beheer ten aanzien van de buisleiding en belemmerde strook of ten aanzien van de functies van de andere voorkomende bestemming(en) betreffen; c) zijnde graafwerkzaamheden als bedoeld in de Wet Informatie-uitwisseling Bovengrondse en Ondergrondse Netten (WIBON); d) van of namens de leidingbeheerder, welke gericht zijn op het verwijderen van de genoemde verboden beplantingen, (hout-)gewas en/of bomen; e) die mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende vergunning;’ Hoofdstuk 4 38. Artikel 30, Algemene bouwregels, wordt de aanhef onder lid 3 als volgt gewijzigd:
Zw 8, punt 3
Zw 8, punt 5
Zw 8, punt 6
Aw 26
‘Bouwwerken ten behoeve van beheers- of nutsvoorzieningen kunnen, in afwijking van de bouwregels zoals bedoeld in het eerste lid, met een omgevingsvergunning buiten het bouwvlak worden gebouwd. De omgevingsvergunning kan onder de volgende voorwaarden worden verleend:’ 39.
In artikel 31, Activiteiten in strijd met dit bestemmingsplan, is in lid 2 de verwijzing naar sub b, vervangen door een verwijzing naar sub a
Aw 27
81
40.
Artikel 32, bestemmingsplanactivitieit, wordt in zijn geheel als volgt aangepast:
Zw 16, punt 2
Artikel 32 Bestemmingsplanactiviteit
32.1 Akkerbouw en natuur ter plaatse van gronden met de bestemming Hoogwaardige akkernatuur 1. Ter plaatse van de gronden bestemd voor Hoogwaardige akkernatuur zijn de volgende gebruiksactiviteiten toegestaan indien het college een omgevingsvergunning voor een bestemmingsplanactiviteit verleent: a. extensieve akkerbouw, waarbij andere gewassen of in een andere samenstelling worden geteeld dan genoemd in de bestemmingsomschrijving van de bestemming Hoogwaardige akkernatuur; b. natuurinclusieve landbouw, waarbij sprake is van het inzetten van vee ten behoeve van natuurmaatregelen; c.
natuurinclusieve landbouw, waarbij het percentage natuurmaatregelen afwijkt van het percentage genoemd in de bestemmingsomschrijving van de bestemming Hoogwaardige akkernatuur;
d. natuurinclusieve landbouw, waarbij afgeweken wordt van de in de bestemmingsomschrijving van de bestemming Hoogwaardige akkernatuur onder 7.1 onder a, natuur genoemde SNL natuurdoeltypen en ANLb beheerpakketten; 2.
Een omgevingsvergunning zoals bedoeld in het eerste lid wordt verleend indien de activiteiten geen afbreuk doen aan de doelen zoals die in artikelen 3 en 4 zijn benoemd, waarbij het volgende geldt: o
o
o
o
o o
de activiteiten in lid 1 onder a zijn uitsluitend toegestaan indien de voor het totale gebied, zoals begrepen in het Streefbeeld, beoogde samenstelling van gewassen wordt of kan worden bereikt. de activiteiten in lid 1 onder c zijn uitsluitend toegestaan indien de voor het totale gebied, zoals begrepen in het Streefbeeld, beoogd percentage natuurmaatregelen wordt of kan worden bereikt. de activiteiten in lid 1 onder c zijn uitsluitend toegestaan indien het percentage natuurmaatregelen van de gronden behorende tot dezelfde bedrijfsvoering niet minder bedraagt dan 20%. de activiteiten in lid 1 onder a en c zijn uitsluitend toegestaan indien een (andere) doelstelling uit artikel 3 of 4 wordt bereikt, bijvoorbeeld ten aanzien van een kortere keten van de producten naar de markt dan wel de recreatieve doelstelling; de activiteiten in lid 1 onder b zijn uitsluitend toegestaan indien het houden van vee ondergeschikt is aan- en ten dienste staat van de natuurinclusieve landbouw; de activiteiten in lid 1 onder d zijn uitsluitend toegestaan indien door het afwijken van de onder 7.1 onder a, natuur genoemde SNL natuurdoeltypen en ANLb beheerpakketten geen afbreuk wordt gedaan aan het bereiken van de natuurdoelstellingen.;
3. Bij het bepalen of voldaan wordt aan lid 2, wordt getoetst aan de uitwerking Streefbeeld. 4. Het college wint advies in bij de Gebiedscoöperatie over het voldoen aan het gestelde in artikel 32.1 onder 2.
