17. 364798 Raadsvoorstel verordening maatschappelijke ontwikkeling Albrandswaard 2022.pdf
Tekst van het document
c.
voor zover deze niet in overwegende mate op het individu is gericht;
d.
Als een maatwerkvoorziening noodzakelijk is ter vervanging van een eerder door het college verstrekte voorziening, wordt deze slechts verstrekt na afloop van de duur waarvoor de voorziening is verstrekt; tenzij de eerder verstrekte voorziening verloren is gegaan als gevolg van omstandigheden die niet aan de cliënt zijn toe te rekenen; tenzij de cliënt geheel of gedeeltelijk tegemoet komt in de veroorzaakte kosten, of als de eerder verstrekte voorziening niet langer een oplossing biedt voor de behoefte van de cliënt aan maatschappelijke ondersteuning. Als deze voorziening niet noodzakelijk was geweest wanneer de cliënt rekening had gehouden met de reeds bestaande beperkingen, niet verband houdende met de overgang naar een volgende levensfase.
e.
Verordening 2022 de woning van de cliënt is rolstoeltoegankelijk en rolstoeldoorgankelijk of kan door middel van (voorliggende) (woon)voorzieningen geschikt gemaakt worden. Artikel 16. Aanvullende criteria sportvoorzieningen 1. Cliënt komt in aanmerking voor een sportvoorziening als is voldaan aan de volgende criteria. a. cliënt maakt ook in het dagelijks leven gebruik van een loophulpmiddel of een verplaatsingshulpmiddel; b. cliënt is zonder sportvoorziening niet in staat tot sportbeoefening; c. beoefening van de gekozen sport is uitsluitend mogelijk met een specifieke sportvoorziening, beoefening is niet op een andere wijze mogelijk; d. cliënt is lid van een sportvereniging. Artikel 17. Weigeringsgronden 1. Geen maatwerkvoorziening wordt verstrekt: a. wanneer voor de problematiek die in het gegeven geval aanleiding geeft voor de noodzaak tot ondersteuning, een voorziening op grond van een andere wettelijke bepaling bestaat; b. als de cliënt de gevraagde voorziening vóór de melding heeft gerealiseerd of geaccepteerd, tenzij er sprake is van een acute noodsituatie waardoor het voor de cliënt dringend noodzakelijk was de voorziening te treffen; c.
als de cliënt de gevraagde voorziening na de melding en vóór datum van besluit heeft gerealiseerd of geaccepteerd, tenzij het college daarvoor schriftelijk toestemming heeft gegeven of de noodzaak en passendheid van de voorziening en de gemaakte kosten achteraf nog kan beoordelen; d. voor zover deze niet hoofdzakelijk op het individu is gericht, met uitzondering van respijtzorg; e. Als een maatwerkvoorziening noodzakelijk is ter vervanging van een eerder door het college verstrekte voorziening, wordt deze slechts verstrekt na afloop van de duur waarvoor de voorziening is verstrekt; tenzij de eerder verstrekte voorziening verloren is gegaan als gevolg van omstandigheden die niet aan de cliënt zijn toe te rekenen, of; tenzij de cliënt geheel of gedeeltelijk tegemoet komt in de veroorzaakte kosten, of; als de eerder verstrekte voorziening niet langer een oplossing biedt voor de behoefte van de cliënt aan maatschappelijke ondersteuning. f. Als deze voorziening niet noodzakelijk was geweest wanneer de cliënt rekening had gehouden met de reeds bestaande beperkingen, niet verband houdende met de overgang naar een volgende levensfase. g.
als de cliënt een indicatie heeft voor zorg met verblijf op grond van de Wet langdurige zorg of er redenen zijn om aan te nemen dat de cliënt daarvoor in aanmerking komt, maar weigert mee te werken aan het verkrijgen van een besluit hierover, tenzij artikel 8.6a van de wet van toepassing is;
Toelichting
d.
Zelfde gebleven
In aanvulling op het oude lid 1 sub b is het nieuwe sub b toegevoegd en het oude sub b hernoemd naar sub c. Hiermee onderscheid makend tussen de periode vóór melding en periode tussen melding en besluit. Het nieuwe lid 1 sub d is uitgebreid. Zie ook toelichting artikel 9.
In lijn de het IBSD is het nieuwe lid 1 sub g toegevoegd.
Nr.
Verordening 2018
Verordening 2022
2.
2.
3.
Geen maatwerkvoorziening gericht op zelfredzaamheid en participatie wordt verstrekt: a. als deze niet langdurig noodzakelijk is, behoudens hulp bij het huishouden en een vervoerspas. Een uitzondering hierop is verder de kortdurende hulp aan de cliënt die leerbaar is. De voorziening is dan gericht op vermindering van de ondersteuningsbehoefte. b. indien de cliënt geen ingezetene is van de gemeente. Geen woonvoorziening wordt verstrekt: a. voor zover de beperkingen voortvloeien uit de aard van de in de woning gebruikte materialen;
b.
c.
d.
e.
f.
g.
h.
4.
5.
3.
ten behoeve van hotels/pensions, trekkerswoonwagens, kloosters, tweede woningen, vakantie- en recreatiewoningen en gehuurde kamers, met uitzondering van een voorziening voor verhuizing en inrichting; indien de noodzaak het gevolg is van een verhuizing waarvoor geen aanleiding bestaat op grond van beperkingen bij de zelfredzaamheid of participatie en er geen belangrijke reden voor verhuizing aanwezig is; indien cliënt verhuisd is naar een woning waarvan op grond van de aanwezige beperkingen voorzienbaar was dat cliënt hierin beperkingen zou ondervinden; indien de cliënt niet is verhuisd naar de voor zijn of haar beperkingen op dat moment meest geschikte woning, tenzij daarvoor vooraf schriftelijk toestemming is verleend door het college. de cliënt verhuisd is vanuit of naar een woonruimte die niet geschikt is om het hele jaar door bewoond te worden; indien cliënt zijn hoofdverblijf niet heeft of niet zal hebben in de woning waaraan de voorziening wordt getroffen, tenzij er sprake is van coouderschap; voor zover het voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten betreft, anders dan automatische deuropeners, hellingbanen, het verbreden van gemeenschappelijke toegangsdeuren, het aanbrengen van drempelhulpen of vlonders of het aanbrengen van een opstelplaats bij de toegangsdeur van de gemeenschappelijke ruimte, met uitzondering van een voorziening voor verhuizing en inrichting.
Geen tegemoetkoming voor verhuizing en inrichting wordt verstrekt indien: a. een persoon met beperking voor het eerst zelfstandig gaat wonen; b. een persoon met beperking verhuist naar een Wlz-instelling. Bij de te verstrekken vervoersvoorziening wordt ten aanzien van de vervoersbehoefte ten behoeve van maatschappelijke participatie uitsluitend rekening gehouden met de verplaatsingen in de directe woon- en leefomgeving
4.
5.
