28. 2024-066119 Gemeenschappelijke Regeling Jeugdhulp Rijnmond Reactie zienswijze wijziging GRJR.pdf
Tekst van het document
Aan: Van: Datum: Onderwerp: Bijlagen
De raden van de deelnemende gemeenten in de Gemeenschappelijke Regeling Jeugdhulp Rijnmond Het algemeen bestuur van de Gemeenschappelijke Regeling Jeugdhulp Rijnmond 12 juli 2024 Reactie zienswijzen wijziging Gemeenschappelijke Regeling Jeugdhulp Rijnmond 1. Definitieve gewijzigde tekst GRJR 2024
Kenmerk: Behandelend ambtenaar: Contactgegevens ambtenaar:
24MO00660 Coördinator GRJR, mw. G.G. Doornweerd GG.Doornweerd@rotterdam.nl
Geachte raden, Uw gemeente werkt in de Gemeenschappelijke Regeling Jeugdhulp Rijnmond (GRJR) samen aan de beschikbaarheid van specialistische jeugdhulp, van jeugdbescherming en jeugdreclassering en van een meldpunt huiselijk geweld en kindermishandeling (Veilig Thuis). De GRJR moet aangepast worden aan de gewijzigde Wet gemeenschappelijke regelingen. U bent eerder door uw colleges in de gelegenheid gesteld hierover uw zienswijzen naar voren te brengen. Deze zienswijzen hebben wij geïnventariseerd en zoveel mogelijk verwerkt in een definitieve tekst van de gewijzigde gemeenschappelijke regeling. In deze brief lichten wij toe in hoeverre de uitgebrachte zienswijzen zijn overgenomen, en wanneer daarvan af is gezien, en om welke reden. Wijziging GRJR In de tekst onder deze brief geven we u per onderwerp aan waarop de regeling is gewijzigd. Kort wordt per onderwerp beschreven waar het punt over gaat en wat het oorspronkelijke tekstvoorstel voor de gewijzigde regeling was. Daarna volgt een samengevat overzicht van de door de gemeenteraden naar voren gebrachte zienswijzen. Daarop geven wij vervolgens een reactie, waarbij aangegeven wordt in hoeverre de zienswijzen zijn overgenomen. Tot slot wordt – voor zover van toepassing – de nieuwe gewijzigde tekst opgenomen van de bepaling uit de regeling.
De integrale tekst van de gewijzigde gemeenschappelijke regeling is als bijlage opgenomen bij deze brief.
Gemeenschappelijke Regeling Jeugdhulp Rijnmond p/a Gemeente Rotterdam Jeugd en Onderwijs Postbus 70014 3000 KS Rotterdam www.jeugdhulprijnmond.nl
1
Wij danken u voor uw inbreng, en gaan ervan uit met deze brief toereikend te hebben gereageerd op de zienswijzen die door uw raden naar voren zijn gebracht. De definitieve gewijzigde tekst van de regeling zal hierna nog aan u worden voorgelegd ter toestemming. Dit zal gebeuren via een raadsvoorstel van uw colleges. Namens het Algemeen Bestuur van de Gemeenschappelijke Regeling Jeugdhulp Rijnmond,
S. Hammer Secretaris/Directeur
R. Buijt Voorzitter
2
Wijziging GRJR a. extra zienswijzemogelijkheid raden bij besluiten De verplichting om een zienswijze te vragen aan de raden gold voorheen enkel voor de begrotingsprocedure. Daar komt nu bij dat in de regeling een bepaling moet worden opgenomen waarin een keuze wordt gemaakt of er specifieke besluiten – anders dan over de begroting – ter zienswijze moeten worden voorgelegd aan de raden. Er kan ook voor worden gekozen om geen extra besluiten – anders dan over de begroting – voorafgaand aan de raden ter zienswijze voor te leggen. Oorspronkelijk voorstel tekst: Zienswijze Artikel 10a 1. Er zijn geen besluiten aangewezen waarover de raden van de gemeenten een zienswijze naar voren kunnen brengen voorafgaand aan het nemen van het besluit, zoals bedoeld in artikel 10, vijfde lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen. 2. Het algemeen bestuur kan indien het dat nodig acht een besluit voorafgaand aan het nemen van het besluit ter zienswijze voorleggen aan de raden van de gemeenten, en bepaalt in dat geval tevens de wijze waarop de zienswijze kan worden gegeven.
Albrandswaard: akkoord Barendrecht: akkoord Capelle aan den IJssel: akkoord Goeree Overflakkee: vooraf bestuurlijke planning maken waar voorgenomen besluiten op staan, terugkoppeling en vervolg geven aan ingediende zienswijzen Krimpen aan den IJssel: akkoord Lansingerland: algemene omschrijving die refereert aan kaderstellende en controlerende rol van de raad, gevraagd en ongevraagd zienswijze, bestuurlijke planning waar voorgenomen besluiten op staan, ontvangen zienswijzen expliciet behandelen in AB Maassluis: akkoord Nissewaard: akkoord Ridderkerk: akkoord Rotterdam: beperkt gebruiken, zienswijze bij grote beleids- en/of structuurwijzigingen en bij evaluatie Schiedam: akkoord Vlaardingen: akkoord, maar raad kan zich voorstellen dat stukken die strategisch karakter hebben ter zienswijze voorgelegd worden Voorne aan Zee: akkoord Reactie: Jeugdhulp Rijnmond is in feite een inkooporganisatie, en de gemeenschappelijke regeling is beleidsarm. Inherent daaraan is dat er niet veel besluitvorming plaatsvindt. Een aantal gemeenteraden (Lansingerland, Rotterdam, Vlaardingen) geeft aan dat zij graag om zienswijze worden gevraagd voorafgaand aan besluitvorming over belangrijke besluiten die raken aan strategische beleidskeuzes en kaders en/of structuurwijzigingen / refererend aan de kaderstellende en controlerende rol van de raad.
Daarnaast geeft een tweetal raden aan prijs te stellen op een bestuurlijke planning waar voorgenomen besluiten op staan (Goeree Overflakkee, Lansingerland). Eén gemeenteraad (Goeree Overflakkee) geeft aan dat zij ook een terugkoppeling op ingediende zienswijzen verwachten, en bij voldoende draagvlak vervolg geven aan de zienswijze. Eén gemeenteraad (Nissewaard) geeft aan het wenselijk te vinden een zienswijze in te kunnen dienen bij het opstellen van de kadernota. Eén gemeenteraad (Rotterdam) wil bij evaluatie van de regeling de mogelijkheid hebben een zienswijze in te dienen. Tot slot verzoekt één gemeenteraad (Lansingerland) om ook ongevraagd zienswijze te kunnen geven.
3
Naar aanleiding van de ingediende zienswijzen wordt er aan de eerder voorgestelde bepaling toegevoegd dat wanneer er sprake is van besluiten over grote beleids- of structuurwijzigingen, deze aan de raden ter zienswijze worden voorgelegd. In de wet is geregeld hoe er met zienswijzen moet worden omgegaan. Voorafgaande aan het nemen van het besluit waarover de zienswijze gegeven is stelt het dagelijks bestuur de raden van de deelnemende gemeenten en, indien het een besluit van het algemeen bestuur van een openbaar lichaam betreft, het algemeen bestuur schriftelijk en gemotiveerd in kennis van het oordeel over de zienswijze, bedoeld in het vorige lid, alsmede van de eventuele conclusies die het daaraan verbindt (art. 10 lid 6 Wgr). Over het opstellen van een bestuurlijke planning kunnen ambtelijk afspraken worden gemaakt. Niet voor alle soorten besluiten kan vooraf al een planning worden gegeven. Het voorafgaand aan een evaluatie van de regeling vragen om zienswijze past minder goed bij de bedoeling van dit nieuwe instrument. Hier wordt daarom niet voor gekozen. De raden worden in de gelegenheid gesteld hun zienswijze naar voren te brengen ten aanzien van de ontwerpbegroting en ontwerpbegrotingswijzigingen, twaalf weken vóór het aanbieden aan het AB ter vaststelling (art. 35 lid 1 Wgr).
