Transitievisie Warmte Alblasserdam 2021.pdf
Tekst van het document
Tempo
Deze buurten volgen een wijk- of doelgroepgerichte aanpak waarbij de buurt in een bepaald tempo aansluit op het warmtenet. De snelheid waarin verschillende doelgroepen in een buurt wel of niet aansluiten is vooral afhankelijk van landelijke subsidies, financiering en regelgeving.
Opt-out
Binnen deze buurten zullen all-electric en lokale bronnetten als opt-out voorkomen. Om de maatschappelijke kosten zo laag mogelijk te houden is opt-out in deze buurten niet wenselijk.
21
Varianten
We onderscheiden twee varianten in dit transitiepad:
Starten vanaf 2021 of reeds gestart/reeds op een warmtenet. Dit zijn de meest kansrijke buurten om te starten met een warmtenet, en worden met name bepaald door de aanwezigheid van corporatiebezit waar SAH-subsidie voor is. Starten vanaf 2031. Deze wijken zijn niet kansrijk om nu mee te starten, maar komen wel in beeld vanaf 2031.
4.4.2 All-electricbuurten Transitiepad
All-electricbuurten
Gebouwen
Alle gebouwen gaan zoveel mogelijk op natuurlijke momenten naar het basisniveau van isolatie, installatie en elektrisch koken. Daarnaast zetten deze gebouwen een extra stap om de binneninstallatie geschikt te maken voor all-electric.
Warmteoptie
Individueel all-electric door middel van een warmtepomp in de woning en een extra verzwaard elektriciteitsnet in de wijk.
Tempo
Deze buurten stappen gestaag over op all-electric, in het tempo van gebouweigenaren. Een te hoog tempo is in deze buurten onwenselijk en onnodig door:
Netverzwaring
De extra stap die we in deze gebouwen moeten zetten om de binneninstallatie geschikt te maken voor laag-temperatuurafgifte. Het feit dat dit vaak relatief jonge wijken zijn waar gasketels, gasleidingen en riolering vaak nog lang niet afgeschreven zijn. Het feit dat er nog veel inpandige innovaties verwacht worden die de kosten verlagen en netverzwaring wellicht voorkomen. Het feit dat deze buurten vaak al redelijk geïsoleerd zijn, waardoor er relatief weinig klimaatwinst te behalen valt. Op een gegeven moment zijn zoveel gebouwen overgestapt op een warmtepomp dat netverzwaring onvermijdelijk is. De netbeheerder monitort de capaciteit op het net, en kiest samen met de gemeente een natuurlijk moment om het elektriciteitsnet te verzwaren en het gasnet te verwijderen, zoals bij rioleringsvervanging. Netverzwaring en gasnetverwijdering zijn niet per definitie op hetzelfde moment.
Opt-out
Binnen deze buurten zullen lokale bronnetten als opt-out voorkomen.
Varianten
We onderscheiden twee varianten in dit transitiepad:
Relatief jonge buurten: deze buurten hebben een mediaan bouwjaar van na 1990. Zij hebben relatief weinig natuurlijke momenten nodig om de transitie te doorlopen en zijn naar verwachting al rond 2040 aardgasvrij. Relatief oude buurten: deze buurten hebben een mediaan bouwjaar van voor 1990. Zij hebben relatief veel natuurlijke momenten nodig om de transitie te doorlopen en zijn naar verwachting pas uiterlijk 2050 aardgasvrij.
4.4.3 Besparingsbuurt met op termijn duurzaam gas Transitiepad
Besparen met perspectief op duurzaam gas
Gebouwen
Alle gebouwen gaan zoveel mogelijk op natuurlijke momenten naar het basisniveau van isolatie, installatie en elektrisch koken. Doordat dit veelal vooroorlogse buurten zijn zullen niet alle gebouwen dit niveau technisch kunnen bereiken.