Geen maatwerkvoorziening gericht op zelfredzaamheid en participatie wordt verstrekt: a. als deze niet langdurig noodzakelijk is, behoudens hulp bij het huishouden en een vervoerspas. Een uitzondering hierop is verder de kortdurende hulp aan de cliënt die leerbaar is. De voorziening is dan gericht op vermindering van de ondersteuningsbehoefte. b. indien de cliënt geen ingezetene is van de gemeente. Geen woonvoorziening wordt verstrekt: a. voor zover de beperkingen voortvloeien uit de aard van de in de woning gebruikte materialen, de slechte staat van het onderhoud of de omstandigheid dat de woning niet voldoet aan de geldende wettelijke eisen; b. ten behoeve van hotels/pensions, trekkerswoonwagens, kloosters, tweede woningen, vakantie- en recreatiewoningen en gehuurde kamers, met uitzondering van een voorziening voor verhuizing en inrichting; c. indien de noodzaak het gevolg is van een verhuizing waarvoor geen aanleiding bestaat op grond van beperkingen bij de zelfredzaamheid of participatie en er geen belangrijke reden voor verhuizing aanwezig is; d. indien cliënt verhuisd is naar een woning waarvan op grond van de aanwezige beperkingen voorzienbaar was dat cliënt hierin beperkingen zou ondervinden; e.
indien de cliënt niet is verhuisd naar de voor zijn of haar beperkingen op dat moment meest geschikte woning, tenzij daarvoor vooraf schriftelijk toestemming is verleend door het college. f. de cliënt verhuisd is vanuit of naar een woonruimte die niet geschikt is om het hele jaar door bewoond te worden; g. indien cliënt zijn hoofdverblijf niet heeft of niet zal hebben in de woning waaraan de voorziening wordt getroffen, tenzij er sprake is van coouderschap; h. voor zover het voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten betreft, anders dan automatische deuropeners, hellingbanen, het verbreden van gemeenschappelijke toegangsdeuren, het aanbrengen van drempelhulpen of vlonders of het aanbrengen van een opstelplaats bij de toegangsdeur van de gemeenschappelijke ruimte, met uitzondering van een voorziening voor verhuizing en inrichting. i. als de voorziening in het geval van nieuwbouw of renovatie zonder noemenswaardige meerkosten meegenomen kan worden; Geen tegemoetkoming voor verhuizing en inrichting wordt verstrekt indien: a. een persoon met beperking voor het eerst zelfstandig gaat wonen; b. een persoon met beperking verhuist naar een Wlz-instelling. Bij de te verstrekken vervoersvoorziening wordt ten aanzien van de vervoersbehoefte ten behoeve van maatschappelijke participatie uitsluitend rekening gehouden met de verplaatsingen in de directe woon- en leefomgeving.
Toelichting
In lijn met jurisprudentie is het nieuwe lid 3 sub a nader gespecificeerd.
In lijn de het IBSD is het nieuwe lid 3 sub i toegevoegd.
Nr.
Verordening 2018
Verordening 2022
Toelichting
18
Artikel 18. Inhoud beschikking 1. In de beschikking tot verstrekking van een maatwerkvoorziening wordt in ieder geval aangegeven of deze als voorziening in natura of als pgb wordt verstrekt en wordt tevens aangegeven hoe bezwaar tegen de beschikking kan worden gemaakt. 2. Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in natura wordt in de beschikking in ieder geval vastgelegd: a. welke de te verstrekken voorziening is en wat het beoogde resultaat daarvan is; b. wat de ingangsdatum en duur van de verstrekking is; c. hoe de voorziening wordt verstrekt; d. welke andere voorzieningen relevant zijn of kunnen zijn; e. of een bijdrage in de kosten verschuldigd is en de daarbij door het college gehanteerde uitgangspunten. 3. Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb wordt in de beschikking in ieder geval vastgelegd: a. voor welk resultaat het pgb kan worden aangewend; b. welke kwaliteitseisen gelden voor de besteding van het pgb, waaronder de verplichting dat de zorgverlener een voor de verleende ondersteuning relevante Verklaring omtrent het gedrag (Vog) aanvraagt en desgevraagd kan tonen, die niet ouder is dan drie maanden; c. wat de hoogte van het pgb is en hoe hiertoe is gekomen; d. wat de duur is van de verstrekking waarvoor het pgb is bedoeld;
Artikel 18. Inhoud beschikking 1. In de beschikking tot verstrekking van een maatwerkvoorziening wordt in ieder geval aangegeven of deze als voorziening in natura of als pgb wordt verstrekt en wordt tevens aangegeven hoe bezwaar tegen de beschikking kan worden gemaakt. 2. Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in natura wordt in de beschikking in ieder geval vastgelegd: a. welke de te verstrekken voorziening is en wat de beoogde doelstelling daarvan is; b. wat de ingangsdatum en duur van de verstrekking is; c. hoe de voorziening wordt verstrekt; d. welke andere voorzieningen relevant zijn of kunnen zijn; e. of een bijdrage in de kosten verschuldigd is en de daarbij door het college gehanteerde uitgangspunten. 3. Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb wordt in de beschikking in ieder geval vastgelegd: a. voor welk doel het pgb moet worden besteed; b. welke kwaliteitseisen gelden voor de besteding van het pgb, waaronder de verplichting dat de zorgverlener een voor de verleende ondersteuning relevante Verklaring omtrent het gedrag (Vog) aanvraagt en desgevraagd kan tonen, die niet ouder is dan drie maanden; c. wat de hoogte van het pgb is en hoe hiertoe is bepaald; d. wat de ingangsdatum en de duur is van de verstrekking waarvoor het pgb is bedoeld; e. de wijze van verantwoording van de besteding van het pgb; f.
of een bijdrage in de kosten verschuldigd is en de daarbij door het college gehanteerde uitgangspunten, zoals de kostprijs van de voorziening. Artikel 19. Regels voor pgb 1. Als een cliënt in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening en de ondersteuning zelf wenst in te kopen door middel van een pgb, toetst het college of voldaan wordt aan de in artikel 2.3.6. lid 2 van de wet opgenomen voorwaarden. 2. De cliënt dient om in aanmerking te komen voor een PGB een budgetplan in. In het budgetplan is in elk geval opgenomen: a) hoe de cliënt zelf of met hulp van iemand uit het sociale netwerk of zijn vertegenwoordiger de aan een pgb verbonden taken op verantwoorde wijze gaat uitvoeren; b) wat de motivatie is om de maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb te ontvangen; c) welke maatwerkvoorziening de cliënt met het pgb zou willen inkopen en bij welke uitvoerder; d) de kosten van de maatwerkvoorziening, uitgedrukt in aantal eenheden en tarief; e) hoe cliënt de voorziening volgens een puntsgewijze begroting dan wel een gespecificeerde offerte wenst te financieren; f) inzicht in de problematiek van de cliënt;
Zelfde gebleven
e. f.
19
de wijze van verantwoording van de besteding van het pgb; of een bijdrage in de kosten verschuldigd is en de daarbij door het college gehanteerde uitgangspunten, zoals de kostprijs van de voorziening. Artikel 19. Regels voor pgb 1. Het college verstrekt een pgb in overeenstemming met artikel 2.3.6 van de Wet. 2. Om in aanmerking te komen voor een pgb moet budgethouder of diens (wettelijk) vertegenwoordiger een ondersteuningsplan overleggen waaruit minimaal het volgende blijkt: inzicht in de problematiek van de ondersteuningsvrager; de duur en wijze van de ondersteuning; het resultaat van het te behalen doel van de ondersteuning; welke evaluatiemomenten gedurende de duur van de ondersteuning.
Het oude artikel 19 is onderverdeeld in het nieuwe artikel 19, 20 en 21. Het oude lid 6 sub a is opgenomen in het nieuwe artikel 20 en het oude lid 4, 5, 6, 7 en 8 zijn in het nieuwe artikel 21 opgenomen.
Aan het nieuwe lid 2 zijn vereisen aan een budgetplan toegevoegd ter ondersteuning van een doelmatige inzet van een PGB en voorkoming van fraude.
Het nieuwe lid 3,4,5 is toegevoegd ter ondersteuning van een
Nr.
Verordening 2018 3.
4.
5.
6.
7.
8.
