CConstaterende datAlbrandswaard
Koppel je AI →
Document · PDF

17. 364798 Raadsvoorstel verordening maatschappelijke ontwikkeling Albrandswaard 2022.pdf

Gemeenteraad AW 20 december 2021, gemeente AlbrandswaardBij agendapunt: 5: Ingekomen stukken38.235 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 5

Voorstel Onderwerp: Verordening maatschappelijke ondersteuning Albrandswaard 2022

College van burgemeester en wethouders 9 november 2021

Portefeuillehouder Mieke van Ginkel

Zaaknummer 364798

Openbaar

E-mailadres opsteller: b.lampe@bar-organisatie.nl

Geadviseerd besluit 1. De Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Albrandswaard 2022 vast te stellen. 2. De Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Albrandswaard 2018 gelijktijdig in te trekken. 3. Akkoord te gaan met de antwoordbrief op het gevraagde advies van de Maatschappelijke adviesraad Albrandswaard.

1/4

Raadsvoorstel Inleiding De huidige verordening Wet maatschappelijke ondersteuning is begin 2020 ingegaan. Inmiddels is in maart 2021 de Nota Integraal Beleid Sociaal Domein Albrandswaard vastgesteld. Als directe uitwerking van het integraal sociaal beleid worden in het tweede halfjaar van 2021 jaar de maatwerkvoorzieningen Begeleiding, Dagbesteding en Hulp bij het Huishouden, opnieuw ingekocht. Dit maakt, in combinatie met ontwikkelingen op het gebied van jurisprudentie, noodzakelijk dat de Wmo verordening wordt geactualiseerd en opnieuw vastgesteld. Beoogd effect Als de verordening is vastgesteld kan de gemeente op basis daarvan maatschappelijke ondersteuning bieden aan inwoners zodat zij kunnen participeren aan de maatschappij en langer zelfstandig thuis kunnen blijven wonen. Argumenten 1.1 Nota ‘Integraal Beleid Sociaal Domein’ Het beleidskader integraal beleid sociaal domein dat in 2021 is vastgesteld vervangt het beleid dat was opgenomen in het Beleidsplan Wmo Albrandswaard (2015-2018). Met het ‘Integraal Beleid Sociaal Domein’ zet de gemeente in op de verdere concretisering en operationalisering van de transformatie in het sociaal domein en er zijn vijf maatschappelijke effecten geformuleerd waar de gemeente op in gaat zetten. Door middel van het integraal beleid wordt sturing gegeven aan alle inspanningen van de gemeente binnen het sociaal domein.

1.2 Aanbesteding Begeleiding, dagbesteding en Hulp bij Huishouden In de tweede helft van 2021 worden de Wmo-producten begeleiding, dagbesteding en hulp bij huishouden aanbesteed. De doelen die daarbij zijn geformuleerd zijn een uitwerking van het integraal sociaal beleid. De nieuwe inhoudelijke koers moet ook worden vastgelegd in de nieuwe verordening die, in combinatie met de beleidsregels en het besluit, bepaalt hoe de Wmo-taken in de gemeente worden uitgevoerd. 1.3 Actualiseren van de verordening is noodzakelijk om te voldoen aan jurisprudentie De huidige verordening dateert van 2018 (met inachtneming van een aanpassing in 2019) en is inmiddels niet meer actueel. Als de verordening niet wordt aangepast, kan de gemeente juridische risico’s lopen. Zie de bijlage voor een toelichting op de wijzigingen. 3.1 De Verordening Maatschappelijke adviesraad Albrandswaard 2015 is van toepassing De Maatschappelijke adviesraad Albrandswaard is conform de verordening gevraagd advies uit te brengen. De adviesraad heeft op 3 september jl. een gevraagd advies uitgebracht op de conceptverordening Wmo. Overleg gevoerd met Portefeuillehouder, manager sociaal domein, beleidsadviseurs Wmo, kwaliteitsmedewerker, toegangsmedewerkers Wmo en juridische zaken. Kanttekeningen Geen. Uitvoering/vervolgstappen Voor de uitvoering van de Wmo worden nadere regels opgesteld en de beleidsregels geactualiseerd.

Deze worden in januari 2022 aan het college voorgelegd.

2/4

Financiën De voorwaarden voor het bieden van maatschappelijke ondersteuning aan inwoners bij het deelnemen aan de samenleving en het langer zelfstandig thuis blijven wonen zijn in de Wmo verordening vastgelegd. De taken worden uitgevoerd binnen de bestaande begrotingskaders. Communicatie/participatie na besluitvorming De nieuwe verordening wordt op de bij wet bepaalde wijze gepubliceerd. De nieuwe verordening is te raadplegen op overheid.nl.

Bijlagen 1. 2. 3. 4. 5.

Advies verordening Maatschappelijke ondersteuning 2022 (003).pdf Bijlage bij antwoordbrief aan MAA n.a.v verordening Wmo2022.pdf Antwoordbrief-MAA-def.docx Was-wordt-lijst Verordening maatschappelijke ondersteuning AW 2610.pdf Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Albrandswaard 2022.docx

3/4

CONCEPT RAADSBESLUIT Onderwerp: Verordening maatschappelijke ondersteuning Albrandswaard 2022

Zaaknummer: 364798

De raad van de gemeente Albrandswaard, gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders op 9 november 2021, gelet op Wet maatschappelijke ondersteuning 2015

BESLUIT: 1. De Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Albrandswaard 2022 vast te stellen.

2. De Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Albrandswaard 2018 gelijktijdig in te trekken.

3. Akkoord te gaan met de antwoordbrief op het gevraagde advies van de Maatschappelijke adviesraad Albrandswaard.

4/4

Maatschappelijke Adviesraad Albrandswaard

Advies Maatschappelijke Ondersteuning Gemeente Albrandswaard 2022

Aan : College van Burgemeester en Wethouders van Albrandswaard Stationsstraat 4 3161 KP Rhoon Van : Maatschappelijke Adviesraad Albrandswaard maa@vanverseveld.eu Datum : 3 september 2021

Geacht college, Wij ontvingen op 16 juli 2021 het verzoek Advies te geven op Verordening Maatschappelijke Ondersteuning Albrandswaard 2022. Hieraan geven wij gaarne gevolg. Wij hopen dat deze adviezen worden meegenomen in de finale besluitvorming van bovengenoemde verordening. De leden van de Maatschappelijke Adviesraad zien uw reactie met belangstelling tegemoet.

Namens de Adviesraad, Met vriendelijke groet, Piet van Verseveld voorzitter

Maatschappelijke Adviesraad Albrandswaard maa@vanverseveld.eu

2

Inleiding. U vraagt ons om advies over de Verordening Maatschappelijke Ondersteuning Gemeente Albrandswaard 2022 en informeert u ons over de noodzakelijke wijzigingen in de Verordening Leerlingenvervoer Gemeente Albrandswaard 2022. Aanleiding Verordening Maatschappelijke Ondersteuning gemeente Albrandswaard 2022 De gemeenteraad heeft de Nota Integraal Beleid Sociaal Domein vastgesteld. Als directe uitwerking van dit beleid worden in het tweede halfjaar van dit jaar de maatwerkvoorzieningen Hulp bij het huishouden, Begeleiding en Dagbesteding ingekocht. Andere wijzigingen komen door jurisprudentie. Verordening Leerlingenvervoer 2022 ter kennisname De Verordening leerlingenvervoer gemeente Albrandswaard 2022 vloeit voort uit jurisprudentie en het wettelijke kader en bevat geen nieuwe beleidskeuzes. U stuurt deze ter kennisname, maar de Adviesraad wil toch enkele kanttekeningen plaatsen. Deze treft u aan in een separaat aangeleverd ongevraagd advies. Bij onze adviezen zijn wij uitgegaan van de was-wordt-lijst, zoals deze is bijgevoegd.

Onze Adviezen : Bij artikel 1 vraagt de Adviesraad zich af waarom de tekst is gewijzigd. De oude en nieuwe tekst hebben dezelfde inhoud en betekenis. De Adviesraad adviseert hier de oorspronkelijke tekst te handhaven. In artikel 3 lid 2 over de cliëntenondersteuning staat : ……….. Het college wijst de cliënt en zijn mantelzorger voor het onderzoek …….. De Adviesraad wil graag dit gewijzigd in : …….. dat de cliënt en zijn mantelzorger vooraf gaand aan ….