82
32.2 Kamperen bij de boer ter plaatse van gronden met de bestemming Hoogwaardige akkernatuur 1. Ter plaatse van, of aansluitend aan een bouwvlak van de gronden bestemd voor Hoogwaardige akkernatuur verleent het college een omgevingsvergunning voor een bestemmingsplanactiviteit voor kamperen bij de boer indien voldaan wordt aan de volgende voorwaarden: a. het aantal standplaatsen bedraagt maximaal 15; b. voorzieningen voor kamperen bij de boer zijn binnen bestaande bebouwing gesitueerd; c.
de landschappelijke openheid mag niet onevenredig worden aangetast;
d. er is sprake van een goede landschappelijke inpassing; e. er is geen sprake van overlast en lichthinder voor de directe omgeving; f.
de verkeersaantrekkende werking neemt niet onevenredig toe;
g. parkeren vindt plaats op eigen terrein; h. ter plaatse van waar kampeermiddelen gesitueerd worden, is geen verharding toegestaan. 2. Een omgevingsvergunning zoals bedoeld in het eerste lid wordt verleend indien de activiteiten geen afbreuk doen aan de doelen zoals die in artikelen 3 en 4 zijn benoemd; 3. Het college wint advies in bij de Gebiedscoöperatie over het voldoen aan het gestelde in artikel 32.2 lid 1 onder c tot en met e. 32.3 Verkeersmaatregelen 1. Ter plaatse van de bestemming Hoogwaardige Akkernatuur, verleent het college een omgevingsvergunning voor een bestemmingsplanactiviteit voor verkeersmaatregelen zoals het verstevigen of verharden van wegbermen of het verbreden van wegen, indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: a. de verkeersmaatregelen worden alleen genomen in gebieden die direct grenzen aan de bestemming Verkeer; b. in geval van verbreding mag deze maximaal 1,5 meter aan elke zijde van de weg bedragen; c.
natuur- en cultuurhistorische waarden, zoals bijvoorbeeld bomendijken, mogen niet onevenredig worden geschaad.
d. Het bevoegd gezag heeft voldoende zekerheid verkregen dat met het initiatief wordt voldaan aan andere regelgeving
83
2. Een omgevingsvergunning zoals bedoeld in het eerste lid wordt verleend indien de activiteiten geen afbreuk doen aan de doelen zoals die in artikelen 3 en 4 zijn benoemd; 3. Het college wint advies in bij de Gebiedscoöperatie over het voldoen aan het gestelde in artikel 32.3 lid 1 onder c.
32.4 Overige gebruiksactiviteiten 1. Ter plaatse van gronden waarop het Streefbeeld betrekking heeft, verleent het bevoegd gezag een omgevingsvergunning voor een bestemmingsplanactiviteit voor gebruiksactiviteiten die niet specifiek zijn benoemd in de bestemmingsomschrijvingen in Hoofdstuk 3, maar waarmee wel wordt bijgedragen aan het behalen van de doelen zoals benoemd in artikelen 3 en 4, indien voldaan wordt aan de volgende voorwaarden: a. Functies dragen bij aan de ontwikkeling en beheer van het gebied b. Functies dragen bij aan de beleving van het gebied, waarbij gedacht kan worden aan functies als recreatie, horeca, educatie en cultuur-, landschap- en natuurbeleving. c. De functies leiden niet tot aantasting van: o een goed woon- en leefklimaat; o natuur- en landschapswaarden o cultuurhistorische waarden o de openheid, de rust en de mogelijkheden voor bedrijfsexploitatie van agrarische bedrijven voor Hoogwaardige akkernatuur, voor zover de activiteiten betrekking hebben op gronden ten zuiden van de Essendijk d. het bevoegd gezag heeft voldoende zekerheid verkregen dat met het initiatief wordt voldaan aan andere regelgeving; e. indien ter plaatse van de beoogde locatie een dubbelbestemming of waarde geldt waarvoor in dit plan een of meer doelen zijn beschreven, het initiatief geen belemmering vormt voor het behalen van die doelen. 2.
Het college wint advies in bij de Gebiedscoöperatie over het voldoen aan het gestelde in artikel 32.4 lid 1 onder a tot en met c. 41.
Door het vervallen van de beleidsregel ‘uitwerking Streefbeeld’, wordt artikel 34 als volgt
Zw 16
gewijzigd:
Artikel 34 Beleidsregels 1. De beleidsregels uitwerking Streefbeeld en beeldkwaliteitsplan kunnen kan na vaststelling van dit plan door het college worden gewijzigd, ingetrokken of herzien. 2. Bij de beslissing op de aanvraag van een omgevingsvergunning als bedoeld in Artikel 32 worden wordt de beleidsregels betrokken zoals die op het moment van de aanvraag van de omgevingsvergunning luidten, met dien verstande dat indien voornoemde beleidsregels gedurende de planperiode wijzigten, rekening wordt gehouden met die wijziging(en).
