47. Raadsinformatiebrief 2025-016734 inzake handhavings- en vergunningenbeleidsplan Omgevingswet.pdf
Tekst van het document
Raadsinformatiebrief
De gemeenteraad van Albrandswaard Uw brief van:
Ons kenmerk:
Uw kenmerk: Bijlage(n):
2
2025-016734
Contact:
R. de Wolff
Doorkiesnummer:
+31 105061785
E-mailadres:
r.d.wolff@albrandswaard.nl
Datum:
25 maart 2025
Betreft: Het goedkeuren van het 'Vergunningenbeleidsplan Omgevingswet/BRIKS-taken 2024-2028' en het 'Handhavingsbeleidsplan Omgevingswet/BRIKS-taken 2024-2028' voor de gemeente Albrandswaard, inclusief de bijlagen.
Geachte raadsleden, Inleiding De gemeente Albrandswaard hecht veel waarde aan de kwaliteit van de leefomgeving en bewaakt deze via vergunningverlening en toezicht & handhaving. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet op 1 januari 2024 zijn verschillende vergunningstelsels geïntegreerd. Het college van B&W is verplicht beleid op te stellen voor de uitvoering en handhaving van deze taken, wat wordt ingevuld met het nieuwe vergunningen- en handhavingsbeleid. Dit sluit aan op de eerder vastgestelde “Verordening uitvoering en handhaving (omgevingsrecht) Albrandswaard 2022”. Kernboodschap De beleidsstukken bieden een kader voor vergunningverlening en toezicht & handhaving op de BRIKS-taken (Bouwen, Ruimtelijke ordening, Inritten, Kappen en Slopen) binnen het Omgevingsrecht. Het beleid zorgt voor een transparante, eenduidige en integrale aanpak van VTH-taken en inzet van middelen. Toelichting Het beleid heeft als doel om planmatig en gestructureerd uitvoering te geven aan vergunningverlening en handhaving, waarbij rekening wordt gehouden met maatschappelijke en wettelijke ontwikkelingen, zoals: - De groeiende vraag naar woningbouw, zowel inbreiding als uitbreiding. -
Toegenomen aandacht voor duurzaamheid (BENG-regels, energielabelplicht).
-
Veranderende verhoudingen tussen overheid, burgers en bedrijven (participatie).
Daarnaast wordt voldaan aan de nieuwe landelijke kwaliteitscriteria 3.0 voor VTH-medewerkers, die vanaf 1 januari 2025 gelden. Jaarplan 2025 Conform de wettelijke verplichting onder het Omgevingsrecht wordt de raad geïnformeerd over de uitvoering van VTH-taken. In het eerste kwartaal van 2025 zal daarom een uitvoeringsprogramma (jaarplan) worden aangeboden. Dit jaarplan geeft inzicht in de specifieke taken en werkzaamheden die in 2025 worden uitgevoerd en waar de prioriteiten liggen. Hiermee wordt voldaan aan de rapportageplicht en wordt de raad in staat gesteld om toezicht te houden op de uitvoering van het VTH-beleid.
Stationsstraat 4 – 3161 KP Rhoon - Postbus 1000 - 3160 GA Rhoon - T (010) 506 11 11 - E info@albrandswaard.nl
Vervolg en evaluatie Jaarlijks wordt gerapporteerd over de uitvoering van het vastgestelde uitvoeringsprogramma in een jaarverslag. Daarbij wordt geëvalueerd of: De voorgenomen activiteiten uit het uitvoeringsprogramma zijn uitgevoerd en de jaardoelen zijn behaald. De uitvoering van deze activiteiten heeft bijgedragen aan de beleidsdoelen.
De evaluatie aanleiding geeft om werkwijzen of het uitvoeringsprogramma aan te passen.
De resultaten aanleiding geven om het VTH-beleid te herzien.
Financiële informatie Vooralsnog zijn er geen aanvullende budgetten nodig buiten de bestaande middelen. Bijlagen 1. Het 'Vergunningenbeleidsplan Omgevingswet/BRIKS-taken 2025-2030 gemeente Albrandswaard’ inclusief bijlagen. 2. Het 'Handhavingsbeleidsplan Omgevingswet/BRIKS-taken 2025-2030 gemeente Albrandswaard’ inclusief bijlagen.
Met vriendelijke groet, het college van de gemeente Albrandswaard, de secretaris de burgemeester,
mr. drs. Florus van der Linden drs. Jolanda de Witte
Vergunningenbeleidsplan Omgevingswet/BRIKS-taken gemeente Albrandswaard 2024-2028
Vastgesteld door het college van burgemeester en wethouders van Albrandswaard op 25 maart 2025
Samenvatting Vergunningenbeleidsplan Omgevingswet/BRIKS-taken 2024-2028 De invoering van de Omgevingswet en de Wet kwaliteitsborging voor het bouwen (Wkb) vormen de directe aanleiding voor het herzien van het Vergunningenbeleidsplan gemeente Albrandswaard. Dit beleid is aangepast aan de nieuwe wetgeving en maatschappelijke ontwikkelingen. Er is een duidelijke verschuiving zichtbaar van nieuwbouw aan de randen van gemeenten (uitbreiding) naar herontwikkeling van locaties binnen de bestaande bebouwde omgeving (inbreiding). Daarnaast groeit de aandacht voor duurzaamheid, onder andere door de BENG-regelgeving en de energielabelplicht. Ook de relatie tussen burgers, bedrijven en de overheid verandert, met een toenemende nadruk op participatie en samenwerking. Dit beleidsplan is als opvolger van het Vergunningenbeleidsplan 2019-2023 en vormt de basis voor vergunningverlening binnen de gemeente Albrandswaard. Het plan sluit aan bij de doelen van de Omgevingswet en biedt kaders voor de uitvoering van vergunningverleningstaken.
Vergunningverlening als instrument Vergunningverlening is een essentieel instrument om de leefomgeving veilig, duurzaam en leefbaar te houden. Initiatiefnemers willen graag bouwen of ontwikkelen, terwijl omwonenden en andere belanghebbenden willen dat hun belangen worden beschermd. Dit beleidsplan biedt duidelijkheid over hoe vergunningverlening plaatsvindt, op welke manier keuzes worden gemaakt en hoe de gemeente de kwaliteit van vergunningverlening borgt. Met dit beleidsplan wil de gemeente transparant zijn over haar aanpak en voldoen aan de wettelijke verplichtingen zoals vastgelegd in het Omgevingsbesluit. Daarnaast vormt dit beleid de basis voor het jaarlijks op te stellen VTH-jaarplan, waarin concrete uitvoeringsmaatregelen worden vastgelegd.
Vergunningenbeleidsplan en Jaarplan Strategisch Niveau:
Het Vergunningenbeleidsplan is een strategisch document dat de lange termijnvisie, doelstellingen en kaders vaststelt voor vergunningverlening. Het legt de basis voor hoe de gemeente haar wettelijke taken en verantwoordelijkheden uitvoert.
Beleidskaders en Prioriteiten:
Het beleid beschrijft de prioriteiten op basis van risicoanalyse, maatschappelijke ontwikkelingen en bestuurlijke keuzes. Er wordt ingezet op thema’s zoals veiligheid, duurzaamheid en gebruiksgemak voor burgers en bedrijven.
Richtinggevend:
Het beleidsplan biedt een kader voor de uitvoerende activiteiten. Het bepaalt de hoofdlijnen zonder in detail te treden over specifieke acties.
Jaarplan Operationeel Niveau:
Het jaarplan is een operationeel document met concrete actieplannen voor de korte termijn. Het vertaalt de strategische doelstellingen van het Vergunningenbeleidsplan naar uitvoerbare maatregelen.
