CConstaterende datAlbrandswaard
Koppel je AI →
Document · PDF

4. Raadsinformatiebrief 2023 715057 werkplan DCMR 2023 en Uitvoeringsbeleidsplan Meerjarenprogramma 2023-2026.pdf

Gemeenteraad AW 3 april 2023, gemeente AlbrandswaardBij agendapunt: 5: Ingekomen stukken37.155 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 5

DCMR hanteert daarnaast de volgende uitgangspunten voor het verlenen van vergunningen: • Bedrijven dienen gebruik te maken van de Best Beschikbare Technieken (BBT) en – waar vanuit milieu hygiënisch oogpunt gewenst en haalbaar – BBT+ maatregelen te nemen. • Vergunningen bevatten doelvoorschriften. Middelvoorschriften zijn aan de orde wanneer (landelijke) voorschriften onvoldoende helder zijn, er sprake is van slecht naleefgedrag of wanneer doelvoorschriften niet toereikend zijn.

6

BUDGETTEREN

7

KWALITEITSBORGING

8

BIJLAGEN

• Vergunningen worden inzichtelijk gemaakt door middel van geconsolideerde overzichten • Jaarlijks worden vergunningen getoetst op actualiteit. DOORTASTEND WERKEN De afgelopen jaren is geconstateerd dat de procedures om te komen tot een omgevingsvergunning zeer tijdrovend en langslepend zijn. Dit en de krapte op de arbeidsmarkt nopen ons om na te denken over een andere aanpak van de vergunningprocedures. Door het verbeteren van de communicatie tussen DCMR en de bedrijven zal een betere beheersing van het proces worden bewerkstelligd met als gevolg grip op doorlooptijden van vergunningprocedures. Deze aanpak houdt het volgende in: • Rol - minder adviserend. De projectleider omgevingsvergunningen heeft een zakelijkere houding in de vergunningprocedures en in het vooroverleg. • Proces – aantal beoordelingen/afkeuringen van stukken wordt ingeperkt. Bij een onvoldoende voortvarende aanpak van een aanvrager wordt het vooroverleg beëindigd en wordt een definitieve aanvraag verwacht. • Indieningsvereisten – er zijn checklists per milieuthema beschikbaar op de website van DCMR. Daarnaast zijn er ook BBT-tools en een ZZS-formats. Bij het vooroverleg wordt hiernaar verwezen. • Concept-(ontwerp)beschikking - wordt eenmaal voorgelegd aan de aanvrager, om de feitelijke onjuistheden en/of misverstanden eruit te halen. Er zal geen langdurig overleg plaatsvinden over de inhoud.

• Risicogestuurd vergunnen - Er wordt landelijk nagedacht over een strategie om per branche te bepalen hoe diep welke milieuthema’s (onder andere lucht, bodem, veiligheid, geluid) moeten worden behandeld in een vergunningprocedure. Voor de overige onderwerpen zouden de standaardvoorschriften voldoen;

17 van 75

INHOUD

VOORWOORD EN SAMENVATTING

1

INLEIDING

2

MEERJARENPROGRAMMA

• Robuuste vergunning - een vergunning die ruimte en flexibiliteit biedt aan het bedrijf om wijzigingen in de bedrijfsvoering sneller door te kunnen voeren dan in de huidige situatie • Prioriteitenmatrix - opgesteld om vergunningsproducten aan de hand van de criteria “belangrijkheid” en “urgentie” prioritair in te delen. Prioritaire procedures krijgen op basis van deze matrix voorrang. STARTNOTITIE VERGUNNING DCMR stelt voor uitgebreide Wabo-vergunningprocedures een startnotitie op. Dit document benoemt alle relevante onderwerpen die bij de (voorbereiding van de) vergunning aan de orde zijn. Dit maakt het mogelijk in een vroegtijdig stadium te onderkennen welke aspecten – bestuurlijk, technisch, juridisch, handhaving – een rol spelen en in de vergunning aandacht behoeven.

Belangrijke aspecten die in de startnotitie aan bod komen zijn: • Actuele (juridische) eisen – Het gaat hier bijvoorbeeld om eisen op het gebied van Best Beschikbare Technieken en de richtlijnen in het kader van de Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen (PGS-richtlijnen). Het opnemen van de meest recente milieueisen in de vergunning dwingt de toepassing van de nieuwste technische ontwikkelingen af en resulteert uiteindelijk in een zo gering mogelijke milieudruk op de omgeving. • Ruimtelijke toets – Deze is bedoeld om te waarborgen dat bedrijven passen in de omgeving waar zij zich vestigen. Voordat een bedrijf zich ergens vestigt wordt daarom bekeken of de voorgenomen bedrijfsactiviteiten aansluiten bij de gebiedsfuncties. Is dit het geval, dan kan een bedrijf zich ontwikkelen zonder overlast voor de

3

DOORTASTEND VERGUNNEN

4

EFFECTIEF TOEZICHT

5

CONSEQUENTE, VOORT­VARENDE EN INNOVATIEVE HANDHAVING

omgeving te veroorzaken. Daarom vindt bij de procedure van vergunningverlening een toets aan de vigerende omgevingsplannen plaats. Bovendien gaat DCMR na of een plan MER-plichtig is. • Handhaafbaarheid – Het meenemen van eerder opgedane toezicht- en handhavingservaringen kan er in de definitieve vergunning toe leiden dat er in plaats van doelvoorschriften zogenoemde middelvoorschriften worden opgelegd. Terwijl bedrijven bij doelvoorschriften zelf voor een groot deel kunnen bepalen hoe zij de opgelegde verplichtingen vormgeven, liggen de te nemen maatregelen bij middelvoorschriften vast. Het toepassen van deze voorschriften, die het bedrijf dus minder vrijheid laten, is mogelijk bij bedrijven waarvan uit toezicht- en handhavingsgegevens blijkt dat deze niet goed tot zelfregulering in staat zijn. Wanneer de vergunning is opgesteld, vindt – via een gezamenlijke opleveringscontrole van de vergunningverlener en toezichthouder bij het bedrijf – de overdracht plaats naar toezicht. • Doelen en knelpunten – Lokale doelen en of te verwachten knelpunten op onder meer bestuurlijk en/of juridisch vlak kunnen van invloed zijn op de vergunningverlening. Denk aan een mogelijk juridisch afbreukrisico als gevolg van bijvoorbeeld een strengere lokale emissie-eis dan landelijk is voorgeschreven.

Daarom onderhoudt DCMR hierover intensief contact met onder meer besturen van gemeenten of het provinciebestuur. • Samenwerking - met betrokken partners, zoals de veiligheidsregio en verantwoordelijken voor exploitatievergunning.

3.2

6

BUDGETTEREN

7

KWALITEITSBORGING

8

BIJLAGEN

ACTUALISATIEPROGRAMMA VERGUNNINGEN

Het actualiseren van omgevingsvergunningen is nodig om de milieudruk als gevolg van de activiteiten van bedrijven zoveel mogelijk terug te dringen en de veiligheid te vergroten. Bovendien draagt actualisatie bij aan het in stand houden van een level playing field tussen bedrijven onderling. Jaarlijks vindt er daarom een actualisatietoets plaats op het vergunningenbestand, waarbij: • Een toetsing plaatsvindt op actualiteit van alle vergunningen naar aanleiding van nieuwe wet- en regelgeving; • Een toetsing plaatsvindt van vergunningen van tien jaar oud op inhoud en overzichtelijkheid. Voor Seveso/ Brzo-bedrijven geldt dat deze hieraan eens in de vijf jaar worden onderworpen; • De inhoudelijke toets richt zich in ieder geval op de thema’s ‘luchtkwaliteit’, ‘externe veiligheid’ en ‘zeer zorgwekkende stoffen’; DCMR stelt jaarlijks op basis van de uitgevoerde toets een actualisatieprogramma op met daarin de volgorde en prioritering van de actualisaties. Deze zijn afhankelijk van de risico’s voor veiligheid en de leefomgeving en de wettelijke termijnen voor implementatie van nieuwe wet- en regelgeving.

Bij de totstandkoming van het actualisatieprogramma worden de politiek bestuurlijke prioriteiten zoals die onder meer als focuspunten zijn vastgelegd in het Meerjarenprogramma, de resultaten van de actualisatietoets en de bevindingen van toezicht en handhaving in het afgelopen jaar betrokken.