22
Warmteoptie
Individuele hybride warmtepompen waarbij een gasketel alleen op de koudste dagen van het jaar verwarmt. Op termijn zal de resterende gasvraag ingevuld worden met duurzaam gas, zoals groengas of waterstofgas. Het huidige gasnet blijft in principe liggen.
Tempo
Deze buurten stappen gestaag over op hybride, in het tempo van gebouweigenaren. Doordat dit oude gebouwen zijn hebben zij waarschijnlijk alle tijd tussen nu en 2050 nodig om het basisniveau te bereiken en de overstap te maken naar hybride.
Gasbesparing
Doordat deze buurten op termijn aanspraak zullen maken op schaars duurzaam gas is het van belang zoveel mogelijk gas te besparen. Dat doen we op drie manieren:
Opt-out
Isoleren en kierdichten: het verlagen van de warmtevraag van het gebouw. Hybride: het beperken van de gasvraag door de warmtevraag deels in te vullen met warmtepompen. Opt-out: naoorlogse gebouwen in deze buurten moeten in principe wel zoveel mogelijk gasvrij worden. Binnen deze buurten zullen individueel all-electric en lokale bronnetten als opt-out voorkomen. Om zoveel mogelijk gas te besparen is opt-out in deze buurten juist wenselijk.
4.4.4 Besparingsbuurt met aandacht voor herijking Transitiepad
Besparen met aandacht voor herijking
Gebouwen
Alle gebouwen gaan zoveel mogelijk op natuurlijke momenten naar het basisniveau van isolatie, installatie en elektrisch koken.
Warmteoptie en herijking
Voor deze buurten is het nog onduidelijk welke warmteoptie zij krijgen, bijvoorbeeld omdat de kosten van de verschillende warmteopties erg dicht bij elkaar liggen. Zij zijn echter niet zo oud dat zij aanspraak kunnen maken op duurzaam gas. Daarom volgen deze buurten een noregrettransitiepad gericht op gasbesparing en krijgen zij extra aandacht bij de vijfjaarlijkse herijking van de Transitievisie Warmte, waarbij de warmteoptie van deze buurten opnieuw wordt beoordeeld op basis van voortschrijdend inzicht. Een hybride warmtepomp is in deze buurten in principe no-regret. Als de buurt uiteindelijk toch gasvrij wordt geldt dit als tussenoplossing: de hybride warmtepomp maakt dan op termijn plaats voor een volledige warmtepomp of een afleverset van het warmtenet.
Tempo
Deze buurten stappen in het tempo van gebouweigenaren naar het basisniveau en eventueel hybride warmtepompen.
Opt-out
In deze buurten zullen gebouweigenaren soms kiezen voor individueel all-electric en lokale bronnetten, ook als de definitieve warmteoptie nog niet duidelijk is.
4.4.5 Bedrijventerreinen Transitiepad
Bedrijventerrein
Gebouwen
Voor bedrijfsbebouwing geldt dat inregeling van de binneninstallatie vaak belangrijker is dan het maken van bouwkundige aanpassingen. Dit is echter ook sterk afhankelijk van de gebruiksfunctie van het bedrijfspand.
Warmteoptie
Op bedrijventerreinen zullen individuele en kleinschalig collectieve warmteopties voorkomen. Het gaat daarbij om all-electric maar ook om WKO-netten die naast warmte ook koude kunnen leveren. De energie-infrastructuur op een bedrijventerrein is echter in hoge mate maatwerk, zeker als er procesindustrie op het terrein aanwezig.
23
Tempo
Deze buurten volgen het tempo van de gebouweigenaren. Het tempo zal mede bepaald worden door de verplichtingen die bedrijven hebben onder de Wet milieubeheer om energie te besparen, en de handhaving van de Omgevingsdienst hierop.
4.4.6 Nieuwbouw- en transformatiegebied Transitiepad
Nieuwbouw- en transformatiegebied
Gebouwen
Deze buurten worden bijna geheel nieuw gebouwd of getransformeerd. Alle gebouwen zullen gebouwd worden conform de dan geldende (aardgasvrije) nieuwbouwnormen, zowel woningen als bedrijfsbebouwing.
