28. 2024-066119 Gemeenschappelijke Regeling Jeugdhulp Rijnmond Reactie zienswijze wijziging GRJR.pdf
Tekst van het document
Artikelen 7, 8, 9 werkwijze van het algemeen bestuur In artikel 8 is expliciet opgenomen dat bij het nemen van besluiten wordt gestreefd naar consensus. Dit sluit aan bij de ervaringen van bestuurders tot dusver bij de GGD en het portefeuillehoudersoverleg Jeugdzorg, waarbij het nog nooit op stemmen aan is gekomen. De bepaling is opgenomen om enigszins tegenwicht te bieden aan een aantal bepalingen in de regeling die erop neer komen dat elke gemeente een vetorecht heeft als over bepaalde onderwerpen besloten moet worden. Dit vetorecht dient derhalve gezien te worden als een uiterst middel. Mocht het toch op een eventuele stemming uitdraaien, dan wordt uitgegaan van een bepaalde stemverhouding naar rato van het aantal jeugdigen in een gemeente Uitgaande van peildatum 1-1-2013, zou dit leiden tot de volgende verhoudingen (zie tabel op volgende pagina): •
Gemeente Inwoners 0-18 jarigen Stemmen (1 per 10.000) Albrandswaard 27555612 1 Barendrecht 1189410312 2 Bernisse 2361 1 Brielle 3132 1 Capelle ad IJssel 1344312823 2 Goeree-Overflakkee 104099895 12 Hellevoetsluis 7789 1 Krimpen ad IJssel 63036221 1 Lansingerland 1500015916 2 Maassluis 63327004 1 Nissewaard 16598 2 Ridderkerk Rotterdam Schiedam Spijkenisse Vlaardingen Voorne aan Zee
82189041 1208381211369 1517515230 14063 1350514448 13114
1 13 2 2 2 2
Westvoorne Totaal
2589 253806257350
1 3532
Dit betekent dat van 0 tot 10.000 jeugdigen een gemeente 1 stem heeft, van 10.000 tot 20.000 een gemeente 2 stemmen heeft, van 20.000 tot 30.000 een gemeente 3 stemmen heeft, etc. Verder is voor de werkwijze van het algemeen bestuur van belang art. 22, eerste lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen, waarin diverse bepalingen in de Gemeentewet die
Tabel met opmaak
Tabel met opmaak
Tabel met opmaak
betrekking hebben op de werkwijze van de raad (lees in dit geval: college) van overeenkomstige toepassing zijn verklaard. Zo regelt artikel 30 Gemeentewet dat voor het tot stand komen van een beslissing bij stemming de volstrekte meerderheid vereist is van hen die een stem hebben uitgebracht. Voor bepaalde besluiten kan daarvan worden afgeweken, in welk geval dit in de regeling dient te worden vastgelegd. Dat is gebeurd in artikel 8, eerste, tweede en derde lid en in artikel 23, eerste en zesde lid. Artikel 10 bevoegdheden van het algemeen bestuur Alle bevoegdheden komen toe aan het algemeen bestuur, tenzij deze expliciet aan een ander orgaan (lees: het dagelijks bestuur of de uitvoerende gemeente) zijn opgedragen. Voor een aantal expliciet genoemde besluiten van het algemeen bestuur is bepaald dat deze unaniem genomen dienen te worden, gelet op het grote belang hiervan voor elke afzonderlijke gemeente. Deze besluiten betreffen de omvang van de inzet van de uitvoerende gemeente en de verrekeningssystematiek die bepaalt hoe hoog de kosten per gemeente zijn die worden doorberekend in verband met de uitvoering van de taken van het openbaar lichaam. Om een ‘dubbele pet’ te voorkomen bij het besluit over de inzet van de uitvoerende gemeente, is bepaald dat de vertegenwoordiger van de uitvoerende gemeente in dat geval geen stemrecht heeft.
