CConstaterende datAlblasserdam
Koppel je AI →
Document · PDF

Transitievisie Warmte Alblasserdam 2021.pdf

Gemeenteraad Alblasserdam 29 juni 2021, gemeente AlblasserdamBij agendapunt: 9: Transitievisie warmte 2021 - Raadsvoorstel12.886 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

4.3

Transitievisie Warmte Alblasserdam 2021 [Onderwerp]

Inhoudsopgave Voorwoord wethouder

3

Samenvatting

4

2

Inleiding

8

Uitgangspunten

11

Duurzame warmteopties

12

Transitiepaden en fasering

17

Uitvoeringsstrategie

25

Voorwoord wethouder We weten allemaal dat de gemiddelde temperatuur op aarde stijgt en dat daarom de uitstoot van broeikasgassen sterk moet verminderen. Deze constatering stelt ons voor een enorme uitdaging. We zullen onze manier van leven moeten veranderen om deze uitdaging aan te gaan. Daarom zetten we samen de schouders onder de Energietransitie. Een belangrijk onderdeel van de transitie is dat we onze woningen en gebouwen op een andere manier gaan verwarmen en toewerken naar een aardgasvrije gebouwde omgeving. Vanuit het klimaatakkoord spelen de gemeenten een belangrijke rol in het waarmaken van de klimaatafspraken. Zo ook voor het aardgasvrij maken van Alblasserdam. Maar de gemeente doet het niet alleen. Iedereen krijgt met de overstap naar aardgasvrij te kamen en we hebben iedereen in Alblasserdam nodig; bewoners, instellingen, bedrijven. We moeten het samen gaan doen. Maar hoe en wanneer gaan we Alblasserdam aardgasvrij maken? En welke opties hebben we en waar starten we mee? Dat wordt beschreven in deze Transitievisie warmte. In dit document staat beschreven hoe we Alblasserdam aardgasvrij maken met de kennis die we nu hebben. We kunnen niet in één keer het hele dorp aardgasvrij maken. De overgang naar aardgasvrij doen we daarom stap voor stap waarbij we goed nadenken over elke nieuwe stap.

Deze visie moet worden gelezen als een belangrijke eerste stap in een langdurig en veelomvattend proces waarin bewoners, woningcorporaties, netbeheerder en gemeente samen zullen gaan optrekken. Hierin zijn de belangrijkste uitgangspunten dat de warmtetransitie haalbaar en betaalbaar moet zijn. Daar waar de overstap naar aardgasvrij nog niet haalbaar en betaalbaar is, gaan we op zoek naar tussenstappen. Een belangrijke eerste stap is het toepassen van isolatie en andere vormen van energiebesparing. Uiteindelijk heeft elke gebouweigenaar een keuze in de aardgasvrije warmteoptie, maar aardgas is op termijn geen optie meer.

3

Samenvatting Een Transitievisie Warmte voor gemeente Alblasserdam In 2050 worden gebouwen in Nederland niet meer met aardgas verwarmd. Dat is nodig om de uitstoot van CO2 terug te dringen, klimaatverandering tegen te gaan en de afhankelijkheid van aardgas te verminderen, zowel uit Groningen als uit het buitenland. Ook in Alblasserdam gaan we onze gebouwen en huizen dus op een andere manier verwarmen. Deze overstap naar duurzame en aardgasvrije verwarming noemen we de warmtetransitie. Volgens het Nederlands Klimaatakkoord moeten gemeenten uiterlijk in 2021 hun Transitievisie Warmte vaststellen, waarin de alternatieven voor aardgas en het tijdpad per buurt is uitgewerkt. De Transitievisie Warmte moet bovendien minimaal iedere vijf jaar worden herijkt om de nieuwste inzichten op het gebied van innovatie en wet- en regelgeving mee te nemen. Uitgangspunten De warmtetransitie slaagt alleen als het voor iedereen haalbaar en betaalbaar is en als iedereen mee kan doen. Op dit moment is dat nog niet overal het geval. We pakken het dus stap voor stap aan en durven te starten waar het wél kan. Daar waar de overstap naar aardgasvrij nog niet haalbaar en betaalbaar is, gaan we op zoek naar tussenstappen. Een belangrijke eerste stap is het toepassen van isolatie en andere vormen van energiebesparing.

Uiteindelijk heeft elke gebouweigenaar een keuze in de aardgasvrije warmteoptie, maar aardgas is op termijn geen optie meer. Transitiepaden en het onderzoeksbeeld We hebben voor iedere buurt een transitiepad gekozen waarin de warmteoptie, een fasering op hoofdlijnen en een handelingsperspectief voor alle partijen staan. Deze transitiepaden zijn weergegeven in een kaart, de zogenaamde perspectiefkaart. In alle transitiepaden kunnen gebouweigenaren nu al aan de slag met zogenoemde “noregretmaatregelen” om hun gebouw geschikt te maken voor aardgasvrije verwarming, zoals isoleren, installeren van zonnepanelen of elektrisch koken. Deze maatregelen hebben in alle gevallen toegevoegde waarde. Daarnaast beschrijft het transitiepad de stappen om te komen tot de warmteoptie, waarvan het warmtenet, all-electric en duurzaam gas hybride de belangrijkste zijn. We hebben zorgvuldig onderzocht welk transitiepad in welke buurt de beste keus is met de kennis van nu. We hebben gekeken welke warmteoptie in iedere buurt de laagste maatschappelijke kosten heeft door drie rekenmodellen met elkaar te vergelijken. Ook hebben we samen met een werkgroep van betrokken partijen gekeken naar het perspectief op duurzame warmtebronnen, de impact op de openbare ruimte, koppelkansen en de duurzaamheid van de warmteopties.

De perspectiefkaart voor Alblasserdam Figuur 1 toont de perspectiefkaart voor Alblasserdam. De legenda laat zien we welk transitiepad in welke buurt wordt doorlopen.

4

Figuur 1: perspectiefkaart Alblasserdam

Warmtenetbuurten Voor een deel van Alblasserdam is een warmtenet de toekomstige oplossing met de laagste maatschappelijke kosten. Er is in Alblasserdam op termijn (na 2030) perspectief op duurzame warmtebronnen om warmtenetten mee te voeden. In de toekomst kan geothermie en thermische energie uit oppervlaktewater (TEO) een belangrijke rol spelen in de mix van warmtebronnen in Alblasserdam. Dit zullen waarschijnlijk warmtenetten zijn op middentemperatuur, wat wil zeggen dat er warmte geleverd wordt van 70°C of lager. Om die reden, en omdat het belangrijk is om onze warmtevraag te beperken, speelt isolatie in warmtenetbuurten een belangrijke rol. Als een buurt groen gekleurd is, betekent dat niet dat automatisch alle eigenaren in die buurt op het warmtenet worden aangesloten. Gebouweigenaren hebben een keuze om individueel voor een ander duurzaam alternatief te kiezen. Daarbij is het wel belangrijk om de maatschappelijke kosten voor de hele buurt zo laag mogelijk te houden. Andersom zouden gebouwen in andere wijken zouden soms ook nog aan het warmtenet kunnen als de ligging goed is. Gebouweigenaren hoeven niet aan te sluiten op het warmtenet. Er is keuzevrijheid en die blijft er naar verwachting ook. Bovendien heeft de gemeente momenteel niet de bevoegdheid om het gasnet te laten verwijderen.

Wel wordt de Wet Collectieve Warmtevoorziening (Wcw) in de nieuwe kabinetsperiode verwacht. Met deze wet kan de gemeente warmtekavels aanwijzen waarmee woningeigenaren moeten aansluiten op het warmtenet, tenzij zij kiezen voor een ander duurzaam en gasvrij alternatief. In de praktijk zal dat bijna altijd een variant van all-electric zijn. In Alblasserdam zien we dat wijken met relatief hoge dichtheden en veel corporatiebezit rond twee potentiële TEOwarmtebronnen op het warmtenet uitkomen. Hoe snel dit gerealiseerd zal worden, is mede afhankelijk of gemeente, gebouweigenaren en warmteleverancier(s) elkaar vinden. In Alblasserdam hebben de volgende wijken het transitiepad warmtenet: Vogelbuurt, Nieuw Kinderdijk, Rivierenbuurt, Waterland, Staatsliedenbuurt, Schrijversbuurt, Schildersbuurt, Blokweer Zuid, Oranjebuurt, Redersbuurt, Florabuurt, Drentsebuurt, Blokweer Noord en Cortgene.

