CConstaterende datAlbrandswaard
Koppel je AI →
Document · PDF

Bestemmingsplan Polder Albrandswaard Zuidoost (Toelichting-Regels-Verbeelding).pdf

Gemeenteraad AW 13 juni 2022, gemeente AlbrandswaardBij agendapunt: 12: Bestemmingsplan Polder Albrandswaard Zuidoost30.588 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Dit heeft betrekking op een onderdeel van waterveiligheid, water en natuur en vismigratie. 5.1.2 Beleid waterbeheerder Waterbeheerprogramma 2016-2021 Het Waterbeheerprogramma bevat de doelen die het waterschap wil bereiken, zowel op de lange termijn als voor de planperiode 2016-2021. Het programma bevat maatregelen en gaat op hoofdlijnen in op de financiële consequenties daarvan. Thema's die in het Waterbeheerprogramma aan bod komen zijn:  Calamiteitenzorg. Plannen zijn actueel en worden afgestemd met andere partijen zoals gemeenten en veiligheidsregio's;  Water & Ruimte. Een nadere uitwerking van het Deltaprogramma (deltabeslissing ruimtelijke adaptatie);  Waterveiligheid. Meerlaagse veiligheid (preventie, ruimtelijke inrichting, crisisbeheersing). Het waterschap zorgt er voor dat de (primaire) waterkeringen voldoen aan de nieuwe normen die in de Waterwet worden vastgelegd;  Voldoende water. Het watersysteem wordt robuust en klimaatbestendig ingericht om geen (negatieve) effecten van klimaatverandering te ondervinden;  Schoon water. Voldoen aan de doelen zoals gesteld in de Kaderrichtlijn Water en faciliteren van verschillende gebruiksfuncties;  Waterketen. Doelmatig beheren van zuiveringstechnische werken en verbeterdoelen met betrekking tot duurzaamheid (terugwinnen van grondstoffen), energie-efficiëntie en kostenbesparingen.

Om de doelen die in het Waterbeheerprogramma zijn geformuleerd te bewerkstelligen wordt jaarlijks een maatregelenprogramma uitgewerkt in een Kadernota, programmabegroting en jaarplannen. Op deze wijze worden ook de financiële consequenties van het Waterbeheerprogramma geborgd.

Bestemmingsplan “Polder Albrandswaard Zuidoost” Toelichting Vaststelling

27

5.2

Onderzoek Hieronder volgt de inhoudelijke toetsing van het plan aan de verschillende ‘waterthema’s’, zoals die beschreven staan in de Handreiking Watertoets. Toetsing aan deze thema’s levert de watertoets op. Planbeschrijving Het plangebied omvat 5.188 m2, waarvan 256 m2 water. Door de aanleg van een nieuwe watergang ten noorden van de twee westelijke kavels en de verbreding aan de zuidkant neemt de hoeveelheid water toe met 312 m2 tot 568 m2. De maximale oppervlakte aan hoofdbebouwing is 350 m2 per perceel. Daarnaast is op de 2 kavels binnen de bestemming ‘Wonen – 1’ maximaal 70 en 90 m2 aan bijgebouwen toegestaan. Binnen ‘Wonen – 2’ is geen erfbebouwing toegestaan. In totaal kan daarmee maximaal 1.210 m2 aan bebouwing worden gerealiseerd. Voor het overgebleven erf wordt uitgegaan van een oppervlakteverharding van 25%. De bestemming Tuin, ten noorden van de oostelijke kavel, is in principe geen verharding aanwezig. De huidige schuur wordt iets verkleind van 280 naar 242 m2. De overige gronden worden voor maximaal 5% verhard. Tot slot wordt er met de nieuw ontsluitingsweg nog eens 724 m2 aan verharding aangebracht. Het totaal aan bebouwing en verharding binnen het plangebied neemt daarmee toe met 2.821 m2.

Watercompensatie Ten aanzien van watercompensatie hanteert het waterschap de volgende regeling: De versnelde afvoer als gevolg van de toename aan verharding moet volledig worden gecompenseerd door het aanbrengen van een gelijkwaardige vervangende voorziening (compensatieplicht), met een oppervlakte van 10% van de toename van verharding. In sommige gevallen is de eis tot compensatie zwaar ten opzichte van het te dienen waterstaatkundige doel. Om deze reden heeft het waterschap de verhardingtoename, van maximaal 500 m2 in stedelijk gebied en 1500 m2 in landelijk gebied via een algemene regel, vrijgesteld van compensatieplicht. Indien er een grotere toename van verharding plaatsvindt, moet volledig worden gecompenseerd. De toename van 2.821 m2 betekent een compensatie van 282 m2 (zonder rekening te houden met de 1.500 m2 vrijstelling). Deze compensatie wordt ruimschoots gehaald.

Bestemmingsplan “Polder Albrandswaard Zuidoost” Toelichting Vaststelling

28

Tot slot wordt opgemerkt dat in het geldende bestemmingsplan Polder Albrandswaard reeds een onderbouwing is opgenomen voor de toename aan verhard oppervlak door de 3 woningen. Daarbij is aangegeven dat de woningbouwmogelijkheden zijn toegestaan als het gevolg van de sloop van kassen: “In het bestemmingsplan zijn wetgevingszones - wijzigingsbevoegdheid opgenomen voor het toevoegen van woningen. Op dit moment is het niet duidelijk wat het exacte oppervlak aan verharding zal gaan bedragen, maar naar verwachting zal dit meer dan 1500 m2 bedragen. Door de sloop van kassen zal echter een veel grotere oppervlakte aan verhard oppervlak verdwijnen, waardoor per saldo het verhard oppervlak af neemt.’

Zodoende wordt ruimschoots voldaan aan het beleid van Waterschap Hollandse Delta. Veiligheid Het plangebied is gelegen in de beschermingszone van een primaire waterkering. De kernzone van deze kering ligt voor een klein deel over de zuidkant van het plangebied. Uit overleg met het Waterschap Hollandse Delta blijkt dat het profiel van vrije ruimte dat vrijgehouden dient te worden voor toekomstige dijkverzwaringen op 39,1 meter uit de buitenkruinlijn ligt. Op onderstaande afbeelding zijn de kernzone (geel), beschermingszone (groen) en de grens van het profiel van vrije ruimte aangegeven. De toekomstige bebouwing is buiten het profiel van vrije ruimte gesitueerd, waarmee er vanuit waterstaatsbelangen geen belemmeringen voor de ontwikkeling zijn.

Riolering De riolering wordt aangesloten op het bestaande rioleringssysteem door middel van een persriool vanaf de meest oostelijke woning, via de ontsluitingsweg en het Boerenpad. Bestemmingsplan “Polder Albrandswaard Zuidoost” Toelichting Vaststelling

29

Bij toekomstige ruimtelijke ontwikkeling mogen geen (bouw)materialen toegepast worden waardoor het afstromende hemelwater bijvoorbeeld door uitloging verontreinigd kan raken. Gestreefd dient te worden naar het volgen van het voorkeursbeleid van het Waterschap. Watervoorziening Het watersysteem wordt niet aangepast. Volksgezondheid Overstorten van vuilwater dient te worden voorkomen. Door het afkoppelen van hemelwater van de droogweerafvoer (DWA) worden vuilwateroverstorten (in de omgeving) tegengegaan. De risico’s van watergerelateerde ziekten en plagen worden hierdoor geminimaliseerd. Bodem en grondwater De huidige waterpeilen worden niet aangepast ten behoeve van het plan. Hierdoor zal bodemdaling niet aan de orde zijn. Het grondwater zit vrij diep in het plangebied; grondwateroverlast is niet bekend en is ook niet te verwachten. Indien bij toekomstige ruimtelijke ontwikkeling ondergrondse constructies worden gebouwd, waarvan de onderkant dieper ligt dan de hoogste grondwaterstand, wordt geadviseerd waterdicht te bouwen om te voorkomen dat overlast van grondwater ontstaat. Waterkwaliteit Het plan heeft geen effect op de waterkwaliteit. Bij toekomstige ruimtelijke ontwikkeling dient het ontstaan van (nieuwe) vervuilingsbronnen zoveel mogelijk voorkomen te worden om vervuiling van grond- en oppervlaktewater te beletten.

