CConstaterende datAlbrandswaard
Koppel je AI →
Document · PDF

22. 2026-015559 Raadsvoorstel Verordening Maatschappelijke Ondersteuning Albrandswaard 2026.pdf

Gemeenteraad AW 11 mei 2026, gemeente AlbrandswaardBij agendapunt: 6: Ingekomen stukken28.689 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

Hoofdstuk 9 Overgangsrecht en slotbepalingen Artikel 28. Indexering Dit artikel geeft het college de bevoegdheid om bedragen jaarlijks te indexeren.

Artikel 29. Hardheidsclausule In bijzondere situaties mag het college afwijken van de regels in deze verordening, als dat in het voordeel van de cliënt is. Afwijken mag nooit in het nadeel van de cliënt, en ook niet van regels die rechtstreeks in de wet staan. Het is belangrijk dat dit alleen gebeurt in uitzonderlijke gevallen, dus niet als standaardregel. Omdat het college dan afwijkt van de normale regels, moet het duidelijk uitleggen waarom. Dit is belangrijk om gelijke gevallen in de toekomst op dezelfde manier te behandelen (dat heet precedentwerking).

Artikel 30. Overgangsrecht In het eerste lid is duidelijk gemaakt dat bestaande rechten doorlopen, totdat een nieuwe beoordeling heeft plaatsgevonden.

17

In het tweede lid staat dat lopende bezwaarschriften worden behandeld volgens de geldende verordening op het moment dat het besluit werd genomen.

18

Was-wordt-lijst Verordening Maatschappelijke ondersteuning Albrandswaard (per 1 januari 2026) Onderstaand overzicht geeft de wijzigingen in de verordening weer, inclusief toelichting.

Nr.

Verordening 2022 (oud)

Verordening 2026 (nieuw)

Artikel 1. Begripsbepalingen

Artikel 1 Begripsbepaling

Maatwerkvoorziening Voorliggende voorziening

Art. 1.1 a. algemene voorziening d. beleidsregels g. financiële tegemoetkoming h. gebruiksduur l. intramuraal m. kostprijs o. maatschappelijke opvang q. nadere regels r. onderzoeksrapport v. semimuraal Artikel 2. Melding hulpvraag 1. Een hulpvraag kan vormvrij door of namens een cliënt bij het college worden gemeld.

Artikel 6 Onderzoek

Artikel 6 Onderzoek

Art. 6.3 c de mogelijkheden om op eigen kracht of met gebruikelijke hulp of algemeen gebruikelijke voorzieningen zijn zelfredzaamheid of zijn participatie te handhaven of te verbeteren, of te

Aan Art. 6.3 c, d, f en g toegevoegd of maatschappelijke opvang.

Toelichting

Extra begrippen toegevoegd die ook terugkomen in de Verordening. In de toelichting worden sommige begrippen nog verder uitgelegd. Het begrip maatwerkvoorziening en besluit hoeft niet opgenomen te worden. Want is vastgelegd in de Awb. Het begrip voorliggende voorziening is niet meer van toepassing binnen de wet. Door deze bepaling wordt de drempel voor toegang tot ondersteuning verlaagd en wordt duidelijk wanneer het proces van onderzoek en afhandeling van de hulpvraag formeel begint. Het sluit aan bij het uitgangspunt van de Wmo 2015 dat ondersteuning laagdrempelig en toegankelijk moet zijn.

Ook maatschappelijk opvang toegevoegd omdat de Wet ook voorziet in maatschappelijke opvang. Maatschappelijke opvang is een andere voorziening met andere toelatingsgronden dan beschermd wonen. Betreft een taak die uitgevoerd wordt

voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen Art 6.3 d de mogelijkheden om met mantelzorg of hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie, of te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen Art. 6.3 f de mogelijkheden om met gebruikmaking van een algemene voorziening, zoals opgenomen in het beleidsplan, bedoeld in artikel 2.1.2 van de wet, of door het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie, of de mogelijkheden om met gebruikmaking van een algemene voorziening te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen Art. 6.3 g de mogelijkheden om door middel van samenwerking met zorgverzekeraars en zorgaanbieders als bedoeld in de Zorgverzekeringswet en partijen op het gebied van publieke gezondheid, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen, te komen tot een zo goed mogelijk afgestemde dienstverlening met het oog op de behoefte aan verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie of aan beschermd wonen

door de gemeente Rotterdam als centrum gemeente. Onder maatschappelijke opvang valt ook vrouwenopvang.

Art. 6 lid 7 toegevoegd: Als de cliënt vindt dat een maatwerkvoorziening noodzakelijk is, moet het onderzoeksrapport ondertekent en teruggestuurd worden. Het onderzoeksrapport is de start van de aanvraagprocedure waarop een besluit volgt.

Door deze lid er aan toe te voegen wordt de procedure tot het aanvragen van een voorziening afgerond. Er is geen termijn opgenomen waarop cliënt het terug moet sturen. Het is de eigen verantwoordelijkheid van de cliënt om het ondertekende verslag tijdig terug te sturen.

Artikel 7 Advisering Art. 7 lid 3 is verwijderd: Of in een andere situatie waarin het college dat wenselijk vindt Artikel 8 Aanvraag

Dit lid is verwijderd omdat er geen andere situaties denkbaar zijn dan opgenomen in het 1e en 2e lid. Artikel 8 Aanvraag Toegevoegd aan de toelichting: Wanneer een cliënt na die 6 weken niet langer wil of kan wachten, bestaat altijd de mogelijkheid om toch een aanvraag in te dienen. In dat geval start direct de wettelijke beslistermijn van twee weken waarbinnen de gemeente een besluit moet nemen. Op deze manier blijft het recht van de cliënt gewaarborgd.

Art 8.3 Een aanvraag wordt ingediend met een ondertekend onderzoeksrapport of een ingevuld aanvraagformulier

Art 8.3 Een aanvraag wordt ingediend met een ondertekend onderzoeksrapport of een ingevuld aanvraagformulier.

Art 8.5 Bij een aanvraag voor financiering via een persoonsgebonden budget voor ondersteuning in de vorm van dienstverlening, moet de cliënt een budgetplan overleggen.

Ondertekend onderzoeksrapport toegevoegd als wijze van indienen van aanvraag. Ook dit is een geldige manier om een aanvraag in te dienen.

Toegevoegd wanneer de cliënt een aanvraag wil indien met Pgb financiering

Art 8.6 Bij een aanvraag voor een persoonsgebonden budget voor ondersteuning in de vorm van een hulpmiddel of woningaanpassing, moet de cliënt minimaal 2 offertes overleggen.

Eruit gehaald. Staat in de beleidsregels.

Art 8.6. Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op een aanvraag om een financiele tegemoetkoming als bedoeld in artikel 9A en 9B.

Artikel 9 Criteria voor maatwerkvoorzieningen 1.

Het college verstrekt een maatwerkvoorziening als er belemmeringen zijn in zelfredzaamheid of participatie en er noodzaak is tot compenseren door gebruik te maken van: a. eigen kracht en/of b. gebruikelijke hulp en/of c. mantelzorg en/of d. hulp van andere personen uit het sociale netwerk en/of e. algemeen gebruikelijke voorzieningen en/of f. algemene voorzieningen en/of g. andere voorzieningen, bijvoorbeeld op grond van de Wlz of de Zvw.

Toegevoegd. Lid 6 maakt duidelijk dat dezelfde aanvraagprocedure geldt voor financiële tegemoetkomingen als voor maatwerkvoorzieningen. Dit zorgt voor één uniforme werkwijze en voorkomt dat er verschillende procedures naast elkaar ontstaan.

Artikel 9 Algemene criteria voor een maatwerkvoorziening 1. Het college neemt het onderzoeksrapport, als bedoeld in artikel 6, als uitgangspunt voor de beoordeling van een aanvraag om een maatwerkvoorziening. 2. Het college verstrekt een maatwerkvoorziening indien er sprake is van een noodzaak tot compensatie en de cliënt niet of niet volledig in staat is tot zelfredzaamheid of participatie door gebruik te maken van: a. b. c. d. e.

eigen kracht en/of gebruikelijke hulp en/of mantelzorg en/of hulp van andere personen uit het sociale netwerk en/of algemeen gebruikelijke voorzieningen en/of

Artikel 9 is grotendeels aangepast. Het zijn allemaal juridische bindende algemene regels om voor een maatwerkvoorziening in aanmerking te kunnen komen.