De raden ontvangen voorts vóór 30 april van het jaar voorafgaande aan dat waarvoor de begroting dient, de algemene financiële en beleidsmatige kaders en de voorlopige jaarrekening (art. 34b Wgr). Hiervoor geldt echter geen afzonderlijke zienswijzeprocedure. Omdat de ontwerpbegroting al in april wordt opgeleverd zodat de zienswijzeperiode voor de begroting niet in het zomerreces valt, wordt de kadernota veel eerder vastgesteld dan voor 30 april, namelijk al in december. Een formele zienswijzeprocedure met een termijn van twaalf weken is daarom praktisch ook niet mogelijk, omdat de kaders al in de twaalf weken na vaststelling in december worden omgezet in de ontwerpbegroting. Wij kiezen er daarom niet voor om hierover een formele zienswijzemogelijkheid op te nemen in de regeling. Dit laat onverlet dat we de raden graag gelegenheid geven op deze kaders te reageren (een facultatieve zienswijze zonder formele termijn), zodat het AB hun inbreng al kan betrekken bij de vaststelling van de ontwerpbegroting waarop vervolgens formele zienswijzemogelijkheid wordt geboden. Wij zien voorts weinig meerwaarde om een bepaling op te nemen over het ongevraagd kunnen indienen van zienswijzen. Er wordt op meerdere wijzen actief en gevraagd informatie verstrekt aan de raden.
Het moge voor zich spreken dat het de raden vrijstaat om via die wegen input te leveren als zij daar zelf aanleiding toe zien. Nieuw voorstel tekst: Zienswijze Artikel 10a 1. Bij besluiten over grote beleids- of structuurwijzigingen wordt aan de raden van de gemeenten de mogelijkheid geboden een zienswijze naar voren te brengen voorafgaand aan het nemen van het besluit, zoals bedoeld in artikel 10, vijfde lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen. 2. Het bestuur kan voorts indien het dat nodig acht, een besluit voorafgaand aan het nemen van het besluit ter zienswijze voorleggen aan de raden van de gemeenten, en bepaalt in dat geval tevens de wijze waarop de zienswijze kan worden gegeven.
4
b. evaluatie regeling In de regeling moet iets worden opgenomen over evaluatie van de regeling. Er kan o.a. worden gekozen waar de evaluatie specifiek op gericht moet zijn, hoe vaak die moet plaatsvinden en op welke wijze. Er kan ook voor worden gekozen om de regeling niet te evalueren. Oorspronkelijk voorstel tekst: Evaluatie Artikel 34 1.Het functioneren van de regeling wordt elke vier jaar, na afloop van het derde jaar van een raadsperiode, door het algemeen bestuur geëvalueerd. Het algemeen bestuur stelt daartoe vooraf het doel en de reikwijdte van de evaluatie, alsmede de wijze van evalueren vast. In ieder geval zal de evaluatie betrekking hebben op de ervaringen met de verrekeningssystematiek en de vereisten die in de regeling zijn opgenomen voor bestuurlijke besluitvorming en worden op basis hiervan zo nodig wijzigingen doorgevoerd. 2. Het algemeen bestuur kan voorts besluiten het functioneren van de regeling te evalueren op elk ander moment als daartoe aanleiding bestaat. 3. De raden worden op de hoogte gesteld van de uitkomsten van een evaluatie.
Albrandswaard: duidelijker aangeven wat met uitkomsten wordt gedaan Barendrecht: duidelijker aangeven wat met uitkomsten wordt gedaan Capelle aan den IJssel: akkoord Goeree Overflakkee: akkoord Krimpen aan den IJssel: evaluatie ook op verzoek van deelnemende gemeente Lansingerland: akkoord Maassluis: akkoord Nissewaard: duidelijker aangeven wat met uitkomsten wordt gedaan Ridderkerk: duidelijker aangeven wat met uitkomsten wordt gedaan Rotterdam: mogelijkheid van gemeenschappelijke adviescommissie Schiedam: akkoord Vlaardingen: akkoord Voorne aan Zee: akkoord Reactie: Een flink aantal raden geeft aan dat zij graag duidelijker zien aangegeven wat er met de uitkomsten van evaluaties wordt gedaan. De zienswijzen om het derde lid van artikel 34 van de regeling te verduidelijken wordt overgenomen. Indien een (of meerdere) gemeente(n) meent/menen dat er tussentijds reden is om te evalueren, kan dat in het AB worden ingebracht, en kan het AB daarover een besluit nemen. Nieuw voorstel tekst: Evaluatie Artikel 34 1.Het functioneren van de regeling wordt elke vier jaar, na afloop van het derde jaar van een raadsperiode, door het algemeen bestuur geëvalueerd. Het algemeen bestuur stelt daartoe vooraf het doel en de reikwijdte van de evaluatie, alsmede de wijze van evalueren vast.
In ieder geval zal de evaluatie betrekking hebben op de ervaringen met de verrekeningssystematiek en de vereisten die in de regeling zijn opgenomen voor bestuurlijke besluitvorming en worden op basis hiervan zo nodig wijzigingen doorgevoerd. 2. Het algemeen bestuur kan voorts besluiten het functioneren van de regeling te evalueren op elk ander moment als daartoe aanleiding bestaat. 3. De raden worden op de hoogte gesteld van de resultaten van de evaluatie, de conclusies en de wijzigingen die naar aanleiding van de evaluatie zijn of worden doorgevoerd.
5
c. participatie In de regeling moet iets worden bepaald over de wijze waarop ingezetenen van de deelnemende gemeenten en andere belanghebbenden worden betrokken bij de voorbereiding, uitvoering en evaluatie van beleid op grond van deze regeling. Er kan ook voor worden gekozen van deze vorm van participatie af te zien, maar ook dan moet dat worden bepaald in de regeling. Oorspronkelijk voorstel tekst: Participatie Artikel 31b De mogelijkheid tot participatie als bedoeld in artikel 10, zevende lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen wordt niet geopend. Albrandswaard: spreekrecht in vergaderingen AB over geagendeerde onderwerpen, reglement van orde regelt aanmelding, toelating en spreektijd Barendrecht: spreekrecht in vergaderingen AB over geagendeerde onderwerpen, reglement van orde regelt aanmelding, toelating en spreektijd Capelle aan den IJssel: akkoord Goeree Overflakkee: akkoord Krimpen aan den IJssel: waar wettelijk vereist of AB het wenselijk acht betrekken belanghebbenden bij voorbereiding, uitvoering en evaluatie van beleid; spreekrecht in vergaderingen AB, nader geregeld in reglement van orde Lansingerland: akkoord Maassluis: akkoord Nissewaard: akkoord Ridderkerk: spreekrecht in vergaderingen AB over geagendeerde onderwerpen, reglement van orde regelt aanmelding, toelating en spreektijd Rotterdam: akkoord Schiedam: akkoord Vlaardingen: akkoord Voorne aan Zee:
akkoord Reactie: Een viertal gemeenteraden (Albrandswaard, Barendrecht, Krimpen aan den IJssel, Ridderkerk) ziet als invulling van participatie graag een mogelijkheid opgenomen in de regeling voor spreekrecht van belanghebbenden in vergaderingen van het AB. Er wordt niet voor gekozen hierover iets in de regeling op te nemen. In principe staat dat er niet aan in de weg om, indien daar in voorkomend geval aanleiding toe bestaat, een belanghebbende toe te staan in te spreken tijdens een vergadering. Omdat het hier echter gaat om een beleidsarme regeling, en in feite een inkooporganisatie, ligt meer voor de hand dat participatie en inspraak verloopt via de colleges en raden van de deelnemende gemeenten. Dit is ook in de toelichting bij deze bepaling in de regeling duidelijk gemaakt. De tekst van de bepaling is alleen tekstueel nog iets aangepast ter verduidelijking. Nieuw voorstel tekst: Participatie Artikel 31b De regeling voorziet niet in participatie als bedoeld in artikel 10, zevende lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen.
6
d. actieve informatieplicht Het bestuur van het openbaar lichaam moet de raden van de deelnemende gemeenten alle inlichtingen geven die de raden nodig hebben voor de uitoefening van hun taken; in de regeling moet iets worden bepaald over de wijze waarop deze inlichtingen worden verstrekt. Voorstel tekst: Artikel 12 1. Het algemeen bestuur, het dagelijks bestuur en de voorzitter geven aan de raden en de colleges van de gemeenten gevraagd en ongevraagd alle inlichtingen die zij nodig hebben voor de uitoefening van hun taken. De betreffende inlichtingen aan de raden worden schriftelijk verstrekt via de griffies van de gemeenten of via bijeenkomsten waarvoor alle raadsleden van alle deelnemers zullen worden uitgenodigd.