Hemelwater moet worden afgevoerd naar oppervlaktewater en mag niet op het (vuilwater) riool worden geloosd. Het ontstaan van (nieuwe) vervuilingsbronnen dient zoveel mogelijk voorkomen te worden om vervuiling van grond- en oppervlaktewater te beletten. Het toepassen van niet-uitloogbare bouwmaterialen voorkomt dat het hemelwater wordt vervuild. In verband hiermee dienen geen (sterk) uitloogbare materialen zoals koper, lood, zink of teerhoudende dakbedekking te worden gebruikt op delen die met hemelwater in contact komen, zoals de dakbedekking, goten en pijpen of er moet voorkomen worden dat deze materialen kunnen uitlogen. Verdroging De huidige waterpeilen worden niet aangepast ten behoeve van het plan. Het plan heeft derhalve geen (negatieve) invloed op karakteristieke grondwaterafhankelijke ecologische waarden; er is immers geen kans op verdroging als gevolg van het plan. Natte natuur Het plangebied maakt geen onderdeel uit van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Negatieve effecten op NNN-gebieden in de omgeving zijn daarmee uit te sluiten.

Keur

Bestemmingsplan “Polder Albrandswaard Zuidoost” Toelichting Vaststelling

30

Alle handelingen of werkzaamheden in de nabijheid van watergangen en waterschapswegen vallen onder de regels van de Keur. In deze verordening van het Waterschap zijn gebods- en verbodsbepalingen opgenomen om de waterstaatsbelangen veilig te stellen. In de meeste gevallen zal een vergunning moeten worden verleend door het Waterschap. In de Legger van oppervlaktewaterlichamen en kunstwerken voor waterschap Hollandse Delta zijn de watergangen opgenomen, waarop de Keur van toepassing is. Beheer en onderhoud Er zijn geen wateren en kunstwerken in het plangebied gelegen, die onder de onderhoudsverplichtingen vallen van het Waterschap. Beheer en onderhoud van de riolering is in handen van de gemeente Albrandswaard. 5.3

Conclusie Het aspect water vormt geen belemmering voor het uitvoeren van het plan.

Bestemmingsplan “Polder Albrandswaard Zuidoost” Toelichting Vaststelling

31

6

Archeologie en cultuurhistorie

6.1

Kader Erfgoedwet De Erfgoedwet (2016) bundelt de voorgaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Bovendien zijn aan de Erfgoedwet een aantal nieuwe bepalingen toegevoegd. Het beschermingsniveau zoals deze in de oude wetten en regelingen gold, blijft gehandhaafd. Het behoud en beheer van het Nederlandse erfgoed was geregeld in zes verschillende wetten en een regeling. Waarin roerend, onroerend en archeologisch erfgoed allemaal hun eigen specifieke definities, procedures en beschermingsmaatregelen hadden. In de Erfgoedwet is vastgelegd hoe met ons erfgoed wordt omgegaan, wie welke verantwoordelijkheden daarbij heeft en hoe het toezicht daarop wordt uitgeoefend. Overbodige regels zijn geschrapt en de verantwoordelijkheid voor de bescherming van het cultureel erfgoed ligt waar mogelijk bij het erfgoedveld zelf. Onderdelen van de Monumentenwet die de fysieke leefomgeving betreffen, worden overgeheveld naar de Omgevingswet die in 2022 van kracht wordt. Op grond van de Erfgoedwet is het verplicht om in het proces van ruimtelijke ordening tijdig rekening te houden met de mogelijke aanwezigheid van archeologische waarden. Cultuurhistorische Hoofdstructuur Zuid-Holland De provincie Zuid-Holland hanteert het beleidsinstrument “Cultuurhistorische Hoofdstructuur ZuidHolland (CHS)”.

In de CHS heeft de provincie bestaande en mogelijk te verwachten archeologische waarden in beeld gebracht. In het bijbehorende “Beleidskader Cultuurhistorische Hoofdstructuur ZuidHolland” zijn per waarderingscategorie algemene beleidsuitgangspunten geformuleerd. De waardering zoals vastgelegd in de cultuurhistorische hoofdstructuur geldt als uitgangspunt van beleid.

6.2

Onderzoek en conclusie In het geldende bestemmingsplan ‘Polder Albrandswaard’ geldt de dubbelbestemming “Waarde – Archeologie 1”. Ter plaatse van deze dubbelbestemming kunnen eventuele archeologische waarden aanwezig zijn. Ontwikkelingen die een oppervlak groter dan 200 m2 beslaan, zijn onderzoeksplichtig. De maximale oppervlakte van de woningen bedraagt 350 m2. Daarmee wordt de grens van 200 m2 overschreden en dient nader onderzoek plaats te vinden naar archeologische waarden binnen het plangebied. In 2016 is het Bureau Oudheidkundig Onderzoek Rotterdam (BOOR)3 reeds uitgevoerd. Daarbij zijn alleen de westelijke kavels onderzocht. Gezien de ligging van het plangebied, in het gebied van een oude meander van de Waal (nu Oude Maas), wordt de kans dat bij de herinrichting waardevolle ongeroerde archeologische resten worden aangetast als klein ingeschat. Een archeologisch vooronderzoek acht het BOOR dan ook als niet noodzakelijk. De verwachting is dat dit advies ook voor de oostelijke kavel geldt. Dit zal ter bevestiging aan BOOR worden voorgelegd.

3

Bijlage 8: BOOR (februari 2016) Archeologisch advies bouw woningen op vrije kavels in Poortugaal in de gemeente

Albrandswaard (BOOR-dossier A2016028) Bestemmingsplan “Polder Albrandswaard Zuidoost” Toelichting Vaststelling

32

7

Milieu

7.1

Algemeen In dit hoofdstuk worden de ruimtelijke (on)mogelijkheden inzichtelijk gemaakt. Waar nodig dient een vertaling plaats te vinden naar de juridische regeling. Het uitgangspunt hierbij is dat de juridische regeling zowel de ruimtelijke kwaliteit als de milieukwaliteit voldoende dient te borgen.

7.2

M.e.r.-beoordeling

7.2.1 Kader Het inwerkingtredingsbesluit wijziging Besluit m.e.r. is op 7 juli 2017 in werking getreden. In dit gewijzigde Besluit m.e.r. is de nieuwe procedure omtrent de vormvrije m.e.r.-beoordeling opgenomen. Het besluit is aangepast omdat de Europese rechter heeft geoordeeld dat de drempelwaarden voor m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteiten onvoldoende recht deden aan de vraag of er sprake is van "aanzienlijke gevolgen voor het milieu". Het besluit is aangepast en de drempelwaarden zijn nu indicatief. Dat betekent dat als een project (ruim) onder de drempelwaarden blijft er wel een toetsing moet worden gedaan. Het bevoegd gezag moet zich er van vergewissen dat er daadwerkelijk geen aanzienlijke gevolgen voor het milieu zijn. Bij de aanleg, wijziging of uitbreiding van woningbouw kan sprake zijn van een stedelijk ontwikkelingsproject, zoals aangegeven in D 11.2, kolom 1, in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op: 1°. een oppervlakte van 100 hectare of meer; 2°. een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat; of 3°. een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer. De drempelwaarden in het Besluit m.e.r. (kolom 2-'gevallen' in de D-lijst) zijn gebaseerd op algemene kenmerken van een activiteit en een globale aanname dat bij gevallen onder de drempelwaarde geen belangrijke nadelige milieugevolgen zullen optreden.

Dat hoeft echter niet altijd het geval te zijn: in bepaalde gevallen kan een activiteit met een kleinere omvang wel degelijk belangrijke nadelige milieugevolgen hebben. De consequentie van de nieuwe regeling is dat in elk besluit of plan, dat betrekking heeft op activiteiten, die voorkomen op de D-lijst aandacht moet worden besteed aan m.e.r. Er zal een toets moeten worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Voor deze toets, die dus een nieuw element is in de m.e.r.-regelgeving, wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd. Deze vormvrije m.e.r.-beoordeling kan tot twee conclusies leiden: • belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: er is geen m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk; • belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet een m.e.r.-beoordeling plaatsvinden of er kan direct worden gekozen voor een m.e.r. De vormvrije m.e.r.-beoordeling is dus altijd nodig als een besluit of plan wordt voorbereid over activiteiten die voorkomen op de D-lijst. Voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling bestaan geen vereisten voor de vorm, maar wel voor de inhoud. 7.2.2 Afweging en conclusie De ontwikkeling van 3 woningen blijft ruimschoots onder de drempel van 100 hectare of 2.000 woningen.