Artikel 10a zienswijze Met dit artikel is invulling gegeven aan artikel 10, vijfde lid, van de Wgr. Deze aanvullende zienswijzemogelijkheid op grond van artikel 10, vijfde lid, van de Wgr ziet niet op besluiten aangaande de begroting bedoeld in artikel 35 van de Wgr en besluiten als bedoeld in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht. Artikelen 11 en 12 inlichtingen en verantwoording Artikel 11 heeft betrekking op het geven van inlichtingen (aan college en raad) en het afleggen van verantwoording (aan de raad) door een lid van het algemeen bestuur, voor zover het zijn of haar gemeente betreft. Dit is een uitvloeisel van de verplichting genoemd in artikel 16 Wet gemeenschappelijke regelingen. De wijze waarop de inlichtingen dienen te worden verstrekt of de verantwoording dient te worden afgelegd, kan per gemeente verschillen.
Artikel 12 gaat vervolgens over het verschaffen van inlichtingen door het algemeen bestuur, het dagelijks bestuur en de voorzitter aan de raden en colleges van de deelnemende gemeenten. Ongevraagd als dat voor een juiste beoordeling van het te voeren of gevoerde beleid nodig is. Daarnaast ook als dit door één of meer leden van de raden of colleges wordt verlangd. Artikel 12 heeft betrekking op het geven van inlichtingen zoals bedoeld in artikel 17 Wgr.
Artikel 13 samenstelling dagelijks bestuur Gelet op de belangen van de gemeente Rotterdam als grote (en uitvoerende) gemeente is, is geregeld dat de gemeente Rotterdam in ieder geval vertegenwoordigd is in het dagelijks bestuur. Daarnaast zouden de volgende vier subregio’s met elk één lid vertegenwoordigd kunnen worden: •
1. subregio met Albrandswaard, Barendrecht, Ridderkerk
•
2. subregio met Bernisse, Brielle, Goeree-Overflakkee, Nissewaard,Hellevoetsluis, Spijkenisse, Westvoorne, Voorne aan Zee
•
3. subregio met Capelle aan den IJssel, Krimpen aan den IJssel, Lansingerland
•
4. subregio met Maassluis, Schiedam, Vlaardingen.
Artikel 14 werkwijze van het dagelijks bestuur In artikel 14 is een aantal bepalingen met betrekking tot de vergaderingen van het dagelijks bestuur opgenomen. Aangezien het dagelijks bestuur van het openbaar lichaam belast is met bevoegdheden die aan het college van burgemeester en wethouders toekomen, zijn ook voor het college relevante artikelen uit de Gemeentewet in dit verband van toepassing (volgt uit artikel 33, eerste lid Wgr). Hierbij moet met name worden gedacht aan artikel 56 (vergaderquorum: ten minste de helft van de zittende bestuursleden dient aanwezig te zijn voor beraadslaging/besluitvorming), artikel 58 (van toepassing verklaring van artikel 28, eerste tot en met derde lid, artikel 29 en artikel 30 Gemeentewet: bepalingen m.b.t. stemming en besluitvorming) en artikel 59 (staking van stemming) van de Gemeentewet. Het derde lid bepaalt dat het dagelijks bestuur voor zijn vergadering een reglement van orde vaststelt dat aan het algemeen bestuur ter kennisneming wordt overgelegd. In dit reglement kan het dagelijks bestuur nadere bepalingen opnemen ten aanzien van zijn vergaderingen. Hierbij moet gedacht worden aan bepalingen omtrent de openbaarheid van de vergaderingen en de mogelijkheid personen, al dan niet op uitnodiging, de vergadering te laten bijwonen en hen hierin een adviserende stem te geven. Artikel 19 voorzitter
In artikel 19, tweede lid, is bepaald dat de voorzitter alle stukken tekent die van het algemeen of dagelijks bestuur uitgaan. Daarnaast dient ook altijd de secretaris mede te ondertekenen, zoals is vastgelegd in artikel 21, derde lid. Artikel 20 voorzitter, vertegenwoordiging Hoewel het eerste lid van artikel 20 bepaalt dat de voorzitter het lichaam in en buiten rechte vertegenwoordigt, kan hij de vertegenwoordiging ook opdragen aan een gemachtigde die hij in overleg met het dagelijks bestuur aanwijst. Op deze (schriftelijke) volmachtverlening zijn de daartoe strekkende bepalingen uit de Algemene wet bestuursrecht van toepassing (afdeling 10.1.1). Het tweede lid ziet op de situatie dat de voorzitter behoort tot het bestuur van een gemeente die partij is in een rechtsgeding waarbij het lichaam is betrokken. Het dagelijks bestuur wijst in dit geval een ander lid uit zijn midden aan om het lichaam te vertegenwoordigen. Deze bepaling vindt overigens ook onverkort toepassing indien de plaatsvervangend voorzitter behoort tot het bestuur van een gemeente die partij is in een rechtsgeding waarbij het lichaam is betrokken. Ook in dat geval wijst het dagelijks bestuur uit zijn midden een ander lid als plaatsvervangend voorzitter aan. Artikelen 21 en 22 secretaris De secretaris wordt op voordracht van het dagelijks bestuur benoemd, geschorst en ontslagen door het algemeen bestuur.