Concretisering van Acties:
Het programma specificeert welke activiteiten worden uitgevoerd, wanneer deze plaatsvinden en wie verantwoordelijk is. Planningen, taakstellingen en verantwoordelijkheden worden in het jaarplan vastgelegd.
Monitoring en Evaluatie:
Het jaarplan bevat mechanismen om de voortgang en effectiviteit van vergunningverlening te beoordelen. Hierdoor kan er tijdig worden bijgestuurd waar nodig, op basis van meetbare indicatoren.
Relatie Tussen Beleid en Uitvoering:
Afstemming: Het Vergunningenbeleidsplan vormt de basis voor het jaarplan. Het strategische beleid bepaalt de richting, terwijl het jaarplan de praktische uitvoering regelt. Continuïteit: Het jaarplan wordt jaarlijks vastgesteld en sluit direct aan op de strategische doelstellingen. Dynamiek: Het beleidsplan is voor meerdere jaren vastgesteld, terwijl het jaarplan flexibel wordt aangepast aan veranderende omstandigheden.
Na vaststelling van dit beleidsplan zal het college van burgemeester en wethouders van Albrandswaard jaarlijks een jaarplan vaststellen. Het eerste jaarplan wordt eind 2024 aangeboden.
Concrete Doelen 1. Vergunningverlening als sturingsinstrument: o Vergunningverlening draagt bij aan een veilige, duurzame en kwalitatieve leefomgeving. o Er wordt gestreefd naar een efficiënte en klantgerichte dienstverlening. 2. Verbeteren van het vergunningverleningsproces: o Digitalisering en optimalisatie van werkprocessen. o Gebruik van moderne systemen zoals Rx.Mission voor monitoring en analyse. 3. Risicogericht toetsen: o Prioritering op basis van risicoanalyse, met focus op veiligheid en gezondheid. o Extra aandacht voor complexe dossiers zoals afwijkingen van het Omgevingsplan. 4. Samenwerking en transparantie: o Versterking van samenwerking met ketenpartners zoals DCMR, de Veiligheidsregio en waterschappen. o Open communicatie en informatie-uitwisseling met burgers en bedrijven. 5. Kwaliteitsborging: o Implementatie van de vernieuwde kwaliteitscriteria (Kwaliteitscriteria 3.0) per 1 januari 2025. o Continue verbetering van werkprocessen via evaluaties en audits.
Conclusie Dit Vergunningenbeleidsplan 2024-2028 biedt een toekomstbestendig kader voor een efficiënte en kwalitatieve uitvoering van vergunningverlening. Door de combinatie van strategische beleidsdoelen en operationele uitvoeringsmaatregelen wordt vergunningverlening effectief ingezet als instrument voor een veilige en duurzame leefomgeving in Albrandswaard.
Inhoudsopgave Samenvatting Vergunningenbeleidsplan Omgevingswet/BRIKS-taken 20242028 ................................................................................................................................... 2 Vergunningenbeleidsplan en Jaarplan ........................................................................ 2 Jaarplan ............................................................................................................................ 3 Concrete Doelen .............................................................................................................. 4 Conclusie .......................................................................................................................... 4 Inleiding ................................................................................................................................. 9 Hfst. 1 Doel van dit beleid ......................................................................................... 10 1.1. Inleiding ......................................................................................................................... 10 1.2. Beleidsintegratie en monitoring ............................................................................... 10 1.3. Een klantgerichte uitvoering ..................................................................................... 10 1.4.
Robuuste uitvoering van vth-taken.......................................................................... 11 1.5. Onze omgeving ............................................................................................................ 11 Hfst. 2 Kwaliteitssysteem ......................................................................................... 13 2.1. Inleiding ........................................................................................................................ 13 2.2. Kwaliteitssysteem BIG-8 uitgelegd ......................................................................... 13 Hfst. 3 Strategie en borging ..................................................................................... 15 3.1. Inleiding ........................................................................................................................ 15 3.2. Interne kwaliteitsborging .......................................................................................... 15 3.2.1. Een vertegenwoordiger....................................................................................... 15 3.2.2. Kwaliteitsbeleid en doelstellingen.................................................................... 15 3.2.3. Kwaliteitsprogramma/kalender met vaste meet- en bijstuurmomenten.. 15 3.2.4. Werkwijze voor het registreren en managen van verbeterpunten............. 16 3.2.5.
Interne audits op de procedure en de producten........................................... 16 3.2.6. Meten en sturen op klanttevredenheid ............................................................ 16 3.2.7. Klachtenprocedure .............................................................................................. 16 3.2.8. Risico’s, maatregelen en meetpunten per type werkproces ....................... 16 3.2.9. Protocollen ........................................................................................................... 17 3.2.10. Standaarden voor Omgevingsdossiers .......................................................... 17 3.3. Organisatorische condities ....................................................................................... 17 3.3.1. Scheiding tussen Omgevingsoverleg en vergunningverlening .................... 17 3.3.2. Scheiding tussen vergunningverlening en handhaving ................................ 18 3.3.3. Documentatie op persoonsniveau .................................................................... 18
3.3.4. Regelingen voor extern beleggen van vergunnings-, toezicht- en handhavingstaken ......................................................................................................... 18 3.3.5. Een bereikbaarheid- en beschikbaarheidsregeling ...................................... 18 3.3.6. Het borgen van persoonlijke onafhankelijkheid/integriteit .......................... 18 3.3.7. Beschikbare voorzieningen ............................................................................... 19 3.4. Inhoudelijke en procesmatige afstemming optimaliseren (intern en met ketenpartners). .................................................................................................................. 19 3.5. Objectieve toetscriteria ............................................................................................. 19 3.5.1. Toetscriteria voor de bouwactiviteit op basis van het BBL ........................... 19 3.5.2. Objectieve toetscriteria voor activiteiten die in strijd zijn met het Omgevingsplan............................................................................................................... 20 3.5.2.1. Buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA) ............................................. 20 3.5.2.2 Wijzigen Omgevingsplan .................................................................................. 20 3.5.2.3.
Procedures BOPA............................................................................................. 21 3.5.2.4. Toetscriteria BOPA ........................................................................................... 21 3.5.3. Overige aandachtspunten bij omgevingsvergunningen ................................ 21 3.5.4. Bijzondere lokale omstandigheden in het kader van de Wet kwaliteitsborging voor het bouwen ............................................................................ 22 Hfst. 4 Organisatie ......................................................................................................... 23 4.1. Verantwoording van inzet, prestaties en resultaten ............................................. 23 4.2. Kwaliteitscriteria vergunningverlening, toezicht en handhaving ....................... 23 4.3. Interne en externe afstemming ............................................................................... 23 4.3.1. Afstemming vergunning-coördinator en casemanager ................................ 24 4.3.2. Afstemming tussen vergunningverlening en toezicht & handhaving ......... 24 4.3.3. Afstemming met overige relevante organisatieonderdelen ........................ 25 4.3.4.
