CConstaterende datAlblasserdam
Koppel je AI →
Document · PDF

Toelichting.pdf

Commissie Grondgebied Alblasserdam 23 september 2025, gemeente AlblasserdamBij agendapunt: 8: Herstelbesluit Bestemmingsplan Zuidelijk Havengebied Alblasserdam - Voorstel22.806 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Adromi B.V.

R202250

Pagina 28 van 73

Bestemmingsplan 'Zuidelijk Havengebied' van de Gemeente Alblasserdam

schimmels of bacteriën aan hout soms enkel door deskundigen met apparatuur kan worden vastgesteld, terwijl daardoor wel de buigsterkte van een constructie is aangetast welke dan zich dan tijdens een piekbelasting (zoals een storm) manifesteert. Door bijvoorbeeld toepassing van betonkernactivering kan een betonnen constructie worden ingezet voor de opslag van koude of warmte. Een betonnen constructie is daarnaast zeer goed geluidisolerend, terwijl geluidisolatie voor stalen en houten constructies een zeer lastige opgave blijft. Op onderhavige locatie, waar de geluidbelasting een belangrijk punt van aandacht vormt, ligt een keuze voor beton als bouwmateriaal dus ook voor de hand. Bij sloop van een bouwwerk geldt dat hout en staal overwegend maar eenmaal bruikbaar zijn. Mogelijk dat draagbalken van voldoende restlengte herbruikbaar zijn, maar uiteindelijk zal alle constructiehout via de verbrandingsoven weer als CO2 in de lucht eindigen, inclusief aanvullende emissies van gebruikte lijmen, coatings en biociden. Een houtconstructie zal dus hoogstens tijdelijk CO2 bufferen. Een staalconstructie is op dezelfde wijze beperkt herbruikbaar. Staal dat als bouwafval wordt afgevoerd stelt de hoogovens soms voor aanzienlijke uitdagingen vanwege de gebruikte roestwerende en brandvertragende coatings.

Gewapend beton kan aan het einde van zijn levensduur relatief eenvoudig worden gebroken en opnieuw worden hergebruikt, waarbij het ook een optie is om ook het cement terug te winnen. Betonstaal wordt in het breekproces afgescheiden en is goed te recyclen tot nieuw staal. Tijdens de gehele cyclus neemt beton beperkt CO2 op (recarbonisatie) en dit effect zal worden versterkt in het puinbreekproces. Uit studies blijkt dat een betonconstructie netto CO2 bespaart op andere bouwmaterialen zodra een bouwwerk langer dan 50 jaar gehandhaafd blijft3. Voor houten gebouwen is een levensduur van meer dan 50 jaar een flinke uitdaging, waarbij ook geldt dat een boom veel meer dan 50 jaar nodig heeft om constructiehout te kunnen leveren voor een groot en omvangrijk bouwwerk zoals hier aan de orde4. Op dit vlak blijkt ook uit niet aflatende berichten in de media over houtkap van oerbossen in Zuid-Amerika, Canada, Rusland, Roemenië en Polen dat de globale vraag naar hout de houtproductie overtreft en ten koste gaat van de biodiversiteit (houtplantages i.c.m. verdwijnen van oerbossen), terwijl de grondstoffen voor beton in de vorm van staal, zand, grind en mergel/hoogovenslakken niet schaars zijn en kunnen worden gewonnen met veel minder invloed op de biodiversiteit.

3

https://www.rastra.com/docs/sales/CO2_Impact_-_Wood_vs_Concrete.pdf en https://pubmed.ncbi.nlm.nih.gov/35055595/ 4 https://www.istructe.org/IStructE/media/Public/TSE-Archive/2021/Timber-and-carbon-sequestration.pdf

Adromi B.V.

R202250

Pagina 29 van 73

Bestemmingsplan 'Zuidelijk Havengebied' van de Gemeente Alblasserdam

Waar mogelijk worden ook elders in het gebouw gerecyclede bouwmaterialen toegepast en wordt gebruik gemaakt van bouwmaterialen die aan het einde van de levensduur ook eenvoudig her te gebruiken en/of de scheiden zijn met het oog op recycling. Duurzaam ruimtegebruik Onderhavige ontwikkeling in bestaand stedelijk gebied maakt optimaal gebruik van reeds aanwezige voorzieningen en infrastructuur, waardoor elders geen nieuwe infrastructuur en dergelijke behoeft te worden gerealiseerd. Klimaatadaptatie De ontwikkeling vindt plaats in een verstedelijkte omgeving. De stresstest die voor de gemeente is uitgevoerd laat zien dat dit zorgt voor een grotere kans op overlast bij overmatige regenval, droogte en hitte. Overmatige regenval De kans op hevige neerslag is toegenomen en zal de komende jaren verder toenemen door stijging van de temperatuur. Voor wateroverlast in bebouwd gebied zijn de korte hevige buien (lokaal) van 1 uur veelal maatgevend. Dit zijn vaak onweersbuien in de lente of de zomer die de capaciteit van het rioolstelsel te boven gaan. De kan leiden tot water-op-straat, overlast en schade. De eisen voor het voorkomen van wateroverlast hebben tot doel om hevige neerslag lokaal vast te houden en bebouwing en voorzieningen te beschermen. Op dit vlak is relevant dat sprake is van een buitendijks gelegen locatie die zich vrijwel op dijkhoogte bevindt.