Hij is werkzaam bij de uitvoerende gemeente en kan met instemming van het dagelijks bestuur een regeling treffen voor vervanging bij afwezigheid. Als secretaris woont hij alle bestuursvergaderingen bij, tenzij het bestuur anders beslist. Hierbij moet men bijvoorbeeld denken aan beraadslagingen waarbij het persoonlijk functioneren van de secretaris aan de orde komt. Het is echter niet mogelijk om als algemeen of dagelijks bestuur besluiten te nemen in afwezigheid van de secretaris. Onder leiding van de secretaris of diens vervanger vindt ambtelijk overleg plaats waarbij alle deelnemende gemeenten vertegenwoordigd zijn, ten einde de bestuursvergaderingen voor te bereiden. In artikel 22 is ook nog een taak opgenomen voor de secretaris wat betreft het archiefbeheer in het kader van de Archiefwet 1995. Toezicht hierop wordt uitgeoefend door de archivaris van de uitvoerende gemeente. Hierbij is tevens artikel 15 van belang, waarin is geregeld dat het dagelijks bestuur belast is met de zorg voor archiefbescheiden in het kader van genoemde wet binnen het kader van een door het algemeen bestuur vast te stellen Archiefverordening. Waarbij het voor de hand ligt dat de Archiefverordening van de uitvoerende gemeente wordt gevolgd, gelet op het feit dat het toezicht op het beheer wordt uitgevoerd door de archivaris van de uitvoerende gemeente. Artikel 23 Extern klachtrecht
Via deze bepaling wordt geregeld dat personen bij de Rotterdamse ombudsman terecht kunnen als zij klachten hebben over de gedragingen van medewerkers bij de taakuitoefening in het kader van deze regeling. Dat is verder weer ingekaderd door de toepasselijke bepalingen in de Algemene wet bestuursrecht. Artikel 24 commissies Artikel 24 betreft de instelling van (‘lichte’) adviescommissies, zoals bedoeld in artikel 24 Wet gemeenschappelijke regelingen. Genoemd artikel 24 regelt aanvullend nog het volgende. De instelling van vaste commissies van advies aan het dagelijks bestuur of aan de voorzitter en de regeling van haar samenstelling en bevoegdheden geschieden door het algemeen bestuur op voorstel van het dagelijks bestuur onderscheidenlijk van de voorzitter. Andere commissies van advies aan het dagelijks bestuur of aan de voorzitter worden door het dagelijks bestuur onderscheidenlijk door de voorzitter ingesteld. Indien op enig moment instelling van (‘zware’) bestuurscommissies (taakcommissies), zoals bedoeld in artikel 25 Wet gemeenschappelijke regelingen wenselijk is, zal de onderhavige gemeenschappelijke regeling aangepast dienen te worden. Het eerste lid van genoemd artikel 25 bepaalt namelijk dat het algemeen bestuur van het openbaar lichaam commissies kan instellen met het oog op de behartiging van bepaalde belangen indien de regeling in deze mogelijkheid voorziet.