In artikel 8 staat vermeld, dat het gespreksverslag is opgenomen als onderdeel van het onderzoeksrapport. Het verslag wordt in de tekst verder niet meer genoemd, wat onduidelijkheid oplevert over de status hiervan. Verder is het onduidelijk, of de cliënten het verslag hebben ingezien en ter goedkeuring hebben ondertekend. De Adviesraad adviseert hier duidelijker te vermelden wat de status van het gespreksverslag wordt. In artikel 9 -lid 3 en 4 vindt de Adviesraad, dat deze met elkaar in tegenspraak kunnen zijn. Het niet leveren van zorg kan gezondheidsrisico voor de cliënt betekenen. Lid 3 en 4 staan ook haaks op het doel binnen ISBD om zo lang mogelijk veilig thuis te wonen.

Maatschappelijke Adviesraad Albrandswaard maa@vanverseveld.eu

3

De Adviesraad adviseert de gezondheid van de cliënt voldoende te waarborgen en er voor zorg te dragen, dat zolang mogelijk thuis wonen kan worden bereikt met in achtneming van alle gezondheidsrisico ‘s. In artikel 12-lid 2 onder a wordt gesproken over de was verzorging. De Adviesraad wil hieraan toevoegen : schoon beddengoed, schoon bad- en keukentextiel en tenminste één maal per jaar wassen van de gordijnen. In artikel 14-lid 2c is wel gewijzigd, maar er is hier niet aangegeven, dat een pgb voor een vervoersvoorziening wel mogelijk is, zoals aangegeven in art.21. lid 2c van de oude versie. De Adviesraad adviseert deze wijziging over het pgb duidelijk te vermelden. In artikel 14-lid 2g staat dat de cliënt tenminste één maal in een aangesloten periode van 6 maanden gebruik maakt van het collectief vervoer. De Adviesraad vraagt zich af of deze periode niet te kort is bij een ernstige en langdurige ziekte. In artikel 17-lid 1d wordt gesproken over de respijtzorg en wordt verwezen naar de toelichting van artikel 9. Wij kunnen in de toelichting echter niets vinden over in art 17-lid1d genoemde respijtzorg. De Adviesraad wil graag de toelichting over de respijtzorg duidelijk vermeld zien. In artikel 17-lid 3i wordt gesproken over noemenswaardige meerkosten bij nieuwbouw of renovatie. De Adviesraad vraagt zich af of hieraan ook een maximum is gesteld.

In artikel 19-lid 2b staat beschreven, dat de cliënt een budgetplan moet aanleveren en vooral wat de motivatie is om deze te ontvangen De Adviesraad vindt dat het voor de gemeente vanzelfsprekend zou moeten zijn te weten, dat het bevorderen van de zelfstandigheid en zelfredzaamheid van de cliënt al een vaststaand gegeven is en een motivatie geven dan ook wel dubbelop is. In artikel 21-lid 5a lezen wij, dat formele hulp wordt bepaald op basis van 90 % van het laagste tarief per uur. In artikel 21-lid 5b wordt voor informele hulp 70 % van het laagste tarief per uur. De Adviesraad vraagt zich af waarom informele hulpverleners, die voldoen aan de criteria van beroepskrachten, niet in aanmerking komen voor de 90 % vergoeding. In artikel 24-lid 3 wordt in het concept een bedrag van ten hoogste € 19,00 per maand genoemd. Indien de rijksoverheid er toe overgaat deze regeling te wijzigen, moet deze verordening opnieuw worden aangepast.

Maatschappelijke Adviesraad Albrandswaard maa@vanverseveld.eu

4

De Adviesraad stelt voor hier geen bedrag te noemen, maar te vermelden dat de bijdrage afhankelijk is van de door de rijksoverheid vastgestelde tarieven. In artikel 26-lid 1a : Aanbieders zorgen voor een goede kwaliteit van voorzieningen, eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten daaronder begrepen, door: a. Het afstemmen van voorzieningen op de persoonlijke situatie van de cliënt…… De Adviesraad stelt voor hieraan toe te voegen : ….. en het aansluiten bij de informele zorg en ook in lid f toe te voegen na cliëntgericht : ….. en doelmatig In artikel 27 gaat het over het belang van een goede prijskwaliteit verhouding van de ritten. Er worden een 6-tal zaken genoemd, waarmee rekening moet worden gehouden. De Adviesraad mist hier of het college, in het belang van een goede prijskwaliteitverhouding, ook rekening houdt met de kwaliteit voor de cliënt, voor wat betreft wachttijden en onnodig lange ritten. In artikel 36 kan de Adviesraad niets lezen over een wijziging behorende bij het evaluatie-moment, terwijl wordt aangegeven dat dit is gewijzigd.

5

Maatschappelijke Adviesraad Albrandswaard maa@vanverseveld.eu

Maatschappelijke Adviesraad Albrandswaard T.a.v. P. van Verseveld

Uw brief van: Uw kenmerk: Bijlage(n): KvKnummer:

3 september 2021 1

Ons kenmerk: 364798 Contact: B. Lampe Telefoonnummer: 010 506 11 11 Team: Beleid en Ontwikkeling Sociaal Domein Datum: 10 november 2021

Betreft: Antwoordbrief n.a.v. ontvangen advies ‘concept-verordening Wmo Albrandswaard 2021’

Geachte Maatschappelijke adviesraad Albrandswaard,

Op 3 september 2021 ontvingen wij van u uw opmerkingen bij de concept-verordening maatschappelijke ondersteuning. Hartelijk dank voor het door u uitgebrachte advies. In deze brief en bijbehorende bijlage reageren wij op uw opmerkingen. Actualisatie is nodig Zoals wij hebben aangegeven in ons adviesverzoek zijn er drie zaken ervoor zorgen dat een nieuwe verordening voor 2022 noodzakelijk is. In de eerste plaats heeft de gemeenteraad de Nota Integraal Beleid Sociaal Domein vastgesteld. Ook worden als directe uitwerking van dit nieuwe beleid in het tweede halfjaar van dit jaar de maatwerkvoorzieningen Hulp bij het huishouden, Begeleiding en Dagbesteding ingekocht. De derde aanleiding is jurisprudentie. Beleidsregels en besluit 2022 in voorbereiding In het verlengde van de verordening werken wij ook aan nieuwe beleidsregels en een nieuw Besluit 2022 passend bij de nota Integraal Beleid Sociaal Domein en de inkoop van Hulp bij het Huishouden en Wmo begeleiding. Wij zullen uw opmerkingen en aanbevelingen ook in beraad nemen bij het opstellen van deze stukken.

Inhoudelijke reactie op uw opmerkingen in de bijlage In de bijlage vind u een overzicht met uw opmerkingen en onze reactie hierop. Wij gaan ervan uit u hiermee voldoende te hebben geïnformeerd.

Hofhoek 5 - 3176 PD Poortugaal - Postbus 1000 - 3160 GA Rhoon - T (010) 506 11 11 - E info@albrandswaard.nl

Pagina 2 van 2

Betreft: Brief extern

Met vriendelijke groet, Namens het college van burgemeester en wethouders van Albrandswaard, de secretaris,

de burgemeester,

dhr. Hans Cats

drs. J.G.H. de Witte

Reactie op het ontvangen advies van de MAA over de verordening maatschappelijke ondersteuning Albrandswaard 2021 Bijlage bij antwoordbrief aan MAA betreffende het advies over de verordening maatschappelijke ondersteuning Albrandswaard 2022 In onderstaande tabel leest u in de tweede kolom de ontvangen opmerkingen van het MBR. In de derde kolom is de reactie van het college weergegeven.

nr. 1.

advies/opmerking MAA Bij artikel 1 vraagt de Adviesraad zich af waarom de tekst is gewijzigd. De oude en nieuwe tekst hebben dezelfde inhoud en betekenis. De Adviesraad adviseert hier de oorspronkelijke tekst te handhaven.

reactie/antwoord college De nieuwe tekst heeft niet dezelfde inhoud: in de nieuwe tekst zijn artikel 1.l tot en met 1.p nieuw toegevoegd waarin vijf begrippen worden uitgelegd. De uitleg van deze begrippen is relevant en wordt gehandhaafd.

2.

In artikel 3 lid 2 over de cliëntenondersteuning staat : ……….. Het college wijst de cliënt en zijn mantelzorger voor het onderzoek …….. De Adviesraad wil graag dit gewijzigd in : …….. dat de cliënt en zijn mantelzorger vooraf gaand aan ….