5

All-electric In all-electricbuurten ligt in de toekomst in principe alleen een elektriciteitsnet. De gebouwen maken gebruik van een warmtepomp voor verwarming. Ook deze gebouwen moeten eerst isoleren en andere gebouwmaatregelen nemen voordat ze klaar zijn voor all-electric. All-electric is een individuele warmteoptie, wat betekent dat iedere gebouweigenaar zelf kiest wanneer hij de overstap maakt, binnen de randvoorwaarde dat het elektriciteitsnet op de juiste momenten voldoende verzwaard wordt. Omdat veel van deze buurten nog relatief nieuw zijn, relatief weinig CO2 uitstoten en omdat er nog veel innovaties te verwachten zijn in all-electric oplossingen is het niet wenselijk dat deze buurten te hoog tempo maken. Daarom maken zij gestaag de overstap tussen nu en 2050 en kiezen de gemeente en de netbeheerder een natuurlijk moment om het elektriciteitsnet te verzwaren en het gasnet te verwijderen. In Alblasserdam zien we dat in buurten met overwegend jonge, grondgebonden woningen all-electric de oplossing is met de laagste maatschappelijke kosten. In Alblasserdam hebben de volgende wijken het transitiepad all-electric: Klein Alblas, Polder Vinkenwaard, De Werven, Polder Blokweer, Polder Kortland en Polder Souburgh. Besparen en op termijn duurzaam gas In sommige buurten is gasvrije verwarming buitengewoon kostbaar of technisch heel ingewikkeld.

Dat zien we met name in oude of zeer gedifferentieerde buurten. In deze buurten zijn gebouwen moeilijk te isoleren. In Alblasserdam is dat het geval in de wijk Dijk, waar veel verschillende, oude, vrijstaande woningen staan. In deze buurt kiezen we er daarom voor om stapsgewijs, tussen nu en 2050, zoveel mogelijk gas te besparen door isolatie, hybride warmtepompen en gasvrije opt-out. Dat laatste betekent dat recent gebouwde of nieuwe gebouwen in deze buurten wel kiezen voor bijvoorbeeld all-electric. De resterende gasvraag vullen we dan op termijn duurzaam in met groen gas of waterstof.

Besparen en herijken Het is met de kennis van nu niet direct voor iedere buurt duidelijk wat de optimale warmteoptie is, bijvoorbeeld omdat de kosten voor verschillende warmteopties heel dichtbij elkaar liggen of omdat de rekenmodellen verschillende uitkomsten geven. Aan deze buurten gaan we daarom extra aandacht geven bij de vijfjaarlijkse herijking van de Transitievisie Warmte, waarin we dan de nieuwste inzichten en ontwikkelingen kunnen meenemen. Ondertussen zitten we ook in deze buurten niet stil: we gaan ook hier gewoon beginnen met het “transitiegereed” maken van alle gebouwen door isolatie, elektrisch koken en andere maatregelen. In Alblasserdam zien we dit transitiepad in de buurten Groene Long, Zeelt, Middelland, Kerkbuurt en Polderbuurt.

Bedrijventerreinen Bedrijventerreinen volgen een eigen transitiepad met veel aandacht voor maatwerk. Dat komt omdat de warmtevraag van bedrijven sterk verschilt, al naar gelang de functie van het bedrijf. Sommige bedrijven hebben helemaal geen warmtevraag, zoals opslagloodsen, anderen hebben een grote koudevraag, zoals kantoren en weer anderen hebben hoge temperatuur nodig voor bedrijfsprocessen. We voorzien daarom meerdere oplossingen op een bedrijventerrein, zowel individueel als kleinschalig collectief. Veel bedrijven maken momenteel al werk van de transitie omdat er voor bedrijven al veel strenge energieregels zijn. In Alblasserdam gaat het om Vinkenwaard, Hoogendijk en Nieuwland.

Nieuwbouw: altijd aardgasvrij en volgt de fasering van de gebiedsontwikkeling Alle nieuwbouw in Alblasserdam wordt aardgasvrij gerealiseerd, dat is sinds 2018 landelijke wetgeving. Ook voor nieuwbouw gelden de criteria zoals beschreven in deze transitievisie warmte. Dat betekent dat de inzet van lokale, direct bruikbare warmte voorkeur heeft bij het bepalen van het energiesysteem. De nieuwbouw kent een ander transitiepad dan bestaande wijken, omdat nieuwbouw de planning volgt van de gebiedsontwikkeling. Met name bij kleine transformatie- of nieuwbouwontwikkelingen binnen buurten met bestaande bouw kan het perspectief voor de bestaande bouw mede bepalend zijn voor het gekozen energiesysteem. In Alblasserdam zijn nieuwbouwplannen op

6

de locatie Mercon-Kloos, op het Nedstaalterrein en in de Werven.

Aan de slag met een uitvoeringsstrategie Als vervolg op deze transitievisie warmte werken we verder aan zowel collectieve aanpakken voor het realiseren van aansluitingen op het warmtenet, als aan individuele maatregelen. Voor individuele maatregelen als isolatie, hybride warmtepompen of de overstap naar all-electric werken we per doelgroep een aanpak uit om gebouweigenaren te ondersteunen. Voor collectieve maatregelen geldt deze transitievisie warmte als kader voor het gesprek met initiatieven van gebouweigenaren en marktpartijen. We noemen dit een uitnodigingskader, waarmee we houvast bieden in de “tussenfase” waarin randvoorwaarden als de Wet Collectieve Warmtevoorziening nog niet beschikbaar zijn. Om van transitievisie naar uitvoering te komen, is extra capaciteit nodig. In Alblasserdam verwachten we vanaf 2022 minimaal 2 fte nodig te hebben om gemeentelijke taken op het gebied van warmtetransitie en energiebesparing te kunnen uitvoeren, nog los van wijkuitvoeringsplannen. Dit volgt uit het rapport Uitvoeringskosten van het Klimaatakkoord voor decentrale overheden in 2022 – 2030 van de Raad voor het Openbaar Bestuur.

7

Inleiding In het Klimaatakkoord is afgesproken dat alle Nederlandse gebouwen in 2050 verduurzaamd zijn. We gebruiken dan geen aardgas meer om onze woningen en bedrijven te verwarmen en om te koken. De overstap naar een aardgasvrije gemeente is een enorme opgave, die we zorgvuldig en stap voor stap realiseren. Die stappen brengen we in deze Transitievisie Warmte in beeld.

De landelijke context Net als alle andere landen moet Nederland een flinke inspanning leveren om de opwarming van de aarde te beperken tot maximaal 2°C, en liefst niet meer dan 1,5°C. Daarover hebben we afspraken gemaakt in het Klimaatakkoord van Parijs. In 2019 ondertekenden overheden, organisaties en bedrijven in Nederland het Nationale Klimaatakkoord. Hierin staan concrete afspraken om de uitstoot van broeikasgassen in 2030 met 49 procent te verminderen ten opzichte van 1990. Nederland wil, als andere landen meedoen, de Europese doelstelling verhogen naar 55 procent minder uitstoot van broeikasgassen in 2030. Het Nederlandse doel is om in 2050 een volledig aardgasvrije samenleving te hebben. Voor de gebouwde omgeving zijn dit bijna acht miljoen woningen en één miljoen utiliteitsgebouwen. Om dit einddoel te kunnen behalen is de tussendoelstelling dat ongeveer twintig procent van het totaal aantal woningen in 2030 al aardgasvrij is. Gemeenten hebben een regierol in deze transitie naar een aardgasvrije gebouwde omgeving. Het Klimaatakkoord vraagt gemeenten om te werken aan plannen op drie niveaus, waartussen afstemming plaatsvindt: 1.

Op Regionaal niveau doen we dat in de vorm van de Regionale Energie Strategie (RES), waarin we duurzame energiebronnen in de regio in kaart brengen. Onderdeel van de RES is de Regionale Structuur Warmte (RSW), waarmee we de regionale beschikbare warmtebronnen, het verdeelvraagstuk van warmte binnen de regio, de benodigde infrastructuur en de ruimtelijke impact en kosten in beeld brengen.

2.

Op gemeentelijk niveau doen we dat in de vorm van de Transitievisies Warmte (TVW), die elke gemeente uiterlijk 2021 vaststelt. De Transitievisie Warmte beschrijft hoe de gemeente samen met stakeholders de warmtevraag op een aardgasvrije en duurzame manier kan invullen en in welk tempo dat zal verlopen.

3.

