CConstaterende datAlbrandswaard
Koppel je AI →
Document · PDF

11. 817684 Raadsvoorstel bestemmingsplan Albrandswaardseweg 86c Poortugaal.pdf

Gemeenteraad AW 25 maart 2024, gemeente AlbrandswaardBij agendapunt: 5: Ingekomen stukken15.997 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Waterkwantiteit Uit de Beleidsregel:BL-11 ‘Versnelde afvoer van nieuw verhard oppervlak’ d.d. 09-04-2013 van het Waterschap blijkt dat 10% van de toename van het verhard oppervlak moet worden gecompenseerd in open water. In de beleidsregel is verder verwoord dat in sommige gevallen de eis tot compensatie zwaar is ten opzichte van het te dienen waterstaatkundige doel. Om deze reden heeft het waterschap de verhardingstoename, van maximaal 500 m2 in stedelijk gebied en 1.500 m2 in buitenstedelijk gebied vrijgesteld van compensatieplicht. Indien er meer verharding toename plaatsvindt, moet volledig worden gecompenseerd. De hoeveelheid bebouwing wijzigt in die zin, dat de voorheen aanwezige kassen zijn afgebroken. De bouw van de woning betekent per saldo een aanzienlijke verkleining van de omvang van bebouwing/verharding. Er hoeft om die reden geen compenserend water te worden gegraven. Uit het oogpunt van waterkwaliteit moet schoon hemelwater bij voorkeur worden afgekoppeld en direct worden geloosd op oppervlaktewater. Dit vermindert de vuiluitworp uit het gemengde rioolstelsel en verlaagt de hydraulische belasting van de afvalwaterzuivering. Watergang Er wordt geen verandering aangebracht in watergangen. Waterveiligheid Het plangebied ligt niet in een beschermingszone van een waterkering.

Voldoende water - wateroverlast Het watersysteem van het Waterschap wordt niet aangetast door het bestemmingsplan. Er is ter plaatse ook geen sprake van wateroverlast. Wegen Het perceel wordt ontsloten via de Albrandswaardseweg, daar komt geen verandering in. Conclusie Het bestemmingsplan is in overeenstemming met de geldende normen en beleidsuitgangspunten van het aspect ‘water’.

3.5 Flora en Fauna De Wet natuurbescherming ziet toe op de bescherming van flora en fauna. Bij planologische ontwikkelingen of fysieke veranderingen in een ruimtelijk omgeving moet rekening worden gehouden met soorten met een beschermde status. Tevens geldt er op grond van de Wet natuurbescherming de zorgplicht waardoor een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen voor flora en fauna kunnen worden veroorzaakt, verplicht is dergelijk handelen achterwege te laten. Er is een quick scan Wet natuurbescherming uitgevoerd (Bureau Stadsnatuur, 6 december 2019, nr. 2185). Uit deze quick scan blijkt, dat er in het plangebied geen beschermde soorten zijn vastgesteld.

19

Daarnaast kunnen gelet op de afstand van het plangebied tot het dichtstbijzijnde Natura2000gebied (Oude Maas: circa 800 m) en de kleinschalige ontwikkeling, significante negatieve effecten op natuurgebieden worden uitgesloten. Daarnaast zijn er binnen het plangebied geen bomen aanwezig, waardoor ook uit dien hoofde geen verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming zullen worden overtreden.

Stikstof Vanwege recente jurisprudentie moet er ook aandacht worden besteed aan de vraag, of bij een ruimtelijke ontwikkeling er sprake zal zijn van een toename van stikstofdepositie in een Natura 2000 gebied. Er is een AERIUS-berekening gemaakt voor het bouwplan (Van Westreenen, 6 december 2023, kenmerk WW23032211, versie 2). Het volgende is daarbij geconcludeerd: ‘Gelet op de forse afstand van ca. 860 meter zijn er geen factoren die leiden tot een negatief effect op het dichtstbijzijnde, en daarmee maatgevende, Natura 2000-gebied. Uit de calculatie uit hoofdstuk 5 en 6 en de bijbehorende AERIUS-berekeningen blijkt dat in de toegepaste ‘worst-case’ benadering de stikstofdepositie niet leidt tot significant negatieve effecten op stikstofgevoelige habitattypen in Natura 2000-gebieden. Derhalve kan op voorhand worden uitgesloten dat er bij onderhavig voornemen sprake zal zijn van significant negatieve effecten.’ Het bestemmingsplan heeft geen nadelige gevolgen voor de flora en fauna.

3.6 Archeologie & cultuurhistorie De Erfgoedwet is de Nederlandse uitwerking van het Verdrag van Malta. Het is een raamwet die regelt hoe rijk, provincie en gemeente bij hun ruimtelijke plannen met het erfgoed in de bodem moeten omgaan. In deze wet is vastgelegd dat waardevolle historische objecten in de bodem moeten worden behouden. Volgens het vigerende bestemmingsplan ’Polder Albrandswaard’ heeft het perceel een archeologische dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologie 1’. Het BOOR heeft bij brief van 30 oktober 2019, kenmerk AS19/15150-19/0621954, advies uitgebracht over het bouwplan. Op basis van de archeologische verwachtingswaarde van het gebied en de aard en omvang van de voorgenomen werkzaamheden, wordt een archeologisch vooronderzoek mogelijk noodzakelijk geacht. In de Late Middeleeuwen heeft er ter plaatse van het plangebied een geul gelopen die oudere archeologische sporen tot zeker een meter onder het huidige maaiveld heeft verstoord. In verband hiermee adviseert het BOOR om de locatie vrij te stellen van archeologisch onderzoek, indien de graafwerkzaamheden ten behoeve van het nieuwe woonhuis niet dieper reiken dan 1 m - mv. Indien er dieper wordt gegraven, dan kan een archeologisch vooronderzoek (bureauonderzoek en/of inventariserend veldonderzoek) voorafgaande aan de bouwwerkzaamheden noodzakelijk zijn.

