Vergroening Alblasserdam - Algemene omschrijving.pdf
Tekst van het document
Vergroening Alblasserdam Algemene omschrijving
Opsteller Lex Koelewijn (groenbeheerder, gemeente Alblasserdam) Grafische vormgeving JACCO Inrichting Buitenruimte Versie 1.0 Datum 26-01-2026
Inhoudsopgave 1 Waarom vergroenen? 1.1 Inleiding 1.2 Hoe staat Alblasserdam er eigenlijk voor? 1.3 De 3-3-300 methode 1.4 Vertaalslag naar het boomkroonvolume 1.5 Conclusie 2 Groenbeleid Alblasserdam 2.1 Inleiding 2.2 Groenstructuurplan 2.3 Groene Kaart 2.4 Bomenverordening 2.5 Speelruimtebeleidsplan 2.6 Beleidsnota Klimaatadaptatie Gemeente Alblasserdam 2.7 Inrichtingsconvenant Groenblauwe Dooradering Alblasserwaard - Vijfheerenlanden 3 Hoe kan Alblasserdam vergroenen? 3.1 Inleiding 3.2 Bijplanten van groen en bomen 3.3 Vervangen bomen en/of verbeteren omstandigheden bestaande bomen 3.4 Behoud (grote) monumentale bomen 3.5 Vervangen beplanting/verbeteren omstandigheden beplanting 3.6 Variatie in bomen en beplanting: 3.7 Groeiomstandigheden en sortimentskeuze 3.8 Inheemse soorten 3.9 Groen en spelen 3.10 Groen en recreëren 3.11 Verminderen van verharding 3.12 Vergroten waterberging en biodiversiteit door aanleg van wadi’s en NVO’s 3.13 Aanpassen maai en slootwerk 3.14 Bloemrijke bermen 3.15 Nestkasten, vleermuiskasten en bijenhotels 4 Gesprekspartners 4.1 Inleiding 4.2 Collega’s 4.3 Vrijwilligers en adviseurs 4.4. Woonkracht10 4.5 Andere overheden 4.6 Ondernemers en bewoners 4.7 Overige organisaties en initiatieven 5 Vergroening op de hoofdroutes van Alblasserdam 5.1 Indeling hoofdroutes
3 4 5 10 14 15 15 16 17 17 17 18 19 19 22 30 33 33 36 36 37 38 39 42 45 45 46 47 47 47 50 53 54 55 56 57
Bijlagen
Bijlage 1: Toelichting op de 3-30-300 methode Bijlage 2: Toelichting op Landelijke Bomennorm Bijlage 3: Handboek Inrichtingsconvenant Groenblauwe Dooradering Alblasserwaard - Vijfheerenlanden Bijlage 4: 75 Soorten door WUR geadviseerd Bijlage 5: Biodiversiteit Alblasserdam (De Groene Long)
2
1 Waarom vergroenen? 1.1 Inleiding bewegen. Mensen herstellen bij ziekte aantoonbaar sneller. Spelen, recreëren, bewegen en ontmoeten in het groen zorgt aantoonbaar voor verbetering van de fysieke en geestelijke gesteldheid van haar inwoners. FIT EN GROEN!!
Het college heeft in haar collegeprogramma als één van haar ambities opgenomen om met Alblasserdam toe te willen groeien naar een fit en groen dorp in de polder. Doel van het college is dan ook het verder verbeteren van de sociale en fysieke leefomgeving van de inwoners van Alblasserdam. Onder de noemer van een fit en groen dorp in de polder werkt het college actief aan het vergroenen en verduurzamen van Alblasserdam opdat we beter in staat zijn mee te bewegen met de klimaatverandering, maar ook omdat een groene leefomgeving een positieve uitwerking heeft op de gezondheid van de inwoners.
Door menselijke activiteit staat de biodiversiteit enorm onder druk. Stikstofuitstoot, intensieve landbouw en de afname van natuurlijk areaal, zorgt voor een zeer beperkte variatie aan plantengroei. In onze landelijke omgeving levert dit een monocultuur op van Engels raaigras. De wetenschap waarschuwt al jaren voor de dramatische afname van de aantallen en soorten insecten. Meer en gevarieerder groen (kruiden, bloemen, bollen), andere inrichting van groen (bijv. de aanleg van natuurvriendelijke oevers) en ander beheer (bijv. minder frequent maaien en het maaisel afvoeren en/ of vegetatie één of meer jaar ongemoeid laten) dragen allemaal bij aan het vergroten van de biodiversiteit. Juist het groen binnen- en aan de randen van het dorp biedt mogelijkheden voor flora en fauna om zich te vestigen en te overleven.
Het uitvoeringsprogramma zegt dat een fit en groen dorp verder gaat dan alleen de energietransitie; ook onze fysieke omgeving moet beter bestand zijn tegen de klimaatverandering. Het college zet verdere stappen in het vergroenen en verduurzamen van de buitenruimte zoals benoemd in haar ambitie. Alblasserdam onderkent hiermee het belang van groen. Meer en gezond groen kan een lokaal antwoord zijn op de klimaatveranderingen, die, zo zijn de voorspellingen in de toekomst een steeds grotere impact gaan krijgen op ons dorp en onze inwoners. Periodes van hitte, droogte en neerslag zullen langduriger en extremer worden. Groen zorgt voor schaduw en verkoeling en kan in tegenstelling tot verharding water opnemen en vasthouden. Groen is in staat om de temperatuur in de stedelijke omgeving te temperen en groen kan bijdragen aan het bufferen van overtollig water.
Tot slot, en dat wordt wel eens vergeten, wordt de grote maatschappelijkeen economische waarde van groen in de woon- werk- en leefomgeving steeds belangrijker. Woningen in het groen zijn bijvoorbeeld meer waard. Bedrijven vestigen zich graag in een representatieve groene omgeving. Groen vertegenwoordigt kapitaal en is een investering voor de toekomst. Allemaal redenen om Alblasserdam te vergroenen. En mocht dit nog wat vrijblijvend klinken: De onlangs vastgestelde EUNatuurherstelwet verplicht alle lidstaten om het herstel van stedelijke ecosystemen actief aan te pakken. Artikel 8 van deze wet zegt concreet: geen verlies van boomkroonbedekking en groene ruimte binnen de bebouwingscontouren. Vanaf 2030 moet er zelfs sprake zijn van groei. Gemeenten hebben een sleutelrol in deze vergroeningsopgave. Zij moeten ervoor zorgen dat het groen in dorpen en steden niet afneemt, maar juist toeneemt. Het jaar 2024 geldt als nulmeting: het ijkpunt waarop de uitgangssituatie wordt vastgelegd.
Daarnaast legt groen CO2 vast en vangt groen fijnstof af. Groen draagt daarmee bij aan een gezondere leefomgeving. Niet onbelangrijk voor Alblasserdam, waar de luchtkwaliteit onder druk staat. Studies laten zien dat mensen zich in en groene omgeving prettiger voelen en gezonder zijn, meer naar buiten gaan en daardoor meer 3
1.2 Hoe staat Alblasserdam er eigenlijk voor? Alblasserdam heeft ruim 60 hectare (ha) openbaar groen. Dit is verdeelt over de volgende groentypen: • 2,5 ha bos • 9 ha bosplantsoen • 4 ha sierheesters • 2,5 ha bodembedekkers • 0,5 ha vaste planten • 42 ha gras en rietlanden
De WHO (World Health Organization) adviseert een hoeveelheid van 50 m2 openbaar groen per inwoner in de stedelijke omgeving. Alblasserdam komt totaal aan de 30 m2/pp. Maar dat is incl. groen in het buitengebied en de bedrijventerreinen. Als het gaat om het aantal bomen per inwoner blijkt dat Alblasserdam ergens onder aan de lijst van “Groene Gemeenten” in Nederland staat. Alblasserdam zit met 0,4 (gemeentelijke) boom/per inwoner onder het landelijk gemiddelde. Daar is overigens best wat op af te dingen omdat dit vooral is gebaseerd op het aantal bomen binnen een gemeente. Alblasserdam is immers een compact dorp aan de rand van een zeer stedelijk gebied, waar desondanks het water, het dijklint en het open polder landschap in grote mate het karakter bepalen. Het zijn juist die (groene en blauwe) kwaliteiten die Alblasserdam bijzonder maken en die onze inwoners in hoge mate waarderen. Dit laat onverlet dat met name binnen de stedelijke contouren van Alblasserdam, juist de plek waar onze inwoners het meest verblijven, het groen en de bomen in de buitenruimte onder grote druk staan. De profielen zijn over het algemeen smal en vaak niet berekend op de toename van verkeer en de parkeerbehoefte.