Wij zullen de tekst hierop aanpassen.

3.

In artikel 8 staat vermeld, dat het gespreksverslag is opgenomen als onderdeel van het onderzoeksrapport. Het verslag wordt in de tekst verder niet meer genoemd, wat onduidelijkheid oplevert over de status hiervan. Verder is het onduidelijk, of de cliënten het verslag hebben ingezien en ter goedkeuring hebben ondertekend. De Adviesraad adviseert hier duidelijker te vermelden wat de status van het gespreksverslag wordt.

In artikel 6 lid 6 staat opgenomen dat het college aan de cliënt dan wel diens vertegenwoordiger een schriftelijke weergave verstrekt. Dit gespreksverslag wordt onderdeel van het onderzoeksrapport dat mede als uitgangspunt voor de beoordeling van een aanvraag om een maatwerkvoorziening (artikel 8 lid 4). In de beleidsregels voor maatschappelijke ondersteuning wordt verder uitgewerkt wat de status van het gespreksverslag is.

Hier staat beschreven dat het onderzoeksrapport een weergave is van de hulpvraag van de cliënt en de mogelijke oplossingen. De cliënt heeft de mogelijkheid om in het rapport correcties en aanvullingen aan te brengen. Het rapport met de aantekeningen van de cliënt wordt aan het dossier toegevoegd. Als de cliënt zich niet kan vinden in de uitkomst van het onderzoek, dan heeft de cliënt altijd het recht een aanvraag in te dienen en als daarop een negatieve beschikking volgt kan de cliënt daartegen in bezwaar gaan. 4.

In artikel 9 -lid 3 en 4 vindt de Adviesraad, dat deze met elkaar in tegenspraak kunnen zijn. Het niet leveren van zorg kan gezondheidsrisico voor de cliënt betekenen. Lid 3 en 4 staan ook haaks op het doel binnen ISBD om zo lang mogelijk veilig thuis te wonen. De Adviesraad adviseert de gezondheid van de cliënt voldoende te waarborgen en er voor zorg te dragen, dat zolang mogelijk thuis wonen kan worden bereikt met in achtneming van alle gezondheidsrisico ‘s.

Het is zeker niet de bedoeling dat het niet leveren van zorg gezondheidsrisico’s met zich mee brengt of ervoor zorgt dat mensen niet langer zelfstandig thuis kunnen blijven wonen. Dat is ook niet wat in artikel 9 lid 3 beschreven staat. Er staat dat een maatwerkvoorziening aan bepaalde voorwaarden moet voldoen als die wel geleverd wordt: hij moet veilig zijn, geen risico’s opleveren en niet anti-revaliderend werken. In artikel 4 is opgenomen dat de cliënt in staat dient te zijn om de zorgverlener een voldoende veilig werkklimaat te bieden. Wij zien hier geen tegenspraak met wat in artikel 9 lid 3 is beschreven. Er wordt in het onderzoek altijd gezocht naar een passende oplossing die ervoor zorgt dat de beperkingen van een cliënt worden gecompenseerd. Zo lang mogelijk zelfstandig thuis blijven wonen is een van de hoofddoelstellingen van de Wmo. Maar niet ten koste van alles: als niet kan gegarandeerd worden dat er een veilig werkklimaat is voor de zorgverlener vormt dat een onaanvaardbaar risico en moet breder gekeken worden en eventueel ook gezocht worden naar oplossingen buiten de Wmo.

5.

In artikel 12-lid 2 onder a wordt gesproken over de was verzorging. De Adviesraad wil hieraan toevoegen : schoon beddengoed, schoon bad- en keukentextiel en tenminste één maal per jaar wassen van de gordijnen.

6.

In artikel 14-lid 2c is wel gewijzigd, maar er is hier niet aangegeven, dat een pgb voor een vervoersvoorziening wel mogelijk is, zoals aangegeven in art.21. lid 2c van de oude versie. De Adviesraad adviseert deze wijziging over het pgb duidelijk te vermelden.

Alle onderdelen van wat wordt verstaan onder een schoon en leefbaar huis zijn beschreven in de normering voor huishoudelijke hulp die wij hanteren. Deze normering wordt opgenomen als Bijlage bij de beleidsregels 2022. De wijziging van het artikel houdt geen wijziging in van de voorwaarden voor een pgb. De categorie inwoners die gebruik kunnen maken van de taxipas is verbreed: in de oude versie ging het om: inwoners aan wie vanuit de Wmo een maatwerkvoorziening is verschaft (in natura of PGB). In de nieuwe versie gaat het om: inwoners die gebruik maken van een hulpmiddel om korte tot middellange afstanden te overbruggen. Hieronder valt de oude groep van inwoners die gebruik maakt van een maatwerkvoorziening (in natura of PGB), maar het kunnen ook inwoners zijn die zelf beschikken over een hulpmiddel, bv. een auto. Ook als je dus geen maatwerkvoorziening hebt voor vervoer kun je gebruik maken van de taxipas voor collectief vervoer. Het nieuwe artikel sluit daarmee beter aan op de praktijk en verruimt de mogelijkheden voor inwoners.

7.

In artikel 14-lid 2g staat dat de cliënt tenminste één maal in een aangesloten periode van 6 maanden gebruik maakt van het collectief vervoer. De Adviesraad vraagt zich af of deze periode niet te kort is bij een ernstige en langdurige ziekte.

Dit is een richtlijn. Als de situatie van een cliënt ertoe noodzaakt hiervan af te wijken kan er gezocht worden naar een passende oplossing.

8.

In artikel 17-lid 1d wordt gesproken over de respijtzorg en wordt verwezen naar de toelichting van artikel 9. Wij kunnen in de toelichting echter niets vinden over in art 17-lid1d genoemde respijtzorg. De Adviesraad wil graag de toelichting over de respijtzorg duidelijk vermeld zien.

De toelichting bij artikel 9 heeft betrekking op de criteria voor een maatwerkvoorziening in het algemeen. Dat heeft ook betrekking op respijtzorg, dat is namelijk ook een maatwerkvoorziening. Respijtzorg onderscheidt zich van andere maatwerkvoorzieningen omdat niet alleen naar een maatwerkoplossing voor het individu wort gekeken naar de mantelzorger. Respijtzorg wordt verder uitgewerkt en toegelicht in de beleidsregels.

9.

In artikel 17-lid 3i wordt gesproken over noemenswaardige meerkosten bij nieuwbouw of renovatie. De Adviesraad vraagt zich af of hieraan ook een maximum is gesteld.

Er wordt gesproken over een situatie waarin een woonvoorziening in het geval van nieuwbouw of renovatie zonder noemenswaardige meerkosten meegenomen kan worden. Er is hier geen maximum aan gesteld, de meerkosten zijn niet noemenswaardig, dus nihil.

10.

In artikel 19-lid 2b staat beschreven, dat de cliënt een budgetplan moet aanleveren en vooral wat de motivatie is om deze te ontvangen De Adviesraad vindt dat het voor de gemeente vanzelfsprekend zou moeten zijn te weten, dat het bevorderen van de zelfstandigheid en zelfredzaamheid van de cliënt al een vaststaand gegeven is en een motivatie geven dan ook wel dubbelop is.

Het gaat er om dat een cliënt moet kunnen uitleggen wat de motivatie is om de maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb te ontvangen. Het bevorderen van de zelfredzaamheid / zelfstandigheid staat voorop, maar de gemeente dient te beoordelen of aan de voorwaarden voor verstrekken van een pgb wordt voldaan zodat duidelijk is dat dit de oplossing is die het beste past bij de situatie en vraag van deze cliënt.

11.

In artikel 21-lid 5a lezen wij, dat formele hulp wordt bepaald op basis van 90 % van het laagste tarief per uur. In artikel 21-lid 5b wordt voor informele hulp 70 % van het laagste tarief per uur. De Adviesraad vraagt zich af waarom informele hulpverleners, die voldoen aan de criteria van beroepskrachten, niet in aanmerking komen voor de 90 % vergoeding.

Het ligt voor de hand dat het tarief voor inhuren van een professionele beroepskracht hoger ligt dan dat van informele hulpverleners. Vrijwel alle gemeente maken het onderscheid tussen het tarief voor formele hulp en voor informele hulp.