Het concrete bouwplan moet ter beoordeling worden voorgelegd aan de gemeente. In dat kader wordt de archeologische dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 1’ ook opgenomen in het voorliggende nieuwe bestemmingsplan. 20

3.7 Verkeer Het plangebied wordt ontsloten via de Albrandswaardseweg. De geplande bouw van één woning zal leiden tot een beperkte toename van verkeer. Op grond van richtlijnen van de CROW (ASVV 2012) genereren koopwoningen in het buitengebied 7.8 tot 8,6 vervoersbewegingen per etmaal. De Albrandswaardseweg is voldoende gedimensioneerd om dit aantal bewegingen te verwerken. Voor het parkeeraspect hanteert de gemeente de parkeernormen uit de CROW publicatie 381. Voor koopwoningen in het buitengebied geldt een norm van 2.0 tot 2.8 parkeerplaats. Op eigen terrein is ruimte voor het parkeren van minimaal 3 auto’s, derhalve voldoende in relatie tot genoemde parkeernorm. Er is voldoende ruimte op eigen terrein om te parkeren.

3.8 Geluid Een woning is een geluidsgevoelige functie als bedoeld in de Wet geluidhinder. Railweg- en/of industrielawaai Het plangebied ligt niet binnen een geluidszone van een spoorlijn. Het plangebied ligt binnen de in 1998 vastgestelde geluidszone van het industrieterrein Waal- en Eemhaven. Uit het ingesteld akoestisch onderzoek (Kraaij akoestisch advies, 4 december 2023, nr. BP.1930.R01_rev1) blijkt dat de te bouwen woning buiten de 50 dB geluidszone valt, waardoor de geluidsbelasting op de woning vanwege het industriegebied Waal- en Eemhaven lager is dan de voorkeursgrenswaarde van 50 dB voor industrielawaai. Wegverkeerslawaai De meest voorkomende vorm van geluidhinder is degene die wordt veroorzaakt door het wegverkeer. Volgens de Wgh mag de geluidsbelasting op woningen in principe de voorkeursgrenswaarde van 48 dB niet overschrijden. De voorkeursgrenswaarden is de waarde die zonder meer kan worden toegestaan. Indien nieuwe geluidsgevoelige functies worden toegestaan, stelt de Wet geluidhinder de verplichting akoestisch onderzoek te verrichten naar de geluidsbelasting ten gevolge van alle wegen, met uitzondering van 30 km wegen, op een bepaalde afstand van de geluidsgevoelige functie(s). Bij het al genoemde akoestische onderzoek is ook aandacht besteed aan wegverkeerslawaai.

Hieruit blijkt, dat de geluidbelasting vanwege de Albrandswaardseweg ten hoogste 52 dB op de noordelijke (voor) gevel bedraagt en wel op de tweede en derde bouwlaag. Op de begane grond bedraagt de geluidbelasting 51 dB. De voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt daardoor met ten hoogste 4 dB overschreden. Nader onderzoek naar maatregelen om de geluidbelasting te verlagen, is noodzakelijk. De maximale ontheffingswaarde van 53 dB voor woningen in buiten stedelijk gebied wordt niet overschreden. Om de geluidbelasting vanwege de Albrandswaardseweg op de nieuwbouwwoning te reduceren zijn de volgende maatregelen denkbaar: • bronmaatregelen; • maatregelen in de overdrachtssfeer; • maatregelen bij de ontvanger.

21

-Bronmaatregelen Een bronmaatregel is het toepassen van een geluidarm wegdektype of het beperken van de rijsnelheid of verkeersintensiteit bij wegverkeerslawaai. Het toepassen van geluidarm asfalt voor slechts één woning is relatief duur en stuit daarmee op overwegende bezwaren van financiële aard. Nader onderzoek naar het verlagen van de rijsnelheid wijst uit dat de geluidbelasting met 1 dB afneemt, indien de rijsnelheid wordt teruggebracht naar 50 km/ uur. Het verder verlagen van de rijsnelheid wordt, gelet op de inrichting en de functie van de weg, niet realistisch geacht. Door het verlagen van de rijsnelheid naar 50 km/uur is er nog steeds sprake van een overschrijding van de voorkeursgrenswaarde. Daarmee is de maatregel niet doelmatig, een hogere waarde besluit blijft dan nog steeds noodzakelijk. Tenslotte is er nog de mogelijkheid om de verkeersintensiteit op de Albrandswaardseweg te verlagen, zodat voldaan wordt aan de voorkeursgrenswaarde. Hierbij dient het verkeer bijna gehalveerd te worden, door bijvoorbeeld de Albrandswaardseweg alleen voor bestemmingsverkeer open te stellen. Een dergelijke verkeersmaatregel is te rigoureus voor slechts één woning en leidt bovendien tot een toename van het verkeer op andere wegen en zeer waarschijnlijk tot meer geluidgehinderden langs die wegen. De maatregel is niet doelmatig.

-Overdrachtsmaatregelen Overdrachtsmaatregelen zijn het plaatsen van een scherm of het zodanig positioneren van de woning dat aan de voorkeursgrenswaarden wordt voldaan. De overschrijding van de voorkeursgrenswaarde vindt ook op de verdieping plaats. Om die reden zal een hoog scherm (> 5 meter) nabij de bron of de woning noodzakelijk zijn om de geluidbelasting op de gevels te reduceren. Het plaatsen van een dergelijk scherm langs deze weg of nabij de woning stuit in onderhavige situatie op overwegende bezwaren van stedenbouwkundige aard. Onderzoek naar het wijzigen van de positie van de nieuwbouwwoning heeft uitgewezen dat er minstens een verplaatsing van 23 meter naar achteren (circa 51 m vanaf de wegas) nodig is om bij alle gevels te voldoen aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Er is weliswaar voldoende ruimte op het perceel om deze verplaatsing te realiseren, echter staat de woning daarmee volledig buiten de voorgevel rooilijn van de naastgelegen woningen, hetgeen vanuit stedenbouwkundig oogpunt niet wenselijk is. Deze maatregel stuit daarom op bezwaren van stedenbouwkundige aard. -Maatregelen bij de ontvanger Omdat bron- en overdrachtsmaatregelen vooralsnog niet mogelijk of wenselijk zijn voor het bereiken van de voorkeursgrenswaarde, zijn maatregelen bij de woning zelf (de ontvanger) vereist. Hierbij dient in ieder geval aan de wettelijke binnenwaarde te worden voldaan.