Warmteoptie
Voor nieuwbouw gelden dezelfde afwegingscriteria voor warmteopties als voor bestaande bouw, inclusief de in de RES bepaalde voorkeursvolgorde. De keuze van een warmteoptie op een nieuwbouwlocatie is echter altijd afhankelijk van lokale factoren als de schaal, dichtheid en eventuele synergie met de bestaande bouw en een bestaand warmtenet. Voor sommige nieuwbouwlocaties is reeds een keuze gemaakt voor een warmteoptie. Bij zeer kleinschalige ontwikkelingen is all-electric vaak optimaal, of kan eenvoudig worden aangesloten op een bestaand warmtenet in de buurt. Bij grootschalige nieuwbouwontwikkelingen moet per locatie worden onderzocht welke warmteoptie optimaal is.
Tempo
Deze buurten volgen het tempo van de gebiedsontwikkeling.
24
Uitvoeringsstrategie De perspectiefkaart en de transitiepaden in het vorige hoofdstuk geven per buurt inzicht in de route die we doorlopen naar aardgasvrij. In dit hoofdstuk geven we een doorkijk richting uitvoering: hoe worden die routes de komende jaren ingezet, welke instrumenten zetten we als gemeente in, en hoe kunnen gebouweigenaren en andere partijen initiatief nemen?
De transitiepaden omzetten naar de praktijk Verschillende transitiepaden vragen om verschillende type aanpakken. In deze paragraaf gaan we in op individuele en collectieve aanpakken, die per buurt verschillend zijn. Samenvattend zijn er de volgende aanpakken: Individuele aanpak
Collectieve aanpak
Alle buurten
Isoleren en aardgas besparen
Collectieve inkoop voor isolatie / opwek / hybride oplossingen
Warmtenetbuurten
Kookgas vervangen door elektrisch koken
Warmtenet aanleggen; aardgasnet verwijderen; elektriciteitsnet verzwaren
All-electric buurten
Kookgas vervangen door elektrisch koken; gasketel vervangen door (hybride) warmtepomp;
Aardgasnet verwijderen; elektriciteitsnet verzwaren
Besparingsbuurt met op termijn duurzaam gas
Kookgas vervangen door elektrisch koken; hybride warmtepomp installeren als tussenoplossing naar aardgasvrije warmteoptie
Elektriciteitsnet verzwaren, aardgasnet geschikt maken voor duurzaam gas
Besparingsbuurt met aandacht voor herijking
Kookgas vervangen door elektrisch koken; hybride warmtepomp installeren als tussenoplossing naar aardgasvrije warmteoptie
Elektriciteitsnet verzwaren, op termijn aardgasnet verwijderen
Bedrijventerreinen
(hybride) warmtepompen
Kleinschalige collectieve systemen (bronnetten)
Nieuwbouw- en transformatiegebied
Warmtepompen
Aansluiten op het warmtenet
Deze worden hieronder toegelicht.
5.1.1 Alle buurten: isolatie en energiebesparing Het eerste uitgangspunt van de transitievisie warmte is dat we voortvarend aan de slag gaan met isolatie en andere vormen van energiebesparing. Dat uitgangspunt komt in alle transitiepaden terug. In alle transitiepaden werken we aan de gebouwkant immers zoveel mogelijk toe naar een basisniveau van isolatie, ventilatie en elektrisch koken. Het basisniveau van isolatie bereiken we als we maximaal isoleren binnen de bestaande schil, bij voorkeur op natuurlijke momenten om de maatschappelijke kosten zo laag mogelijk te houden. Het basisniveau is dus no-regret en moeten we altijd doen, ongeacht het alternatief voor aardgas. De landelijke Standaard voor woningisolatie biedt per woningtype inzicht in het te behalen isolatieniveau. Zowel bij bewoners als bij de lokale werkgroep van betrokken partijen hebben wij opgehaald wat woningeigenaren nodig hebben om zoveel mogelijk naar het basisniveau te gaan. Grofweg hebben woningeigenaren behoefte aan de volgende zaken:
25
Voorlichting. Bewoners hebben behoefte aan kennis en advies over verduurzaming van hun woning, zodat zij verstandige investeringskeuzes kunnen maken. Bewoners willen graag dat de gemeente energiecoaches aanstelt uit het dorp zelf, die ervaringsdeskundig zijn en deze ervaringen delen met anderen. Daarnaast kan de gemeente tips geven op het gebied van verduurzaming. Een inspirerend voorbeeld dat werd genoemd is de Woonwijzerwinkel in Rotterdam.