2. Als een maatwerkvoorziening noodzakelijk is, verstrekt het college de goedkoopst adequaat compenserende voorziening. 3. De maatwerkvoorziening wordt alleen verstrekt als deze veilig is voor hemzelf en zijn omgeving, geen gezondheidsrisico’s geeft en revalidatie niet tegenwerkt. 4. De maatwerkvoorziening wordt alleen verstrekt als de cliënt in staat is om de zorgverlener een voldoende veilig werkklimaat te bieden.

f. g.

algemene voorzieningen en/of andere voorzieningen, bijvoorbeeld op grond van de Wlz of de Zvw.

3. Bij de bepaling van de eigen kracht wordt van de inwoner verwacht dat hij alles doet wat redelijkerwijs in zijn vermogen ligt om tot een oplossing van zijn ondersteuningsvraag te komen. Verder wordt in ieder geval onderzocht in hoeverre: a. het sociaal netwerk in staat is de noodzakelijke ondersteuning te bieden; b. het sociaal netwerk redelijkerwijs beschikbaar is om de noodzakelijke ondersteuning te bieden; c. het bieden van de ondersteuning door het sociaal netwerk leidt tot overbelasting 4. Voor gebruikelijke hulp wordt in de regel geen maatwerkvoorziening verstrekt. Wat onder gebruikelijke hulp aan de inwoner met een hulpvraag valt is afhankelijk van: a. de relatie tussen degene die de ondersteuning biedt en de inwoner met een hulpvraag; b. de aard van de ondersteuning; c. de frequentie en het patroon van de ondersteuning; d. de duur van de ondersteuning.

5. Als een maatwerkvoorziening noodzakelijk is, verstrekt het college de goedkoopst compenserende voorziening. 6. De maatwerkvoorziening wordt slechts verstrekt indien deze gezien de beperkingen

van de cliënt, veilig voor hemzelf en zijn omgeving is, geen gezondheidsrisico’s met zich meebrengt en niet anti-revaliderend werkt. 7. De maatwerkvoorziening wordt slechts verstrekt als en voor zover de cliënt in staat is om de zorgverlener een voldoende veilig werkklimaat te bieden. 8. Ten aanzien van een maatwerkvoorziening met betrekking tot zelfredzaamheid en participatie geldt dat de inwoner met een hulpvraag in beginsel en na zorgvuldige afweging van de belangen van de inwoner met een hulpvraag en zijn omgeving alleen voor een maatwerkvoorziening in aanmerking komt als; a. de noodzaak tot ondersteuning voor de inwoner met een hulpvraag redelijkerwijs niet vermijdbaar was, en b. niet voorzienbaar was. 9. Een noodzakelijke vervangende maatwerkvoorziening wordt verstrekt, als: a. de eerder verstrekte voorziening technisch is afgeschreven; b. de eerder verstrekte voorziening verloren is gegaan als gevolg van omstandigheden die niet aan de inwoner met een hulpvraag zijn toe te rekenen; c. de eerder verstrekte voorziening niet langer een oplossing biedt voor de

behoefte van de inwoner met een hulpvraag aan maatschappelijke ondersteuning. 10. Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening ter compensatie van de beperkingen bij het normale gebruik van de woning en het zich verplaatsen in de woning, wordt onderzocht of verhuizen de goedkoopst adequate oplossing is. 11. Het college kan nadere regels vaststellen ter aanvulling op de algemene criteria voor maatwerk. 12. Tot de maatwerkvoorzieningen kunnen, indien noodzakelijk voor het bevorderen van zelfredzaamheid of participatie, behoren: a. een tegemoetkoming voor verhuizing en (woning)inrichting; b. een voorziening gericht op maatschappelijke participatie, waaronder indien noodzakelijk een sportvoorziening. De aard en hoogte van deze voorzieningen worden door het college vastgesteld in de nadere regels.

Artikel 9A. Financiële tegemoetkoming verhuizing en (woning)inrichting 1. Het college kan een financiële tegemoetkoming verstrekken voor verhuizing en (woning)inrichting indien dit, gelet op de beperkingen van de cliënt, noodzakelijk is voor het

Toegevoegd. Dit artikel biedt het college de mogelijkheid een financiële tegemoetkoming te verstrekken voor verhuizing en (woning)inrichting.

bevorderen of behouden van de zelfredzaamheid of participatie en verhuizen een passend en goedkoopst-adequate alternatief vormt. 2. Geen tegemoetkoming wordt verstrekt voor zover de cliënt aanspraak kan maken op vergoeding van de kosten op grond van een voorliggende voorziening, verzekering of wettelijke regeling. 3. Geen tegemoetkoming wordt verstrekt indien: a. de cliënt voor het eerst zelfstandig gaat wonen; of b. de cliënt verhuist naar een semimurale of intramurale instelling. 4. Het college stelt in nadere regels in ieder geval regels over: a. de hoogte (of bandbreedte) van de tegemoetkoming; b. de wijze van uitbetaling en verantwoording; c. de frequentie/termijn waarbinnen opnieuw aanspraak kan bestaan; d. nadere voorwaarden ter voorkoming van oneigenlijk gebruik. 5. Voor een financiële tegemoetkoming als bedoeld in dit artikel is geen bijdrage verschuldigd als bedoeld in artikel 17. Artikel 9B. Tegemoetkoming meerkosten 1. Het college kan, ter uitvoering van artikel 2.1.7 van de wet, aan personen met een beperking of chronische psychische of psychosociale problemen die daarmee verband

Toegevoegd. Dit artikel biedt het college de mogelijkheid een tegemoetkoming te verstrekken aan personen met een beperking of chronische psychische of psychosociale problemen die als gevolg daarvan aannemelijke meerkosten hebben.

houdende aannemelijke meerkosten hebben, een tegemoetkoming verstrekken ter ondersteuning van de zelfredzaamheid en participatie. 2. De tegemoetkoming kan mede betrekking hebben op meerkosten voor een sporthulpmiddel of een aanpassing daarvan, indien dit noodzakelijk is voor participatie. 3. De tegemoetkoming wordt slechts verstrekt voor zover geen aanspraak bestaat op vergoeding van de (meer)kosten op grond van een voorliggende voorziening, verzekering of wettelijke regeling. 4. Het college stelt in nadere regels over: a. de hoogte (of bandbreedte) van de tegemoetkoming; b. de doelgroep-/toegangscriteria (aannemelijkheidskader meerkosten); c. de wijze van uitbetaling; d. de frequentie/termijn (bijv. eens per x jaar) en eventuele plafonds. 5. Voor een tegemoetkoming als bedoeld in dit artikel is geen bijdrage verschuldigd als bedoeld in artikel 17. Artikel 10. Aanvullende criteria kortdurend verblijf 1. Om in aanmerking te komen voor Kortdurend Verblijf vanuit de Wmo moet naast de algemene voorwaarden genoemd in artikel 9, nog worden voldaan aan de hieronder genoemde voorwaarden:

De tegemoetkoming is bedoeld ter ondersteuning van de zelfredzaamheid en participatie.

Dit artikel is in zijn geheel verwijderd. Het 1e artikel is verplaatst naar de beleidsregels. Lid 2 is komen te vervallen omdat het in de Awb geregeld is.

a. de cliënt heeft een somatische, psychogeriatrische, psychische, verstandelijke, lichamelijke en/of zintuiglijke aandoening of handicap, én; b. de ontlasting van de persoon die gebruikelijke zorg of mantelzorg aan de cliënt levert noodzakelijk is. Artikel 11. criteria beschermd wonen

Artikel 10. Criteria beschermd wonen en maatschappelijke opvang Artikel 10A Toegang tot beschermd wonen en maatschappelijke opvang Artikel 11a – Beschermd wonen Artikel 11b – Maatschappelijke opvang Artikel 13A- Persoonsgebonden budget voor beschermd wonen Artikel 17A – Bijdrage beschermd wonen

Artikel 10 over beschermd wonen en maatschappelijke opvang is samengevoegd tot één geïntegreerd artikel. Inhoudelijk sluiten deze voorzieningen nauw op elkaar aan, waardoor een gezamenlijke bepaling zorgt voor meer overzicht en consistentie. Daarnaast zijn alle verwijzingen naar specifieke wetgeving verwijderd, omdat het juridisch niet verplicht is om deze in de verordening zelf op te nemen. Dit voorkomt onnodige herhaling en maakt het artikel toekomstbestendiger bij wetswijzigingen. Daarnaast is het advies om per artikel expliciet een bepaling over beschermd wonen en maatschappelijke opvang op te nemen wanneer dit relevant is. Dit is wél een wettelijke verplichting: een enkele verwijzing naar de verordening van de gemeente Rotterdam is onvoldoende. Door de bepalingen per artikel te benoemen, wordt voldaan aan de eisen van zorgvuldige regelgeving en wordt de rechtszekerheid voor inwoners vergroot

Dit is verwerkt in A artikelen. A artikelen worden gebruikt om nieuwe bepalingen toe te voegen zonder de bestaande nummering te wijzigen. Dit voorkomt dat verwijzingen in andere documenten, beleidsstukken of jurisprudentie ongeldig worden. Het is een praktische en juridisch nette oplossing om wijzigingen door te voeren in een bestaande verordening. Artikel 12 aanvullende criteria hulp bij het huishouden Artikel 13 aanvullende criteria woonvoorzieningen Artikel 14 aanvullende criteria vervoersvoorzieningen Artikel 15 aanvullende criteria rolstoelen

Al deze artikelen zijn in zijn geheel verwijderd en uitgebreider opgenomen in de beleidsregels.