Aangezien de voorkeursgrenswaarde alleen op de noordelijke voorgevel van de woning wordt overschreden, zullen de te treffen maatregelen ook voornamelijk aan deze gevelzijde getroffen moeten worden. Om te kunnen bepalen welke maatregelen genomen moeten worden, is het noodzakelijk de geluidwering van de gevels te berekenen en deze te toetsen aan het Bouwbesluit. De minimumeis voor de karakteristieke geluidwering van woningen is op grond van het Bouwbesluit 20 dB. Daarnaast is in het Bouwbesluit bepaald dat de karakteristieke geluidwering van de gevel niet kleiner mag zijn dan het verschil tussen de vastgestelde hogere waarde en 33 dB in een verblijfsgebied en 35 dB in een verblijfsruimte. De geluidbelasting op de gevels waar mee gerekend moet worden is exclusief aftrek ingevolge art. 110g van de Wet geluidhinder. Dit betekent dat in onderhavige situatie, waarbij een hogere waarde dient te worden vastgesteld van ten hoogste 52 dB, de karakteristieke geluidwering tenminste dient te voldoen aan GA,k = 24 dB ( 52 dB + 5 dB aftrek – 33 dB) voor een verblijfsgebied. Voor een verblijfsruimte geldt een eis van GA,k = 22 dB.

22

-Gemeentelijk beleid hogere grenswaarden Om een hogere waarde van 52 dB te kunnen verlenen, dient voldaan te worden aan het gemeentelijk beleid omtrent het vaststellen van hogere grenswaarden. Aangezien de woning de bestaande bebouwing vervangt, wordt voldaan aan één van de beleidseisen van de gemeente Albrandswaard. Het beleid verzet zich dus niet tegen het verlenen van een hogere waarde. Conclusie Aangezien de voorkeursgrenswaarde van 48 dB uit de Wgh vanwege de Albrandswaardseweg wordt overschreden en onderzoek heeft uitgewezen dat het toepassen van maatregelen niet doeltreffend zal zijn of op bezwaren stuit van financiële of stedenbouwkundige aard, zal voor de nieuwe woning tussen de Albrandswaardseweg 86 en 88 in Poortugaal een hogere grenswaarde aangevraagd moeten worden bij de gemeente Albrandswaard vanwege het verkeer op de Albrandswaardseweg van 52 dB. Om een hogere waarde te kunnen vaststellen mag volgens de Wet geluidhinder de geluidbelasting vanwege wegverkeerslawaai niet hoger zijn dan 53 dB voor woningen in buitenstedelijk gebied. Aan deze voorwaarde wordt voldaan. Omdat de woning bestaande bebouwing vervangt, wordt ook aan de beleidseisen van de gemeente Albrandswaard voldaan.

Het bouwplan is uit oogpunt van geluid realiseerbaar, met dien verstande dat er voor het wegverkeerslawaai een hogere grenswaarde dient te worden vastgesteld door burgemeester en wethouders. 3.9 Externe veiligheid In het ‘moederplan’ ‘Polder Albrandswaard’ zijn alle risicobronnen in de omgeving beschouwd. Voor het perceel Albrandswaardseweg 86c is één risicobron relevant, te weten de DPO-leiding P32 (brandstofleiding) . Voor deze leiding geldt geen PR 10-6 contour en het invloedsgebied van de leiding bedraagt 31 meter. De leiding ligt op circa 50 m van de voorgevel van de nieuwe woning op het perceel Albrandswaardseweg 86c. Om die reden is er geen verhoogd risico.

Figuur 3.1 Risicokaart

23

In het kader van een goede ruimtelijke ordening is nog gekeken naar de aspecten zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. Zoals aangegeven zal de nieuwe woning zich buiten het invloedsgebied van de leiding bevinden. Het meest waarschijnlijke en meest voorkomende ongeval voor een brandstofleiding is een fakkelbrandincident. Buiten het invloedsgebied is in het geval van een fakkelbrand, schuilen in een gebouw of woning in beginsel de beste manier om de calamiteit te overleven. Voor wat betreft andere punten van de bestrijdbaarheid is het zo dat de hulpverlening de woning eenvoudig kan benaderen. Er is voldoende ruimte om materiaal voor hulpverlening te stallen. Ten aanzien van het aspect zelfredzaamheid wordt er op gewezen dat de infrastructuur in de omgeving zodanig is dat er voldoende vluchtwegen aanwezig zijn. Vanuit het oogpunt van externe veiligheid worden daarom geen belemmeringen ondervonden.

3.10 Milieueffectrapportage Het plan voorziet niet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Het gaat slechts om de bouw van één woning. Het opstellen van een milieueffectrapportage is om die reden niet vereist. Om ook inhoudelijk aan te geven dat er geen belangrijke nadelige milieugevolgen ten gevolge van het plan optreden is hierna één en ander nog eens op een rij gezet. 1. Kenmerken van de projecten Bij de kenmerken van de projecten moet in het bijzonder in overweging worden genomen: • De omvang van het project betreft de bouw van een woning. • Er is geen cumulatie met andere projecten. • De productie van afvalstoffen is niet aanwezig. Huishoudelijk afvalwater wordt via de riolering afgevoerd. • Er is geen sprake van verontreiniging en hinder. Verwezen wordt naar onderdeel bedrijven en milieuzonering onder 3.2. • Er is geen risico van zware ongevallen en/of rampen, waaronder rampen door klimaatverandering. We verwijzen naar het onderdeel externe veiligheid zoals beschreven onder 3.9. • Er zijn geen risico's voor de menselijke gezondheid. Wij verwijzen naar het onderdeel externe veiligheid, zoals beschreven onder 3.9. 2.