Cliënt is verplicht, als de ondersteuning wordt geboden door een niet professioneel persoon uit de sociale omgeving, bij het ondersteuningsplan een Verklaring omtrent gedrag (Vog) te voegen van deze persoon, die niet ouder is dan drie maanden. De hoogte van het persoonsgebonden budget voor wat betreft het vervoer is gebaseerd op het collectief vervoer in natura, waarbij het uitgangspunt geldt dat maximaal 2000 kilometer op jaarbasis binnen de eigen leef- en woonomgeving moet kunnen worden gereisd. Als aan de cliënt ten behoeve van de verplaatsingen in de directe woonen leefomgeving een vervoersvoorziening is verstrekt, wordt een maximum van 1000 km als uitgangspunt gehanteerd. Indien de cliënt gemotiveerd aangeeft dat het standaard aantal kilometers niet volstaat dan kan een groter aantal kilometers worden verstrekt. De hoogte van het persoonsgebonden budget voor overige zaken wordt bepaald aan de hand van en tot het maximum van de kostprijs van de in de situatie van de cliënt goedkoopst compenserende voorziening in natura of de door het college geaccepteerde offerte en is toereikend voor de aanschaf en het onderhoud daarvan. De hoogte van een persoonsgebonden budget voor dienstverlening wordt bepaald op basis van het tarief van de door cliënt gecontracteerde zorgaanbieder, maar maximaal op het uurtarief van de goedkoopst compenserende voorziening in natura.
Bij de vaststelling van de hoogte van het persoonsgebonden budget voor dienstverlening wordt onderscheid gemaakt tussen: a. Het tarief voor professionals. Tot deze groep behoren personen die: i. (bijvoorbeeld) werkzaam zijn bij een instelling die ten aanzien van de uit het pgb te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staan in het Handelsregister (conform artikel 5 Handelsregisterwet 2007), en die beschikken over de relevante diploma’s die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken. ii. aangemerkt zijn als Zelfstandige zonder personeel en de beschikking hebben over een beschikking geen loonheffingen (BGL). Daarnaast moeten ze ten aanzien van de uit het pgb te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staan in het Handelsregister (conform artikel 5 Handelsregisterwet 2007) en beschikken over de relevante diploma’s die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken. Zulks met uitsluiting van bloedverwanten in de eerste en tweede graad. b. Informeel netwerk: hulp die geboden wordt door een persoon uit het sociaal netwerk van cliënt en die niet voldoet aan de onder a genoemde punten.
De hoogte van het persoonsgebonden budget voor wat betreft begeleiding wordt voor professionals per uur bepaald op basis van 90% van het laagste tarief per uur voor de goedkoopst compenserende voorziening in natura door een daartoe opgeleide beroepskracht werkzaam bij een door de gemeente gecontracteerde instelling. Het persoonsgebonden budget voor personen van het informeel netwerk wordt voor begeleiding per uur bepaald op basis van 70% van het laagste tarief per uur voor de goedkoopst compenserende voorziening in natura
Verordening 2022 g) h)
de duur en wijze waarop de maatwerkvoorziening wordt ingezet; het resultaat van het te behalen doel van de inzet van de maatwerkvoorziening; i) welke evaluatiemomenten gedurende de duur van de inzet van de maatwerkvoorziening plaatvinden; j) op welke wijze de kwaliteit van de voorziening is gewaarborgd en duidelijk is dat de voorziening geschikt is voor het doel waarvoor het pgb wordt verstrekt. 3. Het pgb mag niet worden besteed aan: a) kosten voor bemiddeling, tussenpersonen of belangenbehartigers; b) kosten voor het voeren van een pgb-administratie; c) kosten voor ondersteuning bij het aanvragen en beheren van een pgb; d) kosten voor een feestdagenuitkering en een eenmalige uitkering; e) Kosten voor bijkomende zorg, waaronder cursuskosten en entreegelden van de zorgverlener; f) Kosten voor overlijdensuitkering; g) Kosten voor reisen. 4. Het pgb bevat geen vrij besteedbaar deel. 5. Het college kan de Sociale verzekeringsbank gemotiveerd verzoeken om betalingen uit het pgb voor ten hoogste dertien weken geheel of gedeeltelijk op te schorten als duidelijk is dat de cliënt het pgb in die periode anders ten onrechte kan inzetten. 6.
Cliënt is verplicht, als de ondersteuning wordt geboden door een niet professioneel persoon uit de sociale omgeving, niet zijnde de directe leefeenheid, bij het ondersteuningsplan een Verklaring omtrent gedrag (Vog) te voegen van deze persoon, die niet ouder is dan drie maanden. 7. De kwaliteit van de met het pgb ingekochte maatwerkvoorziening, met uitzondering van informele hulp, voldoet minimaal aan de eisen die zijn gesteld aan de gecontracteerde zorgaanbieders die vergelijkbare voorzieningen leveren in zorg in natura; 8. Een pgb dient door de cliënt binnen zes maanden na toekenning te worden aangewend ten behoeve van het resultaat waarvoor het is verstrekt. 9. Een pgb voor gebruik van eigen auto, van een taxi of het gebruik van een rolstoeltaxi is slechts mogelijk indien de cliënt medisch en/ of gedragsmatig niet in staat is gebruik te maken van het collectief vervoer met de regiotaxi. 10. Een pgb voor hulp bij het huishouden wordt vastgesteld in uren en minuten.
Toelichting doelmatige inzet van een PGB en voorkoming van fraude.
Het oude lid 3 is hernoemd naar het nieuwe lid 6.
Het oude lid 11 is hernoemd naar nieuwe lid 7, tevens is de formulering aangescherpt ter ondersteuning van een doelmatige inzet van een PGB en voorkoming van fraude.
Het oude lid 10 is hernoemd naar het nieuwe lid 8.
Het oude lid 12 is hernoemd naar het nieuwe lid 9.
Nr.
Verordening 2018
9.
10. 11.
12.
13. 14. 15.
Verordening 2022
Toelichting
door een daartoe opgeleide beroepskracht werkzaam bij een door de gemeente gecontracteerde instelling, maar niet hoger dan het toepasselijke minimumloon als bepaald bij of krachtens de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag. De hoogte van een persoonsgebonden budget voor huishoudelijke hulp bedraagt niet meer dan de kostprijs van de in de desbetreffende situatie goedkoopst compenserende in de gemeente beschikbare maatwerkvoorziening in natura. Voor de huishoudelijke hulp betreft dit de maatwerkvoorziening Schoonmaak en Persoonlijke Dienstverlening. a. Een pgb voor huishoudelijke hulp Schoonmaak en Persoonlijke Dienstverlening wordt vastgesteld in uren en minuten. De hoogte van het pgb uur- tarief dat wordt gebruikt om de hoogte van de pgb te bepalen bedraagt maximaal 85% van het Zorg in natura (ZIN)tarief. Een pgb dient door de cliënt binnen zes maanden na toekenning te worden aangewend ten behoeve van het resultaat waarvoor het is verstrekt. De kwaliteit van de dienstverlening die ingezet wordt door een pgb moet van vergelijkbare kwaliteit zijn als de dienstverlening in zorg in natura. In het gemotiveerd plan dient aangetoond te worden op welke wijze deze kwaliteit geborgd is.
Een pgb voor gebruik van eigen auto, van een taxi of het gebruik van een rolstoeltaxi is slechts mogelijk indien de cliënt medisch en/ of gedragsmatig niet in staat is gebruik te maken van het collectief vervoer met de regiotaxi. Voor regulier taxivervoer wordt de kilometervergoeding gehanteerd zoals die algemeen maatschappelijk wordt toegepast door de belastingdienst. Voor rolstoeltaxivervoer wordt de kilometervergoeding gehanteerd zoals die wordt toegepast door de zorgverzekeraars voor medische ritten. Het college kan nadere regels stellen over de hoogte van het pgb. Artikel 20. Onderscheid formele en informele hulp 1. Bij het vaststellen van de hoogte van het pgb, wordt onderscheid gemaakt tussen formele en informele hulp. 2. Van formele hulp is sprake als de hulp verleend wordt door onderstaande personen, met uitzondering van bloed- of aanverwanten in de 1e of 2e graad van de cliënt: a. personen die werkzaam zijn bij een instelling die ten aanzien van de voor het pgb uit te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staat in het Handelsregister (conform artikel 5 Handelsregisterwet 2007) en die beschikken over de relevante diploma’s die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken, of; b. personen die aangemerkt zijn als Zelfstandige zonder personeel.