18 van 75

INHOUD

VOORWOORD EN SAMENVATTING

1

INLEIDING

2

MEERJARENPROGRAMMA

ACTUALISATIE VAN VERGUNNINGEN Voordat wij overgaan tot actualiseren van vergunningen zullen we bedrijven verzoeken om informatie aan te leveren. In het verzoek om informatie zullen wij gedetailleerd beschrijven welke informatie wij nodig hebben. Indien er niet of onvoldoende gegevens door het bedrijf worden aangeleverd, kan in het geval van een verplichte actualisatie worden overgegaan tot het vorderen van deze gegevens of zal worden overgegaan tot actualiseren van de vergunning op basis van de voorhanden informatie. PRIORITEITENLADDER ACTUALISATIES Voor Seveso/Brzo-bedrijven is op landelijk niveau een prioriteitenladder afgesproken. Bij de toepassing van deze ladder staat voorop dat het de voorkeur heeft in het geval van een aanvraag – of een te verwachten aanvraag – hierin de actualisatie mee te nemen. 1 Actualisaties naar aanleiding van BBT-conclusies of BREF’s. 2 Actualisaties naar aanleiding van nieuwe Nederlandse BBT-documenten op het gebied van externe veiligheid. Actualisaties naar aanleiding van: a) Tijdens het toezicht geconstateerde ernstige tekortkoming of bij een acute situatie; b) nieuwe Nederlandse BBT-documenten; c) een incident bij een inrichting of naar aanleiding van aanbevelingen uit een incidentenonderzoek door bijvoorbeeld de Onderzoekraad voor Veiligheid.

3 Uitkomsten uit een actualisatietoets voor zover deze geen relatie hebben met punt 1 tot en met 3b. 4 Actualisatie naar aanleiding van jurisprudentie of bevindingen tijdens toezicht (anders dan een ernstige tekortkoming of acute situatie). 5 Projectmatige onderwerpen die een lokaal karakter hebben, landelijk de aandacht hebben of voortvloeien

3

DOORTASTEND VERGUNNEN

4

EFFECTIEF TOEZICHT

5

CONSEQUENTE, VOORT­VARENDE EN INNOVATIEVE HANDHAVING

6

BUDGETTEREN

7

KWALITEITSBORGING

8

BIJLAGEN

uit regionaal beleid. Denk hierbij aan Codevoorschriften, energie-intensivering, duurzaamheidsthema’s of ‘grote kans, klein effect’-benadering in het Rijnmondgebied). EXTERNE VEILIGHEID EN VERGUNNINGVERLENING DCMR past bij vergunningverlening de landelijke werkstandaard ‘Externe veiligheid in vergunningverlening’ toe. In oprichtingsvergunningen wordt een groepsrisico onder de oriëntatiewaarde voorgeschreven en een zo laag mogelijk groepsrisico uitgaande van Best Beschikbare Technieken. In bestaande situaties streeft DCMR ernaar om overschrijdingen terug te dringen tot onder de oriëntatiewaarde.

3.3

INNOVATIE INSTRUMENTARIUM VERGUNNINGVERLENING

Met het programma Versterking Uitvoering Vergunningverlening werkt DCMR aan een vlotte en soepele afwikkeling van vergunningaanvragen en -actualisaties door een breed palet aan acties. Belangrijke elementen in het programma zijn: • Een van de doelstellingen van de Omgevingswet is om initiatieven integraal te beoordelen op de gevolgen voor de fysieke leefomgeving. Een gemeente zal bij het maken van het omgevingsplan integraal afwegen voor een goede toedeling van functies aan locaties. Daarbij dient vergunningverlening onder de Omgevingswet sneller en beter uitgevoerd te worden. • De VNG stelt voor om in het voortraject van gemeentelijke vergunningverlening een zorgvuldige afweging te maken in wenselijkheid en mogelijkheid voor een bepaald initiatief. Dit kan gaan in de vorm van een intaketafel waarin strategische stakeholders uit de gemeente bepalen of een initiatief wenselijk is. Een intaketafel kan gevolgd worden door een omgevingstafel waarin samen met alle betrokkenen de

19 van 75

INHOUD

VOORWOORD EN SAMENVATTING

1

INLEIDING

2

MEERJARENPROGRAMMA

aanvraag inhoudelijk zodanig vorm gegeven wordt dat de vergunningprocedure soepel kan verlopen. • Dit nieuwe instrumentarium zal steeds meer vorm krijgen. DCMR zal aan een omgevingstafel steeds vaker een rol krijgen, en wellicht zal ook vaker gevraagd worden om advies te leveren voor de intaketafel. • Provinciale aanvragen zullen niet behandeld worden aan een intake- of omgevingstafel. Ook hier zal echter een meer integrale benadering gevraagd worden. • Actieve informatievoorziening. Het actief informeren van bedrijven en adviesbureaus en goed vooroverleg leidt tot betere aanvragen. Hiertoe worden met regelmaat bijeenkomsten met bedrijven en adviesbureaus georganiseerd. • Standaardisering van werkwijzen. Er wordt een protocol opgesteld met onder meer een werkwijze op het gebied van vooroverleg, rapportageverplichtingen, indieningsvereisten, BRIKS, BIBOB, proefnemingen (bijvoorbeeld ten behoeve van circulaire economie) en de afweging tussen middel- en doelvoorschriften op basis van een risicoanalyse van het bedrijf. Oogmerk hierbij is het ontwikkelen van een standaardwerkwijze en de ambitie om termijnen te versnellen, maar vooral ook transparantie naar de initiatiefnemer. De werkprocessen zijn beschreven in de zogenaamde Handleiding in stappen 2.0. die regelmatig geactualiseerd wordt; het reviewprogramma checkt of de werkwijze conform de handleiding is. • Digitalisering.

De Omgevingswet beoogt procedures te vereenvoudigen en te verkorten, ook ten aanzien van vergunningverlening. DCMR werkt daarom aan een andere inrichting van het proces en op een aanpassing van de inhoud van de vergunning(verlening). DCMR doet dit onder meer via het project AADV (altijd actuele digitale vergunning) dat is bedoeld om een actueel en digitaal beeld te genereren van de voor een bedrijf geldende verplichtingen. Hiermee is het mogelijk het

3

DOORTASTEND VERGUNNEN

4

EFFECTIEF TOEZICHT

5

CONSEQUENTE, VOORT­VARENDE EN INNOVATIEVE HANDHAVING

6

BUDGETTEREN

7

KWALITEITSBORGING

8

BIJLAGEN

proces van het verstrekken en wijzigen van vergunningen te versnellen. Het streefbeeld is een zogenoemde ‘altijd actuele dynamische vergunning’ waarin wijzigingen eenvoudig te verwerken zijn. • Goede afspraken met ketenpartners. Verbeterde werkafspraken met ketenpartners als de Veiligheidsregio en Rijkswaterstaat, kunnen onnodige vertraging voorkomen.

3.4

BODEMSANERING

Provincie en gemeenten zijn op grond van de Omgevingswet bevoegd gezag voor (onderdelen van) het bodemsaneringsdossier. Onder de Omgevingswet geldt de Wet bodembescherming alleen nog maar voor verontreinigingen die onder het overgangsrecht vallen. De overige taken die we kennen uit de Wbb, zoals het Besluit en de Regeling bodemkwaliteit (Bbk), het Besluit financiële bepalingen bodemsanering en de Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken, afgeven van beschikkingen, meldingen en beoordelingen in verband met geschiktheid voor het gebruik en verstrekken adviezen ten behoeve van omgevingsvergunningen, zullen grotendeels gaan vallen onder Milieubelastende Activiteiten (MBA’s) in het kader van de Omgevingswet. Indien een saneringsactiviteit niet onder een MBA valt of past, neemt de DCMR een Maatwerkbesluit bodem Omgevingswet.

20 van 75

INHOUD

4

VOORWOORD EN SAMENVATTING

1

INLEIDING

2

MEERJARENPROGRAMMA

3

DOORTASTEND VERGUNNEN

4

EFFECTIEF TOEZICHT

5

CONSEQUENTE, VOORT­VARENDE EN INNOVATIEVE HANDHAVING

6

BUDGETTEREN

7

KWALITEITSBORGING

8

BIJLAGEN

EFFECTIEF TOEZICHT

DCMR zet in op effectief toezicht. Dit houdt in dat de dienst toezicht gericht inzet op die plaatsen waar de risico’s het grootst zijn, met instrumenten die effectief zijn en die we voortdurend innoveren. 4.1

UITGANGSPUNTEN VOOR HET TOEZICHT

Bij de uitvoering van het toezicht hanteert de DCMR de volgende uitgangspunten:

VERANTWOORDELIJKHEID WAAR DEZE HOORT Bedrijven zijn primair zelf verantwoordelijk voor naleving van regels en moeten zorgen voor actieve en betrouwbare informatie over (risicovolle) activiteiten. DCMR controleert als toezichthouder of bedrijven zich aan de regels houden. Daarbij is het uitgangspunt dat vertrouwen moet verdiend worden en toezicht noodzakelijk is. FREQUENTIE VAN HET TOEZICHT Bij alle Seveso/Brzo-bedrijven vindt minstens eenmaal per jaar Brzo- en Wabo-toezicht plaats en bij de Rieinrichtingen vindt minstens eenmaal per jaar Wabo-toezicht plaats. Bij alle overige bedrijven wordt aan de hand van een branchegerichte benadering en de uitgangspunten die ten grondslag liggen aan het houden van risicogericht toezicht, bepaald wanneer en op welke wijze toezicht wordt gehouden; RISICOGERICHT Risicogericht werken betekent dat DCMR zich in de eerste plaats richt op die milieubelastende activiteiten en bedrijven en locaties die de grootste risico’s met zich meebrengen.