In het kader van de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan is onderzoek gedaan naar de volgende aspecten:  Geluid  Bodem Bestemmingsplan “Polder Albrandswaard Zuidoost” Toelichting Vaststelling

33

 Luchtkwaliteit  Flora en fauna, waaronder stikstofdepositie  Externe veiligheid In de volgende paragrafen is per aspect beoordeeld wat de effecten van het plan zijn. Uit de onderzoeken die zijn uitgevoerd blijkt dat als gevolg van de realisatie van het plan geen (belangrijke) nadelige milieueffecten optreden, waardoor een m.e.r.-beoordeling niet aan de orde is. 7.3

Bodemkwaliteit

7.3.1 Kader Wet bodembescherming De Wet bodembescherming (Wbb) voorziet in maatregelen indien sprake is van ernstige bodemverontreiniging. Het doel van de Wbb is in de eerste plaats het beschermen van de (land- of water-) bodem zodat deze kan worden benut door mens, dier en plant, nu en in de toekomst. Via de Wbb heeft de Rijksoverheid de mogelijkheid algemene regels te stellen voor de uitvoering van werken, het transport van stoffen en het toevoegen van stoffen aan de bodem. Ontwikkelingen kunnen pas plaatsvinden als de bodem, waarop deze ontwikkelingen gaan plaatsvinden, geschikt is of geschikt is gemaakt voor het beoogde doel. Bij nieuwbouwactiviteiten dient de bodemkwaliteit door middel van onderzoek in beeld te zijn gebracht. In het algemeen geldt dat nieuwe bestemmingen bij voorkeur op een schone bodem dienen te worden gerealiseerd. Besluit bodemkwaliteit Het doel van het Besluit bodemkwaliteit (2008) is de bodem beter te beschermen en meer ruimte te bieden voor nieuwe bouwprojecten. Ook geeft het besluit gemeenten en provincies meer verantwoordelijkheid om de bodem te beheren. Het Bouwstoffenbesluit (Bsb) is opgenomen in het Besluit bodemkwaliteit.

Relatie Wabo, Wbb en Woningwet (Wonw) De inwerkingtreding van de Wabo (1 oktober 2010) heeft ook effect op de Wbb en de Woningwet (Ww): in de Wabo is aangegeven dat in de plaats van de aanhoudingsgrond (uit de Ww) een afstemmingsregeling wordt opgesteld waarbij de inwerkingtreding van de omgevingsvergunning wordt afgestemd op de acties ten aanzien van de bodemverontreiniging. Voorts geldt ten aanzien van de bodem dat de Woningwet gemeenten verplicht in hun bouwverordening voorschriften omtrent het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem op te nemen. Die voorschriften moeten in elk geval betrekking te hebben op het verrichten van onderzoek naar aard en mate van verontreiniging van de bodem, op de aard en omvang van dat onderzoek en op inrichting van het op te stellen onderzoeksrapport. 7.3.2 Onderzoek Door onderzoeksbureau KP adviseurs is in 2021 reeds is een verkennend (water)bodemonderzoek uitgevoerd4. Doelstelling van onderhavig onderzoek is de milieuhygiënische kwaliteit van de land- en waterbodem vast te stellen.

4

Bijlage 6: KP adviseurs (10 augustus 2021) Rapport verkennend (water)bodemonderzoek Bestemmingsplan “Polder Albrandswaard Zuidoost” Toelichting Vaststelling

34

Op 16 juli 2021 heeft een locatie-inspectie plaatsgevonden. Tijdens de locatie-inspectie zijn geen verdachte activiteiten, brandplekken, verzakkingen, ophogingen, vul- en ontluchtingspunten en/of (asbest)verdachte materialen op het maaiveld waargenomen. Op basis van het onderzoek worden de volgende aanbevelingen gedaan:  Geadviseerd wordt om de betrokken partijen te informeren met betrekking tot de onderzoeksresultaten;  Onderhavig rapport kan worden gebruikt voor het hergebruiken van de bij werkzaamheden vrijkomende grond en baggerspecie op de locatie of ten behoeve van eventuele afvoer naar een erkende verwerkingslocatie. Indien grond wordt afgevoerd naar een toepassingslocatie buiten de reikwijdte van het bodembeheerplan adviseren wij om een AP04 partijkeuring conform het Besluit bodemkwaliteit onder het certificaat van de BRL 1000 te laten uitvoeren ter bepaling van de kwaliteit en bestemming van de partij;  Tijdens werkzaamheden in of met verontreinigde grond dienen de veiligheidsmaatregelen te worden afgestemd op de aangetoonde verontreiniging conform de CROW 400;  Tot slot wordt geadviseerd om tijdens vervolgwerkzaamheden alert te zijn op eventuele onvoorziene bodemverontreiniging.

7.3.3 Conclusie Tijdens de locatie-inspectie zijn geen verdachte activiteiten, brandplekken, verzakkingen, ophogingen, vul- en ontluchtingspunten en/of (asbest)verdachte materialen op het maaiveld waargenomen. Het rapport kan gebruikt worden voor het hergebruiken van de bij werkzaamheden vrijkomende grond en baggerspecie op de locatie of ten behoeve van eventuele afvoer naar een erkende verwerkingslocatie. Tijdens werkzaamheden in of met verontreinigde grond dienen de veiligheidsmaatregelen te worden afgestemd op de aangetoonde verontreiniging conform de CROW 400. Daarnaast wordt geadviseerd om tijdens vervolgwerkzaamheden alert te zijn op eventuele onvoorziene bodemverontreiniging. De onderzoeksresultaten vormen geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkelingswerkzaamheden. Het aspect bodem vormt dan ook geen belemmering voor het uitvoeren van het plan. 7.4

Akoestische aspecten

7.4.1 Kader Voordat nieuwe woningen worden geprojecteerd, moet onderzoek worden uitgevoerd naar de relevante geluidhinderaspecten. De nieuwe woningen zijn gelegen in de onderzoekszone van de route Albrandswaardsedijk/Dorpsdijk en de Albrandswaardseweg. De nieuwe woningen zijn daarnaast gelegen binnen de geluidszone van het industrieterrein ‘Waal/Eemhaven’. Op grond van de Wet geluidhinder (Wgh) is daarom ook akoestisch onderzoek noodzakelijk naar het aspect industrielawaai. Indien uit onderzoek blijkt dat de geluidsbelasting door het wegverkeer en/of de activiteiten op het industrieterrein leidt tot een geluidbelasting die hoger is dan de voorkeurswaarde moeten er maatregelen worden getroffen om hieraan alsnog te kunnen voldoen. Blijkt dat niet mogelijk of op overwegende bezwaren te stuiten dan is het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Albrandswaard bevoegd tot het vaststellen van hogere waarden.

Bestemmingsplan “Polder Albrandswaard Zuidoost” Toelichting Vaststelling

35

7.4.2 Onderzoek Gelet op bovenstaande is door KuiperCompagnons onderzoek gedaan naar de geluidbelasting ter plaatse van de toekomstige woningen (bijlage 7). In deze paragraaf zijn de belangrijkste resultaten van dit onderzoek opgenomen. Wegverkeerslawaai Uit de resultaten blijkt dat het verkeer op alle beschouwde wegen een geluidsbelasting veroorzaakt van maximaal 41 dB bedraagt op de grens van het bouwvlak binnen de woonbestemming. Omdat de voorkeurswaarde van 48 dB niet wordt overschreden zijn er vanuit het aspect geluid geen belemmeringen. Industrielawaai In onderstaande afbeelding (bijlage 4 van het onderzoek) zijn de geluidszone en de berekende geluidscontouren rond het industrieterrein weergegeven. Uit deze afbeelding blijkt dat het bestemmingsplan binnen de onderzoekszone van het industrieterrein Waal-/Eemhaven is gelegen. Omdat het bestemmingsplan is gelegen buiten de berekende 50 dB-geluidscontour is de geluidsbelasting niet hoger dan de voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A). Omdat de voorkeurswaarde van 50 dB(A) niet wordt overschreden zijn er vanuit het aspect geluid geen belemmeringen.