Plaats van het project Bij de mate van kwetsbaarheid van het milieu in de gebieden waarop de projecten van invloed kunnen zijn moet in het bijzonder in overweging worden genomen: • Het bestaande grondgebruik betreft erf bij woningen en agrarische doeleinden, dit wordt alleen woongebruik. • Het gebied ligt niet in een beschermingszone, ligt buiten het bestaand stedelijk gebied en betreft de bouw van één woning, hetgeen het landschap ter plaatse niet aantast. • Het gebied heeft geen hoge bevolkingsdichtheid en is cultureel en archeologisch gezien niet waardevol. Wij verwijzen naar paragraaf 3.6. • Het dichtstbijzijnde Natura 2000 gebied, te weten de Oude Maas ten zuiden van het plangebied ligt op circa 800 meter van het plangebied. De beperkte omvang van de ontwikkeling in relatie tot de afstand en de ligging maakt dat er geen negatieve invloed aanwezig zal zijn voor het Natura 2000 gebied. 24

3. Kenmerken van het potentiële effect Gezien de kleinschaligheid van het project zijn er geen potentiële aanzienlijke effecten te verwachten. Dit is ook beschreven in hoofdstuk 3 van deze toelichting. Op basis van de bovenstaande zal het college van burgemeester en wethouders voor de vaststelling van het plan een besluit nemen dat er geen milieueffectrapport hoeft te worden opgesteld.

25

4. Juridische vormgeving 4.1 Juridische planopzet Het bestemmingsplan is opgesteld aan de hand van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012).

4.2 Bestemmingswijzer 4.2.1. Inleidende regels. Begrippen (artikel 1) en Wijze van meten (artikel 2) De begrippen die in dit bestemmingsplan zijn opgenomen, worden in artikel 1 nader gedefinieerd. Bij toetsing van het bestemmingsplan wordt uitgegaan van de in dit artikel opgenomen definities van de begrippen. Naast begrippen zijn in het bestemmingsplan hoogteen andere maten opgenomen die van belang zijn bij het bouwen van bouwwerken. Artikel 2 van de regels geeft een nadere omschrijving hoe de bedoelde maten gemeten moeten worden. 4.2.2 Bestemmingsregels Binnen het plangebied zijn de bestemmingen: “Wonen” en “Waarde – Archeologie 1” opgenomen. 4.2.3 Algemene regels. Antidubbeltelregel Het doel van de anti-dubbeltelregel is te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein niet nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld. Kortweg komt het erop neer, dat grond die één keer in beschouwing is genomen voor het toestaan van gebouwen, niet een tweede maal mag meetellen voor de toelaatbaarheid van andere gebouwen, als die grond inmiddels tot een ander bouwperceel is gaan behoren. Algemene bouwregels. Naast de bouwregels die opgenomen zijn in hoofdstuk 2 van de planregels, gelden er aanvullende algemene bouwregels.

De algemene bouwregels hebben betrekking op alle bestemmingen die binnen dit bestemmingsplan zijn opgenomen. Algemene gebruiksregels. In dit artikel staat omschreven wat binnen de bestemmingsregeling, zoals opgenomen in hoofdstuk 2 van de planregels, onder strijdig gebruik wordt verstaan. Algemene afwijkingsregels. Dit artikel is opgenomen om ondergeschikte afwijkingen van het bestemmingsplan met een algemene bevoegdheid mogelijk te maken. De regeling voorziet in een duidelijke begrenzing van het toepasbaar bereik van de afwijking. Overgangsrecht. Hierin is het overgangsrecht ten aanzien van het bouwen en gebruiken van gronden en opstallen opgenomen. Slotregel.

26

Het laatste artikel van het bestemmingsplan betreft de slotregel, waarin de naam, zoals de regels aangehaald kunnen worden, is opgenomen.

4.3 Handhaving De gemeente Albrandswaard is belast met het toezicht op de uitvoering van de bouwwerkzaamheden overeenkomstig het bepaalde in dit bestemmingsplan. Bij de opstelling van de bouwregels is de bestemmingsplansystematiek van het bestemmingsplan ‘Polder Albrandswaard’ in acht genomen.

27

5. Uitvoerbaarheid Het plan omvat de herziening van de bestemming van het perceel Albrandswaardseweg 86c te Poortugaal. Het betreft een particuliere ontwikkeling waar geen overheidsmiddelen ingezet behoeven te worden. De financiële dekking voor het plan is hiermee geregeld en de financiële uitvoerbaarheid gewaarborgd. 5.1 Economische uitvoerbaarheid Artikel 6.12, lid 1 Wro bepaalt dat de gemeenteraad wordt verplicht om de gronden, waarop een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen bouwplan is voorgenomen, een exploitatieplan op te stellen. Artikel 6.2.1 Besluit ruimtelijke ordening geeft aan om welke bouwplannen het gaat. De bouw van een woning is daarbij genoemd. Met de gemeente is daarom een anterieure overeenkomst gesloten, waarin het gemeentelijk kostenverhaal is geregeld. Voor onderhavig plan is derhalve geen exploitatieplan noodzakelijk. 5.2 Planschade Tussen de gemeente en de eigenaar/ initiatiefnemer is ter afdekking van eventuele planschadeclaims een planschadeovereenkomst ex artikel 6.4a Wro afgesloten. 5.3 Maatschappelijke uitvoerbaarheid Initiatiefnemer heeft de direct omwonenden van het plan geïnformeerd over het plan tot de afbraak van de schuur en de bouw van een woning. Eén van de omwonenden heeft aangegeven geen voorstander te zijn van het plan.