Albrandswaard: toevoegen dat raden ontvangen / worden op de hoogte gesteld van vastgestelde verslagen AB, vastgestelde begroting, vastgestelde jaarrekening met accountantsrapportage, vastgestelde meerjarenbegroting en uitvoeringsplan Barendrecht: toevoegen dat raden ontvangen / worden op de hoogte gesteld van vastgestelde verslagen AB, vastgestelde begroting, vastgestelde jaarrekening met accountantsrapportage, vastgestelde meerjarenbegroting en uitvoeringsplan Capelle aan den IJssel: akkoord Goeree Overflakkee: akkoord Krimpen aan den IJssel: akkoord Lansingerland: akkoord Maassluis: akkoord Nissewaard: akkoord, (op gestructureerde wijze) doorgaan met informatiebrieven en gezamenlijke radenbijeenkomsten Ridderkerk: toevoegen dat raden ontvangen / worden op de hoogte gesteld van vastgestelde verslagen AB, vastgestelde begroting, vastgestelde jaarrekening met accountantsrapportage, vastgestelde meerjarenbegroting en uitvoeringsplan Rotterdam: akkoord Schiedam: akkoord Vlaardingen: akkoord Voorne aan Zee: akkoord Reactie: De begrotingskaders, voorlopige jaarrekening (inclusief accountantsrapport en -verklaring), definitieve jaarstukken, ontwerpbegrotingen en ontwerpbegrotingswijzigingen, definitieve begrotingen en begrotingswijzigingen (begrotingen inclusief meerjarenbegroting en uitvoeringsplan) worden al op grond van de Wgr en de daarin vastgelegde termijnen aan de raden
toegezonden. Dit is dus ook geen invulling van de bedoelde actieve informatieplicht. Wij zien om die reden geen aanleiding om de tekst van de regeling op dit punt aan te passen. Er is gekozen voor een brede omschrijving van de actieve informatieplicht, omdat niet bij voorbaat valt te specificeren om welke soort informatie ten aanzien van welke besluitvorming het kan gaan. Voorts kan de GRJR altijd op verzoek in een raad verschijnen als hier belangrijke overwegingen en redenen voor zijn. De stukken voor het AB staan altijd twee weken van tevoren op Notubiz. Notubiz is voor wat betreft het AB gedeelte openbaar toegankelijk, waarmee de stukken voor raadsleden op hetzelfde moment beschikbaar zijn als voor bestuurders. De link naar de GRJR-site van Notubiz is GRJR (notubiz.nl).
7
e. financiële gevolgen uittreding (voor het vermogen van het openbaar lichaam) De regeling moet bepalingen bevatten over de gevolgen van uittreding. Nieuw is dat ook iets moet worden opgenomen over de gevolgen voor het vermogen van het openbaar lichaam. Dit is een afweging van meer technische aard. Hierbij wordt aangesloten bij een min of meer standaardtekst die ook in andere – reeds aangepaste – gemeenschappelijke regelingen in den lande wordt gebruikt. Voorstel tekst: Uittreding Artikel 29 (…) 4. De uittreedsom bestaat in beginsel uit een vergoeding ter compensatie van frictiekosten en desintegratiekosten, onder aftrek van eventuele baten. 5. Onder frictiekosten wordt verstaan alle incidentele kosten op het moment van uittreding te maken door het lichaam, ontstaan als direct gevolg van de uittreding. 6. Onder desintegratiekosten wordt verstaan alle kosten binnen een periode van vijf jaar vanaf het moment van uittreding te maken door het lichaam, die samenhangen met de afbouw van overcapaciteit in personele en materiële sfeer en andere verplichtingen, de afbouw van risico’s daarbij inbegrepen, ontstaan als direct gevolg van de uittreding.
Albrandswaard: akkoord Barendrecht: akkoord Capelle aan den IJssel: akkoord Goeree Overflakkee: akkoord Krimpen aan den IJssel: anders uitwerken, van mening dat na wetswijziging AB niet langer condities uittreding kan bepalen Lansingerland: akkoord Maassluis: akkoord Nissewaard: akkoord Ridderkerk: akkoord Rotterdam: akkoord Schiedam: akkoord Vlaardingen: akkoord Voorne aan Zee: akkoord Reactie: De wet is op dit onderdeel gewijzigd omdat voorheen vaak in gemeenschappelijke regelingen werd volstaan met de afspraak dat in geval van uittreding het (algemeen) bestuur de uittreedvoorwaarden vaststelt. Om die reden moeten nu in ieder geval afspraken worden gemaakt over de gevolgen voor het vermogen van de rechtspersoon, waarbij moet worden gedacht aan afspraken over personeel, contracten, huisvesting en investeringen. Wij menen dat met de voorgestelde wijzing van de regeling wordt voldaan aan de in de wet opgenomen vereisten. Dat er een rol voor het algemeen bestuur blijft weggelegd om bij uitreding daar verder invulling aan te geven om maatwerk te kunnen bieden blijft onzes inziens nog steeds mogelijk. Wij zien dus geen aanleiding om de tekst van de regeling op dit punt aan te passen.
8
f.
overige punten zienswijzen
Wijzigingsbesluit Krimpen aan den IJssel: van mening dat artikel 30, tweede lid, van huidige regeling overgenomen dient te worden; is niet verwarrend, maar wel duidelijker, anders blijkt nergens uit dat een wijzigingsbesluit unaniem door de deelnemende colleges moet worden genomen. Voorstel tekst: Wijziging Artikel 30 1. Een voorstel aan de gemeenten tot wijziging van deze regeling kan worden gedaan door het algemeen bestuur of door ten minste drie gemeenten. 2. Alle colleges van de gemeenten dienen in te stemmen met een besluit tot wijziging van deze regeling. 3. [vervallen] Reactie: Het tweede lid van artikel 30 wordt geschrapt omdat de procedure tot wijziging wordt geregeld in de wet (art. 1 lid 1 Wgr). Het is niet de bedoeling om dat te herhalen in lagere regelingen. Bovendien leverde de terminologie “in te stemmen met” in de praktijk verwarring op. Vanzelfsprekend gaan de colleges – die immers samenwerken in deze gemeenschappelijke regeling – over wijziging van de regeling. Zij hoeven dus niet in te stemmen, sterker nog, zij moeten allen een besluit nemen tot wijziging van de regeling. Wij zien derhalve geen aanleiding om deze zienswijze over te nemen.
Gemeenschappelijke commissie Nissewaard: onder het kopje “gezamenlijke adviescommissie”; indien nodig moet het AB de mogelijkheid hebben een “onderzoekscommissie in te stellen”, met deelnemende gemeenten spreken of voldoende draagvlak is voor “gemeenschappelijke commissie”. Reactie: Niet helemaal duidelijk is wat hiermee wordt bedoeld of beoogd. Met de wijziging van de Wet gemeenschappelijke regeling is een grondslag gecreëerd voor de raden om gezamenlijk voor te stellen aan het AB om een gemeenschappelijke adviescommissie in te stellen (art. 24a Wgr). Hiervoor hoeft de regeling zelf niet gewijzigd te worden. Tegelijkertijd is ook de Gemeentewet gewijzigd, waarmee een grondslag is gecreëerd voor de raden om tezamen een gemeenschappelijke onderzoekscommissie in te stellen (art. 155g Gemw). Die bevoegdheid ligt dus bij de raden, niet bij het AB. Ook hiervoor geldt dat de regeling zelf niet gewijzigd hoeft te worden. Tot slot bestaat overigens ook nog altijd de mogelijkheid om een adviescommissie in te stellen door het AB op grond van de gemeenschappelijke regeling (art. 24 GRJR). Wij zien daarom geen aanleiding om een extra bepaling in de regeling op te nemen over een door het AB in te stellen onderzoekscommissie.