7.4.3 Conclusie In het bestemmingsplan wordt voorzien in de realisatie van 3 nieuwe woningen. Uit de berekeningen voor wegverkeerslawaai blijkt dat de voorkeurswaarde door het verkeer op geen enkele weg wordt overschreden. Dit geluidsaspect leidt daarom niet tot belemmeringen. De woningen zijn gelegen binnen de onderzoekszone van enkele wegen en het industrieterrein Waal/Eemhaven, zodat akoestisch onderzoek noodzakelijk is. De activiteiten op het industrieterrein Waal/Eemhaven leidt ter plaatse van de nieuwe woningen tot een geluidsbelasting van niet meer dan 50 dB(A), zodat de voorkeursgrenswaarde niet wordt overschreden. Er zijn vanuit akoestische aspecten geen belemmeringen voor het plan. Bestemmingsplan “Polder Albrandswaard Zuidoost” Toelichting Vaststelling

36

7.5

Luchtkwaliteit

7.5.1 Kader Het onderzoek naar luchtkwaliteit wordt uitgevoerd op grond van hoofdstuk 5, titel 5.2 'Luchtkwaliteitseisen' van de Wet milieubeheer. De titel 5.2 'Luchtkwaliteitseisen' is beter bekend als de Wet luchtkwaliteit. Een belangrijk onderdeel van de Wet luchtkwaliteit is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Het NSL is een bundeling maatregelen op regionaal, nationaal en internationaal niveau die de luchtkwaliteit verbeteren. Daarnaast zijn daarin alle ruimtelijke ontwikkelingen opgenomen die de luchtkwaliteit verslechteren. Het doel van de NSL is om overal in Nederland te voldoen aan de Europese normen voor de luchtverontreinigende stoffen. Voor wegverkeer zijn stikstofdioxide (NO2), fijnstof (PM10) en ultra fijnstof (PM2,5) de belangrijkste stoffen. De in de Wet luchtkwaliteit gestelde norm voor NO2 en PM10 jaargemiddelde grenswaarde is voor beide stoffen 40 µg/m3, terwijl voor PM2,5 de jaargemiddelde grenswaarde 25 µg/m3 bedraagt Daarnaast mag de PM10 24 uurgemiddelde grenswaarde van 50 µg/m3 maximaal 35 keer per jaar worden overschreden. Naast de introductie van het NSL is het begrip 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen een belangrijk onderdeel van de Wet luchtkwaliteit. Een project draagt NIBM bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit als de NO2 en PM10 jaargemiddelde concentraties niet meer toenemen dan 1,2 µg/m3.

In dat geval is de ontwikkeling als NIBM te beschouwen. Een ruimtelijke ontwikkeling kan volgens de Wet luchtkwaliteit doorgang vinden als:  de ontwikkeling is opgenomen in het NSL;  de ontwikkeling aangemerkt wordt als een NIBM-ontwikkeling;  de gestelde grenswaarden in bijlage 2 van de Wet luchtkwaliteit niet worden overschreden;  projectsaldering wordt toegepast. Voor zover de ruimtelijke ontwikkeling is opgenomen in het NSL of de ontwikkeling kan worden aangemerkt als NIBM-project is toetsing aan de normen van de Wet luchtkwaliteit niet nodig.

7.5.2 Onderzoek Beoordeling luchtkwaliteit In de 'Regeling niet in betekenende mate bijdrage (luchtkwaliteitseisen)' (Regeling NIBM) zijn voor verschillende functiecategorieën cijfermatige kwantificaties opgenomen, waarbij een ontwikkeling als een NIBM-project kan worden beschouwd. Deze categorieën betreffen landbouwinrichtingen, spoorwegemplacementen, kantoorlocaties, woningbouwlocaties en een combinatielocatie van woningbouw en kantoren. In de regeling NIBM is aangegeven dat een woningbouwlocatie met maximaal 1.500 woningen aan één ontsluitingsweg is aan te merken als een ontwikkeling die NIBM bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Met dit bestemmingsplan wordt de realisatie van 3 nieuwe woningen mogelijk gemaakt. Daardoor is de voorgestelde ontwikkeling aan te merken als een ontwikkeling die NIBM bijdraagt aan Bestemmingsplan “Polder Albrandswaard Zuidoost” Toelichting Vaststelling

37

de verslechtering van de luchtkwaliteit, waardoor toetsing aan de grenswaarden uit de Wet luchtkwaliteit niet nodig is. Goede ruimtelijke ordening In het kader van een goede ruimtelijke ordening zijn de jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 in de omgeving van het plangebied inzichtelijk gemaakt. In deze tool is onder andere de Waalstraat opgenomen. In de volgende afbeelding zijn de concentraties NO2, PM10 en PM2,5 voor het peiljaar 2020 weergegeven. Deze concentraties zijn afkomstig uit de NSL-monitoringstool 2020.

Afbeelding 7.1: Overzicht concentraties NO2, PM10 en PM2,5, peiljaar 2020 (NSL-monitoringstool 2020)

Uit de voorgaande afbeelding blijkt dat in de omgeving van het plangebied de jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 respectievelijk maximaal 20,5 µg/m3, 18,2 µg/m3 en 10,9 µg/m3 bedraagt. De jaargemiddelde grenswaarde voor NO2, PM10 (beide 40 µg/m3) en PM2,5 (25 µg/m3) wordt niet overschreden. Het aantal overschrijdingsdagen van de 24 uurgemiddelde concentratie PM10 is maximaal 6,4, waardoor het maximum van 35 dagen niet wordt overschreden. De trend is dat in de toekomst de emissies en de achtergrondconcentraties van deze stoffen zullen dalen, waardoor geen overschrijdingen van de grenswaarden zijn te verwachten.

Bestemmingsplan “Polder Albrandswaard Zuidoost” Toelichting Vaststelling

38

7.5.3 Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt gezien het bovenstaande geen belemmering voor de realisatie van 3 woningen. 7.6

Milieuzonering

7.6.1 Kader Voor het behoud en de verbetering van de kwaliteit van de woon- en leefomgeving is een juiste afstemming tussen de verschillende voorkomende functies en wonen noodzakelijk. Daarbij kan gebruik worden gemaakt van een milieuzonering die uitgaat van richtinggevende afstanden tussen hinderlijke functies (in de vorm van gevaar, geluid, geur, stof) en gevoelige functies. In de brochure ‘Bedrijven en milieuzonering’ van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) (versie 2009) zijn deze richtafstanden opgenomen. Daarnaast bepaalt de feitelijke (planologische) situatie eveneens in hoeverre bedrijven in de bestaande situatie reeds beperkt worden in hun bedrijfsvoering. 7.6.2 Onderzoek Bij de realisatie van gevoelige bestemmingen, zoals woningbouw, is het van belang om na te gaan of er in de omgeving van het projectgebied bedrijven zijn gelegen, die door diens aard hinder kunnen veroorzaken (geur, geluid e.d.). Andersom dient te worden bepaald of de milieuruimte van bestaande bedrijven door nieuwe ontwikkelingen niet onevenredig wordt ingeperkt. In de omgeving van onderhavig projectgebied is café de Gouden Arend gelegen (Dorpsdijk 248). De bestemming van dit pand is “Horeca”. De VNG-brochure “Bedrijven en Milieuzonering” geeft als richtafstand vanaf dergelijke bestemmingen tot aan bijvoorbeeld woningen, 10 meter aan te houden.