Het maken van afspraken in het kader van bestuursovereenkomsten en regionale samenwerking.............................................................................................. 25 4.3.5. Bepalen bevoegd gezag in geval meervoudige aanvragen .......................... 25 4.3.6. Coördinatieregeling wateractiviteit .................................................................. 25 4.3.7. Advies of instemming bij enkelvoudige aanvraag. ........................................ 25 4.4. Uitvoering ondersteunende voorzieningen ............................................................ 26 4.5. Klantencontact binnen de afdeling Vergunningverlening intensiveren en borgen ................................................................................................................................. 26 4.6. Digitalisering en automatisering vergunningverleningsproces ......................... 27 4.7. Inhoudelijke en juridische kwaliteit van de vergunningen .................................. 27 4.8. Vastleggen capaciteit en financiële middelen in begroting................................. 27 4.8.1. Borging in de Planning en control cyclus ........................................................ 27
4.8.2. Financiële middelen en bijsturing .................................................................... 28 4.8.3. Opleidingsbudget................................................................................................. 28 Hfst. 5 Werkwijze ............................................................................................................ 29 5.1. Probleemanalyse vergunningverlening .................................................................. 29 5.2. Prioriteitenstelling en indicatoren ........................................................................... 29 5.2.1. Algemeen............................................................................................................... 29 5.3. Protocollen en werkinstructies ............................................................................... 30 5.4. Protocollen voor communicatie, informatiebeheer en informatie-uitwisseling .............................................................................................................................................. 31 5.4.1. De communicatie over vergunningsresultaten............................................... 31 5.4.2. De raadpleegbaarheid van ruimtelijke plannen en besluiten ...................... 31 5.4.3.
Het informatiebeheer van vergunningsresultaten en de informatieuitwisseling intern en met andere organisaties van vergunningsresultaten ..... 32 Hfst. 6 Uitvoering ........................................................................................................... 33 6.1. Jaarplan VTH ................................................................................................................ 33 6.2. Dagelijkse uitvoering en bijsturing .......................................................................... 33 6.2.1. Dashboard Rx-mission........................................................................................ 33 6.2.2. Gebruikersinformatie Rx-mission .................................................................... 34 6.3. Bijsturen op capaciteit ............................................................................................... 34 6.4. Bijsturen op financiën, leges en P&C cyclus ......................................................... 34 6.4.1. Voorjaarsnota ....................................................................................................... 34 6.4.2. Begroting .............................................................................................................. 34 6.4.3. Tussenrapportages ............................................................................................. 34 6.4.4.
Jaarrekening ........................................................................................................ 35 Hfst. 7 Monitoring ........................................................................................................... 36 7.1. Monitoring beleidsmatig kwaliteitssysteem ........................................................... 36 7.2. Indicatoren ................................................................................................................... 36 7.3. Risicobeheersing ........................................................................................................ 37 7.4. Urenindicatie ............................................................................................................... 37 Hfst. 8 Evaluatie .............................................................................................................. 38 8.1. Wijze van evaluatie Wet VTH en interbestuurlijk toezicht .................................... 38 8.2. Jaarverslag ................................................................................................................. 38 8.3. Borging evaluatie doelen .......................................................................................... 38 8.4. Financiële evaluatie ................................................................................................... 42 Hfst.
9 Bestuurlijke beslispunten .......................................................................... 42
Bijlage 1: Toetsprotocol met toetsniveaus per hoofdstuk Bbl .............. 46 Bijlage 2: Bijzondere lokale omstandigheden in het kader van de Wet kwaliteitsborging voor het bouwen ...................................................................... 47 Bijlage 3: Schema reguliere afstemming overleggen in het kader van vergunningverlening ..................................................................................................... 50 Bijlage 4: Producten of afgeleide producten voor vergunningverlening ten behoeve van risicoanalyse .................................. 53 Bijlage 5: Doelen per beleidsveld en de indicatoren daarvan................ 56 Bijlage 6 Urenindicatie per bouwonderdeel per functionaris................. 58
Inleiding Het bestuur van de gemeente Albrandswaard hecht groot belang aan de kwaliteit van het woon-, werk- en leefklimaat. De kwaliteit van de fysieke leefomgeving wordt met diverse middelen bewaakt. Belangrijke instrumenten daarbij zijn vergunningverlening en toezicht & handhaving. Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet van kracht geworden. In de Omgevingswet zijn (eerdere) verschillende vergunningenstelsels geïntegreerd. De verschillende vergunningenstelsels kunnen betrekking hebben op de volgende (deel)aspecten. - bouwen - aanleggen van een werk - afwijkingen van het Omgevingsplan - brandveilig gebruik - slopen - aanpassingen aan of om monumenten - kappen - in- en uitritten - reclame - milieu belastende activiteiten. (Worden uitgevoerd door de milieudienst Rijnmond DCMR) Dit beleidsplan gaat over de taken uitgevoerd door de gemeente Albrandswaard de zogenaamde BRIKS-taken. Dat zijn alle aspecten hierboven benoemd met uitzondering van milieubelastende activiteiten, deze worden uitgevoerd door de milieudienst Rijnmond DCMR. De DCMR voert deze taken namens het college uit en stelt, in samenspraak met de deelnemende gemeenten, hiervoor eigen beleid op. Voor een goede en uniforme uitvoering van de doelen van de Omgevingswet door alle overheden zijn kwaliteitseisen gesteld voor de uitvoering van vergunningverlening, toezicht en handhaving (vth), de landelijke kwaliteitscriteria.
Deze landelijke kwaliteitscriteria voor vergunningverlening, toezicht en handhaving (VTH) zijn vernieuwd en gaan in op 1 januari 2025 (kwaliteitscriteria 3.0). Samengevat betekent dit dat er eisen worden gesteld aan het opleidingsniveau van de medewerkers. De kwaliteitseisen 3.0 evenals dit vergunningenbeleid en de handhavings- en toezichtstrategie van Albrandswaard zijn opgenomen in de “Verordening uitvoering en handhaving omgevingsrecht gemeente Albrandswaard”. Deze verordening ziet toe op de kwaliteitsborging van vth. In dit beleidsplan is rekening gehouden met andere relevante maatschappelijke veranderingen van de afgelopen jaren; De verschuiving van nieuwbouw van de randen van gemeenten (uitbreiding) naar herontwikkeling op centrumlocaties (inbreiding), Een steeds grotere bewustwording en nadruk op duurzaamheid (BENG-regelgeving en energielabelplicht) en ten slotte de veranderende verhouding tussen burgers, bedrijven en de overheid (participatie). Dit vergunningenbeleidsplan is als opvolger van het vergunningenbeleidsplan 2019-2023 aangepast aan de eisen uit de Omgevingswet en de organisatorische en maatschappelijke veranderingen. Doel is om planmatig en op een gestructureerde manier invulling te geven aan vergunningenverlening. Onderhavig beleidsplan geeft daar invulling aan.
Beide beleidstukken zijn de belangrijkste basis voor het jaarlijks op te stellen uitvoeringsprogramma.
Hfst. 1 Doel van dit beleid 1.1. Inleiding De gemeente staat voor een veilige, sociale, leefbare en fysieke leefomgeving. De VTH-taken zijn daarin de spil tussen ambitie en beleid enerzijds, en realisatie anderzijds. Voor het bereiken van een veilige, sociale en fysieke woon- en leefomgeving is onze missie drievoudig: Beleidsintegratie en monitoring. Een klantgerichte vth uitvoering. Robuuste uitvoering vth-taken. Het doel dat daarbij hoort is: “Een hoge omgevingskwaliteit waarin het goed leven is”
1.2. Beleidsintegratie en monitoring Door de inwerkingtreding van de Omgevingswet is het lokale en landelijke kader veranderd. Wetten en verordeningen waarop de uitvoering van de taken is gebaseerd of waaraan wordt getoetst zijn veranderd. Dit vergt tijd, inzet en aanpassingen in werkwijzen en besluitvorming. De komende periode tot 2030 richt VTH zich op: Bijdragen aan het afstemmen, integreren en monitoren van de uitvoerbaarheid van het lokale beleidskader zoals de Omgevingsvisie en onderliggende omgevingsdocumenten, het Omgevingsplan en het bijbehorende uitvoeringsbeleid voor de VTH-werkzaamheden. Anticiperen op de trapsgewijze invoering van de Wet kwaliteitsborging voor het bouwen. Inzetten op integraal toezicht op de fysieke leefomgeving. We zijn als overheid één loket voor burgers en bedrijven. Voor, door en samen met (keten)partners. Het permanent verbeteren van de kwaliteit van vth door monitoren en analyseren van de uitvoering volgens de methodiek gebaseerd op de “BIG-8”.