Het gaat daarbij om alle risico’s voor een veilige en schone leefomgeving. Bij Seveso/Brzo-bedrijven wordt de risicobeoordeling gedaan op basis van het landelijk afgesproken Toezichtsmodel, en is er speciale aandacht voor de veiligheidsprestatie van het bedrijf. Daarbij gaat het onder meer om de procesveiligheid en de heersende veiligheidscultuur. STUREN OP EFFECT DCMR maakt voor het toezicht gebruik van een doordachte mix aan toezichtinstrumenten, die zijn toegesneden op de branche en de aan te pakken toezicht uitdaging. De DCMR meet zoveel mogelijk het effect van ingezette instrumenten. Dit kan ertoe leiden dat DCMR ervoor kiest instrumenten in te zetten in aanvulling op de traditionele. Uitgangspunt is dat met de instrumentenmix toezichtdoelen eerder, duurzamer en/of beter bereikt worden. Daarbij is ruimte voor experimenteren met instrumenten die traditioneel niet tot het toezichtinstrumentarium horen. MILIEUTHEMA’S Bij de inrichting van het toezicht spelen de beleidsprioriteiten van de participanten voor de milieuthema’s een belangrijke rol. De beleidsprioriteiten van de participanten in combinatie met de feitelijke impact op de fysieke

21 van 75

INHOUD

VOORWOORD EN SAMENVATTING

1

INLEIDING

2

MEERJARENPROGRAMMA

leefomgeving en het ingeschatte inherente risico bepalen welke thema’s het zwaarste wegen en waar DCMR de meeste capaciteit op inzet1. In het meerjarenprogramma (MJP, hfdst 2) zijn samen met de participanten specifieke doelen geïdentificeerd.

4.2

TOEZICHTSTRATEGIE

Toezichtstrategie heeft betrekking op de wijze waarop DCMR het toezicht vormgeeft. De uitgangspunten daarbij en de uitwerking op een aantal punten met voorbeelden is als bijlage 3 bijgevoegd. Hoe DCMR optreedt bij overtredingen staat beschreven in de sanctiestrategie en is samengevat in hoofdstuk 5. Toezicht is maatwerk. De methodiek om de maatwerkaanpak vorm te geven, bestaat uit twee stappen: STAP 1: KOPPELING ANALYSEMODEL TOEZICHTSTRATEGIE De koppeling tussen het risiconiveau en de inzet van toezicht komt als volgt tot stand: 1 DCMR heeft het bedrijvenbestand op basis van het risiconiveau volgens het risico-analysemodel RIAN geanalyseerd. In dit analysemodel zijn gegevens die relevant zijn voor de risicobepaling geregistreerd (onder meer het naleefgedrag en de inherente risico’s verbonden aan de bedrijfsvoering). 2 Dit model is aan herijking toe. Binnen het DCMR Toezichtslab loopt een project om dit model opnieuw vorm te geven op basis van inzichten uit de literatuur en goede uitvoeringspraktijken bij andere Omgevingsdiensten en landelijke inspecties. Ontwikkelingen vragen bijvoorbeeld om een effectieve manier van inzet op het gebied van cybersecurity. Welke rol we als DCMR op dit gebied kunnen spelen is onderdeel van gesprek tussen de participanten en

1

3

DOORTASTEND VERGUNNEN

4

EFFECTIEF TOEZICHT

5

CONSEQUENTE, VOORT­VARENDE EN INNOVATIEVE HANDHAVING

DCMR. De eerste resultaten van dit project worden in 2023 verwacht. 3 Bij provinciale bedrijven, zoals raffinaderijen en chemiebedrijven, wordt ook het risiconiveau per (type) RIE-installatie of activiteit bepaald. 4 DCMR deelt de branches op basis van de risicoanalyse in naar hun zogenoemde toezichtintensiteit. Basisprincipe is dat hoe hoger de intrinsieke risico’s die volgens het Risico-analysemodel zijn verbonden aan een activiteit, hoe hoger de toezichtintensiteit is. Per branche bepaalt DCMR vervolgens aan de hand van een nadere analyse welke aandacht een afzonderlijk bedrijf krijgt. STAP 2: GEMOTIVEERDE KEUZEVRIJHEID INSTRUMENTENMIX De ‘aanpak op maat’ kent meerdere toezichtintensiteiten ­ voor branches en bedrijven met daarbinnen differentiatie­ mogelijkheden op basis van gewenst of ongewenst gedrag en waar dit relevant is naar installaties en activiteiten.

6

BUDGETTEREN

7

KWALITEITSBORGING

8

BIJLAGEN

• Inzet van mediation; • Oefenen met het doen van goede voorvalmeldingen; • Toezicht op milieuzorg en/of veiligheidsbeheer systemen; • Controle ter plaatse op maatregelen; • Het laten uitvoeren van een test met het blussysteem; • Een onderzoek naar de veiligheidscultuur binnen een bedrijf; • Remote sensing met bijvoorbeeld satellieten, drones of bewakingscamera’s; • Het op afstand uitlezen van bedrijfsregistraties; • De uitvoering van Administratief Toezicht (AT) heeft in recente ontwikkelingen/dossiers als Zeer Zorgwekkende Stoffen (ZZS), circulaire economie en milieucriminaliteit meerwaarde.

De ‘aanpak op maat’ gaat ervan uit dat per branche/ bedrijf een afweging plaatsvindt met betrekking tot de in te zetten toezichtinstrumenten om tot een juiste mix van deze instrumenten te komen. Daarbij wordt gebruik gemaakt van gedragswetenschappelijke inzichten en methoden, om te komen tot de meest effectieve mix van instrumenten. Enkele voorbeelden van ‘instrumenten die op maat in een combinatie (mix) kunnen worden toegepast: • Informeren over wetgeving; • Vereenvoudigen van brieven; • Leertrajecten op uitwisseling goede praktijken bevorderen tussen bedrijven, • Samen met brancheorganisaties en/of andere toezichthouders starten van informatiecampagnes; • Begeleiden van buurtraden;

De provincie Zuid-Holland stelt jaarlijks beleidsprioriteiten vast, voortvloeiend uit landelijke en provinciale prioriteiten en -ontwikkelingen.

22 van 75

INHOUD

4.3

VOORWOORD EN SAMENVATTING

1

INLEIDING

2

MEERJARENPROGRAMMA

NADERE UITWERKING TOEZICHT­ STRATEGIE IN BRANCHEPLANNEN

DCMR stelt voor de prioritaire branches plannen op met een meerjarige looptijd (doorgaans vier jaar). De verschillende plannen maken duidelijk hoe de elementen van de risicomethodiek zijn gewogen. Bovendien maken zij inzichtelijk tot welk toezichtaanpak de risicoanalyse leidt. Uit de brancheplannen blijkt welke factoren hebben geleid tot een (branche)aanpak op maat. Dit houdt in dat in deze plannen is opgenomen: • Op welke bedrijven focuspunten uit het MJP van toepassing zijn, op basis van een type bedrijf, installatie of activiteit;

3

DOORTASTEND VERGUNNEN

4

EFFECTIEF TOEZICHT

5

CONSEQUENTE, VOORT­VARENDE EN INNOVATIEVE HANDHAVING

• Of er factoren zijn die een vorm van intensiever (verzwaard) toezicht nodig maken. Te denken valt daarbij aan wensen van de participant, MJP-focuspunten en VTH-aandachtspunten van de provincie; • Of op brancheniveau ontwikkelingen zichtbaar zijn die invloed kunnen/moeten hebben op het toezichtregime; • Of klachten en incidenten of meervoudige constatering van kleine overtredingen moeten leiden tot een vorm van intensiever (verzwaard) preventief toezicht. Vraag is dan bovendien wanneer in die gevallen verdieping of verbreding van het toezicht aan de orde is; • De inzet en effectiviteit van de gebruikte toezichtinstrumenten; • Wat de frequentie en aanpak zijn bij meerdere installaties van hetzelfde type binnen een bedrijf.

6

BUDGETTEREN

7

KWALITEITSBORGING

8

BIJLAGEN

De branchegerichte manier van werken vergroot de kennis van de branches. Voor een aantal branches wordt deze aanpak gecombineerd met een gebiedsgerichte aanpak. Op die wijze is het mogelijk gebiedskennis en signalen over een gebied mee te nemen bij de aanpak van het toezicht.