Daarnaast vinden er nog voortdurend inbreidingen plaats op voorheen openbaar toegankelijke groene ruimtes en zijn de bedrijventerreinen de afgelopen decennia tot aan de grenzen met Papendrecht doorgegroeid. De ruimte voor groen in het algemeen en voor bomen in het bijzonder worden daarmee steeds schaarser.
Afbeelding 1: Aantal bomen per persoon (bron CBS/Cobra Groeninzicht) 4
1.3 De 3-3-300 methode Wanneer is er nu eigenlijk sprake van voldoende bomen. Dat is iets waar veel wetenschappers en groendeskundigen al een tijdje het hoofd over breken. Inmiddels lijkt er steeds meer consensus te ontstaan op dit gebied. Internationaal begint de 3-30-300 methode, ontwikkeld door prof. Dr. Ceciel van Konijnendijk, meer en meer geaccepteerd te worden.
Voor Alblasserdam zijn, door boomtechnisch bureau Cobra, kaarten gemaakt waarbij voor elk van de bovenstaande uitgangspunten per woning zichtbaar is gemaakt of deze wel of niet voldoet aan de bovenstaande criteria. De kaartjes laten zien dat er in Alblasserdam vanuit een beperkt aantal woningen zicht is op voldoende volwassen bomen; dat er vrijwel vanuit elke woning of buurt een groene ruimte van voldoende omvang, in de vorm van een parkje of groene verblijfsruimte, te vinden is; dat vrijwel nergens de 30 % kroonprojectie wordt gehaald. Worden de 3 criteria samen gebracht in een totaalkaartje dan scoren veel locaties een magere voldoende tot een zware onvoldoende.
Het staat voor de volgende uitgangspunten: Iedere inwoner moet vanuit zijn woning zicht hebben op 3: tenminste 3 volwassen bomen. In een buurt of straat dient 30 % van het aardoppervlak te worden 30: bedekt door boomkronen. Iedere inwoner moet binnen een loopafstand van 300 meter een 300: groen verblijfsgebied kunnen vinden in de vorm van een groter plantsoen of park.
(Bijlage 1: Toelichting op de 3-30-300 methode)
Afbeelding 2: Illustratie 3-30-300 methode
5
Afbeelding 3: 3-30-300 methode: Zicht op 3 volwassen bomen (bron: Cobra) 6
Afbeelding 4: 3-30-300 methode: Boomkroonbedekking 30% (bron: Cobra) 7
Afbeelding 5: 3-30-300 methode: Binnen 300 m. een park (bron: Cobra) 8
Afbeelding 6: 3-30-300 methode: Rapportcijfer (bron: Cobra) 9
1.4 Vertaalslag naar het boomkroonvolume Het Norminstituut Bomen heeft de Landelijke Bomennorm ontwikkeld. (Bijlage 2: Toelichting op Landelijke Bomennorm) Doel van deze norm is om kwalitatief te vergroenen. Niet het aantal bomen telt, maar het boomkroonvolume. (veel kleine bomen hebben een kleiner boomkroonvolume dan één grote) Op basis van wetenschappelijk onderzoek is vastgesteld dat vanaf 30 % bedekkingsgraad van het aardoppervlak (de 30 uit de 3-30-300 methodiek) door boomkronen, het positief effect op de gezondheid flink toeneemt. Dit percentage is doorgerekend naar het boomkroonvolume (BKV), ofwel de inhoud van de boomkroon. Dit geeft namelijk een beter beeld van het formaat van de boom. Daarnaast bepaalt hetzelfde BKV de waarde van de functies van de boom (Hoe groter de kroon, hoe meer CO2 opname en fijnstof afvang, hoe meer water opname en schaduw, hoe meer flora en fauna er een plek vinden, hoe meer een boom bijdraagt aan de gezondheid van mensen). Om de vergroeningsopgave te bepalen heb je een nulmeting nodig. Hierin kan worden vastgesteld wat het huidige BKV van Alblasserdam is. Voor de gemeentelijke bomen is dit al indicatief in kaart gebracht m.b.v. de boommonitor, gebaseerd op de boomveiligheidscontroles (BVC) die met regelmaat worden uitgevoerd aan het Alblasserdamse bomenbestand.
Afbeelding 7: Wijkindeling Alblasserdam
De bomen zijn daarbij in verschillende BKV klasses ingedeeld, die variëren van < 75 m3 tot > 2500 m3. Naast de gemeentelijke bomen staan er natuurlijk ook bomen in tuinen en op bedrijventerreinen en op grond van Rijkswaterstaat en het waterschap bijv. Deze dragen eveneens bij aan het BKV, al is dit bij de laatste twee vooral in het buitengebied het geval. Afbeelding 8: Aantal bomen per wijk 10
Op basis van de verhouding tussen gemeentelijke bomen (ca. 8.000) en het totaal van de bomen (ca. 12.500) is het boomkroonvolume voor de woonwijken Kinderdijk, Blokweer, Centrum en Souburgh bepaald. Hierbij is de aanname gedaan dat de verhouding in BKV voor de gemeentelijke bomen gelijk is aan het BKV van de overige bomen.
Voor de mate van verstedelijking in de Alblasserdamse wijken zijn de CBS gegevens gebruikt. In de tabel (hiernaast) zijn de gegevens bij elkaar gebracht. Hieruit kan geconcludeerd worden dat in de sterk tot zeer sterk verstedelijkte wijken, Blokweer, Centrum en Souburgh, het boomkroonvolume als “zeer weinig” kan worden bestempeld en dat voor de matig verstedelijkte wijk Kinderdijk (de ligging rondom de Groene Long speelt hier in grote mate in mee) het BKV als “weinig” wordt gedefinieerd.
Het Norminstituut heeft de berekend hoe het BKV zich verhoud tot de boomkroonbedekking.
Voor de verstedelijkte omgeving van Alblasserdam betekent dit dat het BKV ver achter blijft bij wat vanuit de normering wenselijk is. Bovendien blijkt uit de conditietabel vanuit de boommonitor, voortkomend uit de BVC, dat bij een derde van de gemeentelijke bomen de conditie op een onvoldoende is gezet. Dit kan betekenen dat zonder maatregelen de groei zal stagneren, dat het BKV mogelijk vermindert, of dat de conditie verder terugloopt waarbij uitval op korte of lange termijn niet uitgesloten is (zie afbeelding 11 en afbeelding 12).
Afbeelding 9: Verhouding BKV - boomkroonbedekking
Daarnaast is de mate van verstedelijking, het aantal huishoudens/m2 een belangrijk gegeven. Bij een hoge mate van verstedelijking is er doorgaans minder openbare ruimte en meer inspanning voor vergroening nodig.
Afbeelding 10: Mate van stedelijkheid
11
Afbeelding 11: Overzicht BKV per wijk en buurt 12
Afbeelding 12: Overzicht boomconditie
13
1.5 Conclusie Zou Alblasserdam aan het gewenste boomkroonvolume willen voldoen, dan betekent dit een enorme vergroeningsopgave. Het BKV zou binnen de verstedelijkte woonwijken van Alblasserdam idealiter met een factor 3 tot 4 moeten toenemen. Dit zou betekenen dat er per wijk, afhankelijk van de grootte van de bomen, honderden tot zelfs duizenden bomen bij moeten. Gezien de beperkt beschikbare ruimte is dit een onmogelijke opgave. Dit neemt niet weg dat Alblasserdam het BKV niet verder mag laten afnemen en waar mogelijk juist moet vergroten. Gezien het feit dat grote (gezonde) bomen vooral bijdragen aan het BKV, betekent dit, dat Alblasserdam zich met name op behoud daarvan zal moeten richten. Te beginnen bij het voorkomen dat de conditie van de huidige bomenbestand verder achter uit gaat en daarmee het verbeteren van de groeiomstandigheden. Bestaande bomen hebben immers al een bepaald BKV bereikt. Bestaande (grote) bomen vervangen door nieuwe (kleine) betekent immers voor de eerste decennia een achteruitgang in BKV. Mocht vervangen de enige optie zijn, plant de nieuwe bomen dan in optimale plantlocaties en groeiomstandigheden, waardoor de nieuwe boom goed aanslaat en snel in omvang kan toenemen. Breidt daarnaast het areaal bomen (en beplanting) verder uit waar mogelijk.
Ga bij voorkeur voor bomen van eerste grootte (de grootste boomsoorten zoals eik, beuk, populier enz.) Het uiteindelijke BKV van een eerste grootte boom is al gauw tien keer groter dan dat van een boom van tweede grootte.