Hierdoor is het risico op overstroming door regenval gering. Daar komt bij dat het huidige parkeerterrein ter plaatse van de beoogde woningen vrijwel volledig is verhard. Als onderdeel van het bouwplan zal meer groen worden gerealiseerd dat ook kan dienen als bufferopvang bij hevige regenval. Droogte Klimaatverandering zorgt voor langere periodes van droogte en daarmee verminderde toevoer van water naar het oppervlakte- en grondwater. Het doel is het voorkomen of beperken van schade aan houten fundering, schade aan begroeiing, extra bodemdaling en een slechte waterkwaliteit. De eisen richten zich op het rekening houden met droogte en aanvulling van het grondwater. De inrichting van het plangebied is, evenals in de huidige situatie reeds het geval, afgestemd op de verwachte grondwaterstanden en de zoetwaterbeschikbaarheid tijdens droogte. Hierin vindt geen negatieve verandering plaats. Met de komst van meer groen wordt ook een grotere bufferopvang in het grondwater gecreëerd.

Adromi B.V.

R202250

Pagina 30 van 73

Bestemmingsplan 'Zuidelijk Havengebied' van de Gemeente Alblasserdam

Hitte Extreme, langdurige hitte vermindert het functioneren van mensen en kan schadelijk zijn voor de gezondheid. De stedelijke omgeving warmt al meer op dan het buitengebied en in de openbare ruimte zijn plekken nodig om af te koelen. De geformuleerde eisen hebben tot doel om koelere plekken buiten te creëren en het opwarmen van de stedelijke omgeving tegen te gaan. Eisen voor temperatuurregulatie in gebouwen zelf zijn hier niet opgenomen. Door te voorzien in zonneschermen en terugliggende balkons kan te grote opwarming van de nieuw te bouwen gebouwen zoveel mogelijk worden tegengegaan. Bodemdaling Bodemdaling wordt veroorzaakt door ontwatering en kan komen door droogte. Bodemdaling kan consequenties hebben voor het waterbeheer. Vooral veengebieden zijn gevoelig voor bodemdaling door oxidatie bij lagere grondwaterstanden. Gelet op de ligging van het bouwplan op een buitendijkse ophoging, speelt het aspect bodemdaling geen noemenswaardige rol. Zoals beschreven in paragraaf 3.5 heerst er een grote vraag naar (betaalbare) woningen in de regio. Het bouwen binnen stedelijk gebied heeft hierbij de voorkeur, maar de mogelijkheden hiervoor zijn doorgaans schaars. Onderhavige locatie biedt deze mogelijkheid wel. In de nabije omgeving zijn tal van woningen gerealiseerd, waarbij het grootste gedeelte is aangemerkt als ‘niet kwetsbaar’ voor bodemdaling.

Hierdoor kan worden geconcludeerd dat de risico’s voor nieuwe woningen in ditzelfde gebied beheersbaar zijn. Energiezuinig bouwen Het Bouwbesluit is uitputtend bedoeld als het gaat om het stellen van regels over de energieprestatie van gebouwen. Bouwbesluit verplicht bij nieuwbouw dat woningen bijna energieneutraal zijn (BENG-norm per 1 januari 2021. De voormalige EPC-eisen (Energie Prestatie Coëfficiënt) zijn in 2020 vervangen door de eisen voor Bijna EnergieNeutrale Gebouwen (BENG). Het grote verschil tussen EPC en BENG is dat bij deze nieuwe eis energiebesparing belangrijker is dan energieopwekking. Waar bij de EPC-eis het nog mogelijk was om energieverliezen met bijvoorbeeld zonnepanelen te compenseren, kan dit met de nieuwe BENG eisen niet meer. BENG is gebaseerd op een driestappenstrategie om een energiezuinig ontwerp te maken, de Trias Energetica. De BENG-eisen zijn verschillend voor ieder gebouwtype. De energieprestatie wordt bepaald aan de hand van 3 individueel te behalen eisen, te weten: 1) de maximale energiebehoefte in kWh per m2 gebruiksoppervlak per jaar (kWh/m2.jr); 2) het maximale primair fossiel energiegebruik, eveneens in kWh per m2 gebruiksoppervlak per jaar (kWh/m2.jr);

Adromi B.V.