84
5.3
Toelichting
1.
Paragraaf 2.3.2, artikel 6.18 Agrarische bedrijven, onder het kopje ‘Toetsing’ wijzigt alinea 1:
Aw 29
‘Het plangebied kent een historie van akkerbouw. Met dit bestemmingsplan wordt de biodiversere en bodem kwalitatief gezien gezondere manier van het 'oude' boeren geherintroduceerd. De agrarische bedrijven zullen zich richten op natuurinclusieve landbouw. Voor (intensieve) veeteelt is op basis van het voorliggende plan alleen op basis van een omgevingsvergunning plaats, mits ten behoeve van de natuurinclusieve landbouw en de natuur, recreatie- en landbouwdoelstellingen.’ 2.
Aw 30 In de eerste alinea onder Hoofdstuk 3.3 van de toelichting, onder ‘recreatievisie 2030 Buijtenland van Rhoon’ wijzigt het woord entreepunten naar TOP-locaties: ‘Recreatievisie 2030 Buijtenland van Rhoon De ambitie met betrekking tot recreatie is om jaarlijks in het Buijtenland van Rhoon zo'n 200.000 tot 220.000 unieke bezoekers te ontvangen. Dit sluit aan bij de behoefte om vraag en aanbod op het gebied van fietsen en wandelen in de stadsregio Rotterdam beter op elkaar af te stemmen, maar ook bij de trend waarin recreanten het open agrarisch landschap opzoeken ten opzichte van de beslotenheid van de bossen. Om het gebied niet te veel te belasten zal er een tweedeling (noord/zuid) worden gemaakt om de balans tussen natuur en recreatie in evenwicht te houden. Ook wordt er gebruik gemaakt van TOP-locaties (TOP staat voor Toeristisch Overstappunt) aan de randen van het gebied. Deze TOP-locaties zijn goed per auto en openbaar vervoer bereikbaar. Bezoekers parkeren hier hun auto om vervolgens het gebied te voet of te fiets verder te ontdekken. Een verdere uitwerking van de ambitie op het vlak van recreatie is beschreven in de Recreatievisie 2030 Buijtenland van Rhoon.’
3.
In paragraaf 3.3, boven de kop ‘Toekomstige ontwikkelingen’ wordt gesproken van een vijftal
Aw 31
woonbestemmingen. Het woordje ‘vijftal’ wordt gewijzigd in ‘tweetal’, het woordje ‘vijf’ wordt gewijzigd in ‘twee’. De volgende twee zinnen worden geschrapt: ‘Onderzocht wordt nog of de huidige locaties van de vijf woonbestemmingen gehandhaafd moeten blijven. Als ze op andere locaties beter landschappelijk in te passen zijn, kan daarvoor worden gekozen voordat het plan uiteindelijk wordt vastgesteld.’ ‘*In het raadsbesluit van 7 februari 2021 is dit aantal gewijzigd naar twee woonbestemmingen.’ 4.
In paragraaf 3.3, onder de kop ‘Toekomstige ontwikkelingen’ wordt de tekst na de eerste alinea tot aan het subkopje ‘monitoring’ als volgt gewijzigd:
Tb 2, zw 2, 7 en 16
In het plan wordt voor drie specifieke situaties gebruik gemaakt van deze bestemmingsplanactiviteit; voor afwijkend agrarisch beheer, voor kamperen bij de boer en voor verkeersmaatregelen. Zoals in deze paragraaf al is benoemd, is natuurinclusieve landbouw en de bestemming Hoogwaardige akkernatuur uitgebreid beschreven, onder meer welke gewaskeuze hierbij past. Omdat mogelijk ook andere gewaskeuzes of andere vormen van beheer (bijvoorbeeld met de inzet van vee) tot de gewenste doelen van het Streefbeeld kunnen leiden, kunnen dergelijke mogelijkheden worden toegestaan via het verkrijgen van een vergunning voor een bestemmingsplanactiviteit.