Daarnaast moeten ze ten aanzien van de voor het pgb uit te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staan in het Handelsregister (conform artikel 5 Handelsregisterwet 2007) en beschikken over de relevante diploma’s die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken. 3. Informele hulp is:
Het oude artikel 19 is onderverdeeld in het nieuwe artikel 19, 20 en 21. Het oude lid 6 sub a is opgenomen in het nieuwe artikel 20. Tevens is de definitie van formeel en informeel nader uitgewerkt.
Nr.
Verordening 2018
Verordening 2022 Hulp die geboden wordt door personen, al dan niet uit het sociaal netwerk, die niet voldoen aan de criteria als genoemd in lid 2; b. Hulp die wordt geboden door personen die voldoen aan de criteria als genoemd in lid 2, maar bloed- of aanverwanten in de 1e of 2e graad zijn van cliënt. 4. Het college kan in bijzondere gevallen gemotiveerd ten gunste van de cliënt afwijken van de onder lid 2 en 3 gestelde eisen. Artikel 21. Hoogte pgb 1. De hoogte van het pgb voor een voorziening wordt maximaal vastgesteld op: a. Het bedrag van de goedkoopst compenserende voorziening in natura bij de leverancier waarmee de gemeente een overeenkomst heeft gesloten, zo nodig aangevuld met een vergoeding voor onderhoud en verzekering of; b. Het bedrag van de kosten volgens de door het college geaccepteerde offerte indien de gemeente voor de betreffende voorziening geen overeenkomst heeft gesloten. 2. De hoogte van het persoonsgebonden budget vervoer is gebaseerd op de voorziening collectief vervoer in natura, waarbij het uitgangspunt geldt dat maximaal 2000 kilometer op jaarbasis binnen de eigen leef- en woonomgeving moet kunnen worden gereisd. Als aan de cliënt ten behoeve van de verplaatsingen in de directe woonen leefomgeving een vervoersvoorziening is verstrekt, wordt een maximum van 1000 km als uitgangspunt gehanteerd.
Indien de cliënt gemotiveerd aangeeft dat het standaard aantal kilometers niet volstaat dan kan een groter aantal kilometers worden verstrekt. 3. De hoogte van een persoonsgebonden budget voor dienstverlening wordt bepaald op basis van het tarief van de door cliënt gecontracteerde zorgaanbieder, maar maximaal op het uurtarief van de goedkoopst compenserende voorziening in natura. 4. Bij de vaststelling van de hoogte van het persoonsgebonden budget voor dienstverlening wordt onderscheid gemaakt tussen tarief voor formele en informele hulp: 5. De hoogte van het persoonsgebonden budget voor begeleiding en dagbesteding: a. voor formele hulp wordt bepaald op basis van 90% van het laagste tarief per uur voor de goedkoopst compenserende voorziening in natura door een daartoe opgeleide beroepskracht werkzaam bij een door de gemeente gecontracteerde instelling. b. voor informele hulp wordt bepaald op basis van 70% van het laagste tarief per uur voor de goedkoopst compenserende voorziening in natura door een daartoe opgeleide beroepskracht werkzaam bij een door de gemeente gecontracteerde instelling, maar niet hoger dan het toepasselijke minimumloon als bepaald bij of krachtens de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag. 6. Het persoonsgebonden budget voor hulp bij het huishouden:
Toelichting
a.
Het oude artikel 19 is onderverdeeld in het nieuwe artikel 19, 20 en 21. Het oude lid 4, 5, 6, 7 en 8 zijn in het nieuwe artikel 21 opgenomen.
In lijn met de inkoop van Hulp bij het Huishouden, Begeleiding en Dagbesteding zijn de productnamen in het nieuwe lid 5, 6 en 7 aangepast.
Nr.
Verordening 2018
Verordening 2022
Toelichting
a.
7. 8. 9.
20
21a
Artikel 20. Nadere verplichtingen budgethouder 1. De budgethouder is verplicht om gedurende de gebruiksduur de aangeschafte voorziening voldoende te laten onderhouden en toereikend te verzekeren. 2. De budgethouder dient over een nota/factuur en betalingsbewijs van de aangeschafte maatwerkvoorziening te beschikken. 3. De budgethouder deelt het college op diens verzoek of onverwijld uit eigen beweging alle feiten en omstandigheden mee waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op de toekenning van het pgb. HOOFDSTUK 4. Algemene voorzieningen Artikel 21. Algemene voorziening opvang Het college verstrekt de algemene voorziening maatschappelijke opvang overeenkomstig het daartoe vastgesteld beleid van de centrumgemeente Rotterdam, de vigerende verordening maatschappelijke ondersteuning, het vigerende besluit maatschappelijke ondersteuning, de regels voor bijdrage in de kosten van opvang en de nadere regels van de centrumgemeente.
voor formele hulp wordt bepaald op basis van 85% van het laagste tarief per uur voor de goedkoopst compenserende voorziening in natura; b. voor informele hulp wordt bepaald op basis van 85% van het laagste tarief per uur voor de goedkoopst compenserende voorziening in natura, maar niet hoger dan het toepasselijke minimumloon als bepaald bij of krachtens de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag. Voor regulier taxivervoer wordt de kilometervergoeding gehanteerd zoals die algemeen maatschappelijk wordt toegepast door de belastingdienst. Voor rolstoeltaxivervoer wordt de kilometervergoeding gehanteerd zoals die wordt toegepast door de zorgverzekeraars voor medische ritten. Het college kan nadere regels stellen over de hoogte van het pgb.
Artikel 22. Nadere verplichtingen budgethouder 1. De budgethouder is verplicht om gedurende de gebruiksduur de aangeschafte voorziening voldoende te laten onderhouden en toereikend te verzekeren. 2. De budgethouder dient over een nota/factuur en betalingsbewijs van de aangeschafte maatwerkvoorziening te beschikken. 3. De budgethouder deelt het college op diens verzoek of onverwijld uit eigen beweging alle feiten en omstandigheden mee waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op de toekenning van het pgb. HOOFDSTUK 4. Hoofdstuk 4. Algemene voorzieningen Artikel 23. Voorziening opvang 1. Het college verstrekt de voorziening maatschappelijke opvang overeenkomstig het daartoe vastgesteld beleid van de centrumgemeente Rotterdam, de vigerende verordening maatschappelijke ondersteuning, het vigerende besluit maatschappelijke ondersteuning, de regels voor bijdrage in de kosten van opvang en de nadere regels van de centrumgemeente. 2. Artikel 11 lid 2 van deze verordening is van overeenkomstige toepassing.
Zelfde gebleven
Maatschappelijke opvang is niet meer aangeduid als algemene voorziening. De voorziening maatschappelijke opvang is in het beleid van de gemeente Rotterdam gedefinieerd als maatwerkvoorziening. Toegevoegd artikel 2 om duidelijk te maken welke artikelen uit de verordening van de centrumgemeente van toepassing zijn.
Nr. 21b
Verordening 2018
Verordening 2022
Toelichting
Artikel 24. OGGZ Het college biedt vanuit de Wmo de volgende vorm van ondersteuning: Openbare Geestelijke Gezondheidszorg (OGGZ): bemoeizorg, met als doel het toeleiden naar ondersteuning (of behandeling) van bewoners die niet (in staat zijn om) uit eigen beweging ondersteuning te vragen waar dit medisch- en/of maatschappelijk gezien wel nodig is.