4.4

BODEMBESCHERMING

Het toezicht op de naleving van het Bal ten aanzien van de Bodem MBA’s voert DCMR uit namens de provincie en gemeenten. Jaarlijks voert DCMR een risicoanalyse uit op basis van de te verwachten complexiteit van de bodemsaneringstaak ter onderbouwing van de capaciteit (kwaliteit en kwantiteit). Specifieke aandachtspunten en risico’s voor bodemsaneringen en de daaropvolgende nazorg bij restverontreinigingen zijn: • Het ‘gedrag’ van de (rest)verontreiniging (verontreinigende stoffen) in de grond en het grondwater; • Risico’s van de activiteiten voor de uitvoerders van de sanering en voor de omgeving; • Eerder vertoond naleefgedrag van de saneerder, mkb’er, directievoerder, aannemer en eigenaar/gebruiker. Met behulp van een risicobeoordeling krijgen gemelde activiteiten prioriteit. Conform de Landelijke handhavingsstrategie Omgevingswet (LHS) zal met andere OD’s en de ILT worden gekeken hoe deze prioritering op basis van landelijk nalevingsgedrag verscherpt kunnen worden. Voor het toezicht op bodemsanering en nazorg is een toezichtplan opgesteld. Jaarlijks wordt het toezichtplan bijgesteld ten aanzien van de ontwikkelingen in de markt en mogelijke speerpunten voor toezicht. Het toezichtplan is bedoeld voor een eenduidige uitvoering van toezicht. Dit plan maakt de toezichthouder duidelijk wat hij/zij bij de

23 van 75

INHOUD

VOORWOORD EN SAMENVATTING

1

INLEIDING

2

MEERJARENPROGRAMMA

te onderscheiden toezichttaken kan verwachten. Bij geconstateerde overtredingen wordt de landelijke handhavingsstrategie Omgevingswet toegepast. BESCHERMING GRONDWATER VOOR DRINKWATERVOORZIENING In de provinciale omgevingsverordening zijn de milieubeschermingsgebieden voor grondwater vastgelegd. DCMR heeft een toezicht- en handhavingstaak. DCMR bezoekt deze gebieden zo vaak als nodig maar minimaal één maal per jaar ten behoeve van toezicht en handhaving.

4.5

SAMENWERKING

Er zijn diverse samenwerkingsafspraken tussen DCMR en ander bestuursorganen onderling en met strafrechtelijke organen. Voor Sevesobedrijven gelden de volgende landelijke samenwerkingsafspraken.

3

DOORTASTEND VERGUNNEN

4

EFFECTIEF TOEZICHT

5

CONSEQUENTE, VOORT­VARENDE EN INNOVATIEVE HANDHAVING

6

BUDGETTEREN

7

KWALITEITSBORGING

8

BIJLAGEN

In januari 2022 is door Brzo+ begonnen met het landelijk implementeren van de nieuwe Brzo-inspectiemethodiek LBR (Landelijke benadering risicobedrijven) en de bijbehorende nieuwe database Gir 2.0. Zowel LBR als Gir 2.0 zijn blijvend in ontwikkeling.

• Het MVO (meerjarenagenda versterking omgevingsveiligheid van het Rijk) en MJA(Meerjarenagenda van de provincies). • De inspectie-onderwerpen die met de opdrachtgevers (provincies) zijn afgestemd.

Bij alle Sevesobedrijven wordt elk jaar een aangekondigde Brzo-inspectie uitgevoerd. Daarnaast wordt éénmaal per maand bij een geselecteerd bedrijf ook een onaangekondigde Brzo-inspectie uitgevoerd waarbij de focus vooral op implementatie ligt. Bij de inspectieplanning wordt rekening gehouden met: • Het Toezichtsmodel (TZM). • De Brzo+ Meerjaren Uitvoeringsagenda.

Niet-routinematige inspecties worden uitgevoerd om ernstige klachten, ernstige ongevallen en bijna-ongevallen, incidenten en gevallen van niet-naleving zo spoedig mogelijk te onderzoeken. Van de uitgevoerde Seveso-inspecties wordt per inspectie een gezamenlijk inspectierapport opgesteld conform landelijk format. Onderdeel van dit rapport is de Openbare samenvatting die is opgesteld in een voor derden

SEVESO De provincies hebben gezamenlijke ambities op het gebied van Seveso/Brzo in een Meerjarenagenda (MJA) vastgesteld. Uitvoering als ‘zijnde één overheid’ is het uitgangspunt dat op basis van de (meerjarenagenda versterking omgevingsveiligheid) MVO- en MJA- programma wordt geborgd in de samenwerking op landelijk niveau tussen de twaalf provincies, tussen de Brzo-omgevingsdiensten en in Brzo+. Afstemming en uniformiteit zijn hierbinnen sleutelbegrippen.

De bevoegde gezagen stellen per regio een uniform uitvoeringsprogramma vast. Het beleid is vastgelegd in de Nota VTH 2022-2026 van de provincie. De uitvoering bij de DCMR wordt vastgelegd in brancheplannen en een regionaal inspectieplan.

24 van 75

INHOUD

VOORWOORD EN SAMENVATTING

1

INLEIDING

2

MEERJARENPROGRAMMA

3

DOORTASTEND VERGUNNEN

4

EFFECTIEF TOEZICHT

5

CONSEQUENTE, VOORT­VARENDE EN INNOVATIEVE HANDHAVING

6

BUDGETTEREN

7

KWALITEITSBORGING

8

BIJLAGEN

begrijpelijke ‘taal’. Overigens is op alle inspectie-informatie de Wet open overheid (Woo) van toepassing.

getransporteerd wordt, of wanneer partijen grond bij één van de partners geweigerd wordt.

Gezamenlijk Brzo-toezicht wordt uitgevoerd op basis van een wettelijk kader en daarnaast zijn er met enige regelmaat initiatieven van inspectiediensten om elkaar kleinschalig op specifieke inspectie-onderwerpen te benaderen en inspecties af te stemmen. Het RMO (Regionaal managementoverleg) van Zuid-Holland en Zeeland en de Havenboegschroef onder andere zijn regionale overleggen waar ook andere inspectiediensten dan de Brzo-inspectiepartners in vertegenwoordigd zijn als het Openbaar Ministerie (OM). Daarnaast zijn er samenwerkingstrajecten opgestart met ILT en de NEA en worden er gesprekken gevoerd met Lloyds in verband met kennisdeling.

Met name op de thema’s ondermijning, grondstromen en ZZS in afval zoekt DCMR actief naar mogelijkheden voor samenwerking in de keten. Er ligt ook een bestuurlijke opdracht om door te ontwikkelen als het gaat om de samenwerking met andere partners die de komende periode meer vorm zal gaan krijgen, bijvoorbeeld in een uitvoeringsplan samenwerking.

SIGNAALTOEZICHT Bij signaaltoezicht wordt toezichtinformatie waarvoor de betreffende toezichthouder niet de bevoegde instantie is, gedeeld met de bevoegde toezichthouder. INFORMATIEGESTUURDE HANDHAVING DCMR is aangesloten, net als de meeste omgevingsdiensten en enkele andere toezichtsorganisaties, bij Inspectieview milieu (Ivm). Daarmee worden handhavingsprocessen en informatiesystemen van externe partijen aan elkaar gekoppeld en krijgen partijen de mogelijkheid om in elkaars gegevens te kijken. KETENTOEZICHT Met ketentoezicht wordt geprobeerd vat te krijgen op een hele keten door samen te werken met ketenpartners zoals de politie en aangrenzende omgevingsdiensten. Daarnaast kunnen ketenpartners geïnformeerd worden, bijvoorbeeld wanneer grond vanuit het toezichtsgebied van één van de partners naar het gebied van een andere partner

25 van 75

INHOUD

5

VOORWOORD EN SAMENVATTING

1

INLEIDING

2

MEERJARENPROGRAMMA

3

DOORTASTEND VERGUNNEN

4

EFFECTIEF TOEZICHT

5

CONSEQUENTE, VOORT­VARENDE EN INNOVATIEVE HANDHAVING

6

BUDGETTEREN

7

KWALITEITSBORGING

8

BIJLAGEN

CONSEQUENTE, VOORT­ VARENDE EN INNOVATIEVE HANDHAVING

Aan de basis van de manier waarop DCMR optreedt tegen milieuovertredingen ligt de sanctiestrategie. Deze sanctiestrategie is richtinggevend voor het opleggen van een passende handhavingsactie naar aanleiding van overtredingen. De ernst van de overtreding én het gedrag van de overtreder bepalen de inzet van de handhavingsacties. De sanctiestrategie is gericht op een effectieve en risicogestuurde benadering. Waar slagvaardig doorpakken geboden is, zet DCMR het handhavingstraject dwingend in, vanzelfsprekend binnen de grenzen van de wet en het beleid. 5.1

UITGANGSPUNTEN SANCTIESTRATEGIE

• Bij overtredingen worden conform de sanctiestrategie passende handhavingsacties ingezet. • Deze handhavingsacties (aanschrijving, bestuursrechtelijke/strafrechtelijke sanctie, nacontrole) worden voortvarend opgepakt en binnen de daarvoor gestelde termijnen afgehandeld/opgelegd. • Bestuurs- en/of strafrechtelijke sancties worden zo opgelegd dat zij -binnen de grenzen van de wet (proportionaliteit) - zo effectief mogelijk zijn om de overtreding te beëindigen of herhaling te voorkomen. Dit kan betekenen dat er hoge dwangsommen worden opgelegd, en overgegaan wordt tot het opleggen van bestuursdwang wanneer de situatie daarom vraagt. In voorkomende gevallen kan DCMR de vergunning zelfs (gedeeltelijk) intrekken. Straffen kunnen worden

7

opgelegd door het opmaken van een proces-verbaal, een BSBm (bestuurlijke strafbeschikking milieu) of een bestuurlijke boete. Bestuursrechtelijke sancties en strafrechtelijke sancties kunnen, indien noodzakelijk, gelijktijdig worden ingezet. • Bij een overtreding die begaan is door een ander bestuursorgaan of een ander orgaan behorend tot de overheid wordt de sanctiestrategie ook gevolgd. Er vindt een vooraankondiging plaats aan het management van de betreffende organisatie en er wordt aandacht gevraagd voor de voorbeeldfunctie van overheidsorganen.