Artikel 16 aanvullende criteria sportrolstoelen Art. 11 weigeringsgronden. Art. 11 lid h: als de inwoner door zijn of haar gedrag het verstrekken, onderhouden of verantwoorden van de voorziening onmogelijk maakt.

Art. 11 lid h is toegevoegd zodat bijvoorbeeld een voorziening geweigerd kan worden als die gene er geen veilig gebruik van kan maken zoals het gebruik van een scootmobiel in het verkeer.

Art. 12. 4. Bij het verstrekken van een financiële tegemoetkoming of een tegemoetkoming in de meerkosten wordt in de beschikking in ieder geval vastgelegd: a. voor welke kosten of situatie de tegemoetkoming wordt verstrekt;

Het artikel is opgenomen om duidelijkheid en rechtszekerheid te bieden. In de beschikking wordt vastgelegd voor welke kosten of situatie de tegemoetkoming geldt, de hoogte en wijze van bepaling, en de voorwaarden voor besteding of inzet. Zo wordt een

b. wat de hoogte van de tegemoetkoming is en hoe deze is bepaald; c. welke voorwaarden gelden voor de besteding of inzet van de tegemoetkoming. Artikel 19 Regels voor pgb

Artikel 13 Regels voor pgb

Art 19.1 Als een cliënt in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening en zelf de ondersteuning wil inkopen door middel van een pgb, controleert het college of de voorwaarden uit artikel

Art 13.1 Als een cliënt in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening en zelf de ondersteuning wil inkopen door middel van een pgb, kan het college controleren of de voorwaarden uit artikel 2.3.6. lid 2 van de wet worden nageleefd. Ook wordt gekeken of het kwaliteitskader uit bijlage 1 wordt toegepast.

2.3.6. lid 2 van de wet worden nageleefd.

Art 19.12 Een pgb voor hulp bij het huishouden wordt vastgesteld in uren en minuten.

zorgvuldige uitvoering en correct gebruik van de tegemoetkoming gewaarborgd.

Art 13 lid 1 is een kan bepaling. Het is aan het college om te bepalen wanneer er gecontroleerd gaat worden. Dit gebeurt als er al een langere tijd geen gebruik is gemaakt van het Pgb of wanneer er sprake is van misbruik.

Dit artikel is verwijderd omdat het opgenomen is in de beleidsregels.

Artikel 21 Hoogte pgb

Artikel 15 Hoogte pgb

Art 21.5 De hoogte van het persoonsgebonden budget voor begeleiding en dagbesteding: a. voor formele hulp wordt bepaald op basis van 90% van het laagste tarief per uur voor de goedkoopst compenserende voorziening in natura door een daartoe opgeleide beroepskracht werkzaam bij een door de gemeente gecontracteerde instelling. b. voor informele hulp wordt bepaald op basis van 70% van het laagste tarief per uur voor de goedkoopst compenserende voorziening in natura door een daartoe opgeleide beroepskracht werkzaam bij een door de gemeente gecontracteerde instelling, maar niet hoger dan het toepasselijke minimumloon als bepaald bij of krachtens de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag;

Art 15.3 Bij het vaststellen van de hoogte van het pgb voor dienstverlening wordt onderscheid gemaakt tussen het tarief voor formele en informele hulp: a. Het pgb voor formele hulpverleners (begeleiding en dagbesteding), zoals bedoeld in artikel 14 lid 2, wordt gebaseerd op het tarief van de door inwoner gecontracteerde zorgaanbieder, maar maximaal op 90% van het uurtarief van de goedkoopst compenserende voorziening in natura. b. Het pgb voor formele hulpverleners (hulp bij het huishouden), zoals bedoeld in artikel 14 lid 2, wordt gebaseerd op het tarief van de door inwoner gecontracteerde zorgaanbieder, maar maximaal op 85% van het uurtarief van de goedkoopst compenserende voorziening in natura. c. Het pgb voor informele hulp, zoals bedoeld in artikel 14 lid 3, wordt vastgesteld op het per uur geldende wettelijk minimumloon voor een werknemer van 21 jaar of ouder als bedoeld in de wet minimumloon en minimumvakantiebijslag (Wml), zoals dit van tijd tot tijd geldt. Dit bedrag wordt aangevuld met vakantiebijslag en verlofuren. .

Art 21.6 De hoogte van het persoonsgebonden budget voor hulp bij het huishouden: a. voor formele hulp wordt bepaald op basis van 85% van het laagste tarief per uur voor de goedkoopst compenserende voorziening in natura; b. voor informele hulp wordt bepaald op basis van 85% van het laagste tarief per uur voor de goedkoopst compenserende voorziening in natura,

Art 15.4 Voor vervoer naar de dagbesteding wordt voor formeel vervoer door een taxibedrijf maximaal 90% toegekend van het tarief voor de gecontracteerde aanbieders. Art 15.5 Voor vervoer door informele hulp zoals familieleden, wordt een maximaal tarief

Eea is vereenvoudigt dit vanwege de uitspraak over hoogte tarief informele zorg. Informele zorg krijgt altijd het geldende wettelijke minimumloon. Bij formele hulp is er altijd nog een onderscheid tussen Begeleiding/Dagbesteding (namelijk 90% van ZIN) en HBH (85% van ZIN).

Wijze van vaststelling van Pgb tarief gewijzigd op grond van jurisprudentie: https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=E CLI:NL:CRVB:2023:1394

Gewijzigd en gelijkgetrokken met de gehanteerde tarieven voor aanbieders tot maximaal 90%.

maar niet hoger dan het toepasselijke minimumloon als bepaald bij of krachtens de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag; Art 21.7 Voor regulier taxivervoer wordt de kilometervergoeding gehanteerd zoals die algemeen maatschappelijk wordt toegepast door de belastingdienst. Art 21.8 Voor rolstoeltaxivervoer wordt de kilometervergoeding gehanteerd zoals die wordt toegepast door de zorgverzekeraars voor medische ritten.

van 90% van het gecontracteerde tarief gehanteerd. Art 15.6 Het toegekende pgb wordt gedurende de looptijd van de toekenning van het pgb geïndexeerd.

Gewijzigd en gelijkgetrokken met de gehanteerde tarieven voor aanbieders tot maximaal 90%.

Er vindt een indexatie plaats gedurende de toekenning van een Pgb bij zowel formele als informele zorg.

Art. 17. 4. De bijdrage als bedoeld in dit artikel is niet van toepassing op een financiële tegemoetkomingen als bedoeld in artikel 9A en 9B.

Artikel is komen te vervallen. Het college biedt vanuit de Wmo ondersteuning aan

Artikel 24. OGGZ Het college biedt vanuit de Wmo de volgende vorm van ondersteuning: • Openbare Geestelijke Gezondheidszorg (OGGZ): bemoeizorg, met als doel het toeleiden naar ondersteuning (of behandeling) van bewoners die niet (in staat zijn om) uit eigen beweging ondersteuning te vragen waar dit medisch- en/of maatschappelijk gezien wel nodig is. Artikel 25 Bijdrage in de kosten van maatwerkvoorzieningen of persoonsgebonden budgets en bij verordening aangewezen algemene voorzieningen Art 25 lid 2 Een cliënt betaalt een bijdrage in de kosten voor algemene voorziening zolang de cliënt van deze voorziening gebruik maakt.

Lid 4 is toegevoegd omdat voor een financiële tegemoetkomingen die door het college worden verstrek geen eigen bijdrage verschuldigd is.

inwoners die uit eigen beweging geen hulp vragen, maar dit wel nodig hebben. De inzet van OGGZ richt zich op het bevorderen van zelfredzaamheid en participatie, in samenwerking met zorg- en ketenpartners. Deze regeling is beleidsmatig van aard en hoeft niet in de Wmo-verordening te worden opgenomen.