R202250

Pagina 31 van 73

Bestemmingsplan 'Zuidelijk Havengebied' van de Gemeente Alblasserdam

3) De het minimale aandeel hernieuwbare energie in procenten (%) Per 10 maart 2020 is verder in het Bouwbesluit de verplichting opgenomen bij woningbouw met meer dan 10 parkeervakken op hetzelfde terrein voor elk parkeervak de leidinginfrastructuur (loze leidingen) wordt gelegd voor de aanleg van laadpunten. Op grond van de Gaswet krijgen nieuwe gebouwen per 1 juli 2018 geen gasaansluiting meer. In het kader van in te dienen bouwaanvragen zal op basis van het Bouwbesluit op deze aspecten worden getoetst.

Adromi B.V.

R202250

Pagina 32 van 73

Bestemmingsplan 'Zuidelijk Havengebied' van de Gemeente Alblasserdam

4.

Infrastructuur

4.1. Verkeer en parkeren 4.1.1. Verkeer Ten aanzien van de aspecten verkeer en ontsluiting is een afzonderlijk onderzoek uitgevoerd door Goudappel Coffeng. Het rapport van dat onderzoek is als bijlage bij de Toelichting gevoegd5. Voor de beoogde ontwikkeling wordt blijkens dit rapport rekening gehouden met een verkeersaantrekkende werking van 1.523 motorvoertuigen per etmaal als weekdaggemiddelde. Zoals uit de rapportage blijkt, wordt rekening gehouden met een flinke autonome toename van het verkeer in Alblasserdam in het algemeen, waaronder ook op de Dam, welke zal dienen als ontsluitingsroute voor onderhavig bouwplan. Het bouwplan heeft volgens Goudappel Coffeng evenwel slechts een beperkt aandeel in de geprognosticeerde autonome verkeerstoename. Deze autonome toename betekent volgens Goudappel Coffeng dat er diverse verkeersmaatregelen geïndiceerd zijn om een goede afwikkeling van het verkeer op de ontsluitingswegen van Alblasserdam te behouden. Aangezien het hierbij gaat om bouwplan overstijgende verkeersproblematiek (immers deze maatregelen zouden ook dienen te worden genomen indien dit bouwplan niet zou worden uitgevoerd) die ook om een integrale gemeentebrede aanpak vraagt. De gemeente zal de komende jaren de nodige maatregelen nemen om deze problematiek het hoofd te bieden.

In lijn daarmee vormt het aspect verkeer en ontsluiting geen beperkende factor voor onderhavig bestemmingsplan. 4.1.2. Parkeren Het is de bedoeling om de bestaande parkeerbehoefte die wordt ingevuld op de huidige parkeerplaatsen te integreren in het bouwplan. Voor wat betreft de nieuwe woningen en commerciële functies dient in de parkeerbehoefte te worden voorzien overeenkomstig het gemeentelijke beleid. Blijkens dit beleid dient het gebied te worden beschouwd als onderdeel van het centrum. Er is een parkeerbalans opgesteld voor de beoogde ontwikkeling6. Uit deze parkeerbalans blijkt dat in de parkeerbehoefte van de nieuwe te bestemmen functies kan worden voorzien door realisatie van een parkeergarage. Op basis van het gemeentelijke parkeerbeleid wordt rekening

5

Goudappel Coffeng Verkeersonderzoek woningbouwontwikkeling zuidelijk havengebied Alblasserdam, 5 september 2023, 014754.20230905.N1.01, bijlage 2 6 Spark, Parkeerbalans zuidelijk havengebied, 20 april 2023, bijlage 13

Adromi B.V.

R202250

Pagina 33 van 73

Bestemmingsplan 'Zuidelijk Havengebied' van de Gemeente Alblasserdam

gehouden met een parkeervraag van 251 parkeerplaatsen. Er wordt vooralsnog voorzien in 343 parkeerplaatsen, dus meer dan nodig is voor het bouwplan zelf. Er wordt hierbij in de parkeerbalans rekening gehouden met maximaal 1 parkeerplaats per woning in de parkeergarage. Alle overige plaatsen zijn vrij beschikbaar voor zowel de woningen, de te realiseren niet-woonfuncties en de parkeerbehoefte in de verdere omgeving. Mocht in de praktijk blijken dat de betrokken woningen een lagere parkeervraag hebben, dan kan een herindeling van de garage worden overwogen. De extra te realiseren 92 parkeerplaatsen zullen blijkens de parkeerbalans ruim compenseren voor de parkeerbehoefte welke thans wordt ingevuld op het parkeerterrein. Conclusie De aspecten Verkeer, Parkeren en Ontsluiting leveren geen belemmeringen op voor het plan. 4.2. Kabels en leidingen Ten aanzien van de aspecten kabels en leidingen is een KLIC-melding uitgevoerd. Uitkomst hiervan is dat er in het plangebied leidingen aanwezig zijn welke voorafgaand aan uitvoering van het bouwplan zullen moeten worden verlegd. Deze werkzaamheden zullen worden uitgevoerd door, dan wel in overleg met de betrokken leidingbeheerders. Conclusie De aspecten kabels en leidingen zijn voor het bestemmingsplan voldoende onderzocht en vormen geen belemmering voor de vaststelling van voorliggend bestemmingsplan.