Facilitering. Bewoners hebben behoefte aan ondersteuning van de gemeente, bijvoorbeeld bij centrale inkoop van isolatiematerialen. Zo kunnen bewoners ontzorgd worden, zodat zij de stap naar het isoleren van hun woning sneller maken. Daarnaast hebben bewoners behoefte aan onafhankelijk advies van de gemeente over de betrouwbaarheid van installateurs en aannemers, bijvoorbeeld door voorkeurspartijen aan te wijzen. Als men toch ontevreden is over een leverancier, is er de behoefte aan centrale bemiddeling vanuit de gemeente. Woningeigenaren kunnen nu al gebruikmaken van het Regionaal Energieloket, die dergelijke diensten aanbieden.
Financiering. De voorinvesteringen zijn voor veel bewoners erg hoog. Het zou helpen als de overheid deels bijdraagt in de kosten van particulieren voor isolatie en besparingsmaatregelen. Bewoners hebben het idee geopperd van een renteloze lening. Daarnaast willen bewoners graag voorlichting over welke financieringsmogelijkheden er zijn. Er zijn al diverse landelijke subsidiemogelijkheden, zoals de Regeling Reductie Energiegebruik Woningen (RREW).
Om iedere gebouweigenaar of bewoner op een juiste manier voor te lichten en te faciliteren is een doelgroepgerichte aanpak nodig. We onderscheiden drie hoofddoelgroepen: woningen, bedrijven en maatschappelijk vastgoed. Bij iedere hoofddoelgroep kunnen we subdoelgroepen onderscheiden, zoals VVE’s, huurwoningen en particuliere woningen bij woningen. Samen met de andere Drechtsteden gaan we de doelgroepenaanpak uitwerken. In de regionale doelgroepenaanpak werken we per (sub)doelgroep maatregelen uit op het gebied van voorlichting en facilitering. Vervolgens bepalen we als gemeente de prioritering in doelgroepen en aanpakken om in Alblasserdam toe te passen. Aandachtspunten daarbij zijn het tegengaan van energiearmoede en het zoveel mogelijk aansluiten bij natuurlijke momenten van woningeigenaren in Alblasserdam. In de Regio is reeds een Regisseur Energiebesparing aangesteld die samen met gemeenten de aanpakken op het gebied van energiebesparing gaat vormgeven en ervoor zorgt dat wordt samengewerkt waar dat kansrijk is. De voordelen van regionale samenwerking zijn schaalvoordeel in de uitvoering, het kunnen leren van elkaars ervaringen, en uniformiteit in communicatie, voorlichting en andere uitingen.