1.3. Een klantgerichte uitvoering We werken op basis van geïnformeerd vertrouwen. Geïnformeerd vertrouwen komt voort uit het goed vastleggen van processen en heldere afspraken, waarbij alle partijen een bewuste afweging kunnen maken op basis van een goede informatiepositie. Onze processen en communicatie zijn duidelijk. Klanten weten zowat ze kunnen verwachten en wat er van hen verwacht wordt. Dit betekent dat: Richting inwoners en bedrijven (aanvragers) we samenwerken met alle betrokken partijen op basis van wederzijds vertrouwen. we duidelijke afspraken maken en meedenken met inwoners en bedrijven. aanvragers weten welke procedureopties er zijn en welke voorwaarden, eisen en kosten hieraan zijn verbonden. aanvragers weten wie hun contactpersoon is, die hun aanvraag of procedure behandelt. aanvragers online de status van hun aanvraag kunnen volgen. we nauw samenwerken met alle betrokken partijen, door openheid te geven en mogelijke risico’s zo snel mogelijk te delen. we verbeterpunten in het betalingsproces van leges voor vergunningen, zoals direct digitaal betalen bij aanvraag onderzoeken.
Richting management, bestuur er realtime inzicht is in de totale werkvoorraad, bezetting en wettelijke of afgesproken termijnen voor processen. Richting uitvoerend personeel er realtime monitoring door het management plaatsvindt van de totale werkvoorraad en werkdruk, zodat tijdig kan worden bijgestuurd op capaciteit. de uitvoering van de VTH-taken (primaire taken en advisering) aansluit op de minimale eisen uit de kwaliteitscriteria. er sprake is van transparante en heldere in- en externe werkafspraken en termijnen voor advisering. Richting uitvoeringspartners partners weten wie hun contactpersoon is, die hun aanvraag of procedure behandelt. partners online de status van de aanvraag advisering kunnen volgen en behandelen. we nauw samenwerken met partners, door openheid te geven en mogelijke risico’s zo snel mogelijk te delen. we partners tijdig informeren over verwachtingen en te leveren producten. we partners kunnen aanspreken op tijdigheid en kwaliteit.
1.4. Robuuste uitvoering van vth-taken Wij hebben de “Verordening uitvoering en handhaving omgevingsrecht gemeente Albrandswaard” vastgesteld. Hierin is opgenomen welke eisen wij stellen aan de uitvoering. In het jaarverslag geven we aan of we voldoen aan de kwaliteitscriteria en zo niet, een motivatie waarom wij daarvan afwijken. In dit beleidsplan stellen we kaders en ambities om aan de eisen uit de verordening te voldoen. Dit komt neer op het volgende: De gemeente heeft vigerend VTH-beleid voor haar uitvoeringstaken; De gemeente stelt jaarlijks een uitvoeringsprogramma vast om ambities en benodigde capaciteit (bij) te stellen op basis van het beleid De gemeente stelt jaarlijks een jaarverslag vast en evalueert en rapporteert daarin of aan de benodigde capaciteit, ambities en doelen is voldaan. De gemeente rapporteert over het tijdig vaststellen van deze beleidsstukken aan PZH in het kader van interbestuurlijk toezicht op het gebied ‘Omgevingsrecht’
1.5. Onze omgeving Waar staan we voor?
Voor wie zijn we er?
Wat leveren wij?
Hoe werken wij?
Wij voor een veilige, sociale en fysieke woonen leefomgeving in de gemeente Albrandswaard
Primair voor de gemeenschap (burgers en bedrijven
sociale en fysieke veiligheid vergunningen Afdoen meldingen beleid adviezen voorlichting
transparant
Voor het bestuur (raad en college) Voor onze partners: -veiligheidsregio -provincie -waterschap -DCMR
toegankelijk betrouwbaar duidelijk deskundig eenduidig efficiënt inlevend en omgevingsgevoelig respectvol
samenwerkingsgericht Met brede blik
Hfst. 2 Kwaliteitssysteem 2.1. Inleiding De gemeente werkt met een kwaliteitssysteem gebaseerd op de ‘BIG-8’ om de kwaliteit van vergunningverlening permanent te verbeteren. De systematiek van BIG-8 ziet er als volgt uit:
2.2. Kwaliteitssysteem BIG-8 uitgelegd De kern van dit model is gebaseerd op het programmatisch handelen. De BIG-8 is ontworpen voor kwaliteitsmanagement bij de overheid. Het model maakt vanuit een strategisch kader de vertaling naar operationeel beleid, uitvoering en verantwoording. Het model borgt de kwaliteit met een sluitende planning- en control cyclus. Hieronder worden de 7 elementen van de BIG-8 toegelicht: Strategisch beleidskader Doelen, prioriteiten en meetbare doelstellingen worden voorgelegd aan het college en vastgelegd. Het “Vergunningenbeleidsplan Wabo 2024-2028 gemeente Albrandswaard” geeft hier invulling aan. Operationeel beleidskader De gestelde prioriteiten en doelen worden uitgewerkt in strategieën en objectieve criteria. Hierin wordt aangegeven met welke instrumenten en met welke personele en financiële capaciteit de gestelde doelen worden bereikt. Deze onderwerpen worden opgenomen in het jaarlijks vast te stellen “VTH Uitvoeringsprogramma”. Planning en control
In deze fase worden de bestuurlijk vastgestelde doelen en prioriteiten afgestemd met de inzet van voldoende personele en financiële capaciteit. De benodigde financiële en personele capaciteit wordt in de begroting geborgd en er worden organisatorisch voorwaarden gesteld om de werkzaamheden uit te voeren. In het “VTH Uitvoeringsprogramma” worden de concrete activiteiten op het gebied van vergunningverlening vermeld. Voorbereiden De werkzaamheden worden vastgelegd in uitgeschreven processen, werkwijzen en toetsprotocollen. Hierin is vermeld op welke wijze uitvoering wordt gegeven aan de vastgestelde strategische en operationele beleidskaders en zijn onderdeel van dit beleidsplan. Uitvoering De werkzaamheden worden conform de beleidskaders (programmatisch) uitgevoerd. Met behulp van een geautomatiseerd systeem (Rx-mission) worden aanvragen procesmatig behandeld. Uit het systeem kan ook managementinformatie worden gegenereerd. Monitoring Operationele en/of strategische beleidskader kunnen vanwege bijvoorbeeld aanpassingen in wet- en regelgeving of grote fluctuaties in het aantal aanvragen of handhavingsmeldingen worden bijgestuurd. De benodigde relevante gegevens van het proces van vergunningverlening worden daarvoor gemonitord. Monitoring is doorlopend en waar mogelijk realtime.
Rapportage en evaluatie In deze stap van de cyclus worden de resultaten en veranderingen op het gebied van vergunningverlening weergegeven en geëvalueerd. De analyse bestaat onder meer uit onderzoek naar de consequenties van bijvoorbeeld wijzigingen in het beleid, veranderingen in het takenpakket of wijzigingen in wetgeving. In het voorjaar wordt een ‘’VTH-jaarverslag’’ (inclusief evaluatie) aan het college aangeboden van het voorgaande jaar.
Hfst. 3 Strategie en borging 3.1. Inleiding Op basis van de kwaliteitscriteria moet het bevoegd gezag voor het beoordelen van en het beslissen over een aanvraag voor een omgevingsvergunning handelen volgens een vastgelegde strategie. Het bevoegd gezag handelt op grond van een systematiek van interne borging (beschrijving, toetsing, verbetering) van de wijze waarop de werkzaamheden beheerst worden uitgevoerd.