Bij het bepalen van de percentages wordt uiteraard ook rekening gehouden met het beheersbaarheid van de Wmouitgaven van de gemeente. 12.

In artikel 24-lid 3 wordt in het concept een bedrag van ten hoogste € 19,00 per maand genoemd. Indien de rijksoverheid er toe overgaat deze regeling te wijzigen, moet deze verordening opnieuw worden aangepast. De Adviesraad stelt voor hier geen bedrag te noemen, maar te vermelden dat de bijdrage afhankelijk is van de door de rijksoverheid vastgestelde tarieven.

In verband met transparantie en duidelijke communicatie richting de inwoners die gebruik (willen) maken van ondersteuning vanuit de Wmo vinden wij het passend dat in de Wmo-verordening de hoogte van de bijdrage in de kosten wordt vermeld.

13.

In artikel 26-lid 1a : Aanbieders zorgen voor een goede kwaliteit van voorzieningen, eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten daaronder begrepen, door: a. Het afstemmen van voorzieningen op de persoonlijke situatie van de cliënt……

Wij nemen dit wijzigingsvoorstel niet over. In artikel 26- lid 1 b. wordt al genoemd: b. het afstemmen van voorzieningen op andere vormen van zorg; In artikel 26, lid 1 f. wordt genoemd dat er op wordt toegezien dat de voorziening doeltreffend, veilig en cliëntgericht is.

De Adviesraad stelt voor hieraan toe te voegen : ….. en het aansluiten bij de informele zorg en ook in lid f toe te voegen na cliëntgericht : ….. en doelmatig 14.

In artikel 27 gaat het over het belang van een goede prijskwaliteit verhouding van de ritten. Er worden een 6-tal zaken genoemd, waarmee rekening moet worden gehouden. De Adviesraad mist hier of het college, in het belang van een goede prijskwaliteitverhouding, ook rekening houdt met de kwaliteit voor de cliënt, voor wat betreft wachttijden en onnodig lange ritten.

In artikel 26 staat al beschreven welke kwaliteitseisen gelden voor voorzieningen maatschappelijke ondersteuning. De voorzieningen moeten zijn afgestemd op de persoonlijke situatie van de cliënt en ze moeten doeltreffend, veilig en cliëntgericht zijn. Daarmee is het aspect van “rekening houden met de kwaliteit voor de cliënt” ons inziens voldoende beschreven.

15.

In artikel 36 kan de Adviesraad niets lezen over een wijziging behorende bij het evaluatie-moment, terwijl wordt aangegeven dat dit is gewijzigd.

Klopt. Dit was een vergissing, het artikel is inderdaad gelijk gebleven. We hebben de was – wordt lijst hierop aangepast.

Bijlage 2: Was-wordt-lijst bij voorstel Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Albrandswaard 2022 Inleiding Deze bijlage geeft een overzicht van de wijzigingen in de verordening 2022 ten opzichte van de verordening maatschappelijke ondersteuning 2018.

Nr. 1

Verordening 2018

Verordening 2022

HOOFDSTUK 1. Begripsbepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen 1. In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: a. algemeen gebruikelijke voorziening: een voorziening waarvan, gelet op de omstandigheden, aannemelijk is dat de cliënt daarover, ook als hij geen beperkingen had, zou (hebben kunnen) beschikken; b. andere voorziening: voorziening anders dan in het kader van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015; c. bijdrage: bijdrage als bedoeld in de artikelen 2.1.4 en 2.1.4a van de wet; d. ingezetene: cliënt die hoofdverblijf heeft in de gemeente Albrandswaard; e. hoofdverblijf: de woonruimte, bestemd en geschikt voor permanente bewoning, waar de persoon met beperkingen zijn vaste woon- en verblijfplaats heeft en in de gemeentelijke basisadministratie staat ingeschreven; dan wel zal staan ingeschreven; dan wel het feitelijke woonadres indien de persoon met beperkingen met een briefadres is ingeschreven. f. hulpvraag: behoefte aan maatschappelijke ondersteuning als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet; g. gesprek: gesprek in het kader van het onderzoek als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet; h. melding: kenbaar maken van de hulpvraag aan het college als bedoeld in artikel 2.3.2 lid 1 Wmo 2015; i. pgb: persoonsgebonden budget als bedoeld in artikel 1.1.1 van de wet; j.

persoonlijk plan: plan waarin de cliënt de omstandigheden, bedoeld in artikel 2.3.2 lid 4 Wmo 2015 onderdelen a tot en met g van de wet, beschrijft en aangeeft welke maatschappelijke ondersteuning naar zijn mening het meest is aangewezen; k. Wet: Wet maatschappelijke ondersteuning 2015. 2. Voor zover niet anders bepaald, hebben begrippen in deze verordening en de daarop gebaseerde nadere regels en beleidsregels dezelfde betekenis als in de wet.

HOOFDSTUK 1. Begripsbepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen 1. In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: a. algemeen gebruikelijke voorziening: een voorziening die: o niet specifiek bedoeld is voor personen met een beperking; o daadwerkelijk beschikbaar is; o een passende bijdrage levert aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat is tot zelfredzaamheid of participatie en; o financieel gedragen kan worden met een inkomen op minimumniveau. b. andere voorziening: voorziening anders dan in het kader van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015; c. beleidsregels: Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning gemeente Albrandswaard 2022; d. besluit: Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Albrandswaard 2022; e. bijdrage: bijdrage als bedoeld in de artikelen 2.1.4 en 2.1.4a van de wet; f. gesprek: gesprek in het kader van het onderzoek als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet; g. hoofdverblijf: de woonruimte, bestemd en geschikt voor permanente bewoning, waar de persoon met beperkingen zijn vaste woon- en verblijfplaats heeft en o in de gemeentelijke basisadministratie staat ingeschreven; dan wel o zal staan ingeschreven; dan wel o het feitelijke woonadres indien de persoon met beperkingen met een briefadres is ingeschreven. h.

hulpvraag: behoefte aan maatschappelijke ondersteuning als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet; i. ingezetene: cliënt die hoofdverblijf heeft in de gemeente Albrandswaard; j. leefeenheid: een groep van personen die tezamen een huishouden vormen; k. melding: kenbaar maken van de hulpvraag aan het college als bedoeld in artikel 2.3.2 lid 1 Wmo 2015; l. pgb: persoonsgebonden budget als bedoeld in artikel 1.1.1 van de wet; m. participatie: het deelnemen aan het maatschappelijk verkeer als bedoeld in artikel 1.1.1 van de wet. n. persoonlijk plan: plan waarin de cliënt de omstandigheden, bedoeld in artikel 2.3.2 lid 4 Wmo 2015 onderdelen a tot en met g van de wet, beschrijft en aangeeft welke maatschappelijke ondersteuning naar zijn mening het meest is aangewezen; o. Wet: Wet maatschappelijke ondersteuning 2015. p. zelfredzaamheid: het in staatzijn tot het uitvoeren van de noodzakelijke algemene dagelijkse levensverrichtingen en het voeren van een gestructureerd huishouden als bedoeld in artikel 1.1.1 van de wet;

Toelichting In het nieuwe artikel zijn de begrippen beleidsregels, besluit, leefeenheid, participatie en zelfredzaamheid toegevoegd.

Nr.

Verordening 2018

Verordening 2022 2.

2

3

4

5

6

HOOFDSTUK 2. Melding, onderzoek en aanvraag Artikel 2. Melding hulpvraag 1. Een hulpvraag kan schriftelijk door of namens een cliënt bij het college worden gemeld. 2. Het college bevestigt de ontvangst van een melding schriftelijk en maakt zo spoedig mogelijk een afspraak voor een gesprek. 3. In spoedeisende gevallen als bedoeld in artikel 2.3.3 van de Wet treft het college na de melding onverwijld een tijdelijke maatwerkvoorziening in afwachting van de uitkomst van het onderzoek. Artikel 3. Cliëntondersteuning 1. Het college zorgt ervoor dat ingezetenen een beroep kunnen doen op kosteloze onafhankelijke cliëntondersteuning, waarbij het belang van de cliënt uitgangspunt is. 2. Het college wijst de cliënt en zijn mantelzorger voor het onderzoek, bedoeld in artikel 2.3.2,eerste lid, van de Wet, op de mogelijkheid gebruik te maken van kosteloze cliëntondersteuning. Artikel 4. Persoonlijk plan 1. Het college brengt de cliënt op de hoogte van de mogelijkheid om een persoonlijk plan als bedoeld in artikel 2.3.2, tweede lid, van de Wet op te stellen en stelt hem gedurende zeven dagen na de melding in de gelegenheid het plan te overhandigen waarin hij de omstandigheden, bedoeld in artikel 2.3.2, vierde lid, onderdelen a tot en met g, van de Wet beschrijft en aangeeft welke maatschappelijke ondersteuning naar zijn mening het meest is aangewezen. 2.