Dit vergt goede afspraken over de gezamenlijk te hanteren termijnen bij participanten die de vaststelling van handhavingsbesluiten niet hebben gemandateerd.

26 van 75

INHOUD

VOORWOORD EN SAMENVATTING

1

2

INLEIDING

MEERJARENPROGRAMMA

3

DOORTASTEND VERGUNNEN

4

EFFECTIEF TOEZICHT

DE HUIDIGE SANCTIESTRATEGIE MILIEUOVERTREDINGEN ZIET ER SCHEMATISCH ALS VOLGT UIT:

Mogelijke gevolgen m.b.t. milieu, veiligheid, gezondheid en/of maatschappelijke relevantie door gedrag van de overtreder

ERNST GEVOLGEN aanzienlijk, dreigend en/of onomkeerbaar

4

van belang

3

beperkt

2

vrijwel nihil

Het gedrag van de overtreder is:

1

bestuurlijke sanctie

bestuurlijke sanctie

bestuurlijke sanctie

bestuurlijke sanctie BIBOB

aanschrijving

bestuurlijke sanctie

bestuurlijke sanctie

bestuurlijke sanctie BIBOB

bezoek bevestiging

aanschrijving

aanschrijving

aanschrijving

bezoek bevestiging

bezoek bevestiging

bezoek bevestiging

bezoek bevestiging

A

B

C

D

pro-actief

onverschillig/ reactief

calculerend

bewust en structureel

Opsporing Opsporing prio na bewuste keuzen en afspraken met OM

Opsporing aflopend delict

GEDRAG OVERTREDER

Van deze effectieve en risicogerichte aanpak is bijvoorbeeld sprake bij een overtreding met aanzienlijke en onomkeerbare gevolgen voor het milieu, begaan door een calculerende overtreder (C4). Deze wordt aangepakt met een last onder dwangsom waarbij een voorwaardelijke bestraffing (geldsom) opgelegd wordt om de overtreding zo snel mogelijk te beëindigen. Daarnaast wordt een strafrechtelijk traject ingericht om de overtreding te bestraffen vanwege de aangebrachte schade door de calculerende houding van de ondernemer. Terwijl diezelfde overtreding, begaan door een proactieve ondernemer (A4), alleen met een last onder dwangsom wordt afgedaan.

5

CONSEQUENTE, VOORT­VARENDE EN INNOVATIEVE HANDHAVING

6

BUDGETTEREN

7

KWALITEITSBORGING

8

BIJLAGEN

SEVESO/BRZO SANCTIESTRATEGIE In de landelijke overlegstructuur voor Seveso/Brzo-bedrijven is een gezamenlijke, landelijk geldende, sanctiestrategie ontwikkeld die specifiek geldt voor Seveso/Brzo-bedrijven. Dit is een concretisering van de sanctiestrategie milieuovertredingen zoals hierboven genoemd. De concretisering voor Seveso/Brzo-bedrijven is noodzakelijk om handhaving door de drie Sevoso/Brzo-bevoegde gezagen (DCMR, Inspectie SZW en de Veiligheidsregio’s) op dezelfde wijze te laten plaatsvinden. LANDELIJKE HANDHAVINGSSTRATEGIE OMGEVINGSWET (LHSO) Eind 2022 is de nieuwe LHSO door het Bestuurlijk omgevingsberaad vastgesteld. Het hierop volgend implementatietraject vindt plaats nadat de Omgevingswet in werking is getreden en wordt gecoördineerd vanuit het Interbestuurlijk Programma (IBP). Na vaststelling van dit uitvoeringsbeleidsplan 2023-2026 door de participanten gaat DCMR werken overeenkomstig de nieuwe LHSO zodra de Omgevingswet in werking is getreden. De huidige sanctiestrategie vervalt op dat moment.

De Seveso/Brzo sanctiestrategie blijft overigens onverminderd van kracht. De nieuwe LHSO is geactualiseerd en gericht op de toekomstige Omgevingswet met toepassing van nieuwe instrumenten (bijvoorbeeld de bestuurlijke boete) en kent een sterkere afstemming tussen het bestuurs- en het strafrecht. Tegelijkertijd is de impact voor de werkwijze bij DCMR beperkt, aangezien grote delen gelijk zijn gebleven (bijvoorbeeld de sanctiematrix blijft grotendeels gelijk) en al overeenkomstig de uitgangspunten van de toekomstige LHSO wordt gewerkt.

27 van 75

INHOUD

5.2

VOORWOORD EN SAMENVATTING

1

INLEIDING

2

MEERJARENPROGRAMMA

BESLUITVORMING INZET INTERVENTIES

Om te borgen dat de sanctiestrategie consequent en voortvarend wordt toegepast en dat deze toepassing binnen de organisatie beklijft, kent DCMR een dienstbreed te volgen besluitvormingsprocedure voor de toepassing van de sanctiestrategie. Daarnaast is een vast onderdeel in de opleiding voor nieuwe toezichthouders het kennen en eigen maken van de sanctiestrategie in de praktijk. De dienstbreed te volgen besluitvormingsprocedure kent de volgende uitgangspunten: • Er vindt een collegiale toets plaats op het handhavingsadvies van de toezichthouder. • De vaststelling van feiten, de beoordeling daarvan en de besluitvorming daarover, worden verifieerbaar en transparant van elkaar onderscheiden en vastgelegd in het zaaksysteem.

3

DOORTASTEND VERGUNNEN

4

EFFECTIEF TOEZICHT

5

CONSEQUENTE, VOORT­VARENDE EN INNOVATIEVE HANDHAVING

toetsing van de besluitvorming over de toepassing van de sanctiestrategie aan de orde. Ook vindt controle plaats op de daadwerkelijke uitvoering van de handhavingsacties.

6

BUDGETTEREN

7

KWALITEITSBORGING

8

BIJLAGEN

Het huidige sanctie-instrumentarium is niet altijd voldoende effectief. De DCMR (zie hoofdstuk 4) onderzoekt daarom of er mogelijkheden zijn om sneller een spontane naleving te bereiken bij de diverse branches. Een innovatieve aanpak bij het toezicht kan invloed hebben op de sanctiestrategie.

met de belangrijkste regels – een waarschuwing niet meer nodig is. Andere voorbeelden van formele en informele handhavings-instrumenten zijn onder meer het openbaar maken van sancties of misstanden (of het dreigen daarmee), lik op stuk boetes die direct betaald moeten worden, en een betere informatiepositie. Ook het ‘op het matje roepen’ van hoger management heeft een plaats binnen het palet aan handhavingsinstrumenten. Op termijn ontstaat hiermee een uitgebreider en effectiever sanctie-instrumentarium, dat met meer (kosten)effectiviteit kan worden ingezet.

De ‘waarschuwingsstap’ komt daarbij mogelijk te vervallen. De achterliggende gedachte is, dat wanneer de doelgroep gericht en effectief is geïnformeerd – en daarmee bekend is

TOOLBOX INTERVENTIES Landelijk loopt er een initiatief die leidt tot een zogeheten Interventietoolbox, ontwikkeld vanuit de NVWA en het

5.3

INNOVATIE SANCTIE-INSTRUMENTARIUM

Wanneer de toezichthouder tijdens een controle overtredingen constateert, legt deze de overtredingen vast in het controleverslag en geeft hij/zij een gemotiveerd advies over de handhavingsactie(s) die moet(en) volgen op de geconstateerde overtredingen. De toezichthouder stemt het handhavingsadvies af in het zogenoemde ‘driehoeksoverleg’ met de teammanager, jurist en een Boa. De uitkomst van het driehoeksoverleg wordt ter finale besluitvorming aan de unitmanager voorgelegd. De unitmanager is eindverantwoordelijk voor het inzetten van de gepaste interventie(s) op overtredingen. DCMR registreert de uitkomsten van deze procedure per stap in het zaaksysteem. Strafrechtelijk vindt er vervolgens nog afstemming plaats met het Functioneel Parket waar de uiteindelijke vervolging wordt ingesteld. Mede op basis van de gegevens uit de besluitvormingsprocedure vindt periodiek een review op de juiste toepassing van de sanctiestrategie plaats. Daarbij is niet alleen de