Op plekken waar we starten met een traject richting aardgasvrij stellen we een wijkuitvoeringsplan op. Omdat het aardgasvrij maken van wijken middels een wijkaanpak nog niet op grote schaal haalbaar en betaalbaar is, op gesubsidieerde pilots na, zal dit voor de meeste wijken de komende jaren nog niet aan de orde zijn. De grenzen van een uitvoeringsplan hoeven niet per se hetzelfde te zijn als de buurtgrenzen in de Transitievisie Warmte. In het uitvoeringsplan maakt de gemeenteraad de definitieve keuzes over hoe en wanneer de wijk aardgasvrij wordt. Daarbij worden de bewoners, overige gebouweigenaren en andere belanghebbenden nauw betrokken.

Wat verstaan we onder wijken? De Transitievisie Warmte gaat over de gebouwde omgeving en de warmte die daar nodig is voor ruimte- en tapwaterverwarming. Bedrijventerreinen en de ruimte- en tapwaterverwarming die daar plaatsvindt valt ook onder de Transitievisie Warmte, maar (industriële) bedrijfsprocessen nadrukkelijk niet. Als definitie van wijk hanteren we in deze Transitievisie Warmte de zogenaamde CBS-buurtgrenzen.

De regionale context 1.2.1 De Transitievisie Warmte 1.0 Dit is niet de eerste Transitievisie Warmte van Alblasserdam. In 2019 is in alle zeven Drechtsteden de Transitievisie Warmte 1.0 vastgesteld. Daarin is een eerste onderzoeksbeeld gemaakt van de meest kansrijke warmteopties in buurten. In deze versie hebben we het onderzoeksbeeld herijkt en bovendien transitiepaden bepaald. Daarbij gaan we niet alleen in op het einddoel aardgasvrij, maar ook de weg ernaartoe, de fasering, het handelingsperspectief, met logische tussenstappen per type wijk.

8

1.2.2 Samenwerking RES en Transitievisie Warmte 2021 Samen met de andere Drechtsteden werken we aan het doel om voor 2050 energieneutraal te zijn. Alle energie die na besparing nog wordt gebruikt, komt dan uit duurzame bronnen binnen en buiten de regio. In de Regionale Energiestrategie (RES) is een inventarisatie gemaakt van de bronnen die in de regio beschikbaar zijn. De Drechtsteden zijn een warmte-regio bij uitstek: er is een mix aan warmtebronnen beschikbaar en er loopt al een veelheid aan initiatieven op het gebied van warmtenetten. In de concept-RES is een doelstelling van 12.000 extra woningequivalenten (WEQ) aardgasvrij in 2030 opgenomen, met een ambitie van 25.000 WEQ wanneer extra randvoorwaarden zoals betaalbaarheid en wetgeving worden ingevuld. Zes van de zeven Drechtsteden, te weten Alblasserdam, Dordrecht, Hendrik-Ido-Ambacht, Papendrecht, Sliedrecht en Zwijndrecht, hebben in een gezamenlijk traject gewerkt aan de Transitievisies Warmte 2021. Dit traject is gelijktijdig doorlopen met het opstellen van de RES 1.0 en de daaronder vallende Regionale Structuur Warmte, om optimale afstemming tussen de beleidsdocumenten te verzekeren.

1.2.3 Groei van warmtenetten in de Drechtsteden In de Drechtsteden zijn al flink wat gebouwen aangesloten op warmtenetten en er zijn diverse kleinschalig collectieve oplossingen met warmte-koudeopslag (WKO). In delen van Dordrecht, Hendrik-Ido-Ambacht, Zwijndrecht, Papendrecht en Sliedrecht liggen warmtenetten van HVC, in Papendrecht is daarnaast een warmtenet van Eneco. De komende jaren wordt er op verschillende plekken in de regio gewerkt aan de uitbreiding van bestaande of de realisatie van nieuwe warmtenetten. De woningcorporaties, in samenspraak met HVC, hebben in 2020 voor ongeveer 6.000 woningen verspreid over de Drechtsteden een SAH (Subsidieregeling Aardgasvrije Huurwoningen) aangevraagd en toegekend gekregen. Deze woningen moeten volgens de regeling uiterlijk medio 2025 op een warmtenet worden aangesloten. Dit is daarom een belangrijke, lopende ontwikkeling die we meenemen in de fasering van wijken.

De lokale context In Alblasserdam speelt de volgende lokale context mee: 

Alblasserdam is de enige van de Drechtsteden waar nog geen startpunt ligt voor een warmtenet. Wel zijn er kansen voor thermische energie uit oppervlaktewater (TEO) en wellicht op termijn middeldiepe geothermie.

In Alblasserdam heeft corporatie Woonkracht10 de laatste jaren haar bezit verduurzaamd. Woonkracht10 verduurzaamt haar bezit naar minimaal label B, om gereed te zijn voor het warmtenet. Meer dan 50 procent van de Woonkracht10 woningen in Alblasserwaard heeft nu al een energielabel A of B.

In Alblasserdam wordt ook aan een Omgevingsvisie gewerkt: een visie voor de lange termijn voor de fysieke leefomgeving. Deze wordt naar verwachting in 2022 vastgesteld. De uitgangspunten en uitkomsten van deze Transitievisie Warmte en die van de RES worden daarin meegenomen. Op die manier zorgen we ervoor dat de Omgevingsvisie een beleidsdocument wordt met samenhang tussen de energie- en warmtetransitie en andere opgaven in de fysieke leefomgeving.

Wie zijn er betrokken geweest? 1.4.1 Bewoners en bedrijven We hebben bewoners, bedrijven en andere stakeholders op verschillende manieren en momenten in het proces van de TVW betrokken. 4500 bewoners en bedrijven, waarvan 400 uit Alblasserdam, hebben in het najaar van 2020 via een enquête laten weten wat ze belangrijk vinden in de overstap naar aardgasvrij. Daarnaast hebben we gedurende het hele traject gebruikgemaakt van het participatieplatform denkmee.drechtstedenenergie.nl, dat ingezet is voor participatie van zowel de TVW’s als de RES. Via dit platform kunnen inwoners en bedrijven per fase hun gedachten en ideeën inbrengen. Op die manier is ook input opgehaald op de uitgangspunten bij enkele tientallen inwoners aan de hand van verschillende discussies. Deze inbreng is verwerkt in deze notitie. In bijlage 1 staan de resultaten van de enquête en enkele voorbeelden van interacties die op het platform hebben plaatsgevonden.

9

Via de enquête hebben bewoners zich opgegeven die betrokken willen blijven bij de transitie naar aardgasvrij. Een selectie van deze groep is op 8 december 2020 samengekomen in een regionale meedenkgroepbijeenkomst, om nader in te gaan op de uitkomsten van de participatieactiviteiten en deze notitie van uitgangspunten. Daarnaast heeft op 25 februari 2021 de tweede uitgebreide participatieronde plaatsgevonden met een bewonersavond in Alblasserdam. Doel was om bewoners te informeren over aardgasvrij wonen, toelichting te geven op wat de TVW is en wat de eerste resultaten zijn, en ophalen hoe mensen betrokken willen worden bij het vervolg.

1.4.2 Regionale en lokale stakeholders Op verschillende niveaus hebben betrokken partijen meegewerkt aan de transitievisie warmte. Regionaal hebben alle gemeenten en vertegenwoordigers van betrokken partijen (woningcorporaties, Stedin, Omgevingsdienst OZHZ, HVC, waterschappen, Provincie Zuid-Holland, stichting Drechtse Stromen) deelgenomen aan gezamenlijke werksessies, waar onder andere de gezamenlijke uitgangspunten zijn opgesteld. Een lokale werkgroep van betrokken partijen heeft gewerkt aan de onderdelen van deze transitievisie warmte die specifiek zijn voor Alblasserdam. De betrokken partijen in Alblasserdam zijn: gemeente Alblasserdam, woningcorporatie Woonkracht10, de Combiraad, HVC en Stedin. De gemeenteraad is tijdens het opstellen van deze transitievisie warmte meerdere keren bijgepraat en hebben inbreng kunnen leveren. Op 20 en 25 januari hebben gezamenlijke raadsbijeenkomsten voor de zes gemeenten plaatsgevonden, waarin de gezamenlijke uitgangspunten zijn besproken. Op 18 maart zijn in een lokale raadsbijeenkomst de tussentijdse resultaten besproken.