Artikel 17 Eigen bijdrage voor maatwerkvoorzieningen, persoonsgebonden budget en sommige algemene voorzieningen Art 17 lid 2 Een cliënt is een bijdrage in de kosten verschuldigd voor een bij verordening aangewezen algemene voorziening zoals bijvoorbeeld een wasservice en of scootmobiel zolang de cliënt van deze voorziening gebruik maakt. De bijdrage voor een algemene voorziening is zodanig vastgesteld dat deze geen belemmering vormt voor het gebruik van de voorziening en in een redelijke verhouding staat tot de kosten van de voorziening.

Voorbeelden voor wasservice en scootmobielpool toegevoegd als voorbeelden algemene voorziening. Het volgende moet geregeld worden in de verordening wil je een algemene voorziening gaan invoeren:

1. dat een bijdrage voor algemene voorzieningen mogelijk is 2. voor welke algemene voorzieningen dat geldt 3. dat het college de hoogte vaststelt 4. dat de bijdrage geen drempel mag vormen 5. dat de gemeente zelf int (niet het CAK) Alle 5 de punten staan benoemd in de verordening behalve punt 4. Deze is specifiek opgenomen in de verordening bij artikel 17 lid 2. Wettelijk gezien hoeft het bedrag wat gevraagd gaat worden voor een algemene voorziening niet opgenomen te worden in de verordening.

Art 25 lid 3 De bijdragen voor maatwerkvoorzieningen of persoonsgebonden budget en voor bij verordening aangewezen algemene voorzieningen voor de ongehuwde cliënt of de gehuwde cliënten tezamen, zijn gelijk aan de kostprijs, tot aan ten hoogste € 19,00 per maand.

Art 17 lid 3 De hoogte van de eigen bijdrage voor maatwerkvoorzieningen of persoonsgebonden budget wordt vastgesteld door het Centraal Administratie Kantoor (CAK). Deze eigen bijdrage is nooit hoger dan de kostprijs van de maatwerkvoorziening.

Art 25 lid 4 In afwijking van het eerste lid is geen bijdrage verschuldigd voor de volgende maatwerkvoorzieningen: a. Rolstoelvoorzieningen, en; b. Kindvoorzieningen, niet zijnde een woningaanpassing.

Art 17 lid 4 In afwijking van het eerste lid hoeft de cliënt geen eigen bijdrage te betalen voor de volgende maatwerkvoorzieningen: a. Rolstoelvoorzieningen, en; b. Kindvoorzieningen; c. Met terugwerkende kracht mag er geen eigen bijdrage geïnd worden over reeds gerealiseerde woningaanpassingen

Art 25 lid 6 De bijdrage voor een maatwerkvoorziening of

Aangepast omdat de inning van de eigen bijdrage door het CAK wordt gedaan en daarnaast is de hoogte van abonnementstarief eruit gehaald. De hoogte is namelijk wettelijk bepaald.

Woningaanpassingen voor kindvoorzieningen alvast aangepast ivm IVB. De kindvoorziening mag met invoering van de IVB niet meer toegekend worden op naam van de ouders voor de inning van de eigen bijdrage

persoonsgebonden budget ten behoeve van een woningaanpassing voor een minderjarige cliënt is verschuldigd door de onderhoudsplichtige ouders, daaronder begrepen degene tegen wie een op artikel 394 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek gegrond verzoek is toegewezen, en degene die anders dan als ouder samen met de ouder het gezag uitoefent over een cliënt.

als iemand de leeftijdsgrens van 18 jaar haalt.

Toegevoegd lid c. Wanneer iemand de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt kan de gemeente een eigen bijdrage innen voor reeds verstrekte hulpmiddelen (behalve rolstoel), begeleiding, dagbesteding en beschermd wonen en maatschappelijke opvang. Met terugwerkende kracht een eigen bijdrage innen over reeds gerealiseerde nagelvaste woningaanpassingen is wettelijk niet toegestaan.

Artikel 26 Bijdrage in de kosten van de maatwerkvoorziening Collectief vervoer Art 26.1 In afwijking van artikel 25 derde lid is een cliënt een bijdrage verschuldigd in de kosten voor het gebruik van collectief vervoer, ter hoogte van € 0,16 per kilometer en een opstaptarief van € 0,98 per rit. Art 26.2 In afwijking van het eerste lid geldt buiten de straal van 20 kilometer vanaf het woonadres een tarief van: € 1,55 per kilometer. Art 26.3 In afwijking van het eerste lid geldt tijdens de daluren, van 12.00 –

Artikel 19. Eigen bijdrage voor Collectief vervoer

Bedragen verwijderd omdat deze jaarlijks wijzigen door indexatie en de verordening daar ook op aangepast moet worden. Bedragen zullen wel beschreven worden in de beleidsregels.

15.00 uur, een opstaptarief van € 0,44 per rit. Art 26.4 In afwijking van het eerste lid geldt bij een overschrijding van het maximaal aantal toegestane kilometers een opstaptarief van € 6,21 per rit.

Artikel 27 Kwaliteitseisen maatschappelijke ondersteuning

Artikel 19 Kwaliteitseisen maatschappelijke ondersteuning Art. 19 lid 1e is het woordje Kwetsbaar verwijderd.

Art 27.2 Het college legt verdere uitwerking van de geldende eisen op de kwaliteit van voorzieningen vast in het besluit maatschappelijk ondersteuning

Artikel 30. Bestrijding oneigenlijk gebruik, misbruik en niet-gebruik van een maatwerkvoorziening of persoonsgebonden budget

Art 30.2 De gemeenteraad stelt een handhavingsbeleidskader vast, waarin beleidsuitgangspunten en -prioriteiten worden aangegeven. Art 30.3 Het college stelt ter nadere uitvoering van de handhaving een handhavingsuitvoeringsplan vast met

Art 19 lid.2 Het college legt verdere uitwerking van de geldende eisen op de kwaliteit van voorzieningen vast in het de beleidsregels maatschappelijk ondersteuning;

Woord cliënten volstaat.

Kwaliteitseisen worden beschreven in de beleidsregels en in de afgesloten overeenkomsten.

Artikel 22. Bestrijding oneigenlijk gebruik, misbruik en niet gebruik van een maatwerkvoorziening of persoonsgebonden budget

Lid 2, 3 en 4 zijn verwijderd. Betreft een bevoegdheid van het college.

inachtneming van het gestelde in het handhavingsbeleidskader. Art 30.4 Dit handhavingsuitvoeringsplan omvat in elk geval de wijze van preventie en bestrijding van fraude, oneigenlijk gebruik en misbruik en niet-gebruik van de Wet alsmede welke handhavingsinstrumenten daartoe worden ingezet en de wijze waarop deze worden toegepast.

Art 22.2 Het college informeert cliënten, hun vertegenwoordiger en zorgaanbieders op een begrijpelijke manier over de rechten en plichten die horen bij het ontvangen van een maatwerkvoorziening of pgb. Ook wordt uitleg gegeven over de mogelijke gevolgen van misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet dan wel hetgeen krachtens de wet is verstrekt of toegekend. Art 22.3 Het college kan steekproefsgewijs het gebruik van maatwerkvoorzieningen en pgb’s onderzoeken om te kijken naar de kwaliteit en om te kijken of de wet rechtmatig en doelmatig wordt gebruikt.

Art 22.4 Het college stelt onderzoek in naar de rechtmatigheid van een maatwerkvoorziening of pgb als er een gegrond vermoeden bestaat van misbruik of van oneigenlijk gebruik van de wet door cliënten dan wel door zorgaanbieders.

Toegevoegd die juist meer zien op de handhaving.

Toegevoegd die juist meer zien op de handhaving. Betreft een KAN bepaling.

Toegevoegd om meer duidelijkheid te geven in de procedure over rechten en plichten en de gevolgen bij misbruik.

Art 22.5 Onverminderd het bepaalde in artikel 2.3.10 van de wet kan het college een beslissing over een individuele voorziening herzien dan wel intrekken als het college vaststelt dat sprake is van misbruik en/of oneigenlijk gebruik.

Toegevoegd. Deze taak wordt uitgevoerd door de toezichthouder rechtmatigheid en ziet toe op het verkleinen van de kans van misbruik. Betreft een kan bepaling.

Toegevoegd omdat dit de toezichthouder Art 22.6 Als een cliënt opzettelijk onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt, worden de kosten in overeenstemming met artikel 2.4.1 van de wet verhaald.