14
2 Groenbeleid Alblasserdam 2.1 Inleiding Als Alblasserdam “een fit en groen dorp in de polder” wil zijn, dan dient het groenbeleid daar in basis aan bij te dragen. Het groenbeleid is tot nu toe beschreven in het Groenstructuurplan 2018, de Bomenverordening 2023, waaronder de Groene Kaart en deels ook in het Speelruimtebeleidsplan 2021. Daarnaast is recent de “Inrichtingsconvenant AlblasserwaardVijheerenlanden Groenblauwe dooradering” mede ondertekend door de gemeente Alblasserdam.
Bij het groenstructuurplan is t.t.t. ook een uitvoeringsagenda opgesteld. Deze bevatte de volgende punten: 1. Snippergroenkaart actualiseren: de structurele groene waarden zijn middels de Groene Kaart vastgelegd in het Omgevingsplan (naast andere voorwaarden) waardoor voor een ieder duidelijk is of groen verkocht kan worden of niet. 2. Bomenverordening actualiseren: ja, is gebeurd. 3. Groene Kaart opstellen: ja, is gebeurd. 4. Groen beschermen in het omgevingsplan: de Bomenverordening is opgenomen in het Omgevingsplan. 5. Campagne Groener Alblasserdam voeren: doorlopend actueel, maar blijft aandacht vragen. 6. Bewonersparticipatie “Onze Groene Buurt” organiseren: bij o.a. binnentuin Waalsingel/Eksterstraat geprobeerd, maar er bleek t.t.t. op die locatie weinig draagvlak voor te zijn. Mogelijk bieden de ontwikkelingen in het kader van buurtkracht hiertoe ingangen. 7. Concrete maatregelen op korte termijn: o.a. uitvoer natuurvriendelijke oevers zijn uitgevoerd of in uitvoering. 8. Speelruimtebeleidsplan herzien: ja, is gebeurd. 9. Uitwerken Groene Loper: zie uitwerking DEEL 1, verderop in deze rapportage.
2.2 Groenstructuurplan In 2018 is het groenstructuurplan door de gemeenteraad vastgesteld. In het groenstructuurplan is beschreven waar de diverse soorten groen in Alblasserdam gewenst zijn en hoe versterking van de groenstructuur in samenhang met de water- en infrastructuur mogelijk is. Hiermee wordt de combinatie van deze hoofdstructuren beter herkenbaar, overzichtelijker en daarmee aantrekkelijker. Het is uitgangspunt voor het groenbeheer en fungeert als toetsingskader voor nieuwe ontwikkelingen in bebouwd en onbebouwd gebied en kijkt tot 15 jaar (2033) vooruit. Het groenstructuurplan draagt bij aan de (toenmalige) doelstelling van de gemeente Alblasserdam om een schone, hele en veilige leefomgeving te waarborgen. Tegelijkertijd wordt met het groenstructuurplan een bijdrage geleverd aan de doelstellingen voor fysieke en sociale duurzaamheid, een gezonde en actieve leefstijl van de inwoners, luchtkwaliteit en ontwikkeling van het centrum. Hiermee wordt de huidige doelstelling: “Een fit en groen dorp in de polder” ook geborgd!
15
2.3 Groene Kaart Bomen (en beplanting) binnen de grenzen van de Groene Kaart hebben een beschermde status omdat zij in hoge mate bijdragen aan de groenstructuur van Alblasserdam. Binnen de Groene Kaart vallen o.a. de groenstructuren langs hoofdwegen waaronder de Groene Loper, het beschermd dorpsgezicht, de Groene Long, parken en ecologisch belangrijke verbindingen. Naast al het overige groen is het juist van belang voor de groene uitstraling van Alblasserdam de Groene Kaart te respecteren. Eventuele kap kan en mag alleen bij ziekte of gevaar van de openbare veiligheid of zwaarwegende maatschappelijke belangen. Bij eventuele kap of uitval van groen moet dit volwaardig worden vervangen en zo mogelijk worden opgewaardeerd met duurzamer of robuuster groen. In de oude bomenverordening was er sprake van beschermwaardige particuliere bomen, die in principe niet gekapt mochten worden. In de nieuwe verordening geldt de Groene Kaart en hebben in principe alle bomen (dus ook gemeentelijke) binnen de grenzen van de Groene Kaart en sowieso alle bomen dikker dan 40 cm (doorsnede op 1,30 meter hoogte) een beschermde status. Indien particulieren of bedrijven een omgevingsvergunning voor kap indienen en deze vergunning wordt verstrekt, wordt vrijwel zonder uitzondering een herplantplicht opgelegd. De opgelegde herplantplicht werd echter in de praktijk niet altijd nagekomen.
Inmiddels worden de bomen, die met herplantplicht zijn gepland of geplant, op kaart vastgelegd, zodat kan worden bepaald of de gemaakte afspraak m.b.t. herplant wordt nagekomen en of deze (nog) jonge bomen een beschermde status hebben. In het overlastprotocol is vastgelegd wanneer sprake is van gerede overlast door groen en bomen. En vooral is ook vastglegd wanneer geen sprake is van overlast, om zo willekeur m.b.t. ingrijpen (snoei, kap) in vermeende overlastsituaties te voorkomen. Afbeelding 13: Groene Kaart Alblasserdam 16
2.4 Bomenverordening
2.6 Beleidsnota Klimaatadaptatie Gemeente Alblasserdam
In 2023 is de Bomenverordening Alblasserdam door de gemeenteraad vastgesteld. De Groene Kaart maakt onderdeel uit van de Bomenverordening. Met de bomenverordening wil Alblasserdam het volgende bereiken • Bescherming van bomen en beplanting binnen en buiten de groene zones in het dorp. • Het behouden en versterken van de groene waarden die bomen en beplanting vertegenwoordigen. • Kwaliteitsverbetering van bomen en beplanting bij vervanging, omvorming of compensatie. • Streven naar een hoeveelheid gemeentelijke bomen en groen per inwoner of huishouden, die de WHO aanbeveelt ten behoeve van een gezonde leefomgeving. (In de nota Ruimte geeft de Rijksoverheid aan dat 75 m2 groen per woning de minimale ondergrens is, de WHO geeft aan dat er in elke buurt of wijk minimaal een aaneengesloten stuk groen van 1 ha moet zijn). De laatste jaren vind de 3-30-300 regel steeds meer opgang. Vanuit elke woning moeten drie bomen van behoorlijke omvang zichtbaar zijn, 30% van het oppervlak dient bedekt te zijn door de kroonprojectie van bomen en vanaf elke woning moet binnen een afstand van 300 meter een park of plantsoen van enige omvang aanwezig te zijn om te kunnen verpozen en te recreëren.
In de beleidsnota Klimaatadaptatie (v.a. 2025) worden wateroverlast en hittestress door het veranderende klimaat onderkend. Een deel van de oplossing ligt in het behoud en het vergroenen van de Buitenruimte en sluit daarmee aan op deze vergroeningsrapportage. In de Regionale Adaptie Strategie (2022) geeft de AlblasserwaardVijfheerenlanden aan hoe zij zich gaan voorbereiden en aanpassen op de klimaatverandering. De Alblasserdamse beleidsnota is een lokale uitwerking van deze ambities. Klimaatadaptatie wordt ingezet op drie domeinen: • In de openbare ruimte waarin de gemeente zelf in reconstructies, bij beheer en onderhoud aan klimaatadaptatie invulling geeft door onder andere groenstructuren te verbinden en uit te breiden. • Op privéterrein door inwoners en bedrijven te stimuleren klimaatadaptieve maatregelen te nemen, door het aanbieden van boompjes, geveltuintjes en het delen van informatie. • Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen wordt een puntensysteem gehanteerd om daarmee initiatiefnemers te dwingen / te stimuleren invulling te geven aan klimaatadaptatie. Er moeten met andere woorden voldoende punten worden verzameld om doorgang te kunnen verlenen aan een ontwikkeling.
2.5 Speelruimtebeleidsplan
In het puntensysteem zijn “gezonde en groene leefomgeving”, “natuurinclusief bouwen”, “wateroverlast” en “klimaatadaptief bouwen” als thema’s opgenomen.
In 2021 is het speelruimte beleidsplan 2021-2036 vastgesteld. Het belang van groen is hierin vastgelegd. Naast speelruimte en speeltoestellen waarop de jeugd in elke leeftijdscategorie zich kan uitleven, is juist ook informele speelruimte in de vorm van bomen, bosschages en grasvelden gewenst. In het speelruimtebeleidsplan wordt dit ondervangen door grotere centrale speelplekken in elke wijk met voldoende groen, maar ook door het omvormen van “stenige wipkip-reservaatjes” in informele groene speelruimte.
