CConstaterende datAlbrandswaard
Koppel je AI →
Document · PDF

31. 2025-037206 Raadsvoorstel Zienswijze begrotingswijziging  2025 en begroting 2026 GRJR.pdf

Gemeenteraad AW 2 juni 2025, gemeente AlbrandswaardBij agendapunt: 5: Ingekomen stukken37.303 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

3. Jeugdigen groeien zoveel mogelijk op binnen een (pleeg)gezin

10

Wanneer jeugdigen niet langer thuis kunnen wonen groeien ze zoveel mogelijk op binnen een pleeggezin/gezinshuis. Het aanbod van pleegouders/gezinshuizen is zo dat te allen tijde een beroep gedaan kan worden op een pleegouder. Eventuele alternatieve gezinssituaties worden gecreëerd om te voorkomen dat een tekort aan plekken ontstaat. Er is inzet op behoud van pleegouders/gezinshuizen. Daarbij is een versterking van de samenwerking tussen de opdrachtnemer en de casusregisseur noodzakelijk.

4. Minimale inzet van bedden Het perspectief is altijd gericht op behandeling in afstemming met gezin en onderwijs. Daarbij worden bedden zo kort mogelijk ingezet, maar wel zo lang als nodig. Dit vraagt om domein overstijgend denken, omdat kinderen zelden enkelvoudige problematiek hebben. De beschikbare bedden zijn daarom ook flexibel inzetbaar, zodat ook voor jeugdigen in de residentiële zorg opvoeden en opgroeien normaliseert en waar mogelijk het sociale netwerk ingezet wordt. Daar waar thuis blijven wonen echt niet (meer) mogelijk is, is het van belang dat er voldoende capaciteit voor langdurige opvang beschikbaar is met de mogelijkheid om integrale zorg te bieden.

5. Kosteneffectiviteit De Opdrachtnemer heeft inzicht in de ingezette dienstverlening op clientniveau in tijd, hoeveelheid en kwaliteit, zodat Opdrachtnemer dit kan koppelen aan de opdrachtverstrekking van de Opdrachtgever. Opdrachtnemer maakt inzichtelijk hoe de opdrachtnemer inzet op een efficiëntere bedrijfsvoering met als doel de effectiviteit van de jeugdhulp te vergroten. Randvoorwaarden: •

opdrachtnemer heeft inzichtelijk welke hoeveelheid en type jeugdhulp ingezet is per jeugdige;

•

opdrachtnemer meet het resultaat van deze hoeveelheid en kwaliteit van zorg, waarbij hij ook inzichtelijk heeft of het bereikt wordt met de ingezette dienstverlening;

•

opdrachtnemer onderzoekt of een andere hoeveelheid en kwaliteit van zorg tot betere resultaten zou leiden.

Met de aanbieders van forensische hulp zijn ontwikkelthema’s afgesproken: 1. Passend aanbod voor 18+’ers met (jeugd)reclassering Het doel hierbij is om voldoende passend aanbod te creëren voor jongeren van 18 jaar en ouder die te maken hebben met (jeugd)reclassering, inclusief jongeren die onder ASR (Adolescenten Strafrechtrecht) vallen. Het streven is om deze jongeren een toekomstperspectief te bieden. Er wordt specifiek gekeken naar het vraagstuk rondom verblijf en de overgang naar bijvoorbeeld de Wmo (Wet maatschappelijke ondersteuning).

2. Transforensische hulp Deze vorm van hulp is gericht op de continuïteit van zorg voor jongeren voor, tijdens en na detentie, zowel in Justitiële Jeugd Inrichtingen (JJI's) met verschillende beveiligingsniveaus als in de Kleinschalige Voorziening Justitiële Jeugd (KVJJ) met een lager beveiligingsniveau. Deze initiatieven zijn gericht op het verbeteren van de zorg en de ondersteuning voor jongeren die betrokken zijn bij (jeugd)reclassering en jongeren die in detentie zitten, om zo een effectievere en naadloze overgang naar de samenleving te bevorderen.

2.2.4

Transformatie residentiële jeugdhulp

De transformatie van de residentiële jeugdhulp is in de Regiovisie een belangrijke ambitie en wordt ook landelijk gestimuleerd. In de regio Rijnmond is dit in de eerste plaats onderdeel van de ontwikkelopgaven. Daarnaast stuurt de rijksoverheid specifiek aan op de transformatie van residentiële jeugdhulp in gesloten voorzieningen (JH+) en zogenaamde driemilieuvoorzieningen (verblijf + zorg + onderwijs). De af- en ombouw is een complex proces met veel betrokken partijen en grote bedrijfsmatige uitdagingen voor de betrokken zorgaanbieders. Gemeenten zijn 11

ondertussen verantwoordelijk voor continuïteit van deze cruciale jeugdhulp en voor de af- en ombouw. Inmiddels is er een rijksregeling (specifieke uitkering, SPUK) om incidentele kosten van af- en ombouw te vergoeden. Deze geldstroom is inzetbaar voor de transformatie van regionaal ingekochte hulp, en loopt via coördinerende gemeente Rotterdam in plaats van de GRJR. Structureel hogere zorgkosten (zoals hoger tarief vanwege minder kinderen per groep of zwaardere wettelijke eisen) zijn voor rekening van gemeenten en lopen via de GRJR. ➔

De GRJR overweegt een landelijke pilot om afbouw van de residentiële jeugdhulp langjarig te monitoren.

Naast de specifieke transformatie van de gesloten voorzieningen wordt met de systeemaanbieders gewerkt aan goedkopere alternatieve hulp voor jeugdigen uit deze doelgroep. In het reguliere hulpaanbod zijn voor deze groep lacunes waardoor bijvoorbeeld moet worden teruggegrepen op 1-op-1 begeleiding in open instellingen. Dit is zowel om zorginhoudelijke als financiële redenen onwenselijk. ➔

In 2025 loopt een RBOK-project om voor de benodigde alternatieven een maatschappelijke businesscase op te stellen.

2.2.5

Landelijk ingekochte jeugdhulp (LTA)

Zeer specifieke jeugdhulp is landelijk ingekocht, vooral bij specialistische klinieken waar met name medische verwijzers rechtstreeks een beroep op doen. Gemeenten betalen via de GRJR de rekening. ➔

We zien de aantallen jeugdigen en de kosten van LTA jaarlijks stijgen maar de grip hierop is beperkt. Daarom willen we hulp zoveel mogelijk via de regionale contracten. Daarnaast is de GRJR zeer actief in de landelijke aanpak om de beheersing van de LTA te verbeteren.

2.2.6

Buitenregionale hulp

De Jeugdwet bepaalt dat de gemeente waar de jeugdige volgens de Basisregistratie Personen (BRP) zijn woonadres heeft, verantwoordelijk is voor de inzet van jeugdhulp en de daarmee gemoeide kosten. Bij jeugdhulp met verblijf geldt als woonplaats de gemeente waar de jeugdige onmiddellijk voorafgaand aan een of meerdere verblijfstrajecten zijn woonadres volgens de BRP had. Door dit uitgangspunt kan het voorkomen dat een jeugdige van een aanbieder elders in het land (buitenregionaal) hulp ontvangt voor rekening van een gemeente in de GRJR. Daarnaast vinden als gevolg van wettelijke verwijzingen directe plaatsingen buiten de regio plaats die via een subsidie (bij pleegzorg) of via maatwerkovereenkomsten worden bekostigd. ➔

De inzet is om de buitenregionale plaatsingen en maatwerkovereenkomsten te beperken.

2.2.7

Regionaal contractmanagement

De kerntaak van de GRJR bij alle beschreven ontwikkelingen is het contractmanagement. De programmamanager zorglandschap, contract- en accountmanagement zijn de verbindende factor van de inkoop en subsidie tussen gemeenten en aanbieders. Dit betreft zowel systeemen prestatieaanbieders als flexaanbieders, gesloten jeugdhulpaanbieders, gecertificeerde instellingen voor jeugdbescherming/jeugdreclassering en Veilig Thuis. De regiovisie en de inkoop- en subsidieafspraken zijn hierin leidend. Account- en contractmanagers zijn verantwoordelijk voor het geheel van activiteiten dat ervoor zorgt dat alle contractpartijen en gesubsidieerde instellingen aan hun verplichtingen voldoen en kunnen voldoen.