Als de cliënt een persoonlijk plan als bedoeld in lid 1 aan het college heeft overhandigd, betrekt het college dat plan bij het onderzoek als bedoeld in artikel 6 van deze verordening. Artikel 5. Informatie en identificatie 1. Voor het gesprek of tijdens het gesprek verschaft de cliënt het college alle overige gegevens en bescheiden die naar het oordeel van het college voor het onderzoek nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen. 2. Bij het onderzoek, bedoeld in artikel 6, is vaststelling van de identiteit aan de hand van een identiteitsdocument als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht voldoende. Artikel 6. Onderzoek 1. Het college verzamelt alle voor het onderzoek, bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de Wet, van belang zijnde en toegankelijke gegevens over de cliënt en zijn situatie. 2. Een gesprek maakt deel uit van het onderzoek, tenzij de hulpvraag genoegzaam bekend is. Het gesprek wordt gevoerd met de cliënt, dan wel zijn vertegenwoordiger, voor zover mogelijk zijn mantelzorger en voor zover nodig zijn familie.

Voor zover niet anders bepaald, hebben begrippen in deze verordening en de daarop gebaseerde nadere regels en beleidsregels dezelfde betekenis als in de wet. HOOFDSTUK 2. Melding, onderzoek en aanvraag Artikel 2. Melding hulpvraag 1. Een hulpvraag kan schriftelijk door of namens een cliënt bij het college worden gemeld. 2. Het college bevestigt de ontvangst van een melding schriftelijk en maakt zo spoedig mogelijk een afspraak voor een gesprek. 3. In spoedeisende gevallen als bedoeld in artikel 2.3.3 van de Wet treft het college na de melding onverwijld een tijdelijke maatwerkvoorziening in afwachting van de uitkomst van het onderzoek als bedoeld bij artikel 6. Artikel 3. Cliëntondersteuning 1. Het college draagt zorg voor de beschikbaarheid van gratis cliëntondersteuning. 2. Het college wijst de cliënt en zijn mantelzorger voor het onderzoek als bedoeld bij artikel 6 van deze verordening op de mogelijkheid gebruik te maken van gratis cliëntondersteuning

Toelichting

Artikel 4. Persoonlijk plan 1. Het college brengt de cliënt op de hoogte van de mogelijkheid om een persoonlijk plan als bedoeld in artikel 2.3.2, tweede lid, van de Wet op te stellen en stelt hem gedurende zeven dagen na de melding in de gelegenheid het plan te overhandigen waarin hij de omstandigheden, bedoeld in artikel 2.3.2, vierde lid, onderdelen a tot en met g, van de Wet beschrijft en aangeeft welke maatschappelijke ondersteuning naar zijn mening het meest is aangewezen. 2. Als de cliënt een persoonlijk plan als bedoeld in lid 1 aan het college heeft overhandigd, betrekt het college dat plan bij het onderzoek als bedoeld in artikel 6 van deze verordening. Artikel 5. Informatie en identificatie 1. Voor het gesprek of tijdens het gesprek verschaft de cliënt het college alle overige gegevens en bescheiden die naar het oordeel van het college voor het onderzoek nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen. 2. Bij het onderzoek, bedoeld in artikel 6, is vaststelling van de identiteit aan de hand van een geldig identiteitsbewijs. Artikel 6. Onderzoek 1. Het college verzamelt alle voor het onderzoek, bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de Wet, van belang zijnde en toegankelijke gegevens over de cliënt en zijn situatie. 2. Een gesprek maakt deel uit van het onderzoek, tenzij de hulpvraag genoegzaam bekend is.

Het gesprek wordt gevoerd met de cliënt, dan wel zijn vertegenwoordiger, voor zover mogelijk zijn mantelzorger en voor zover nodig zijn familie.

Zelfde gebleven

Verwijzing in het tweede lid naar eigen verordening i.p.v. de wet. In het nieuwe tweede lid is het woord gratis gekozen i.p.v. kosteloos. Zelfde gebleven

In het nieuwe lid 2 is gekozen voor het woord: ‘geldig’ i.p.v. verwijzing naar de wet.

Nr.

Verordening 2018

Verordening 2022

3.

3.

4. 5. 6.

De volgende factoren, ook genoemd in artikel 2.3.2 lid 4 van de Wet, maken in ieder geval deel uit van het onderzoek en vormen de basis van het gesprek als bedoeld in lid 2: a. de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren van de cliënt; b. het gewenste resultaat van het verzoek om ondersteuning; c. de mogelijkheden om op eigen kracht of met gebruikelijke hulp of algemeen gebruikelijke voorzieningen zijn zelfredzaamheid of zijn participatie te handhaven of te verbeteren, of te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen; d. de mogelijkheden om met mantelzorg of hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie, of te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen; e. de behoefte aan maatregelen ter ondersteuning van de mantelzorger van de cliënt; f. de mogelijkheden om met gebruikmaking van een algemene voorziening, zoals opgenomen in het beleidsplan, bedoeld in artikel 2.1.2 van de wet, of door het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie, of de mogelijkheden om met gebruikmaking van een algemene voorziening te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen; g.

de mogelijkheden om door middel van samenwerking met zorgverzekeraars en zorgaanbieders als bedoeld in de Zorgverzekeringswet en partijen op het gebied van publieke gezondheid, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen, te komen tot een zo goed mogelijk afgestemde dienstverlening met het oog op de behoefte aan verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie of aan beschermd wonen; h. de mogelijkheid om een maatwerkvoorziening te verstrekken; i. welke bijdragen in de kosten de cliënt met toepassing van het bepaalde bij of krachtens artikel 2.1.4 van de Wet verschuldigd zal zijn, en j. de mogelijkheden om te kiezen voor de verstrekking van een pgb, waarbij de cliënt in begrijpelijke bewoordingen wordt ingelicht over de gevolgen van die keuze. Indien de cliënt bekend is bij de gemeente, kan in samenspraak met de cliënt worden afgezien van het onderzoek zoals genoemd in lid 3 van dit artikel. Het college informeert de cliënt over de gang van zaken bij het gesprek, diens rechten en plichten en de vervolgprocedure en vraagt de cliënt toestemming om zijn persoonsgegevens te verwerken. Het college verstrekt de cliënt dan wel diens vertegenwoordiger een schriftelijke weergave van de uitkomsten van het onderzoek, waaronder een verslag van het gesprek als bedoeld in lid 2.

4. 5. 6.

De volgende factoren, ook genoemd in artikel 2.3.2 lid 4 van de Wet, maken in ieder geval deel uit van het onderzoek en vormen de basis van het gesprek als bedoeld in lid 2: a. de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren van de cliënt; b. het gewenste resultaat van het verzoek om ondersteuning; c. de mogelijkheden om op eigen kracht of met gebruikelijke hulp of algemeen gebruikelijke voorzieningen zijn zelfredzaamheid of zijn participatie te handhaven of te verbeteren, of te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen; d. de mogelijkheden om met mantelzorg of hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie, of te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen; e. de behoefte aan maatregelen ter ondersteuning van de mantelzorger van de cliënt; f. de mogelijkheden om met gebruikmaking van een algemene voorziening, zoals opgenomen in het beleidsplan, bedoeld in artikel 2.1.2 van de wet, of door het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie, of de mogelijkheden om met gebruikmaking van een algemene voorziening te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen; g.

de mogelijkheden om door middel van samenwerking met zorgverzekeraars en zorgaanbieders als bedoeld in de Zorgverzekeringswet en partijen op het gebied van publieke gezondheid, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen, te komen tot een zo goed mogelijk afgestemde dienstverlening met het oog op de behoefte aan verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie of aan beschermd wonen; h. de mogelijkheid om een maatwerkvoorziening te verstrekken; i. welke bijdragen in de kosten de cliënt met toepassing van het bepaalde bij of krachtens artikel 2.1.4 van de Wet verschuldigd zal zijn, en j. de mogelijkheden om te kiezen voor de verstrekking van een pgb, waarbij de cliënt in begrijpelijke bewoordingen wordt ingelicht over de gevolgen van die keuze. Indien de cliënt bekend is bij de gemeente, kan in samenspraak met de cliënt worden afgezien van het onderzoek zoals genoemd in lid 3 van dit artikel. Het college informeert de cliënt over de gang van zaken bij het gesprek, diens rechten en plichten en de vervolgprocedure. Het college verstrekt de cliënt dan wel diens vertegenwoordiger een schriftelijke weergave van de uitkomsten van het onderzoek, waaronder een weergave van het gesprek als bedoeld in lid 2

Toelichting

In het nieuwe lid 5 is het algemene verzoek om toestemming voor het delen van persoonsgegevens verwijderd, dit in lijn de AVG waarin is vastgelegd dat een algemeen verzoek om gegevensdeling niet voldoende is.