85
Voor kamperen bij de boer is een aantal criteria geformuleerd waaraan het verlenen van vergunning aan moet voldoen. De criteria hebben betrekking op onder meer mogelijke voorzieningen, het landschap en het tegengaan van overlast voor de omgeving. In het verkeersonderzoek dat in het kader van dit bestemmingsplan is uitgevoerd, is een aantal maatregelen benoemd die mogelijke verkeersoverlast kan beperken, zoals verstevigen van bermen, e.d. Via de bestemmingsplanactiviteit kan hiervoor vergunning worden verleend, mits voldaan wordt aan een aantal criteria. Naast de specifieke mogelijkheden van het toelaten van andere vormen van agrarisch beheer, kamperen
bij
de
boer
en
verkeersmaatregelen,
is
ook
nog
een
algemene
bestemmingsplanactiviteit opgenomen. Hiermee kan via een omgevingsvergunning ander gebruik binnen een bepaalde bestemming worden toegelaten. Denk bijvoorbeeld aan recreatieve nevenfuncties bij diverse bestemmingen. Om richting te geven aan wanneer bijgedragen wordt aan de doelen van het streefbeeld zijn criteria geformuleerd en opgenomen in de regeling. Daarnaast wordt het beeldkwaliteitsplan als kwalitatief toetsingskader gebruikt voor nieuwe ontwikkelingen. Het beeldkwaliteitsplan is vormgegeven in de vorm van een beleidsregel. Bij het maken van een afweging met een bestemmingsplanactiviteit treedt de gebiedscoöperatie als adviseur op. Een aantal ontwikkelingen zijn dermate concreet, dat we ze in het bestemmingsplan hebben opgenomen, zoals de Graaf van Portland, een horecagelegenheid die al benoemd was in het Streefbeeld. Hiervoor is een ruimtelijke onderbouwing opgesteld, die in de bijlage van dit plan integraal is opgenomen. De bestemming 'Horeca' is in de regels en verbeelding opgenomen. Een andere ontwikkeling die in de planning zit is het herbouwen van de waterwipmolen op haar oorspronkelijke plek in de Zegenpolder. Deze ontwikkeling is nog onvoldoende concreet om als bestemming opgenomen te worden in het bestemmingsplan. Wel wordt een aanduiding opgenomen in de regels en op de verbeelding voor de plek waar de herbouw te zijner tijd zal 5.
plaats vinden. Op hoofdstuk 4.4 - Water wordt de eerste alinea onder het kopje ‘Waterschapsbeleid’ als volgt gewijzigd:
Zw 20, punt 7
‘In het Waterbeheerprogramma 2016-2021 2022 – 2027 (WBP) staan de doelen van het waterschap Hollandse Delta voor de taken waterveiligheid (dijken en duinen), voldoende water, schoon water en de waterketen (transport en zuivering van afvalwater). Ook wordt aangegeven welk beleid gevoerd wordt en wat het waterschap in de planperiode wil doen om de doelen te bereiken. De maatregelen voor de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) zijn onderdeel van het plan.’ Onder het kopje ‘Veiligheid en waterkeringen’ wordt het volgende toegevoegd: ‘Voor de werkzaamheden in de beschermingszone van een waterkering dient een watervergunning te worden aangevraagd.’
86
6.
Naar aanleiding van deze zienswijze is hoofdstuk 4.9 – externe veiligheid gewijzigd: - In tabel 4.7 wijzigen de cijfers voor de PR 10-6 contour en het invloedsgebied voor RRP (exploitant 1) van respectievelijk 25 en 300 meter naar 51 en 74 meter.
Zw 8, punt 8
7.
Omdat de beleidsregel uitwerking Streefbeeld komt te vervallen, wordt de laatste alinea van paragraaf 5.3.2. geschrapt:
Zw 16, punt 2
Aanpassen van het Streefbeeld op basis van deze monitoring heeft ook gevolgen voor dit bestemmingsplan, omdat de bestemmingsplanactiviteit getoetst wordt aan de beleidsregel uitwerking Streefbeeld. In paragraaf 5.7, 5e alinea wordt om die reden de woorden ‘de beleidsregel’ geschrapt In paragraaf 5.29 wordt in de eerste alinea over ‘beleidsregel’ gesproken, in plaats van over ‘beleidsregels’. In de tweede alinea wordt de eerste zin als volgt geschrapt. Het Streefbeeld zelf is onvoldoende geschikt als toetsinstrument. Hiervan wordt daarom een uitwerking gemaakt, die dienst zal doen als beleidsregel en als zodanig wordt vastgesteld. Voor het Beeldkwaliteitsplan geldt dat deze in zijn geheel wordt vastgesteld als beleidsregel. 8.
In de juridische planbeschrijving wordt onder 5.7 de tekst als volgt gewijzigd:
Zw 6, punt 3
'specifieke vorm van sport - skydive' wijzigt naar 'specifieke vorm van recreatie - skydive'. 9.
In de juridische planbeschrijving wordt onder 5.16 de tekst als volgt gewijzigd:
Zw 6 punt 1
‘In deze bestemming komt ook de aanduiding 'specifiek vorm van Wonen - openheid' voor ter hoogte van de woningen aan de Lageweg 3/5/7. Voor dit perceel is een landschappelijke inpassing opgesteld naar aanleiding van een private overeenkomst tussen de provincie en de eigenaar van het perceel.’ 10.