Adromi B.V.

R202250

Pagina 34 van 73

Bestemmingsplan 'Zuidelijk Havengebied' van de Gemeente Alblasserdam

5.

Milieu- en omgevingsaspecten

5.1. Milieueffectbeoordeling Blijkens de considerans van de Richtlijn betreffende de milieueffectbeoordeling (2011/92/EU, OJ L 26, 28.1.2012, pp. 1-26 hierna ook: de Richtlijn) van bepaalde openbare en particuliere projecten is de richtlijn bedoeld voor openbare en particuliere projecten die mogelijk aanzienlijke milieueffecten kunnen hebben. Voor dergelijke projecten dient alleen een vergunning te worden verleend na een beoordeling van de aanzienlijke milieueffecten die deze projecten kunnen hebben, mede de specifieke kwetsbaarheid van het milieu in de omgeving van het beoogde project in aanmerking genomen. Blijkens de richtlijn zijn in het kader van een beoordeling van de aanzienlijke milieueffecten van een bepaalde ontwikkeling voornamelijk de volgende aspecten relevant: - Een hoog beschermingsniveau van het milieu en de menselijke gezondheid; - Efficiënt gebruik van hulpbronnen, waaronder zo veel mogelijk beperking van het grondgebruik; en beperking van het ruimtebeslag; - Duurzame groei in de Unie waartoe de voorziene procedures moeten worden vereenvoudigd en moeten worden geharmoniseerd; - Bescherming van biodiversiteit en ecosysteemdiensten, waaronder het mariene milieu; - Het voorkomen en tegengaan van klimaatverandering, waaronder bescherming tegen de gevolgen van klimaatverandering; - Preventie en beheersing van rampen en voorkomen van kwetsbaarheid bij rampen.

Het bevoegd gezag dient blijkens de considerans de directe en indirecte aanzienlijke milieueffecten van een project volledig te beoordelen en af te wegen. Hiertoe moet het bevoegd gezag een analyse uitvoeren door de inhoud van de door de initiatiefnemer verstrekte informatie en de via raadplegingen ontvangen informatie te onderzoeken, alsmede in voorkomend geval door aanvullende zelfstandig verzamelde informatie in overweging te nemen. 5.1.1. Beoordelingsplicht Gelet op artikel 2, vijfde lid, onder b, van het Besluit m.e.r. bestaat de verplichting voor het bevoegd gezag om de artikelen 7.16, 7.17, eerste tot en met vierde lid, 7.18, 7.19, eerste en tweede lid en 7.20a van de Wet milieubeheer toe te passen. Dit komt erop neer dat het bevoegd gezag verplicht is om een beslissing te nemen omtrent de vraag of bij de voorbereiding van een besluit voor een in de bijlage van het Besluit m.e.r. genoemde activiteit, vanwege de belangrijke nadelige gevolgen die zij voor het milieu kan hebben, een milieueffectrapport moet worden gemaakt. Deze beslissing wordt een m.e.r.-beoordelingsbesluit genoemd.

Adromi B.V.

R202250

Pagina 35 van 73

Bestemmingsplan 'Zuidelijk Havengebied' van de Gemeente Alblasserdam

Een dergelijk m.e.r.-beoordelingsbesluit is niet alleen vereist indien sprake is van een besluit als bedoeld in kolom 4 van onderdeel D van de bijlage bij het besluit m.e.r. en de drempelwaarden voor de desbetreffende activiteit worden overschreden, maar ook indien de drempelwaarden niet worden overschreden. Zowel het college als de raad zijn op grond van artikel 7.1, vierde lid, van de Wet milieubeheer bevoegd om een dergelijk m.e.r.-beoordelingsbesluit te nemen. Daarbij dient aan de hand van de selectiecriteria in bijlage III bij de Richtlijn 2011/92/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten (de m.e.r.-richtlijn) te worden beoordeeld of de activiteit belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben. Onderhavige ontwikkeling kan, voor zover deze betrekking heeft op de nieuwbouw, worden aangemerkt als de wijziging van een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in de bijlage van het Besluit m.e.r. onder D categorie 11.2. Een milieueffectbeoordeling is dus noodzakelijk, ook al wordt de drempel van 2.000 woningen of 100 hectare hierbij niet overschreden. Verder kan de aanpassing van het geluidgezoneerde industrieterrein in principe worden aangemerkt als een verandering van industrieterrein als bedoeld onder D categorie 11.3 van de bijlage bij het Besluit m.e.r.