Toegevoegd artikel 24. OGGZ “In de memorie van toelichting Wmo staat vermeld dat dat activiteiten op het gebied van de openbare geestelijke gezondheidszorg vallen onder de omschrijving van maatschappelijke ondersteuning. Uit de parlementaire stukken blijkt verder dat het tot de gemeentelijke verantwoordelijkheid behoort om burgers, inclusief zorgmijders, zo nodig toe te leiden naar zorg en ondersteuning en daarbij mee laten wegen dat burgers soms onvoorspelbaar zijn in de mate waarin zij hulp willen aanvaarden. De verantwoordelijkheid voor toeleiding naar zorg en ondersteuning eindigt daarbij niet bij een intake of een eenmalig contact met de beoogde hulpverlening/ondersteuning, maar loopt door tot de burger daadwerkelijk in zorg komt.” (brief aan college van B&W over Bemoeizorg, Ministerie van VWS, 2018). Situaties waarin bemoeizorg door de gemeente moet worden ingezet zullen zich naar verwachting steeds vaker voordoen door veranderingen in wetgeving (onder andere de invoering van de Wvggz) en door de ontwikkelingen op het gebied van beschermd wonen (plannen doordecentralisatie). Activiteiten op het gebied van OGGZ vallen onder de ondersteuning die de gemeente moet bieden, daarom is dit nu expliciet vastgelegd n de verordening.
Nr.
Verordening 2018
Verordening 2022
22
HOOFDSTUK 5. Bijdrage in de kosten Artikel 22. Bijdrage in de kosten van maatwerkvoorzieningen of persoonsgebonden budgets en bij verordening aangewezen algemene voorzieningen 1. Een cliënt is een bijdrage in de kosten verschuldigd voor een maatwerkvoorziening of persoonsgebonden budget , zolang de cliënt van de maatwerkvoorziening gebruik maakt of gedurende de periode waarvoor het persoonsgebonden budget wordt verstrekt. 2. Een cliënt is een bijdrage in de kosten verschuldigd voor een bij verordening aangewezen algemene voorziening zolang de cliënt van deze voorziening gebruik maakt. 3. De bij verordening aangewezen voorziening is: a. Algemene Voorziening Schoonmaakondersteuning.
HOOFDSTUK 5. Bijdrage in de kosten Artikel 25. Bijdrage in de kosten van maatwerkvoorzieningen of persoonsgebonden budgets en bij verordening aangewezen algemene voorzieningen 1. Een cliënt is een bijdrage in de kosten verschuldigd voor een maatwerkvoorziening of persoonsgebonden budget , zolang de cliënt van de maatwerkvoorziening gebruik maakt of gedurende de periode waarvoor het persoonsgebonden budget wordt verstrekt. 2. Een cliënt is een bijdrage in de kosten verschuldigd voor een bij verordening aangewezen algemene voorziening zolang de cliënt van deze voorziening gebruik maakt.
4.
3.
5.
6.
7.
8.
De bijdragen voor maatwerkvoorzieningen of persoonsgebonden budget en voor bij verordening aangewezen algemene voorzieningen voor de ongehuwde cliënt of de gehuwde cliënten tezamen, zijn gelijk aan de kostprijs, tot aan ten hoogste: a. € 17.50 per vier weken in de periode 1-1-2019 tot 1-1-2020; b. In afwijking van het vorige sub geldt voor gebruikers van de algemene voorziening schoonmaakondersteuning met een verzamelinkomen tot 130% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm: € 0 in de periode 11-2019 tot 25-3-2019. c. € 19,00 per maand vanaf 1-1-2020. In afwijking van het eerste lid is geen bijdrage verschuldigd voor de volgende maatwerkvoorzieningen: a. Rolstoelvoorzieningen, en; b. Kindvoorzieningen, niet zijnde een woningaanpassing. De kostprijs van een: a. maatwerkvoorziening of bij verordening aangewezen algemene voorziening wordt bepaald door een aanbesteding, na consultatie in de markt of na overleg met de aanbieder; b. maatwerkvoorziening in de vorm van een hulpmiddel of woningaanpassing wordt tevens bepaald door de wijze van beschikbaarstelling van de voorziening; c. persoonsgebonden budget is gelijk aan de hoogte van het persoonsgebonden budget.
De bijdrage voor een maatwerkvoorziening of persoonsgebonden budget ten behoeve van een woningaanpassing voor een minderjarige cliënt is verschuldigd door de onderhoudsplichtige ouders, daaronder begrepen degene tegen wie een op artikel 394 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek gegrond verzoek is toegewezen, en degene die anders dan als ouder samen met de ouder het gezag uitoefent over een cliënt. In afwijking van het vorige lid is in ieder geval geen bijdrage verschuldigd indien de ouders van het gezag over de cliënt zijn ontheven of ontzet.
4.
5.
6.
De bijdragen voor maatwerkvoorzieningen of persoonsgebonden budget en voor bij verordening aangewezen algemene voorzieningen voor de ongehuwde cliënt of de gehuwde cliënten tezamen, zijn gelijk aan de kostprijs, tot aan ten hoogste € 19,00 per maand.
In afwijking van het eerste lid is geen bijdrage verschuldigd voor de volgende maatwerkvoorzieningen: a. Rolstoelvoorzieningen, en; b. Kindvoorzieningen, niet zijnde een woningaanpassing. De kostprijs van een: a. maatwerkvoorziening of bij verordening aangewezen algemene voorziening wordt bepaald door een aanbesteding, na consultatie in de markt of na overleg met de aanbieder; b. maatwerkvoorziening in de vorm van een hulpmiddel of woningaanpassing wordt tevens bepaald door de wijze van beschikbaarstelling van de voorziening; c. persoonsgebonden budget is gelijk aan de hoogte van het persoonsgebonden budget. De bijdrage voor een maatwerkvoorziening of persoonsgebonden budget ten behoeve van een woningaanpassing voor een minderjarige cliënt is verschuldigd door de onderhoudsplichtige ouders, daaronder begrepen degene tegen wie een op artikel 394 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek gegrond verzoek is toegewezen, en degene die anders dan als ouder samen met de ouder het gezag uitoefent over een cliënt.
Toelichting
In lijn met de inkoop van Hulp bij het Huishouden is het oude lid 3 verwijderd (per 2022 bieden we de Algemene Schoonmaakvoorziening niet meer aan).
De in verband met overgangsrecht opgenomen oude lid 4 sub a. en b. zijn verwijderd.
Het oude lid 8 is verwijderd i.v.m. overlap nieuwe lid 6 en oude lid 7.
Nr.
Verordening 2018
Verordening 2022
23
Artikel 23. Bijdrage in de kosten van algemene voorzieningen, met uitzondering van de bij verordening aangewezen algemene voorzieningen 1. Een cliënt is een bijdrage verschuldigd in de kosten voor het gebruik van collectief vervoer, ter hoogte van € 0,16 per kilometer en een opstaptarief van € 0,94 per rit. 2. In afwijking van het eerste lid geld buiten de straal van 20 kilometer vanaf het woonadres een tarief van: € 1,46 per kilometer. 3. In afwijking van het eerste lid geld tijdens de daluren, van 12.00 – 15.00 uur, een opstaptarief van € 0,42 per rit. 4. In afwijking van het eerste lid geld bij een overschrijding van het maximaal aantal toegestane kilometers een opstaptarief van € 5,85 per rit. HOOFDSTUK 6. Kwaliteit en veiligheid Artikel 24. Kwaliteitseisen maatschappelijke ondersteuning 1. Aanbieders zorgen voor een goede kwaliteit van voorzieningen, eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten daaronder begrepen, door: a. het afstemmen van voorzieningen op de persoonlijke situatie van de cliënt en het aansluiten bij de informele zorg; b. het afstemmen van voorzieningen op andere vormen van zorg;
Artikel 26. Bijdrage in de kosten van de maatwerkvoorziening Collectief vervoer
24
c.