5.1.2 De aanpak in warmtenetbuurten In warmtenetbuurten ligt de focus op de collectieve aanpak: het warmtenet aanleggen, het aardgasnet verwijderen en het elektriciteitsnet verzwaren. Daarbij werkt de gemeente samen met bijvoorbeeld een warmtebedrijf en woningcorporatie om vraag- en aanbod van warmte in een gebied te organiseren. De transitievisie geeft deze partijen een kader op welke wijken de focus tot 2030 ligt, en welke wijken na die periode aan bod komen. Door de Regio is voor aardgasvrije wijkaanpakken in de Drechtsteden een Schaalbaar Stappenplan Aardgasvrjie Wijkaanpakken opgesteld, dat gemeenten helpt bij de planvorming en uitvoering. Dit stappenplan biedt structuur en houvast voor collectieve wijkaanpakken. In het stappenplan worden checklists, belangrijke afwegingen per fase van de wijkaanpak en voorbeelddocumenten uit de proeftuinen en andere initiatieven Dordrecht gedeeld. Het stappenplan is te vinden op http://www.drechtstedenenergie.nl/wijkaanpak. Stedin is verantwoordelijk voor het leveren van aardgas en elektriciteit. Waar dit qua planning goed uitkomt, zou het aanleggen van een warmtenet kunnen worden gecombineerd met het vervangen van het gasnet. Stedin vindt het echter niet acceptabel om het vervangingsmoment van gasleidingen (lang) uit te stellen als daarmee de veiligheid in het geding komt.
Andersom is het natuurlijk moment van onderhoud van de gasleiding niet direct leidend voor het aanleggen van een warmtenet. Bepalend hiervoor is de aanwezigheid van vraag en aanbod (gebouweigenaren en warmteleverancier). Het moment van gasleidingvervanging kan wel meespelen in het maken van de planning.
26
Het elektriciteitsnet moet in warmtebuurten op termijn verzwaard worden vanwege het feit dat warm tapwater elektrisch verwarmd zal worden, en koken elektrisch wordt. Door zonnepanelen en laadpalen moeten ook aanpassingen gedaan worden op het elektriciteitsnet. Wanneer dit moment is zal per wijk moeten blijken.
5.1.3 De aanpak in all-electric buurten In all-electric buurten ligt de focus op de individuele aanpak. Gebouweigenaren kunnen individueel besluiten hun woning(en) van het aardgas af te gaan door gasketels te vervangen door (hybride) warmtepompen en elektrisch koken te installeren. De collectieve aanpak volgt: het verzwaren van het electriciteitsnet en (op termijn) verwijderen van het aardgasnet. Bij alle electric wijken geeft de transitievisie gebouweigenaren perspectief op de warmteoptie in 2050, zodat zij met een gerust hart kunnen investeren in de genoemde maatregelen. De kans is groot dat deze investeringen no-regret zullen zijn. Het spreekt voor zich dat niet iedere woningeigenaar een vergelijkbaar handelingsperspectief heeft. Dat verschilt per woningtype en per transitiepad. Bovendien zijn er momenteel weinig sturingsmogelijkheden voor de gemeente. Het nemen van individuele maatregelen is dus op basis van vrijwilligheid. Dat iedere eigenaar de maatregelen individueel treft, betekent overigens niet dat er geen collectief aanbod georganiseerd kan worden, waar meerdere eigenaren tegelijk gebruik van kunnen maken.
5.1.4 De aanpak in besparingsbuurten In besparingsbuurten kunnen hybride warmtepompen een tussenoplossing zijn, in afwachting van een volledig gasvrije warmteoptie. Dit kan ook een eindoplossing zijn als de buurt zicht heeft op duurzaam gas (dit geldt voor de licht oranje gekleurde besparingsbuurten). De focus ligt in deze buurten op individuele aanpakken, gericht op zowel isolatie als hybride oplossingen. Ook is het hier belangrijk dat gebouwen die wél de overstap naar aardgasvrij (vaak met een all-electric oplossing als opt-out) kunnen maken, daar handvatten voor krijgen. Bij buurten waar duurzaam gas op termijn een oplossing is, moet het aardgasnet op termijn geschikt worden gemaakt voor duurzaam gas. In andere besparingsbuurten zal het aardgasnet op termijn worden verwijderd, als er een keuze is gemaakt voor aardgasvrije alternatieven.