Artikel 25 begroting van het lichaam De begroting geeft elk jaar inzicht in de geplande uitvoering voor het begrotingsjaar (het uitvoeringsplan), waarbij bovendien om de vier jaar een meerjarenbegroting wordt vastgesteld. De meerjarencyclus voor de begroting loopt in de pas met de vierjarencyclus van de gemeenteraadsverkiezingen: het meerjarenplan vangt aan in het jaar dat volgt op het jaar waarin de verkiezingen worden gehouden. Voor het besluit over de meerjarenbegroting is een tweederde meerderheid vereist. Tweede lid en achtste lid: Het dagelijks bestuur zendt de ontwerp begroting alsmede begrotingswijzigingen acht twaalf weken voordat zij ter vaststelling worden aangeboden aan het algemeen bestuur, toe aan de raden van de deelnemende gemeenten. De raden kunnen bij het dagelijks bestuur hun zienswijzen over de ontwerp begroting dan wel de begrotingswijziging(en) naar voren brengen (artikel 35, derde lid, Wet gemeenschappelijke regelingen). In artikel 25 van de onderhavige regeling is een termijn van 8 weken genoemd omdat de termijn van 6 weken zoals genoemd in artikel 35, derde lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen meestal te kort is om de begroting(swijziging(en)) in de raad te behandelen.
Derde tot en met vijfde lid: in aanvulling op de mogelijkheden die de Wet gemeenschappelijke regelingen geeft, is opgenomen dat een extra groei in het budget ten gevolge van veranderd beleid een unaniem besluit behoeft van het algemeen bestuur. Het gaat hierbij om groei als gevolg van endogene, door de regeling zelf te beïnvloeden, oorzaken. Een
groei als gevolg van exogeen bepaalde volumewijzigingen, zoals de stijging van het aantal jeugdigen, wordt buiten beschouwing gelaten. Ook hierbij geldt dat de gemeenteraden ten minste acht weken van tevoren het voorstel toegezonden dienen te krijgen. Artikel 26 mediation Artikel 28 Wet gemeenschappelijke regelingen geeft gedeputeerde staten de bevoegdheid om te beslissen in geschillen over de toepassing, in de ruimste zin van het woord, van de regeling. Dit kunnen zijn geschillen tussen deelnemende gemeenten of tussen algemeen bestuur en een of meer deelnemende gemeenten. Gedeputeerde staten kunnen in dat geval het desbetreffende bestuur opdragen een besluit te nemen met inachtneming van het door gedeputeerde staten bepaalde en binnen een door gedeputeerde staten te stellen termijn. Indien het besluit niet binnen de termijn wordt genomen, nemen gedeputeerde staten zelf het besluit. Artikel 27 komt neer op een inspanningsverplichting van partijen om eerst te proberen er via mediation zelf uit te komen. Partijen dienen zich dan van te voren te onderwerpen aan de voorwaarden voor mediation. De gedachte achter mediation is dat partijen beter gebaat zijn bij een oplossing die zij gezamenlijk (onder begeleiding) hebben bereikt, dan bij een oplossing die ‘van bovenaf’ is opgelegd.
Levert mediation niets op, of wensen partijen hier niet aan mee te werken, dan beslissen dus gedeputeerde staten zoals hiervoor beschreven. Dit is ook zo vastgelegd in de regeling van GGD Rotterdam-Rijnmond. Artikelen 28 t/m 31 toetreding, uittreding, wijziging en opheffing Voor uittreding geldt een opzegtermijn van één kalenderjaar, volgend op het uittredingsbesluit van het college van de deelnemende gemeente. Gelet op de risico’s die gemeenten lopen met de gezamenlijke uitvoering van bovenlokale taken, kan het algemeen bestuur regels vaststellen met betrekking tot de berekeningswijze van de aan een uittredende gemeente toe te rekenen kosten bij uittreding en de wijze waarop deze door de uittredende gemeente worden bepaald. In artikel 28, tweede lid, is dit nog nader uitgewerkt. In overeenstemming hiermee stelt het algemeen bestuur in overleg met de uittredende gemeente ten minste zes maanden voor uittreding een regeling op met betrekking tot de gevolgen van de uittreding. Lukt dit niet in overleg, dan is sprake van geschil als bedoeld in artikel 28 van de Wet gemeenschappelijke regelingen. Met artikel 28 lid 4 t/m 7 is invulling gegeven aan de in artikel 9 lid 1 Wgr vervatte verplichting om in de regeling bepalingen op te nemen omtrent uittreding omtrent de gevolgen voor het vermogen van de rechtspersoon.