Art 30.5 Het college rapporteert aan de gemeenteraad over de uitvoering, de resultaten en de effecten op het gebied van handhaving in relatie tot de beleidsuitgangspunten en -prioriteiten zoals vastgelegd in het handhavingsbeleidskader.

Art 22.7 Het college kan aan de gemeenteraad over de uitvoering, de resultaten en de effecten rapporteren op het gebied van handhaving in relatie tot de beleidsuitgangspunten en -prioriteiten.

rechtmatigheid mogelijkheden geeft om onderzoek te doen.

Toegevoegd, omdat dit de toezichthouder rechtmatigheid mogelijkheden om sancties op te leggen. Betreft een kan bepaling.

Artikel 33 Tegemoetkoming meerkosten personen met een beperking of chronische problemen

Verwijderd, de Wmo kan geen financiële regelingen verstrekken. Dit is ondergebracht in minimaregelingen.

Artikel 37. Evaluatie

Het artikel is komen te vervallen. Het evalueren van gemeentelijk beleid is een beleidsmatige taak van het college en maakt

Het door het gemeentebestuur gevoerde beleid wordt eenmaal per 4 jaar geëvalueerd.

geen onderdeel uit van de juridische bindende bepalingen van de Wmoverordening.

Aan leden van de MAA t.a.v de voorzitter R. Littel

Uw brief van:

17/6/25, 19/12/25 en 1/3/2026

Ons kenmerk:

2026-015559

Uw kenmerk:

N.v.t

Contact:

H.S. de Vlieg

Bijlage(n):

Memo aan MAA d.d. 30/126

Doorkiesnummer:

06 24750513

E-mailadres:

s.de.vlieg@albrandswaard.nl

Datum:

24-03-2026

Onderwerp: Reactie op advies MAA op de concept Verordening Wmo 2026 Geachte leden van de MAA, In het afgelopen half jaar hebben wij op drie verschillende momenten met u gesproken over de Verordening Wmo gemeente Albrandswaard 2026. Naar aanleiding van deze gesprekken hebben wij op meerdere momenten advies van u mogen ontvangen. Wij willen u hartelijk bedanken voor uw inzet, uw bereidheid om ons meerdere keren van advies te voorzien en de waardevolle bijdragen die u daarbij heeft geleverd. Inmiddels zijn uw adviezen, van de juridische afdeling en de uitvoering zorgvuldig afgewogen en waar mogelijk verwerkt in de nu voorliggende conceptverordening. Hieronder treft u onze reactie op de door u uitgebrachte adviezen van zondag 1 maart 2026. Voor de volledigheid sturen wij hierbij ook de memo van 30 januari, inclusief uw adviezen en onze reactie daarop. Verwachtende u hiermee voldoende te hebben geïnformeerd. Met vriendelijke groet, het college van de gemeente Albrandswaard, de secretaris de burgemeester,

mr. drs. Florus van der Linden drs. Cees Pille

Stationsstraat 4 - 3161 KP Rhoon - Postbus 1000 - 3160 GA Rhoon - T (010) 506 11 11 - E info@albrandswaard.nl

Reactie op advies MAA d.d. 1 maart 2026 Verordening Wmo gemeente Albrandswaard 2026 Artikel 9. Aanvraag (is nu artikel 8) 1. Een aanvraag voor een maatwerkvoorziening kan pas worden gedaan nadat het onderzoek is uitgevoerd, tenzij het onderzoek niet binnen zes weken na de ontvangst van de melding is uitgevoerd. Vraag: Wat gebeurt er als advies niet binnen 6 weken wordt uitgevoerd? Wat is dan het recht van de cliënt? Reactie: Het is voor cliënten belangrijk om te weten wat hun rechten zijn wanneer het onderzoek langer duurt dan de gebruikelijke termijn van zes weken. Als het onderzoek niet binnen zes weken kan worden afgerond wordt de cliënt hierover geïnformeerd. Soms komt dit door omstandigheden buiten iemands invloed, zoals het moeten afwachten van medisch advies of het ontbreken van benodigde informatie. Wanneer een cliënt na die 6 weken niet langer wil of kan wachten, bestaat altijd de mogelijkheid om toch een aanvraag in te dienen. In dat geval start direct de wettelijke beslistermijn van twee weken waarbinnen de gemeente een besluit moet nemen. Op deze manier blijft het recht van de cliënt gewaarborgd. Vraag: Waarom wordt bovenstaande onderstreepte/cursief regeling niet opgenomen in artikel 8.

Reactie: Wij nemen uw advies over om te verduidelijken dat een cliënt, wanneer hij na zes weken niet langer wil of kan wachten, altijd de mogelijkheid heeft om een aanvraag in te dienen. Deze toelichting verwerken wij in de toelichting op de verordening. De reden hiervoor is dat dit recht al rechtstreeks voortvloeit uit de Algemene wet bestuursrecht en daarom niet in de verordening zelf hoeft te worden opgenomen. In de toelichting kunnen wij dit wel op een heldere en toegankelijke manier uitleggen. Vraag: Artikel 9: Lid 12 ontbreekt in de verordening. Reactie: Bedankt voor uw oplettendheid. Artikel 9 lid 12 is als volgt weer aan de verordening toegevoegd: Tot de maatwerkvoorzieningen kunnen, indien noodzakelijk voor het bevorderen van zelfredzaamheid of participatie, behoren: a. een tegemoetkoming voor verhuizing en (woning)inrichting; b. een voorziening gericht op maatschappelijke participatie, waaronder indien noodzakelijk een sportvoorziening. De aard en hoogte van deze voorzieningen worden door het college vastgesteld in de nadere regels. Artikel 31. Hoogte pgb (is nu artikel 15) 2. Bij het vaststellen van de hoogte van het pgb voor dienstverlening wordt onderscheid gemaakt tussen het tarief voor formele en informele hulp: a.

Het pgb voor formele hulpverleners, zoals bedoeld in artikel 30 lid 2, wordt gebaseerd op het tarief van de door cliënt gecontracteerde zorgaanbieder, maar maximaal op 90% van het uurtarief van de goedkoopst compenserende voorziening in natura. b. Het pgb voor informele hulp, zoals bedoeld in artikel 30 lid 3, wordt vastgesteld op het hoogste uurtarief voor vergelijkbare hulp volgens de van toepassing zijnde cao. Dit bedrag wordt aangevuld met vakantiebijslag en verlofuren.

2

Vraag: Bij artikelsgewijze toelichting artikel 30 en 31 (blz. 10 en 11) staan diverse wijzigingen o.a. dat de regeling dienstverlening aan huis per 1-1-2026 wordt afgeschaft en andere berekeningen voor uurloon formele en informele hulp. Is het mogelijk aan de hand van een voorbeeld aan te geven wat er verandert? Reactie: Bij formele hulp (via een professionele aanbieder) wordt het PGB-tarief afgeleid van wat de gemeente inkoopt via Zorg in Natura (ZIN). Daarbij geldt dat het PGB wordt vastgesteld op 90% van het ZIN-tarief. Bij informele hulp (bijvoorbeeld iemand uit het eigen netwerk) wordt het PGB niet gebaseerd op een zorgtarief, maar op loon. Het tarief wordt daarom vastgesteld op het wettelijk minimumuurloon (21 jaar en ouder). Dit bedrag wordt aangevuld met vakantiegeld en verlofuren en – als er sprake is van een arbeidsovereenkomst – ook met de werkgeverslasten. Per 1 januari 2026 een wijziging optreedt voor PGB-houders die met een hulp een arbeidsovereenkomst hebben. Tot en met 2025 konden zij bij werk van maximaal drie dagen per week vaak gebruikmaken van de Regeling dienstverlening aan huis, waardoor de werkgeverslasten beperkt bleven. Vanaf 1 januari 2026 vervalt die uitzondering voor PGB-arbeidsovereenkomsten. Daardoor gelden de normale regels voor werkgevers, met hogere werkgeverslasten en werkgeversverplichtingen. De werkgeverslasten worden vergoed vanuit het Pgb.