3.2. Interne kwaliteitsborging De systematiek kent de volgende elementen: 1. Een vertegenwoordiger 2. Kwaliteitsbeleid en doelstellingen 3. Kwaliteitsprogramma/kalender met vaste meet- en bijstuurmomenten 4. Werkwijze voor het registreren en managen van verbeterpunten 5. Interne audits op de procedure en de producten 6. meten en sturen op klanttevredenheid 7. klachtenprocedure 8. risico’s, maatregelen en meetpunten per type werkproces 9. protocollen 10. standaarden voor Omgevingsdossiers
3.2.1. Een vertegenwoordiger Een lid van het management is aangesteld als vertegenwoordiger verantwoordelijk voor het ontwikkelen en in stand houden van het kwaliteitssysteem en het rapporteren over de werking. Het betreft alleen de verantwoordelijkheid van het proces en niet de inhoud. De vertegenwoordiger heeft hiervoor de nodige bevoegdheden. Het domein Ruimte is verantwoordelijk voor de taken, zoals die zijn aangegeven in hoofdstuk 3 van dit vergunningenbeleidsplan. De clustermanager is de vertegenwoordiger die eindverantwoordelijk is voor het kwaliteitssysteem en de rapportage. 3.2.2. Kwaliteitsbeleid en doelstellingen Het bevoegd gezag draagt zorg voor de uitvoering van een kwaliteitsbeleid, dat past bij de gewenste kwaliteit van de bedrijfsgebonden omgevingstaken. Het beleid beschrijft de gewenste focus, die wordt geconcretiseerd in specifieke doelstellingen. Het is gericht op het continu verbeteren van de effectiviteit van het kwaliteitssysteem en wordt jaarlijks, op basis van een directiebeoordeling, geëvalueerd en zo nodig bijgesteld. 3.2.3. Kwaliteitsprogramma/kalender met vaste meet- en bijstuurmomenten Het bevoegd gezag stelt jaarlijks een uitvoeringsprogramma vast, waarin wordt aangegeven hoe invulling wordt gegeven aan haar beleid en de doelstellingen. Voor het opstellen en bewaken van het plan maakt zij gebruik van de planning en control cyclus.
In de programmabegroting is een paragraaf opgenomen over risico-inventarisatie en weerstandsvermogen. Meerdere keren per jaar is er de mogelijkheid om de begroting aan te
passen wanneer een kwaliteitsverhoging kan of moet worden gehaald. Met de verschillende jaarverslagen en jaarprogramma’s op het gebied van vergunningverlening en de diverse auditing- en vergelijkingsinstrumenten, is er een voldoende brede basis en zijn er voldoende bijstuur- en verbetermomenten ingebouwd in de cyclus van planning en control. 3.2.4. Werkwijze voor het registreren en managen van verbeterpunten Het bevoegd gezag hanteert verbetermechanismen waarmee bijstelling van procesbeschrijvingen mogelijk wordt gemaakt. Er is een jaarlijkse cyclus van programmering: uitvoeringsprogramma, uitvoering en evaluatie: jaarverslag. Inventariseren van verbeterpunten en de doorvoering hiervan zijn voortdurende aandachtspunten. 3.2.5. Interne audits op de procedure en de producten Het bevoegd gezag beschikt over een gedocumenteerde procedure voor het uitvoeren van interne kwaliteitsaudits, de minimale audit frequentie is vastgesteld op eens per 4 jaar; Eens per vier jaar wordt een kwaliteitsaudit gehouden. In Albrandswaard zijn mensen en middelen beschikbaar om dit soort audits te ondersteunen. De informatie en gegevens die vanuit de jaarlijkse monitoring (zie hoofdstuk 7) worden verkregen, worden in de jaarverslagen vermeld. In de jaarverslagen worden de gegevens geëvalueerd en geanalyseerd.
In opvolgende jaren wordt de informatie van voorgaande jaren meegenomen om de uitkomsten aan elkaar te spiegelen. Zo kunnen leerpunten, trends en knelpunten worden bepaald met het doel verbeteringen door te voeren. Ook klanttevredenheidonderzoeken geven een indruk van de kwaliteit van de uitvoering van de werkzaamheden. De financiële rechtmatigheid van de verleende vergunningen wordt jaarlijks getoetst door de accountant. 3.2.6. Meten en sturen op klanttevredenheid Klanttevredenheid wordt periodiek gemeten en het bevoegd gezag neemt de resultaten ervan mee in de uitvoering van het proces. Binnen de gemeente worden regelmatig klanttevredenheidsonderzoeken gehouden. De uitkomsten/verbeterpunten worden meegenomen in de beleidscyclus. 3.2.7. Klachtenprocedure Het bevoegd gezag draagt aanvullend op de algemene klachtenregeling op grond van de Awb zorg voor het ontvangen, vastleggen en afhandelen van interne en externe klachten over de kwaliteit van de uitvoering van omgevingstaken voor het identificeren van verbeterpunten. De klachten worden afgehandeld volgens de wettelijke bepalingen van de Algemene wet bestuursrecht. Binnen de gemeente is een klachtenprocedure en een klachtencoördinator aanwezig. 3.2.8.
Risico’s, maatregelen en meetpunten per type werkproces Het bevoegd gezag brengt per type werkproces de belangrijkste risico’s in beeld (tijdigheid, kosten, juridische kwaliteit) en bijbehorende maatregelen, op vaste momenten in het proces.
Jaarlijks worden de risico’s geanalyseerd en deze worden meegenomen in de procesoptimalisatie. 3.2.9. Protocollen In de administratieve organisatie zijn procesbeschrijvingen en toetsprotocollen vastgelegd. Deze protocollen zijn in de bijlagen van dit beleidsplan nader uitgewerkt en beschreven. 3.2.10. Standaarden voor Omgevingsdossiers In aanvulling op de archiefwet geldt voor elke beoordeling dat een projectdossier dient te worden bijgehouden: alle documenten die op de beoordeling betrekking hebben moeten hierin worden opgeslagen. De informatie wordt opgenomen in vergunningsdossiers, inclusief de brieven die over de zaak worden verzonden en vervolgens vastgelegd in de diverse digitale systemen. De VTHprocessen zijn vastgelegd in het systeem Rx-mission. Deze inrichting is gebaseerd op de onder punt 9 genoemde protocollen en werkwijzen. Dit maakt het mogelijk dat alle documenten van een bepaald dossier, van initiatieffase tot uiteindelijke vergunning en bezwaar/beroepsfase, in het gewenste “Omgevingsdossier” worden opgeslagen.
3.3. Organisatorische condities Eén van de kwaliteitseisen houdt in dat het bevoegd gezag organisatorische condities moet scheppen om de gestelde doelen te bereiken. De organisatorische condities zijn vooral van toepassing op het cluster Leefomgeving. Dezelfde organisatorische condities gelden voor de DCMR en de VRR die namens het bevoegd gezag (college) werkzaamheden uitvoeren. De organisatorische condities omvatten: 1. een scheiding tussen Omgevingsoverleg en vergunningverlening 2. een scheiding tussen vergunningverlening en handhaving 3. documentatie op persoonsniveau 4. regelingen voor het extern beleggen van vergunnings-, toezicht- en handhavingstaken 5. een bereikbaarheid- en beschikbaarheidsregeling 6. het borgen van persoonlijke onafhankelijkheid/integriteit: 7. beschikbare voorzieningen 3.3.1. Scheiding tussen Omgevingsoverleg en vergunningverlening Het is belangrijk dat de klant een vast aanspreekpunt heeft gedurende het gehele vergunningentraject (Omgevingsoverleg en aanvraagfase). De casemanager of vergunningcoördinator is dit aanspreekpunt. Zij regisseren de aanvraag en de vergunning vanaf het moment van het indienen van het eerste schetsplan tot aan de uiteindelijke afgifte van de vergunning. Zij vragen andere vakdisciplines om adviezen over volledigheid en de inhoud van de ingediende stukken en bewaken de voortgang in het gehele traject.