In de juridische planbeschrijving wordt onder 5.17 de tekst als volgt gewijzigd:
Aw 32
‘In het plangebied is een woning aanwezig die specifiek is gericht op het kunnen verlenen van zorg. Deze woning is verbonden aan de Buytenhof. Deze woning is als zodanig aangeduid en heeft een afwijkende maatvoering, conform het huidige gebruik. In het vigerende plan zat een wijzigingsbevoegdheid om een tweede zorgwoning mogelijk te maken. Deze wijzigingsbevoegdheid is vervangen door artikel 7.3.2.’ 11.
In de juridische planbeschrijving wordt onder 5.7 de volgende tekst in de vijfde alinea vervangen:
Zw 16, punt 2
Binnen deze bestemming bevinden zich ook de agrarische bouwblokken, waarvoor specifieke bouwregels gelden. Er is in de regels voldoende ruimte voor de agrarische bedrijfsvoering, zoals bedoeld in de beleidsregel ‘het’ Streefbeeld. Dat betekent dat bebouwing ten behoeve van natuurinclusieve landbouw en voor eventuele verbreding mogelijk zijn. 12.
In de juridische planbeschrijving wordt onder 5.7 de volgende tekst aan het einde van de vijfde alinea toegevoegd:
Aw 33
‘Omdat natuurinclusieve landbouw een groter landgebruik vereist dankzij de natuurmaatregelen is in dit bestemmingsplan voor het gebied ten zuiden van de Essendijk, een minimale oppervlakte per agrarisch bedrijf opgenomen van 100 hectare grond ten behoeve van natuurinclusieve landbouw.’
87
13.
H6.1 – de oude tekst wordt geheel vervangen door onderstaande tekst:
Aw 31
6.1 Economische uitvoerbaarheid ‘De economische uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan wordt bepaald door een financiële en een organisatorische component. Wat de organisatie betreft, hebben provincie en gebiedscoöperatie een samenwerkingsovereenkomst gesloten om de natuur-, landbouw- en recreatiedoelstellingen middels maatregelen te realiseren en daarmee de doelen uit het Streefbeeld te realiseren. Belangrijke component hierin is dat de provincie als taak heeft alle agrarische gronden van het gebied te verwerven die vervolgens door de gebiedscoöperatie in pacht worden uitgegeven aan de beheerders (de boeren) van het gebied. Met de pachtovereenkomsten is de gebiedscoöperatie in staat te sturen op zowel het beheer als op de pachtprijs. Wat de financiële component betreft, beschikt de provincie over een taakstellend budget voor de realisatie van het Buijtenland van Rhoon. Dit budget wordt ingezet voor verwerving, inrichting en beheer. Verwerving van onroerende zaken vindt plaats tegen een volledige schadeloosstelling ter voorkoming van onteigening. De inrichtingsmaatregelen betreffen de aanleg van natuur en het realiseren van (recreatieve) voorzieningen zoals fiets-, wandel- en ruiterpaden. Het resterend budget kan worden ingezet om het beheer te ondersteunen. Buijtenland van Rhoon genereert ook inkomsten, onder meer door verworven gronden in pacht uit te geven.
Tegelijkertijd is een duidelijke doelstelling van het Streefbeeld dat de boeren die het beheer uitvoeren een fatsoenlijk inkomen moeten kunnen genereren. Dat betekent dat de lagere inkomsten uit de agrarische productie aangevuld moeten worden. Dat gebeurt op twee manieren. Enerzijds wordt een meerwaarde (hogere prijs) verwacht van natuurinclusief geproduceerde streekproducten (vergelijkbaar met de meerwaarde van bijvoorbeeld biologische landbouw) en de korte keten naar de markt. Ook kan inkomen van de boer aangevuld worden met (recreatieve) nevenactiviteiten. Anderzijds zal een inkomensondersteuning nodig zijn. Dit gebeurt op drie manieren:
1. Omdat bij natuurinclusieve landbouw sprake is van opbrengstderving, zal de canon die gevraagd wordt door de gebiedscoöperatie lager zijn dan die voor vergelijkbare gronden met gangbare landbouw gebruikelijk is. Wat een reële canon is voor het Buijtenland van Rhoon is door de gebiedscoöperatie onderzocht en wordt op basis van objectieve criteria vastgesteld 2.
De agrariërs zetten zich in om de natuurdoelen te behalen die samenhangen met de hoogwaardige akkernatuur. Voor dit beheer zijn vergoedingen beschikbaar die gefinancierd worden uit het taakstellend budget van de provincie.
3.