12

Daarnaast speelt account- en contractmanagement in op wijzigende omstandigheden om de bestuurlijke doelstellingen te behalen. Thema’s hierbij zijn onder andere de RBOK, de Hervormingsagenda Jeugd en het Toekomstscenario Kind- en Gezinsbescherming. Andere aandachtsgebieden binnen contractmanagement zijn: sturing op kostenbewuste zorgbemiddeling, minder maatwerkcontracten, passende en betaalbare zorg op basis van landelijke contracten (LTA), vermindering van wachttijden en juiste uitvoering van hoofd- en onderaannemerschap. Contractmanagement stuurt datagedreven op de afgesproken prestaties, KPI’s en budgetvolumes. Contractmanagement signaleert en bespreekt knelpunten, ook op zorgkwaliteit. En contractmanagement stelt de bedrijfsvoering van aanbieders aan de orde, vooral waar het gaat om overhead, efficiënt werken, ziekteverzuim, in- en uitstroom. Net de inzet van audits controleert contractmanagement de uitvoering op deze aspecten. Gestuurd wordt om afspraken na te komen, samenwerking te bevorderen en oplossingsgericht te werk te gaan. Met als ultiem doel een dekkend zorglandschap en daarmee goede jeugdhulp in de regio binnen de budgettaire kaders. 2.2.8

Landelijke Hervormingsagenda en kostenbeheersing Jeugd

De kosten van de jeugdhulp stijgen onbeheersbaar terwijl de rijksoverheid de gemeenten hiervoor onvoldoende compenseert. VNG en Rijksoverheid hebben over financiële maatregelen een akkoord gesloten in de vorm van de landelijke Hervormingsagenda Jeugd. Met daarbij afspraken die meer helderheid moeten geven over de inhoudelijke opgaven, de financiën en de opdracht van een zogenoemde deskundigencommissie. Aan de hand van de gedane inspanningen van betrokken partijen (met name gemeenten), geeft de deskundigencommissie zwaarwegend advies over onder andere de benodigde financiële middelen voor de toekomst. Deze commissie komt in 2025 met een eerste rapport. De Hervormingsagenda Jeugd bevat veel afspraken om de jeugdzorg te verbeteren en financieel houdbaar te krijgen. Doel is om het stelsel en de uitvoering te verbeteren en over (wettelijke) grenzen heen te gaan. De Hervormingsagenda is verdeeld in zes opgaven (implementatielijnen): 1. Afbakenen en verduidelijken wat jeugdzorg is (reikwijdte van de Jeugdwet); 2. Stevige lokale teams (incl. stevigere verbinding met aangrenzende domeinen) en toegang; 3. Terugdringen residentiële jeugdhulp: zo thuis mogelijk; 4. Kwaliteitsverbetering en blijvend leren; 5. Regionale en landelijke inkoop en organisatie van de specialistische zorg; 6. Verbeteren inzicht in het functioneren van het jeugdstelsel met data en monitoring.

De maatregelen tellen op landelijk niveau op tot een bedrag van ruim €1 miljard (in 2027) waar gemeenten verantwoordelijk voor zijn om zelf terug te verdienen. De €1 miljard betekent vrij vertaald voor onze regio circa €87 mln. De gemeenten zijn direct verantwoordelijk voor opgaven (2) Stevige lokale teams en toegang en (5) Regionale en landelijke inkoop en organisatie. In onze regio is door de deelnemende gemeenten een programmateam gevormd dat hier verdere uitwerking aan geeft. Het programmateam is samengesteld uit medewerkers van deelnemende gemeenten en de GRJRuitvoeringsorganisatie. Veel zaken liggen immers beleidsmatig bij gemeenten maar vragen 13

tegelijkertijd regionale afstemming zowel tussen de gemeenten als met de GRJR. De GRJR is stevig vertegenwoordigd op landelijk niveau, bestuurlijk en ambtelijk, om de belangen van gemeenten te vertegenwoordigen. (2) Stevige lokale teams De ontwikkeling van stevige lokale teams is van cruciaal belang voor het slagen van de beoogde hervorming en besparing, maar valt buiten de taak van de GRJR. (5) Regionale en landelijke inkoop en organisatie van de specialistische zorg Opgave 5 moet grotendeels op landelijk en regionaal niveau uitgevoerd worden. Door bijvoorbeeld standaardisatie gaan bedrijfsvoeringskosten van aanbieders (en gemeenten) omlaag. In dit verband is zijn er landelijke contractstandaarden gemaakt en komt er een algemene maatregel van bestuur waarin wordt bepaald welke zorgvormen tenminste regionaal moeten worden ingekocht. Ook is een ministeriële regeling aangekocht waarin wordt voorgeschreven welke administratie processen op regionaal niveau moeten worden uitgevoerd. (zie ook paragraaf 1.3.2). Dit werkt bij aanbieders door in een lager overheadpercentage in de tarieven. In het licht van de Hervormingsagenda heeft de regio Rijnmond met de GRJR al een goede basis. Niet alleen zijn we al een gemeenschappelijke regeling, we hebben ook een inhoudelijke visie op transformatie, die richting geeft aan onze inkoop.

De haalbaarheid van gekozen maatregelen (in aansluiting op de huidige taakstelling) is dus vooral afhankelijk van externe factoren, zoals de autonome groei van de vraag naar jeugdhulp en de ontwikkeling op tarieven. Het implementatieplan van de Hervormingsagenda bevat ook beoogde ombuigingsmaatregelen die in onze regio deels al in gang zijn gezet. De opbrengst van de transformatie van de jeugdhulp moet zijn dat lokale inzet tot vermindering van aantal trajecten en/of kosten van regionaal ingekochte jeugdhulp moet leiden. De landelijk voorgerekende besparingen zijn voor onze regio niet allemaal even realistisch omdat de bijbehorende maatregelen in onze regio al zijn toegepast. Voor de lobby richting de rijksoverheid en de VNG vervullen de gemeente Rotterdam en de GRJR een trekkersrol. Regionale Bestuursopdracht Kostenbeheersing In samenhang met de Hervormingsagenda loopt de Regionale Bestuursopdracht Kostenbeheersing (RBOK). Deze opdracht bevat tal van maatregelen binnen de regio om de kostenstijging af te remmen. Het bedrag waarmee de groei kan worden beperkt hangt af van het moment van en nauwkeurigheid waarmee het maatregelenpakket wordt geïmplementeerd. Ook is het effect op lopende zorg nog relatief klein. Daarmee kent het volledige effect van de maatregelen een lange doorlooptijd.

De financiële ambitie van de RBOK is in februari 2024 als volgt afgezet tegen de groei tot en met 2028 zoals in de vorige Kadernota voorspeld: •

2024

10% van de geprognosticeerde groei

€1,7 mln.

•

2025

25% van de geprognosticeerde groei

€5,0 mln.

cumulatief €6,6 mln.

•

2026

50% van de geprognosticeerde groei

€11,7 mln.

cumulatief €18,3 mln.

•

2027

100% van de geprognosticeerde groei

€27,5 mln.

cumulatief €45,8 mln.

•

2028

100% van de geprognosticeerde groei

€32,6 mln.

cumulatief €78,4 mln.

De beoogde besparing ontstaan deels door strakke inkadering van inzet van jeugdhulp, maar deels ook door te zorgen voor minder instroom in en snellere uitstroom uit die hulp. Dat betekent 14

dat de opbrengsten ook in grote afhankelijkheid staan van lokale inzet in aanpalende beleidsterreinen. ➔

De financiële effecten van de RBOK moeten tot uiting komen in neerwaartse druk op de voortdurende uitgavenstijging van de regionaal ingekochte jeugdhulp. Als dit in de realisatiecijfers tot uiting komt werkt het ook door in de begrotingsadviezen die de GRJR aan gemeenten afgeeft.

➔

Het besparingseffect van de RBOK-maatregelen zal de komende jaren per gemeente variëren. Toekomstige effecten die nog niet in de realisatiecijfers tot uiting komen worden als niet in de begrotingsadviezen voor 2026 en verder opgenomen, maar kunnen door gemeenten mits voldoende onderbouwd in de eigen begroting worden verwerkt. Waar mogelijk vervult de GRJR hierbij een adviserende rol. Effecten van concrete plannen die door gemeenten zijn onderbouwd kunnen worden toegevoegd aan de begrotingsadviezen.