9
Gemeenschappelijke Regeling Jeugdhulp Rijnmond Geldend van 06-09-2022 t/m heden Intitulé Gemeenschappelijke Regeling Jeugdhulp Rijnmond De Raad van de gemeente Rotterdam, gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 17 december 2013 (raadsvoorstel nr. 13MO16987); raadsstuk 13GR3602; gelet op: •
artikel 2.8 van de Jeugdwet (gewijzigd voorstel van wet, nr.33684, 17 oktober 2013)
•
artikel 1, tweede lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen;
besluit: in te stemmen met het besluit van het college om samen met de 15 gemeenten in de regio Rotterdam-Rijnmond de Gemeenschappelijke Regeling Jeugdhulp Rijnmond te treffen, waarvan de tekst plus toelichting is opgenomen in de bijlage bij dit besluit. Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van 6 maart 2014. •
De griffier, De voorzitter, J.G.A. Paans A.Aboutaleb Dit gemeenteblad is uitgegeven op 11 maart 2014 INHOUDSOPGAVE HOOFDSTUK I Algemene Bepalingen - Begripsbepalingen artikel 1 - Het openbaar lichaam artikel 2
HOOFDSTUK II Doelstelling en taken - Doelstelling artikel 3 - Taken artikel 4 HOOFDSTUK III Het algemeen bestuur - Samenstelling artikelen 5 en 6 - Werkwijze artikelen 7, 8 en 9 - Bevoegdheden artikel 10 - Inlichtingen en verantwoording artikelen 11 en 12 HOOFDSTUK IV Het dagelijks bestuur - Samenstelling artikel 13 - Werkwijze artikel 14 - Bevoegdheden artikelen 15 en 16 - Inlichtingen en verantwoording artikel 17 HOOFDSTUK V De voorzitter - De voorzitter artikelen 18, 19 en 20 HOOFDSTUK VI Ondersteuning bestuur - De secretaris-directeur artikelen 21 en 22 HOOFDSTUK VII Extern klachtrecht - Ombudsman artikel 23 HOOFDSTUK VIII Commissies - Commissies artikel 24 HOOFDSTUK IX Financiële bepalingen - Begroting van het lichaam artikel 25 - Rekening van het lichaam artikel 26 HOOFDSTUK X Geschillen
- Geschillen artikel 27 HOOFDSTUK XI Toetreding, uittreding, wijziging en opheffing - Toetreding artikel 28 - Uittreding artikel 29 - Wijziging artikel 30 - Opheffing artikel 31 HOOFDSTUK XII Overgangs- en slotbepalingen - Overgangsbepaling artikel 32 - Inwerkingtreding artikel 33 - Slotbepalingen artikelen 34 en 35 HOOFDSTUK I ALGEMENE BEPALINGEN Begripsbepalingen Artikel 1 In deze gemeenschappelijke regeling wordt verstaan onder: a.) ‘de regeling’: de Gemeenschappelijke regeling Jeugdhulp Rijnmond; b.) ‘het lichaam’: het openbaar lichaam bedoeld in artikel 2; c.) ‘de gemeente’: een aan deze regeling deelnemende gemeente; d.) ‘subregio’: cluster van twee of meer gemeenten; e.) ‘colleges’: de colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten; f.) ‘bovenlokale taken’: gemeentelijke taken in het kader van de Jeugdwet waarvan de deelnemende colleges hebben vastgesteld dat deze in gezamenlijkheid worden uitgevoerd; g.) ‘de uitvoerende gemeente’: de door het algemeen bestuur aangewezen gemeente die in opdracht van en namens het algemeen of dagelijks bestuur belast is met de uitvoering van bovenlokale taken. Het openbaar lichaam Artikel 2
1. Er is een rechtspersoonlijkheid bezittend openbaar lichaam genaamd Openbaar Lichaam Jeugdhulp Rijnmond. Het is gevestigd te Rotterdam. 2. Het rechtsgebied van het lichaam omvat het grondgebied van de gemeenten Albrandswaard, Barendrecht, Brielle, Capelle aan den IJssel, Goeree-Overflakkee, Hellevoetsluis, Krimpen aan den IJssel, Lansingerland, Maassluis, Nissewaard, Ridderkerk, Rotterdam, Schiedam, Vlaardingen en WestvoorneVoorne aan Zee. HOOFDSTUK II DOELSTELLING EN TAKEN Doelstelling Artikel 3 Het lichaam heeft tot doel te zorgen voor een kwalitatief goede en efficiënte uitvoering van bovenlokale taken, met inachtneming van de bepalingen in de Jeugdwet. Taken Artikel 4 In het kader van de doelstelling heeft het lichaam de volgende taken: a. het uitvoeren van de bovenlokale taken door middel van: - het contracteren en/of subsidiëren van aanbieders van jeugdhulp en uitvoerders jeugdreclassering en jeugdbeschermingsmaatregelen in het kader van de Jeugdwet; de jeugdhulp omvat de uitvoering van gesloten jeugdhulp, crisiszorg, pleegzorg, residentiële, intramurale zorg en/of specialistische zorg voor jeugdigen; de taken worden uitgevoerd met inachtneming van de afspraken die hierover op bovenregionaal of landelijk niveau zijn of worden gemaakt; - het organiseren van een advies- en meldpunt huiselijk geweld en kindermishandeling; b.
het bevorderen van gezamenlijk overleg van de gemeenten inzake de uitvoering van de jeugdhulptaken, welke ingevolge de Jeugdwet aan de gemeenten zijn opgedragen. HOOFDSTUK III HET ALGEMEEN BESTUUR Samenstelling Artikel 5 1. Elk deelnemend college wijst uit zijn midden één lid en één plaatsvervangend lid aan voor het algemeen bestuur.
2. Het algemeen bestuur wijst uit zijn midden het dagelijks bestuur aan. Artikel 6 1. De leden van het algemeen bestuur worden aangewezen voor de duur van de zittingsperiode van het college. Bij de aanvang van elke zittingsperiode vindt de aanwijzing plaats in een van de eerste vergaderingen van de nieuwe benoemde colleges. 2. De leden van het algemeen bestuur treden af op de dag waarop de nieuw gekozen leden van het algemeen bestuur in functie treden. 3. De leden van het algemeen bestuur treden af op het moment van verlies van het wethouderschap of van het voorzitterschap van het college. 4. Het lid dat ter vervulling van een buiten de gewone tijd van aftreden opengevallen plaats tot lid van het algemeen bestuur is aangewezen, treedt af op het tijdstip waarop degene in wiens plaats hij is benoemd, zou hebben moeten aftreden. 5. De leden van het algemeen bestuur kunnen te allen tijde ontslag nemen. Van dit ontslag stellen zij de voorzitter van het algemeen bestuur, alsmede de voorzitter van het college dat hen heeft aangewezen, schriftelijk op de hoogte. Onverminderd het bepaalde in artikel 13, tweede lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen, behouden leden van het algemeen bestuur, die ontslag hebben genomen, hun lidmaatschap totdat onherroepelijk in hun opvolging is voorzien.
Werkwijze Artikel 7 Het algemeen bestuur vergadert ten minste twee maal per jaar en voorts zo dikwijls als de voorzitter of het dagelijks bestuur dit nodig oordeelt, dan wel ten minste drie leden van het algemeen bestuur dit, onder opgaaf van redenen, schriftelijk verzoeken. In het laatste geval vindt de vergadering plaats binnen twee weken. Artikel 8 1. Het algemeen bestuur vergadert in het openbaar. De deuren worden gesloten wanneer een vijfde van de aanwezige leden daarom verzoekt of de voorzitter het nodig oordeelt. Het algemeen bestuur beslist vervolgens of met gesloten deuren wordt vergaderd. 2. Bij het nemen van besluiten door het algemeen bestuur wordt te allen tijde gestreefd naar consensus. Indien het op hoofdelijke stemming aankomt, brengen de leden voor de gemeente die zij vertegenwoordigen ieder één stem uit, met uitzondering van de leden die een gemeente vertegenwoordigen waarbij het aantal inwoners van onder de 18 jaar meer is dan 10.000. Zij brengen voor elk volgend 10.000-tal, of gedeelte daarvan, één stem meer uit tot een maximum van dertien stemmen per gemeente. 3. Voor de toepassing van het tweede lid gelden de bevolkingscijfers van de gemeenten per 1 januari van het voorgaande jaar. Voor de vaststelling van de aantallen inwoners worden de
door het Centraal Bureau voor de Statistiek openbaar gemaakte bevolkingscijfers aangehouden. 4. In een besloten vergadering van het algemeen bestuur kan niet beraadslaagd worden noch een besluit worden genomen over: a.) de vaststelling en wijziging van de begroting; b.) de vaststelling van de rekening; c.) het toetreden tot, het uittreden uit of het wijzigen of opheffen van de regeling; d.) het oprichten van of deelnemen in stichtingen, maatschappen, vennootschappen en coöperatieve en andere verenigingen dan wel het ontbinden daarvan of het beëindigen van de deelname daaraan; e.) benoeming en ontslag van leden van het dagelijks bestuur. 5. In een besloten vergadering van het algemeen bestuur kan geen besluit worden genomen over het doen van een uitgave voordat de begroting of begrotingswijziging, waarbij deze uitgave is geraamd, is goedgekeurd. Artikel 9 1. Het algemeen bestuur stelt voor zijn vergaderingen een reglement van orde vast. 2. Dit reglement, alsmede een wijziging hiervan, wordt ter kennisneming aan de gemeenten toegezonden. Bevoegdheden Artikel 10 1. Het algemeen bestuur wijst de uitvoerende gemeente aan, besluit over de omvang van de inzet door de uitvoerende gemeente en de wijze waarop de hiermee gemoeide kosten worden doorberekend aan de gemeenten (de verrekeningssystematiek) voor de vaststelling van hun financiële bijdrage. 2.