Daarbij is aangegeven dat de gemeente in het verleden heeft gezegd dat er geen bouwmogelijkheden aanwezig zijn voor een woning in het plangebied, maar dat er nu toch medewerking wordt verleend. De gemeente was in het verleden eigenaar van deze grond en heeft aangegeven dat ontwikkelingen die strijdig zijn met de in paragraaf 1.1 van deze toelichting genoemde documenten (Beeldkwaliteitsplan en Landschapsontwikkelingsplan). Het betrokken perceel is in januari 2000 verkocht aan initiatiefnemer. Die heeft een bouwplan voorbereid voor het perceel, dat uiteindelijk de omvang en vorm gekregen heeft zoals opgenomen in dit bestemmingsplan. Deze inspraakreactie zal bij de verdere besluitvorming worden betrokken. Overigens zijn geen reacties ontvangen van omwonenden.

28

6. Vooroverleg en zienswijzen De procedure voor vaststelling van een bestemmingsplan zijn door de wetgever geregeld. Op de voorbereiding van een bestemmingsplan is de uniforme openbare voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. 6.1 Vooroverleg Het bestemmingsplan is op grond van het bepaalde in art. 1.1.1 lid 3 Bro voorgelegd aan vooroverleginstanties. Uitkomst vooroverleg pm 6.2 Zienswijzen Op de voorbereiding van een bestemmingsplan is de uniforme openbare voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing (artikel 3.9a, lid 1 Wro). Dit houdt in dat belanghebbenden in de gelegenheid worden gesteld om gedurende 6 weken hun zienswijze naar aanleiding van het ontwerp-bestemmingsplan naar voren te kunnen brengen, alvorens het bestemmingsplan wordt vastgesteld. Eventueel ingediende zienswijzen worden behandeld en indien nodig in het plan verwerkt. Burgemeester en wethouders dienen vervolgens binnen 8 weken na afloop van de terinzagelegging omtrent de herziening te besluiten. Tegen een vastgesteld bestemmingsplan staat beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, eventueel in combinatie met een verzoek om voorlopige voorziening. Het bestemmingsplan is met ingang van xx ter inzage gegaan voor de duur van 6 weken.

Tijdens de ter visie ligging van het ontwerpbestemmingsplan zijn wel/geen zienswijzen ingediend.

29

Bestemmingsplan ‘Albrandswaardseweg 86c Poortugaal´ gemeente Albrandswaard Regels

Inhoudsopgave

Hoofdstuk 1 Inleidende regels Artikel 1 Begrippen Artikel 2 Wijze van meten Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels Artikel 3 Wonen Artikel 4 Leiding - Water Artikel 5 Waarde – Archeologie 1 Hoofdstuk 3 Algemene regels Artikel 6 Anti-dubbeltelregel Artikel 7 Algemene aanduidingsregels Artikel 8 Algemene bouwregels Artikel 9 Algemene gebruiksregels Artikel 10 Algemene afwijkingsregels Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels Artikel 11 Overgangsrecht Artikel 12 Slotregel

Ontwerp: december 2023

1

HOOFDSTUK 1 Inleidende regels Artikel 1 Begrippen In deze regels wordt verstaan onder: 1.1 plan het bestemmingsplan ´Albrandswaardseweg 86c Poortugaal´ met identificatienummer NL.IMRO.0613.BPAlbrweg86c-ONT1 van de gemeente Albrandswaard; 1.2 bestemmingsplan de geometrische bepaalde planobjecten met bijbehorende regels; 1.3 aanduiding een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden; 1.4 aanduidingsgrens de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft; 1.5 aan huis verbonden bedrijf het beroepsmatig verlenen van diensten of het uitoefenen van ambachtelijke bedrijvigheid door middel van handwerk, waarvan de omvang in een woning met bijbehorende gebouwen past en de woonfunctie in ruimtelijke en visuele zin in overwegende mate behouden blijft; 1.6 aan huis verbonden beroep een (para) medisch, juridisch, administratief, therapeutisch ontwerptechnisch, adviesgevend of daarmee gelijk te stellen dienstverlenend beroep, alsmede het beroep van schoonheidsspecialist en pedicure, dat in een woning wordt uitgeoefend, waarbij de woning in overwegende mate haar woonfunctie behoudt en dat een ruimtelijke uitwerking of uitstraling heeft, die met de woonfunctie in overeenstemming is; 1.7 actief erf Een actief erf draagt bij aan de belevingswaarde van de

polder en aan de toegankelijkheid van de polder. De activiteiten op het actief erf staan in het teken van beleving van het polderlandschap en legt ook directe relatie met dit landschap en het boerenleven. De activiteiten die op het actief erf plaatsvinden zijn kleinschalig. Het agrarische karakter, toegankelijkheid en ontmoeten staan centraal bij het realiseren van een actief erf. 1.8 archeologisch deskundige een door het college van Burgemeester en Wethouders aan te wijzen deskundige op het gebied van archeologie;

2

1.9 archeologisch onderzoek onderzoek (bureauonderzoek, booronderzoek, gravend onderzoek, begeleiding van bodemingrepen) verricht door een daartoe bevoegde instantie of onderneming; 1.10 bebouwing één of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde; 1.11 bedrijfswoning een woning in of bij een gebouw of op een terrein, slechts bedoeld voor (het huishouden van) een persoon, wiens huisvesting daar, gelet op de bestemming van het gebouw of het terrein, noodzakelijk is; 1.12 bestaand bouwwerk een bouwwerk dat ten tijde van terinzagelegging van het ontwerp van dit plan bestaat of wordt gebouwd, dan wel nadien kan worden gebouwd krachtens een (melding of) omgevingsvergunning, waarvoor de aanvraag voor het tijdstip van terinzagelegging is ingediend; 1.13 bestemmingsgrens de grens van een bestemmingsvlak; 1.14 bestemmingsvlak een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming; 1.18 bewoning de huisvesting van één afzonderlijk huishouden; 1.15 bouwen het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk; 1.16 bouwgrens de grens van een bouwvlak; 1.17 bouwperceel een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten; 1.18 bouwperceelgrens de grens van een bouwperceel; 1.19 bouwvlak een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar

ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten; 1.20 bouwwerk een bouwkundige constructie van enige omvang die direct en duurzaam met de aarde is verbonden; 3

1.21 dak iedere bovenbeëindiging van een gebouw; 1.22 erf al dan niet bebouwd perceel, of een gedeelte daarvan, dat direct is gelegen bij een hoofdgebouw en dat in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat gebouw, en, voor zover een bestemmingsplan of een beheersverordening van toepassing is, deze die inrichting niet verbieden; 1.23 gebouw elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt; 1.24 hoofdgebouw één of meer panden, of een gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de geldende of toekomstige bestemming van een perceel en, indien meer panden of bouwwerken op het perceel aanwezig zijn, gelet op die bestemming het belangrijkst is; 1.25 normaal onderhoud onderhoudswerkzaamheden, als het vervangen van bestrating en dergelijke, die niet leiden tot verstoring van de ongeroerde bodem; 1.26 openbaar toegankelijk gebied weg als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994, alsmede pleinen, parken, plantsoenen, openbaar water en ander openbaar gebied dat voor publiek algemeen toegankelijk is, met uitzondering van wegen uitsluitend bedoeld voor de ontsluiting van percelen door langzaam verkeer; 1.27 peil a. indien op het land wordt gebouwd: 1. voor een bouwwerk op een perceel, waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst: i.

de hoogte van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang; 2. voor een bouwwerk op een perceel, waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst: i. • de hoogte van het terrein ter plaatse van die hoofdtoegang bij voltooiing van de bouw; b. indien in, op of over het water wordt gebouwd: 1. het Normaal Amsterdams Peil; 1.28 voorgevel de naar de weg gekeerde gevel van een gebouw of, indien het een gebouw betreft met meer dan één naar de weg gekeerde gevel, de gevel, welke door de gevelindeling en/of situering van de oprit en/of de voortuin als meest representatieve gevel van het gebouw dient te worden aangemerkt;

4

1.29 woning een ruimte of een complex van ruimten, blijkens zijn indeling en inrichting geschikt en bestemd voor de huisvesting van één huishouden; 1.30 zijdelingse perceelgrens de grens tussen twee percelen, die voor- en achterzijde van een perceel verbindt..

5

Artikel 2 Wijze van meten 2.1 de dakhelling langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak; 2.2 de goothoogte van een bouwwerk vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeiboord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel; 2.3 de inhoud van een bouwwerk tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen; 2.4 de bouwhoogte van een bouwwerk vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een overig bouwwerk met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen; 2.5 de oppervlakte van een bouwwerk tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk; 2.6 de afstand tot de zijdelingse (bouw)perceelgrens de kortste afstand van enig punt tot de zijdelingse (bouw)perceelgrens.

6

HOOFDSTUK 2 Bestemmingsregels Artikel 3 Wonen 3.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. gebouwen ten behoeve van eengezinswoningen; b. tuinen, erven en terreinen; c. parkeervoorzieningen; d. bouwwerken, geen gebouwen zijnde e. overige bij deze bestemming behorende voorzieningen. 3.2 Bouwregels 3.2.1 Gebouwen a. het aantal aaneen te bouwen woningen bedraagt maximaal 1; b. de inhoud van de woning bedraagt niet meer dan 600 m3, dan wel de bestaande inhoud, met dien verstande dat deze afwijking niet mag worden vergroot; c. de woning moet binnen het bouwvlak worden gebouwd; d. de goot- en bouwhoogte bedraagt niet meer dan 4 en 9 meter, dan wel de bestaande gooten bouwhoogte indien deze meer bedraagt; e. de woningen dienen te worden afgedekt met een kap waarvan de dakhelling ten minste 30o en ten hoogste 60o mag bedragen; f. de inhoud van gebouwen ten behoeve van nutsvoorzieningen bedraagt niet meer dan 50 m³; g. de bouwhoogte van gebouwen ten behoeve van nutsvoorzieningen bedraagt niet meer dan 3 meter. 3.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde a. de hoogte van erf- en terreinafscheidingen mag niet meer dan 2 meter bedragen, met dien verstande dat de hoogte van erf- en terreinafscheidingen vóór de voorgevel c.q. het verlengde daarvan niet meer dan 1 meter mag bedragen; b.

de hoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer dan 2 meter bedragen.

7

Artikel 4 Leiding - Water 4.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Leiding - Water' aangewezen gronden zijn, behalve voor de daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor een ondergrondse waterleiding. 4.2 Bouwregels 4.2.1 Primair Op de in artikel 4 lid 1 bedoelde gronden mogen uitsluitend overige bouwwerken ten dienste van de bestemming worden gebouwd met een maximale bouwhoogte van niet meer dan 3 m. 4.2.2 Secundair Ten behoeve van de andere, voor deze gronden geldende bestemming(en) mogen geen bouwwerken worden gebouwd. 4.3 Afwijken van de bouwregels Burgemeester en wethouders kunnen bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 4 lid 2.2 ten behoeve van de bouw van bouwwerken ten dienste van de andere daar voorkomende bestemmingen, onder de voorwaarde, dat: a. de belangen met betrekking tot de betrokken leidingen dit toelaten; b. alvorens een omgevingsvergunning te verlenen schriftelijk advies wordt ingewonnen bij de beheerder van de betrokken leiding.