Zo weet de klant altijd bij wie hij of zij terecht kan met vragen of voor adviezen. Tijdens het gehele vergunningenproces (inclusief het vooroverlegtraject) blijft één vergunning-coördinator echter verantwoordelijk voor de juridische toetsing van de (uiteindelijke) aanvraag. Er is dus altijd sprake van een scheiding tussen de inhoudelijke begeleiding van de (concept)aanvraag en de uiteindelijke toetsing aan wet- en regelgeving.
3.3.2. Scheiding tussen vergunningverlening en handhaving Binnen de gemeente wordt de scheiding tussen vergunningverlening en handhaving als volgt gerealiseerd: op object/dossierniveau (de persoon die het vergunningendossier heeft behandeld, verricht geen handhavingstaken in hetzelfde dossier); op persoonsniveau (een medewerker heeft niet tegelijkertijd zowel vergunningverlening als handhaving in zijn taakomschrijving). 3.3.3. Documentatie op persoonsniveau De teammanager maakt met de medewerkers afspraken over de uit te voeren taken/aandachtsvelden. Daarnaast wordt per medewerker bijgehouden welke opleidingen zijn gevolgd en welke opleidingen nog moeten worden gevolgd. In de kwaliteitscriteria zijn, naast procesmatige eisen, kwantitatieve eisen opgenomen over de minimale benodigde capaciteit om taken te kunnen uitvoeren. Aan de kritieke massa (minimaal aantal medewerkers per beleidsveld) wordt binnen de gemeente Albrandswaard niet voldaan. Voor de primaire taken voldoet de organisatie. Aandachtspunten zijn vooral zichtbaar in de adviserende rollen binnen het VTH-proces, zoals constructieve veiligheid, bouwfysica en erfgoed. Veel van deze taken worden uitgevoerd door medewerkers zonder interne vervanging. 3.3.4.
Regelingen voor extern beleggen van vergunnings-, toezicht- en handhavingstaken Het afhandelen van vergunningen en het uitvoeren van toezichtstaken op het terrein van milieu- en asbest zijn belegd bij DCMR. In het door DCMR opgestelde “VTHuitvoeringsplan”, zijn de VTH-kwaliteitseisen benoemd. Daarnaast zijn tussen DCMR en de gemeente werkafspraken gemaakt in de vorm van jaarplannen. De VRR behandelt meldingen voor brandveilig gebruik, advisering over brandveiligheidsaspecten bij bouwtechnische vergunningen en omgevingsveiligheid. Ook daar worden jaarlijks werkafspraken over gemaakt. Bij het uitbesteden is een criterium dat de organisatie die de uitbestede werkzaamheden uitvoert, moet voldoen aan de door de wet gestelde kwaliteitseisen. Dit is het geval. 3.3.5. Een bereikbaarheid- en beschikbaarheidsregeling Ook buiten kantooruren moeten burgers melding kunnen doen van incidenten of acute klachten over overtredingen kunnen uiten. Het klantcontactcentrum is 24 uur per dag bereikbaar voor klachten en meldingen. De uitvoering hiervan heeft de gemeente Albrandswaard geregeld bij de DCMR. De buiteninspecteurs worden door de dienstdoende medewerker van de wacht- en waakdienst op de hoogte gebracht van een eventuele klacht of een melding indien er sprake is van noodzakelijke aanwezigheid van een inspecteur.
De buiteninspecteur neemt de klacht of melding daarna direct in behandeling en onderneemt zo nodig actie. De buiteninspecteur neemt de communicatie met de klager/melder verder voor zijn rekening. 3.3.6. Het borgen van persoonlijke onafhankelijkheid/integriteit Medewerkers hebben een onafhankelijke positie ten opzichte van aanvragers van vergunningen. Wanneer er enige relatie buiten het werk om is met een aanvrager, zullen zij niet de behandeling van de aanvraag op zich nemen. De aanvraag wordt overgedragen naar een onafhankelijke collega.
Om te voorkomen dat andere belangen dan de wettelijke eisen en vastgestelde strategische en operationele beleidskaders domineren tijdens het proces van vergunningverlening, is de verantwoordelijkheid voor de realisatie van initiatieven (door de eigen organisatie) gescheiden van die voor vergunningverlening en casemanagement. Voor het borgen van persoonlijke integriteit wordt het vastgestelde integriteitsbeleid binnen de organisatie gevolgd. De medewerkers hebben op ambtseed verklaard zich integer te zullen gedragen in het uitoefenen van hun taak. 3.3.7. Beschikbare voorzieningen Het bevoegd gezag beschikt over kwalitatieve en kwantitatieve voorzieningen en hulpmiddelen die de taakuitvoering informatie technisch, vakinhoudelijk, technisch, juridisch en administratief mogelijk maken. Binnen de gemeente zijn adequate voorzieningen en hulpmiddelen aanwezig. Zie hoofdstuk 3.5. voor een nadere uitwerking van dit onderdeel.
3.4. Inhoudelijke en procesmatige afstemming optimaliseren (intern en met ketenpartners). De komst van de Omgevingswet heeft de noodzaak tot afstemming met ketenpartners en het voeren van regie met zich meegebracht. Immers de klant vraagt één vergunning aan, maar deze vergunningaanvraag kan diverse verschillende, veelal specialistische, activiteiten bevatten bij meerdere bevoegd gezagen. Om al deze activiteiten samen te brengen in één duidelijke en volledige Omgevingsvergunning zullen de diverse specialisten samenwerken, onderling hun adviezen afstemmen, eenduidig adviseren en op eenzelfde wijze adviseren waarbij ze bij voorkeur gebruik maken van hetzelfde systeem. Dit vraagt veel coördinatie. Samenwerking met adviespartners vindt plaats in alle vergunningenprocessen. Met de volgende adviespartijen zijn of worden afspraken gemaakt door de accounthouders: Commissie Ruimtelijke kwaliteit (CRK) Voorlichting en adviescommissie (VAC) Provincie Zuid-Holland (PZH) Gemeenschappelijke Gezondheidsdienst (GGD) Veiligheidsregio Rotterdam Rijnmond (VR-RR) Omgevingsdienst (DCMR) Waterschap Hollandse Delta (WSHD)
3.5. Objectieve toetscriteria De toetscriteria zijn veelal geregeld in wet- en regelgeving. Natuurlijk kan er weleens discussie ontstaan over de interpretatie van de wet- en regelgeving maar de beleidsvrijheid voor gemeenten voor bijvoorbeeld het onderdeel bouwen, is beperkt aanwezig. In twee gevallen is bij het bouwen gewenst dat de gemeente hier zelfstandig beleid voor formuleert: 1. Toetscriteria voor de bouwactiviteit op basis van het BBL en het Omgevingsplan 2. Objectieve criteria voor activiteiten die in strijd zijn met het Omgevingsplan
3.5.1. Toetscriteria voor de bouwactiviteit op basis van het BBL Een bouwplan moet voldoen aan de voorschriften van het BBL en het Omgevingsplan. Met betrekking tot het BBL is de vraag tot welk niveau de gemeente dit moet toetsen. Het BBL is dermate uitgebreid en complex dat ook de rijksoverheid heeft onderkend dat volledige toetsing, tot een diepgaand niveau, moeilijk uitvoerbaar is. De gemeente kan keuzes maken in de diepgang van toetsing.