28 van 75

INHOUD

VOORWOORD EN SAMENVATTING

1

INLEIDING

2

MEERJARENPROGRAMMA

3

DOORTASTEND VERGUNNEN

4

EFFECTIEF TOEZICHT

5

CONSEQUENTE, VOORT­VARENDE EN INNOVATIEVE HANDHAVING

6

BUDGETTEREN

7

KWALITEITSBORGING

8

BIJLAGEN

Functioneel Parket van het Openbaar Ministerie. DCMR is aangesloten bij deze landelijke ontwikkeling maar zal vooral vanuit OD.nl aangesloten zijn op de doorontwikkeling die in 2023 beschikbaar moet zijn. De interventietoolbox is op dit moment gericht op inzet vanuit het strafrecht maar de bestuursrechtelijke interventies gaan mogelijk ook een plaats krijgen. Het gebruik van deze toolbox kan leiden tot een breder pallet van mogelijke interventies om van daaruit zo effectief en efficiënt mogelijk de inzet en capaciteit van de DCMR te benutten. LANDELIJKE EN REGIONALE AANPAK MILIEUCRIMINALITEIT Een klein deel van de milieuovertredingen is dusdanig ernstig dat het te definiëren is als middelzware of zware milieucriminaliteit. Dit vereist vaak regionale of landelijke aanpak. De samenwerking met regionale en landelijke organisaties (waaronder ILT-IOD) zetten wij proactief in. We maken hierbij gebruik van kennis en expertise die DCMR zelf niet bezit.

5.4

GEDOOGSTRATEGIE

De gedoogstrategie legt vast onder welke voorwaarden handhavend optreden tegen overtreders tijdelijk achterwege kan blijven. Handhaven blijft het uitgangspunt en gedogen is uitzonderlijk. De algemene landelijke nota ‘Grenzen aan gedogen’ vormt het landelijk kader voor gedogen. Bij gedogen hanteert DCMR de volgende uitgangspunten: • Handhaven moet, tenzij er sprake is van bijzondere omstandigheden. Gedogen dient zoveel mogelijk beperkt te blijven in omvang en tijd. • Gedogen gebeurt expliciet en na een zorgvuldige en transparante afweging van belangen. • In het geval van een gedoogsituatie vindt actief toezicht plaats. Dit toezicht richt zich op de vraag of de redenen om te gedogen nog steeds gegrond zijn en of er sprake

is van naleving van de opgelegde beperkingen en voorschriften. Op grond van jurisprudentie van de bestuursrechter en op basis van het landelijk gedoogbeleid is gedogen alleen gerechtvaardigd in uitzonderlijke omstandigheden. Daarbij gaat het bijvoorbeeld om: • Situaties waarin overmacht een rol speelt. Indien een rechtvaardigingsgrond voor de overtreding bestond, is volgens artikel 5:5 Awb handhaving niet toegestaan. Er is dan een wettelijke plicht tot gedogen.

• Overgangssituaties. Het kan hierbij gaan om situatie waarbij concreet zicht is op legalisatie, bedrijfsverplaatsingen, beëindiging van een activiteit, experimenten, et cetera. • Gevallen waarin het achterliggende belang overduidelijk beter is gediend met gedogen. • Gevallen waarin het opleggen van een last onevenredig is in verhouding tot de belangen die met handhaving zijn gediend.

29 van 75

INHOUD

VOORWOORD EN SAMENVATTING

1

INLEIDING

2

MEERJARENPROGRAMMA

3

DOORTASTEND VERGUNNEN

4

EFFECTIEF TOEZICHT

5

CONSEQUENTE, VOORT­VARENDE EN INNOVATIEVE HANDHAVING

6

BUDGETTEREN

7

KWALITEITSBORGING

8

BIJLAGEN

DE GEDOOGBESCHIKKING Wanneer DCMR op basis van de relevante uitgangspunten aan het bevoegd gezag adviseert om een situatie te gedogen, is het nodig een gedoogbeschikking af te geven. Het gedogen van een in beginsel illegale situatie kan namelijk alleen door middel van een expliciete beschikking van het bevoegd gezag. Het gedoogtraject stopt niet wanneer de gedoogbeschikking met voorwaarden is afgegeven. Gedurende de looptijd van de beschikking ziet de DCMR toe op de naleving van de aan de beschikking verbonden voorwaarden.

30 van 75

INHOUD

6

VOORWOORD EN SAMENVATTING

1

INLEIDING

2

MEERJARENPROGRAMMA

3

DOORTASTEND VERGUNNEN

4

EFFECTIEF TOEZICHT

5

CONSEQUENTE, VOORT­VARENDE EN INNOVATIEVE HANDHAVING

6

BUDGETTEREN

7

KWALITEITSBORGING

8

BIJLAGEN

BUDGETTEREN

Het beschikbare budget vormt een belangrijk kader voor de inrichting van de vergunnings-, handhavings- en toezichtstaken. Om te waarborgen dat de uitvoering op een toereikend niveau plaatsvindt, is het van belang dat het budgettair kader op een transparante wijze is afgestemd op de aard en de omvang van het bedrijvenbestand. 6.1

INLEIDING

Het gaat hierbij om de bedrijfsgebonden taken met een wettelijke basis. Het budget zoals dat met de budgetteringsmethode berekend wordt, zal als regel het grootste deel van het werkplanbudget omvatten. Het is daaraan echter niet gelijk. Ieder werkplan kent naast de wettelijke bedrijfsgebonden taken ook andere posten, wettelijk, alsook niet-wettelijk. Omdat het voor de provincie om omvangrijk en complexe bedrijven gaat, is de uitwerking voor bedrijven die onder bevoegd gezag van de provincie vallen veel gedetailleerder dan die voor gemeenten bedrijven. Om die redenen zijn beiden apart beschreven in bijlage 2. Daarnaast maakt voor de provincie de inzet op voorvallen en incidenten bij bedrijven (nog) geen onderdeel uit van de kostprijssystematiek, omdat de inzet hiervoor doorgaans omvangrijk en onvoorspelbaar is. Het met de systematiek berekende budget vormt een uitgangspunt voor de werkplanbesprekingen. Dit uitgangspunt staat garant voor een basis kwaliteitsniveau, waarbij de mogelijkheid bestaat om bestuurlijke wensen toe te voegen. Voor de VTH-taken past het gemeentelijk kwaliteitsniveau van de werkplannen 2021 bij dit uitgangspunt. Om die reden en vanwege transparantie

is afwijken naar beneden alleen gemotiveerd mogelijk. Hiermee blijft de budgettering ook voor de participanten onderling transparant.

6.2

UITGANGSPUNTEN BUDGETSYSTEMATIEK

DCMR hanteert voor de budgetsystematiek de volgende uitgangspunten: • Er wordt gewerkt met bedrijfskentallen. Het bedrijfskental staat voor de bewerkelijkheid van een bedrijf, uitgedrukt in een gemiddeld aantal uren per jaar. Impliciet zijn daarmee in het bedrijfskental de structurele factoren milieurelevantie, grootte en juridische status verdisconteert. • Een vast deel van het budget wordt gereserveerd voor de zogenoemde borgingstaken. • De omvang en aard van het bedrijvenbestand van een participant is bepalend voor de hoogte van het budget. • Voor Wabo-toezicht geldt dat het intrinsiek risico (themascores per branche voor gemeenten en per installatie voor PZH) medebepalend is voor de hoogte van het deelbudget voor Wabo-toezicht. • Uitvoering van het MJP 2023-2026 past binnen de basis.

31 van 75

INHOUD

6.3

VOORWOORD EN SAMENVATTING

1

INLEIDING

2

MEERJARENPROGRAMMA

DE BUDGETTERINGSSYSTEMATIEK OP HOOFDLIJNEN

De budgetteringsssystematiek kent de volgende indeling in clusters: • Reguleren • Wabo-toezicht • Handhaving • Bezwaar en beroep • Borgingstaken • Seveso/Brzo-toezicht • Overige VTH-taken Voor de eerste vijf clusters is een budgetteringssystematiek uitgewerkt. Het cluster Seveso/Brzo-toezicht geldt alleen voor de provincie, omdat sinds 2016 alle Brzo-plichtige bedrijven onder bevoegd gezag van de provincie vallen. Het cluster Overige VTH-taken bevat niet-bedrijfsgebonden taken, bestuurlijke wensen en overige wettelijke VTH-taken die niet onder de andere clusters vallen (bijvoorbeeld EPRTR-beoordelingen). Voor de VTH-taken die onder de eerste vijf clusters vallen zijn bedrijfskentallen afgeleid. Het intrinsiek risico en de in het MJP opgenomen focuspunten bepalen de prioriteiten. Voor de bedrijven die onder provinciaal bevoegd gezag vallen, is dit gedetailleerd uitgewerkt in een actualisatieprogramma voor reguleren en toezichtactiviteiten per installatie voor toezicht. Dit levert een uniek budget per bedrijf op. Hierbij zijn voorvallen en incidenten niet meegenomen in de systematiek. Vanwege het grote aantal bedrijven is dit voor bedrijven die onder gemeentelijk bevoegd gezag vallen uitgewerkt per branche in plaats van per bedrijf. Hoe hoger de themascores en hoe meer focuspunten van toepassing zijn voor een branche – en hoe hoger daarmee het intrinsiek risico is –