Uitgaande van de hiervoor relevante uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak7 dient bij de vraag of er sprake is van een ontwikkeling die valt onder een van de categorieën die zijn genoemd in het Besluit m.e.r. evenwel rekening te worden gehouden met de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aspecten als de aard en omvang van de voorziene wijziging / ontwikkeling een rol spelen alsook de mate waarin: - een ontwikkeling afwijkt van hetgeen planologisch is toegelaten8; - sprake is van uitbreiding van bebouwing of verharding9; - sprake is van een wijziging van het gebruik; - de situatie rondom de ontwikkeling10. Bij de vraag of sprake is van een ontwikkeling die valt onder de categorieën van het Besluit m.e.r. (de vraag of voor een activiteit een milieueffectbeoordeling moet worden gemaakt), dient de feitelijke situatie als uitgangspunt te worden genomen en niet de vergunde of bestemde situatie11. Het gaat er immers om, aan de hand van de feitelijk beoogde veranderingen/activiteiten te beoordelen of het Besluit m.e.r. van toepassing is.

7

ARRvS 18 juli 2018 ECLI:NL:RVS:2018:2414 ARRvS 31 juli 2019 ECLI:NL:RVS:2019:2651 9 ARRvS 29 juli 2020 ECLI:NL:RVS:2020:1832 10 ARRvS 10 juli 2019 ECLI:NL:RVS:2019:2355 11 ARRvS 15 maart 2017, ECLI:NL:RVS:2017:694 8

Adromi B.V.

R202250

Pagina 36 van 73

Bestemmingsplan 'Zuidelijk Havengebied' van de Gemeente Alblasserdam

Gelet hierop is geen sprake van een verandering van industrieterrein in de zin van genoemde categorie D11.3. Immers alleen de begrenzing van het geluidgezoneerde industrieterrein wordt aangepast, waarbij er feitelijk geen bedrijfsbestemming wordt aangepast en ook geen sprake is van een wijziging van het gebruik voor wat betreft het aspect bedrijvigheid. In het nu volgende wordt dan ook alleen de nieuwbouwontwikkeling beoordeeld in relatie tot de criteria zoals opgenomen in bijlage III van de Richtlijn betreffende de milieubeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten. 5.1.2. MER-Beoordeling Kenmerken van het project Bij de kenmerken van een project moet in het bijzonder in overweging worden genomen: a) de omvang van het project Er is sprake van de realisatie van woningen, dienstverlening, lichte bedrijvigheid en lichte horeca met bijbehorende ontsluiting en parkeerplaatsen. Gelet op de schaal en omvang van de infrastructuur en de bedrijfsfuncties in de directe omgeving is het project van geringe omvang. b) de cumulatie met andere projecten Het project is solitair gelegen. Er is geen sprake van cumulatie met andere projecten. Eventuele cumulatieve effecten met andere projecten hebben betrekking op de verkeersbewegingen/ verkeersaantrekkende werking. De verkeersgevolgen van het plan zijn onderzocht en aanvaardbaar geacht. Verwezen wordt naar paragraaf 4.1.

Het plan voorziet op eigen terrein in (gebouwd) parkeren, zodat in zoverre geen rekening behoeft te worden gehouden met cumulatieve milieueffecten vanwege parkeren. Eventuele cumulatie op het vlak van verkeer is verdisconteerd in het Nationaal samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Uit raadpleging van deze online informatie blijkt niet van een geprognosticeerde (dreigende) overschrijding van de luchtkwaliteitseisen ter plaatse. Verwezen wordt naar paragraaf 5.3. Er blijkt evenmin van een relevante stikstofdepositie op daarvoor gevoelige beschermde natuurgebieden. Verwezen wordt naar paragraaf 7.2 en 7.3. c) het gebruik van natuurlijke hulpbronnen Voor het realiseren van de nieuwbouw zullen indirect natuurlijke hulpbronnen worden gebruikt in de vorm van onder meer bouwmaterialen, water en energie. Gebruik van deze hulpbronnen zal gangbaar zijn voor hedendaagse woningbouw. Er worden in het kader van dit project geen

Adromi B.V.

R202250

Pagina 37 van 73

Bestemmingsplan 'Zuidelijk Havengebied' van de Gemeente Alblasserdam

uitzonderlijke bouwmethoden of materialen toegepast. Waar mogelijk worden gerecyclede materialen en/of recyclebare materialen toegepast. Verder wordt zo veel mogelijk gebruik gemaakt van prefab bouwelementen. Dit vermindert de hinder die voor de omgeving zal worden veroorzaakt op de bouwplaats (bouwgeluid e.d.). Dit vermindert verder het ontstaan van bouw- en sloopafval doordat materialen op de bouwplaats op maat dienen te worden gemaakt, met bijbehorende extra aan- en afvoerbewegingen. Voor materiaalgebruik en energieprestatie zijn de eisen zoals opgenomen in het Bouwbesluit leidend. Het plan zal, binnen de randvoorwaarden voor een sluitende planontwikkeling, zo materiaal- en energie-efficiënt mogelijk worden uitgevoerd. Het gebruik van natuurlijke hulpbronnen zal zich na voltooiing beperken tot het gebruik van nutsvoorzieningen in de context van de bewoning. Er dient in lijn daarmee rekening te worden gehouden met het gebruik van natuurlijke hulpbronnen voor verwarming, ventilatie, koeling, warm water en het bereiden van maaltijden. Onderhavig project draagt bij aan efficiënt hergebruik van grond als natuurlijke hulpbron. Het project maakt optimaal gebruik van de reeds aanwezige infrastructurele voorzieningen, waardoor uitbreiding van infrastructuur ter ontsluiting van het plangebied niet aan de orde is.