2.3 Jeugdbescherming en Veilig Thuis en Toekomstscenario 2.3.1

Jeugdbeschermingsketen

De GRJR zorgt naast jeugdhulp voor jeugdbescherming/jeugdreclassering en Veilig Thuis. De drie in onze regio werkzame zogenaamde gecertificeerde instellingen (GI’s) en Veilig Thuis (VT) worden door de GRJR gesubsidieerd. Een belangrijk deel van deze taken heeft een directe wettelijke grondslag. Deze diensten zijn onderdeel van de zogenaamde beschermings- en veiligheidsketen (verder: jeugdbeschermingsketen). In de keten werken gemeenten samen met lokale veiligheidspartners en met landelijk georganiseerde partijen zoals de Raad voor de kinderbescherming (RvdK) en rechtbanken. Ook Veilig Thuis is een schakel in deze keten. 2.3.2

Jeugdbescherming/jeugdreclassering

Na een geruime tijd waarin de GI’s en daarmee de bescherming van jeugdigen landelijk onder grote druk stonden, is sinds de invoering van een landelijke bepaalde caseload en landelijke tarieven voor jeugdbeschermingstaken verbetering zichtbaar in het uitvoeren van de taak door de GI’s. We verwachten dat er in 2025 ook een landelijk tarief voor jeugdreclassering wordt ingevoerd. Hieraan conformeert de GRJR zich. De verscherpte bestuurlijke sturing op de GI’s is vanaf eind 2024 niet meer nodig. 2.3.3

Veilig Thuis

De GRJR subsidieert Veilig Thuis Rotterdam Rijnmond (VTRR), het meldpunt voor huiselijk geweld en kindermishandeling, een van de partijen in de veiligheidsketen voor gezin en kind. VTRR ziet een verschuiving in de zwaarte van meldingen, wat leidt tot meer inzet waarop de subsidie meebeweegt. De prestaties van alle Veilig Thuis organisaties in Nederland zijn volgens het inspectieonderzoek dat in het najaar van 2024 is verschenen onder de maat. Alle Veilig Thuis organisaties moeten aan de slag om te verbeteren op de kpi’s, zoals de termijn waarbinnen er contact wordt opgenomen met het kind/gezin. Ook VTRR. De inhoudelijke sturing doet de GRJR in samenspraak met de drie centrumgemeenten Maatschappelijke Opvang Vlaardingen, Rotterdam en Nissewaard. De financiering voor de 0-18 doelgroep van VTRR verloopt vanuit de GRJR via alle deelnemende gemeenten, de financiering van de 18-100 doelgroep via de centrumgemeente. 2.3.4

Toekomstscenario en kostenbeheersing Kind- en Gezinsbescherming

Er wordt landelijk gewerkt aan verbetering van de veiligheidsketen voor kinderen en gezinnen. Deze keten is complex en knelt. Er is onvoldoende samenhang en te weinig samenwerking. Dit leidt tot inefficiënt werken. De betrokken partijen moeten meer gezinsgericht gaan werken, 15

transparanter en eenvoudiger (geen overdrachten of dubbele taakuitvoering) en meer lerend werken. Het Toekomstscenario Kind- en Gezinsbescherming dat landelijk is geformuleerd, wordt in de regio Rotterdam Rijnmond opgevat als regionale opgave waarbij alle betrokken partners op alle niveaus gezamenlijk verantwoordelijk zijn voor verbetering van de keten. In onze regio is een stuurgroep opgericht met bestuurlijke/directie vertegenwoordiging, die stuurt op de stappen die nodig zijn. De komende jaren zal de regio, als onderdeel van een landelijk gefaciliteerde beweging, een ontwikkeling doormaken die leidt tot realisatie van de beoogde werkwijze. De ontwikkeling vindt plaats vanuit vier perspectieven: • Van de cliënt, die sneller beter passende ondersteuning en hulp ontvangt; • Van de professional, die op een andere manier gaat werken; • Van de organisatiestructuur, waar inrichtingskeuzes gemaakt worden; • Van het juridisch kader, waar het anders werken binnen moet passen. In het Toekomstscenario ligt mede de basis voor de aanpak in stevige lokale teams. Het regionaal uitvoeren van taken beperkt zich tot het bundelen van expertise en bevoegdheden waar het passender is om deze te beleggen op regionaal niveau in Regionale Veiligheidsteams (RVT’s).

Dat vraagt om doorontwikkeling van de lokale teams evenals regionale afstemming; de ontwikkeling van sterke lokale teams en de invoering van de RVT’s zijn communicerende vaten. Anders werken vraagt veranderingen in de inrichting van het systeem. Gemeenten, GI’s, VT en RvdK zijn gezamenlijk eigenaar van de ontwikkeling en voelen zich gezamenlijk verantwoordelijk voor inrichting van het systeem dat de nieuwe manier van werken ondersteunt. Dit systeem zal bestaan uit goed functionerende lokale teams die nauw samenwerken met expertisepartners als RvdK, GI’s, VT, justitiepartners, specialistische hulp en GGZ voor jeugd en volwassenen en expertiseplatforms. Naar verwachting volgt er eind 2024 een landelijk besluit over hoe de Regionale Veiligheidsteams eruit moeten gaan zien. Regionale opdracht toekomstscenario De inrichting van de nieuwe manier van werken wordt momenteel regionaal beproefd. De proeftuin in diverse gemeenten (Nissewaard, Capelle aan den IJssel, Goeree-Overflakkee en Rotterdam) wordt gefinancierd uit rijkssubsidies. Buiten de proeftuinen werken we aan de doelstellingen van het Toekomstscenario met eigen middelen en eigen mensen. Voor de uitvoering van de opdracht stelt de stuurgroep de volgende drie prioriteiten: 1.

Ontwikkel een regionale aanpak waarbij ervaringen uit de praktijk (‘regionaal beproeven’) en landelijke inzichten benut worden voor (door)ontwikkeling, uitwerking en versteviging van beleid en uitvoering binnen de kind- en gezinsbeschermingsketen van 0 tot 100 in de regio. 2. Werk vanuit een cyclische transformatiestrategie waarin ontwikkelvermogen op alle niveaus centraal staat: stimuleer verandervermogen, motivatie en samenwerking en implementeer werkzame elementen in de gehele regio. 3. Ontdubbel, werk slimmer met minder, focus op preventie en vroeginterventie en voorkom dat te snel aan beschermingsmaatregelen wordt gedacht: wanneer is het goed genoeg? Monitoring en evaluatie zijn gericht op een lerende ontwikkeling: leidt de uitvoering van de eerste uitwerking tot de gewenste resultaten, blijft de ontwikkeling in lijn met de visie, hoe kan die ontwikkeling verder geconcretiseerd en versterkt worden? Dit kan heel passend ingevuld

16

worden met een actieonderzoek. De projectgroep Toekomstscenario coördineert en monitort deze ontwikkeling. Kostenbeheersing jeugdbescherming, jeugdreclassering en Veilig Thuis De subsidies voor de GI’s zijn grotendeels gebonden aan wettelijke taken en landelijke dienstverleningsstandaarden en tarieven. De landelijke kaders hebben er juist in de afgelopen periode toe geleid dat de kosten zijn gestegen. Voor de niet-wettelijke taken is er meer vrijheid. Denk hierbij aan consultatie- en adviesuren, die (voorlopig) vaak ook nodig zijn in de samenwerking en versteviging van de lokale teams. Dit maakt het niet eenvoudig om op de GI’s kostenbesparingen te realiseren zoals gemeenten vragen. Meer specifiek hebben de colleges van burgemeesters en wethouders van alle gemeenten in de regio (met uitzondering van Maassluis) hierom in het najaar van 2024 gevraagd in een brief aan alle GR-en in de regio. ➔

Voor de begroting 2026 wordt overlegd over de mogelijkheden en afwegingen om tot 5 à 10% besparing te komen.

De subsidie voor VT is minder gebonden aan landelijke tarieven, maar betreft eveneens voornamelijk wettelijke taken en landelijke dienstverleningsstandaarden. Daarnaast kampt VT net als de GI’s met problemen zoals maatschappelijke ontwikkelingen, arbeidsmarktproblematiek en wachtlijsten voor jeugdhulp. ➔

Daarom zal ook voor VTRR in nauw overleg met de centrumgemeenten voor de begroting 2026 worden overlegd over de mogelijkheden en afwegingen om tot 5 à 10% besparing te komen.

17

3. Taakverdeling en samenwerking 3.1 Inleiding De kaderstelling, sturing en uitvoering van de jeugdhulp in Rijnmond is een samenspel van de volgende partijen: GRJR (bestuur en uitvoeringsorganisatie), individuele gemeenten, gecontracteerde jeugdhulpaanbieders en gesubsidieerde organisaties GI’s en Veilig Thuis. Elk van deze partijen heeft een eigen juridische basis en positie in het stelsel, met bijbehorende taken, bevoegdheden en verantwoordelijkheden. De GRJR neemt hierbij een bijzondere positie in op basis van een taakverdeling en samenwerking met gemeenten.