3

DOORTASTEND VERGUNNEN

4

EFFECTIEF TOEZICHT

5

CONSEQUENTE, VOORT­VARENDE EN INNOVATIEVE HANDHAVING

6

BUDGETTEREN

7

KWALITEITSBORGING

8

BIJLAGEN

hoe hoger de gemiddelde inzet per bedrijf in een branche zal zijn. Omdat niet alle bedrijven in een branche een gelijke juridische status hebben (vergunningplichtig, meldingplichtig of informatieplichtig) of van gelijke zwaarte zijn, is onderscheid gemaakt naar zwaarte en juridische status. Dit levert een uniek budget op per type en categorie, waarmee de basis gevormd is voor de bedrijfskentallen. Voorvallen en incidenten maken al wel onderdeel uit van de gemeentelijke systematiek. Voor zowel bestuursrechtelijke als strafrechtelijke handhaving werken wij met een opslagpercentage. Ook voor bezwaar en beroep wordt gewerkt met een opslagpercentage. BORGINGSTAKEN Op basis van de wet gelden eisen die erop neerkomen dat in de uitvoering van VTH-taken een complete plan-docheck-act cyclus (inclusief kwaliteitsborging) moet zijn opgenomen. Activiteiten die daarop betrekking hebben zijn: meerjarenprogrammering, uitvoeringsprogramma’s, monitoring, omgevings- en risicoanalyse, planning en control, werkinstructies en protocollen, plannen van aanpak (onder meer voor sancties, gedoogbeleid, en vergunning), volgen van ontwikkelingen in beleid en regelgeving voor VTH-taken en het voeren van overleg met externe partners.

Dergelijke taken vatten wij hier samen met de term ‘borgingstaken’. Voor deze ‘borgingstaken’ wordt in totaal 6500 uur uit het gezamenlijke budget van de participanten ingezet. Dit komt in de huidige situatie overeen met 2,5 procent. Elke participant draagt bij aan deze borgingstaken, naar rato van de zwaarte van het bedrijvenbestand waarvoor de participant bevoegd gezag is. Het budget voor de borgingstaken is onderdeel van het budget dat op basis van de bedrijfskentallen wordt bepaald. Het is

32 van 75

INHOUD

VOORWOORD EN SAMENVATTING

1

INLEIDING

2

MEERJARENPROGRAMMA

dus niet additioneel. In bijlage 3 staan de borgingstaken nader toegelicht.

6.4

AFSPRAKEN

Bij de methodiek voor budgettering horen de volgende afspraken: • Het budget fluctueert met de omvang en de opbouw van het bedrijvenbestand. Komen er bedrijven bij, of gaan ze naar een zwaardere categorie (voor bedrijven waarvoor de provincie bevoegd gezag is, gaat het hier om een uitbreiding van het aantal installaties), dan stijgt het berekende budget en omgekeerd. • Bedrijfskentallen en de omvang van de borgingstaken kunnen alleen door het Algemeen Bestuur worden vastgesteld en gewijzigd (dus niet door individuele participanten). • Het berekende budget voor gemeenten fungeert als referentie bij de vaststelling van de jaarlijkse budgetten in het kader van het werkplan. Hiervan kan slechts in bijzondere gevallen gemotiveerd worden afgeweken. Dat kan bijvoorbeeld het geval zijn waarbij de categorie indeling veel hoger is dan overeenkomt met wat noodzakelijk, bijvoorbeeld als er wel een vergunning is verleend maar geen relevante bedrijfsactiviteit plaatsvindt. In dat geval is een verlaging van het budget ten opzichte van wat berekend is mogelijk.

3

DOORTASTEND VERGUNNEN

4

EFFECTIEF TOEZICHT

5

CONSEQUENTE, VOORT­VARENDE EN INNOVATIEVE HANDHAVING

6

BUDGETTEREN

7

KWALITEITSBORGING

8

BIJLAGEN

De relatie tussen de diverse delen van het werkplanbudget wordt in het figuur hieronder verduidelijkt:

TOTAAL WERKPLAN

TOTAAL VTH-TAKEN

Deel werkplan buiten basistaken VTH: bodem, ruimtelijke advisering, WABO regie, enz.

Borging 2,5%

METHODIEK BUDGETTEREN (BEDRIJFS­KENTALLEN)

Andere VTH-taken: vergunningaanvragen, meldingen, inspecties na overtredingen, enz.

Geprogrammeerde preventieve controles: risicogestuurd conform Toezichtsstrategie

33 van 75

INHOUD

7

VOORWOORD EN SAMENVATTING

1

INLEIDING

2

MEERJARENPROGRAMMA

3

DOORTASTEND VERGUNNEN

4

EFFECTIEF TOEZICHT

5

CONSEQUENTE, VOORT­VARENDE EN INNOVATIEVE HANDHAVING

6

BUDGETTEREN

7

KWALITEITSBORGING

8

BIJLAGEN

KWALITEITSBORGING

In de voorafgaande hoofdstukken is beschreven hoe DCMR de taken op het gebied van vergunningverlening, toezicht en handhaving de komende jaren effectief en innovatief inricht. Vervolgens is het noodzakelijk om deze werkwijzen - ook op basis van wettelijke eisen - in de daadwerkelijke uitvoering van het werk te borgen. Aan de uitvoering van VTH-taken moet een complete plan-do-check-act cyclus (inclusief kwaliteitsborging) ten grondslag liggen. De taken die hieronder vallen worden in dit plan samengevat met de term ‘borgingstaken’. Bekijk hier de bijlage 3.

7.1

BORGING VAN DE WERKWIJZE

Het is van groot belang dat alle medewerkers van DCMR zich bij de uitvoering van de VTH-taken houden aan de in dit plan vastgelegde principes en methodes. De borging daarvan en kwaliteitscontrole daarop als onderdeel van het risicomanagement vindt langs verschillende wegen plaats. In het onderstaande komen deze kort aan de orde. In de directe aansturing van medewerkers door hun leidinggevenden is de uitvoeringskwaliteit regelmatig onderwerp van bespreking. De resultaten van reviews en audits kunnen hiervoor aanleiding zijn, maar ook dilemma’s die optreden bij de uitvoering van het werk. De roulatie van medewerkers heeft de aandacht, net als het opleidingsniveau en de eisen die daaraan kunnen worden gesteld. Ook de kritische massa van medewerkers conform de landelijke kwaliteitscriteria zien wij als een aandachtspunt. Werkprocessen staan beschreven in het ‘Handboek voor de inspecteur’ en in de ‘Handleiding in stappen voor de vergunningverlening en adviseurs’ die periodiek worden

geactualiseerd; steekproefsgewijs wordt de werkwijze gecheckt. Daarnaast werken veel teams met dag- of weekstarts waarin de voortgang en verbetering van het werk aan bod komen. Bij deze teams zijn continu verbeterprojecten geweest en dit gebeurt met hulp van de processpecialisten door heel de organisatie. KWALITEITSCRITERIA DCMR heeft kwaliteit hoog in het vaandel staan. Kader stellend daarvoor zijn de kwaliteitseisen uit de Omgevingswet en de door de participanten vastgestelde Verordening kwaliteit vergunningverlening, toezicht en handhaving. Cruciaal voor het leveren van kwaliteitsproducten is de beschikbaarheid van vakmanschap en expertise binnen de verschillende domeinen bijvoorbeeld vergunningverlening, toezicht en handhaving (generiek), juridische aspecten, bouwen, milieu en ruimtelijke ordening.

Participanten gaan in hun vastgestelde verordeningen voor kwaliteit steeds van een minimale omvang uit. De criteria geven de organisaties een ondergrens aan van het aantal medewerkers en hun deskundigheid om de activiteiten in continuïteit te kunnen uitvoeren. De krappe arbeidsmarkt is een aandachtspunt. Daarom zet DCMR in op onder meer recruitment en arbeidsmarktcommunicatie. Om aan de kwaliteitscriteria voor processen te voldoen, volgt DCMR de beleidscyclus

34 van 75

INHOUD

VOORWOORD EN SAMENVATTING

1

INLEIDING

2

MEERJARENPROGRAMMA

(Big 8) en verbetert DCMR continu de processen, producten en manier van werken. Bovendien onderzoeken wij met een Klanttevredenheidsonderzoek (KTO) regelmatig bij bedrijven, melders bij de meldkamer en externe partners hoe tevreden mensen zijn over onze producten en dienstverlening. DCMR rapporteert in het jaarverslag of aan deze criteria is voldaan. Om de rapportage hierop binnen de provincie te uniformeren, werkt de dienst mee in een provinciale werkgroep. REVIEWS Binnen DCMR onderzoekt een reviewpoule een bedrijfsproces (borging van de doelrealisatie), een casus of bedrijfsdossier (diagnostisch onderzoek, learning history) of compliance. Externe en interne (wet- en) regelgeving en procedureafspraken vormen input voor het referentiemodel, dat als basis van het onderzoek wordt opgesteld. Na afronding van het onderzoek wordt de uitvoering nadrukkelijk betrokken bij de uitkomsten. Dit zorgt voor een managementreactie en follow up van afspraken.