d) de productie van afvalstoffen Er dient rekening te worden gehouden met het ontstaan van bouw- en sloopafval tijdens de bouw. Hierbij moet gedacht worden aan de gangbare restanten van bouwmaterialen. Na realisatie zal rekening moeten worden gehouden met regulier communaal afval afkomstig van de bewoners. Geconcludeerd kan worden dat er op dit punt geen bijzonderheden te verwachten zijn, noch qua aard noch qua omvang van het te verwachten afval. e) verontreiniging en hinder De locatie is in gebruik als parkeerterrein. Als gevolg van onderhavig plan dient rekening te worden gehouden met toename van verkeer van en naar de locatie. De toename van verkeer heeft een beperkte invloed op de omliggende (woon)gebieden. Dit komt omdat het gebied direct is aangesloten op de hoofdontsluitingsweg (de Dam). Verder zal er als gevolg van deze ontwikkeling geen sprake zijn van verontreiniging en hinder. Het bodembelastingsrisico ten aanzien van woongebruik is minimaal en evenmin is er een risico op het ontstaan van stof- of geurhinder. Uit de aard der functie en de ligging in bestaand

Adromi B.V.

R202250

Pagina 38 van 73

Bestemmingsplan 'Zuidelijk Havengebied' van de Gemeente Alblasserdam

bebouwd gebied wordt enige lichthinder niet uitgesloten. Echter deze hinder is passend in stedelijk gebied als het onderhavige. f) risico van ongevallen, met name gelet op de gebruikte stoffen of technologieën Met onderhavig plan wordt niet voorzien in functies met een extern veiligheidsrisico. Vanuit de aard der functie is dan ook geen sprake van gebruik van risicovolle stoffen of technologieën. Voor wat betreft de risico’s in de omgeving in relatie tot het nieuwbouwplan wordt verwezen naar paragraaf 5.4. Voor wat betreft het risico op calamiteiten door overstromingen, bijvoorbeeld vanwege klimaatverandering, is van belang dat sprake is van een buitendijks terrein dat vrijwel op dijkhoogte is gelegen. Verwezen wordt naar figuur 6. Het overstromingsrisico vertegenwoordigt geen gevaar ten opzichte van de situatie in het lagergelegen binnendijkse gebied. Immers hoogwater op de rivier zal alhier hinder en schade kunnen veroorzaken, maar de overstromingshoogte is gering, waardoor het gevaar van een overstroming beperkt zal zijn. Gelet op de afstand van de nieuwe ontwikkeling ten opzichte van de rivier en de reeds aanwezige bebouwing, ligt het niet in lijn der verwachting dat de waterstroming aanvullend gevaar zal vormen in geval van een overstroming van het terrein.

Evenmin ondervindt de locatie negatieve effecten van bodemdaling, nu de gronden ter plaatse door de sinds jaar en dag aanwezige ophoging al maximaal zijn voorbelast. Het opgehoogde buitendijkse gebied betekent ook dat het risico zeer gering is dat de dijk ter plaatse van het bouwplan zal bezwijken. Zwakkere plekken in de waterkering bevinden zich elders.

Figuur 6: uitsnede Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN), bron: PDOK

Adromi B.V.

R202250

Pagina 39 van 73

Bestemmingsplan 'Zuidelijk Havengebied' van de Gemeente Alblasserdam

Gelet op het feit dat ter plaatse ook een transformatorstation op dijkhoogte aanwezig is (hoek Dam/Marineweg), kan de elektriciteitsvoorziening ter plaatse in principe ook blijven functioneren in geval van een overstroming van het achterland. Alle daarop gebaseerde voorzieningen, zoals communicatievoorzieningen en verwarming, zullen op die wijze in principe nog operationeel kunnen blijven in geval van een overstroming. Los hiervan betreft overstromingsrisico een projectoverschrijdend aspect dat in dit kader niet het hoofd kan worden geboden, mede omdat het stedenbouwkundig onwenselijk is om het perceel boven dijkhoogte op te hogen tot een waterveiliger niveau. Evenmin blijkt dat het vanwege klimaatverandering onverantwoord zou zijn hier de komende 30 jaar (de economische afschrijving van de nieuwe investeringen) de beoogde functies te vestigen. De op te richten bebouwing bestaat uit meerdere bouwlagen zodat het altijd een optie is om bij eventuele zeer zware overstroming naar een hogere verdieping te vluchten. Gelet op de hoogteligging van de dijk, zal er in principe ook enige tijd zijn om het plangebied te ontruimen en te vluchten van een dijkdoorbraak af. De aanwezige infrastructuur biedt hier voldoende mogelijkheden voor.