4.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 4.4.1 Verbod Het is verboden ten behoeve van het leidingbelang ter plaatse van de gronden als bedoeld in artikel 4 lid 1 de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren, te doen uitvoeren of te laten uitvoeren, zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden van burgemeester en wethouders: a. het aanbrengen van diepwortelende beplanting; b. het uitvoeren van heiwerkzaamheden of het op andere wijze ingraven dan wel indrijven van voorwerpen; c. het uitvoeren van grondwerkzaamheden; d. het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen. 4.4.2 Uitzonderingen Het bepaalde in artikel 4 lid 4,1 is niet van toepassing op werken en werkzaamheden die: a. worden uitgevoerd in het kader van het onderhoud en beheer van de leiding; b. van geringe omvang zijn of gericht op en noodzakelijk zijn voor de instandhouding van de leiding; c. niet van ingrijpende betekenis zijn. 4.4.3 Toelaatbaarheid Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 4 lid 4.1 wordt uitsluitend verleend indien gebleken is dat door de werkzaamheden geen schade kan ontstaan aan de leiding. 8

4.4.4 Advies Burgemeester en wethouders winnen ten behoeve van de beoordeling van een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 4 lid 4.1 schriftelijk advies in bij de leidingbeheerder.

9

Artikel 5 Waarde – Archeologie 1 5.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Waarde - Archeologie - 1' aangewezen gronden zijn, naast de andere, voor die gronden aangewezen bestemmingen, mede bestemd voor de bescherming en het behoud van de op en/of in deze gronden voorkomende archeologische waarden. 5.2 Bouwregels Voor bouwwerken met een oppervlakte groter dan 100 m² moet, alvorens een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk, wordt verleend, door de aanvrager een rapport worden overgelegd waarin, naar het oordeel van het bevoegd gezag: a. de archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag kunnen worden verstoord in voldoende mate zijn vastgesteld; en b. in voldoende mate is aangegeven op welke wijze de archeologische waarden worden bewaard en/of gedocumenteerd. c. Indien uit het in artikel 5 lid 2 genoemde rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het verlenen van de omgevingsvergunning zullen worden verstoord, kan het bevoegd gezag één of meer van de volgende voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning: 1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor de archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden; 2. de verplichting tot het doen van opgravingen; 3.

de verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van archeologische monumentenzorg die voldoet aan door het bevoegd gezag bij de vergunning te stellen kwalificaties. Indien het bevoegd gezag voornemens is om aan de vergunning voorwaarden te verbinden als bedoeld in artikel 5 lid 2 sub c, wordt een archeologisch deskundige om advies gevraagd. 5.2.1 Rapport archeologisch deskundige In het belang van de archeologische monumentenzorg dient de aanvrager van een omgevingsvergunning voor het bouwen een rapport aan burgemeester en wethouders te overleggen van een archeologisch deskundige waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld. Deze bepaling heeft uitsluitend betrekking op aanvragen om omgevingsvergunning voor het bouwen van bouwwerken (waaronder begrepen het heien van heipalen en het slaan van damwanden) welke voldoen aan de oppervlakte- en/of dieptematen welke genoemd zijn in 5.2. 5.2.2 Mogelijke voorwaarden te verbinden aan omgevingsvergunning voor het bouwen Burgemeester en wethouders kunnen in het belang van de archeologische monumentenzorg aan een omgevingsvergunning voor het bouwen de volgende regels verbinden: a.

de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische monumenten in de bodem kunnen worden behouden; b. de verplichting tot het doen van archeologisch onderzoek; 10

c. de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een archeologisch deskundige. 5.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 5.3.1 Verbod In het belang van de archeologische monumentenzorg is het verboden zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van burgemeester en wethouders de hierna onder 5.3.2 genoemde werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren of te doen c.q. te laten uitvoeren die dieper reiken dan 100 cm beneden maaiveld en die tevens een terreinoppervlakte groter dan 200 m2 beslaan. 5.3.2 Het vergunningvereiste betreft de volgende werken c.q. werkzaamheden a. grondbewerkingen (van welke aard dan ook); b. het aanbrengen van diepwortelende beplantingen en/of bomen; c. het indrijven van voorwerpen in de bodem; d. het wijzigen van het maaiveldniveau door ontginnen, bodemverlagen, afgraven; e. het ingraven van ondergrondse kabels en leidingen en daarmee verband houdende constructies e.d.; f. het aanleggen van waterlopen of het vergraven van bestaande waterlopen.

5.3.3 Uitgezonderde werkzaamheden Het vergunningvereiste geldt niet voor werken (geen bouwwerken zijnde) of voor werkzaamheden gericht op het normale onderhoud en beheer van de betreffende gronden, niet voor bedoelde activiteiten welke in uitvoering waren ten tijde van inwerkingtreding van dit bestemmingsplan en evenmin voor bestaande weg- en leidingcunetten. 5.3.4 Vergunning Vergunning wordt verleend nadat de aanvrager een rapport aan burgemeester en wethouders heeft overlegd van een archeologisch deskundige waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld. 5.3.5 Mogelijke voorwaarden te verbinden aan vergunning Aan een vergunning kunnen de volgende regels worden verbonden: a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische monumenten in de bodem kunnen worden behouden; b. de verplichting tot het doen van archeologisch onderzoek; c. de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt te laten begeleiden door een archeologisch deskundige.

11

HOOFDSTUK 3 Algemene regels Artikel 6 Anti-dubbeltelregel Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

Artikel 7 Algemene aanduidingsregels 7.1 Geluidzone - industrie De bouw van geluidsgevoelige objecten ter plaatse van de aanduiding 'Geluidszone industrie' is uitsluitend toegestaan indien voldaan kan worden aan de in de Wet geluidhinder gestelde normen.