25
erop toe te zien dat beroepskrachten tijdens hun werkzaamheden in het kader van het leveren van voorzieningen handelen in overeenstemming met de professionele standaard; d. het overleggen van een verklaring omtrent het gedrag door beroepskrachten die direct contact hebben met kwetsbare cliënten; e. het er op toe te zien dat de voorziening doeltreffend, veilig en cliëntgericht en doelmatig is. 2. Het college kan bij nadere regeling bepalen welke verdere eisen worden gesteld aan de kwaliteit van voorzieningen, eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten daaronder begrepen. 3. Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van deze eisen door periodieke overleggen met de aanbieders, een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek, en het zo nodig in overleg met de cliënt ter plaatse controleren van de geleverde voorzieningen. Artikel 25. Verhouding prijs en kwaliteit levering voorziening door derden 1. Het college houdt in het belang van een goede prijs-kwaliteitverhouding bij de vaststelling van de tarieven die het hanteert voor door derden te leveren diensten, in ieder geval rekening met: a. de aard en omvang van de te verrichten taken; b. de voor de sector toepasselijke CAO-schalen in relatie tot de zwaarte van de functie; c. een redelijke toeslag voor overheadkosten; d.
een voor de sector reële mate van non-productiviteit van het personeel als gevolg van verlof, ziekte, scholing en werkoverleg; en e. kosten voor bijscholing van personeel.
1.
In afwijking van artikel 24 derde lid is een cliënt een bijdrage verschuldigd in de kosten voor het gebruik van collectief vervoer, ter hoogte van € 0,16 per kilometer en een opstaptarief van € 0,98 per rit. 2. In afwijking van het eerste lid geld buiten de straal van 20 kilometer vanaf het woonadres een tarief van: € 1,55 per kilometer. 3. In afwijking van het eerste lid geld tijdens de daluren, van 12.00 – 15.00 uur, een opstaptarief van € 0,44 per rit. 4. In afwijking van het eerste lid geld bij een overschrijding van het maximaal aantal toegestane kilometers een opstaptarief van € 6,21 per rit. HOOFDSTUK 6. Kwaliteit en veiligheid Artikel 27. Kwaliteitseisen maatschappelijke ondersteuning 1. Aanbieders zorgen voor een goede kwaliteit van voorzieningen, eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten daaronder begrepen, door: a. het afstemmen van voorzieningen op de persoonlijke situatie van de cliënt; b. het afstemmen van voorzieningen op andere vormen van zorg; c. inzet van de juiste deskundigheid; d. erop toe te zien dat beroepskrachten tijdens hun werkzaamheden in het kader van het leveren van voorzieningen handelen in overeenstemming met de professionele standaard; e. het overleggen van een verklaring omtrent het gedrag door beroepskrachten die direct contact hebben met kwetsbare cliënten; f.
het er op toe te zien dat de voorziening doeltreffend, veilig en cliëntgericht is. 2. Het college legt verdere uitwerking van de geldende eisen op de kwaliteit van voorzieningen vast in het besluit maatschappelijk ondersteuning; 3. Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van deze eisen door periodieke overleggen met de aanbieders, een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek, en het zo nodig in overleg met de cliënt ter plaatse controleren van de geleverde voorzieningen. Artikel 28. Verhouding prijs en kwaliteit levering voorziening door derden 1. Ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van een dienst door een derde als bedoeld in artikel 2.6.4 van de wet en de eisen die gesteld worden aan de kwaliteit van de dienst stelt het college vast: a. een vaste prijs, die geldt voor een inschrijving als bedoeld in de Aanbestedingswet 2012 en het aangaan overeenkomst met derde; of b. een reële prijs die geldt als ondergrens voor: i. een inschrijving en het aangaan overeenkomst met de derde, en ii. de vaste prijs, bedoeld in onderdeel a. 2. Het college stelt de prijzen, bedoeld in het eerste lid, vast:
Toelichting
De titel van het nieuwe artikel is gewijzigd. Collectief vervoer is een maatwerkvoorziening, geen algemene voorziening.
In lijn met het IBSD is aan het nieuwe lid 1, sub c toegevoegd.
Naar aanleiding van jurisprudentie is het nieuwe 2e lid herschreven. Het college kan in het besluit geen nieuwe kwaliteitseisen stellen maar wel verder uitwerken.
In aanvulling op het oude artikel en in lijn met de wet, het AMVB reële tarief en het IBSD is het nieuwe lid 1 en 2 toegevoegd en is het nieuwe lid 3 herschreven.
Nr.
Verordening 2018 2.
26
27
Het college houdt in het belang van een goede prijs-kwaliteitverhouding bij de vaststelling van de tarieven die het hanteert voor door derden te leveren overige voorzieningen, in ieder geval rekening met: a. de marktprijs van de voorziening, en b. de eventuele extra taken die in verband met de voorziening van de leverancier worden gevraagd, zoals: - aanmeten, leveren en plaatsen van de voorziening; - instructie over het gebruik van de voorziening; - onderhoud van de voorziening, en - verplichte deelname in bepaalde samenwerkingsverbanden (bijv. sociaal wijkteams).
Artikel 26. Meldingsregeling calamiteiten en geweld 1. Het college treft een regeling voor het melden van calamiteiten en geweldsincidenten bij de verstrekking van een voorziening door een aanbieder en wijst een toezichthoudend ambtenaar aan. 2. Aanbieders melden iedere calamiteit en ieder geweldsincident dat zich heeft voorgedaan bij de verstrekking van een voorziening onverwijld aan de toezichthoudend ambtenaar, bedoeld in artikel 6.1 van de Wet. 3. De toezichthoudend ambtenaar, bedoeld in artikel 6.1 van de Wet, doet onderzoek naar de calamiteiten en geweldsincidenten en adviseert het college over het voorkomen van verdere calamiteiten en het bestrijden van geweld. 4. Het college kan bij nadere regeling bepalen welke verdere eisen gelden voor het melden van calamiteiten en geweld bij de verstrekking van een voorziening. HOOFDSTUK 7. Toezicht en handhaving Artikel 27. Bestrijding oneigenlijk gebruik, misbruik en niet-gebruik van een maatwerkvoorziening of persoonsgebonden budget 1. Het college zorgt voor een rechtmatige en doelmatige uitvoering van de Wet, waaronder de bestrijding van misbruik, oneigenlijk gebruik en niet-gebruik van deze Wet.
Verordening 2022 conform de eisen aan de kwaliteit van die dienst, waaronder de eisen aan de deskundigheid van de beroepskracht, bedoeld in artikel 2.1.3 lid 2 onderdeel c van de wet, en b. rekening houdend met de continuïteit in de hulpverlening, bedoeld in artikel 2.6.5 lid 2 van de wet, tussen degenen aan wie de dienst wordt verstrekt en de betrokken hulpverleners. 3. Het college houdt in het belang van een goede prijs-kwaliteitverhouding bij de vaststelling van de tarieven die het hanteert voor door derden te leveren diensten, in ieder geval rekening met: a. kosten van de beroepskracht; b. redelijke overheadkosten; c. kosten voor niet-productieve uren van de beroepskrachten als gevolg van verlof, ziekte, scholing en werkoverleg; d. reis- en opleidingskosten; e. indexatie van loon binnen een overeenkomst; f. overige kosten als gevolg van gemeentelijke eisen, zoals rapportageverplichtingen en administratieve verplichtingen. 4. Het college houdt in het belang van een goede prijs-kwaliteitverhouding bij de vaststelling van de tarieven die het hanteert voor door derden te leveren overige voorzieningen, in ieder geval rekening met: a. de marktprijs van de voorziening, en b. de eventuele extra taken die in verband met de voorziening van de leverancier worden gevraagd, zoals: i. aanmeten, leveren en plaatsen van de voorziening; ii.
instructie over het gebruik van de voorziening; iii. onderhoud van de voorziening, en iv. verplichte deelname in bepaalde samenwerkingsverbanden. Artikel 29. Meldingsregeling calamiteiten en geweld 1. Het college treft een regeling voor het melden van calamiteiten en geweldsincidenten bij de verstrekking van een voorziening door een aanbieder en wijst een toezichthoudend ambtenaar aan. 2. Aanbieders melden iedere calamiteit en ieder geweldsincident dat zich heeft voorgedaan bij de verstrekking van een voorziening onverwijld aan de toezichthoudend ambtenaar, bedoeld in artikel 6.1 van de Wet. 3. De toezichthoudend ambtenaar, bedoeld in artikel 6.1 van de Wet, doet onderzoek naar de calamiteiten en geweldsincidenten en adviseert het college over het voorkomen van verdere calamiteiten en het bestrijden van geweld. 4. Het college kan bij nadere regeling bepalen welke verdere eisen gelden voor het melden van calamiteiten en geweld bij de verstrekking van een voorziening. HOOFDSTUK 7. Toezicht en handhaving Artikel 30. Bestrijding oneigenlijk gebruik, misbruik en niet-gebruik van een maatwerkvoorziening of persoonsgebonden budget 1. Het college zorgt voor een rechtmatige en doelmatige uitvoering van de Wet, waaronder de bestrijding van misbruik, oneigenlijk gebruik en niet-gebruik van deze Wet.