Tot slot zijn er vanuit het gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB) van de Europese Unie vergoedingen beschikbaar. In 2023 wordt het GLB herzien. Belangrijke vernieuwing van het GLB is dat voor ecologisch beheer extra vergoedingen beschikbaar worden gesteld. Het beheer als hoogwaardige akkernatuur komt voor dergelijke vergoedingen in aanmerking.
Met deze benadering loopt de realisatie van het Streefbeeld vooruit op landbouwontwikkelingen die door de Rijksoverheid en de Europese Unie worden nagestreefd. Het is daarmee duidelijk in welke richting de (Europese) landbouw zich begeeft. Tegelijkertijd is dit een ontwikkeling die niet van het ene jaar op het andere gerealiseerd is; het is een lange termijn ontwikkeling. Daarmee wordt het belang van het Streefbeeld nadrukkelijk onderstreept. Het is een van de eerste experimenten om de mogelijkheden voor circulaire- en natuurinclusieve landbouw op grotere schaal te gaan ontdekken. Een experiment gaat gepaard met onzekerheid. Met name de agrariërs die in dit experiment stappen en samen het Streefbeeld willen gaan realiseren, staan voor een lastige keuze: zij maken de afweging tussen hun ambitie om samen het Streefbeeld te het willen realiseren en het kunnen realiseren van voldoende bedrijfsinkomen om deze vorm van landbouw ook op lange termijn te kunnen volhouden.
88
Een dergelijke zekerheid is op voorhand nooit precies te geven, overigens net zomin als dat bij gangbare landbouw het geval is. Wel is duidelijk dat zowel de Nederlandse overheid als Europa die richting op beweegt en hier ook middelen voor inzet. Voor dit gebied geldt dat de middelen duurzaam beschikbaar moeten blijven om de doelen van het Streefbeeld te kunnen realiseren. Als er onvoldoende middelen beschikbaar zijn, ontstaat er een risico voor het behalen van de doelen van het Streefbeeld. Dat betekent dat er of extra geld beschikbaar gesteld moet worden of dat de doelen van het Streefbeeld moeten worden bijgesteld. Samen met een continue monitoring van het project, kan tijdig gesignaleerd worden of we onze doelen behalen. En het Streefbeeld is duidelijk over deze doelen; die hebben zowel betrekking op het behalen van natuurdoelen als op het genereren van een fatsoenlijk inkomen van de boer. De gebiedscoöperatie is verantwoordelijk voor deze monitoring. Daarmee heeft de gebiedscoöperatie ook het instrument in handen om tijdig te signaleren of er voldoende middelen beschikbaar zijn en blijven om de doelen van het Streefbeeld te realiseren.
Mocht een mogelijk gebrek aan middelen worden gesignaleerd, dan zal de gebiedscoöperatie zich maximaal inspannen om het gesprek aan te gaan met zowel het Rijk (die inzet op circulaire landbouw) en provincie (als beheerder van het taakstellend budget en andere subsidievormen voor bijvoorbeeld agrarisch natuurbeheer) om tot duurzame oplossingen te komen.
Kostenverhaal In de Wro is de verplichting opgenomen om bij het realiseren van nieuwe ontwikkelingen een eerlijke verdeling van kosten en opbrengsten voor publieke voorzieningen af te dwingen. Dit vindt plaats door het opstellen van een exploitatieplan, waarin deze verdeelsleutel vastligt. Een exploitatieplan is niet noodzakelijk als de overheid en de ontwikkelende partij, de initiatiefnemer, voorafgaand privaatrechtelijk tot overeenstemming komen in de vorm van een anterieure overeenkomst. De Wro stelt eisen aan het exploitatieplan en in het Bro is geregeld voor welke type bouwplannen een exploitatieplan noodzakelijk is, indien het kostenverhaal niet anderszins is verzekerd. Het gaat om nieuwbouwplannen (woningen of andere hoofdgebouwen), forse uitbreidingen van bestaande gebouwen of kassen (met ten minste 1.000 m²) of forse verbouwingen, bijvoorbeeld als bedrijfsruimten worden omgezet in (ten minste 10) woningen. Voor een plan buitengebied, zoals dit plan, speelt het kostenverhaal zoals hierboven omschreven is niet of nauwelijks. Er zijn twee locaties waar het kostenverhaal speelt of kan spelen binnen dit plan. Dat zijn de Graaf van Portland, die als ruimtelijke onderbouwing is meegenomen in dit plan. Voor de Graaf van Portland heeft de gemeente een anterieure overeenkomst gesloten met initiatiefnemer.