Met name het eerste thema, de “gezonde en groene leefomgeving” heeft natuurlijk veel raakvakken met vergroening. Met behoud van bestaande bomen, de aanplant van voldoende nieuw groen en bomen is een nieuwe ontwikkeling beter voorbereid op klimaatverandering.
17
Met “natuurinclusief bouwen” is het de bedoeling toegevoegde waarde aan de biodiversiteit te genereren, door voorzieningen als nest- en overwinteringsplekken te maken voor vogels, vleermuizen en insecten en de aanleg van natuurvriendelijke oevers. Het thema “wateroverlast” kan mede worden ondervangen door voldoende groen langs de verharding aan te leggen waarin het water kan worden opgevangen en geborgen. “Klimaatadaptief bouwen” kan onder andere door de aanleg van groene gevels met klimplanten en groene daken met sedums, grassen en kruiden.
2.7 Inrichtingsconvenant Groenblauwe Dooradering Alblasserwaard-Vijfheerenlanden Dit inrichtingsconvenant stelt dat er urgente opgaven liggen in het buitengebied, zoals verhogen van de biodiversiteit, de klimaatopgave en verbetering van de waterkwaliteit. Daartoe hebben alle gemeenten gelegen binnen de Alblasserwaard Vijfheerenlanden, de twee provincies en het waterschap dit convenant (Bijlage 3) ondertekend, met als doel om 10 % groenblauwe dooradering te realiseren voor 2050. Het is de bedoeling dat hiermee een sterk herkenbaar en samenhangend netwerk van landschapselementen ontstaat dat ecologisch, hydrologisch en landschappelijk werkt. Naast afspraken over hoe landschappen en landschappelijke elementen moeten worden ingericht, zijn er tevens beheermaatregelen beschreven die zowel in het landelijk gebied als binnen de stedelijke contouren kunnen worden toegepast. Voor Alblasserdam geldt dit met name voor de bermen en watergangen binnen het dorp, maar ook voor de percelen die de gemeente Alblasserdam in het buitengebied heeft, zoals de weilanden en watergangen in polder Blokweer. Daarnaast zijn de afspraken zeker van toepassing op de plannen rond de gebiedsvisie voor polder Blokweer, waar 12,5 hectare nieuwe natuur gaat komen.
18
3 Hoe kan Alblasserdam vergroenen? 3.1 Inleiding De van Hogendorpweg ter hoogte van winkelcentrum de Touwbaan is onderdeel van de “Groene Loper”, maar dit gedeelte kan zeker nog wel wat vergroening gebruiken
Vergroenen, klimaatadaptatie en vergroting van de biodiversiteit kan niet los van elkaar worden zien. Omvormen van verharding naar groen maakt Alblasserdam groener èn zorgt er ook voor dat water langer wordt vastgehouden. De aanleg van natuurvriendelijke oevers draagt bij aan het vergroten van de biodiversiteit èn zorgt gelijktijdig voor meer waterberging. (Grote) bomen maken het dorp leefbaar èn door de schaduw en verdamping brengen ze verkoeling. Gedacht vanuit het 3-30-300 principe is de 30 % kroonbedekking het moeilijkst te realiseren. Toch zou gestreefd moeten worden, naar een zo groot mogelijke toename van het boomkroonvolume en ander groen om de leefbaarheid te vergroten en hittestress in de toekomst te verminderen. De locaties met de hoogste temperaturen vallen samen met de locaties waar bomen ontbreken. De inzet op vergroening zou wellicht op die locaties voorrang moeten krijgen, maar stuit vaak op praktische bezwaren omdat de beschikbare openbare ruimte vaak onvoldoende is. In de volgende hoofdstukken worden de verschillende mogelijkheden van vergroening en de relaties tot klimaat en biodiversiteit benoemd.
3.2 Bijplanten van groen en bomen Op veel plekken in Alblasserdam is groen de afgelopen decennia verdwenen, door projectontwikkeling, door werkzaamheden aan de infrastructuur, door dijkverzwaringen en de aanleg van kabels en leidingen. Ook zijn er bomen en groen spontaan uitgevallen en niet altijd vervangen. Om Alblasserdam groen te houden moeten we er alert op zijn om bij uitval van groen en bomen, deze zo snel mogelijk te compenseren. Hierbij zijn er beperkingen o.a. vanwege de keur, molenbiotopen, ondergrondse infra, boven en ondergrondse groeiruimte, maar op tal van locaties is er ruimte voor het uitbreiden/terugbrengen van het areaal groen en bomen. Afbeelding 14: Winkelcentrum de Touwbaan 19
Afbeelding 15: Blokweerweg (t.h.v. Badtasflat)
Afbeelding 16: Kruispunt Van Hogendorpweg - Maasstraat
Net om de hoek, de Blokweerweg. Zoek de verschillen!? Ook dit gedeelte maakt onderdeel uit van de Groene Loper; de vergroening is hier al aardig op orde!
Als de klinkerstroken tussen de rijbaan en het fietspad vervangen zouden worden door groen, geeft dit al weer en heel ander beeld. 20
Afbeelding 17: Van Eesterensingel (tussen Papaverstraat en de Kastanjelaan)
Afbeelding 18: Van Eesterensingel (tussen Papaverstraat en Blokweerweg)
Hier zijn lindes al langere tijd uitgevallen maar niet vervangen. Er is hier plaats voor minimaal vier nieuwe bomen. De overgebleven linde heeft overigens ook zijn beste tijd gehad.
Hier staan de lindes er optimaal bij. Het streven is dit beeld langs de hele van Eesterensingel terug te brengen. 21
3.3 Vervangen bomen en/of verbeteren omstandigheden bestaande bomen
Bomen vallen soms uit. De redenen zijn divers maar veelal zijn de slechte groeiomstandigheden de oorzaak. Zowel boven- als ondergronds. Terug planten van nieuwe bomen heeft dan weinig zin, omdat deze binnen de kortste keren ook weer tegen hun beperkingen aanlopen. Doorgaans proberen we de bomen integraal mee te nemen en de (groei) omstandigheden aan te pakken op het moment dat ook de bestrating en riolering worden vervangen. Mede omdat dit in Alblasserdam vaak samen gaat met ophogen van het maaiveld dat door de slechte ondergrond meer of minder is verzakt. Op dat moment kan je namelijk ook gelijk iets aan de ondergrondse groeiomstandigheden doen. Dit zijn immers intensieve en kostbare aanpassingen.
Natuurlijk kunnen of mòeten soms de groeiomstandigheden ook pro-actief worden verbeterd, omdat een algehele renovatie van de straat of het wegvak te lang op zich laat wachten en het gevaar bestaat dat bomen of complete lanen uit gaan vallen.
In principe moet een groeiplaats voor minimaal 30 jaar ruimte bieden aan een boom. Dit is gebaseerd op de gemiddelde renovatiecyclus van 30 jaar, die Alblasserdam hanteert. Volgens de vuistregel verbruikt een gemiddelde boom 1 m3 doorwortelbare ruimte per jaar. Per boom heb je dus een groeiplaats van 30 m3 nodig. Na 30 jaar gaat de straat weer open en kan de afweging worden gemaakt om de groeiruimte verder te vergroten voor bomen die op die locatie behouden worden. Soms kan er voor worden gekozen om d.m.v. ploffen (TFI methode) het zuurstofgehalte in de bodem te vergroten. Door gelijktijdig voeding in te brengen, kunnen de bomen er weer een tijd doorheen gesleept worden. Dit is minder ingrijpend, maar meestal van tijdelijke aard. Uiteindelijk moet er gewoon meer ondergrondse groeiruimte beschikbaar komen. In de praktijk gaat dit vaak om grote oppervlaktes vanwege de hoge grondwaterstand in Alblasserdam. De groeiruimte moet dan eerder in de lengte of de breedte dan in de diepte gezocht worden, omdat boomwortels onder het grondwater afsterven. Of een boom nu wordt behouden of vervangen, de groeiomstandigheden dienen gelijktijdig te worden verbeterd.