Bij frictiekosten moet bijvoorbeeld worden gedacht aan de kosten voor het herplaatsen van personeel dat taken uitvoerde voor de
uittredende gemeente en dat door de uittreding overtollig wordt, of voor het beëindigen van de huur van ruimten die na de uittreding overbodig zijn. Desintegratiekosten ontstaan onder meer doordat de kosten van centrale ondersteunende (financiële, juridische, HR, etc.) functies nu moeten worden opgebracht door een kleinere organisatie. Artikel 30, derde lid, regelt dat een wijziging van de regeling pas intreedt nadat deze is bekend gemaakt. Dit sluit aan bij artikel 3:40 Algemene wet bestuursrecht (Awb), dat bepaalt dat een besluit niet in werking treedt voordat het is bekendgemaakt. Volgens artikel 3:42 Awb kan dat via een van overheidswege uitgegeven blad of een dag-, nieuws- of huis-aan-huisblad, dan wel op een andere geschikte wijze. In de praktijk is het aan te bevelen dat het openbaar lichaam het initiatief neemt om te zorgen voor bekendmaking door alle gemeenten in het werkgebied van het openbaar lichaam. Artikel 31, tweede en derde lid, gaat over de liquidatie en de vereffening van het vermogen van het openbaar lichaam na opheffing. De organen van het lichaam, te weten de voorzitter, het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur, blijven voor zover dit voor de liquidatie nodig is nog in functie. Artikel 31 overgangsbepaling Deze regeling anticipeert op de inwerkingtreding van de Jeugdwet met ingang van 1 januari 2015.
Te verwachten valt dat al in 2014, dus nog voor de inwerkingtreding, besluiten zullen moeten worden genomen over de uitvoering van bovenlokale taken, in navolging van het besluit dat reeds door alle gemeenten genomen is over het Transitie Arrangement. Artikel 31b participatie Met dit artikel is invulling gegeven aan artikel 10, zevende lid, van de Wgr. Er is niet voor gekozen in de regeling te voorzien in deze vorm van participatie, onder meer omdat het een beleidsarme regeling betreft, en bovendien meer voor de hand ligt dat participatie en inspraak verloopt via de colleges en raden van de deelnemende gemeenten. Artikel 32 biedt dan de mogelijkheid om het algemeen bestuur hierover te laten besluiten.
Artikelen 33 en 34 inwerkingtreding, evaluatie De regeling is aangegaan voor onbepaalde tijd. Dit is in lijn is met de besluitvorming over het Transitie Arrangement waaruit een duidelijk bestuurlijk commitment blijkt voor langdurige samenwerking. Tegelijkertijd is het zo dat de ervaringen met de uitvoering van de regeling twee jaar na invoering geëvalueerd zullen worden en nog tot wijzigingen aanleiding kunnen geven. Dit is nader vastgelegd in artikel 34. De evaluatie heeft in ieder geval betrekking op de ervaringen met de verrekeningssystematiek en de vereisten die in de regeling zijn opgenomen voor bestuurlijke besluitvorming. Met artikel 34 is invulling gegeven aan artikel 11a van de Wgr. De regeling treedt in werking op 1 mei 2014, waarbij rekening is gehouden met de tijd die nodig is om na de gemeenteraadsverkiezingen in maart nieuwe colleges te vormen.
Ingevolge artikel 26, eerste lid van de Wet gemeenschappelijke regelingen is het college van de uitvoerende gemeente aangewezen om de regeling, als deze eenmaal is vastgesteld, toe te zenden aan gedeputeerde staten.