De Transitievisie Warmte als uitnodigingskader Deze transitievisie warmte is opgesteld in een tijd dat de overstap naar aardgasvrij nog lang niet overal mogelijk is. Er moeten landelijk nog financiële voorwaarden ingevuld worden om de overstap betaalbaar te maken. Als gemeente wachten we bovendien nog op wetgeving (een belangrijke is de Wet Collectieve Warmte die wordt vormgegeven) die het voor ons mogelijk maakt om meer sturing te geven aan de warmtetransitie in onze wijken. We zitten dus in een “tussenfase” waarin we wel voortgang willen boeken, maar ook moeten accepteren dat wij als gemeente niet in ons eentje de snelheid kunnen bepalen. Deze transitievisie warmte biedt daarom een “uitnodigingskader”. De uitgangspunten, criteria en perspectiefkaart in deze Transitievisie Warmte bieden richting om met initiatieven uit de samenleving het gesprek aan te gaan. Op die manier creëren we houvast in deze tussenfase en bieden we partijen de kans om ook nu al tempo te maken waar mogelijk.

Leeswijzer Deze inleiding vormt hoofdstuk 1. In hoofdstuk 2 gaan we in op de uitgangspunten. In hoofdstuk 3 gaan we in op de techniek en hoe we gekomen zijn tot een optimale warmteoptie per buurt. In hoofdstuk 4 leggen we uit hoe we zijn gekomen tot de perspectiefkaart, waarin de transitiepaden per buurt staan toegelicht. In hoofdstuk 5 gaan we ten slotte in op de uitvoeringsstrategie, waarin zaken zoals het uitnodigingskader, instrumentarium en concrete vervolgstappen aan bod komen. Separaat aan dit document zijn er verschillende bijlagen die gebundeld zijn in één document. Her en der wordt in dit document naar deze bijlagen verwezen.

10

Uitgangspunten Samen met stakeholders en met de input uit de eerste participatieronde zijn de uitgangspunten voor de TVW opgesteld. Deze uitgangspunten vormen de basis voor de warmtetransitie van de zes genoemde Drechtsteden. 1. Voortvarend aan de slag met isolatie en andere vormen van energiebesparing Goede isolatie, ventilatie en de overstap naar elektrisch koken zijn essentieel om onze gebouwde omgeving op een aardgasvrije en duurzame manier te verwarmen. Het aardgasvrij maken van de gebouwde omgeving is een stapsgewijs proces. Ook in buurten waar nu nog geen betaalbare of passende oplossing is om van het aardgas af te gaan, kunnen woningen en gebouwen zich al voorbereiden op de transitie. In die buurten is het van belang gebouweigenaren te stimuleren en te ondersteunen om gebouwen “transitiegereed” te maken door aan de slag te gaan met tussenstappen zoals isoleren en hybride oplossingen. Zowel uit de enquête als de reacties op het participatieplatform blijkt dat veel bewoners zien dat er op het gebied van isolatie nog veel winst te behalen valt. 2. Iedereen moet mee kunnen doen Betaalbaarheid is voor inwoners van de Drechtsteden een belangrijk vraagstuk en komt in de participatie met stip naar voren als het belangrijkste thema.

Er is nog veel onzekerheid over de kosten van de warmtetransitie en de verdeling van de kosten en er ligt een taak bij de Rijksoverheid om dit op te lossen. Wat we wel weten is dat de warmtetransitie alleen kan slagen als iedereen mee kan doen, ook mensen met lagere inkomens, en dat daar oplossingen voor moeten komen. Daarom pakken we de transitie gefaseerd aan en gaan we pas van het aardgas af als het alternatief voor aardgas maatschappelijk aanvaardbaar en voor iedereen toegankelijk is. We erkennen dat deze transitie veel meer is dan een technische operatie. Oog voor de sociaal-maatschappelijke kant van de transitie is dan ook essentieel. Voldoende beschikbaarheid van goede begeleiding en ondersteuning voor gebouweigenaren is daarbij een randvoorwaarde. 3. Keuzevrijheid in alternatieven, maar aardgas is op termijn geen keuze meer Gebouweigenaren en/of bewoners worden altijd betrokken bij de keuze voor de warmtevoorziening in hun wijk. De gebouweigenaar maakt zelf de keuze over het alternatief voor zijn of haar woning of gebouw. De praktijk zal echter ook uitwijzen dat er niet altijd sprake is van een vrije keuze uit alle oplossingen, vanwege technische of financiële beperkingen. Niet overal zijn bijvoorbeeld warmtenetten mogelijk.

Ook is het niet realistisch om te verwachten dat overal duurzaam gas beschikbaar zal komen, gezien de beperkte verwachte beschikbaarheid daarvan voor de gebouwde omgeving. Het is belangrijk om een balans te vinden tussen keuzevrijheid en betaalbaarheid, want meer van het één betekent soms minder van het ander. Dit speelt bijvoorbeeld wanneer in een wijk meerdere eigenaren kiezen voor een individuele oplossing in een gebied waar een collectieve oplossing de meest betaalbare optie is. Die keuze maakt de collectieve oplossing minder betaalbaar. In wijken waar een collectieve warmteoplossing voor de hand ligt, is het daarom niet vanzelfsprekend om particulieren aan te moedigen te kiezen voor een individuele warmtepomp. Een aandachtspunt is dat veel landelijke campagnes zijn ingestoken op individuele aanpak, en een collectieve boodschap dus heel duidelijk overgebracht moet worden. Desalniettemin heeft een gebouweigenaar altijd een optie om niet mee te doen met het voorkeursalternatief voor de wijk en zelf een duurzaam alternatief te kiezen. Maar aardgas is op termijn geen optie meer. 4. Durven stappen te zetten naar een duurzame gebouwde omgeving Uit de participatie blijkt dat veel mensen de overstap naar aardgasvrij op dit moment (nog) niet willen maken. Dat is begrijpelijk, aangezien belangrijke randvoorwaarden zoals de betaalbaarheid nog niet op orde zijn.

Tegelijkertijd willen we onze verantwoordelijkheid nemen voor het klimaat, en onderschrijven we het uitgangspunt van het Klimaatakkoord van een CO2 neutrale gebouwde omgeving in 2050. De transitie naar aardgasvrije gebouwen is een essentieel onderdeel van die opgave. We kunnen en willen dus niet wachten, en we durven stappen te zetten. Wel doen we dat pragmatisch: we starten alleen daar waar de overstap haalbaar en betaalbaar is, we leren van initiatieven binnen en buiten de Drechtsteden, we houden rekening met natuurlijke momenten en hebben altijd oog voor de duurzaamheid van keuzes die we maken, met als einddoel een volledig CO2-neutrale gebouwde omgeving in de Drechtsteden. Daarnaast dringen we er als regio bij de Rijksoverheid op aan om invulling te geven aan de randvoorwaarden in het kader van het klimaatakkoord.

11

Duurzame warmteopties In dit hoofdstuk gaan we dieper in op de warmteopties: welke aardgasvrije en duurzame warmteoptie is per buurt het meest logisch, met de kennis van nu. We starten met de randvoorwaarde die voor alle warmteopties geldt: isoleren. Vervolgens behandelen we de verschillende warmteopties. Ten slotte gaan we in op de afwegingscriteria die we hebben gebruikt om tot een warmteoptie per buurt te komen.

In alle gevallen: isoleren (warmtevraagbeperking) Ongeacht de warmteoptie is het van belang dat we de warmtevraag terugdringen en andere noodzakelijke gebouwaanpassingen maken. Dit zijn schilmaatregelen, zoals isolatie van gevel, dak en vloer en vervanging van het glas, aanpassingen in de binneninstallatie, zoals radiatoren, ventilatie, het dichten van kieren en elektrisch koken. Bij gebouwgebonden maatregelen is het altijd de vraag hoe ver we moeten gaan om transitiegereed te zijn. We nemen in de Transitievisie Warmte als uitgangspunt dat aan het einde van de transitie zoveel mogelijk gebouwen een basisniveau moeten hebben bereikt. Met dit niveau kan een woning in ieder geval met 70°C verwarmd worden en ook met 40°C als de binneninstallatie daarvoor geschikt wordt gemaakt. Dit is dus een no-regretniveau waarmee een gebouw transitiegereed is voor bijna alle warmteopties. In 2021 zijn op nationaal niveau Standaard en Streefwaarden1 ingevoerd, die per woningtype inzicht geven in de manier waarop het no-regretniveau kan worden behaald. Het basisniveau bereiken we als we tussen nu en 2050 zoveel mogelijk op natuurlijke momenten maximaal ingrijpen binnen de bestaande schil. Nieuwere woningen zitten soms al op het basisniveau. Bij oudere woningen moet er juist meer gebeuren, die woningen zullen dus meer tijd nodig hebben om het basisniveau te bereiken.