Hierbij is geluid de bepalende factor, hoewel ook geur een hinderbron kan zijn voor omwonenden. De afstand van het café tot aan de dichtstbijzijnde nieuwe woning bedraagt meer dan 100 meter. Aan de richtafstand wordt ruimschoots voldaan. Iets verderop, aan de Albrandswaardsedijk 160, horecagelegenheid annex partycentrum Tasman gelegen. De VNG-brochure ‘Bedrijven en Milieuzonering’ geeft voor vergelijkbare inrichtingen (horeca / evenementenhallen) een richtafstand van 30 meter met betrekking tot geluid. De inrichting ligt op meer dan 100 meter van het plangebied en vormt zodoende geen belemmering. Voorts is op het adres Havendam 4 de basisschool Don Bosco gevestigd. Volgens de VNG-brochure is de aan te houden afstand tot woningen hierbij 30 meter. De afstand van de basisschool tot aan de nieuwe woningen bedraagt iets meer dan 200 meter, waarmee ruimschoots wordt voldaan aan de richtafstand. De ruitervereniging Rhoonse Ruiters aan de Albrandswaardsedijk 198 ligt op 100 meter van het plangebied. De VNG-brochure hanteert voor de categorie ‘manege’ een richtafstand tot 50 meter (met betrekking tot geur). Ook dit bedrijf zorgt dus niet voor belemmeringen voor de geplande woningbouwontwikkeling. Tot slot is aan de Albrandswaardsedijk nog een tuinbouwbedrijf gevestigd (kassen). Hiervoor hanteert de VNG-brochure een richtafstand van 30 meter.

De afstand tot aan het plangebied bedraagt echter 90 meter, belemmeringen zijn daarmee uitgesloten.

Bestemmingsplan “Polder Albrandswaard Zuidoost” Toelichting Vaststelling

39

Een stuk buiten buiten het plangebied ligt een cluster recreatieve bedrijven met onder andere Sammy’s Sport, Gamerensport, Zwembad Albrandswaard en Pitch&Putt Golf Rhoon. De richtafstand tot deze recreatieve bedrijven bedraagt maximaal 50 meter en tot het buitenzwembad 200 meter. In werkelijkheid liggen de bedrijven op meer dan 225 meter en het buitenbad op ruim 300 meter. Geconcludeerd kan worden, dat het aspect ‘milieuhinder bedrijven’ geen belemmering oplevert.

7.6.3 Conclusie Gezien het voorgaande vormt het aspect milieuzonering geen belemmering voor de haalbaarheid van dit bestemmingsplan. 7.7

Externe veiligheid

7.7.1 Kader Externe veiligheid richt zich op het beheersen van activiteiten die een risico voor de omgeving kunnen opleveren, zoals milieurisico’s, transportrisico’s en risico’s die kunnen optreden bij de productie, het vervoer en de opslag van gevaarlijke stoffen in inrichtingen. Bij de (her)inrichting van een gebied bepaalt de externe veiligheidssituatie mede de ruimtelijke (on)mogelijkheden. In het kader van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gelezen in samenhang met de regels omtrent externe veiligheid moet worden onderzocht of er sprake is van aanwezigheid van risicobronnen in de nabijheid van de locatie waarop het Wro besluit betrekking heeft en dienen het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR), en de eventuele toename hiervan, beoordeeld te worden. Het PR is de kans per jaar dat een persoon op een bepaalde plaats overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen, indien hij onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting of langs een vervoersas. De normstelling heeft de status van een grenswaarde die niet overschreden mag worden. Voor kwetsbare objecten wordt in zowel bestaande als nieuwe situaties het niveau van 10-6 per jaar als grenswaarde gehanteerd. Nieuwe beperkt kwetsbare objecten zijn alleen toegestaan onder een gewichtige motivering.

Bestaande beperkt kwetsbare objecten zijn toegestaan binnen de PR 10-6 contour. Het GR kan worden beschouwd als de maat van maatschappelijke ontwrichting in geval van een calamiteit (en drukt dus de kans per jaar uit dat een groep mensen van minimaal 10 personen overlijdt als rechtstreeks gevolg van een calamiteit). De normstelling heeft de status van een oriënterende waarde. Deze waarde is geen vastgestelde wettelijke norm. Desondanks hebben overheden en betrokken private instellingen een inspanningsverplichting om te voldoen aan deze oriënterende waarde en dient een toename van het GR bestuurlijk te worden verantwoord.

7.7.2 Onderzoek Risicobronnen Op basis van de risicokaart zijn er risicobronnen in de omgeving van de locatie aanwezig. Wel ligt onder/langs de Albrandswaardseweg een DPO-leiding P32. Voor deze leiding geldt geen PR 10-6 contour. Het invloedsgebied van de leiding bedraagt 31 meter. De nieuwe woningen staan op minimaal Bestemmingsplan “Polder Albrandswaard Zuidoost” Toelichting Vaststelling

40

120 meter uit deze leiding. Uit een QRA5 die is uitgevoerd in het kader van de gemeentelijke visie over externe veiligheid blijkt dat voor leiding P32 formeel geen sprake is van een groepsrisico, omdat het aantal slachtoffers van 10 niet gehaald wordt. Derhalve is er formeel geen sprake van een groepsrisico en gelden er geen belemmeringen. Omdat met de voorgenomen ontwikkeling de personendichtheid nauwelijks toeneemt (er worden slechts drie woningen toegevoegd) en het groepsrisico ruim onder de oriënterende waarde ligt (zie afbeelding 9.1), wordt aangenomen dat de voorliggende ontwikkeling niet leidt tot een overschrijding van het groepsrisico. In het kader van een goede ruimtelijke ordening zijn in het vervolg van deze paragraaf de aspecten zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid beschouwd.

Afbeelding 9.1: Groepsrisicoberekening van verschillende brandstofleiding, waaronder P32

Zelfredzaamheid Het meest waarschijnlijke en meest voorkomende ongeval voor een brandstofleiding is een fakkelbrandincident. In het geval van een fakkelbrand is er geen tijd om te vluchten en zullen de personen binnen het invloedsgebied (31 meter uit het hart van de leiding) van de brandstofleiding mogelijk slachtoffer worden. Buiten het invloedsgebied is in het geval van een fakkelbrand, schuilen in een gebouw of woning in beginsel de beste manier om de calamiteit te overleven. Ter verbetering van de zelfredzaamheid worden omwonenden en toekomstige bewoners op de hoogte gesteld van de aanwezige brandstofleiding en het mogelijke handelingsperspectief bij calamiteiten. De gemeente heeft in dat kader een informatieplicht. Geadviseerd wordt om in ieder geval zorg te dragen voor een nooduitgang aan de van de bron afgekeerde zijde (achterzijde) en een goede vluchtroute. Om de kans op slachtoffers te beperken kan tevens gedacht worden aan het toepassen van brandwereld glas of het beperken van het glasoppervlak in de naar de bron gerichte gevel (voorgevel). Ten behoeve van deze zelfredzaamheid is het verder van belang dat het waarschuwings- en alarmeringssysteem (WAS) wordt ingezet in geval van calamiteiten. Mogelijkheden tot bestrijdbaarheid

5

Externe-Veiligheidsvisie Risico-inventarisatie ten behoeve van de EV-visie van de gemeente Albrandswaard

(DCMR, 2011) Bestemmingsplan “Polder Albrandswaard Zuidoost” Toelichting Vaststelling

41

Om de bestrijdbaarheid te vergroten dient het plangebied over voldoende bluswatervoorzieningen te beschikken. Tevens dient bij de inrichting van het plan in overleg met de Veiligheidsregio Rotterdam Rijnmond (VRR) rekening te worden gehouden met voldoende bereikbaarheid voor hulpdiensten. Dergelijk overleg met de VRR vindt regelmatig plaats en zal worden gecontinueerd gedurende het proces van de planvorming opdat er voldoende bluswatervoorzieningen aanwezig zullen zijn en het plangebied goed bereikbaar is voor hulpdiensten. De nieuwe woningen zijn gelegen aan de Albrandswaardseweg en zullen dan ook goed bereikbaar zijn voor hulpdiensten. De VRR is goed voorbereid op incidenten en heeft de mogelijke scenario’s die kunnen optreden goed in het vizier.