De capaciteit van deze infrastructuur kan worden vergroot door deze eenrichting te maken, waarbij de hulpdiensten die het gebied nog in moeten rijden gebruik kunnen maken van andere routes. In het kader van de vormgeving van de nieuwbouw zal het voorzorgbeginsel worden gehanteerd met het oog op het voorkomen van zoönose. Immers het voorzorgbeginsel schrijft voor dat men zich ervoor moet inspannen om blootstellingsrisico’s zo klein mogelijk te maken, ook al is er volgens beschikbare inzichten geen sprake van aantoonbare gezondheidseffecten12. Van belang is hoe dan ook dat er in de directe nabijheid geen sprake is van veehouderijen of andere functies waar grote concentraties van dieren te verwachten zijn. Door keuze van vegetatie en doelmatig afvalbeheer wordt ongedierte voorkomen en het risico op tekenbeten verminderd. Verder zullen waar nodig maatregelen worden genomen om te voorkomen dat vleermuizen zich vestigen in/aan woongebouwen op locaties waarbij sprake zal zijn van een verhoogd contactrisico met uitwerpselen en/of dode vleermuizen en andere dieren, bijvoorbeeld in relatie tot een tuin, terras of balkon. Dit is overeenkomstig de richtlijnen van de WHO13. Plaats van het project Bij de mate van kwetsbaarheid van het milieu in de gebieden waarop de projecten van invloed kunnen zijn, moet in het bijzonder in overweging worden genomen:

12 13

o.m. Rechtbank Oost Brabant 17 oktober 2014, ECLI:NL:RBOBR:2014:6305 PREDICT, Living safely with bats, juli 2018, Africa version

Adromi B.V.

R202250

Pagina 40 van 73

Bestemmingsplan 'Zuidelijk Havengebied' van de Gemeente Alblasserdam

a) het bestaande grondgebruik De projectlocatie en de wijde omgeving zijn sinds jaar en dag droog gelegd en in cultuur gebracht. Het bestaande grondgebruik van de projectlocatie zelf betreft openbaar parkeren. b) de relatieve rijkdom aan en de kwaliteit en het regeneratievermogen van de natuurlijke hulpbronnen van het gebied De projectlocatie en het omliggende gebied bevatten geen natuurlijke hulpbronnen. Het betreft in cultuur gebracht terrein. Er bestaan geen concrete plannen om ter plaatse natuurgebied te realiseren. Voor wat betreft het effect op aanwezige natuurgebieden heeft onderzoek plaatsgevonden naar de stikstofdepositie. Uit het onderzoek blijkt dat geen drempelwaarden zullen worden overschreden. Verwezen wordt naar paragraaf 7.3. c) het opnamevermogen van het natuurlijke milieu, met in het bijzonder aandacht voor de volgende typen gebieden: i) wetlands Er is geen sprake van een wetland in het gebied. Het plan leidt evenmin tot een aantasting van het bestaande waterbergende en/of -afvoerende vermogen van het systeem. ii) kustgebieden Er is geen sprake van kustgebied. De zee bevindt zich op grote afstand. iii) berg- en bosgebieden; Er is geen sprake van berg- of bosgebied. iv) reservaten en natuurparken; Er is geen sprake van reservaten of natuurparken in de directe omgeving.

v) gebieden die in de wetgeving van de lidstaten zijn aangeduid of door die wetgeving worden beschermd; speciale beschermingszones, door de lidstaten aangewezen krachtens Richtlijn 2009/147/EG van het Europees Parlement en de Raad van 30 november 2009 inzake het behoud van de vogelstand (1) en Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (2). De ontwikkeling heeft geen effecten voor beschermde natuurgebieden, zie paragraaf 7.3. vi) gebieden waarin de bij wetgeving van de Unie vastgestelde normen inzake milieukwaliteit reeds worden overschreden Er is geen sprake van overschrijding van de milieukwaliteitsnormen in het gebied. Verwezen wordt naar paragraaf 5.3.

Adromi B.V.