Daarnaast worden er in de toekomst mogelijk nieuwe bouwvlakken gerealiseerd. Op voorhand is niet aan te geven of deze nieuwe bouwvlakken of uitbreidingen plaats gaan vinden. Hieruit volgt dat het opstellen van een exploitatieplan niet noodzakelijk is. In de beoogde situatie zijn er mogelijk een aantal nieuwe agrarische bouwvlakken benodigd om het agrarisch en natuurbeheer in het gebied te regelen. De provincie heeft het merendeel van de gronden in het gebied reeds aangekocht. Middels een overeenkomst met de provincie kunnen deze bouwplannen verwezenlijkt worden. Er zijn ook nog private gronden in het plangebied aanwezig. Mocht een bouwplan op private grond gerealiseerd worden dan dient een anterieure overeenkomst gesloten te worden.’
89
Bijlagen bij de Toelichting 8. Bijlage 1 van de toelichting, m.e.r.-beoordeling, wijzigt op pagina 16, 1e alinea als volgt:
Aw 32
‘Daarbij is tevens rekening gehouden met de deelontwikkelingen Buytenhof (70.000 bezoekers per jaar) en Horeca Graaf van Portland (600 á 700 bezoekers extra op een zondag) die binnen het plangebied plaats zullen vinden.’ 9.
In bijlage 4, ruimtelijke onderbouwing Graaf van Portland, wordt op pagina 12 onder paragraaf 2.2 de tekst als volgt gewijzigd:
Zw 7, punt 3 Aw 33
‘De voorgenomen ontwikkeling bestaat uit een horecavoorziening met daarnaast activiteiten als zaalverhuur, een bed & breakfast, een winkeltje voor streekproducten en een infopunt voor het achterliggende Buijtenland van Rhoon. Bovendien wordt er ruimte geboden voor recreatieve activiteiten als excursies, workshops en tochten. Het is de bedoeling dat de horecavoorziening als entreepunt voor het Buijtenland van Rhoon dient, maar ook als vertrekpunt voor de andere recreatieve gebieden in de buurt.‘ In bijlage 4 wordt op pagina 28, 3e alinea de tekst als volgt gewijzigd: ‘De ontwikkeling ligt enigszins van de dijk af en is relatief groot zorgvuldig landschappelijk ingepast waarbij rekening is gehouden met de openheid en de zichtbaarheid van de polder. Ook de naamgeving Graaf van Portland, gebaseerd op de poldernaam, draagt bij aan de identiteit en kennisgeving van de polder. Toch draagt De ontwikkeling draagt bij aan een eigen en sterke identiteit van het Buijtenland van Rhoon.
Omdat de Graaf van Portland ook een entreepunt is voor het gebied draagt deze ontwikkeling bij aan de herkenbaarheid van de polder.‘ In bijlage 4 wordt op pagina 38 onder het kopje ‘parkeren’, de tekst als volgt gewijzigd: ‘De voorgenomen ontwikkeling bestaat uit een horecavoorziening met daarnaast activiteiten als zaalverhuur, een bed & breakfast, een winkeltje voor streekproducten en een infopunt voor het achterliggende Buijtenland van Rhoon. Bovendien wordt er ruimte geboden voor recreatieve activiteiten als excursies, workshops en tochten. Het is de bedoeling dat de horecavoorziening als entreepunt voor het Buijtenland van Rhoon dient, maar ook als vertrekpunt voor de andere recreatieve gebieden in de buurt.’ In bijlage 4 is in bijlage 1 een memo opgenomen (pagina 67 van de pdf). Daarvan wordt de tekst als volgt gewijzigd: ‘De voorgenomen ontwikkeling bestaat uit een horecavoorziening met daarnaast activiteiten als zaalverhuur, een bed & breakfast, een winkeltje voor streekproducten en een infopunt voor het achterliggende Buijtenland van Rhoon. Bovendien wordt er ruimte geboden voor recreatieve activiteiten als excursies, workshops en tochten. Het is de bedoeling dat de horecavoorziening als entreepunt voor het Buijtenland van Rhoon dient, maar ook als vertrekpunt voor de andere recreatieve gebieden in de buurt.’ 10.
In bijlage 4, de ruimtelijke onderbouwing Graaf van Portland, wordt de volgende zinsnede onderaan pagina 19 in de 4e alinea verwijderd:
Zw 7, punt 4
‘Het verbetert de toegankelijkheid van het Buijtenland van Rhoon en zal ook werken als eyecatcher doordat de ontwikkeling goed zichtbaar zal zijn vanaf winkelcentrum de Carnisse Veste in Barendrecht. De inwoners van de wijk Carnisselande zullen hierdoor letterlijk het gebied ingetrokken worden.’
90
11.
12.
13.