5.1.5 Bedrijventerreinen Bedrijven zijn benoemd als aparte hoofddoelgroep binnen de energiebesparingsopgave. Omdat deze doelgroep zowel qua verwarmingsbehoefte als qua regelgeving afwijkt van woningen, is het belangrijk dat voor deze groep specifieke aanpakken worden ontwikkeld. Deze kunnen zowel gericht zijn op individuele (besparings)maatregelen als het ontwikkelen van kleinschalige collectieve systemen (bronnetten). Bij het uitwerken van deze aanpakken is de Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid (OZHZ) een belangrijke partner.
5.1.6 Nieuwbouw- en transformatiegebied Nieuwbouw wordt per definitie aardgasvrij gerealiseerd. De keuze van een warmteoptie (energieconcept) voor nieuwbouw wordt gemaakt op basis van de afwegingscriteria voor warmteopties in de transitievisie warmte, inclusief de voorkeursvolgorde voor warmtebronnen uit de RES. Bij deze keuze spelen altijd ook lokale factoren een rol, zoals de schaal van de ontwikkeling en de relatie met de bestaande bouw eromheen.
De Transitievisie Warmte als uitnodigingskader Collectieve Warmte We zitten momenteel nog in een fase waarin wetgeving (Wet collectieve warmtevoorziening, Omgevingswet) in ontwikkeling is en randvoorwaarden voor de warmtetransitie - onder andere de betaalbaarheid - deels ontbreken. Een tussenfase dus. Dé manier om deze periode te overbruggen en ondanks die missende randvoorwaarden toch al voortgang te boeken, is het verlenen van medewerking aan initiatieven uit de markt en de samenleving.
De Omgevingswet kiest ervoor om steeds meer de kracht van de samenleving te benutten in plaats van de overheid die alles zelf doet. Dat vraagt ook een stimulerende en uitnodigende cultuur die initiatiefnemers op weg helpt. Dat maken we mogelijk door de transitievisie warmte in deze tussenfase als uitnodigingskader te positioneren: een uitnodiging en leidraad voor het gesprek met initiatiefnemers.
27
Het uitnodigingskader geldt voor alle initiatieven met collectieve warmte, waarbij de medewerking van de gemeente nodig is (zoals aanleg van warmte-infrastructuur op gemeentegrond of afwijking van een omgevingsvergunning of bestemmingsplan). Dat kan van heel kleinschalig (enkele gebouwen) tot groot (bijvoorbeeld cluster- of wijkniveau). Waar gebouweigenaren stappen willen zetten richting aardgasvrij die passen binnen de kaders van deze transitievisie warmte, gaan we met dit uitnodigingskader als basis het gesprek aan. We stellen dus geen dwingende regels, vanuit de ervaring en overtuiging dat er in de samenleving (woningbouwcorporaties, gebouweigenaren, HVC, andere initiatieven, et cetera) voldoende kracht zit om de eerste stap richting 2050 te kunnen zetten. Om initiatieven de goede kant op te richten is er wel behoefte aan een uitnodigingskader, zodat de stappen die gezet worden in lijn zijn met het perspectief dat we in deze Transitievisie Warmte schetsen. Dit zorgt er onder andere voor dat keuzes die in deze tussenfase gemaakt worden voorsorteren op een betaalbare warmtetransitie. Het uitnodigingskader kan worden gezien als een gespreksleidraad, waarmee we aan de hand van ons warmtebeleid in de Transitievisie Warmte in gesprek gaan en medewerking verlenen aan initiatieven. De transitievisie warmte biedt de belangrijkste gespreksonderwerpen. Deze bestaan uit: 1.