Nr.

Verordening 2018

Verordening 2022

Toelichting

7

Artikel 7. Advisering 1. Het college is bevoegd om, voor zover dit van belang kan zijn voor het onderzoek, degene door of namens wie een melding of aanvraag is ingediend of bij gebruikelijke hulp diens relevante huisgenoten: a. Op te roepen in persoon te verschijnen op een door het college te bepalen plaats en tijdstip en hem te bevragen. b. Op een door het college te bepalen plaats en tijdstip door een of meer daartoe aangewezen deskundigen te doen bevragen en/of onderzoeken. 2. Het college kan een door hem daartoe aangewezen adviesinstantie om advies vragen indien: a. Het een melding of aanvraag betreft van een persoon die niet eerder een voorziening heeft gehad c.q. met wie niet eerder een gesprek als bedoeld in artikel 6 is gevoerd. b. Het een melding of aanvraag betreft van een persoon die wel eerder een voorziening heeft gehad of een gesprek zoals bedoeld in artikel 6 heeft gevoerd, maar waarvan de medische omstandigheden zodanig zijn veranderd dat die gewijzigde omstandigheden de noodzaak van een voorziening of de soort van voorziening kunnen beïnvloeden. 3. Of in een andere situatie waarin het college dat wenselijk vindt. Artikel 8. Aanvraag 1. Een aanvraag voor een maatwerkvoorziening kan pas worden gedaan nadat het onderzoek is uitgevoerd, tenzij het onderzoek niet is uitgevoerd binnen zes weken na de ontvangst van de melding. 2.

Een cliënt of zijn gemachtigde of vertegenwoordiger kan een aanvraag om een maatwerkvoorziening schriftelijk indienen bij het college. 3. Een aanvraag wordt ingediend door middel van een aanvraagformulier. 4. Een ondertekend verslag van het gesprek kan, indien de cliënt dit wenst, worden beschouwd als aanvraagformulier. 5. Het college neemt het verslag mede als uitgangspunt voor de beoordeling van een aanvraag om een maatwerkvoorziening. HOOFDSTUK 3. Maatwerkvoorziening Artikel 9. Criteria voor maatwerkvoorziening 1. Het college verstrekt een maatwerkvoorziening indien er sprake is van een noodzaak tot compensatie en de cliënt niet of niet volledig in staat is tot zelfredzaamheid of participatie door gebruik te maken van: a. eigen kracht en/of b. gebruikelijke hulp en/of c. mantelzorg en/of d. hulp van andere personen uit het sociale netwerk en/of e. algemeen gebruikelijke voorzieningen en/of f. algemene voorzieningen en/of g. andere voorzieningen, bijvoorbeeld op grond van de Wlz of de Zvw. 2. Het college kent slechts: a. een maatwerkvoorziening toe voor zover deze overwegend op het individu is gericht, met uitzondering van respijtzorg; b. de goedkoopst compenserende maatwerkvoorziening toe.

Artikel 7. Advisering 1. Het college is bevoegd om, voor zover dit van belang kan zijn voor het onderzoek, degene door of namens wie een melding of aanvraag is ingediend of bij gebruikelijke hulp diens relevante huisgenoten: a. Op te roepen in persoon te verschijnen op een door het college te bepalen plaats en tijdstip en hem te bevragen. b. Op een door het college te bepalen plaats en tijdstip door een of meer daartoe aangewezen deskundigen te doen bevragen en/of onderzoeken. 2. Het college kan een door hem daartoe aangewezen adviesinstantie om advies vragen indien: a. Het een melding of aanvraag betreft van een persoon die niet eerder een voorziening heeft gehad c.q. met wie niet eerder een gesprek als bedoeld in artikel 6 is gevoerd. b. Het een melding of aanvraag betreft van een persoon die wel eerder een voorziening heeft gehad of een gesprek zoals bedoeld in artikel 6 heeft gevoerd, maar waarvan de medische omstandigheden zodanig zijn veranderd dat die gewijzigde omstandigheden de noodzaak van een voorziening of de soort van voorziening kunnen beïnvloeden. 3. Of in een andere situatie waarin het college dat wenselijk vindt.

Zelfde gebleven

8

9

Artikel 8. Aanvraag 1. Een aanvraag voor een maatwerkvoorziening kan pas worden gedaan nadat het onderzoek is uitgevoerd, tenzij het onderzoek niet is uitgevoerd binnen zes weken na de ontvangst van de melding. 2. Een cliënt of zijn gemachtigde of vertegenwoordiger kan een aanvraag om een maatwerkvoorziening schriftelijk indienen bij het college. 3. Een aanvraag wordt ingediend door middel van een aanvraagformulier. 4. Het college neemt het onderzoeksrapport mede als uitgangspunt voor de beoordeling van een aanvraag om een maatwerkvoorziening.

HOOFDSTUK 3. Maatwerkvoorziening Artikel 9. Criteria voor maatwerkvoorziening 1. Het college verstrekt een maatwerkvoorziening indien er sprake is van een noodzaak tot compensatie en de cliënt niet of niet volledig in staat is tot zelfredzaamheid of participatie door gebruik te maken van: a. eigen kracht en/of b. gebruikelijke hulp en/of c. mantelzorg en/of d. hulp van andere personen uit het sociale netwerk en/of e. algemeen gebruikelijke voorzieningen en/of f. algemene voorzieningen en/of g. andere voorzieningen, bijvoorbeeld op grond van de Wlz of de Zvw. 2. Als een maatwerkvoorziening noodzakelijk is, verstrekt het college de goedkoopst compenserende voorziening. 3. De maatwerkvoorziening wordt slechts verstrekt indien deze gezien de beperkingen van de cliënt, veilig voor hemzelf en zijn omgeving is, geen gezondheidsrisico’s met zich meebrengt en niet anti-revaliderend werkt.

Een aanvraag kan enkel middels een aanvraagformulier worden ingediend, derhalve is het oude lid 4 verwijderd. Het gespreksverslag is opgenomen als onderdeel van het onderzoeksrapport. Het nieuwe lid 4 is hier op aangepast.

Het oude lid 2 is herschreven als het nieuwe lid 2 en het nieuwe artikel 17 lid 1 sub d;

Doel binnen IBSD is zo lang mogelijk veilig thuis wonen. Op basis hiervan is het nieuwe lid 3 en 4 toegevoegd.

Nr.

Verordening 2018

Verordening 2022 4.

10

Artikel 10. Aanvullende criteria kortdurend verblijf 1. Om in aanmerking te komen voor Kortdurend Verblijf vanuit de Wmo moet naast de algemene voorwaarden genoemd in artikel 9, nog worden voldaan aan de hieronder genoemde voorwaarden: a. de cliënt heeft een somatische, psychogeriatrische, psychische, verstandelijke, lichamelijke en/of zintuiglijke aandoening of handicap; b. ontlasting van de persoon die gebruikelijke zorg of mantelzorg aan de cliënt levert is noodzakelijk.

11

Artikel 11. Aanvullende criteria beschermd wonen Het college verstrekt de maatwerkvoorziening beschermd wonen overeenkomstig het daartoe vastgesteld beleid van de centrumgemeente Rotterdam, de vigerende verordening maatschappelijke ondersteuning, het vigerende besluit maatschappelijke ondersteuning, de regels omtrent het persoonsgebonden budget in relatie tot beschermd wonen, de regels voor bijdrage in de kosten van beschermd wonen en de nadere regels van de centrumgemeente.