3.2 Taakverdeling en samenwerking Om de inzet van de GRJR te focussen en tegelijk af te bakenen is het nodig de verdeling van taken en rollen helder voor ogen te houden. 3.2.1

Taakverdeling GRJR en gemeenten

De taakverdeling tussen GRJR en gemeenten is: • De GRJR voert de door gemeenten gedelegeerde taken uit om jeugdhulp in te kopen en jeugdbescherming, jeugdreclassering en Veilig Thuis te subsidiëren; • De gemeenten voeren zelf de taak uit om te beslissen over inzet van hulp op casusniveau, zij vormen de toegang tot de hulp met eigen front- en backofficeorganisaties. De uitvoerende taken van de GRJR behorend bij inkoop en subsidiëring zijn: • Sturen op het zorglandschap en op gecontracteerde en gesubsidieerde partijen met als doel dat het aanbod van diensten passend, nabij, voldoende beschikbaar en betaalbaar is; • Informatievoorziening over kosten en gebruik van gecontracteerde en gesubsidieerde diensten; • In samenhang met deze taken het verzorgen van de verantwoording door en financiële afwikkeling met contract- en subsidiepartijen en gemeenten. 3.2.2

Rolverdeling bij sturing op drie niveaus

De GRJR vervult met deze taken een overkoepelende en verbindende rol. De GRJR heeft bij de inkoop 2023 in de notitie Sturing en Bekostiging vastgelegd hierbij drie sturingsniveaus te onderscheiden, waarop ook de informatiefunctie stoelt: 1. Sturing op zorglandschapsniveau Overzien van het hele zorglandschap, zorgen voor beschikbaarheid van jeugdhulp en jeugdbescherming/jeugdreclassering, signaleren van lacunes en sturen op passend aanbod. Deze rol ligt volledig bij de GRJR en wordt ingekaderd door beleidskeuzes van gemeenten (bijvoorbeeld om lichte ambulante hulp lokaal in te kopen). Voor de beleidsmatige sturing is er het programmateam van de gemeenten in Rijnmond, waarin gemeenten van elkaar leren en elkaars werk benutten voor de lokale beleidsontwikkeling. 2. Sturing op actorniveau Verwijzende instanties, gemeenten en aanbieders met elk een eigen positie en verantwoordelijkheid hebben veelal een eigen wettelijke basis (dit geldt op grond van de Jeugdwet ook voor de zorgaanbieders) en kunnen niet of niet volledig centraal worden 18

gestuurd. Wel is het uitoefenen van opdrachtgeverschap voor de regionaal gecontracteerde en gesubsidieerde partijen een specifieke sturende rol van de GRJR, waarbij de GRJR kaders kan stellen in de rol van opdrachtgever en toeziet op nakoming van de contract- en subsidieverplichtingen. Daarnaast kan de GRJR overleg tussen gemeenten stimuleren. 3. Sturing op casusniveau Individuele processen van verwijzen, indiceren (arrangeren), toewijzen, op- en afschalen, administreren, et cetera worden uitgevoerd door andere partijen dan de GRJR. Gemeenten hebben hierin door casusregie een sleutelrol, zijn sleutel c.q. toegang naar hulp. De GRJR is betrokken door data te verwerken tot sturingsinformatie op de hogere sturingsniveaus. 3.2.3

Verantwoordelijkheid voor Regionale Bestuursopdracht Kostenbeheersing

Naar aanleiding van de 2e Bestuursrapportage heeft het AB van de GRJR in februari 2024 een maatregelenpakket voor kostenbeheersing vastgesteld. Om hier daadkrachtig op te sturen heeft het GRJR-bestuur besloten een regionale bestuursopdracht te geven. Opdrachtnemers zijn de secretaris/directeur van de GRJR en de directeuren sociaal domein van de deelnemende gemeenten. Uiteraard zijn er delen die tot de gemeentelijke autonomie behoren en waarop de GRJR dus niet bepalend en sturend is, maar wel als rol heeft om het onderling overleg tussen gemeenten te bevorderen. De gezamenlijke directeuren sociaal domein hebben hiervoor een programmateam opgericht. De rapportagelijnen lopen enerzijds naar het algemeen bestuur van de GRJR en anderzijds via de individuele colleges naar de gemeenteraden.

3.3 Taakverdeling GRJR en gemeenten bij planning & control processen conform BBV De taakverdeling tussen gemeenten en GRJR werkt door in de begrotings- en verantwoordingsprocessen. De Commissie BBV heeft hierover in 2024 een bindende uitspraak gedaan. De zorgkosten worden bepaald door gemeentelijke beslissingen over inzet van hulp op casusniveau. Daar gaat het gemeentebestuur over, niet het GRJR-bestuur. De zorgkosten dienen daarom door de gemeente zelf te worden begroot en verantwoord. Dit betekent een verschuiving in de planning & control van de zorgkosten naar gemeenten. De GRJR heeft hierbij een informatiefunctie en blijft uiteraard verantwoordelijk voor inkoop/contractmanagement en subsidiëring. De subsidie- en uitvoeringskosten zijn daarom onderdeel van de GRJR begroting en jaarrekening, maar de zorgkosten niet meer. Hieronder wordt uiteengezet hoe de planning & control producten en financiële processen van de GRJR hierop worden aangepast. De planning & controlprocessen wijzigen NIET voor de subsidies voor Crisishulp (opdracht F)3 jeugdbescherming en jeugdreclassering (opdracht G) en Veilig Thuis (opdracht H) en de uitvoeringskosten (opdracht J). De wijzigingen betreffen ALLEEN de zorgkosten (opdrachten A, B, C, D, E, I (maatwerkcontracten en LTA)). 3.3.1

Begrotingsproces

In het begrotingsproces worden mede op advies van de accountant van de GRJR de stukken ‘opgeknipt’, zodat de zorgkosten niet meer deel uitmaken van het formele begrotingsdocument van de GRJR zoals bedoeld in het BBV.

3 Opdracht F Crisishulp is juridisch bezien onderdeel van de ingekochte jeugdhulp en geen subsidie, maar financieel

gezien wel. De bekostigingssystematiek maakt dat deze kosten bij de subsidies wordt gerekend.

19

Begroting GRJR voor subsidie- en uitvoeringskosten Voor dit deel verandert er in feite niets ten opzichte van de oude situatie. • De subsidie- en uitvoeringskosten worden begroot door de GRJR, waarbij dekking plaatsvindt door vaststelling van een deelnemersbijdrage per gemeente. Dit betreft de budgetten voor de opdrachten F, G, H, J; • De Ontwerpbegroting 2026 komt in april 2025 in het AB wordt daarna voor zienswijzen aan de raden verzonden. De Definitieve Begroting 2026 wordt vastgesteld in het AB in september 2025; • Volgens wet- en regelgeving moeten deelnemende gemeenten de door de GRJR vastgestelde deelnemersbijdrage overnemen in de gemeentelijke begroting; • Het document Begroting GRJR is ook basis voor het Betaalproces deelnemersbijdrage (zie 3.3.4). Bij de vaststelling van de Begroting stelt het AB ook de deelnemersbijdrage vast. Bijlage Begrotingsadvies GRJR voor regionale zorgkosten jeugdhulp Voor dit deel wordt het anders ten opzichte van de oude situatie. • De zorgkosten worden begroot door de gemeente. De GRJR geeft hiervoor een begrotingsadvies. Dit betreft de budgetten A, B, C, D, E, I; • Dit komt in een afzonderlijk document ‘GRJR-begrotingsadvies regionale zorgkosten jeugdhulp’ en wordt als bijlage vastgesteld tegelijk met de Ontwerpbegroting van de GRJR in AB april.