Het algemeen bestuur besluit met unanimiteit van stemmen over de verrekeningssystematiek voor de vaststelling van de financiële bijdragen. 3. Het algemeen bestuur neemt een apart besluit met unanimiteit van stemmen over de omvang van de inzet door de uitvoerende gemeente (inclusief de inzet van de secretarisdirecteur). Op basis hiervan wordt een overeenkomst met de uitvoerende gemeente aangegaan en worden bijbehorende mandaten en machtigingen verleend. Bij dit besluit heeft het lid dat namens de uitvoerende gemeente in het bestuur zit geen stemrecht. 4. De colleges dragen de bevoegdheden, ter behartiging van de taken, bedoeld in artikel 4, over aan het algemeen bestuur.
5. Verder behoren alle andere bevoegdheden in het kader van deze regeling, die niet aan een ander orgaan zijn opgedragen, aan het algemeen bestuur. Zienswijze Artikel 10a 1. Bij besluiten over grote beleids- of structuurwijzigingen wordt aan de raden van de gemeenten de mogelijkheid geboden een zienswijze naar voren te brengen voorafgaand aan het nemen van het besluit, zoals bedoeld in artikel 10, vijfde lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen. 2. Het algemeen bestuur kan indien het dat nodig acht een besluit voorafgaand aan het nemen van het besluit ter zienswijze voorleggen aan de raden van de gemeenten, en bepaalt in dat geval tevens de wijze waarop de zienswijze kan worden gegeven.
Inlichtingen en verantwoording Artikel 11 1. Een lid van het algemeen bestuur geeft aan de raad van de gemeente op de in die gemeente gebruikelijke wijze alle inlichtingen die door de raad, of een of meer leden daarvan, worden verlangd. Op gelijke wijze dient het lid aan het college van de desbetreffende gemeente inlichtingen te verschaffen.
2. Een lid van het algemeen bestuur kan door de raad van de gemeente op de in die gemeente gebruikelijke wijze ter verantwoording worden geroepen voor de wijze waarop het lid de gemeente in dat bestuur heeft vertegenwoordigd. Artikel 12 1. Het algemeen bestuur, het dagelijks bestuur en de voorzitter geven aan de raden en de colleges van de gemeenten gevraagd en ongevraagd alle informatie inlichtingen die zij nodig hebben voor de uitoefening van hun taken.voor een juiste beoordeling van het door het bestuur gevoerde en te voeren beleid nodig is. De betreffende inlichtingen aan de raden worden schriftelijk verstrekt via de griffies van de gemeenten of via bijeenkomsten waarvoor alle raadsleden van alle deelnemers zullen worden uitgenodigd. 2. Het algemeen bestuur, het dagelijks bestuur en de voorzitter verstrekken aan de raden en de colleges van de gemeenten alle inlichtingen die door één of meer leden van die raden of colleges worden verlangd. 3. Het reglement van orde van het algemeen bestuur regelt de wijze waarop uitvoering wordt gegeven aan het in de twee vorige leden bepaalde.
Met opmaak: Afstand Na: 0 pt
HOOFDSTUK IV HET DAGELIJKS BESTUUR Samenstelling Artikel 13 1. Het dagelijks bestuur bestaat uit de voorzitter van het algemeen bestuur en maximaal vier leden, door en uit het algemeen bestuur aangewezen, met dien verstande dat het lid van het algemeen bestuur dat door het college van de gemeente Rotterdam is aangewezen in ieder geval deel uitmaakt van het dagelijks bestuur en dat het dagelijks bestuur voor het overige een afspiegeling vormt van de verschillende subregio’s in het rechtsgebied van het openbaar lichaam. 2. De leden van het dagelijks bestuur worden aangewezen in de eerste vergadering van het algemeen bestuur. 3. Met inachtneming van het bepaalde in artikel 6, vierde lid, vindt het aanwijzen van leden van het dagelijks bestuur ter vervulling van plaatsen, die door ontslag, overlijden of anderszins openvallen, plaats uiterlijk één maand na dat openvallen. 4. De leden van het dagelijks bestuur treden af op de dag van aftreden van de leden van het algemeen bestuur. Werkwijze Artikel 14 1. Het dagelijks bestuur vergadert ten minste vier maal per jaar en voorts zo dikwijls als de voorzitter dit nodig oordeelt, of ten minste één lid van het dagelijks bestuur zulks schriftelijk onder opgave van de te behandelen onderwerpen verzoekt. In het laatste geval vindt de vergadering plaats binnen twee weken. 2.
Het dagelijks bestuur stelt een reglement van orde voor zijn vergaderingen vast. Dit reglement, alsmede een wijziging hiervan, wordt aan het algemeen bestuur ter kennisneming overgelegd. Bevoegdheden Artikel 15 Het dagelijks bestuur is belast met: a. een voortdurend toezicht op al wat het lichaam aangaat; b. het voorbereiden van al hetgeen aan het algemeen bestuur ter overweging en beslissing zal worden voorgelegd; c. het uitvoeren van de besluiten van het algemeen bestuur;
d. het voorstaan van de belangen van het lichaam bij andere overheden, instellingen of personen, waarmee contact voor het lichaam van belang is; e. het beheer van inkomsten en uitgaven van het lichaam; f. de zorg, voor zover deze niet aan anderen toekomt, voor de controle op het geldelijk beheer en de boekhouding; g. het nemen van alle conservatoire maatregelen zowel in als buiten rechte en het doen van alles wat nodig is ter voorkoming van verjaring en verlies van recht of bezit. •
1. de zorg voor de archiefbescheiden van de organen van het openbaar lichaam, overeenkomstig de in het kader van artikel 40 van de Archiefwet 1995 geldende regeling (Archiefverordening) van de uitvoerende gemeente;
•
2. de zorg voor de archiefbescheiden die worden gevormd krachtens de aan het bestuur van de regeling gedelegeerde taken.
Artikel 16 1. Het dagelijks bestuur oefent, voor zover het algemeen bestuur daartoe besluit en naar door dat bestuur te stellen regels, de aan het algemeen bestuur wettelijk toegekende of krachtens de regeling hem toevallende bevoegdheden uit, met uitzondering van: a. het vaststellen en wijzigen van de begroting; b. het vaststellen van de rekening; c. het toetreden tot, het uittreden uit of het wijzigen van de gemeenschappelijke regeling overeenkomstig hoofdstuk XI van deze regeling; d. het oprichten van of deelnemen in stichtingen, maatschappen, vennootschappen en coöperatieve en andere verenigingen dan wel het ontbinden daarvan of het beëindigen van de deelname daaraan. 2. Van besluiten van het algemeen bestuur als bedoeld in het eerste lid doet het dagelijks bestuur onverwijld mededeling aan de gemeenten. Inlichtingen en verantwoording Artikel 17 1. De leden van het dagelijks bestuur zijn, tezamen en ieder afzonderlijk, aan het algemeen bestuur verantwoording verschuldigd voor het door hen gevoerde bestuur.