Afbeelding 19: Situatie op de Dam
De zilveresdoorns op de Dam zijn uit hun jasje - dat wil zeggen het boomrooster en de boombeschermer - gegroeid. Snel ingrijpen is geboden. 22
Afbeelding 20: Randweg - onderbeplanting
Afbeelding 21: Randweg - singelzijde
De moseiken zijn overduidelijk door hun voeding heen. De onderbeplanting (zie afbeelding 20) langs de ventweg is uitgepierd, de bomen stagneren in groei, maken bijna geen schot en staan op de overlevingsstand. De eiken aan de singelzijde (zie afbeelding 21 en inzet) vergaat het nog slechter. De bomen zijn uit hun minimale boomkransen gegroeid en in de zoektocht naar voeding hebben de wortels de bestrating opgedrukt. Hier is snel ingrijpen geboden, anders is deze laan er binnen een paar jaar aan. 23
Afbeelding 22: Eiken aan de Randweg (1)
Afbeelding 23: Eiken aan de Randweg (2)
De wortels van de eik links zijn blijkbaar in staat gebleken voldoende voeding te vinden in de groenstrook achter de stoep en is er nog behoorlijk goed aan toe. De eik in het midden ziet er al een stuk minder florissant uit, de schotlengte is minimaal, de herfst is al ingetreden en de takken sterven in.
Afbeelding 24: Eiken aan de Randweg (3)
Dit betekent dat de boom zijn kroon kleiner maakt omdat er onvoldoende voeding en water in de ondergrond te vinden is. De eik rechts heeft het helemaal opgegeven. Dit is de eerste eik aan de Randweg die is uitgevallen. 24
vol in het blad staan, is het rechts al lang herfst. Ondanks dat een jaar of tien terug de boomspiegels zijn vergroot tot kleine plantvakken, zijn de eiken daar al lang weer uitgegroeid. De tegels (zie inzet) liggen ongelijk en los door de wortels, wat tot gevaarlijke situatie voor voetgangers heeft geleid. Onlangs is de stoep opgeknapt en versmald en zijn de plantvakken met elkaar verbonden (zie afbeelding 26). Hierdoor is de groeiruimte voor de eiken vergroot, is er veel steen vervangen door groen (beplanting volgt nog in het voorjaar) en is struikelgevaar niet langer aan de orde.
Afbeelding 25: Moeraseiken Plantageweg (zijde Kinderboerderij)
Langs de Plantageweg ter hoogte van de Kinderboerderij staan moeraseiken. Aan de zijde van de Kinderboerderij staan de eiken in de beplanting en hebben voldoende ondergrondse groeiruimte (afbeelding 25). De eiken aan de kant van de woningen hebben het aanmerkelijk zwaarder. Het verschil in omvang van de kronen en de vitaliteit is enorm en duidelijk zichtbaar. Waar de eiken links van de Plantageweg nog
Afbeelding 26: Plantageweg - opgeknapte stoep 25
Afbeelding 27: Valse Christusdoorns Plantageweg (1)
Afbeelding 28: Valse Christusdoorns Plantageweg (2)
Een aantal Valse Christusdoorns aan de Plantageweg hebben onlangs ook meer groeiruimte gekregen, maar nog niet allemaal. Er valt nog genoeg steen om te zetten naar groen.
Afbeelding 29: Valse Christusdoorns Plantageweg (3)
De Valse Christusdoorn op het middelste plaatje kijkt vast met een schuin oog naar zijn buren, de Elzen net om de hoek in de Marijkestraat. Wordt hopelijk vervolgd! 26
Ook aan de Nicolaas Beetsstraat (zie afbeelding 30) zijn onlangs de tegels vervangen door grond (zie afbeelding 31). Het aanbrengen van de onderbeplanting volgt nog. De plataan in kwestie zal hier zeker van gaan profiteren. Vergelijk de ontwikkeling van deze boom met zijn buurboom op de achtergrond. Op hetzelfde moment geplant, maar het verschil in omvang is veelzeggend.
Afbeelding 30: Platanen Nicolaas Beetsstraat (1)
Afbeelding 31: Platanen Nicolaas Beetsstraat (2)
De plataan aan de Sportlaan (zie afbeelding 32) komt er bekaaid vanaf, vergeleken met de plataan in de achtergond. Het straatwerk rond de boom is al diverse keren opgelapt, maar de wortels zullen steeds opnieuw voor losliggende tegels zorgen. Inmiddels heeft ook deze boom meer lucht gekregen (zie afbeelding 33) en hopelijk zal het beeld met een mooi gesloten plantvak over een paar jaar ook hier aanwezig zijn.
Afbeelding 32: Platanen Sportlaan (1) 27
Afbeelding 33: Platanen Sportlaan (2)
Afbeelding 34: Parkeervakken Spil
Afbeelding 35: Beplanting Maasstraat
Afbeelding 36: Noord- en Landzicht
Nog een kleine selectie van plekken in Alblasserdam waar eenvoudig winst te behalen valt. Voor de boom tussen de parkeervakken aan de Spil (zie afbeelding 34) is het al te laat. Heel veel steen dat kan worden vervangen door groen in de Maasstraat (zie afbeelding 35). Ook bij Noord- en Landzicht (zie afbeelding 36) en bij de bushalte Rijnstraat (zie afbeelding 37) is ruimte genoeg voor groen.
Afbeelding 37: Bushalte Rijnstraat
Afbeelding 38: Merelstraat 28
In de Merelstraat (zie afbeelding 38) is ruimte voor een plantvak, maar er kan ook gelijk een boom worden geplant.
Afbeelding 39: Leibomen aan de Koningin Wilhelminaweg
Soms zijn bomen te groot geworden voor de plantplaats en veroorzaken ze (te) veel overlast ondergronds, maar ook bovengronds. Wordt de overlast veroorzaakt door de beperkte ondergrondse groeiruimte, dan kan dit wellicht worden verholpen door deze uit te breiden of te verbeteren. Is de bovengrondse ruimte onvoldoende? Dan kan vervanging door een kleinere of smallere boomsoort een oplossing zijn. Of bijvoorbeeld door een vormboom, zoals hier aan de Koningin Wilhelminaweg. Weinig ruimte, maar toch een groen straatbeeld! 29
3.4 Behoud (grote) monumentale bomen Steeds duidelijker wordt dat met name grote en oude bomen een belangrijke rol spelen voor klimaat, biodiversiteit en het groene aanzien van Alblasserdam.
Ofschoon innemen van de boom (takken wat inkorten) of kandelaberen (takken zwaar innemen wat tot een kroonreductie leidt) meestal niet in het belang van de boom -en ook niet op alle soorten toepasbaar is, kan het een oplossing zijn om oude bomen toch te behouden. Indien verplanten, innemen of kandelaberen van de kroon niet mogelijk is, zou de boom vervangen moeten worden door aantallen voldoende grote bomen, zodanig dat het bladvolume binnen vijf jaar gelijk is aan het bladvolume van de te kappen boom. In dit kader is het ook van belang om de juiste boom op de juiste plaatst te zetten. Bij reconstructies zou dan ook niet de vraag moeten zijn: hoe kan ik zoveel mogelijk bomen kwijt, maar hoeveel bomen kan ik plaatsen die ook werkelijk tot volle wasdom kunnen komen. Liever twee mooie grote bomen, dan tien kwarren
Bij reconstructies en ontwikkelingen werd en wordt er nog altijd te vaak en te gemakkelijk over bestaande grote en oude bomen heengestapt, waarbij er niet persé met minder maar veelal wel met kleine bomen opnieuw wordt begonnen. Als je alleen naar de aantallen kijkt, lijkt dit een prima deal, maar als je kijkt naar wat een grote boom meer te bieden heeft dan een jong exemplaar, dan zou de afweging heel anders moeten zijn. Vergelijk je het bladvolume van een oude grote boom met een nieuw jong exemplaar, dan kan dat wel een factor 100 tot 200 schelen. Het mag duidelijk zijn dat daarmee de hoeveelheid CO2 en de hoeveelheid fijnstof die wordt afgevangen en wordt vastgelegd evenredig toeneemt, evenals de schaduwvorming en de verdamping en daarmee de verkoeling. Daarnaast heeft een grote oude boom veel meer te bieden voor insecten, vogels en vleermuizen en geeft een grote oude boom sfeer aan een locatie. Uiteraard zal een jonge boom, als deze tijd van leven heeft, ook uit kunnen groeien tot een oude grote boom, maar dan zijn we tientallen jaren, zo niet een halve eeuw verder (boompje groot: plantertje dood). Alblasserdam beschikt, als gevolg van de beperkte ruimte en de natuurlijke omstandigheden (hoge grondwaterstand), niet over al te veel grote oude bomen.