Toelichting
a.
Zelfde gebleven
Zelfde gebleven
Nr.
28 29
30
31
32
Verordening 2018
Verordening 2022
2.
De gemeenteraad stelt een handhavingsbeleidskader vast, waarin beleidsuitgangspunten en -prioriteiten worden aangegeven. 3. Het college stelt ter nadere uitvoering van de handhaving een handhavingsuitvoeringsplan vast met inachtneming van het gestelde in het handhavingsbeleidskader. 4. Dit handhavingsuitvoeringsplan omvat in elk geval de wijze van preventie en bestrijding van fraude, oneigenlijk gebruik en misbruik en niet-gebruik van de Wet alsmede welke handhavingsinstrumenten daartoe worden ingezet en de wijze waarop deze worden toegepast. 5. Het college rapporteert aan de gemeenteraad over de uitvoering, de resultaten en de effecten op het gebied van handhaving in relatie tot de beleidsuitgangspunten en -prioriteiten zoals vastgelegd in het handhavingsbeleidskader. Artikel 28. Verrekening Het college kan een terug te vorderen bedrag verrekenen met nog uit te keren (periodieke) betalingen op grond van de Wet. HOOFDSTUK 8. Waardering mantelzorgers en tegemoetkoming meerkosten Artikel 29. Jaarlijkse waardering mantelzorgers De jaarlijkse blijk van waardering voor mantelzorgers van cliënten in de gemeente wordt door het college nader bepaald.
2.
Artikel 30. Tegemoetkoming meerkosten personen met een beperking of chronische problemen 1. Het college verstrekt in overeenstemming met het beleidsplan, bedoeld in artikel 2.1.2 van de Wet, op aanvraag aan personen met een beperking of chronische psychische of psychosociale problemen die daarmee verband houdende aannemelijke meerkosten hebben, en die een inkomen hebben lager dan een door het college nader te bepalen percentage van het wettelijk minimumloon, een tegemoetkoming ter ondersteuning van de zelfredzaamheid en de participatie. 2. Het college kan bij nadere regeling bepalen in welke gevallen en in welke mate een tegemoetkoming kan worden verstrekt. HOOFDSTUK 9. Klachten, medezeggenschap en inspraak Artikel 31. Klachtregeling 1. Aanbieders stellen een regeling vast voor de afhandeling van klachten van cliënten ten aanzien van alle voorzieningen. 2. Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van de klachtregelingen van aanbieders door periodieke overleggen met de aanbieders, en een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek. 3. Het college kan nadere regels stellen ten aanzien van de klachtafhandeling. Artikel 32. Medezeggenschap bij aanbieders van maatschappelijke ondersteuning 1.
Aanbieders dienen te beschikken over een regeling voor de medezeggenschap van cliënten over voorgenomen besluiten van de aanbieder die voor de gebruikers van belang zijn. 2. Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van deze eisen door periodieke overleggen met de aanbieders en een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek.
Artikel 33. Tegemoetkoming meerkosten personen met een beperking of chronische problemen 1. Het college verstrekt in overeenstemming met het beleidsplan, bedoeld in artikel 2.1.7 van de Wet, op aanvraag aan personen met een beperking of chronische psychische of psychosociale problemen die daarmee verband houdende aannemelijke meerkosten hebben, en die een inkomen hebben lager dan een door het college nader te bepalen percentage van het wettelijk minimumloon, een tegemoetkoming ter ondersteuning van de zelfredzaamheid en de participatie. 2. Het college kan bij nadere regeling bepalen in welke gevallen en in welke mate een tegemoetkoming kan worden verstrekt. HOOFDSTUK 9. Klachten, medezeggenschap en inspraak Artikel 34. Klachtregeling 1. Aanbieders stellen een regeling vast voor de afhandeling van klachten van cliënten ten aanzien van alle voorzieningen. 2. Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van de klachtregelingen van aanbieders door periodieke overleggen met de aanbieders, en een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek. 3. Het college kan nadere regels stellen ten aanzien van de klachtafhandeling. Artikel 35. Medezeggenschap bij aanbieders van maatschappelijke ondersteuning 1.
Aanbieders dienen te beschikken over een regeling voor de medezeggenschap van cliënten over voorgenomen besluiten van de aanbieder die voor de gebruikers van belang zijn. 2. Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van deze eisen door periodieke overleggen met de aanbieders en een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek.
De gemeenteraad stelt een handhavingsbeleidskader vast, waarin beleidsuitgangspunten en -prioriteiten worden aangegeven. 3. Het college stelt ter nadere uitvoering van de handhaving een handhavingsuitvoeringsplan vast met inachtneming van het gestelde in het handhavingsbeleidskader. 4. Dit handhavingsuitvoeringsplan omvat in elk geval de wijze van preventie en bestrijding van fraude, oneigenlijk gebruik en misbruik en niet-gebruik van de Wet alsmede welke handhavingsinstrumenten daartoe worden ingezet en de wijze waarop deze worden toegepast. 5. Het college rapporteert aan de gemeenteraad over de uitvoering, de resultaten en de effecten op het gebied van handhaving in relatie tot de beleidsuitgangspunten en -prioriteiten zoals vastgelegd in het handhavingsbeleidskader. Artikel 31. Verrekening Het college kan een terug te vorderen bedrag verrekenen met nog uit te keren (periodieke) betalingen op grond van de Wet. HOOFDSTUK 8. Waardering mantelzorgers en tegemoetkoming meerkosten Artikel 32. Jaarlijkse waardering mantelzorgers De jaarlijkse blijk van waardering voor mantelzorgers van cliënten in de gemeente wordt door het college nader bepaald.
Toelichting
Zelfde gebleven
Zelfde gebleven
Zelfde gebleven
Zelfde gebleven
Zelfde gebleven
Nr.
Verordening 2018
Verordening 2022
Toelichting
33
Artikel 33. Betrekken van ingezetenen bij het beleid 1. Het college betrekt ingezetenen van de gemeente, waaronder in ieder geval cliënten of hun vertegenwoordigers, bij de voorbereiding van het beleid betreffende maatschappelijke ondersteuning. 2. Het college stelt ingezetenen vroegtijdig in de gelegenheid voorstellen voor het beleid betreffende maatschappelijke ondersteuning te doen, advies uit te brengen bij de besluitvorming over verordeningen en beleidsvoorstellen betreffende maatschappelijke ondersteuning, en voorziet hen van ondersteuning om hun rol effectief te kunnen vervullen. 3. Het college zorgt ervoor dat ingezetenen kunnen deelnemen aan periodiek overleg, waarbij zij onderwerpen voor de agenda kunnen aanmelden, en dat zij worden voorzien van de voor een adequate deelname aan het overleg benodigde informatie en ondersteuning. 4. Het college stelt nadere regels vast ter uitvoering van het tweede en derde lid. HOOFDSTUK 10. Overgangsrecht en slotbepalingen Artikel 34. Evaluatie Het door het gemeentebestuur gevoerde beleid wordt eenmaal per 4 jaar geëvalueerd. Artikel 35. Indexering Het college kan jaarlijks per 1 januari de in het kader van deze verordening en het op deze verordening berustende gemeentelijke Besluit Maatschappelijke ondersteuning geldende bedragen verhogen of verlagen. Artikel 36.