2. Zij geven gevraagd en ongevraagd aan het algemeen bestuur alle inlichtingen, die voor een juiste beoordeling van het door het dagelijks bestuur te voeren en gevoerde bestuur nodig zijn, tenzij het algemeen belang zich daartegen verzet. 3. Zij geven, tezamen dan wel afzonderlijk, aan het algemeen bestuur, wanneer dit bestuur of een of meer leden daarvan hierom verzoekt, alle gevraagde inlichtingen, tenzij het algemeen belang zich daartegen verzet. 4. Het reglement van orde voor het algemeen bestuur regelt de wijze waarop uitvoering wordt gegeven aan het in de leden een, twee en drie bepaalde. HOOFDSTUK V DE VOORZITTER Artikel 18 1. Door en uit het algemeen bestuur wordt een voorzitter aangewezen. 2. De voorzitter van het algemeen bestuur is tevens voorzitter van het dagelijks bestuur. 3. Het algemeen bestuur beslist omtrent schorsing en ontslag van de voorzitter. Bevoegdheden Artikel 19 1. De voorzitter is belast met het bevorderen van een goede behartiging van de zaken van het gemeenschappelijk openbaar lichaam. 2. De voorzitter is belast met de leiding van de vergaderingen van het algemeen en van het dagelijks bestuur. 3. Hij tekent alle stukken die van het algemeen of van het dagelijks bestuur uitgaan. 4. Voorts is hij, naast het leiden van de vergaderingen van het algemeen en het dagelijks bestuur, belast met: a.
het terstond ter tafel brengen van alle tot het algemeen en/of het dagelijks bestuur gerichte brieven en andere stukken in de vergadering van het orgaan tot welks bevoegdheid het nemen van een beslissing omtrent de daarin behandelde zaak behoort; b. het daadwerkelijk doen uitvoeren van de besluiten van het dagelijks bestuur; c. het zo nodig instellen van een onderzoek, voordat bepaalde zaken ter overweging en beslissing worden voorgelegd aan het algemeen en/of het dagelijks bestuur. Artikel 20 1. De voorzitter vertegenwoordigt het lichaam in en buiten rechte.
2. Indien de voorzitter behoort tot het bestuur van een gemeente die partij is in een rechtsgeding waarbij het lichaam is betrokken, wordt het lichaam door een ander, door het dagelijks bestuur aan te wijzen lid van dit bestuur, vertegenwoordigd. HOOFDSTUK VI AMBTELIJKE ONDERSTEUNING De secretaris-directeur Artikel 21 1. Het algemeen bestuur beslist op voordracht van het dagelijks bestuur en na afstemming met de uitvoerende gemeente omtrent de benoeming, de schorsing en het ontslag van de secretaris-directeur. Het dagelijks bestuur oefent de overige bevoegdheden uit ten aanzien van de secretaris-directeur. De secretaris-directeur is tevens werkzaam bij de uitvoerende gemeente. De secretaris-directeur treft met instemming van het dagelijks bestuur een regeling voor zijn vervanging bij zijn verhindering of ontstentenis. 2. De secretaris-directeur is secretaris-directeur van het algemeen en het dagelijks bestuur. Hij is in de vergaderingen van het algemeen bestuur en van het dagelijks bestuur aanwezig, tenzij het algemeen of het dagelijks bestuur anders beslist. 3. De stukken die van het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur uitgaan, worden door de secretaris-directeur mede ondertekend. 4. De secretaris-directeur wordt in zijn taakuitoefening ondersteund door ambtenaren van de uitvoerende gemeente. 5.
Ten behoeve van de voorbereiding van de vergaderingen van het algemeen en dagelijks bestuur en eventueel ingestelde commissies, vindt onder leiding van de secretaris-directeur een ambtelijk overleg plaats waaraan wordt deelgenomen vanuit alle gemeenten. Een gemeente kan besluiten dat zij zich hiervoor laat vertegenwoordigen door een ambtenaar van een andere gemeente binnen een subregio. 6. De secretaris-directeur kan de directeuren van de gemeenten, of een vertegenwoordiging daarvan, verenigd in het directeurenoverleg, om advies vragen over onderwerpen die belangrijke invloed hebben op de bedrijfsvoering van de gemeenten of de strategische keuzes van de gemeenten betreffen. Artikel 22 1. Voor de bewaring van de op grond van artikel 12, eerste lid en artikel 13 van de Archiefwet 1995 over te brengen archiefbescheiden van de in deze regeling genoemde bestuursorganen is aangewezen de archiefbewaarplaats van de uitvoerende gemeente. 2. De archivaris van de uitvoerende gemeente is belast met het toezicht op het beheer van de archiefbescheiden, voor zover deze niet zijn overgebracht naar de archiefbewaarplaats. De secretaris-directeur is belast met het beheer van de archiefbescheiden, voor zover deze niet zijn overgebracht naar de archiefbewaarplaats.
HOOFDSTUK VII EXTERN KLACHTRECHT Artikel 23 De ombudsman van de gemeente Rotterdam is bevoegd tot behandeling van verzoekschriften als bedoeld in artikel 9:18, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. HOOFDSTUK VIII COMMISSIES Artikel 24 1. Het algemeen bestuur kan commissies van advies aan het algemeen bestuur instellen ten behoeve van de in artikel 4 genoemde taken. 2. Een lid van het dagelijks bestuur fungeert als voorzitter van de commissie. 3. De secretaris-directeur fungeert als secretaris van de commissie. 4. De leden van commissies van advies die geen burgemeester of wethouder zijn, kunnen een vergoeding voor het bijwonen van vergaderingen van de commissie ontvangen. HOOFDSTUK IX FINANCIELE BEPALINGEN Begroting van het lichaam Artikel 25 1. Het algemeen bestuur stelt één keer per vier jaar ten behoeve van de uitvoering van de taken als bedoeld in artikel 4, sub a, een meerjarenbegroting en -uitvoeringsplan vast, waarbij het eerste jaar samenvalt met het jaar dat volgt het op het jaar waarin de gemeenteverkiezingen worden gehouden. Voor dit besluit is ten minste een tweederde meerderheid van het aantal uit te brengen stemmen vereist. Bij deze begroting wordt dezelfde procedure gevolgd als bij de jaarlijkse in te dienen ontwerpbegrotingen.
Uit de meerjarenbegroting blijkt welke systematiek ten grondslag ligt aan de jaarlijkse doorberekening van de kosten die verband houden met de inkoop van jeugdhulp per gemeente. 2. Het dagelijks bestuur stelt elk jaar een ontwerpbegroting en een toelichting van baten en lasten op voor het volgende kalenderjaar. De begroting is zodanig ingericht dat daaruit blijkt welke kosten verband houden met de uitvoering van de bovenlokale taken en de ondersteuning vanuit de uitvoerende gemeente en welk deel daarvan vervolgens aan elke gemeente wordt doorberekend.
3. Het dagelijks bestuur zendt de ontwerpbegroting acht twaalf weken voordat deze aan het algemeen bestuur ter vaststelling wordt aangeboden, doch uiterlijk vóór 15 april, toe aan de raden van de gemeenten. 4. Indien het dagelijks bestuur een groei in het benodigd budget voorziet ten gevolge van veranderd beleid, dan wordt dit door het dagelijks bestuur in een separaat voorstel toegelicht. 5. Het dagelijks bestuur legt dit separaat voorstel acht twaalf weken voordat deze aan het algemeen bestuur ter vaststelling wordt aangeboden, voor aan de gemeenteraden. 6. Voor de groei in het budget als bedoeld in het vierde lid is een unaniem besluit nodig van het algemeen bestuur. 7. Het algemeen bestuur stelt de begroting vast in het jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor zij dient. 8. Het dagelijks bestuur zendt de begroting en de begrotingswijzigingen binnen twee weken na vaststelling, doch in ieder geval vóór 1 augustus15 september, aan gedeputeerde staten. 9. Het dagelijks bestuur zendt begrotingswijzigingen acht twaalf weken voordat deze aan het algemeen bestuur ter vaststelling worden aangeboden, toe aan de raden van de gemeenten. Rekening van het lichaam Artikel 26 1. Het dagelijks bestuur stelt elk jaar de rekening met een bijbehorend verslag van het voorgaande jaar op, waarbij per gemeente inzichtelijk wordt gemaakt welke jeugdhulp is geleverd en wat daarvan de kosten waren.
2. Het algemeen bestuur stelt de rekening vast in het jaar volgend op het jaar waarop de rekening betrekking heeft. 3. Het dagelijks bestuur zendt de rekening binnen twee weken na de vaststelling, doch in ieder geval vóór 15 juli, aan de raden van de deelnemende gemeenten en aan gedeputeerde staten.