7.7.3 Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt gezien het voorgaande geen belemmering voor de haalbaarheid van dit bestemmingsplan. Hiervoor is formeel advies gevraagd aan de Veiligheidsregio RotterdamRijnmond. De VRR kan zich vinden in de wijze waarop de veiligheidsaspecten zijn verwerkt en heeft geen aanvullende adviespunten. 7.8

Overige belemmeringen In het plangebied is sprake van één andere belemmering. Door het gebied loopt een waterleiding. Hiervoor is de dubbelbestemming “Leiding – Water” met de bijbehorende regels overgenomen uit het bestemmingsplan “Polder Albrandswaard”. Het aspect overige belemmeringen vormt dan ook geen belemmering voor de haalbaarheid van dit bestemmingsplan.

Bestemmingsplan “Polder Albrandswaard Zuidoost” Toelichting Vaststelling

42

8

Uitvoerbaarheid

8.1

Economische uitvoerbaarheid In deze paragraaf wordt inzicht gegeven in de economische uitvoerbaarheid van het plan. In dit bestemmingsplan wordt een bestaande wijzigingsbevoegdheid op gemeentegrond, waarin 3 woningen mogelijk worden gemaakt, gecombineerd met een marktinitiatief voor 1 woning op een particulier perceel. Het aantal woningen blijft in dit bestemmingsplan gelijk doordat op het gemeentelijk perceel nu slechts 2 woningen worden gerealiseerd. De totale plankosten worden naar rato verdeeld tussen gemeente en de initiatiefnemer voor de 3e woning op het particuliere perceel. Afspraken over het verhaal van plankosten, planschade en de herinrichting van het openbaar gebied/woonrijp maken, zijn geborgd in een anterieure overeenkomst tussen gemeente en initiatiefnemer. De watergang aan de noordzijde van de twee gemeentelijke kavels, het struinpad komen voor rekening van de grondexploitatie Polder Albrandswaard. De ontsluitingsweg wordt mandelig uitgegeven aan de drie afzonderlijke kavels. Hiertoe wordt een realisatieovereenkomst afgesloten met de initiatiefnemer. De initiatiefnemer draagt middels de anterieure overeenkomst ook bij aan het fonds polder Albrandswaard met een bedrag van €75.000,-. Conclusie Gezien het voorgaande wordt het plan financieel uitvoerbaar geacht.

8.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

8.2.1 Voorbereidingsfase Participatie De initiatiefnemer heeft in het kader van de marktinitiatieven procedure de directe omgeving geïnformeerd over deze ontwikkeling. Hieruit zijn geen bezwaren naar voren gekomen. De initiatiefnemer heeft hiertoe een verslag aangeleverd dat eveneens aan de raad is voorgelegd bij de behandeling van het ontwikkelingsplan. Het verslag van de participatie is – geanonimiseerd – opgenomen als bijlage bij de toelichting. Uit de participatiegesprekken met de direct omwonenden is gebleken dat de bewoners van Albrandswaardseweg nr 122 en 124 bang zijn voor het dichtbouwen van het driehoekige restperceel naast de ontwikkeling. Om die reden is er voor gekozen deze gronden niet mee te bestemmen, maar om de agrarische bestemming te behouden. Hiermee blijft openheid en uitzicht voor de bewoners van nr 122 en nr 124. gewaarborgd. Om die reden is deze grond niet meegenomen in dit bestemmingsplan en blijft de huidige agrarische bestemming ongewijzigd. Ook is een paardenbak met lichtmasten niet langer mogelijk. De bewoners van nummer 124 kopen een gedeelte van deze gronden, direct achter hun woning, waardoor zij zelf de regie krijgen over het stuk grond. Hiermee zijn beide bewoners akkoord met de verdere planvorming.

Vooraankondiging Op grond van artikel 1.3.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) moet voorafgaand aan een bestemmingsplanprocedure, een vooraankondiging worden gepubliceerd waarin de gemeente aangeeft een bestemmingsplan voor te bereiden. Bestemmingsplan “Polder Albrandswaard Zuidoost” Toelichting Vaststelling

43

Overleg Conform artikel 3.1.1 van het Bro moeten burgemeester en wethouders bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg plegen met de besturen van betrokken gemeentes en waterschappen en met de Rijks- en provinciale diensten die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. In dit kader is het voorontwerpbestemmingsplan voor advies toegezonden aan de betrokken overlegpartners. Er zijn 4 overlegreacties binnengekomen, waarvan er één heeft geleidt tot een aanpassing van het bestemmingsplan. Het betreft het toevoegen van de bestemmingen Waterstaat – ‘Waterstaat – Waterhuishoudkundige en waterstaatkundige functie’ en ‘Waterstaat – Waterkering’ en een aanvulling in de toelichting. De overlegreacties zijn samengevat en beantwoord in de Nota vooroverleg (voorontwerp) bestemmingsplan “Polder Albrandswaard Zuidoost” die als bijlage 10 bij deze toelichting is opgenomen. 8.2.2 Ontwerpfase Na afronding van het vooroverleg wordt de formele bestemmingsplanprocedure gestart. De aanpassingen die volgen uit de overlegreacties zijn verwerkt in het ontwerpbestemmingsplan. Ook zijn er enkele ondergeschikte ambtshalve aanpassingen doorgevoerd. Op de voorbereiding van een bestemmingsplan is artikel 3.8 Wro (gelezen in samenhang met afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht) van toepassing.

De kennisgeving van het ontwerpbesluit tot vaststelling van het bestemmingsplan moet in de Staatscourant worden geplaatst en dient via elektronische weg te geschieden. Tevens dient de kennisgeving te worden toegezonden aan die diensten van Rijk en provincie die belast zijn met de behartiging van belangen die in het plan in het geding zijn, aan het waterschap en aan belanghebbende gemeenten. Het ontwerpbestemmingsplan heeft gedurende zes weken ter inzage gelegen. Binnen deze termijn is een ieder in de gelegenheid gesteld schriftelijk en/of mondeling een zienswijze op het plan in te dienen. Er zijn geen zienswijzen ingediend. 8.2.3 Vaststellingsfase Ondanks dat er tegen het plan geen zienswijzen zijn ingediend, wordt het plan gewijzigd vastgesteld. De wijziging komt voort uit de uitwerking van de openbare ruimte, waarmee de weg voor de woningen ca 1,20 m breder wordt. De woonbestemming en de watergang schuiven iets mee. De hoeveelheid water neemt iets af. In de waterparagraaf in hoofdstuk 5 is de berekening van de watercompensatie daarop aangepast. Ondanks de wijziging voorziet het plan in meer extra water dan noodzakelijk. Binnen twaalf weken na de termijn van terinzagelegging moet de gemeenteraad een besluit genomen omtrent de vaststelling van het bestemmingsplan.

Tegen het besluit tot vaststelling staat, voor belanghebbenden, direct beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Direct na de beroepstermijn treedt, indien tijdens de beroepstermijn geen verzoek om voorlopige voorziening is ingediend, het plan in werking waarna tot planrealisatie kan worden overgegaan. Bestemmingsplan “Polder Albrandswaard Zuidoost” Toelichting Vaststelling

44

8.3

Handhavingsaspecten Het bestemmingsplan is bindend voor zowel de overheid als de burger. De primaire verantwoordelijkheid voor controle en handhaving ligt bij de gemeente. Handhaving kan worden omschreven als elke handeling die erop gericht is de naleving van regelgeving te bevorderen of een overtreding te beëindigen. Het doel van handhaving is om de duurzame bescherming van mens en omgeving te waarborgen. Binnen het kader van het bestemmingsplan heeft regelgeving met name betrekking op de Wet ruimtelijke ordening en de Woningwet. Bij overtreding van deze regelgeving moet gedacht worden aan bouwen zonder omgevingsvergunning voor het bouwen, bouwen in afwijking van een verleende vergunning, het handelen zonder of in afwijking van een noodzakelijke vergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en voor werkzaamheden (de vroegere aanlegvergunning) en het gebruik van gronden en opstallen in strijd met de gebruiksregels van het bestemmingsplan of een afwijking. Er zijn twee vormen handhaving te onderscheiden: preventieve en repressieve handhaving. Preventieve handhaving bestaat uit actief toezicht door of namens de gemeente door bijvoorbeeld regelmatige controles op de uitvoering van vergunningen en regelmatige gebiedscontroles.