Voor dit GRJR-begrotingsadvies geldt geen zienswijzeprocedure raden; • College en organisatie van de deelnemende gemeenten maken naar eigen inzicht gebruik van het advies. Het GRJR-begrotingsadvies is voor gemeenten richtinggevend, niet bindend, zij kunnen ervan afwijken. Naar verwachting zal het provinciaal begrotingstoezicht opletten hoe gemeenten hier in de begrotingsonderbouwing mee omgaan; • Het document Begrotingsadvies is ook basis voor het Betaalproces zorgkosten (zie 3.3.4). Bij de vaststelling van het Begrotingsadvies stelt het AB ook de gemeentelijke voorschotten in de zorgkosten vast. Bijlage Totaaloverzicht regionale kosten jeugdhulp (ter informatie) Dit is nieuw. • Om overzicht te houden ten opzichte van de oude situatie voegt de GRJR bij de begrotingsstukken als informatieve bijlage een apart document “Totaaloverzicht regionale kosten jeugdhulp”. Hierin staat in één oogopslag de bijdrage aan de GRJR-begroting en de te verwachten regionale zorgkosten voor de gemeente volgens het begrotingsadvies; • Om aansluiting te houden met eerdere jaren blijft de GRJR hierbij vooralsnog de indeling A tot en met J gebruiken. 3.3.2

Monitoringsproces

De GRJR levert twee keer per jaar een bestuursrapportage: voor AB juli en AB okt. De GRJRbestuursrapportages volgen de aangepaste structuur van de begrotingsstukken. Bestuursrapportage GRJR • Inhoudelijke rapportage taken GRJR. Dit omvat een toelichting op de ontwikkeling in het zorglandschap, de inzet daarop vanuit inkoop/contractmanagement en subsidie/ accountmanagement, en de voortgang van de ondersteunende informatievoorziening en bestuurlijke processen; • Financiële jaareindeverwachting voor de begrote GRJR subsidie-en uitvoeringskosten. 20

Bijlage Rapportage gemeentelijk zorgkosten regionale jeugdhulp • Rapport met jeugdhulpgebruik en -kosten en jaareindeverwachting voor de regio als geheel en per gemeente, gespecificeerd naar opdrachten A, B, C, D, E, I; • Gemeenten delen hiervoor informatie over afgegeven toewijzingen met de GRJR. Op basis van het onderzoek centralisatie backoffices beschikt de GRJR vanaf 2026 rechtstreeks over (kopieën van) het berichtenverkeer tussen aanbieders en gemeenten, zodat de GRJR ook de ‘kosten in de pijplijn’ kan inschatten. Ook vraagt de GRJR periodiek productieopgaven bij aanbieders uit waarmee de volledigheid van de informatie wordt getoetst; • De jaareindeverwachting wordt afgezet tegen het begrotingsadvies. De rapportage wordt niet afgezet tegen de gemeentelijke begroting omdat deze niet noodzakelijkerwijs vergelijkbaar is opgesteld. Overig • Naast de bestuursrapportage en bijlage blijft de GRJR met dashboards op gemeenteniveau en ‘tweemaandsrapportages’ op regioniveau doorlopend inzicht geven in de ontwikkeling van zorggebruik en -kosten; • Gemeenten kunnen alle informatie die de GRJR verstrekt naar eigen behoefte gebruiken als input voor eigen rapportages aan college en raad. 3.3.3

Begrotingswijzigingsproces

Dit verandert ten opzichte van de oude situatie. • GRJR-begrotingswijziging kan alleen gaan over de GRJR-begroting van subsidies en uitvoeringskosten (F, G, H, J) en komt indien nodig in april in ontwerp voor zienswijzen en in sept definitief in het AB; • Het begrotingsadvies (A, B, C, D, E, I) wordt niet formeel aangepast in een begrotingswijzigingsprocedure. Monitoring met de bijlage bij de bestuursrapportages volstaat om gemeenten te faciliteren. De gemeente kan op basis van de informatie van de GRJR de eigen begroting desgewenst op elk moment zelf wijzigen; • Als het begrotingsadvies aanzienlijk te laag blijkt waardoor liquiditeitsknelpunten zouden ontstaan zal de GRJR via vaststelling door het AB wel een gewijzigd advies uitbrengen. En andersom ook: als de uitgaven sterk meevallen zal met een gewijzigd advies volgen op grond waarvan de bevoorschotten kan worden verlaagd. Zie verder onder betaalproces. 3.3.4

Betaalproces

Uitgangspunt is dat de GRJR namens de gemeenten de zorgdeclaraties op regionale contracten na gemeentelijke goedkeuring uitbetaalt. Deze taak blijft bij de GRJR omdat in het kader van het gedelegeerde opdrachtgeverschap en contractmanagement de GRJR moet kunnen sturen met het betaalproces. Er kunnen omstandigheden zijn dat betalingen die wel door een gemeente zijn goedgekeurd moeten worden tegengehouden of verrekend of teruggevorderd in het kader van de afwikkeling van contractuele verplichtingen. 4

4

Als de verwachte ministeriële regeling over verplicht regionaal uit te voeren administratieve processen is verschenen (naar verwachting eerste helft 2025) zal worden bezien of het betalingsverkeer bij de GRJR blijft of net als de planning en control verantwoordelijkheden naar de gemeenten kan schuiven.

21

De GRJR ziet (naast de casusregie in de lokale teams) ook toe op de prestatielevering door aanbieders (productieverantwoording. De GRJR moet in dat kader over definitieve vergoeding van de totale geleverde zorg kunnen besluiten (zie ook afrekeningsproces). Ook komt het voor dat met aanbieders continuïteitsafspraken moeten worden gemaakt waaronder liquiditeitsmaatregelen. Het betaalproces bestaat in de nieuwe situatie uit twee deelstromen. Subsidie- en uitvoeringskosten • Op basis van de vastgestelde begroting verleent de GRJR subsidies en kan de GRJR opdrachten verlenen in het kader van de uitvoering van de eigen taken; • Bij de begrotingsvaststelling (F, G, H,J) wordt de deelnemersbijdrage aan de GRJRbegroting vastgesteld inclusief betaaltermijnen; • GRJR betaalt ten laste van de subsidiebudgetten (F, G, H), uit ontvangen deelnemersbijdragen, de voorschotten aan subsidieontvangers in afgesproken termijnen. • GRJR betaalt ten laste van de budgetten uitvoeringskosten (J), uit met ontvangen deelnemersbijdragen, partijen die uitvoeringsdiensten verrichten. Zorgkosten Dit verandert ten opzichte van de oude situatie. • Bij de vaststelling van het begrotingsadvies (A, B, C, D, E, I) stelt het AB op basis van dit advies de hoogte van gemeentelijke voorschotten zorgkosten vast met bijbehorende betalingstermijnen.

De gemeenten betalen deze voorschotten zodat de GRJR niet zelf geld hoeft te lenen; • GRJR betaalt ten laste van de betreffende gemeente doorlopend declaraties van aanbieders die zijn goedgekeurd door gemeenten; • Mocht de ontwikkeling van de kosten zodanig zijn dat de liquiditeit van de GRJR in gedrang komt, dan zal de GRJR het begrotingsadvies wijzigen en daarbij een verhoging van de gemeentelijke voorschotten vaststellen. En andersom: vallen de uitgaven sterk mee dan kan met een verlaagd begrotingsadvies de hoogte van de voorschotten worden verlaagd. Facturatie aan gemeenten • Gemeenten ontvangen samengestelde facturen voor de vastgestelde deelnemersbijdrage (cf Begroting GRJR) en de vastgestelde gemeentelijke voorschotten zorgkosten (cf Begrotingsadvies). De facturen zijn gespecificeerd naar dit onderscheid; • Deze facturen worden direct na definitieve vaststelling van de Begroting (e/o begrotingswijziging) verstuurd met daarbij het schema voor betaling in termijnen. 3.3.5

Verantwoordingsproces

Dit verandert ten opzichte van de oude situatie. Jaarstukken GRJR • De Jaarstukken van de GRJR moeten aansluiten op de begroting GRJR. De Jaarstukken bevatten een inhoudelijk jaarverslag over de taken van de GRJR en een jaarrekening over de subsidies en uitvoeringskosten;

22

•

Dit impliceert dat in de jaarstukken zelf geen informatie over de gemeentelijke zorgkosten wordt opgenomen, zodat de rechtmatigheidsverantwoording van de GRJR en het accountantsoordeel van de GRJR ook geen betrekking heeft op deze kosten.

Bijlage Eindrapportage gemeentelijke zorgkosten regionale jeugdhulp • Bij de GRJR jaarstukken komt een bijlage met een eindrapportage van de gemeentelijke zorgkosten. Verantwoordingsproces gemeentelijke zorgkosten regionale jeugdhulp Uitgangspunten: • De zorgkosten worden verantwoord in de gemeentelijke jaarstukken; • De interne beheersing van en controle op rechtmatigheid (van beschikkingen, toewijzingen en declaratiegoedkeuringen) zijn taken en verantwoordelijkheden van de gemeenten; • Gemeenten zorgen voor de eigen administratie, interne controles, interim controles en jaarrekeningcontroles. GRJR heeft geen directe toegang tot gemeentelijke administraties. Samenwerking met GRJR • Voor het boekjaar 2024 kunnen gemeenten voor de eigen rechtmatigheidscontrole nog gebruik maken van de GRJR accountant, vanaf boekjaar 2025 is dat niet meer het uitgangspunt. De reden hiervoor is dat gemeenten, in het kader van het onderzoek centralisatie backofficetaken, ervoor gekozen hebben de gemeentelijke administraties niet te gaan delen met de GRJR, waardoor de GRJR (en GRJR-accountant) niet op doelmatige en verantwoorde wijze deze taken kunnen uitvoeren. Daarnaast is het aan de gemeenten en hun accountants om afspraken te maken over interne beheersing en wijze van verantwoorden. Dit is de huidige stand van inzichten.