Sommige gebouwen, veelal van voor 1920 en vaak ook monumentaal, zijn zo oud dat je een relatief hoge warmtevraag overhoudt, ook al doe je het maximale binnen de bestaande schil. Het aantal geschikte warmteopties voor deze buurten is dan ook beperkt.

De overstap naar duurzame warmteopties Deze paragraaf beschrijft in vogelvlucht de warmteopties. Een gedetailleerde, technische beschouwing is opgenomen in bijlage C. Met een warmteoptie wordt bedoeld het meest logische alternatief voor aardgas per wijk in 2050. Dit zegt nog niets over de fasering of planning per wijk, dit wordt nader toegelicht in hoofdstuk 4.

3.2.1 Warmtenet Een warmtenet is een infrastructuur van ondergrondse, geïsoleerde leidingen die warm water vervoeren naar meerdere gebouwen en afgekoeld water terugvoeren naar de bron. Er is dan dus sprake van een collectieve warmtevoorziening. De woning heeft in vergelijking met all-electric minder ingrepen aan de binneninstallatie nodig en in de woning is qua techniek alleen een afleverset aanwezig. De temperatuur van het aangeleverde warme water moet voldoende zijn om de woningen te kunnen verwarmen en in samenhang zijn met de temperatuur van de bron. Voor veel woningen zal een middentemperatuurwarmtenet dat 70°C levert op de koudste dagen van het jaar de laagste maatschappelijke kosten hebben. Bij dit temperatuurniveau is er een technisch en economisch optimum met de warmtevraagbeperking die hoort bij het basisniveau van isolatie en eventuele aanpassing van de binneninstallatie. Warmtenetten hebben als belangrijk kenmerk dat er grote investeringen in de infrastructuur nodig zijn. Hierdoor zijn warmtenetten alleen haalbaar in gebieden met een hoge bebouwingsdichtheid. Door het stedelijke karakter van de Drechtsteden is een groot deel van de bestaande bouw geschikt voor warmtenetten.

Een ander belangrijk kenmerk van warmtenetten is dat een warmtenet in een relatief kort tijdsbestek moet worden ontwikkeld, om zodoende snel voldoende aansluitingen te krijgen waarmee je voorinvesteringen voorkomt en zo snel mogelijk de bron kunt verduurzamen.

1 https://www.rijksoverheid.nl/documenten/kamerstukken/2021/03/18/kamerbrief-standaard-voor-woningisolatie

12

Een variant op het warmtenet op 70 °C aanvoer en 40 °C retourtemperatuur is een laagtemperatuurwarmtenet met een maximale aanvoertemperatuur van circa 40°C. Deze variant is voor de bestaande bouw minder logisch vanwege de hogere gebouwgebonden investeringen, die niet opwegen tegen de doorgaans lagere aanlegkosten van een laagtemperatuurwarmtenet. Voor grootschalige nieuwbouwontwikkelingen kan het interessant zijn om een laagtemperatuurwarmtenet te ontwikkelen. Dit moet per project gekeken worden. Voor Alblasserdam geldt dat in de warmtenetbuurten een middentemperatuurwarmtenet voor de bestaande bouw de grootste kansen biedt. Nieuwbouw zou eventueel aangesloten kunnen worden op een mogelijk toekomstig laagtemperatuurwarmtenet. Echter, all-electric is daarvoor ook een goede mogelijkheid. In principe is een warmtenet geen koudenet waar je gebouwen ook mee kunt koelen, zoals bij een bronnet met WKO (zie all-electric) wel het geval is. Voor grote complexen wordt het warmtenet soms gecombineerd met een koel- en ventilatiesysteem. Voor grondgebonden woningen met basisisolatie of minder zijn andere maatregelen zoals zonwering vaak vele malen (kosten)effectiever.

3.2.2 All-electric ‘All-electric’ betekent dat er in principe alleen nog een elektriciteitsnet in de buurt aanwezig is. Er is dan een warmteopwekinstallatie in de woning of het gebouw nodig die alleen elektriciteit gebruikt. Bijvoorbeeld een warmtepomp die warmte haalt uit de buitenlucht of de bodem. Iedere individuele vastgoedeigenaar kan op ieder moment de keuze maken om zijn huis niet alleen te isoleren, maar ook de gasketel te vervangen door bijvoorbeeld een warmtepomp. De individuele vastgoedeigenaar is dus veel minder afhankelijk van keuzes en beperkingen van andere vastgoedeigenaren in de straat, of in de buurt. De capaciteit in het bestaande elektriciteitsnet is echter beperkt en is bijvoorbeeld ook nodig voor de realisatie van laadpalen voor elektrische mobiliteit. Het elektriciteitsnet zal dus verzwaard moeten worden, niet alleen op buurtniveau, maar ook op gemeentelijk, regionaal, nationaal en internationaal niveau. Een variant van all-electric is het lokale bronnet. Een bronnet is een lokale, kleinschalige warmtevoorziening in de vorm van een zeer lage temperatuur warmtenet waar één of enkele gebouwen op zijn aangesloten. Net zoals bij allelectric staat in het gebouw of de woning een warmtepomp. In plaats van de bodem of buitenlucht gebruikt deze warmtepomp het aangevoerde water van het bronnet. Het aangevoerde water kan ook gebruikt worden voor koeling.

Ook bij een bronnet moet de capaciteit van het elektriciteitsnet in de buurt vaak worden verhoogd. Bronnetten worden veel toegepast bij utiliteitsgebouwen, omdat deze gebouwen naast een vraag naar warmte vaak ook een koudevraag hebben. Door de omvang van het gebouw is het elektriciteitsgebruik vaak hoog. Vanwege de lage energiebelasting op elektriciteit zijn de kosten voor het aardgasvrij maken met warmtepompen daarom relatief laag. Buurten waar all-electric oplossingen de laagste maatschappelijke kosten hebben, zijn meestal buurten met veel eengezinswoningen, gebouwd na 1990. In deze buurten zullen vaak niet alleen de radiatoren en het gasfornuis vervangen worden, maar komt er ook een warmtepomp en eventueel een verzwaring van de elektriciteitsaansluiting om de overstap naar all-electric te kunnen maken. In deze buurten is het gasnet doorgaans nog nieuw, evenals de gasketels. Tegelijkertijd zijn deze buurten al goed geïsoleerd, waardoor er relatief weinig klimaatwinst valt te behalen. Dit geeft de mogelijkheid om deze buurten in een eigen tempo de transitie te doorlopen. Bovendien zijn binnen all-electric nog veel innovaties te verwachten. De belangrijkste innovaties zijn warmtepompen die ook efficiënt hoge temperaturen kunnen maken en innovaties op het gebied van energieopslag in de woning.

Deze innovaties kunnen op termijn leiden tot een besparing van maatschappelijke kosten, bijvoorbeeld doordat het elektriciteitsnet minder hoeft te worden verzwaard of omdat ook oude, complexe buurten gasvrij kunnen worden. Ook vanwege deze innovaties is het onwenselijk om een all-electricbuurt in hoog tempo gasvrij te maken.

3.2.3 Duurzaam gas In oude binnensteden en oude (dijk)linten is zowel een warmtenet als all-electric met de huidige stand van de techniek vaak kostbaar of niet inpasbaar. Dat komt onder andere door drukte in de ondergrond en de oude, soms monumentale staat van de bebouwing die werkzaamheden kostbaar en technisch ingewikkeld maken. Met de kennis

13

van nu is het daarom logisch om het bestaande gasnet hier te handhaven en op termijn te gebruiken voor duurzaam gas. Randvoorwaarde is dan wel dat er op termijn voldoende duurzaam gas is, zoals groengas of waterstofgas. Daarbij moet er rekening mee gehouden worden dat duurzaam gas ook voor andere doeleinden nodig is, zoals in de industrie, zwaar transport en voor de piekvoorziening van warmtenetten. Aangezien duurzaam gas zeer schaars is en voorlopig ook zal blijven, is in buurten waar het gasnet wordt gehandhaafd wel gasbesparing nodig. Door middel van isolatie, hybride warmtepompen en door naoorlogse gebouwen wel zoveel mogelijk gasvrij te maken met bijvoorbeeld all-electric kan een gasbesparing van 60% tot 70% worden gerealiseerd in deze buurten.