Verschillende signalen vanuit de organisatie, stakeholders of de risicomanagementcyclus kunnen leiden tot een review. Het doel is om kritisch te kijken naar de beheersing van risico’s met het oog de interne processen en om samenwerking te verbeteren. ‘Niet-bij-het-dossier betrokken’ reviewers voeren het onderzoek uit. De Auditcommissie DCMR stelt de reviewonderwerpen vast, monitort de voortgang en bespreekt de uitkomsten. Ook resultaten van (externe) audits, benchmarks en de interne risicomanagementcyclus worden hier geagendeerd als onderdeel van kwaliteitsborging.

3

DOORTASTEND VERGUNNEN

4

EFFECTIEF TOEZICHT

5

CONSEQUENTE, VOORT­VARENDE EN INNOVATIEVE HANDHAVING

6

BUDGETTEREN

7

KWALITEITSBORGING

8

BIJLAGEN

COLLEGIALE TOETS EN VISITATIE DCMR neemt deel aan de collegiale toetsen die landelijk worden georganiseerd door ODNL, waarbij omgevingsdiensten elkaar onderling bevragen op de procescriteria zoals die voor de milieutaken zijn vastgelegd in de Omgevingswet. Ervaringen delen en van elkaar leren staat in die aanpak voorop.

In navolging van het rapport van de Commissie van Aartsen is in 2022 een visitatiemethodiek geïntroduceerd waarbij een volgende ontwikkelstap naar continue verbetering, transparantie en verankering richting bestuur van omgevingsdiensten wordt gemaakt. Belangrijke elementen zijn de onafhankelijke voorzitter en de openbaarheid van de rapportage.

7.2

OVERIGE ACTIVITEITEN GERICHT OP KWALITEITSBORGING

INTERBESTUURLIJK PROGRAMMA VERSTERKING VTH-STELSEL In 2021 concludeerde de bestuurlijke Commissie Van Aartsen dat het stelsel van omgevingsdiensten niet goed functioneert: het is te vrijblijvend en gefragmenteerd. Door het ministerie van I&W, IPO, VNG en de gezamenlijke omgevingsdiensten is daarom een verbeterprogramma opgesteld, dat bestaat uit zes pijlers. In dit interbestuurlijk programma werken diensten aan onder meer verbetering van de VTH-informatievoorziening, kwaliteit en kennisuitwisseling, betere afspraken over mandaten en financieringsstructuur en het versterken van de aanpak van milieucriminaliteit. DCMR neemt actief deel aan de projecten van het Interbestuurlijk Programma (IBP).

35 van 75

INHOUD

VOORWOORD EN SAMENVATTING

1

INLEIDING

2

MEERJARENPROGRAMMA

WGR Op 1 juli 2022 is de Wet gemeenschappelijke regelingen (WGR) gewijzigd. Het doel van de wijziging is het versterken van de betrokkenheid van gemeenteraden en provinciale staten bij het werk van gemeenschappelijke regelingen. Dit vraagt een betere informatievoorziening tussen DCMR en de raads- en statenleden. Er komen nieuwe afspraken over participatie en de wijze waarop via zienswijzen inbreng kan worden geleverd.

De aanpassing van de wet wordt voorbereid samen met de participanten. Met de gemeenten en provincie verkennen wij welke informatie zal worden uitgewisseld en hoe participatie concreet kan worden ingevuld. Daarbij bouwt DCMR ook voort op de bestaande praktijk, zoals de bezoeken van gemeenteraden aan DCMR en de toelichting vanuit de dienst in raads- of statencommissies.

3

DOORTASTEND VERGUNNEN

4

EFFECTIEF TOEZICHT

5

CONSEQUENTE, VOORT­VARENDE EN INNOVATIEVE HANDHAVING

MANDATEN Mandaten vanuit de participanten bepalen het werkveld van DCMR. Over alle dossiers (waar DCMR mandaat voor heeft) waar iets speelt, zoals bijvoorbeeld een dwangsom of vergunningprocedure, vindt communicatie plaats met de participanten. De participant wordt geïnformeerd en in ambtelijke en bestuurlijke overleggen vindt toelichting plaats.

DCMR heeft voor de invoering van de Omgevingswet alle participanten een standaard mandaten en takenpakket aangeboden. Elke gemeente kan kiezen of ze het standaard pakket door DCMR laten uitvoeren, of sommige mandaten niet en andere taken juist als extra.

6

BUDGETTEREN

7

KWALITEITSBORGING

8

BIJLAGEN

PROGRAMMA’S DCMR werkt met programma’s. Deze lopen over alle afdelingen heen en zijn afhankelijk van de opgaves. De programma’s zijn: Verduurzaming Industrie, Circulaire Economie en Energie Transitie van de bebouwde omgeving, Milieucriminaliteit, Implementatie AADV, Complexe bedrijfsdossiers onder provinciaal bevoegd gezag, Complexe bedrijfsdossiers onder gemeentelijk bevoegd gezag, Organisatieontwikkeling en Data gedreven organisatie. Het Algemeen Bestuur is op 9 december 2021 akkoord gegaan met een vierjarig programma Energietransitie en Circulaire Economie (2022 – 2025, zie hoofdstuk 2).

WET OPEN OVERHEID De Wet open overheid (Woo) is de opvolger van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob). De wet beoogt meer transparantie over overheidsbesluiten en een meer proactieve informatievoorziening vanuit overheidsorganisaties. De wet bepaalt welke besluiten en documenten actief openbaar moeten worden gemaakt.

Voor DCMR gaat dat bijvoorbeeld om vergunningen en handhavingsbesluiten en ook om besluiten van het dagelijks en algemeen bestuur. Op dit moment wordt een deel van de besluiten zoals beschreven in de Woo al bekendgemaakt op onze website dcmr.nl. Voor het implementeren van de Woo geldt een termijn tot 2026. DCMR zal gebruik maken van het nieuwe landelijk instrument voor openbaarmaking en zal zorgdragen dat tijdig aan de nieuwe eisen wordt voldaan.

36 van 75

INHOUD

VOORWOORD EN SAMENVATTING

1

INLEIDING

2

MEERJARENPROGRAMMA

ORGANISATIEONTWIKKELING DCMR zet in op een traject van organisatieontwikkeling. Dit niet alleen vanuit onze visie, maar dit is ook wat de toekomst en de buitenwereld van DCMR vraagt. Verschillende aspecten hiervan zijn: digitalisering (zoals AADV), data-gedreven werken, opgavegericht werken (voor participanten) en werken aan kwaliteit. Kwaliteit en Datagericht werken worden hieronder nader toegelicht. KWALITEIT De vier aspecten van kwaliteit bij DCMR zijn: 1) op tijd leveren, 2) kwaliteit van producten en diensten, 3) organisatiekwaliteit en 4) tevredenheid stakeholders of klanttevredenheid (KTO). Hiertoe hebben wij een Strategisch Kader Kwaliteit vastgesteld. Jaarlijks inventariseren wij én de doelen en activiteiten op kwaliteit en bepalen wij de inzet voor vervolg. Op die manier is werken aan kwaliteit een continu onderdeel van het werk geworden. DATAGEDREVEN ORGANISATIE Om waardevolle informatie uit betrouwbare data via een transparant proces te leveren, brengen we onze informatiehuishouding op orde en zorgen wij voor goede, betrouwbare informatieproducten. Dit doen wij op basis van een organisatie brede informatiestrategie die in 2021 is vastgesteld.

Deze informatiestrategie geeft de komende jaren richting aan de doorontwikkeling van de informatievoorziening, zodat we niet alleen onze medewerkers maar ook onze participanten, burgers en bedrijven van goede informatie(producten) kunnen voorzien.

De doorontwikkeling van de data gedreven organisatie vindt plaats in een programma waaraan de zogeheten Chief Data Officer leiding geeft. Dit betreft een veranderopgave en raakt vooral de manier waarop wij samenwerken in projectteams. Voorbeelden van de uitkomsten van het programma zijn:

3

DOORTASTEND VERGUNNEN

4

EFFECTIEF TOEZICHT

5

CONSEQUENTE, VOORT­VARENDE EN INNOVATIEVE HANDHAVING

6

BUDGETTEREN

7

KWALITEITSBORGING

8

BIJLAGEN

• Gegevensregisters: zorgen datakwaliteit continue op orde blijft • Data loket: één loket voor data aanvragen van buiten DCMR • Multi-disciplinaire datateams: opgavegericht samenwerken aan innovatieve dataproducten

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.albrandswaard.nl/api/v1/meetings/3598/documents/29191