12

Artikel 12. Aanvullende criteria hulp bij het huishouden 1. De maatwerkvoorziening hulp bij het huishouden heeft als beoogde resultaten: a. een schoon en leefbaar huis b. beschikken over goederen voor primaire levensbehoeften c. beschikken over schone, draagbare en doelmatige kleding d. thuis kunnen zorgen voor kinderen die tot het gezin behoren.

De maatwerkvoorziening wordt slechts verstrekt als en voor zover de cliënt in staat is om de zorgverlener een voldoende veilig werkklimaat te bieden. Artikel 10. Aanvullende criteria kortdurend verblijf 1. Om in aanmerking te komen voor Kortdurend Verblijf vanuit de Wmo moet naast de algemene voorwaarden genoemd in artikel 9, nog worden voldaan aan de hieronder genoemde voorwaarden: a. de cliënt heeft een somatische, psychogeriatrische, psychische, verstandelijke, lichamelijke en/of zintuiglijke aandoening of handicap, én; b. de ontlasting van de persoon die gebruikelijke zorg of mantelzorg aan de cliënt levert noodzakelijk is. Artikel 11. Aanvullende criteria beschermd wonen Het college verstrekt de maatwerkvoorziening beschermd wonen overeenkomstig het daartoe vastgesteld beleid van de centrumgemeente Rotterdam, de vigerende verordening maatschappelijke ondersteuning, het vigerende besluit maatschappelijke ondersteuning, de regels omtrent het persoonsgebonden budget in relatie tot beschermd wonen, de regels voor bijdrage in de kosten van beschermd wonen en de nadere regels van de centrumgemeente.

Toelichting

Op beschermd wonen en opvang in de zin van artikel 1.1.1, lid 1 van de wet zijn de artikelen 1.2 lid 3, 2.3 lid 2, 3.2.1 lid 1 onder f, 3.2.10, 3.4.1. lid 6 onder e, 3.4.4 lid 1 onder a, 3.4.4 lid 2 onder a en 4.1.5. van de Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp Rotterdam 2018 van toepassing zoals die op 1 januari 2018 luiden. Artikel 12. Aanvullende criteria hulp bij het huishouden 1. De maatwerkvoorziening hulp bij het huishouden heeft als basis doelstelling het realiseren van een schoon en leefbaar huis: a. Een huis is schoon en leefbaar indien het normaal bewoond en gebruikt kan worden en voldoet aan basale hygiëne-eisen; b. Schoon staat voor: een basishygiëne borgen, waarbij vervuiling van het huis en gezondheidsrisico’s van bewoners worden voorkomen; c. Leefbaar staat voor: opgeruimd en functioneel, bijvoorbeeld om vallen te voorkomen. 2. Wanneer cliënten als gevolg van hun (medische) beperkingen aantoonbaar onvoldoende ondersteund worden met de inzet op de basis doelstelling schoon en leefbaar huis, kunnen aanvullende doelstellingen gesteld worden. Dit betreft de volgende doelstellingen: a. Wasverzorging: het kunnen beschikken over schone, draagbare en doelmatige kleding; b. Boodschappen- en/of maaltijdenverzorging: beschikken over goederen voor primaire levensbehoeften; c. Kindzorg: thuis kunnen zorgen voor kinderen die tot het gezin behoren; d.

Advies, instructie en voorlichting. 3. De inwoner moet gebruik kunnen maken van een schone woonkamer, slaapvertrekken, de keuken, sanitaire ruimtes en gang/trap.

Zelfde gebleven

Aan artikel 11 is een passage toegevoegd waarin is verduidelijkt welke artikels uit de Verordening Wmo en Jeugdhulp Rotterdam van toepassing zijn. Aan de verordening is een bijlage toegevoegd met de genoemde artikels uit de Verordening van de centrumgemeente.

Per 1 januari 2022 indiceren we Hulp bij het Huishouden inspanningsgericht i.p.v. resultaat gericht zoals voorheen. Met dat doel is het nieuwe artikel opnieuw geformuleerd en de oude inhoud verwijderd.

Nr.

Verordening 2018

Verordening 2022 4.

13

14

Artikel 13. Aanvullende criteria woonvoorzieningen 1. Een cliënt komt in aanmerking voor een uitraaskamer als er sprake is van aantoonbare beperkingen vanwege een gedragsstoornis met ernstig ontremd gedrag als gevolg van een ziekte of gebrek, waarbij alleen het zich kunnen afzonderen kan leiden tot een situatie waarin hij/ zij tot rust kan komen. 2. Indien cliënt zijn hoofdverblijf heeft in een Wlz-inrichting en regelmatig een bepaalde woning bezoekt, kan het college een maatwerkvoorziening verlenen voor het bezoekbaar maken van die woning. 3. Het college verleent slechts een woningaanpassing van een woonwagen of woonschip als: a. de technische levensduur van de woonwagen of het woonschip nog minstens 5 jaar is; b. de standplaats van de woonwagen niet binnen 5 jaar voor opheffing in aanmerking komt; c. het woonschip nog minimaal 5 jaar op de ligplaats mag blijven liggen. d. de woonwagen ten tijde van de indiening van de aanvraag voor een woonvoorziening bij de gemeente op de standplaats stond; e. de hoofdbewoner van een woonwagen in het bezit is van een bewoningsvergunning als bedoeld in de Woningwet. Artikel 14. Aanvullende criteria vervoersvoorzieningen 1. Vervoersvoorzieningen kunnen als verstrekking worden ingezet om de volgende resultaten te bereiken: a. Het zelfstandig lokaal verplaatsen per vervoermiddel. b.

Het kunnen ontmoeten van mensen en het op basis daarvan aangaan van sociale relaties. 2. Bij vervoersvoorzieningen geldt het primaat van het collectief vervoer. Op het collectief vervoer zijn de volgende criteria van toepassing: a. De voorziening collectief vervoer wordt alleen verstrekt in natura in de vorm van een taxipas. Een pgb is hiervoor niet mogelijk. b. De taxipas geeft de cliënt de mogelijkheid om maximaal 2000 km per jaar gebruik te kunnen maken van de regiotaxi voor regulier vervoer of rolstoeltaxivervoer. c. Als aan de cliënt naast de taxipas voor collectief vervoer ook vanuit de Wmo een maatwerkvoorziening in natura of pgb is verstrekt, ten behoeve van de verplaatsingen in de directe woon- en leefomgeving, wordt cliënt in staat gesteld om maximaal 1000 km te reizen met de taxipas. d. Indien de cliënt gemotiveerd aangeeft dat het aantal kilometers zoals bedoeld onder a en b van dit artikellid, niet volstaat dan kan cliënt in staat worden gesteld om meer kilometers met de taxipas te reizen. e. De pashouder betaalt tarieven, die vergelijkbaar zijn met de tarieven van het openbaar vervoer, waarbij de zone indeling van het openbaar vervoer uitgangspunt is.

Het schoonmaken van de buitenruimte bij het huis (ramen, tuin, balkon, etc.) maken geen onderdeel uit van hulp bij het huishouden. Artikel 13. Aanvullende criteria woonvoorzieningen 1. Een cliënt komt in aanmerking voor een uitraaskamer als er sprake is van aantoonbare ernstige beperkingen in het gedrag als gevolg van een ziekte of gebrek, waarbij is aangetoond dat enkel het zich kunnen afzonderen kan leiden tot een situatie waarin hij/ zij tot rust kan komen.

Toelichting

2.

3.

Lid 1 is geherformuleerd

Indien cliënt zijn hoofdverblijf heeft in een Wlz-inrichting en regelmatig een bepaalde woning bezoekt, kan het college een maatwerkvoorziening verlenen voor het bezoekbaar maken van die woning. Het college verleent slechts een woningaanpassing van een woonwagen of woonschip als: a. de technische levensduur van de woonwagen of het woonschip nog minstens 5 jaar is; b. de standplaats van de woonwagen niet binnen 5 jaar voor opheffing in aanmerking komt; c. het woonschip nog minimaal 5 jaar op de ligplaats mag blijven liggen. d. de woonwagen ten tijde van de indiening van de aanvraag voor een woonvoorziening bij de gemeente op de standplaats stond; e. de hoofdbewoner van een woonwagen in het bezit is van een bewoningsvergunning als bedoeld in de Woningwet.