HOOFDSTUK X GESCHILLEN Artikel 27 In geval van geschillen als bedoeld in artikel 28 van de Wet gemeenschappelijke regelingen, zullen partijen trachten deze in eerste instantie op te lossen met behulp van mediation. HOOFDSTUK XI TOETREDING, UITTREDING, WIJZIGING EN OPHEFFING
heeft opmaak toegepast: Niet Markeren
Toetreding Artikel 28 1. Het algemeen bestuur regelt de gevolgen van toetreding. 2. Aan toetreding kunnen door het algemeen bestuur bepaalde voorwaarden worden verbonden. 3. Alle colleges van de gemeenten dienen in te stemmen met een besluit tot toetreding en de eventuele voorwaarden die hieraan worden verbonden. 4. Onverminderd het bepaalde in artikel 30, derde lid, gaat toetreding in op de eerste dag van de maand volgend op de dag waarop alle colleges van de gemeenten hebben ingestemd met het besluit tot toetreding, tenzij het algemeen bestuur met instemming van de gemeenten colleges anders bepaalt. Uittreding Artikel 29 1. Te allen tijde kan een gemeente besluiten uit deze regeling te treden. Uittreding dient te geschieden bij besluit van het college. De uittreding treedt in werking aan het eind van het kalenderjaar dat volgt op het jaar waarin het uittredingsbesluit ter kennis is gebracht van het algemeen bestuur of eventueel op een later tijdstip indien een geschil over de uittreding aan de orde is. 2. Het algemeen bestuur stelt regels vast met betrekking tot de berekeningswijze van de aan een uittredende gemeente toe te rekenen kosten bij uittreding en de wijze waarop deze door de uittredende gemeente worden betaald.
Deze toe te rekenen kosten dienen te worden vastgesteld op basis van een advies van een externe accountant en bevatten in ieder geval de volgende elementen: - eventueel nog te verrekenen bedragen, uitgaande van de bestaande systematiek voor berekening van financiële bijdrage per gemeente; - kosten van de uitvoerende gemeente die redelijkerwijs zijn toe te rekenen aan de uittreding; - kosten in verband met mogelijk doorlopende verplichtingen ten aanzien van aanbieders van jeugdhulp tot levering aan de uittredende gemeente; - overige frictiekosten die redelijkerwijs zijn toe te rekenen aan de uittreding. 3. Het algemeen bestuur stelt in overleg met de uittredende gemeente en in overeenstemming met de regels genoemd in het tweede lid van dit artikel, ten minste zes maanden voor het tijdstip van uittreding een regeling op met betrekking tot de gevolgen van de uittreding. Daarbij kan overeen gekomen worden dat de uittredende gemeente bepaalde verplichtingen ten opzichte van derden overneemt, ten einde de kosten van uittreding als bedoeld in het tweede lid te beperken. Indien geen overeenstemming kan worden bereikt, wordt een geschil als bedoeld in artikel 28 van de Wet gemeenschappelijke regelingen, geacht te bestaan.
4. De uittreedsom bestaat in beginsel uit een vergoeding ter compensatie van frictiekosten en desintegratiekosten, onder aftrek van eventuele baten. 5. Onder frictiekosten wordt verstaan alle incidentele kosten op het moment van uittreding te maken door het lichaam, ontstaan als direct gevolg van de uittreding. 6. Onder desintegratiekosten wordt verstaan alle kosten binnen een periode van vijf jaar vanaf het moment van uittreding te maken door het lichaam, die samenhangen met de afbouw van overcapaciteit in personele en materiële sfeer en andere verplichtingen, de afbouw van risico’s daarbij inbegrepen, ontstaan als direct gevolg van de uittreding.
Wijziging Artikel 30 1. Een voorstel aan de gemeenten tot wijziging van deze regeling kan worden gedaan door het algemeen bestuur of door ten minste drie gemeenten. 2. Alle colleges van de gemeenten dienen in te stemmen met een besluit tot wijziging van deze regeling. 3. [vervallen] Opheffing Artikel 31 1. De regeling kan worden opgeheven bij daartoe strekkende besluiten van de colleges van alle gemeenten. 2. Het algemeen bestuur stelt, de raden van de gemeenten gehoord, een liquidatieplan vast en regelt de vereffening van het vermogen. 3. De organen van het lichaam blijven, zo nodig, na het tijdstip van de beëindiging in functie totdat de liquidatie is beëindigd. Participatie Artikel 31b De regeling voorziet niet in participatie als bedoeld in artikel 10, zevende lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen. HOOFDSTUK XII OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN Overgangsbepaling
Artikel 32 Indien en voor zover dit noodzakelijk is met het oog op de invoering van de Jeugdwet en de uitvoering van de bovenlokale taken, heeft het algemeen bestuur de bevoegdheid om namens de gemeenten hiervoor voorbereidende besluiten te nemen. Inwerkingtreding Artikel 33 1. Deze regeling wordt getroffen voor onbepaalde tijd en treedt in werking op 1 mei 2014.
heeft opmaak toegepast: Markeren
2. Het college van de uitvoerende gemeente zorgt voor verzending van de regeling aan gedeputeerde staten. SlotbepalingenEvaluatie Artikel 34 1.Twee jaar na de inwerkingtreding van deze regeling, wordt de uitvoeringHet functioneren van de regeling hiervan wordt elke vier jaar, na afloop van het derde jaar van een raadsperiode, door het algemeen bestuur geëvalueerd. en worden op basis hiervan zo nodig wijzigingen doorgevoerd. Het algemeen bestuur stelt daartoe vooraf het doel en de reikwijdte van de evaluatie, alsmede de wijze van evalueren vastbepaalt welke punten in het bijzonder bij de evaluatie zullen worden betrokken. In ieder geval zal die evaluatie betrekking hebben op de ervaringen met de verrekeningssystematiek en de vereisten die in de regeling zijn opgenomen voor bestuurlijke besluitvorming. en worden op basis hiervan zo nodig wijzigingen doorgevoerd.
heeft opmaak toegepast: Niet Markeren heeft opmaak toegepast: Niet Markeren heeft opmaak toegepast: Niet Markeren
heeft opmaak toegepast: Niet Markeren
2. Het algemeen bestuur kan voorts besluiten het functioneren van de regeling te evalueren op elk ander moment als daartoe aanleiding bestaat. 3. De raden worden op de hoogte gesteld van de uitkomsten van een evaluatie. heeft opmaak toegepast: Lettertype: (Standaard) Bolder, 11 pt
Artikel 35 De regeling wordt aangehaald als: Gemeenschappelijke Regeling Jeugdhulp Rijnmond. Memorie van Toelichting bij de Gemeenschappelijke regeling Jeugdhulp Rijnmond Algemene toelichting De Gemeenschappelijke regeling Jeugdhulp Rijnmond, hierna te noemen: de regeling, regelt de samenwerking tussen de gemeenten Albrandswaard, Barendrecht, Bernisse, Brielle, Capelle aan den IJssel, Goeree-Overflakkee, Hellevoetsluis, Krimpen aan den IJssel, Lansingerland, Maassluis, Nissewaard, Ridderkerk, Rotterdam, Schiedam, Spijkenisse, Vlaardingen en Westvoorne Voorne aan Zee inzake de uitvoering van een aantal collegetaken waarvoor de gemeenten verantwoordelijk zijn in het kader van de Jeugdwet.
Met ingang van 1 januari 2015 gaan zijn de gemeenten Spijkenisse en Bernisse samen ingefuseerd tot de gemeente Nissewaard. Per 1 januari 2023 zijn de gemeenten Brielle, Hellevoetsluis en Westvoorne gefuseerd tot de gemeente Voorne aan Zee. De regeling is congruent met twee andere regelingen, te weten de Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond (uitvoering van de taken in het kader van de Wet veiligheidsregio’s) en GGD Rotterdam-Rijnmond (uitvoering van de taken in het kader van de Wet publieke gezondheid). In vergelijking met Stadsregio Rotterdam, die voorheen onder meer verantwoordelijk was voor de taken in het kader van de Wet op de jeugdzorg, is het werkgebied van onderhavige regeling uitgebreid met de gemeente Goeree-Overflakkee. In artikel 2.6 van de Jeugdwet is een aantal verantwoordelijkheden van het college aangegeven. Zo is het college er verantwoordelijk voor dat ‘er een kwalitatief en kwantitatief toereikend aanbod is’ om aan een aantal nader in de Jeugdwet genoemde taken te voldoen. Voorts is in artikel 2.8, eerste lid, Jeugdwet geregeld dat colleges met elkaar samenwerken, indien dat voor een doeltreffende en doelmatige uitvoering van de Jeugdwet aangewezen is. Onderhavige regeling is een uitwerking van deze bepaling.