Vervolgens worden in het kader van preventieve handhaving duidelijke en maatschappelijk geaccepteerde regels opgesteld en aandacht besteed aan communicatie en voorlichting. Repressieve handhaving bestaat uit de aanwending van publiekrechtelijke middelen bij geconstateerde overtredingen, zoals het opleggen van een dwangsom of het uitoefenen van bestuursdwang. Daarnaast is het mogelijk strafrechtelijke middelen toe te passen en privaatrechtelijk actie te ondernemen bij inbreuk op het eigendomsrecht van de gemeente. Repressieve handhaving heeft als primaire doel een einde te maken aan een specifieke overtreding van de Wro of de Woningwet. De handhaafbaarheid van een bestemmingsplan is met name afhankelijk van het draagvlak van de regels onder de burgers en van de duidelijkheid van de regels. Vertaling naar bestemmingsregeling De regels die voor het plangebied opgesteld worden zijn flexibel en ruim waar mogelijk en zijn star en strak gesteld waar nodig. Bij de opzet van deze beheersregels is een ruimtelijke motivering opgenomen in de toelichting (zie hoofdstuk 2) die in de dagelijkse praktijk goed is uit te leggen. In deze motivering wordt ook ingegaan op de mogelijkheden om alsnog af te wijken van dit plan na een ruimtelijk-juridisch afwegingsproces. Zo wordt recht gedaan aan de praktijk dat een bestemmingsplan een momentopname is.

De mogelijkheden voor een goede handhaafbaarheid van dit bestemmingsplan zijn daarmee gewaarborgd.

Bestemmingsplan “Polder Albrandswaard Zuidoost” Toelichting Vaststelling

Regels

Hoofdstuk 1 INLEIDENDE REGELS Artikel 1 Artikel 2

Begrippen Wijze van meten

2 7

Hoofdstuk 2 BESTEMMINGSREGELS Artikel 3 Artikel 4 Artikel 5 Artikel 6 Artikel 7 Artikel 8 Artikel 9 Artikel 10 Artikel 11

Tuin Verkeer – Verblijfsgebied Water Wonen – 1 Wonen – 2 Leiding – Water Waarde – Archeologie 1 Waterstaat – Waterhuishoudkundige en waterstaatkundige functie Waarde – Waterkering

8 9 10 11 13 15 17 19 20

Hoofdstuk 3 ALGEMENE REGELS Artikel 12 Artikel 13 Artikel 14 Artikel 13 Artikel 14 Artikel 15 Artikel 16 Artikel 17

Anti-dubbeltelregel Algemene bouwregels Algemene gebruiksregels Parkeren Algemene aanduidingsregels Algemene afwijkingsregels Algemene wijzigingsregels Algemene procedureregels

21 22 23 25 26 27 28 29

Hoofdstuk 4 OVERGANGS- EN SLOTREGELS Artikel 19 Artikel 20

Overgangsrecht Slotregel

30 31

2

Hoofdstuk 1 INLEIDENDE REGELS Artikel 1

Begrippen

In deze regels wordt verstaan onder: 1.1 plan: het bestemmingsplan Polder Albrandswaard Zuidoost van de gemeente Albrandswaard; 1.2 bestemmingsplan: de geometrisch bepaalde planobjecten als vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0613.BPPAZOVST1 met de bijbehorende regels (en eventuele bijlagen); 1.3 aanbouw een direct met het hoofdgebouw verbonden gebouw dat ten dienste staat van het hoofdgebouw en door zijn ligging, constructie en afmetingen ondergeschikt is aan het hoofdgebouw; 1.4 aangebouwd bijgebouw een indirect met het hoofdgebouw verbonden gebouw dat ten dienste staat van het hoofdgebouw dan wel in functioneel opzicht deel uitmaakt van het hoofdgebouw en door zijn ligging, constructie en afmetingen ondergeschikt is aan het hoofdgebouw; 1.5 aanduidingsgrens: de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft; 1.6 ander bouwwerk een bouwwerk, geen gebouw zijnde; 1.7 archeologische waarde de aan een gebied toegerekende waarde in verband met de kennis en de studie van de in dat gebied voorkomende overblijfselen van menselijke aanwezigheid of activiteit uit oude tijden; 1.8 bebouwing: één of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde; 1.9 bed-and-breakfast een voorziening gericht op het bieden van de mogelijkheid tot overnachting en het serveren van ontbijt, als toeristisch-recreatieve activiteit, ondergeschikt aan de betreffende bestemming, met een maximum

verblijfsduur van 6 weken. Onder een bed & breakfast-voorziening wordt niet verstaan overnachting, noodzakelijk in verband met het verrichten van tijdelijke of seizoensgebonden werkzaamheden en/of arbeid, zonder kookgelegenheid;

Bestemmingsplan “Polder Albrandswaard Zuidoost” Regels Vaststelling

3

1.10 bedrijfsmatige activiteiten het bedrijfsmatig verlenen van diensten - geen zakelijke dienstverlening of een seksinrichting zijnde en ambachtelijke bedrijvigheden, geheel of overwegend door middel van handwerk, voor zover deze behoren tot de milieucategorie 1 of 2, zoals bepaald in de Staat van bedrijfsactiviteiten (Bijlage 1), waarbij de aard (qua milieuplanologische hinder) en omvang van de bedrijfsactiviteiten in een woning kunnen worden uitgeoefend en de activiteiten geen onevenredige afbreuk doen aan het woon- en leefmilieu in de directe omgeving; 1.11 begane grond de eerste bouwlaag van een gebouw; 1.12 beroepsmatige activiteiten een beroep, of het beroepsmatig verlenen van diensten op administratief, juridisch, medisch, therapeutisch, kunstzinnig, ontwerptechnisch of hiermee gelijk te stellen gebied, dat door zijn beperkte omvang in een woning en daarbij behorende gebouwen, met behoud van de woonfunctie kan worden uitgeoefend; 1.13 bestaand: a. bij bouwwerken: een bouwwerk dat bestaat op het tijdstip van de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan danwel gebouwd is of kan worden krachtens een verleende vergunning voor het bouwen; b.

gebruik: het gebruik van de gronden en bouwwerken zoals krachtens een vergunning voor het gebruik is toegestaan op het tijdstip van de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan; daaronder valt niet het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan; 1.14 bestemmingsgrens: de grens van een bestemmingsvlak; 1.15 bestemmingsvlak: een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming; 1.16 bijgebouw een vrijstaand gebouw dat in functioneel opzicht en qua afmeting ondergeschikt is aan een op hetzelfde bouwperceel gelegen hoofdgebouw; 1.17 bouwen: het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats. 1.18 bouwgrens: de grens van een bouwvlak; 1.19 bouwlaag een doorlopend gedeelte van een gebouw dat door op gelijke of bij benadering gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen is begrensd, zulks met inbegrip van de begane grond en met uitsluiting van onderbouw, een ondergrondse of halfverdiepte parkeerlaag of een zolder;

Bestemmingsplan “Polder Albrandswaard Zuidoost” Regels Vaststelling

4

1.20 bouwperceel: een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten; 1.21 bouwperceelsgrens: een grens van een bouwperceel; 1.22 bouwvlak: een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn toegelaten; 1.23 bouwwerk: elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond; 1.24 detailhandel het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen het uitstallen ten verkoop, verkopen en/of leveren van goederen aan diegenen die die goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit; 1.25 dienstverlening met detailhandel vergelijkbare activiteiten die gericht zijn op het verlenen van diensten aan of ten gerieve van particulieren, zoals kapsalons, reisbureaus en bankfilialen en daarmee naar de aard vergelijkbare vestigingen; 1.26 erfbebouwing uitbreiding woonruimte en of bijgebouwen al dan niet aangebouwd; 1.27 gebouw: elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt; 1.28 geluidsgevoelig object woningen, alsmede gebouwen en terreinen als bedoeld

in artikel 4, lid 2 en artikel 7, lid 3 van het "Besluit grenswaarden binnen zones langs wegen" zoals die gold ten tijde van het ter inzage leggen van het ontwerp plan; 1.29 gevoelig object object waar kinderen langdurig verblijven, zoals woningen, scholen, crèches en kinderdagverblijven; 1.30 hoofdgebouw een gebouw, dat op een bouwperceel door zijn constructie of afmetingen als het belangrijkste gebouw valt aan te merken; 1.31 horeca-activiteiten een bedrijf dat in zijn algemeenheid gericht is op het verstrekken van nachtverblijf, op het verstrekken en/of ter plaatse nuttigen van voedsel en/of dranken en/of het exploiteren van zaalaccommodatie. De volgende specifieke vormen worden onder horeca begrepen. Bij de begrippen is een klassenindeling aangegeven welke in hoofdschriften wordt gebezigd; Bestemmingsplan “Polder Albrandswaard Zuidoost” Regels Vaststelling