Artikel 14. Aanvullende criteria vervoersvoorzieningen 1. Vervoersvoorzieningen kunnen als verstrekking worden ingezet om de volgende resultaten te bereiken: a. Het zelfstandig lokaal verplaatsen per vervoermiddel. b. Het kunnen ontmoeten van mensen en het op basis daarvan aangaan van sociale relaties. 2. Bij vervoersvoorzieningen geldt het primaat van het collectief vervoer. Op het collectief vervoer zijn de volgende criteria van toepassing: a. De voorziening collectief vervoer wordt alleen verstrekt in natura in de vorm van een taxipas, een pgb is hiervoor niet mogelijk. b. De taxipas geeft de cliënt de mogelijkheid om maximaal 2000 km per jaar gebruik te kunnen maken van de regiotaxi voor regulier vervoer of rolstoeltaxivervoer. c. Als aan de cliënt naast de taxipas voor collectief vervoer ook gebruik kan maken van een hulpmiddel om korte tot middellange afstanden te overbruggen ten behoeve van de verplaatsingen in de directe woon- en leefomgeving, wordt cliënt in staat gesteld om maximaal 1000 km te reizen met de taxipas. d. Indien de cliënt gemotiveerd aangeeft dat het aantal kilometers zoals bedoeld onder a en b van dit artikellid, niet volstaat dan kan cliënt in staat worden gesteld om meer kilometers met de taxipas te reizen. e.

De pashouder betaalt tarieven, die vergelijkbaar zijn met de tarieven van het openbaar vervoer, waarbij de zone indeling van het openbaar vervoer uitgangspunt is.

In het nieuwe artikel in aanvulling op het bestaande beleid is aan lid 2 sub g. toegevoegd, dit in lijn met Artikel 2.3.10 1e lid sub b en d van de Wmo 2015.

Nr.

Verordening 2018 f.

3.

4.

5.

15

Verordening 2022

Uitgangspunt is dat 5 openbaar vervoer zones voldoende zijn voor lokale verplaatsingen. De 5 zones worden vanaf de instapzone berekend.

Begeleiding bij een vervoersvoorziening wordt alleen toegekend als cliënt: a. agressief gedrag vertoont; b. dwaalgedrag vertoont; c. afhankelijk is van medische handelingen tijdens de rit. Voor vertrekking van een scootmobiel gelden de volgende aanvullende voorwaarden: a. Het lopen of staan is zodanig beperkt, dat cliënt zijn bestemmingsdoel niet kan bereiken met een taxi of autorit. b. De cliënt moet in staat zijn zelfstandig op en van de scootmobiel te stappen; c. De cliënt heeft een substantiële vervoersbehoefte in de directe woonomgeving van de woning binnen de gemeente of woonkern; d. De beperkingen zijn langdurend van aard en de vervoersbehoefte is vrijwel dagelijks; e. Er moet een stallingsruimte, voorzien van een geaard stopcontact van 220 volt aanwezig zijn of gecreëerd kunnen worden. f. Cliënt is in staat om –na instructie- op veilige wijze gebruik te maken van een scootmobiel. Om in aanmerking te komen voor een handbike gelden de volgende aanvullende voorwaarden: a. cliënt is aangewezen op een rolstoel; b. cliënt is in staat zich met behulp van een handbewogen (sport) rolstoel over een redelijke afstand (1,5 km) binnen redelijke tijd te verplaatsen; c. cliënt heeft de voorziening nodig in verband met een specifieke verplaatsingsbehoefte boven 1500 meter, die niet anderszins kan worden opgelost; d.

er dient een substantiële toegevoegde waarde te zijn als de handbike als verplaatsingsvoorziening in en om de woning of voor grotere afstanden wordt verstrekt.

Artikel 15. Aanvullende criteria rolstoelen 1. Cliënten komen in aanmerking voor een rolstoel als zij langdurig zijn aangewezen op zittend verplaatsen. Om in aanmerking te komen voor een elektrische rolstoel gelden de volgende criteria: a. cliënt heeft medisch aantoonbare beperkingen die dagelijks zittend verplaatsen in en om de woning noodzakelijk maken en waarvoor loophulpmiddelen, die zelf gekocht kunnen worden of via de zorgverzekeringswet verstrekt worden niet volstaan; b. cliënt kan zich, met of zonder loophulpmiddel, minder dan 100 meter verplaatsen; c. cliënt kan veilig deelnemen aan het verkeer;

Toelichting

Uitgangspunt is dat 5 openbaar vervoer zones voldoende zijn voor lokale verplaatsingen. De 5 zones worden vanaf de instapzone berekend. g. Een cliënt maakt tenminste 1 maal in een aaneengesloten periode van 6 maanden gebruik van het collectief vervoer. Begeleiding bij een vervoersvoorziening wordt alleen toegekend als cliënt: a. agressief gedrag vertoont; b. dwaalgedrag vertoont; c. afhankelijk is van medische handelingen tijdens de rit. Voor verstrekking van een scootmobiel gelden de volgende aanvullende voorwaarden: a. Het lopen of staan is zodanig beperkt, dat cliënt zijn bestemmingsdoel niet kan bereiken met een taxi of autorit. b. De cliënt moet in staat zijn zelfstandig op en van de scootmobiel te stappen; c. De cliënt heeft een substantiële vervoersbehoefte in de directe woonomgeving van de woning binnen de gemeente of woonkern; d. De beperkingen zijn langdurend van aard en de vervoersbehoefte is vrijwel dagelijks; e. Er moet een stallingsruimte, voorzien van een geaard stopcontact van 220 volt aanwezig zijn of gecreëerd kunnen worden. f. Cliënt is in staat om –na instructie- op veilige wijze gebruik te maken van een scootmobiel. Om in aanmerking te komen voor een handbike gelden de volgende aanvullende voorwaarden: a. cliënt is aangewezen op een rolstoel; b.

cliënt is in staat zich met behulp van een handbewogen (sport) rolstoel over een redelijke afstand (1,5 km) binnen redelijke tijd te verplaatsen; c. cliënt heeft de voorziening nodig in verband met een specifieke verplaatsingsbehoefte boven 1500 meter, die niet anderszins kan worden opgelost; d. er dient een substantiële toegevoegde waarde te zijn als de handbike als verplaatsingsvoorziening in en om de woning of voor grotere afstanden wordt verstrekt. f.

3.

4.

5.

Artikel 15. Aanvullende criteria rolstoelen 1. Cliënten komen in aanmerking voor een rolstoel als zij langdurig zijn aangewezen op zittend verplaatsen. 2. Om in aanmerking te komen voor een elektrische rolstoel moet cliënt voldoen aan alle volgende criteria: a. cliënt heeft medisch aantoonbare beperkingen die dagelijks zittend verplaatsen in en om de woning noodzakelijk maken en waarvoor loophulpmiddelen, die zelf gekocht kunnen worden of via de zorgverzekeringswet verstrekt worden niet volstaan; b. cliënt kan zich, met of zonder loophulpmiddel, minder dan 100 meter verplaatsen; c. cliënt kan veilig deelnemen aan het verkeer;

Het tweede lid is ook als zodanig genummerd en herschreven.

Nr.

Verordening 2018 d.

16

17

de woning van de cliënt is rolstoeltoegankelijk en rolstoeldoorgankelijk of kan met beperkte middelen worden aangepast.

Artikel 16. Aanvullende criteria sportvoorzieningen 1. Cliënt komt in aanmerking voor een sportvoorziening als is voldaan aan de volgende criteria. a. cliënt maakt ook in het dagelijks leven gebruik van een loophulpmiddel of een verplaatsingshulpmiddel; b. cliënt is zonder sportvoorziening niet in staat tot sportbeoefening; c. beoefening van de gekozen sport is uitsluitend mogelijk met een specifieke sportvoorziening, beoefening is niet op een andere wijze mogelijk; d. cliënt is lid van een sportvereniging. Artikel 17. Weigeringsgronden 1. Geen maatwerkvoorziening wordt verstrekt: a. wanneer voor de problematiek die in het gegeven geval aanleiding geeft voor de noodzaak tot ondersteuning, een voorziening op grond van een andere wettelijke bepaling bestaat; b. indien het een voorziening betreft die de cliënt na de melding als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid van de Wet en vóór datum van besluit heeft gerealiseerd of geaccepteerd, tenzij het college daarvoor schriftelijk toestemming heeft verleend of de noodzaak achteraf nog kan worden vastgesteld;

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.albrandswaard.nl/api/v1/meetings/3348/documents/26111