De uitgangspunten van deze transitievisie warmte (H2) 2. De afwegingscriteria warmteopties (H3) 3. Een duidelijk ontwikkelperspectief: hoe verhoudt het initiatief voor het aardgasvrij maken van een cluster gebouwen zich tot het perspectief voor de buurten eromheen, de verwachte infrastructuur, het temperatuurniveau en de bronnenstrategie (RES)? 4. Het warmtenet als onderdeel van het energiesysteem: een warmtenet kan zoals beschreven helpen om pieken in het energiesysteem op te vangen. Het is daarom belangrijk om de integrale samenhang van het energiesysteem (warmtenet, (hernieuwbaar)gasnet en elektriciteitsnet) te bekijken. Op termijn kunnen warmtenetten aan elkaar gekoppeld worden. 5. Overige aandachtspunten. In een participatieronde met stakeholders, bewoners en bedrijven zijn criteria opgehaald die aangeven wanneer een initiatief als kansrijk wordt gezien om mee te starten. De belangrijkste zijn: Zijn er koppelkansen met werkzaamheden in de openbare ruimte en ondergrond, of met andere natuurlijke vervangingsmomenten? Hierbij kan gedacht worden renovatiemomenten van woningcorporaties of andere grote eigenaren, vervanging of sanering van het huidige gasnet, rioolvervanging, werkzaamheden aan de openbare ruimte, verbouwingen of de vervanging van Cv-ketels en nieuwbouwwerkzaamheden.
Kan de aanpak zorgen voor het voorkomen van energiearmoede bij kwetsbare doelgroepen en/of voor het versterken van de kwaliteit van de wijk? Lokale invulling per gemeente, bijvoorbeeld hoe het initiatief bijdraagt aan de doelen uit de Omgevingsvisie.
5.2.1 Hoe werkt het uitnodigingskader?
Het uitnodigingskader nodigt initiatiefnemers met een haalbare en betaalbare casus voor aardgasvrij uit om met de gemeente in gesprek te gaan. Het initiatief ligt hiervoor bij gebouweigenaren (woningcorporaties, utiliteit, VVE’s, groepen particulieren), die samen met een warmtebedrijf of een andere samenwerkingspartner in gesprek kunnen gaan. Het initiatief kan grootschalig zijn, maar ook kleinschalig, zoals een wijk-WKO of eigen warmtebron voor een grootverbruiker of voor een collectief van kleinverbruikers. Er is geen exclusieve positie voor welke partij dan ook. Elk initiatief en elke partij kan initiatief nemen. De gemeente gaat met de initiatiefnemer in gesprek aan de hand van de bovengenoemde inhoudelijke criteria, om de plannen te optimaliseren. Het initiatief moet verder voldoen aan alle reguliere vergunningen voor aanleg van een warmtenet.
Nieuwbouw Bij locatieontwikkelingen wordt in relevante documenten (waaronder nieuwe omgevingsplannen en de selectieprocedure voor de ontwikkelaar) een verwijzing opgenomen naar de Transitievisie Warmte en het hierboven beschreven uitnodigingskader voor collectieve warmte.
28
Monitoring Periodiek gaan we na of we nog op koers zitten en of de landelijke context is veranderd. Een aantal zaken krijgt de komende periode verder vorm: de Wet collectieve warmtevoorziening (zie volgende paragraaf) en de invulling van financiële randvoorwaarden voor de wijkaanpak. Bij elk van deze mijlpalen nemen we het uitnodigingskader onder de loep en maken we aanpassingen in ons beleid waar nodig. Voorbereiden op de aankomende Wet collectieve warmtevoorziening Er is wetgeving in ontwikkeling om gemeenten meer sturingsinstrumenten te geven in de warmtetransitie. De nieuwe Wet Collectieve Warmtevoorziening (Wcw) wordt naar verwachting in 2022 van kracht. Hierin is voorzien dat het college van B&W via een transparante procedure (publieke aanwijzing) een warmtebedrijf aanwijst, dat binnen een bepaald gebied (een warmtekavel) verantwoordelijk wordt voor de aanleg en levering van warmte. In het kader van de Wcw is het uitnodigingskader een mogelijke tussenstap, ná vaststelling van de Transitievisie Warmte en vóór vaststelling van een warmtekavel. Het door ons gehanteerde uitnodigingskader sluit daarom goed aan op de publieke aanwijzing zoals beschreven in de beoogde Wcw. Het is in lijn met de Wcw ook transparant, nondiscriminatoir en toegankelijk voor alle warmtebedrijven. We sorteren hiermee alvast voor en zorgen voor een overbrugging in deze tussenfase.