3.2.4 Variatie binnen buurten: opt-out Een belangrijke nuance in de analyses is dat de inkleuring van een buurt zelden betekent dat de hele buurt volledig op één warmteoptie over gaat. Om uiteenlopende financiële, technische of andere, lokale redenen kunnen gebouweigenaren kiezen voor andere warmteopties dan de optimale warmteoptie in een buurt. Eigenaren hebben en behouden keuzevrijheid om te kiezen voor een warmteoptie van hun eigen voorkeur. Dit betekent bijvoorbeeld dat vastgoedeigenaren altijd kunnen kiezen voor all-electric, ook al komt er in de buurt een warmtenet. Het afwijken van de dominante warmteoptie in de buurt is soms onwenselijk. Voor een collectieve warmteoptie, zoals een warmtenet, geldt dat die betaalbaarder wordt als er meer woningen en utiliteitsgebouwen aangesloten zijn. Soms kan opt-out juist wel wenselijk zijn, bijvoorbeeld om een schaarse energiedrager zoals duurzaam gas zo efficiënt mogelijk in te zetten. Opt-out gaat in principe altijd om gasvrije, individuele of kleinschalig collectieve warmteopties. In de praktijk gaat het dus om all-electric of lokale bronnetten met bijvoorbeeld WKO in een warmtenetbuurt. Ook kan het zo zijn dat een complex wordt aangesloten op een warmtenet, terwijl de kleur van de wijk niet groen is. Bijvoorbeeld langs de randen van een wijk, die grenzen aan een warmtenetbuurt.

We maken per warmteoptie een inschatting van het percentage opt-out. We gaan ervan uit dat in buurten waar het gasnet blijft liggen de opt-out hoger zal zijn omdat dit wenselijk is met oog op het efficiënt inzetten van duurzaam gas. In warmtenetbuurten willen we juist proberen de opt-out zo klein mogelijk te houden voor de betaalbaarheid van het warmtenet. Tabel 1 geeft een samenvatting van de verschillende warmteopties. Tabel 1: Samenvatting van verschillende warmteopties Warmtenet

All-electric

Duurzaam gas

Zoveel mogelijk op natuurlijke momenten het maximale doen binnen de bestaande schil (basisniveau) vóór komst van de duurzame bron Midden-temperatuur afgiftesysteem en een afleverset. Relatief weinig impact in de woning.

Zoveel mogelijk op natuurlijke momenten het maximale doen binnen de bestaande schil (basisniveau).

Zoveel mogelijk op natuurlijke momenten het maximale doen binnen de bestaande schil (basisniveau).

Laag-temperatuur afgiftesysteem en een warmtepomp. Relatief veel impact in de woning

Midden-temperatuur afgiftesysteem en een hybride warmtepomp. Relatief veel impact in de woning

Infrastructuur

Warmtenet. Relatief veel impact in de ondergrond.

Extra verzwaard elektriciteitsnet. Relatief weinig impact in de ondergrond.

(Bestaande) gasnet. Relatief weinig impact in de ondergrond.

Bronnen

Mix van duurzame, lokale bronnen. Bij lage temperatuur bronnen hoort nog een collectieve warmtepomp.

Landelijke, op termijn duurzame elektriciteitsmix

Op termijn duurzaam gas

Isolatie

Techniek in de woning

14

Opt-out

All-electric en lokale bronnetten. Opt-out is onwenselijk.

Lokale bronnetten

All-electric en lokale bronnetten. Opt-out is wenselijk.

Afwegingscriteria voor warmteopties per buurt Om te bepalen welke toekomstige warmteoptie per buurt de voorkeur heeft, zijn met inbreng van bewoners, de gemeenteraad en de werkgroep afwegingscriteria opgesteld.

3.3.1 Laagste maatschappelijke kosten We streven naar warmteopties met de meest gunstige verhouding van kosten en baten. Onder maatschappelijke kosten worden alle kosten en baten verstaan die we als samenleving maken voor een bepaalde warmteoptie, ongeacht wie wat betaalt. Daarnaast hebben we rekening gehouden met de kosten voor het totale systeem, dus niet alleen naar de kosten die specifiek gelden voor een betreffend gebied of buurt, om versnippering van infrastructuren te voorkomen. Uit zowel de enquête als discussies op het participatieplatform blijkt dat er onder bewoners zorgen bestaan over de kosten van de overstap naar aardgasvrij. De Transitievisie Warmte lost niet alle vragen rond de betaalbaarheid van de transitie op, maar sorteert wel voor op de meest betaalbare transitie door per buurt de warmteoptie met de laagste maatschappelijke kosten te kiezen. De Transitievisie Warmte geeft geen antwoord op de vraag hoe de kosten vervolgens eerlijk verdeeld worden, en gaat niet over de diverse instrumenten die kunnen zorgen voor een eerlijke verdeling van de kosten. Dat zijn vraagstukken waar de Rijksoverheid zich over buigt. De laagste maatschappelijke kosten per warmteoptie per buurt zijn bepaald op basis van het zogenaamde onderzoeksbeeld. Dit is een vergelijking van drie rekenmodelstudies:   

Het Warmtetransitiemodel van Over Morgen De Startanalyse 2020 van Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) Het Openingsbod 1.0 van Stedin

De modelstudies zijn nader toegelicht in bijlage B.

3.3.2 Duurzaamheid: CO2-reductie en inpassing van lokale energiebronnen Warmteopties die de meeste CO2-reductie leveren en waarbij lokale energiebronnen kunnen worden ingezet hebben de voorkeur. Het gaat hierbij niet alleen om verduurzaming op korte termijn, maar ook om het kiezen voor de infrastructuur die toekomstige duurzame bronnen (warmte, elektriciteit en duurzaam gas) het beste kan ontsluiten. Vanuit de RES is bekend dat er in de regio een grote aanwezigheid van warmtebronnen is, en dat de ruimte voor het opwekken van duurzame elektriciteit schaars is. Ook bewoners geven op het platform aan zich zorgen te maken over de verzwaring van het elektriciteitsnet, en zijn benieuwd of waterstof in de toekomst een rol kan spelen in de warmtevoorziening. De voorkeursvolgorde van bronnen voor nieuwe manieren van verwarming zoals vastgesteld in de concept-RES2 houdt rekening met deze aspecten, en is leidend voor de Transitievisies Warmte:   

2

Direct bruikbare warmte Op te waarderen warmte Te maken warmte

Deze voorkeursvolgorde voor nieuwe manieren van verwarmen is opgesteld door de Provincie Zuid-Holland en overgenomen in de Concept-RES

15

In de Transitievisie Warmte houden we ook rekening met de samenhang in brontemperaturen, temperaturen waarmee gebouwen verwarmd worden en infrastructuren. Het behoud van lucht- bodem- en waterkwaliteit is een randvoorwaarde voor een duurzame transitie. De milieueffecten van verschillende bronnen zijn in de RES verder geïnventariseerd.

3.3.3 Inpasbaarheid in de ondergrond en de openbare ruimte Een warmteoptie moet inpasbaar zijn in de ondergrond en openbare ruimte. Een warmtenet bestaat uit dikke leidingen, die vragen om voldoende ruimte in de ondergrond. All-electric vraagt vaak om extra verzwaring van het elektriciteitsnet, wat impact kan hebben op de openbare ruimte in de vorm van extra transformatorhuisjes in de wijk. De inpasbaarheid van warmteopties is meegenomen in de afweging.

16

Transitiepaden en fasering In het vorige hoofdstuk is de basis gelegd voor de keuze van de warmteoptie per buurt. In dit hoofdstuk verrijken we die basis, zodat we per buurt meer perspectief creëren. We kijken per buurt naar de warmteoptie, de fasering, het handelingsperspectief (welke stappen kan een gebouweigenaar wanneer nemen), lokale kansen en ontwikkelingen en naar onzekerheden waar we mee om moeten gaan. Samen vormen die onderdelen het transitiepad van een buurt. We eindigen dit hoofdstuk met een kaart, die per buurt het transitiepad en het perspectief richting duurzame warmteopties weergeeft: de perspectiefkaart.

De perspectiefkaart van Alblasserdam Hieronder staat de perspectiefkaart van Alblasserdam weergeven.