Aangepaste toetsprotocollen bouwen in verband met de omgevingswet. De vereniging BWT Nederland heeft het toetsprotocol (LTB2012) ontwikkeld waarbij een door de inspectie geaccepteerd toetsniveau is vastgesteld. Dit toetsprotocol is per 1 januari 2024 aangepast aan het Besluit bouwwerken leefomgeving (LTB2024). De gemeente Albrandswaard neemt dit toetsprotocol over en is als; Bijlage 1; toetsprotocol met toetsniveaus per hoofdstuk Bbl, toegevoegd en wordt tegelijkertijd met dit beleidsplan vastgesteld. De risicomatrix bestaat uit een blad met een risicomatrix nieuwbouw (gebaseerd op hoofdstuk 4 Bbl) en een blad met een risicomatrix verbouw/gebruikswijziging (gebaseerd op hoofdstuk 5 Bbl). Uitzondering op gebied van brandpreventieve aspecten Een uitzondering ten opzichte van de landelijke toetsniveaus betreft de toetsing aan brandpreventieve aspecten. Dit aspect is dermate belangrijk dat toetsing zal plaatsvinden op het hoogste niveau (toetsniveau 4). Voor brandpreventieve toetsingen ligt het niveau dus hoger dan het landelijke niveau. De systematiek van de toetsprotocollen is gebaseerd op een analyse van de risico's aan de hand van de aard van de aanvragen omgevingsvergunning voor het bouwen. 3.5.2. Objectieve toetscriteria voor activiteiten die in strijd zijn met het Omgevingsplan.
Wanneer een initiatief strijdig is met het omgevingsplan, heeft de initiatiefnemer twee keuzes: 1. het aanvragen van een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (Bopa) of 2. het aanvragen van een wijziging van het omgevingsplan 3.5.2.1. Buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA) Bij de Bopa is in beginsel de reguliere procedure (titel 4.1 Awb) van toepassing, waarbij een beslistermijn geldt van 8 weken, plus eventueel 6 weken verlenging. In de gevallen dat het gaat om een activiteit die aanzienlijke gevolgen heeft voor de fysieke leefomgeving en in de gevallen waartegen naar verwachting verschillende belanghebbenden bedenkingen kunnen hebben, kan het college van B&W ervoor kiezen de uitgebreide (uniforme openbare voorbereidingsprocedure (afdeling 3.4 Awb)) van toepassing te verklaren. Het college van B&W zal bij de aanvraag moeten beoordelen of een initiatief leidt tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Een omgevingsvergunning kan daarnaast alleen verleend worden als wordt voldaan aan de beoordelingsregels van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Het college van B&W dient het vergunnen van een omgevingsplanactiviteit te motiveren.
Gedurende de overgangsfase geldt voor gefaseerde Bopa verlening dat in ieder geval sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties voor zover de activiteit niet in strijd is met een eerder verleende omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. 3.5.2.2 Wijzigen Omgevingsplan Naast een Bopa kan onder de Omgevingswet een aanvraag tot wijziging van het omgevingsplan worden ingediend. Bij een gewenste wijziging van regels in het tijdelijk deel van het omgevingsplan van rechtswege, zullen alle regels voor de betrokken locatie (ook de regels die op zichzelf niet gewijzigd hoeven te worden) opnieuw vastgesteld moeten worden in het nieuwe deel van het omgevingsplan. Daarnaast kan gebruik gemaakt worden van de zogenaamde "voorrangsbepalingen". Hiermee worden regels gesteld waarmee in afwijking van de regels uit het tijdelijke deel van het omgevingsplan, nieuwe bouw- of
gebruiksmogelijkheden worden geboden zonder dat alle regels voor de locatie vervallen. Het wijzigen van het omgevingsplan wordt uitgevoerd door de RO-adviseurs. VTH-medewerkers zijn hierbij betrokken als adviseur. 3.5.2.3. Procedures BOPA De procedure voor het aanvragen van een Bopa is eenvoudiger en sneller dan de aanvraag voor het wijzigen van het omgevingsplan. Immers, bij de Bopa geldt in principe de reguliere procedure en bij een omgevingsplanwijziging de uitgebreide procedure. De Bopa kan echter niet worden ingezet voor elk initiatief. Voor een Bopa is namelijk een concreet en afgebakend project vereist, waarmee eenmalig kan worden afgeweken van het omgevingsplan. Een Bopa kan dus niet worden gebruikt voor toekomstige, nog niet geconcretiseerde, (bouw)plannen. 3.5.2.4. Toetscriteria BOPA 1. Er is geen strijd met de beoordelingsregels uit de artikelen 8.0b en 8.0e van het Bkl. 2. Er moet sprake zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. 3. De omgevingsplanactiviteit heeft geen betrekking op een voorbeschermingsregel in het omgevingsplan. 4. De omgevingsplanactiviteit belemmert niet het uitvoeren van een project, waarvoor een projectbesluit is vastgesteld. 5. Voor het toelaten van de gewenste ontwikkeling hoeft de gemeente geen algemene regels voor andere locaties in het omgevingsplan wijzigen. 6.
Het bouwwerk is niet in strijd met het burenrecht en er is geen sprake is van een evidente privaatrechtelijke beperking; 7. Het bouwwerk voldoet aan redelijke eisen van welstand. 8. Het bouwwerk wordt niet gebouwd in een gebied waar blijkens het omgevingsplan of een advies van de stadsarcheoloog (indien archeologie niet is opgenomen in het omgevingsplan, geldt artikel 22 van de Erfgoedverordening) archeologische waarden worden verwacht én waar op grond van het omgevingsplan of het advies van de stadsarcheoloog, gelet op de oppervlakte dan wel de diepte van het bouwwerk, een archeologisch onderzoek vereist is waaruit blijkt dat ter plekke archeologische waarden aanwezig zijn en geen passende maatregelen kunnen worden getroffen om deze waarden veilig te stellen. 9. Er is geen strijdigheid met provinciale Omgevingsverordening (instructieregels). 3.5.3. Overige aandachtspunten bij omgevingsvergunningen Bij aanvragen omgevingsvergunningen zijn plaatselijke omstandigheden van belang bij de toetsing van een aanvraag Omgevingsvergunning. Te noemen zijn onder meer: omgevingsveiligheid, verkeersveiligheid, beschadiging van de weg of het straatmeubilair, aanvoerroutes bouwmaterialen, overlast, openbare orde belangen. Aangezien iedere situatie uniek is, zijn hier nauwelijks objectieve criteria voor te formuleren.
Iedere aanvraag wordt op dit soort aspecten beoordeeld door de specialisten op de diverse vakgebieden.