Juist een reden om hier zuinig op te zijn en ze te vertroetelen, de locaties veilig te stellen en deze qua omstandigheden zo mogelijk te verbeteren, zodanig dat ze nog lang bijdragen aan de Alblasserdamse buitenruimte. Daarnaast kunnen locaties geschikt gemaakt/gehouden worden om bomen die in potentie groot en oud kunnen worden toekomst te bieden. Bij (grote) vitale bomen die onverhoopt toch weg moeten, dient altijd de verplantoptie te worden overwogen. Dit is echter kostbaar en moet zeker bij oude bomen al jaren van te voren worden voorbereid. Een BEA (Boom Effect Analyse) is altijd nodig om te bepalen of de verplanting überhaupt kans van slagen heeft. 30
Afbeelding 40: Platanen Parallelweg
Afbeelding 41: Platanen Zeilmakersstraat
De Parallelweg: één van de lommerrijkste lanen van Alblasserdam. Dat is overigens niet zo zelfsprekend als het lijkt. Meer dan twintig jaar geleden heeft hier een renovatie plaats gevonden waarbij er tot wel een halve meter moest worden opgehoogd. Voor het eerst in Nederland is er Technisch Toegepast Terreingranulaat (T.T.T. bomengranulaat) onder de bestrating toegepast. Materiaal dat door zijn structuur in staat is wegen te dragen, maar ook ruimte en voeding biedt voor de bomen. Zowel de platanen als het wegdek laten zien dat dit goed heeft uitpakt
De platanen in de Zeilmakersstraat zouden ten gevolge van de renovatiewerkzaamheden aanvankelijk geen overlevingskansen hebben. Door het ontwerp met respect voor de bomen aan te passen, konden ze toch worden behouden. De komende decennia zorgen ze voor een aangenaam groen klimaat.
31
De vleugelnoot op de hoek Blokweerweg/Ieplaan is een voorbeeld van de juiste boom op de juiste plaats. De boom heeft hier boven- en ondergronds alle ruimte om uit te groeien met zijn brede parasolvormige kroon. Niet veel mensen weten dat deze boom ruim 30 jaar geleden is verplant vanachter de Wilgenlaan vandaan, waar hij toen al te groot werd voor zijn standplaats. Zijn vier buren zijn overigens verhuisd naar de kinderboerderij aan de H.J. de Haanstraat.
Afbeelding 42: Platanen Weversstraat
In de Weversstraat gaven de platanen overlast en zijn ze gekandelaberd. Hiermee zijn de kronen kleiner gemaakt. De plataan is een soort die deze snoeivorm goed verdraagt. Het betekent wel dat deze ingreep om de vijf jaar moet worden herhaald, omdat de takken die uitlopen op de grote snoeiwonden minder goed vast zitten en daardoor makkelijk uit kunnen breken.
Afbeelding 43: Vleugelnoot hoek Blokweerweg/Ieplaan 32
3.5 Vervangen beplanting/verbeteren omstandigheden beplanting
3.6 Variatie in bomen en beplanting: De afgelopen decennia hebben zich in Europa en Nederland nieuwe plantenziekten of plagen voorgedaan, zoals de bloedingsziekte bij kastanjes, masaria bij platanen en essentaksterfte bij essen. Of al bestaande ziektes en plagen zijn in een heviger vorm terug gekeerd. Te denken valt aan de iepziekte bij iepen en de eikenprocessierups bij eiken. Deze ziektes en plagen hakken er nog steeds stevig in bij ons bomenbestand en het laat zien hoe kwetsbaar we zijn geworden. Lanen van eiken zoals je die door grote delen van Nederland vindt, zijn snelwegen gebleken voor de verspreiding van de eikenprocessierups. Een bos met louter essen kan zo maar in zijn geheel ten prooi vallen aan de essentaksterfte waardoor er in één keer een kale vlakte ontstaat, zoals in het Alblasserbos is gebeurd. Het is daarom zaak het bomenbestand meer te variëren. Waarom zou een bomenlaan eigenlijk uit één en dezelfde soort bomen en/of cultivars moeten bestaan? Waarom zou je hierin niet afwisselen, zodat je voorkomt dat bij een calamiteit al je bomen in de straat uitvallen. Bovendien zorgt het voor variatie in beeld, voor verschillende bloeivormen en bloeitijden, verschillende herfstkleuren, een diversiteit aan vruchten en daarmee ook voor een verscheidenheid aan insecten, vogels en zoogdieren. Het zelfde geldt voor beplantingen.
Als je varieert met verschillende soorten maakt deze verscheidenheid je minder kwetsbaar en biedt het flora en fauna juist meer mogelijkheden.
Wat voor bomen geldt, geldt natuurlijk ook voor beplanting. Ook beplanting kan van lieverlee aftakelen, hol worden door uitgesteld onderhoud of de grond kan uitgeput raken. Daarnaast kan beplanting door onkruid overwoekerd raken, indien de groeiomstandigheden onvoldoende zijn en/ of het onderhoud niet tijdig heeft plaats gevonden. De laatste jaren planten we nieuwe plantvakken dichter aan en/of met groter plantmateriaal zodat de beplanting sneller gesloten raakt. Tevens brengen we een zogenaamde mulchlaag aan die het vocht vasthoud, ruimte biedt voor bodemleven, voeding geeft en het onkruid in het begin tegen gaat. In de winter wordt het gevallen blad niet langer uit de plantvakken weggeblazen, maar laten we dit om dezelfde reden juist liggen of brengen we opgeveegd blad van de bestrating terug aan op de plantvakken. Dit biedt tevens schuilgelegenheid voor insecten en egels. Daarnaast kunnen vakken extra bemest worden met bij voorkeur biologische meststoffen. Ondanks deze inspanningen zijn er plantvakken die er niet meer bovenop komen. Deze komen in aanmerking voor vervanging. Bij voorkeur gebeurt ook dit bij renovatie van riool en straatwerk, maar als dit zo lang niet kan wachten, dan kan dit ook pro-actief.
Het vervangen van bomen of het verbeteren van de groeiomstandigheden bij bomen is bij uitstek het moment om de er onder groeiende beplanting en/of de groeiomstandigheden te vervangen/verbeteren
33
Afbeelding 44: Blokweerweg - oude situatie
Aan de Blokweerweg stonden elzen. Ze waren niet vitaal omdat de groeiomstandigheden verre van optimaal bleken; ze groeiden slecht en vielen stuk voor stuk uit. Nadat bij een najaarsstorm alweer twee exemplaren waren afgebroken is besloten opnieuw te beginnen. Hierbij is de vijf meter brede stoep versmald naar twee meter, is een doorlopend plantvak aangebracht met een diversiteit aan vaste planten en heesters en zijn tien verschillende boomsoorten terug geplant.
Afbeelding 45: Blokweerweg - nieuwe situatie 34
Afbeelding 46: Traditionele beeld Kerkstraat
Voor de renovatie aan de Kerkstraat (zie afbeelding 46) is middels de TFI methode de ondergrond onder het grind reeds losgemaakt en is er voeding voor de bestaande lindes aangebracht. Tijdens de renovatie is de onder de nieuwe grindlaag bomengranulaat aangebracht. Daarna zijn de lege plekken opgevuld met nieuwe bomen. Er is hier wel gekozen voor lindes vanwege het traditionele beeld van de Kerkstraat, maar wel met andere soorten en variëteiten dan de bestaande lindes; bovendien soorten die geen honingdauw (luizenplak) veroorzaken. Rechts de Edisonweg waar de populieren moesten worden gekapt. Ze zijn vervangen door een diversiteit aan inheems boomsoorten, variërend van berk tot eik, esdoorn en beuk. Een deel van de populieren is gekandelaberd om de vleermuisroute in stand te houden; deze worden over vijf jaar gekapt.
Afbeelding 47: Nieuwe boombeplanting Edisonweg 35
3.7 Groeiomstandigheden en sortimentskeuze
3.8 Inheemse soorten
Het klimaat veranderd, het wordt langer droog en steeds warmer en op andere momenten zijn er extreem natte periodes. Bomen en beplanting moeten daar tegen kunnen. Een deel van de oplossing ligt in het vergroten en verbeteren van de groeiplaatsen van met name bomen. Bomen die wortelen in groene of ruime plantplaatsen groeien zonder uitzondering beter dan bomen in een kleine boomspiegel in de verharding. Een groene standplaats benadert de natuurlijke situatie en buffert tegen hitte, droogte en een teveel aan water.
Aansluitend maar wellicht wat in tegenspraak met bovenstaand verhaal is het promoten om vooral gebruik te maken van inheemse soorten. Soorten die van oudsher in het Rivierengebied en de Alblasserwaard voorkomen. Voor de beplanting en bomen in met name het stedelijk gebied is dit wat minder relevant omdat veel groeiplaatsen kunstmatig en van elders afkomstige (bodem)materialen worden voorzien. Maar de bermen, parken en gazons hebben vaak nog de natuurlijke ondergrond als basis: klei op veen. Dit zijn veelal zeer vochtige en voedselrijke gronden, waar boomsoorten als populier, wilg , es en els goed gedijen.