Vraag: Onderscheid formele en informele hulp (nu artikel 14): het is ons duidelijk dat er verschil kan zijn tussen hulp verleend door een professionele instantie en hulp van een familielid. Bij ons kwam de vraag op of een familielid dat adequaat geschoold is in de hulpverlening en als zodanig als zzp-er opgenomen is in het Handelsregister eerder formele dan informele hulp biedt. Na discussie meenden wij dat dit als formele hulp gewaardeerd dient te worden. Reactie: De gemeente hanteert bij de toekenning van het Pgb een onderscheid tussen formele en informele hulp. Daarbij geldt dat hulp die wordt geleverd door een familielid in de eerste of tweede graad altijd wordt gewaardeerd als informele hulp, ook wanneer deze persoon aantoonbaar geschoold is en als zzp’er staat ingeschreven in het Handelsregister. Redenen voor dit beleid zijn: a. Familierelatie beïnvloedt de zorgrelatie. De afhankelijkheid en emotionele nabijheid tussen naasten maakt dat de zorg niet als volledig onafhankelijk en professioneel kan worden beschouwd; b. Aansluiting bij landelijke lijn. Landelijke richtlijnen en jurisprudentie beschouwen zorg door naasten in principe als informele hulp. Artikel 31 lid 8. Hoogte Pgb (is nu artikel 15 lid 6) Het toegekende pgb tarief blijft gedurende de looptijd van de toekenning van het pgb hetzelfde.

Vraag: Wat is de looptijd van een toekenning? Moet het niet automatisch jaarlijks geïndexeerd worden net zoals bijv. bijstand, AOW enz.? Artikel 31 lid 8: Wij hebben ondanks de toelichting die gegeven wordt nog altijd moeite met de looptijd. Deze zou niet langer moeten zijn dan tot wanneer er een nieuwe indexatie komt. Na onderzoek op internet lijkt het ook gebruikelijk dat dit ieder jaar gebeurt i.v.m. loonontwikkelingen. In 2026 zullen o.a. werkgeverslasten moeten worden afgedragen, +/- 20% van het tarief. Wij zijn het er niet mee eens dat dit altijd een beperkt bedrag is vergeleken met de administratieve last die dit zou geven. Zie ook artikel 30 in “artikelsgewijze toelichting...”. Reactie: Wij zijn het met u eens dat het pgb‑tarief jaarlijks moet worden geïndexeerd. Dit geldt zowel voor het informele als het formele pgb‑tarief. Daarom passen wij deze tarieven jaarlijks aan, zodat ze actueel blijven en beter aansluiten bij de werkelijke kosten, zonder dat dit leidt tot extra administratieve lasten voor cliënten. Het formele pgb‑tarief wordt één keer per jaar geïndexeerd.

Voor pgb’s voor informele hulp geldt daarnaast dat deze automatisch twee keer per jaar worden aangepast. Dit komt doordat het tarief is gekoppeld aan het wettelijk minimumloon, dat eveneens halfjaarlijks wordt gewijzigd. Hierdoor beweegt het pgb‑tarief automatisch mee met de landelijke loonontwikkelingen. Vraag: Op 5 januari 2026 hebben de raadsleden een brief van Per Saldo ontvangen over wijziging PGB 2026. Verwerkt de Wet aanpassing Regeling dienstverlening aan huis 2026 als voorgesteld in de brief van Per Saldo in de indexering van het budget 2026 voor pgb houders. Reactie: Bij het vaststellen van de pgb‑tarieven maken wij gebruik van de Schulinck‑tool. Deze rekenmethodiek verwerkt de volledige werkgeverslasten die sinds de afschaffing van de Rdah gelden voor zorgverleners in loondienst. Hierdoor zijn deze werkgeverslasten al opgenomen in het pgb‑tarief dat de gemeente hanteert. Artikel 43. Burger- en cliëntenparticipatie (is artikel 27) Over dit artikel willen we voordat we advies geven een breder overleg, omdat ons inziens je bij burger en cliëntenparticipatie niet alleen over de MAA kan spreken. Advies 18 december 2025: “Artikel 43: Wij vinden dat als er gesproken wordt over burger- en cliëntenparticipatie het beter verwoord is in de oude verordening en daar de Maatschappelijke Adviesraad Albrandswaard aan toegevoegd wordt.” Reactie: Uw aanname is correct.

De adviesraad kan ook bestaan uit andere vormen van participatie, De MAA is echter de enige formele adviesraad voor het sociale domein (o.a. de Wmo). Wij hebben daarom uw advies van 18 december 2025 overgenomen en de Maatschappelijke Adviesraad Albrandswaard toegevoegd aan de tekst van de (oude) verordening 2022. Mondeling overleg 15 december 2025: U gaf tijdens het overleg van 15 december aan dat onder andere een gehandicaptenraad ontbreekt. Als u dat wenst gaan wij gaan wij graag met u in gesprek om te verkennen of – en op welke wijze – een afvaardiging hiervan structureel onderdeel kan worden van De MAA. Dit geldt eventueel ook voor andere belangengroepen die mogelijk ontbreken. Vraag: Artikel 27: de tekst en de inhoud van dit artikel komen niet overeen in de verordening en in de toelichting. Reactie: Dank voor uw opmerking over de toelichting bij artikel 27. U geeft aan dat de huidige tekst niet volledig aansluit op artikel 2.1.3 van de Wmo. Wij herkennen dit signaal. De toelichting is inmiddels aangepast zodat deze beter recht doet aan de wettelijke verplichting om inwoners, waaronder cliënten en hun vertegenwoordigers, vroegtijdig en op een passende manier te betrekken bij de voorbereiding van het Wmo-beleid. Ook is verduidelijkt hoe de Maatschappelijke Adviesraad hierin een rol vervult en hoe dit lokaal is geregeld via nadere regels en het huishoudelijk reglement.

4

BIJLAGE: MEMO aan MAA d.d. 30 januari 2026 Verordening Wmo gemeente Albrandswaard 2026 Artikel 2. Melding (is ook artikel 2) 2. Het college stuurt een schriftelijke bevestiging van de melding en maakt zo spoedig mogelijk een afspraak voor een gesprek. Advies: en maakt zo spoedig mogelijk, “doch uiterlijk binnen 10 werkdagen” toevoegen. Reactie: Wij begrijpen goed waarom u graag een duidelijke termijn in de verordening zou zien. Het is belangrijk dat inwoners weten waar zij aan toe zijn, en wij waarderen uw aandacht hiervoor. Tegelijkertijd merken wij in de praktijk dat het niet altijd haalbaar is om binnen tien werkdagen een gesprek te plannen. Dat kan bijvoorbeeld komen doordat iemand tijdelijk is opgenomen in het ziekenhuis, er medisch advies moet worden afgewacht, of omdat een inwoner zelf niet eerder beschikbaar is. Om die reden nemen wij deze vaste termijn niet op in de verordening. Wat wél altijd geldt, is dat de schriftelijke bevestiging van de melding binnen tien dagen wordt verstuurd. Daarnaast wordt het gesprek binnen zes weken na de melding gevoerd, zoals de wet voorschrijft. In de artikelsgewijze toelichting hebben wij extra uitgelegd wat wij bedoelen met “zo spoedig mogelijk”, zodat hierover minder onduidelijkheid kan ontstaan. Wij willen benadrukken dat wij er alles aan doen om inwoners zo snel mogelijk te helpen.

In de meeste gevallen lukt het om binnen 2 à 3 weken een gesprek te voeren. Alleen in uitzonderlijke situaties loopt dit anders, zoals hierboven beschreven. Artikel 3. Cliëntondersteuning (is ook artikel 3) Advies: “en zijn mantelzorger” vervangen door “en/of zijn belangenbehartiger” (of “vertegenwoordiger” wat meer in overeenstemming is met artikel 6, lid 2). Reactie: Wij nemen het advies over. De tekst wordt dan als volgt: Het college wijst de cliënt en zijn mantelzorger en/of vertegenwoordiger voorafgaand aan het onderzoek als bedoeld bij artikel 6 op de mogelijkheid gebruik te maken van gratis cliëntondersteuning. Nummeringen artikelen De nummering in de verordening waarover u advies heeft uitgebracht, komt niet overeen met de nummering in de conceptverordening die nu voorligt. Om verwarring te voorkomen, is per artikel aangegeven op welk onderdeel u advies heeft gegeven en waar dit artikel terug te vinden is in de huidige conceptverordening. Artikel 7. Onderzoeksrapport (is nu artikel 6 lid 7) Lid 1: Advies: toevoegen “in begrijpelijke taal” (zie LIA 2024) Reactie: Het is voor inwoners essentieel dat zij kunnen begrijpen wat hun rechten en plichten zijn. De Wmo‑verordening Sociaal Domein is echter niet volledig in begrijpelijke (bv B1)‑taal opgesteld.

De wettelijke bepalingen hebben wij bewust één op één overgenomen, omdat het herschrijven van deze juridische teksten het risico met zich meebrengt dat er onduidelijkheid of verschillende interpretaties ontstaan. Ook sluiten wij hiermee aan bij de manier waarop andere gemeentelijke verordeningen zijn opgesteld, zodat onze juridische documenten consistent blijven.