Hardheidsclausule Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de cliënt afwijken van de bepalingen van deze verordening indien toepassing van de verordening tot onbillijkheden van overwegende aard leidt. Artikel 37. Intrekking oude verordening en overgangsrecht 1. De verordening Wmo gemeente Albrandswaard 2015 wordt ingetrokken. 2. Een cliënt houdt recht op een lopende voorziening verstrekt op grond van de Verordening Wmo gemeente Albrandswaard 2015, totdat het college een nieuw besluit heeft genomen waarbij het besluit waarmee deze voorziening is verstrekt, wordt ingetrokken. 3. Aanvragen die zijn ingediend onder de Verordening Wmo gemeente Albrandswaard 2015 en waarop nog niet is beslist bij het in werking treden van deze verordening, worden afgehandeld krachtens de Verordening Wmo gemeente Albrandswaard 2015. 4. Van het in lid 3 gestelde kan ten gunste van de cliënt worden afgeweken. 5. Op bezwaarschriften tegen een besluit wordt beslist met inachtneming van de verordening op basis waarvan het betreffende besluit is genomen. 6. Van het in lid 5 gestelde kan ten gunste van de cliënt worden afgeweken. 7. Cliënten met een geldige indicatie voor hulp bij het huishouden middels Schoonmaak of Persoonlijke Dienstverlening die is afgegeven voor 1 januari 2015 houden tot aan de einddatum van de toekenning het budget zoals vastgesteld per 1 juli 2014.
Artikel 36. Betrekken van ingezetenen bij het beleid 1. Het college betrekt ingezetenen van de gemeente, waaronder in ieder geval cliënten of hun vertegenwoordigers, bij de voorbereiding van het beleid betreffende maatschappelijke ondersteuning. 2. Het college stelt ingezetenen vroegtijdig in de gelegenheid voorstellen voor het beleid betreffende maatschappelijke ondersteuning te doen, advies uit te brengen bij de besluitvorming over verordeningen en beleidsvoorstellen betreffende maatschappelijke ondersteuning, en voorziet hen van ondersteuning om hun rol effectief te kunnen vervullen. 3. Het college zorgt ervoor dat ingezetenen kunnen deelnemen aan periodiek overleg, waarbij zij onderwerpen voor de agenda kunnen aanmelden, en dat zij worden voorzien van de voor een adequate deelname aan het overleg benodigde informatie en ondersteuning. 4. Het college stelt nadere regels vast ter uitvoering van het tweede en derde lid. HOOFDSTUK 10. Overgangsrecht en slotbepalingen Artikel 37. Evaluatie Het door het gemeentebestuur gevoerde beleid wordt eenmaal per 4 jaar geëvalueerd. Artikel 38. Indexering Het college kan jaarlijks per 1 januari de in het kader van deze verordening en het op deze verordening berustende gemeentelijke Besluit Maatschappelijke ondersteuning geldende bedragen verhogen of verlagen. Artikel 39.
Hardheidsclausule Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de cliënt afwijken van de bepalingen van deze verordening indien toepassing van de verordening tot onbillijkheden van overwegende aard leidt. Artikel 40. Overgangsrecht 1. Een cliënt houdt recht op een lopende voorziening verstrekt op grond van de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Albrandswaard 2015, totdat het college een nieuw besluit heeft genomen waarbij het besluit waarmee deze voorziening is verstrekt, wordt ingetrokken. 2. Een cliënt houdt recht op een lopende voorziening verstrekt op grond van de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Albrandswaard 2018, totdat het college een nieuw besluit heeft genomen waarbij het besluit waarmee deze voorziening is verstrekt, wordt ingetrokken. 3. Aanvragen die zijn ingediend onder de Verordening Wmo gemeente Albrandswaard 2018 en waarop nog niet is beslist bij het in werking treden van deze verordening, worden afgehandeld krachtens de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Albrandswaard 2022. 4. Van het in het eerste, tweede, derde en vierde lid gestelde kan ten gunste van de cliënt worden afgeweken. 5. Op bezwaarschriften tegen een besluit wordt beslist met inachtneming van de verordening op basis waarvan het betreffende besluit is genomen.
Zelfde gebleven
34
35
36
37
Zelfde gebleven Zelfde gebleven
Zelfde gebleven
Intrekking van de verordening is opgenomen onder het nieuwe artikel 41 1e lid. Overgangsrecht met verwijzing naar oude verordening is in het nieuwe derde lid opgenomen.
Nr.
Verordening 2018
Verordening 2022
Toelichting
38
Artikel 38. Inwerkingtreding en citeertitel 1. Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2018. 2. Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Albrandswaard 2018.
Artikel 41. Intrekking oude verordening, inwerkingtreding en citeertitel 1. Deze verordening treedt in werking de dag na publicatie in het Gemeenteblad en werkt terug tot en met 1 januari 2022, onder gelijktijdige intrekking van de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Albrandswaard 2018. 2. Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Albrandswaard 2022.
In lijn met inwerkingtreding nieuwe verordening zijn naam en data aangepast, aan het nieuwe eerste lid is de intrekking van de oude verordening toegevoegd.
RAADSBESLUIT Onderwerp: Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Albrandswaard 2022
Gemeenteraad: 20-12-2021
Zaaknummer: 364796
Beraad en Advies welzijn 29-11-2021
De raad van de gemeente Albrandswaard gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 9-11-2021, gelet op Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 Uitvoeringsbesluit Wmo 2015; BESLUIT:
De Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Albrandswaard 2022, onder gelijktijdige intrekking van de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Albrandswaard 2018, vast te stellen.
1
Verordening Maatschappelijke Ondersteuning gemeente Albrandswaard 2022 HOOFDSTUK 1.
Begripsbepalingen____________________________________________ 4
Artikel 1. Begripsbepalingen ______________________________________________________ 4
HOOFDSTUK 2.
Melding, onderzoek en aanvraag ________________________________ 5
Artikel 2. Melding hulpvraag ______________________________________________________ 5 Artikel 3. Cliëntondersteuning _____________________________________________________ 5 Artikel 4. Persoonlijk plan ________________________________________________________ 5 Artikel 5. Informatie en identificatie ________________________________________________ 5 Artikel 6. Onderzoek _____________________________________________________________ 5 Artikel 7. Advisering _____________________________________________________________ 6 Artikel 8. Aanvraag ______________________________________________________________ 6
HOOFDSTUK 3.
Maatwerkvoorziening _________________________________________ 7
Artikel 9. Criteria voor maatwerkvoorziening _________________________________________ 7 Artikel 10. Aanvullende criteria kortdurend verblijf ____________________________________ 7 Artikel 11. Aanvullende criteria beschermd wonen ____________________________________ 7 Artikel 12. Aanvullende criteria hulp bij het huishouden ________________________________ 7 Artikel 13. Aanvullende criteria woonvoorzieningen ___________________________________ 8 Artikel 14. Aanvullende criteria vervoersvoorzieningen _________________________________ 8 Artikel 15. Aanvullende criteria rolstoelen ___________________________________________ 9 Artikel 16. Aanvullende criteria sportvoorzieningen ___________________________________ 9 Artikel 17. Weigeringsgronden ____________________________________________________ 9 Artikel 18. Inhoud beschikking ____________________________________________________ 10 Artikel 19. Regels voor pgb_______________________________________________________ 11 Artikel 20. Onderscheid formele en informele hulp ___________________________________ 11 Artikel 21. Hoogte pgb __________________________________________________________ 12 Artikel 22. Nadere verplichtingen budgethouder _____________________________________ 12