Verandering van het klimaat brengt naast de directe klimatologische gevolgen ook nieuwe ziekten en plagen naar ons land, of maken deze heftiger. Als bomen ook nog eens onder slechte omstandigheden zijn aangeplant, zijn ze hier ook nog eens extra vatbaar voor.
Kruidensoorten, die veel mensen kunnen waarderen zoals klaproos, korenbloem enz. kunnen worden ingezaaid, maar in de loop van jaren zullen deze soorten verdwijnen omdat deze zich thuis voelen op de zandgronden en zich domweg niet kunnen handhaven tussen de soorten die hier van nature wel voorkomen. Met maaien en afvoeren van het maaisel kan je er voor zorgen dat voeding wordt afgevoerd en de bermen verschralen, maar dit is op onze grondslag een kwestie van lange adem.
Naast het verbeteren van de groeiomstandigheden kan ook gekeken worden naar het sortiment. Als we in Nederland steeds meer afstevenen op mediterrane omstandigheden, is het wellicht verstandig het toegepaste sortiment daarop aan te passen en beplanting en bomen te kiezen die juist goed gedijen bij warme en droge periodes. De WUR (Universiteit van Wageningen) heeft zich verdiept in de veranderende klimaatomstandigheden en heeft een lijst gemaakt van 75 bomen die daar goed tegen zouden moeten kunnen.
Het beheer zal er op moeten worden afgestemd. Soorten die bij onze voedselrijke omstandigheden horen, zoals brandnetel, moeten soms vaker worden gemaaid en/of actief uitgeput zodat ze niet de overhand gaan krijgen en het beeld daarmee ook voor het publiek aanvaardbaar blijft. In het ‘Handboek GroenBlauw A5H’ (zie bijlage 3) staan de streekeigen soorten benoemd. Geadviseerd wordt met name die toe te passen buiten het stedelijke gebied.
Gebruik van de bomen op deze lijst wordt vooral geadviseerd binnen de stedelijke omgeving omdat daar de extremen van het weer het meest voelbaar zullen zijn. (Bijlage 4: 75 Soorten door WUR geadviseerd)
36
3.9 Groen en spelen In een groen en fit dorp is het belangrijk dat kinderen volop de gelegenheid hebben om te bewegen. Naast speelruimte en speeltoestellen waarop de jeugd in elke leeftijdscategorie zich kan uitleven, is informele speelruimte misschien nog wel harder nodig. Groen en natuur zijn belangrijk voor een fijne en gezonde omgeving, juist voor kinderen. Daarom is informele speelruimte in de vorm van bosjes, grasvelden, bomen en waterkanten van groot belang. Door meer groene en natuurlijke elementen te realiseren in combinatie met speeltoestellen worden speelplekken gevarieerder en uitdagender. Denk aan bosjes om te verstoppen, gebruik maken van bestaande elementen zoals hoogteverschillen en water. De groene inrichting kan tevens bijdragen aan de klimaatadaptatie. In het speelruimtebeleidsplan wordt dit ondervangen door grotere centrale speelplekken in elke wijk met voldoende groen, zoals bijv. de speelterreinen in de Drentsehof, het Boerenpad of het Groene Woude Wik, maar ook door het omvormen van “stenige wipkipreservaatjes” naar informele groene speelruimte. Voor de leefbaarheid is het van belang dat die informele groene speelruimte voor spelen beschikbaar blijft en niet wordt gebruikt om bijv. het parkeerplaatsen areaal te vergroten.
Afbeelding 48: Natuurspeeltuin Het Groene Woude Wik
37
3.10 Groen en recreëren In een groen en fit dorp is het fijn verblijven en recreëren. Goed groen zorgt er voor dat mensen zich prettiger voelen, meer naar buiten gaan en meer bewegen. Dit heeft allerlei gezondheidsvoordelen. Groen zuivert de lucht en zorgt voor vocht en schaduw. De ligging van de Groene Long centraal in het dorp en de groene buitenruimte (weilanden, boezems, rivier, molengebied Kinderdijk en het Alblasserbos) maakt dat er voor vrijwel iedereen op loopen fietsafstand een fijne verblijfs/recreatieve omgeving aanwezig is. Maar juist binnen de wijken, nabij de voordeur is er nog winst te behalen, soms met kleine ingrepen als een wandelpad waardoor groen niet alleen bekeken maar ook beleefd kan worden, een bankje er naast om te verpozen, een vlonder om vanaf te vissen, een boom of beplanting op een versteend pleintje. Of een hondenstrandje natuurlijk!
Afbeelding 49: Hondenstrandje naast de Torenbrug
38
3.11 Verminderen van verharding In de Vang kregen bewoners een boompje, wanneer zij bereid waren een paar m2 verharding in hun tuin te verwijderen.
Steeds meer verharding in Alblasserdam loost via een schoon water riool op de watergangen. Veel verharding zorgt ervoor dat er bij piekbuien ook veel water in korte tijd beschikbaar komt en wordt afgevoerd. Dit draagt bij aan het ontstaan van wateroverlast, zoals een paar jaar terug aan het Zuiderstek. Het verminderen van verharding en dit omzetten in groen draagt direct bij aan het verminderen van wateroverlast. Groen houdt water vast en voert water vertraagd af. Daarnaast zorgt groen voor verdamping en verkoeling, waardoor hittestress niet of minder snel optreedt. Alle groen draagt bij, maar bomen doen meer dan beplanting, struiken doen meer dan gras.
Maar er kan zo veel meer: Water kan worden opgevangen in een regenton, schuttingen kunnen worden vervangen door hagen, verharding kan worden verwijderd om plaats te maken voor groen. Er kunnen bijenhotels en egelhokken worden geplaatst, er kunnen vleermuiskasten en nestkastjes worden opgehangen. Bij reconstructies kan voorlichting worden gegeven door Gemeente en Waterschap. De Natuur- en Vogelwacht heeft eerder al aangeboden om advies te willen geven hoe tuinen kunnen worden vergroend en op welke wijze deze natuurvriendelijker zijn in te richten. Zij zouden bij voorbeeld standaard uitgenodigd kunnen worden bij bewonersavonden om bewoners daar voor te enthousiasmeren.
Geveltuintjes: Om ook inwoners te betrekken bij het vergroenen en terugdringen van verharding is het voor inwoners zonder voortuin soms mogelijk om een geveltuintje aan te leggen. De gemeente heeft daarvoor een handleiding opgesteld, welke is terug te vinden op de gemeentepagina en faciliteert daar actief in. Tuinen: De gemeente dient als het gaat om “ontharden” het goede voorbeeld te geven. Dit neemt niet weg dat onze inwoners zelf ook veel kunnen bijdragen. Te veel tuinen bieden een versteende aanblik, met in het beste geval nog een paar bloempotten. Tijdens de reconstructie van de Baanderstraat zijn fruitbomen ter beschikking gesteld om bewoners te stimuleren ruimte te maken voor groen.
Afbeelding 50: Geveltuintjes in aanleg aan de Blokweersingel 39
Afbeelding 51: Versteende voortuin
Bij versteende (voor)tuinen stroomt het regenwater direct af naar het riool. De warmte op hete dagen wordt vastgehouden en ‘s nachts straalt deze warmte weer uit waardoor de omgeving minder afkoelt. Insecten, vogels en kleine zoogdieren hebben hier weinig te zoeken.
Afbeelding 52: Eco-vriendelijke voortuin
Afbeelding 52 laat zien dat het ook anders kan: Deze voortuin geeft een ander beeld en laat zien dat ook in een kleine voortuin veel mogelijk is.
40
Afbeelding 54: Harde tuinafscheiding
Het resultaat is gelijk: beide tuinen zijn goed afgescheiden van het openbaar gebied. Maar de beelden in figuur 53 en figuur 54 verschillen als dag en nacht. De tuin met de haag heeft vele voordelen. Naast het prettiger beeld voor de omgeving is het ook beter voor de biodiversiteit. In de haag leven insecten. Vogels kunnen zich in de haag verschuilen en er broeden. Egels kunnen een haag passeren en zich erin verschuilen: bij een schutting is dit onmogelijk.