Wat wij wél hebben gedaan, is de toelichting op de verordening zo veel mogelijk in begrijpelijke taal te schrijven. Op die manier blijft de inhoud toegankelijk voor een brede groep inwoners, terwijl de juridische juistheid van de verordening zelf behouden blijft. 2. De cliënt tekent het onderzoeksrapport voor gezien of akkoord De cliënt zorgt ervoor dat een getekend exemplaar, zo snel als mogelijk wordt teruggestuurd aan de contactpersoon met wie het gesprek is gevoerd. Advies: zo snel mogelijk,” doch uiterlijk binnen 10 werkdagen” toevoegen. Reactie: Wij begrijpen goed waarom u graag een duidelijke termijn in de verordening zou zien. Het is belangrijk dat cliënten weten waar zij aan toe zijn en dat het proces voor iedereen helder en voorspelbaar is. Toch nemen wij het advies om een verplichting van tien werkdagen op te nemen niet over. In de praktijk merken wij dat zo’n vaste termijn weinig toevoegt. Het terugsturen van het onderzoeksrapport is namelijk vooral in het belang van de cliënt zelf, zeker wanneer iemand gebruik wil maken van het recht op correctie of aanvulling. Een formele verplichting in de verordening helpt daar niet altijd bij en kan in sommige situaties zelfs onnodige druk opleggen.

Wij blijven cliënten uiteraard stimuleren om het rapport zo snel mogelijk te retourneren, zodat het proces vlot kan verlopen en eventuele aanpassingen tijdig kunnen worden verwerkt. Artikel 8 Advisering (is nu artikel 7) Lid 2a: “iemand die niet _ nog geen voorziening heeft” waarschijnlijk ontbreekt hier het woordje “of? Reactie: Bedankt voor uw opmerkzaamheid. Er staat nu: “a. Het een melding of aanvraag betreft van een persoon die niet eerder een voorziening heeft gehad c.q. met wie niet eerder een gesprek als bedoeld in artikel 6 is gevoerd.” Artikel 9. Aanvraag (is nu artikel 8) 1. Een aanvraag voor een maatwerkvoorziening kan pas worden gedaan nadat het onderzoek is uitgevoerd, tenzij het onderzoek niet binnen zes weken na de ontvangst van de melding is uitgevoerd. Vraag: Wat gebeurt er als advies niet binnen 6 weken wordt uitgevoerd? Wat is dan het recht van de cliënt? Reactie: Het is voor cliënten belangrijk om te weten wat hun rechten zijn wanneer het onderzoek langer duurt dan de gebruikelijke termijn van zes weken. Als het onderzoek niet binnen zes weken kan worden afgerond wordt de cliënt hierover geïnformeerd. Soms komt dit door omstandigheden buiten iemands invloed, zoals het moeten afwachten van medisch advies of het ontbreken van benodigde informatie.

Wanneer een cliënt na die 6 weken niet langer wil of kan wachten, bestaat altijd de mogelijkheid om toch een aanvraag in te dienen. In dat geval start direct de wettelijke beslistermijn van twee weken waarbinnen de gemeente een besluit moet nemen. Op deze manier blijft het recht van de cliënt gewaarborgd. 3. Een aanvraag wordt ingediend met een ondertekend onderzoeksrapport of een ingevuld aanvraagformulier. Vraag: Het onderzoeksrapport of vragenformulier moeten deze op papier en/of digitaal aangeleverd worden?

6

Reactie: De aanvraag kan zowel op papier als digitaal worden ingediend. Artikel 11. Criteria voor maatwerkvoorziening (is nu artikel 9 lid 5) 2. Als een maatwerkvoorziening noodzakelijk is, verstrekt het college de goedkoopst adequaat compenserende voorziening. Vraag: Als de cliënt een duurdere voorziening wil, kan deze persoon dan gebruik maken van een PGB zoals toegelicht bij artikelsgewijze toelichting artikel 11 lid 2? Reactie: Ja, dit is mogelijk. Wij begrijpen dat sommige cliënten voorkeur kunnen hebben voor een andere of duurdere voorziening dan de goedkoopst adequate variant die de gemeente aanbiedt. In dat geval kan een persoonsgebonden budget (PGB) uitkomst bieden. Belangrijk is dat de voorziening die met het PGB wordt ingekocht passend en adequaat is en aansluit bij het Plan van Aanpak. Het PGB wordt vastgesteld op basis van de kosten die de gemeente zou maken wanneer zij zelf een passende voorziening in natura zou inkopen. Wanneer een cliënt kiest voor een duurdere voorziening, is dat toegestaan, maar dan betaalt de cliënt zelf het verschil bij. Op deze manier blijft er ruimte voor persoonlijke voorkeuren, terwijl de wettelijke kaders en zorgvuldigheid behouden blijven. Artikelen over maatwerkvoorzieningen. De door u gegeven adviezen over de artikelen 12 tot en met 26 zijn niet in deze beantwoording meegenomen.

Deze artikelen zijn namelijk samengevoegd met de bepalingen in de beleidsregels. We hebben hiervoor gekozen omdat de artikelen al grotendeels in de beleidsregels waren opgenomen. Hierdoor ontstaat geen overlap meer tussen beide documenten en wordt verwarring voorkomen. Bovendien is het logisch om deze artikelen in de beleidsregels onder te brengen, omdat de artikelen 12 tot en met 26 een nadere uitwerking vormen van artikel 9 tot en met 11 van de verordening. Bij het opnieuw vormgeven van de beleidsregels zullen wij uw adviezen opnieuw overwegen. Op een later moment informeren wij u of, en zo ja hoe, uw advies daarin is verwerkt. Artikel 27. Weigeringsgronden (is nu artikel 11 lid g) 1.f.als de cliënt een indicatie heeft voor zorg met verblijf op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz) of er redenen zijn om aan te nemen dat de cliënt daarvoor in aanmerking komt, maar weigert mee te werken aan het verkrijgen van een besluit hierover, tenzij artikel 8.6a van de wet van toepassing is; Vraag: Kan dit artikel toegelicht worden? Reactie: Omdat dit artikel tot vragen kan leiden, hebben wij in de toelichting een uitgebreidere uitleg opgenomen.

In de artikelsgewijze toelichting staat nu beschreven dat de gemeente een maatwerkvoorziening op grond van de Wmo kan weigeren wanneer een cliënt al een Wlz‑indicatie heeft, of wanneer er sterke aanwijzingen zijn dat iemand eigenlijk zwaardere, langdurige zorg nodig heeft die onder de Wlz valt.De cliënt kan vervolgens worden gevraagd om binnen een bepaalde termijn een Wlz‑aanvraag te doen. Wanneer uit die aanvraag blijkt dat de zorg inderdaad onder de Wlz hoort, dan mag de gemeente de Wmo‑ondersteuning beëindigen of weigeren.

Artikel 29 Regels voor Pgb (is nu artikel 13) Artikel 29 lid 1: de eerste zin klopt niet. Wat wordt bedoeld? Geen idee wat hiermee bedoelt wordt? Artikel 29 lid 7: “ïs” moet “zijn” zijn. Reactie: wij kunnen beiden punten niet meer terug herleiden in de Verordening, waarschijnlijk omdat de nummeringen zijn aangepast. Volgens ons is de “taalfout” niet meer aanwezig. Artikel 31. Hoogte pgb (is nu artikel 15) 2. Bij het vaststellen van de hoogte van het pgb voor dienstverlening wordt onderscheid gemaakt tussen het tarief voor formele en informele hulp: c. Het pgb voor formele hulpverleners, zoals bedoeld in artikel 30 lid 2, wordt gebaseerd op het tarief van de door cliënt gecontracteerde zorgaanbieder, maar maximaal op 90% van het uurtarief van de goedkoopst compenserende voorziening in natura. d. Het pgb voor informele hulp, zoals bedoeld in artikel 30 lid 3, wordt vastgesteld op het hoogste uurtarief voor vergelijkbare hulp volgens de van toepassing zijnde cao. Dit bedrag wordt aangevuld met vakantiebijslag en verlofuren. Vraag: Bij artikelsgewijze toelichting artikel 30 en 31 (blz. 10 en 11) staan diverse wijzigingen o.a. dat de regeling dienstverlening aan huis per 1-1-2026 wordt afgeschaft en andere berekeningen voor uurloon formele en informele hulp.