Er is nog overleg over de toekomstige verdeling van de controlewerkzaamheden beoogd waardoor hierin nog verandering kan komen; • Gedurende het jaar rapporteert de GRJR over de ontwikkeling van de gemeentelijke zorgkosten (zie monitoringproces). Ook levert de GRJR op verzoek overzichten en lijstwerk aan voor de interim accountantscontroles; • De GRJR faciliteert de gemeenten met informatie ten behoeve van de gemeentelijke jaarrekening door verstrekking van overzichten (voorlopig overzicht vóór 15 februari en geactualiseerd overzicht vóór 15 april. Voorlopig overzicht (februari) • Vóór 15 februari verstrekt de GRJR een Voorlopig overzicht zorgkosten. Grondslag hiervoor zijn de door gemeenten afgegeven (en met de GRJR gedeelde) toewijzingen, de door gemeenten goedgekeurde (en door de GRJR betaalde) declaraties, aangevuld met een schatting van nog te verwachten toewijzingen en declaraties (op basis van productieopgaven van aanbieders). Gemeenten gebruiken dit overzicht desgewenst bij het samenstellen van de eigen jaarrekening. Geactualiseerd overzicht (april) • Vóór 1 april ontvangt de GRJR van de aanbieders productieverantwoordingen met accountantsverklaringen. Op basis van deze informatie geeft de GRJR vóór 15 april een geactualiseerd Overzicht zorgkosten. Gemeenten gebruiken deze actualisatie desgewenst voor een correctie van de eigen jaarrekening.

De GRJR-accountant controleert op verzoek 23

van de gemeentelijke accountant de getrouwheid van dit overzicht en rapporteert daarover aan de gemeentelijk accountant. Definitieve bijlage bij Jaarstukken GRJR (juli) • Dit geactualiseerde overzicht komt als Bijlage Eindrapportage gemeentelijke zorgkosten regionale jeugdhulp in het AB juli samen met de GRJR jaarstukken. Deze stukken vormen de basis voor de afrekeningsprocessen (zie 3.3.6). 3.3.6

Afrekeningsproces

Jaarstukken GRJR, subsidie- en uitvoeringskosten Hierbij verandert er niets. Afrekening met gemeenten: • De subsidie en uitvoeringskosten worden verantwoord in de jaarstukken van de GRJR op basis van de op dat moment best mogelijke inschatting van deze kosten, met een accountantscontrole op de getrouwheid. In de jaarrekening wordt de definitieve deelnemersbijdrage van gemeenten vastgesteld zodat deze jaarrekening op €0 sluit. De verschillen tussen begrote en definitieve deelnemersbijdrage worden aan de gemeente terugbetaald of gefactureerd op basis van de vastgestelde jaarstukken; • Later ontstane verschillen door afrekening met subsidiepartijen worden verantwoord en verrekend in het volgende verslagjaar. Afrekening met subsidiepartijen: • Na ontvangst van de subsidieverantwoordingen stelt de GRJR de verleende subsidies definitief vast. De definitieve subsidie wordt verrekend met de verstrekte voorschotten. Als de definitieve subsidievaststelling later komt dan de jaarstukkenvaststelling en tot een verschil leidt ten opzichte van de vastgestelde jaarstukken, dan wordt dit in de jaarstukken van het volgende boekjaar opgenomen en afgewikkeld met de deelnemersbijdrage voor dat volgende jaar. Zorgkosten Dit verandert niet wezenlijk. Het proces blijft gelijk, alleen worden er aparte stukken naast de jaarrekening van de GR bij gebruikt.

Afrekening met gemeenten: • Na ontvangst vóór 1 april door de GRJR van productieverantwoordingen met accountantsverklaring van zorgaanbieders stelt de secretaris-directeur van de GRJR de maximaal te betalen zorgvergoeding vast voor het afgelopen jaar. Aanbieders ontvangen hierover een afrekenbrief; • De GRJR neemt dit bedrag op in de Bijlage Eindrapportage gemeentelijke zorgkosten regionale jeugdhulp (bijlage bij Jaarstukken, zie 3.3.5). Deze bijlage wordt door de GRJR accountant getoetst. Het AB stelt daarna, gelijktijdig met de jaarstukken van de GRJR, deze bijlage vast. Na vaststelling rekent op basis van dat document de GRJR de zorgkosten met de gemeenten af;

24

•

•

In de bijlage bij de jaarstukken worden de definitieve zorgkosten voor de gemeente vastgesteld. De verschillen tussen bevoorschotte en definitieve zorgkosten worden aan de gemeente terugbetaald of gefactureerd op basis van deze bijlage; Later ontstane verschillen door afrekening met aanbieders worden gerapporteerd en verrekend in het volgende verslagjaar.

Afrekening met aanbieders: • Op basis van de ingediende productieverantwoordingen stelt de secretaris-directeur van de GRJR de maximale zorgvergoeding vast en ontvangen de aanbieders een afrekenbrief. • Na vaststelling van de maximaal te betalen zorgvergoeding wordt het betaalproces afgerond voor zover er nog declaraties kunnen worden ingediend. De zorg wordt alleen betaald als er een door gemeente goedgekeurde declaratie komt op basis van een door gemeente afgegeven toewijzing. Dit betaalproces wordt binnen het boekjaar na het verslagjaar afgerond. Deze afronding van de eindafrekening vindt plaats als het maximaal te betalen bedrag is betaald, of als de aanbieders meedeelt geen declaraties meer in te dienen, of als de laatste deadline voor indiening van declaraties is verstreken; • Als de afrekening na afronding tot een verschil leidt ten opzichte van de vastgestelde Bijlage Eindrapportage gemeentelijke zorgkosten regionale jeugdhulp, wordt dit in de Bijlage van volgende boekjaar opgenomen en afgewikkeld met de zorgkosten voor het volgende jaar.

3.4 Uitvoeringskosten GRJR De gemeenten hebben de GR-en in de regio gevraagd zich in te spannen voor een reductie van de uitvoeringskosten met 5 à 10%. De uitvoeringskosten zijn grotendeels bepaald om de personele inzet te kunnen leveren voor de GRJR-taken. Nu is het zo dat de jeugdhulp en jeugdbescherming worden uitgevoerd door derden en dat de gemeentelijke wijkteams de zorgtoewijzing en declaratiebeoordeling uitvoeren. Daardoor is de personele omvang van de GRJR Uitvoeringsorganisatie beperkt. Naast uitvoeringskosten voor personele inzet bevat de begroting enkele out-of-pocket budgetten. ➔

De GRJR streeft er naar om bij te dragen aan de gevraagde kostenreductie van 5% van de uitvoeringskosten door in 2025 de out-of-pocket budgetten waar mogelijk te verlagen in combinatie met concrete afstemming over de bijbehorende activiteiten. Daarnaast wordt bij het ontstaan van vacatures altijd kritisch bezien of nieuwe invulling noodzakelijk is om de contract- en accountmanagementtaken en ook de ondersteunende financiële en informatiefunctie en zorg voor ordentelijke bestuurlijke processen te blijven waarborgen.

25

4. Wat gaat het kosten: begrotingsuitgangspunten 4.1 Inleiding Dit hoofdstuk bevat bestuurlijk relevante, maar tegelijkertijd technische uitgangspunten voor de opstelling van de begroting 2026 en het begrotingsadvies 2026.

4.2 Kostenontwikkeling in de afgelopen jaren Voor we ingaan op het financieel perspectief staan we stil bij de ontwikkelingen in de afgelopen jaren. Onderstaande grafiek5 toont de ontwikkeling van totale kosten van de afgelopen jaren, zoals opgenomen in de jaarrekeningen 2020 t/m 2023 en de 2e Burap 2024. In deze periode stegen de kosten met € 113 mln. naar € 373 mln. In de grafiek zijn de kosten gesplitst in kosten die gerealiseerd zijn door gemeentelijke besluiten (zorgkosten) en GRJR-besluiten (subsidies en uitvoeringskosten).

De stijging van € 113 mln. over de jaren 2020 t/m 2024 bestaat uit stijging van de kosten door indexatie en materiële stijging van de zorgkosten. Onderstaande grafiek laat dit per jaar zien.

5 In de overzichten en grafieken zijn de zorgkosten van de MVS-gemeenten buiten beschouwing gelaten, omdat het in

deze kadernota gaat om de kosten vanaf 2023 en verder voor zorg die de GRJR heeft ingekocht voor de deelnemende gemeenten exclusief MVS.