Dat komt tot uiting in de doelstelling, zoals verwoord in artikel 3 van de regeling: ‘zorgen voor een kwalitatief goede en efficiënte uitvoering van bovenlokale taken, met inachtneming van de bepalingen in de Jeugdwet’. De keuze voor een publiekrechtelijke vorm van samenwerking via de vorming van een openbaar lichaam in het kader van een gemeenschappelijke regeling, heeft te maken met het feit dat het hier om de uitvoering van taken gaat waarmee een groot publiek belang is gemoeid. Omdat met de uitvoering van deze taken veel geld is gemoeid, is er bewust gekozen voor een openbaar lichaam met rechtspersoonlijkheid, met de mogelijkheid om op eigen naam rechtshandelingen te verrichten en een afscheiden vermogen te creëren. Tegelijkertijd is het streven om onnodige bestuurlijke drukte te vermijden en de uitvoerende taken zo veel mogelijk uit te besteden. Hierin is voorzien door de bevoegdheid van het algemeen bestuur om een uitvoerende gemeente aan te wijzen, die tevens zorg draagt voor invulling van de secretarisfunctie en de daarmee samenhangende ambtelijke ondersteuning. Bestuurlijke drukte wordt dan in de praktijk beperkt door de vergaderingen van het algemeen te bestuur in de pas te laten lopen met de vergaderingen van het algemeen bestuur van GGD Rotterdam-Rijnmond, gelet op het feit dat het grotendeels om dezelfde personen gaat.
Dit in aansluiting op de huidige praktijk, waarin de portefeuillehouders jeugdzorg dit al doen als adviescommissie (met tevens deelname vanuit Goeree-Overflakkee) ten behoeve van de Stadsregio Rotterdam. De uitgangspunten voor de samenwerking zijn verwoord in een plan van aanpak voor de implementatie van jeugdhulp in de regio Rotterdam-Rijnmond dat in medio 2012 is vastgesteld en de naam ‘Acht is meer dan duizend’ heeft gekregen. Deze titel verwijst naar een oud Nederlands spreekwoord waarmee wordt aangegeven dat een zorgvuldige behartiging van zaken belangrijker is dan het hebben van veel geld.
Dit plan van aanpak is gefundeerd op het Programmaplan decentralisatie jeugdzorg 20121015, dat in februari 2012 door de samenwerkende gemeenten is vastgesteld. Regionale taken zijn volgens ‘Acht is meer dan duizend’ aangewezen voor bepaalde vormen van exclusieve individuele jeugdhulp en bij jeugdbescherming en jeugdreclassering. Over de uitwerking hiervan in de regeling: zie hierna de toelichting bij artikel 4. Deze regeling kent veel gelijkenis met de regeling van GGD Rotterdam-Rijnmond. Het belangrijkste verschil is dat bij de GGD Rotterdam-Rijnmond in de regeling is vastgesteld dat de gemeente Rotterdam in het kader van de Wet publieke gezondheid alle ‘basistaken’ standaard uitvoert (met uitzondering van de taken op het gebied van de jeugdgezondheidszorg). Daar ligt echter geen overeenkomst aan ten grondslag: de gemeente Rotterdam draagt voor de uitvoering van die taken volledig het bedrijfsrisico, het openbaar lichaam is daarvoor als rechtspersoon juridisch gezien niet aansprakelijk. Bij de onderhavig regeling is echter een andere keuze gemaakt. Daarbij blijft, net als voorheen het geval was bij de uitbesteding van de jeugdzorgtaken door de Stadsregio Rotterdam, het bestuur van de regeling wel eindverantwoordelijk voor de uitvoering van taken.
Wat betekent dat over de uitvoering van die taken een overeenkomst dient te worden afgesloten tussen het openbaar lichaam en de uitvoerende gemeente, waarbij het bestuur van het openbaar lichaam via het verlenen van mandaten/volmachten ervoor zorgt dat de uitvoerende gemeente voor de uitvoering van de taken ook de benodigde bevoegdheden krijgt. Aldus is sprake van een vorm van inbesteding, waardoor de door de uitvoerende gemeente geleverde prestaties vrijgesteld zijn van een eventuele verplichting om aan te besteden. Of voor alle prestaties dan ook geen BTW-heffing aan de orde is, staat nog te bezien. Deze regeling is sober opgezet. Nadrukkelijk is er voor gekozen om in de tekst niet datgene te regelen waarin de Wet gemeenschappelijke regelingen al voorziet. In de hiernavolgende toelichting zijn verwijzingen naar die wet wel opgenomen. Nadere regelgeving kan worden opgenomen in reglementen van orde, om qua werkwijze en procedures zo flexibel mogelijk te kunnen opereren.
Artikelsgewijze toelichting Artikel 1 en artikel 2 naamgeving, begripsbepalingen Met de naam Openbaar Lichaam Jeugdhulp Rijnmond, wordt iets afgeweken van de benamingen van de GGD en de Veiligheidsregio, waarbij de aanduiding ‘RotterdamRijnmond’ is. Zoals hierboven al aangegeven, is de relatie met Rotterdam als uitvoerende gemeente iets anders dan bij de GGD. Bij de GGD is al in de regeling vastgelegd dat de gemeente Rotterdam uitvoerende gemeente is, terwijl in de onderhavige regeling hiervoor een besluit van het algemeen bestuur nodig is, zoals blijkt het de artikel 1, sub g. Artikel 3 doelstelling
Zoals hierboven al aangegeven, sluit de doelstelling aan bij hetgeen in artikel 2.8, eerste lid, van de Jeugdwet is verwoord: ’doeltreffende en doelmatige uitvoering van de Jeugdwet’ vertaalt zich in een streven naar een kwalitatief goede en efficiënte uitvoering van bovenlokale taken. Artikel 4 taken Deze taken zijn bovenlokaal, dat wil zeggen aanvullend en in aansluiting op het lokale aanbod, en hebben betrekking op de inkoop voor de uitvoering van jeugdbeschermingsmaatregelen, jeugdreclassering en jeugdhulp. Om deze taken voldoende te omlijnen, is met name de uitvoering van jeugdhulp nader omschreven. Deze omvat de uitvoering van gesloten jeugdhulp, crisiszorg, pleegzorg, residentiële, intramurale zorg en/of specialistische zorg voor jeugdigen. Omdat deze taken deels ook bovenregionaal of landelijk worden geregeld, wordt voorts nog aangeven dat ter zake geldende bovenregionale of landelijke afspraken in acht worden genomen. Voorts is de organisatie van een advies- en meldpunt huiselijk geweld en kindermishandeling (AHMK) eveneens als taak opgenomen. Door de invoering van de Jeugdwet dienen de functies van de advies- en meldpunten kindermishandeling en van de steunpunten huiselijk geweld te worden samengevoegd. Via deze bepaling voldoen nu alle 16 deelnemende gemeenten aan de verplichting om dit zo te regelen.
Daarnaast is nog als taak opgenomen het bevorderen van gezamenlijk overleg van de gemeenten inzake de uitvoering van de jeugdhulptaken, welke ingevolge de Jeugdwet aan de gemeenten zijn opgedragen. Dit is conform de gegroeide praktijk van de wethouders Jeugd van de deelnemende gemeenten in het zogenaamde portefeuillehoudersoverleg van de Stadsregio Rotterdam. Hierbij wel de kanttekening dat met invoering van de Jeugdwet elke gemeente voortaan een eigen verantwoordelijkheid heeft voor de beleidsvorming in het kader van de Jeugdwet, waar deze voorheen in het kader van de Wet op de jeugdzorg bij de Stadsregio Rotterdam lag. Niettemin blijft behoefte aan afstemming, zoals ook bij de GGD waar dit wordt aangeduid als een ‘platformfunctie’.
Artikel 5 het algemeen bestuur Artikel 13, eerste lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen (Wgr) bepaalt dat het algemeen bestuur van een openbaar lichaam, ingesteld bij een regeling die is getroffen of mede is getroffen door gemeenteraden, bestaat uit leden, die per deelnemende gemeente door de raad uit zijn midden, de voorzitter inbegrepen, en uit de wethouders worden aangewezen. Dit artikel is ook van toepassing als de regeling uitsluitend wordt getroffen door colleges van burgemeester en wethouders (art. 13, zesde lid, Wgr). Echter met dien verstande dat in dat geval men artikel 13, eerste lid tot en met vijfde lid, zo moet lezen dat waar ‘gemeenteraad’ staat ‘college van burgemeester en wethouders’ moet worden gelezen. Aangezien in onderhavige regeling uitsluitend collegebevoegdheden betreft, heeft dit tot gevolg dat de leden van het algemeen bestuur door en vanuit de colleges worden aangewezen.