Bij inwerkingtreding van de Wcw zullen we het uitnodigingskader op de wet toetsen en eventuele aanpassingen doorvoeren.
Wat vraagt dit van de gemeentelijke organisatie? De warmtetransitie vraagt om een toenemende inzet van de gemeentelijke organisatie. Het rapport Uitvoeringskosten van het Klimaatakkoord voor decentrale overheden in 2022 – 20303 laat zien dat een aanzienlijke groei in het aantal fte nodig is om de taken die in het klimaatakkoord aan gemeenten is toebedeeld te kunnen invullen. Tabel 3 geeft per gemeentelijke taak de capaciteitsinschatting uit het rapport. Gemeente Alblasserdam valt in de categorie klein. Voor een gemeente als Alblasserdam is volgens de studie vanaf 2022 een capaciteitsinzet van minimaal 2 fte nodig voor de warmtetransitie. Daar bovenop komt nog extra capaciteit per wijk voor de wijkgerichte aanpak. Tabel 3: Capaciteitsinschatting gemeenten voor uitvoering klimaatakkoord Gemeentelijke taken
Klein
Middel
G40
Wijkuitvoeringsplan - planfase
0,8 – 1,1
0,9 – 1,4
1,2 - 1,8
fte per per jaar per wijk
Wijkuitvoeringsplan - uitvoeringsfase
1,7 - 2,1
1,9 – 2,4
1,9 - 2,4
fte per jaar per wijk
Totaal
Hangt af van aantal wijkuitvoeringsplannen
Samenwerking corporaties & VVE’s
0,3 – 0,4
0,6 – 0,9
1,4 - 2,1
Vergunningverlening, toezicht en handhaving
fte per jaar Beperkt
Gemeentebrede communicatie incl. energieloket
0,9 – 1,1
1,8 – 2,2
3,8 - 4,6
fte per jaar
Verduurzamen eigen vastgoed
0,1 – 0,2
0,5
0,75 - 1,25
fte per jaar
Verduurzamen maatschappelijk vastgoed
0,3 – 0,5
0,5 – 0,7
1,1 - 1,5
fte per jaar
Verduurzamen overige utiliteitsbouw
0,3
0,5
0,75
fte per jaar
Monitoren en herijken transitievisie warmte
0,25
0,3 – 0,5
1 - 1,5
fte per jaar
3 Rapport in het kader van art. 2-onderzoek Klimaatakkoord in opdracht van de Raad voor het Openbaar Bestuur. AEF, 2020.
29
Totaal
2,15 – 2,75
4,2 – 5,3
8,8 – 11,7
fte per jaar
Het is belangrijk bovenstaande tabel te toetsen aan de lokale situatie in Alblasserdam en de regio Drechtsteden. Die wijkt op een aantal vlakken af van de taken zoals hierboven in de tabel geduid:
30
De komende jaren worden warmtenetten met name gerealiseerd in de SAH-clusters, in plaats van in een wijkaanpak. De uitvoeringsorganisatie voor deze aanpak is ingericht in de vorm van de SAH-werkgroepen, waarin woningcorporaties Trivire en Woonbron en HVC een belangrijke rol spelen en ook Stedin betrokken is. Dit kan worden gezien als een minder intensieve voorloper op de wijkuitvoeringsplannen.
Enkele taken en rollen worden op regionaal niveau ingevuld of gefaciliteerd, zoals de bronnen- en ontwikkelstrategie voor warmtenetten, energiebesparing en communicatie (de regionale regisseur energiebesparing en communicatieadviseur faciliteren alle gemeenten in de Drechtsteden). Dit leidt tot schaalvoordeel per gemeente.
Daarnaast is het belangrijk om niet te kijken naar de warmtetransitie als losstaande opgave. In de planvorming en uitvoering kunnen koppelingen worden gemaakt met opgaven op andere beleidsterreinen. Deze samenhang heeft geen plek in bovenstaande tabel.