Is het mogelijk aan de hand van een voorbeeld aan te geven wat er verandert? Reactie: Bij formele hulp (via een professionele aanbieder) wordt het PGB-tarief afgeleid van wat de gemeente inkoopt via Zorg in Natura (ZIN). Daarbij geldt dat het PGB wordt vastgesteld op 90% van het ZIN-tarief. Bij informele hulp (bijvoorbeeld iemand uit het eigen netwerk) wordt het PGB niet gebaseerd op een zorgtarief, maar op loon. Het tarief wordt daarom vastgesteld op het wettelijk minimumuurloon (21 jaar en ouder). Dit bedrag wordt aangevuld met vakantiegeld en verlofuren en – als er sprake is van een arbeidsovereenkomst – ook met de werkgeverslasten. Per 1 januari 2026 een wijziging optreedt voor PGB-houders die met een hulp een arbeidsovereenkomst hebben. Tot en met 2025 konden zij bij werk van maximaal drie dagen per week vaak gebruikmaken van de Regeling dienstverlening aan huis, waardoor de werkgeverslasten beperkt bleven. Vanaf 1 januari 2026 vervalt die uitzondering voor PGB-arbeidsovereenkomsten. Daardoor gelden de normale regels voor werkgevers, met hogere werkgeverslasten en werkgeversverplichtingen. De werkgeverslasten worden vergoed vanuit het Pgb. Artikel 31 lid 5 Vraag: eenmaal “regulier” weglaten Reactie: Deze aanpassing is doorgevoerd bij artikel 15 lid 5. Artikel 31 lid 8.

Hoogte Pgb (is nu artikel 15 lid 6) Het toegekende pgb tarief blijft gedurende de looptijd van de toekenning van het pgb hetzelfde. Vraag: Wat is de looptijd van een toekenning? Moet het niet automatisch jaarlijks geïndexeerd worden net zoals bijv. bijstand, AOW enz.? Artikel 31 lid 8: Wij hebben ondanks de toelichting die gegeven wordt nog altijd moeite met de looptijd. Deze zou niet langer moeten zijn dan tot wanneer er een nieuwe indexatie komt. Na onderzoek op internet lijkt het ook gebruikelijk dat dit ieder jaar gebeurt i.v.m. loonontwikkelingen. In 2026 zullen o.a. werkgeverslasten moeten worden afgedragen, +/- 20% van het tarief. Wij zijn het er niet mee eens dat dit altijd een beperkt bedrag is vergeleken met de administratieve last die dit zou geven. Zie ook artikel 30 in “artikelsgewijze toelichting...”.

8

Reactie: Wij zijn het met u eens dat het pgb‑tarief jaarlijks moet worden geïndexeerd. Dit geldt zowel voor het informele als het formele pgb‑tarief. Daarom passen wij deze tarieven jaarlijks aan, zodat ze actueel blijven en beter aansluiten bij de werkelijke kosten, zonder dat dit leidt tot extra administratieve lasten voor cliënten. Het formele pgb‑tarief wordt één keer per jaar geïndexeerd. Voor pgb’s voor informele hulp geldt daarnaast dat deze automatisch twee keer per jaar worden aangepast. Dit komt doordat het tarief is gekoppeld aan het wettelijk minimumloon, dat eveneens halfjaarlijks wordt gewijzigd. Hierdoor beweegt het pgb‑tarief automatisch mee met de landelijke loonontwikkelingen. Artikel 33. Eigen bijdrage voor maatwerkvoorzieningen, persoonsgebonden budget en sommige algemene voorzieningen (is nu artikel 17 lid 3) v 5. De kostprijs van een voorziening wordt als volgt bepaald: a. voor maatwerkvoorziening of bij verordening aangewezen algemene voorziening wordt de kostprijs bepaald door een aanbesteding. Of na consultatie in de markt of na overleg met de aanbieder; b. voor een maatwerkvoorziening in de vorm van een hulpmiddel of woningaanpassing wordt tevens bepaald door de wijze van beschikbaarstelling van de voorziening; c. voor een pgb is dit gelijk aan de hoogte van het toegekende pgb.

Vraag: Wat is de eigen bijdrage bij punt 5? Hoe wordt deze berekend? Reactie: De hoogte van de eigen bijdrage wordt landelijk vastgesteld. Het CAK beoordeelt per inwoner of de eigen bijdrage verschuldigd is, berekent deze en int de bijdrage. De eigen bijdrage is nooit hoger dan de kostprijs van de maatwerkvoorziening of het pgb. In 2026 bedraagt het abonnementstarief € 21,80 per maand. Dit bedrag geldt ongeacht het aantal maatwerkvoorzieningen en ongeacht de omvang van de ondersteuning die iemand ontvangt. Artikel 35. Verhouding prijs en kwaliteit levering voorziening door derden lid 1 e: (is artikel 20) Advies: om onduidelijkheid te vermijden over wat “kwetsbare cliënten” zijn: het woord “kwetsbare” verwijderen. Reactie: In de versie die nu voorligt is de term “kwetsbare cliënten” niet opgenomen. Daarmee is aan uw advies tegemoetgekomen. Artikel 37 Meldingsregeling calamiteiten en geweld (is artikel 21) Vraag: heeft onze gemeente een “toezichthoudend ambtenaar”? Reactie: Wmo Toezicht is binnen de gemeen te Albrandswaard belegd bij GGD regio Rotterdam. Zij zijn de facto onze toezichthouders. Artikel 43. Burger- en cliëntenparticipatie (is artikel 27) Over dit artikel willen we voordat we advies geven een breder overleg, omdat ons inziens je bij burger en cliëntenparticipatie niet alleen over de MAA kan spreken.

Advies 18 december 2025: “Artikel 43: Wij vinden dat als er gesproken wordt over burger- en cliëntenparticipatie het beter verwoord is in de oude verordening en daar de Maatschappelijke Adviesraad Albrandswaard aan toegevoegd wordt.”

Reactie: Uw aanname is correct. De adviesraad kan ook bestaan uit andere vormen van participatie, De MAA is echter de enige formele adviesraad voor het sociale domein (o.a. de Wmo). Wij hebben daarom uw advies van 18 december 2025 overgenomen en de Maatschappelijke Adviesraad Albrandswaard toegevoegd aan de tekst van de (oude) verordening 2022. Mondeling overleg 15 december 2025: U gaf tijdens het overleg van 15 december aan dat onder andere een gehandicaptenraad ontbreekt. Als u dat wenst gaan wij gaan wij graag met u in gesprek om te verkennen of – en op welke wijze – een afvaardiging hiervan structureel onderdeel kan worden van De MAA. Dit geldt eventueel ook voor andere belangengroepen die mogelijk ontbreken. Artikel 48. Overgangsrecht (is artikel 30) Opmerking: “en werkt terug tot en met 1 januari 2026” dient aangepast te worden als de inwerkingtreding voor 1 januari 2026 gerealiseerd wordt. Reactie: De tekst is aangepast om aan te sluiten bij de daadwerkelijke inwerkingtredingsdatum.

Reactie op artikelwijze toelichting Verordening Wmo 2026 Artikel 26 Weigeringsgronden (is artikel 11) Artikel 26, lid 3 ad h bij co-ouderschap ligt het ouderlijk gezag toch altijd bij beide (natuurlijke) ouders. Alleen als één van de ouders, om wat voor reden dan ook, onttrokken is aan het ouderlijk gezag dan is er geen co-ouderschap (meer). Reactie: Uw uitleg klopt. Bij co‑ouderschap ligt het ouderlijk gezag in principe bij beide ouders. Alleen wanneer één van de ouders – om welke reden dan ook – niet (meer) het ouderlijk gezag heeft, is er geen sprake van co‑ouderschap. Artikel 28 Regels voor pgb (is artikel 13) Artikel 28 lid 2: waarom kan een bewindvoerder geen budgetbeheerder zijn? Wij hebben de indruk dat het vaak de al dan niet formele bewindvoerders zijn die een PGB aanvragen namens iemand, die daar zelf vaak niet toe in staat is, en vervolgens het budget beheert. Reactie: Dat is correct. We hebben daarom de volgende zin geschrapt: Dit betekent dat bijvoorbeeld een bewindvoerder geen budgetbeheerder kan zijn. Ter informatie: budget-beheer is meer dan bewindvoering: het gaat niet alleen om financiën, maar ook om zorg inkopen, afspraken vastleggen, administratie voeren, sturen op kwaliteit, periodiek evalueren en waar nodig bijstellen. We beoordelen per situatie of de beheerder de benodigde PGBvaardigheden en een voldoende onafhankelijke rol kan waarmaken.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.albrandswaard.nl/api/v1/meetings/3843/documents/35404