In de legenda staan de verschillende transitiepaden. In een transitiepad schetsen we per buurt de route om tot een warmteoptie te komen. Die route bevat zowel een fasering als tussenstappen. Het transitiepad beschrijft ook wat voor soort aanpak erbij hoort, zoals een wijkgerichte aanpak of een doelgroepgerichte aanpak. In hoofdstuk 5 worden die aanpakken verder toegelicht. Per buurt heeft de lokale werkgroep het transitiepad gekozen en onderbouwd. De tijdperioden die horen bij de transitiepaden zijn niet absoluut, maar geven een richting aan. Gebouweigenaren kunnen ervoor kiezen om een ander tijdspad te kiezen. Zo kunnen corporaties ervoor kiezen om complexen nog voor 2031 op het warmtenet aan te sluiten, terwijl in het transitiepad de vanaf-datum 2031 staat. Dat kan ook gelden voor andere gebouweigenaren zoals VvE’s. De toelichting per buurt staat hieronder in tabel 2.

17

Tabel 2: Onderbouwing transitiepad per buurt Transitiepad

Buurt

Onderbouwing/ toelichting

Warmtenet: besparen en vanaf 2031 gefaseerd starten met een wijk- of doelgeroepgerichte aanpak

Vogelbuurt Nieuw Kinderdijk Rivierenbuurt Waterland Staatsliedenbuurt Schrijversbuurt Schildersbuurt Blokweer Zuid Oranjebuurt

Warmtenet: besparen en perspectief voor een warmtenet op de lange termijn, fasering nader bepalen bij herijking

Redersbuurt Florabuurt Drentsebuurt Blokweer Noord Cortgene

All-electric: relatief jonge wijk, besparen en gestaag overstappen naar all-electric tussen 2021 en 2040

Klein Alblas Polder Vinkenwaard De Werven

In deze buurten zijn er vanuit gebouwkenmerken kansen voor een warmtenet. Er zijn relatief veel corporatiewoningen en de dichtheid is relatief hoog. Tegelijkertijd ziet HVC in haar scenario-analyse mogelijkheden voor warmtenetten op basis van thermische energie uit oppervlaktewater (TEO) voor zowel een gebied aan de oostkant als de westkant van Alblasserdam, die grotendeels samenvallen met de wijken uit het onderzoeksbeeld. Bij TEO zou zelfs voor 2030 gestart kunnen worden met twee bronnen, één uit de Alblas aan de oostkant, en één uit de Noord aan de westkant. Zo zijn er mogelijkheden voor twee warmtenetgebieden in Alblasserdam, die naar elkaar toe kunnen groeien. Op termijn is het een optie om deze bronnen te vervangen door middeldiepe geothermie, waarvoor meer woningen nodig zijn. Deze techniek moet nog verder worden doorontwikkeld en zal waarschijnlijk niet eerder dan 2030 kunnen worden toegepast. Nieuw Kinderdijk en Waterland hebben een minder dichte bebouwing (meer grondgebonden), maar zijn qua ligging logisch om mee te nemen met een mogelijk warmtenet aan de westkant. Zo kan één aaneengesloten lichtgroen gebied in het westen gecreëerd worden met voldoende massa. Deze wijken liggen tegen de middelgroene wijken in het westen en oosten van Alblasserdam aan.

Een logische gedachte is dat de twee warmtenetgebieden op de lange termijn samengesmolten kunnen worden door deze wijken ook aan te sluiten. De Florabuurt, Drentsebuurt en Redersbuurt zijn hiervoor interessant omdat ze veel corporatiebezit hebben en een relatief hoge bouwdichtheid. Florabuurt was in het onderzoeksbeeld onzeker en de Redersbuurt al groen. Drentsebuurt gaat dan van blauw (2x all-electric) naar groen, maar gezien de diversiteit in bouwjaren en het relatief hoge corporatiebezit, kan een warmtenet hier interessant zijn in de toekomst. Blokweer Noord heeft weinig corporatiebezit. Het is daarom in een tweede stap voor het warmtenet mogelijk interessant deze wijk aan te sluiten. Cortgene heeft veel niet-bebouwd gebied. In navolging van de middelgroene gebieden wordt een warmtenet in de toekomst hier ook mogelijk kansrijk gezien. De wijk Klein Alblas is een relatief jonge wijk, met grondgebonden woningen die gebouwd zijn na 2005. Vanwege de goede isolatie en het type woningen is hier een all-electric oplossing het meest logisch. In de wijk Polder Vinkenwaard staan slechts enkele verspreide woningen en bedrijfsgebouwen, waardoor all-electric gebouwgebonden warmteoplossingen het meest efficiënt zijn. De wijk De Werven bevat grofweg drie delen: aan de westkant een relatief groot deel met jonge, grondgebonden woningen met bouwjaar na 2005.

Aan de oostkant een deel met bedrijfsgebouwen en aan de noordkant enkele straten met een mix van gestapelde woningen, grondgebonden woningen en bedrijfsgebouwen van verschillende bouwjaren. Het westelijk deel is veruit het grootste deel van de wijk en biedt een uitgesproken kans voor all-electric. De warmte-oplossingen voor de overige twee delen zijn minder evident. Daarom is voor de wijk De Werven de kleur blauw gekozen (all-electric).

18

Transitiepad

Buurt

Onderbouwing/ toelichting

All-electric: relatief oude wijk, besparen en gestaag overstappen naar all-electric tussen 2021 en 2050 Besparingsbuurt: vanaf 2021 met isolatie, hybride en lokale gasvrije opties tot 70% gas besparen. Op termijn duurzaam gas.

Polder Blokweer Polder Kortland Polder Souburgh

Dit zijn de verspreide woningen in het buitengebied van Alblasserdam. Hier liggen all-electric oplossingen het meest voor de hand.

Dijk

De wijk Dijk bevat woningen en bedrijfsgebouwen van verschillende bouwjaren, grootten en typen. Het eindbeeld van de warmtetransitie is hier niet eenduidig te kiezen. Hier is gekozen voor een besparingsbuurt met de optie om op termijn over te stappen naar duurzaam gas. Vanwege de zeer uitgestrekte bebouwing langs de dijk en het feit dat er relatief zeer oude woningen bij zitten, is gekozen voor de uiteindelijke oplossing van duurzaam gas.

Besparingsbuurt: vanaf 2021 met isolatie en hybride gas besparen. Bij herijking de warmteoptie opnieuw beoordelen.

Polderbuurt Kerkbuurt Zeelt Middelland Groene Long

Deze buurten laten een gemengd beeld zien voor wat betreft typen woningen en bouwjaren. Daarnaast liggen zij relatief verder af van de twee potentiële warmtenetgebieden aan de oostkant en de westkant van Alblasserdam, en bevatten zij relatief weinig corporatiewoningen. De Groene Long is feitelijk een recreatiegebied in Alblasserdam waar nauwelijks bebouwing staat. Middelland heeft relatief jonge woningen (bouwjaar na 1990) en leent zich in de toekomst wellicht voor een all-electric oplossing. Echter, het doortrekken van het eventuele warmtenet is ook een optie. De bebouwing in Zeelt is ouder. De wijken Kerkbuurt en Polderbuurt hebben zeer diverse bebouwing en bouwjaren, waardoor er niet één specifieke warmteoplossing komt bovendrijven.

Bedrijventerrein: besparen en gestaag aardgasvrij tussen 2021 en 2050 met een combinatie van individuele en kleinschalig collectieve opties Nieuwbouw- of transformatiegebied; all-electric of warmtenet, volgt fasering van gebiedsontwikkeling

Vinkenwaard Nieuwland Hoogendijk

Deze bedrijventerreinen langs de zuidkant van Alblasserdam zijn grootschalig en bevatten relatief grote panden. Dit biedt kansen om gezamenlijk of individueel specifieke warmte-opties toe te passen.

Delen van Dijk, Nieuwland en De Werven

In de wijk Dijk is er het Mercon-Kloos terrein, waar circa 200 nieuwbouwwoningen gepland zijn. In De Werven is op locatie Zuidelijk Havengebied nieuwbouw gepland van ongeveer 90 woningen. In de wijk Nieuwland is op het Nedstaalterrein nieuwbouw van bedrijfsgebouwen gepland.

Hieronder lichten we toe hoe we tot bovenstaande perspectiefkaart zijn gekomen, waarin de transitiepaden per buurt staan. Met de werkgroep hebben wij de volgende stappen doorlopen om te komen tot de perspectiefkaart:

1 Lokale validatie van het onderzoeksbeeld dat volgt uit de rekenmodelstudies. 2 Toetsing van het onderzoeksbeeld aan warmtenetscenario’s en warmtebronperspectief. 3 Het kiezen van een transitiepad per buurt.