5

1. hotel: een bedrijf, dat in hoofdzaak bestaat uit het verstrekken van nachtverblijf en waarbij het verstrekken van voedsel en dranken (daaraan) ondergeschikt is; 2. restaurant: een bedrijf, dat in hoofdzaak bestaat uit het verstrekken van maaltijden voor gebruikt ter plaatse en waar het verstrekken van dranken (daaraan) ondergeschikt is; 3. dagzaak: een horecabedrijf, dat qua openingstijden vergelijkbaar is met detailhandelvestigingen, althans geen latere sluitingstijd dan 21.00 uur heeft, zoals een dagcafé, lunchroom, koffieshop en ijssalon; 4. cafetaria: een bedrijf dat in hoofdzaak bestaat uit het verstrekken van kleine eetwaren, niet zijnde maaltijden waarvan het sluitingsuur later dan 21.00 uur ligt; 5. cafés, bars, avond- en nachtgelegenheid: een horecabedrijf dat in hoofdzaak bestaat uit het verstrekken van dranken voor gebruik ter plaatse en het gelegenheid bieden voor dansen en waarvan het sluitingsuur later dan 21.00 uur ligt; 1.32 kantoor een gebouw of een gedeelte daarvan dat door zijn indeling en inrichting geschikt is om uitsluitend te worden gebruikt voor administratieve en daarmee gelijk te stellen werkzaamheden, al dan niet met een baliefunctie; praktijkruimten worden hieronder mede begrepen; 1.33 peil a. voor een bouwwerk op een perceel, waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst: de hoogte van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang; b.

voor een bouwwerk op een perceel, waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst: de hoogte van het terrein ter hoogte van die hoofdtoegang bij voltooiing van de bouw; 1.34 praktijkruimte een beroeps- of bedrijfsmatige werkruimte voor beoefenaren van vrije (aan huis gebonden) beroepen, zoals medische, para-medische, administratieve en daarmee vergelijkbare beroepen, zulks met uitzondering van seksinrichtingen; 1.35 productiegebonden detailhandel detailhandel in goederen die ter plaatse worden vervaardigd, gerepareerd en/of toegepast in het productieproces, waarbij de detailhandelsfunctie ondergeschikt is aan de productiefunctie; 1.36 straatmeubilair bouwwerken ten behoeve van al dan niet openbare (nuts-)voorzieningen, zoals: a. verkeersgeleiders, verkeersborden, lichtmasten, zitbanken en bloembakken; b. telefooncellen, abri's, kunstwerken, speeltoestellen en draagconstructies voor reclame; c. kleinschalige bouwwerken ten behoeve van (openbare) nutsvoorzieningen met een inhoud van ten hoogste 50 m3 en een hoogte van ten hoogste 3 m, waaronder begrepen voorzieningen ten behoeve van telecommunicatie, energievoorziening en brandkranen; d.

afvalinzamelsystemen; 1.37 uitbouw een aan een hoofdgebouw gebouwd gebouw, dat door zijn constructie of afmetingen ondergeschikt is aan dat hoofdgebouw, dat een vergroting van de bestaande ruimte in dat hoofdgebouw is en direct daarmee in open verbinding staat; Bestemmingsplan “Polder Albrandswaard Zuidoost” Regels Vaststelling

6

1.38 voorgevel de gevel van het hoofdgebouw die door zijn aard, functie, constructie dan wel gelet op uitstraling ervan als belangrijkste gevel kan worden aangemerkt;

1.39 Wet geluidhinder de Wet geluidhinder zoals die gold ten tijde van het ter inzage leggen van het ontwerp plan; 1.40 woning een complex van ruimten, uitsluitend bedoeld voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden.

Bestemmingsplan “Polder Albrandswaard Zuidoost” Regels Vaststelling

7

Artikel 2

Wijze van meten

Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten: 2.1 bedrijfsvloeroppervlakte wordt gemeten binnenwerks, met dien verstande, dat de totale vloeroppervlakte van de bouwlagen ten dienste van kantoren, winkels of bedrijven, met inbegrip van de daarbij behorende magazijnen en overige dienstruimten wordt opgeteld; 2.2 bouwhoogte van een bouwwerk: vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen. 2.3 dakhelling: langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak. 2.4 goothoogte van een bouwwerk: vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel. 2.5 de hoogte eerste bouwlaag wordt gemeten 0,25 m boven de vloer van de eerste verdieping van de woning. 2.6 hoogte van een windturbine: vanaf het peil tot aan de (wieken)as van de windturbine. 2.7 inhoud van een bouwwerk: tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen.

2.8 oppervlakte van een bouwwerk: tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk. 2.9 verkoopvloeroppervlak wordt gemeten binnenwerks met dien verstande, dat de totale vloeroppervlakte van ruimten welke rechtstreeks ten dienste staan van de detailhandelsactiviteiten en voor publiek toegankelijk zijn wordt opgeteld (kantoren, magazijnen en overige dienstruimten worden hieronder niet begrepen).

Bestemmingsplan “Polder Albrandswaard Zuidoost” Regels Vaststelling

8

Hoofdstuk 2 BESTEMMINGSREGELS Artikel 3 Tuin 3.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Tuin’ aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. tuinen; b. water; c. parkeren op eigen erf. 3.2 Bouwregels Op de in lid 3.1 bedoelde gronden mogen uitsluitend bouwwerken ten dienste van de bestemming worden gebouwd, met dien verstande, dat: a. gebouwen uitsluitend binnen het bouwvlak mogen worden gesitueerd; b. binnen het bouwvlak uitsluitend 1 schuur, al dan niet met overkapping, met een maximale oppervlakte van 242 m2 en een hoogte van 3 m mag worden gerealiseerd; c. voor het overige uitsluitend overige bouwwerken ten dienste van de bestemming mogen worden gebouwd waarvan de bouwhoogte niet meer mag bedragen dan 1 m. 3.3 Afwijken van de bouwregels Burgemeester en wethouders kunnen bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 3.2 binnen de bestemming voor het bouwen van overige bouwwerken met een bouwhoogte van maximaal 3 m, mits: a. geen aantasting plaatsvindt van de gewenste stedenbouwkundige structuur; b. het bouwplan geen afbreuk doet aan de belangen van omwonenden (bezonning, privacy).

Bestemmingsplan “Polder Albrandswaard Zuidoost” Regels Vaststelling

9

Artikel 4

Verkeer - Verblijfsgebied

4.1

Bestemmingsomschrijving

4.2

Bouwregels

Bestemmingsplan “Polder Albrandswaard Zuidoost” Regels Vaststelling

10

Artikel 5

Water

5.1 Bestemmingsomschrijving De voor Water aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. water; b. waterberging en waterhuishouding; c. extensief recreatief medegebruik; d. duikers; e. groenvoorzieningen; f. steigers; g. bruggen. 5.2 Bouwregels Op de in lid 5.1 bedoelde gronden mogen uitsluitend overige bouwwerken ten dienste van de bestemming mogen worden gebouwd tot een bouwhoogte van 5 m.

Bestemmingsplan “Polder Albrandswaard Zuidoost” Regels Vaststelling

11

Artikel 6 6.1

Wonen – 1

Bestemmingsomschrijving

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.albrandswaard.nl/api/v1/meetings/3409/documents/27450