26

4.3 Kostenontwikkelingen in de komende jaren De verdere ontwikkeling van de kosten wordt bepaald door verschillende variabelen: indexatie, trendmatige groei en/of krimp en beleidswijzigingen. Hierna worden deze drie aspecten toegelicht. 4.3.1

Indexatie

Voor subsidies geldt dat er (deels) landelijk vastgestelde tarieven gelden die de GRJR moet overnemen. Dit geldt momenteel voor de wettelijke taken van jeugdbescherming. Voor het overige indexeert de GRJR subsidies en jeugdhulpcontracten op dezelfde manier. Deze indexatie wordt daarom ook toegepast op de GRJR-begroting en het GRJR-begrotingsadvies. Volgens de zorgcontracten worden tarieven als volgt geïndexeerd: • 90% verondersteld loondeel met OVA-loonindex en • 10% verondersteld prijsdeel met PPC-prijsindex. De OVA en PPC worden gepubliceerd door de Nederlandse Zorgautoriteit, jaarlijks in voorlopige en definitieve versies. In de contracten is de rekensystematiek met toepassing van deze indexen met juiste peiljaren beschreven6. Deze rekensystematiek is ook in de landelijke contractstandaarden overgenomen. De VNG en het i-Ketenbureau publiceren de uitkomst van de samengestelde indexberekening volgens deze methode op basis van de gepubliceerde OVA en PPC indexen. Vanaf 2025 past de GRJR dit gepubliceerde percentage onverkort toe op de jeugdhulpcontracten. Voor indexering van uitvoeringskosten geldt de richtlijn van gemeenten die aan het begin van het voorafgaande jaar wordt afgegeven door en/of namens colleges van de deelnemende gemeenten. Deze richtlijn komt jaarlijks tot stand door afstemming tussen de gemeentesecretarissen.

In deze kadernota wordt als uitgangspunt voor 2026 nu nog gerekend met het met recente indexpercentage. Dat is het voorlopige gewogen indexpercentage voor 2025: 3,94%. Het financieel effect hiervan wordt voor alle jaren in het meerjarenperspectief doorgetrokken. Voor

6 Raamovereenkomst art.9 lid 5:

“Voor het jaar t wordt de index samengesteld door de voorlopige indexpercentages voor het jaar t te hanteren. In jaar t + 1 wordt geïndexeerd op basis van het voorlopige indexpercentage t + 1, gecorrigeerd met het definitieve indexpercentage jaar t (dit kan zowel een verlaging als verhoging van het percentage betekenen). Er vindt geen verrekening met terugwerkende kracht plaats over het verschil tussen voorlopige en werkelijke indices.” Deze formulering is complex maar wordt door de GRJR en de aanbieders inmiddels geïnterpreteerd als overeenkomstig de bedoeling van de landelijke contractstandaard die in 2023 is gekomen. Daarom maakt de GRJR de overstap van de tot nu toe gehanteerde berekeningswijze naar deze standaard. In de Landelijke Contractstandaard Jeugd staat: “De Gemeente past jaarlijks een indexering toe op de tarieven (inspanningsgerichte en outputgerichte uitvoeringsvariant) en op het taakgerichte budget (taakgerichte uitvoeringsvariant). Deze indexering wordt berekend uit de som van het geprognosticeerde percentage voor het komende jaar (t+1) en het verschil tussen het in het voorgaande jaar (t-1) geprognosticeerde percentage voor het lopende jaar (t) en het definitieve percentage voor het lopende jaar (t).

De percentages zijn verschillend voor de loonkosten en materiële kosten.” De VNG en het Ketenbureau i-Standaarden publiceren jaarlijks deze berekening aan de hand van de officiële OVA en PPC percentages. Daardoor kan het door VNG en ketenbureau gepubliceerde indexpercentage één-op-één worden overgenomen.

27

de jaren na 2026 wordt geen indexatie gerekend. De jaren 2026 t/m 2029 worden dus op prijspeil 2026 gepresenteerd, zodat gemeenten geen verwarring hebben over (verschillen in) aannames over de indexatie voor die jaren. 4.3.2

Trendmatige groei en krimp

Eerder is getoond dat dat de zorgkosten elk jaar zijn gestegen. In de afgelopen jaren met bedragen tussen de € 6 mln. en € 29 mln. Gezien deze jaarlijkse en structurele stijging wordt ook in deze kadernota rekening gehouden met een stijgende trend in de zorgkosten. Hierbij is de trend per opdracht berekend. Trendanalyse Om een prognose voor de komende jaren te maken wordt gekeken naar de gemiddelde ontwikkeling van de afgelopen jaren. Hierbij moet een keuze gemaakt worden naar het aantal jaren dat representatief geacht wordt voor de toekomstige groei. Hieronder een overzicht van de gemiddelde trend per opdracht van de afgelopen 4, 3 en 2 jaar.

Trend per opdracht A B C D E

4 jaar -2,3% 3,4% 19,7% 16,2% 4,8%

3 jaar -4,8% 7,5% 20,4% 19,7% 8,5%

2 jaar -1,7% 9,0% 27,4% 20,4% 11,8%

Dit laat zien dat er de afgelopen jaren (behalve bij A, pleeghulp) sprake was van een oplopend stijgingspercentage. Bij opdracht A is sprake van een dalende trend. Op de langere termijn is deze lichte krimp beperkt. Opdracht B is juist de laatste jaren harder gestegen dan eerder. Dit is ook zichtbaar bij opdracht E. Voor de opdrachten B t/m E is de 4-jaarstrend in deze kadernota lager dan in de kadernota 2025. De keuze van het begrotingsuitgangspunt voor de trendmatige groei is zeer bepalend voor het meerjarenperspectief. Onderstaande tabel en grafiek laten zien hoe het totaalbeeld van de kosten varieert tussen de verschillende uitgangspunten voor het berekenen van de trendmatige groeiverwachting. Voor 2026 geeft dit al een bandbreedte van €16 mln. In meerjarenperspectief werkt deze onzekerheid nog veel sterker door tot een bandbreedte van maar liefst €99 mln. voor 2029.

28

Keuze voor trendmatig uitgangspunt Met de bestuursrapportages van de GRJR volgen we de ontwikkeling van de verschillende opdrachten. De trendbewegingen zijn over langere tijd in beeld en maken duidelijk dat de uitgaven overwegend al lange tijd stijgen. Dit blijft naar verwachting doorgaan tenzij met beleidsmatige veranderingen een trendbreuk kan worden gerealiseerd. Daarvoor zijn landelijk de Hervormingsagenda Jeugd en regionaal onder meer de Regionale Bestuursopdracht Kostenbeheersing bedoeld. Paragraaf 4.3.3 gaat in op de financiële impact daarvan en hoe we daarmee omgaan. Daaraan voorafgaand is het vertrekpunt dat een realistische begroting vereist dat met trendmatige groei en krimp rekening wordt gehouden. Omdat we in de bestuursrapportages de eerste tekenen zien dat de groei op onderdelen afvlakt is het verantwoord om de gematigde trendberekening over vier jaren als uitgangpunt te nemen. Belangrijkste ontwikkelingen zoals in de laatste bestuursrapportage inhoudelijk zijn gesignaleerd ondersteunen dit: • Stabilisering en zelfs lichte daling van de vraag naar pleegzorg (opdracht A) onder andere omdat de zorgvraag te complex is om de jeugdige binnen een pleeggezin te kunnen plaatsen. Daardoor is te verwachten dat de trend doorzet; • De toename op behandeling met verblijf (opdracht B) vlakt af.

Hiermee samenhangend is wel een toename van aanvullende zorg in behandeling met verblijf vanuit ambulante hulp (zit in arrangement voor opdracht B, dus stijging op opdracht B), daghulp (stijging op opdracht D) en extra begeleiding op de groep omdat een deel van de jongeren niet (meer) naar school gaat (stijging op opdracht B). De verwachting is dat deze trend doorzet; • Toename van zorg in opdracht C (verblijf) omdat steeds meer beschermd wonen op weg naar zelfstandigheid (C3) wordt ingezet na zware behandeling met verblijf in een open setting (B3), en omdat uitstroom en doorstroom vanuit C naar zelfstandig wonen, WLZ of WMO stagneert (uitstroom 18-/18+). De verwachting is dat deze trend doorzet; • Toename in opdracht D (daghulp) komt door de wens om waar mogelijk opnames te voorkomen, zoals in de Regiovisie wordt beoogd. Dit is dus een gewenst effect van het beleid. Daarnaast blijft de uitstroom vanuit daghulp naar regulier onderwijs een probleem waardoor de kosten voor daghulp stijgen. Beide effecten houden naar verwachting aan; • Toename van (duurdere) zorg in opdracht E (ambulant) als gevolg van ambulantisering, waardoor jeugdigen langer thuis blijven wonen Ook wordt lichte hulp meer op lokale contracten geleverd die eerder op regionale contracten werd geleverd (knip E), waardoor alleen de hogere specialistische zorg op het regionale contract wordt geleverd.