In bijlage 4, de ruimtelijke onderbouwing Graaf van Portland, wordt op pagina 54 de tekst onder het kopje ‘Waterschapsbeleid’ als volgt gewijzigd: ‘In het Waterbeheerprogramma 2016-2021 2022 – 2027 (WBP) staan de doelen van het waterschap Hollandse Delta voor de taken waterveiligheid (dijken en duinen), voldoende water, schoon water en de waterketen (transport en zuivering van afvalwater). Ook wordt aangegeven welk beleid gevoerd wordt en wat het waterschap in de planperiode wil doen om de doelen te bereiken. De maatregelen voor de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) zijn onderdeel van het plan.’ In bijlage 4, de ruimtelijke onderbouwing Graaf van Portland, wordt op pagina 55 de tekst onder het kopje ‘Veiligheid en waterkeringen’ de volgende tekst toegevoegd: ‘Voor de werkzaamheden in de beschermingszone van een waterkering dient een watervergunning te worden aangevraagd.’ In bijlage 4, de ruimtelijke onderbouwing Graaf van Portland, wijzigt op pagina 57 de watercompensatie van 120 m2 naar 200 m2. Figuur 4.11 wordt vervangen door:
De zinsnede boven 4.11 wijzigt naar: ‘In figuur 4.11 is een voorstel voor watercompensatie gedaan. Hierbij wordt 80 m² in de natuurspeeltuin gecompenseerd en 120 200 m² door verbreding van de watergang ten noorden van het projectgebied.’ In bijlage 4 van bijlage 4, de ruimtelijke onderbouwing Graaf van Portland, wordt de volgende passage toegevoegd in hoofdstuk 2.2 onder het kopje ‘aantal bezoekers’ aan het eind als de 4e alinea:
Zw 20, punt 7
Zw 20, punt 9
Tb 1
‘Ook in het ontwerpbestemmingsplan kwamen veel zienswijzen dat de onderbouwing voor het aantal te verwachten bezoekers niet voldoende onderbouwd was. Daarom is onderstaande redenatie uiteengezet om het aantal van 600 á 700 bezoekers te onderbouwen.
91
Redenatie aantal bezoekers De beoogde horecavoorziening bestaat uit een restaurant met 75 zitplaatsen, een zaal met plaats voor 50 personen, een terras met 75 zitplaatsen en een bed & breakfast van 2 kamers. De piekdagen van het jaar vinden doorgaans plaats gedurende de zomer. De openingstijden in de zomer zijn van 10:00 tot 22:00, waarbij het terras vanaf 21:00 gesloten is. Voor het bepalen van de maximale capaciteit van de horecavoorziening wordt aangehouden dat de gemiddelde cyclustijd per service 120 minuten bedraagt. De maximale capaciteit van de horecavoorziening is vervolgens bepaald via de formule1 ‘productiecapaciteit = fysieke capaciteit x totaaltijd van de service/cyclustijd van de service’. Hierbij is de capaciteit van het terras apart berekend, aangezien het terras 1 uur eerder dicht is dan het restaurant en de zaal. In onderstaande tabel is de productiecapaciteit van de horecavoorziening berekend. Tabel 1 De productiecapaciteit van de horecavoorziening
Uit de resultaten van tabel 1 blijkt dat de beoogde horecavoorziening per dag maximaal 1163 bezoekers kan verwerken. In de werkelijkheid zal de horecavoorziening niet maximaal bezet zijn gedurende de gehele servicetijd. Voor het bepalen van de gemiddelde bezetting gedurende een piekdag zijn de aanwezigheidspercentages voor een restaurant gebruikt uit het GVVP van Albrandswaard. Met behulp van deze aanwezigheidspercentages kan de bezetting gedurende een gemiddelde weekdag worden bepaald. Aangezien het echter gaat om de gemiddelde bezetting gedurende piekdagen zijn de aanwezigheidspercentages bijgesteld op basis van expert judgement. Tabel 2 De bezetting van de horecavoorziening na toepassen van aanwezigheidspercentages
Op basis van de gehanteerde aanwezigheidspercentages zal de horecavoorziening gedurende piekdagen gemiddeld 639 bezoekers per dag verwerken. Hierbij is geen rekening gehouden met de bezoekers van de bed & breakfast. De bed & breakfast bestaat uit 2 kamers met een maximumcapaciteit van 4 personen per nacht in totaal. Uitgaande dat gedurende een piekdag de bed & breakfast volledig bezet is zal de beoogde voorziening in totaal 643 bezoekers per dag verwerken.’ 14.
Bijlage 6 – beeldkwaliteitsplan wordt verwijderd uit de toelichting.
Aw 33
1 (TheFork, sd)
92
93