3.5.4. Bijzondere lokale omstandigheden in het kader van de Wet kwaliteitsborging voor het bouwen Onder de Wet kwaliteitsborging voor het bouwen (Wkb) toetst een onafhankelijke kwaliteitsborger de bouwplannen. De kwaliteitsborger moet actief nagaan of er bijzondere lokale omstandigheden zijn en er rekening mee houden. De kwaliteitsborger moet in de Externe link: risicobeoordeling rekening houden met bijzondere lokale omstandigheden als die er zijn. Dit staat in artikel 2.19, lid 2 van het Bbl. Het gaat om specifieke risico's of situaties waar een gemeente van op de hoogte is en de kwaliteitsborger misschien niet. En die de kwaliteitsborger redelijkerwijs niet kan bedenken of weten. Deze bijzonder lokale omstandigheden voor Albrandswaard zijn weergegeven in Bijlage 2: Bijzondere lokale omstandigheden in het kader van de Wet kwaliteitsborging voor het bouwen
Hfst. 4 Organisatie 4.1. Verantwoording van inzet, prestaties en resultaten Een criterium binnen het kwaliteitssysteem is dat het bevoegd gezag een systematiek ontwikkelt om intern en extern verantwoording af te leggen voor de werkzaamheden rond vergunningverlening en de resultaten en effecten hiervan. De verantwoording zal bestaan uit een jaarverslag waarin de gegevens en informatie vanuit de monitoring wordt verwerkt. In het jaarverslag worden analyses uitgevoerd en geëvalueerd. Op basis van de evaluatie wordt bepaald in hoeverre aandachtspunten of prioriteiten binnen het vakgebied moeten worden bijgesteld. Dit vertaalt zich naar het jaarlijks op te stellen “VTH Uitvoeringsprogramma”. Het jaarverslag wordt ter kennisneming naar de gemeenteraad gestuurd.
4.2. Kwaliteitscriteria vergunningverlening, toezicht en handhaving Afdeling 18.3 van de Omgevingswet biedt de grondslag voor de kwaliteitsbevordering van de uitvoering en handhaving. Er zijn regels over de kwaliteit van de uitvoering van de VTHtaken. Artikel 18.20 beschrijft een zorgplicht voor in principe alle VTH-taken van het bevoegd gezag. Het artikel laat open hoe bevoegd gezagen dit invullen. De gemeente Albrandswaard heeft in dit kader de Verordening uitvoering en handhaving (omgevingsrecht) Albrandswaard 2022 vastgesteld. De verordening ziet toe op de betrokkenheid van de raad. De afbakening van het VTH-beleid en de kwaliteitsdoelen. Op de uitvoering en handhaving van de betrokken wetten door of in opdracht van burgemeester en wethouders zijn de actuele kwaliteitscriteria van toepassing. Deze kwaliteitscriteria bestaan uit criteria voor kritieke massa, opleidingseisen, ervaring en competentieprofielen.
4.3. Interne en externe afstemming Op basis van de kwaliteitseisen moet het bevoegd gezag zorg dragen in de voorbereiding en uitvoering van haar vergunningstaken voor interne en externe afstemming voor alle procesfasen. De interne afstemming omvat ten minste: a. afstemming vergunning-coördinator en casemanager; b. afstemming tussen vergunningverlening en toezicht & handhaving; c. afstemming met overige relevante organisatieonderdelen. De externe afstemming omvat ten minste: d. afspraken in het kader van bestuursovereenkomsten en regionale samenwerking; e. bepalen bevoegd gezag in geval meervoudige aanvragen f. coördinatieregeling wateractiviteit g. advies of instemming bij enkelvoudige aanvraag.
Specifiek voor vergunningverlening omvat de externe afstemming ook: o het maken van afspraken met partijen voor gevallen waarin toestemmingen ‘’aanhaken’’ in de Omgevingswet (DCMR, Ministeries, Provincie, Waterschap);
o het maken van afspraken met de VR-RR inzake de bouwactiviteit en brandveilig gebruik. Specifiek voor afwijkingsbesluiten: o afstemming met Provincie en Rijk (strijdigheid provinciale en /rijksplannen en visies o overleg met de VR-RR. In Bijlage 3: Schematische weergave reguliere afstemmingsoverleggen in het kader van vergunningverlening, vindt u een overzicht van alle afstemmingsoverleggen, zowel intern als extern. Interne afstemming: 4.3.1. Afstemming vergunning-coördinator en casemanager Bij complexere trajecten wordt gebruik gemaakt van een casemanager die het gehele traject van initiatief tot uitvoering begeleid. In 2024 wordt de rol van casemanager onderdeel van het VTH-proces. Complexe initiatieven Bij complexe initiatieven begeleid een adviseur RO als casemanager de initiatiefnemer. Ze zijn aanspreekpunt voor de klant. Zij stemmen met betrokken partijen af welke vergunningplichten gelden, welke informatie er nodig is om het initiatief te kunnen beoordelen (ontvankelijkheid) en welke processtappen doorlopen moeten worden om dat te realiseren. De casemanagers zien vervolgens toe op de kwaliteit, de tijdigheid en de samenhang van adviezen van de benodigde disciplines. Wanneer in het kader van de adviezen Omgevingsoverleg nodig is, organiseren zij dit. Zij bewaken bovendien de afgesproken of wettelijke termijnen waarbinnen de gemeente besluiten moet nemen.
De casemanager is, indien nodig, ook verantwoordelijk voor het opstellen van het uiteindelijke college- of raadsvoorstel waarin kennis kan worden genomen van de onderliggende adviezen en waarin alle belangen zijn afgewogen. Als er bij een initiatief meerder vergunningen of meldingen nodig zijn bewaakt de casemanager de samenhang. Inhoudelijke toetsing in de vergunningfase en het opstellen van het besluit vallen niet onder deze rol, maar worden door een vergunning-coördinator uitgevoerd. Eenvoudige initiatieven en aanvragen Bij eenvoudige initiatieven en aanvragen begeleid een vergunning-coördinator de initiatiefnemer zelf. Ze zijn aanspreekpunt voor de klant. De vergunning-coördinatoren zien toe op de kwaliteit, de tijdigheid en de inhoud van de diverse adviezen van de diverse disciplines. Wanneer in het kader van de adviezen overleg nodig is, organiseren zij dit. Zij bewaken bovendien de wettelijke termijnen waarbinnen de gemeente besluiten moet nemen. Ze zijn aanspreekpunt voor de klant. Rol en proces in ontwikkeling De rol van de casemanager in het VTH-proces is op moment van schrijven in ontwikkeling. Op een later moment wordt een definitief werkend proces opgesteld waarin de rol van de casemanager volledig wordt geborgd. 4.3.2. Afstemming tussen vergunningverlening en toezicht & handhaving De vergunning-coördinator en de toezichthouder stemmen af over o.a.
de handhaafbaarheid van de vergunning, maken afspraken over het uit te oefenen toezicht bij (wijzigingen in de) vergunningverlening en doen een legalisatietoets bij het afwijken van een vergunning.
4.3.3. Afstemming met overige relevante organisatieonderdelen In het vergunningenproces zijn afspraken gemaakt met de relevante specialisten binnen andere (ruimtelijke) afdelingen. Via het proces van mede-advisering wordt de vergunningencoördinator (digitaal) voorzien van adviezen van andere organisatieonderdelen op basis van één werkwijze en wordt gebruik gemaakt van standaardformulieren. Indien noodzakelijk wordt over een uitgebracht mede-advies overleg ingepland. Buitenplanse vergunningsaanvragen waarvoor een afwijking van het Omgevingsplan nodig is, worden aan de Intaketafel en Omgevingstafel besproken op wenselijkheid en haalbaarheid. Een vergunning-coördinator neemt aan dit overleg deel. De welstandsadvisering vindt plaats door Commissie Ruimtelijke Kwaliteit. Externe afstemming: 4.3.4. Het maken van afspraken in het kader van bestuursovereenkomsten en regionale samenwerking Bij het maken van afspraken in regionaal verband doen we dat in goed overleg met DCMR, GGD en de Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond (verder VRR). Voor reguliere advisering in vergunningstrajecten of bij conceptaanvragen zijn werkafspraken gemaakt. De DCMR en de VRR stellen ieder jaar een uitvoeringsprogramma (jaarplan) op. 4.3.5. Bepalen bevoegd gezag in geval meervoudige aanvragen Bij een meervoudige aanvraag vraagt een initiatiefnemer een omgevingsvergunning aan voor meer dan één activiteit.