Ook leidt het 29

beheersen van de wachttijden binnen de Treeknorm tot meer inzet van juist duurdere zorg vanuit opdracht E. De verwachting is dat de trend van ambulantisering, duurdere inzet van ambulante hulp en meer inzet om de wachttijden te beperken doorzetten. In het ‘Begrotingsadvies zorgkosten’ dat de GRJR gaat opstellen wordt de 4-jarige trend gebruikt om de toekomstige stijging van de zorgkosten te schatten. Als in plaats hiervan de trend van de laatste drie of twee jaar wordt gehanteerd wordt het financieel perspectief duds ongunstiger. Maar het uitgangspunt om de 4-jarige trend dat ook in de vorige Kadernota werd gekozen en werd vertaald naar een begrotingswijziging 2024, blijkt in de bestuursrapportages 2024 heel realistisch te zijn. De trendberekening wordt in het begrotingsadvies per gemeente doorgerekend. Daarbij moet bedacht worden dat schommelingen in aantallen en kosten op een kleiner volume tot grotere bandbreedtes voor de prognose leiden. 4.3.3

Beleidswijzigingen

Onder de beleidswijzigingen vallen alle andere wijzigingen dan de indexatie en de trendmatige groei en/of krimp zoals hierboven beschreven. Alleen beleidswijzigingen die goed financieel onderbouwd zijn en verankerd zijn in de organisatie (zowel GRJR als bij de gemeenten) worden in de financiële meerjarenraming opgenomen. Indien dit niet het geval is worden deze als PM post opgenomen en worden deze nader uitgewerkt in de periode richting opstellen van de ontwerpbegroting en/of ontwerpbegrotingswijziging. Verwerking van beleidswijzigingen in de begroting kan alleen kan als ze financieel goed onderbouwd zijn, mede omdat de provincie hierop toeziet. Bij het begrotingsadvies over de zorgkosten zal de GRJR alleen RBOK-effecten meenemen die al blijken uit de regionale realisatiecijfers, en laat de GRJR het aan de gemeente om afwijkend van het advies te begroten met eigen onderbouwingen. In het begrotingsadvies dat aan het AB wordt voorgelegd zal een aparte paragraaf worden opgenomen met de afwijkingen die individuele gemeenten voornemens zijn in hun eigen begrotingsproces toe te passen (uiteraard alleen als voor zover die op dat moment al hebben bepaald en gedeeld met de GRJR). Hiermee houden we duidelijk hoe wordt omgegaan met de beoogde en verwachte effecten van de RBOK.

4.4 Financieel meerjarenperspectief De uitgangspunten zijn in onderstaand overzicht vertaald in een indicatief meerjarenperspectief. Dit overzicht geeft een regionaal totaalbeeld. In de begroting en het begrotingsadvies wordt nog de splitsing doorgevoerd tussen zorgkosten gemeenten en subsidie- en uitvoeringskosten GRJR.

30

Financieel meerjaren perspectief (in € mln.) Begroting 2024 (start 2025)

2025 372,9

2026 413,3

2027 451,9

2028 496,0

2029 546,4

Indexatie 14,7 16,3 17,8 19,6 21,6 Trend (4 jaars gemiddelde) 25,7 22,3 26,2 30,9 36,5 Beleid Hervormingsagenda pm pm pm pm pm Lagere kosten organisatie pm pm pm pm pm Transformatie JH+ pm pm pm pm pm Effecten maatregelen bestuursopdracht pm pm pm pm pm Totale kosten

413,3

451,9

496,0

546,4

604,5

Hiernaast staan de totaalbedragen uitgesplitst naar lasten gemeente (voortvloeiend uit toekenning van hulp en te begroten door de gemeente zelf) en lasten GR (voorvloeiend uit GR-besluiten en te begroten door de GRJR). Details zijn per gemeente opgenomen in de bijlage.

Toelichting 1. Vertrekpunt hier is Begroting 2024. Het kostenniveau van de jaareindeverwachting uit de 2e bestuursrapportage 2024 komt bijna overeen met dat in de gewijzigde begroting 2024. 2. In paragraaf 4.3.1 is toegelicht hoe de kosten geïndexeerd worden. In de meerjarenraming zoals die bij de begroting 2026 wordt gemaakt, wordt op verzoek van de gemeenten geen rekening gehouden met de indexatie. De jaren 2026 t/m 2029 worden dus op prijspeil 2026 gepresenteerd, zodat gemeenten geen verwarring hebben over (verschillen in) aannames over de indexatie voor die jaren. Hiermee sluit het beter aan bij de systematiek zoals gemeenten die hanteren. 3. De trend is berekend aan de hand van de ontwikkeling van de zorgkosten per opdracht van de afgelopen 4 jaar, zoals toegelicht in paragraaf 4.3.2. 4. Gevolgen Hervormingsagenda. De gevolgen van de Hervormingsagenda worden pas verwerkt als deze in concrete maatregelen is uitgewerkt die zowel lokale als regionale lastenramingen beïnvloeden, en voor zover de effecten op de regionaal ingekochte hulp onderbouwd zijn met realistische aannames. 5. Kostenbesparing organisatie. De GRJR onderzoekt of het mogelijk is om de organisatiekosten verder te verlagen. De GRJR ziet mogelijkheden om met een besparing op de materiële budgetten de uitvoeringskosten met 5% per 2025 te verlagen.

Daar tegenover staan in 2025 mogelijk incidentele kosten naar aanleiding van het onderzoek naar centralisatie van backoffice taken. Bij het opstellen van de begroting 2026 worden deze effecten verwerkt. Zie verder paragraaf 3.4. 6. Jeugdhulp+. Op dit moment zijn de mogelijke financiële gevolgen van het om- en afbouwen van de gesloten jeugdhulp nog niet volledig in beeld. De incidentele kosten worden gedekt

31

uit beschikbare SPUK-gelden; daarin is ook ruimte voor opbouw van alternatieven. Voor de JH+ kunnen de tariefafspraken in het kader van de af- en ombouwplannen kostenverhogend worden. Te ontwikkelen alternatieven moeten minder gaan kosten; als dat lukt is er een kostenverlagend effect. 7.

Begin 2024 heeft het AB een bestuursopdracht gegeven met een set van circa 50 maatregelen met als doel beheersing van de (zorg)kosten Het financiële effect heeft vooral betrekking op de zorgkosten die voortvloeien uit gemeentelijke besluiten. Op dit moment zijn de effecten van de kostenbesparende maatregelen van de gemeenten nog niet bekend en daarom als PM post opgenomen. Bij het opstellen van de ramingen van de kosten van gemeentelijke besluiten voor het begrotingsadvies 2026 worden de door de gemeenten onderbouwde besparingen verwerkt. In onderstaand overzicht zijn de kosten uit deze kadernota zowel gesplitst naar gemeenten als naar of de kosten voorkomen uit gemeentelijke- of GRJR besluiten

32

Bijlage meerjarenperspectief per gemeente Kadernota (trend + indexatie) Gemeente Gemeente of GR Albrandswaard Gemeente Albrandswaard GR Albrandswaard Totaal Barendrecht Gemeente Barendrecht GR Barendrecht Totaal Capelle aan den IJssel Gemeente Capelle aan den IJssel GR Capelle aan den IJssel Totaal Goeree-Overflakkee Gemeente Goeree-Overflakkee GR Goeree-Overflakkee Totaal Krimpen aan den IJssel Gemeente Krimpen aan den IJssel GR Krimpen aan den IJssel Totaal Lansingerland Gemeente Lansingerland GR Lansingerland Totaal Maassluis Gemeente Maassluis GR Maassluis Totaal Nissewaard Gemeente Nissewaard GR Nissewaard Totaal Ridderkerk Gemeente Ridderkerk GR Ridderkerk Totaal Rotterdam Gemeente Rotterdam GR Rotterdam Totaal Schiedam Gemeente Schiedam GR Schiedam Totaal Vlaardingen Gemeente Vlaardingen GR Vlaardingen Totaal Voorne aan Zee Gemeente Voorne aan Zee GR Voorne aan Zee Totaal Totaal Gemeente Totaal GR Totaal Totaal

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.albrandswaard.nl/api/v1/meetings/3811/documents/33919