Afbeelding 53: Eco-vriendelijke tuinafscheiding 41
3.12 Vergroten waterberging en biodiversiteit door aanleg van wadi’s en NVO’s
De afgelopen jaren is er het nodige groen verdwenen waarvoor verharding en bebouwing is terug gekomen. Daarnaast zijn er nog de nodige ontwikkelingen in uitvoering of staan er op het programma die ten koste gaan van groen: Wipmolenterrein, DOK 12, Transferium, Kassen Jonker, Manege Polderstraat. Het waterschap heeft als eis dat deze extra verharding gecompenseerd dient te worden met open water. Vaak lukt het om dit binnen de plangrenzen te realiseren, maar soms ook niet. In dergelijke gevallen kunnen we dan tot op heden een beroep doen op de waterbergingsbank. In deze bank zit water dat in het verleden al extra is gegraven. Deze “overcapaciteit” kunnen we dan inzetten om voor die ontwikkelingen alsnog groen licht te krijgen. We zien echter dat de klimaatverandering doorzet. Het waterschap staat op het standpunt dat het watersysteem van Alblasserdam robuuster moet worden. Dit betekent dat Alblasserdam meer water moet kunnen bergen om toekomstige wateroverlast voor te blijven. Deels kan deze oplossing worden gevonden in het verminderen van de m2 verharding, het waterpasserend maken van de verharding en het vergroenen van daken. Een andere oplossing is het vergroten van de vierkante meters water. In de polder Vinkenwaard waar te weinig waterbergingscapaciteit aanwezig was, is een aantal jaren geleden drie hectare water bij gemaakt.
Afbeelding 55: Binnentuin met WADI aan de Waalsingel (1)
Maar meer water kan bijvoorbeeld ook in de vorm van natuurvriendelijke oevers (NVO) en/of wadi’s worden gerealiseerd. NVO’s zijn oevers waarbij de beschoeiing is vervangen door een geleidelijk oplopende oever of plasberm. Voorbeelden daarvan zijn de aangepaste oevers bij de skatebaan aan de Mesdaglaan of de slootkant aan de Beuklaan. Wadi’s zijn verdiept in het terrein gemaakte geulen of vlakken, doorgaans in het gazon. Wadi’s staan meestal droog, maar bij piekbuien kan het overtollige water daar tijdelijk worden opgevangen. Er zijn wadi’s gemaakt bij de Mesdaglaan en bij de binnentuin achter de Waalsingel. Deze worden ook gebruikt als speelobject. Afbeelding 56: Binnentuin met WADI aan de Waalsingel (2) 42
Naast dat NVO’s een uitbreiding betekenen op de waterberging, zorgen NVO’s ook voor betere omstandigheden voor flora en fauna. Het mag duidelijk zijn dat een houten of kunststof beschoeiing, zoals die langs bijna elke watergang of singel in Alblasserdam is toegepast, voor de natuur weinig te bieden heeft en voor veel fauna een haast onneembare hindernis is. De natuur heeft baat bij een geleidelijk oplopende oever. Dit geeft veel dieren de gelegenheid veilig in een uit het water te komen. De verschillende waterdieptes zorgen daarnaast voor steeds een andere biotoop waar verschillende plant- en diersoorten zich thuis voelen en waar jonge vissen en amfibieën schuilgelegenheid vinden. Het is lang niet altijd mogelijk om zonder beschoeiing of damwand een singel op te sluiten. Vaak zijn de taluds naar de watergang te steil of is de ruimte te beperkt, waardoor de boel zonder oeverbescherming onmiddellijk onderuit zou schuiven. Maar op plekken waar er meer ruimte is, zouden we eigenlijk altijd een NVO willen aanleggen. Dit komt de biodiversiteit zondermeer ten goede. De Groene Long heeft in haar rapportage “Biodiversiteit Alblasserdam” (Bijlage 5) de mogelijkheden geïnventariseerd voor o.a. de aanleg van NVO’s. Een aantal van deze NVO’s worden in Q1 2026 aangelegd bij de Libel, de Beuklaan en de Marijkestraat. Bij de Pieter de Hoochplaats en de Vijverhof is de aannemer reeds begonnen.
Afbeelding 57: Ontwerp NVO Pieter de Hoochplaats
43
Afbeelding 59: NVO in aanleg achter flat Hooch 3
Afbeelding 58: NVO in aanleg voor flat Hooch 2 44
3.13 Aanpassen maai en slootwerk
3.14 Bloemrijke bermen
Al vele jaren is het maai- en slootbeleid onderhevig aan veranderingen. Steeds meer gemeentes en andere overheidsinstanties kiezen er voor om gazons en bermen anders te beheren. Natuurlijk zijn er overal nog strak gemaaide gazons te vinden, maar steeds vaker wordt er minder frequent gemaaid waardoor ook kruiden een kans krijgen. Veel van deze kruiden komen ook in bloei en trekken insecten als vlinders, kevers en bijen aan. Soorten die in hun voortbestaan soms afhankelijk zijn van de aanwezigheid van één bepaalde plantensoort. De insectenpopulatie is de laatste jaren schrikbarend achteruit gegaan. Mede door een ander maai -en slootbeleid is hier iets aan te doen. Het ecologisch maaibeleid bestaat er in Alblasserdam doorgaans uit dat we twee maal per jaar maaien en het maaisel afvoeren. Het ‘Handboek Inrichtingsconvenant Groenblauwe dooradering A5H’ (zie Bijlage 3) roept op om hier meer afwisseling in aan te brengen. Sinusbeheer is daar een voorbeeld van. Hier wordt door slingerend steeds andere delen te maaien (nog) meer diversiteit bewerkstelligd. Ook delen een jaar niet maaien waardoor soorten kunnen overwinteren blijkt belangrijk voor het voortbestaan van die soorten. Goede communicatie en uitleg aan bewoners is daarbij noodzakelijk.
Op een aantal plekken in Alblasserdam zijn zogenaamde “green to color bermen” aangelegd, zoals achter de Zwanenbloem en Ganzerik langs de Middelwetering. Dit zijn bermen waarin bollen zijn geplant die opeenvolgend bloeien. Gelijktijdig worden er kruiden ingezaaid die hier van nature voorkomen en die de bloei nadat de bollen zijn uitgebloeid overnemen. Hierdoor ontstaat er vanaf het vroege voorjaar tot ver in de zomer een bloeiende berm. Dit is niet alleen een fraai gezicht, maar zorgt er tevens voor dat er voor insecten, amfibieën, vogels en kleine zoogdieren altijd voedsel en schuilgelegenheid te vinden is. Het onderhoud, met name het maaiwerk, dient afgestemd te zijn op het hetgeen wordt aangetroffen in de berm en vraagt ecologische kennis van het uitvoerende personeel.
Het slootbeheer wordt voor een groot deel ingegeven door de jaarlijkse schouw door het waterschap. Tot op heden mochten we in feite alleen in de uitbreidingen van de watergangen, zoals de natuurvriendelijke oevers riet en waterplanten laten staan. Dit faseren we door ieder jaar één derde van deze nvo’s te maaien en de rest te laten staan. Volgens de Inrichtingsconvenant A5H kan in A en B watergangen buiten het stroomprofiel 25 % van de oevervegetatie blijven staan. Dit biedt water- en oeverplanten, en daarmee fauna die zich er in kan verschuilen, betere overlevingskansen. Op C–watergangen rust sinds een aantal jaar slechts de eis dat ze niet mogen verlanden. We zouden hier, conform de Inrichtingsconvenant, 15 tot 30 % van de begroeiing kunnen laten staan.
Afbeelding 60: Minder maaien en het maaisel afvoeren, leidt uiteindelijk tot kruidenrijke bermen waarin ook veel insectensoorten een plek kunnen vinden. 45
3.15 Nestkasten, vleermuiskasten en bijenhotels In Alblasserdam zijn de laatste jaren veel vogel- en vleermuiskasten opgehangen. Enerzijds proberen we daarmee op een natuurlijke wijze plagen te voorkomen. Verondersteld wordt dat de toename van bijv. de eikenprocessierups mede wordt veroorzaakt door het gebrek aan biodiversiteit. Aan de ene kant hebben we in Nederland heel veel eiken aangeplant. Aan de andere kant zorgt het intensieve beheer voor een afname van natuurlijke vijanden als sluipwespen en vogels. Door ecologisch beheer van met name bermen is de verwachting dat ook de natuurlijke vijanden van de eikenprocessierups weer zullen toenemen. Het ophangen van nestkasten als schuil- en broedgelegenheid voor vogels als koolmezen, die per dag vele honderden rupsen te grazen kunnen nemen, draagt daar aan bij.
De insectenpopulatie is schrikbarend afgenomen, zowel in absolute aantallen als in soorten. Door aanpassingen in het sloot- en maaibeleid kunnen we hier veel aan doen. Het plaatsen van insectenhotels daagt bij aan de overwintering en voortplanting van insectensoorten en heeft tevens een educatieve functie.