Lokale validatie van het onderzoeksbeeld We zijn gestart met het onderzoeksbeeld dat volgt uit een vergelijking van de drie rekenmodelstudies (Over Morgen, Pbl, Stedin, zie 3.3.1). Dit onderzoeksbeeld laat zien in welke buurten er een robuuste uitkomst is van meerdere modellen en waar er geen of minder consensus is tussen de modellen. Het onderzoeksbeeld is de basis voor de

19

keuze van een warmteoptie en transitiepad per buurt. Rekenmodellen zijn echter niet onfeilbaar en werken op basis van allerlei aannames, inputdata en bevatten diverse onzekerheden. Daarom zijn de uitkomsten gevalideerd met de lokale werkgroep van betrokken partijen en zo nodig gecorrigeerd op basis van lokale afwegingen en informatie. Bij validatie van het onderzoeksbeeld in Alblasserdam bleek dat deze lokale informatie in een aantal buurten voor aanpassingen van het onderzoeksbeeld zorgde. Zo zijn op verschillende locaties nieuwbouwlocaties ingetekend: bij het Mercon-Kloos terrein, Het Nedstaalterrein en locatie Haven-Zuid in De Werven. Daarnaast waren bij het onderzoeksbeeld relatief veel buurten ‘onbekend’, onder andere vanwege een heterogene mix aan bebouwing. Met de werkgroep hebben wij deze wijken nader geduid en van een logisch transitiepad voorzien.

Toetsing van het onderzoeksbeeld aan warmtenetscenario’s en warmtebronperspectief De Drechtsteden lopen voorop in het ontwikkelen van warmtenetten in de bestaande bouw. In feite loopt die ontwikkeling op veel plekken zelfs voor op de Transitievisie Warmte, wat zeker het geval is in Alblasserdam. Bij de gemeente, maar met name bij HVC is veel kennis, ervaring en data over warmtenetten en warmtebronnen aanwezig die aanvullend zijn op het onderzoeksbeeld. Deze kennis, ervaring en data heeft HVC verwerkt in een aantal scenario’s voor de ontwikkeling van warmtenetten en warmtebronnen per gemeente.

4.3.1 Warmtenetscenario’s voor Alblasserdam De warmtenetscenario’s zijn besproken en gevalideerd met de lokale werkgroep. De scenario’s zijn als volgt gedefinieerd: 

Focus op thermische energie uit oppervlaktewater (TEO) op korte termijn: vanwege haar ligging bij de Noord en de Alblas is in Alblasserdam potentie voor een warmtenet met TEO als bron. Dit biedt op kortere termijn (vanaf 2025-2030) mogelijkheden voor twee warmtenetten aan de oost- en westkant van het dorp. Deze warmtenetten kunnen gestaag doorgroeien en op middellange termijn samensmelten tot één warmtenet. In een later stadium (vanaf 2045) kan wellicht middeldiepe aardwarmte als bron hiervoor gebruikt worden. Nu is dat technisch nog niet mogelijk, en is de potentie nog onzeker.

Focus op aardwarmte op middellange termijn: een tweede scenario is om de focus direct te leggen op aardwarmte als bron op de middellange termijn. Als dit mogelijk blijkt te zijn kan vanaf 2025-2030 gestart worden met een warmtenet, gevoed door tijdelijke warmtecentrales (TWC’s). Na 2030 kan dit overgenomen worden door een bron op aardwarmte.

De scenario’s zijn voornamelijk afhankelijk van externe factoren, waar de samenwerkende partijen in Alblasserdam weinig tot geen invloed op hebben. Het gaat dan bijvoorbeeld over structurele subsidies voor aansluitingen en warmteproductie en incidentele subsidies zoals de Proeftuin Aardgasvrije Wijken van BZK. Ook gaat het om financieringsregelingen, zoals de komst van een Warmtefonds. Tot slot gaat het over economische, politieke en juridische ontwikkelingen, zoals de prijzen, belasting en wetgeving, waaronder de Wet collectieve warmtevoorziening en de Omgevingswet. Op korte termijn is starten in Alblasserdam nog niet realistisch. Bij het herijken van de TVW moet periodiek worden gekeken in hoeverre het voorbereiden van een warmtenet al mogelijk is. Met het isoleren van gebouwen kan nu al gestart worden. Interne factoren spelen ook mee. Het gaat dan om het draagvlak voor het warmtenet op de middellange termijn, een gedragen fasering voor de ontwikkeling van het warmtenet en een structurele samenwerking in de uitvoering.

4.3.2 Warmtebronscenario voor Alblasserdam Per gemeente heeft HVC het perspectief op verschillende warmtebronnen onderzocht. Voor 2030 is er perspectief op de volgende duurzame warmtebronnen in Alblasserdam:

20

Aquathermie. De Noord is geschikt om aquathermie, ook wel “warmte uit oppervlaktewater” genoemd, uit te winnen. Met een grote warmtepomp wordt de warmte uit de Noord of aanliggend water opgewaardeerd, zodat het geschikt is voor het warmtenet. Tussen nu en 2030 zouden maximaal twee locaties kunnen worden ontwikkeld. Samen leveren deze locaties voldoende warmte voor maximaal 4.000 woningen. Middeldiepe Aardwarmte. De potentie voor middeldiepe aardwarmte (1-2 km diep) in Alblasserdam is groot. Een eerste onderzoek wijst uit dat de ondergrond geschikt is voor een of meerdere aardwarmtebronnen met een max. van 7.000 woningaansluitingen per bron. De technologie voor het winnen van aardwarmte uit deze laag is nog niet markt gereed. In 2025 en 2030 kan dit geëvalueerd worden en kan er evt. gestart worden met een verdiepend haalbaarheidsonderzoek voor middeldiepe aardwarmte in Alblasserdam. De aanwezigheid van een geschikte warmtebron is bepalend in de mogelijkheden voor een warmtenet. Dit heeft ook een relatie tot het mogelijke afzetgebied: warmtebronnen zoals aquathermie kunnen al toegepast worden bij enkele honderden woningen, terwijl bijvoorbeeld geothermie vaak duizenden aansluitingen nodig heeft.

Er is daarom voor Alblasserdam een verdere verdieping gemaakt van het onderzoeksbeeld door het meenemen van de aanwezige warmtebronnen, de karakteristieken van deze warmtebron en de mogelijke gebieden waar een warmtenet uitgerold kan worden. In vergelijking met andere Drechtsteden is het aantal duurzame warmtebronnen voor 2030 in Alblasserdam beperkt, zo blijkt uit bovenstaande tabel. Op korte termijn is er weinig zicht op het gebruik van geothermie. Er is wel een kans voor aquathermie. In Alblasserdam zijn er richting 2030 mogelijkheden voor twee kleinere netten op basis van aquathermie, in het westen op basis van warmte uit De Noord en in het oosten op basis van warmte uit De Alblas. Op langere termijn, waarschijnlijk na 2030, is ook middeldiepe geothermie een optie voor Alblasserdam, waarbij dan één groter net van enkele duizenden aansluitingen noodzakelijk is. Middeldiepe geothermie is warmte van aardlagen tussen de 1 en 2 kilometer en temperaturen tot circa 70 graden. De technieken en financiering voor middeldiepe geothermie is op dit moment nog niet goed toepasbaar, daar zijn dus de komende jaren nog verdere ontwikkelingen nodig.

Het kiezen van een transitiepad per buurt Na stap 1 (bestudering onderzoeksbeeld) en stap 2 (bestuderen warmtenetscenario’s en warmtebronscenario’s) heeft de werkgroep de transitiepaden gekoppeld aan buurten. We onderscheiden de volgende transitiepaden:     

Warmtenetbuurten All-electricbuurten Besparingsbuurten met op termijn duurzaam gas Besparingsbuurten en periodiek herijken Bedrijventerreinen

4.4.1 Warmtenetbuurten Transitiepad

Warmtenetbuurten

Gebouwen

Alle gebouwen gaan zoveel mogelijk op natuurlijke momenten naar het basisniveau van isolatie, installatie en elektrisch koken.

Warmteoptie

Een 70°C-warmtenet in de wijk met een afleverset in de woning.

Perspectief op duurzame bronnen

Er is in deze buurt een duurzaam bronperspectief zoals geothermie of aquathermie. In de opstartfase van een nieuw warmtenet zijn nog tijdelijke transitiebronnen nodig, zoals aardgas.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.alblasserdam.nl/api/v1/meetings/145/documents/3361