Artikel 8 Algemene bouwregels 8.1 In die gevallen dat de bestaande goothoogte, bouwhoogte, oppervlakte en/of inhoud van bouwwerken, die in overeenstemming met het bepaalde in de Woningwet en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht tot stand zijn gekomen meer bedraagt dan in de bouwregels in hoofdstuk 2 van deze regels is toegestaan, geldt die goothoogte, bouwhoogte, oppervlakte en/of inhoud in afwijking daarvan als maximaal toegestaan. 8.2 In die gevallen dat de bestaande afstand tot enige op de verbeelding aangegeven lijn van bouwwerken, die in overeenstemming met het bepaalde in de Woningwet en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht tot stand zijn gekomen minder bedraagt dan in de bouwregels in hoofdstuk 2 van deze regels is voorgeschreven, geldt die afstand in afwijking daarvan als minimaal toegestaan. 8.3 In die gevallen dat een bestaand bebouwingspercentage, dat in overeenstemming met het bepaalde in de Woningwet en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht tot stand is gekomen, meer bedraagt dan in de bouwregels in hoofdstuk 2 van deze regels is voorgeschreven, geldt dat bebouwingspercentage in afwijking daarvan als maximaal toegestaan. 8.4 De regels zoals opgenomen in de artikelen 8.1 tot en met 8.3 hebben betrekking op: a. bestaande bouwwerken; b. uitbreiding van bestaande bouwwerken; c.

sloop en vervangende nieuwbouw van bestaande bouwwerken; met dien verstande dat deze regels uitsluitend betrekking hebben op bouwwerken binnen het bouwperceel waarin de bouwwerken met van de regels afwijkende maatvoering, zijn gesitueerd.

12

8.5 algemene regels met betrekking tot ondergronds bouwen Ondergrondse ruimten zijn uitsluitend toegestaan ter plaatse van bovengrondse bebouwing, tenzij in de bouwregels van de betreffende bestemming anders is bepaald. Op het bouwen van ondergrondse bouwwerken zijn de aanduidingen op de verbeelding en de bouwregels van het plan op overeenkomstige wijze van toepassing, met dien verstande dat: a. de verticale diepte van ondergrondse bouwwerken niet meer bedraagt dan 3 m beneden peil; b. de verticale diepte van een ondergronds bouwwerk dat in gebruik is als rioolgemaal niet meer bedraagt dan 6 m beneden peil.

Artikel 9 Algemene gebruiksregels 9.1 Het is verboden de in het plan begrepen gronden en de daarop voorkomende bouwwerken te gebruiken op een wijze of tot een doel strijdig met de in het plan aan de grond gegeven bestemming(en). 9.2 Onder verboden gebruik als bedoeld in artikel 9.1 wordt in elk geval verstaan: a. een gebruik van gronden als stort- en/of opslagplaats van grond en/of afval, met uitzondering van een zodanig gebruik voor het normale op de bestemming gerichte gebruik en onderhoud; b. een gebruik van gronden als stallings- en/of opslagplaats van één of meer aan het gebruik onttrokken machines, voer-, vaar- of vliegtuigen, met uitzondering van een zodanig gebruik voor het normale op de bestemming gerichte gebruik en onderhoud; c. een gebruik van gronden en bouwwerken voor een seksinrichting dan wel ten behoeve van prostitutie. 9.3 Bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het in artikel 9.1 gestelde verbod, indien strikte toepassing ervan zou leiden tot een beperking van het meest doelmatige gebruik, dat niet door dringende redenen wordt gerechtvaardigd.

Artikel 10 Algemene afwijkingsregels Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van: a. het oprichten van transformatorhuisjes, gemaalgebouwtjes en andere nutsgebouwtjes met een inhoud van ten hoogste 150 m3 en een goothoogte van ten hoogste 4 meter, welke in het kader van de nutsvoorzieningen nodig zijn; b. het afwijken van de voorgeschreven maatvoeringen voor bouwwerken, indien in verband met ingekomen bouwplannen deze wijzigingen nodig zijn, waarbij van de maatvoeringen met ten hoogste 10% mag worden afgeweken;

13

HOOFDSTUK 4 Overgangs- en slotregels Artikel 11 Overgangsrecht 11.1 Overgangsrecht bouwwerken a. Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot; 1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd; 2. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan. b. Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van het eerste lid een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in het eerste lid met maximaal 10%. c. Het eerste lid is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan. 11.2 Overgangsrecht gebruik a. Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet. b.

Het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in het eerste lid, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind. c. Indien het gebruik, bedoeld in het eerste lid, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten. d. Het eerste lid is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.

Artikel 12 Slotregel Deze regels worden aangehaald als Regels van het bestemmingsplan ‘Albrandswaardseweg 86c Poortugaal ´ van de gemeente Albrandswaard.

14

Plangebied

4

Albrandswaardseweg Portugaal

9

Enkelbestemmingen Alb ran dsw aar dse weg

86

86c

W

Wonen

Dubbelbestemmingen L-W

Leiding - Water

WR-A

Waarde - Archeologie

88

Gebiedsaanduidingen

W

geluidzone - industrie

Bouwvlakken bouwvlak

Maatvoeringen

L-W

C 1411

4 9

maximum goothoogte (m) maximum bouwhoogte (m)

Verklaringen C 1410

86b

topografische en kadastrale gegevens (BGT, BRK versie per mei 2022)

WR-A

GEMEENTE ALBRANDSWAARD BESTEMMINGSPLAN Albrandswaardseweg 86a Portugaal

Ontwerp

november 2023

tek.

0609.343-B-01

blad

1 van 1

schaal 1 : 500

NL.IMRO.0613.BPAlbrweg86c-ONT1

versie ON01

-

gew.

-

get.

29 juli 2022

pmw.

J.P. Jansen

C 1412

t. 0180 - 61 31 44

ovember 2023

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.albrandswaard.nl/api/v1/meetings/3654/documents/31721