R202250

Pagina 41 van 73

Bestemmingsplan 'Zuidelijk Havengebied' van de Gemeente Alblasserdam

vii) gebieden met een hoge bevolkingsdichtheid Er is in Europese context geen sprake van gebied met een hoge bevolkingsdichtheid, ook al is Nederland als zodanig een dichtbevolkt land. Reden hiervoor is gelegen in de omstandigheid dat relatief weinig hoogbouw aanwezig is. viii) landschappen van historisch, cultureel of archeologisch belang Het landschap is van beperkt historisch of cultureel belang. De beoogde nieuwbouw sluit aan bij de structuur van het gebied. Wat betreft archeologie is van belang dat de eventueel aanwezige archeologische waarden niet onaanvaardbaar zullen worden verstoord door de bouwwerkzaamheden. Verwezen wordt naar paragraaf 8.2. Kenmerken van het potentiële effect De potentiële aanzienlijke effecten van het project moeten in samenhang met de criteria van de punten 1 en 2 in beschouwing worden genomen en in het bijzonder betrekking hebben op: a) het bereik van het effect (geografische zone en grootte van de getroffen bevolking); Het mogelijke effect van het project beperkt zich tot de belendende percelen en ook daar is het milieueffect gering. Op dit punt kan ook worden verwezen naar de informatie die is opgenomen onder het kopje ‘cumulatie’. b) het grensoverschrijdende karakter van het effect; De ontwikkeling zal geen gevolgen hebben voor de bevolking van België, het Verenigd Koninkrijk of Duitsland.

Dit geldt ook voor de bevolking van verderaf gelegen nationale staten. c) de orde van grootte en de complexiteit van het effect; De ontwikkeling kan als weinig complex worden gekarakteriseerd, ook wat betreft het effect daarvan. d) de waarschijnlijkheid van het effect; Het is waarschijnlijk dat het effect van de ontwikkeling zich zal beperken tot enkele meters afstand van de perceelgrens en ook daar gering zal zijn. e) de duur, de frequentie en de omkeerbaarheid van het effect; De ontwikkeling zal voor onbepaalde tijd worden bestemd, aangevraagd en vergund. De gebouwen zullen voortdurend aanwezig zijn. Het gebruik zal gedurende het gehele etmaal en het gehele jaar plaatsvinden. Door verhuizing van de bewoners, sloop van de gebouwen en

Adromi B.V.

R202250

Pagina 42 van 73

Bestemmingsplan 'Zuidelijk Havengebied' van de Gemeente Alblasserdam

verwijdering van verdere infrastructuur is het effect van de ontwikkeling omkeerbaar, zij het dat in geval van sloop fundatiepalen in de grond aanwezig zullen blijven.

5.1.3. SMB-Beoordeling In deze context dient verder te worden beoordeeld of de onderhavige ontwikkeling moet worden beschouwd als een zogenaamd ‘plan of programma’ als bedoeld in artikel 2, aanhef en onder a, van de Richtlijn 2001/42/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 juni 2011 (hierna ook: de SMB richtlijn). Immers artikel 7.2, lid 1, lid 2 en lid 5 van de Wet milieubeheer jo. artikel 3, lid 3, van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage (hierna ook: het Besluit mer) strekken mede ter uitvoering van het bepaalde in artikel 3, lid 2, aanhef en onder a, van de SMB-richtlijn. In kolom 3 van de onderdelen C en D van de bijlage bij het Besluit mer zijn op plannen benoemd waarvoor in het Nederlandse recht voor de uitvoering van het bepaalde in artikel 3, lid 2, aanhef en onder a, van de SMB-richtlijn een milieueffectrapportageplicht kan gelden. De met onderhavige bestemmingsregeling door te voeren herzieningen en correcties kunnen worden beschouwd als kleine wijzigingen in de zin van artikel 2, lid 3 van de richtlijn welke verder geen mogelijke milieueffecten hebben. Voor wat betreft de ontwikkeling van de nieuwe woningen en flankerende centrumfuncties is van belang om na te gaan of sprake kan zijn van mogelijke aanzienlijke effecten zoals bedoeld in artikel 3, lid 5 jo. bijlage II van de SMB-richtlijn.

In het nuvolgende wordt ingegaan op de mogelijke effecten zoals benoemd in deze bijlage, waarbij per mogelijk effect steeds in cursief een beoordeling is toegevoegd. 1. De kenmerken van plannen en programma's, in het bijzonder gelet op: - de mate waarin het plan of programma een kader vormt voor projecten en andere activiteiten met betrekking tot de ligging, aard, omvang en gebruiksvoorwaarden alsmede wat betreft de toewijzing van hulpbronnen; ➢ In het kader van het bestemmingsplan kunnen de in het plan betrokken gronden worden beschouwd als hulpbron. Deze gronden zullen worden toegewezen aan de bouw van nieuwe woningen en flankerende centrumfuncties. Verder brengt het bestemmingsplan enkele wijzigingen van ondergeschikte aard met zich mee. Het bestemmingsplan zal het kader vormen voor het verlenen van omgevingsvergunningen. Er is sprake van een ontwikkeling die qua aard en omvang past in het stedelijke gebied ter plaatse. Er is sprake van een voor deze ontwikkeling passende en algemeen geaccepteerde gebruiksvoorwaarden. -

de mate waarin het plan of programma andere plannen en programma's, met inbegrip van die welke deel zijn van een hiërarchisch geheel, beïnvloedt;

Adromi B.V.

R202250

Pagina 43 van 73

Bestemmingsplan 'Zuidelijk Havengebied' van de Gemeente Alblasserdam

-

-

-

➢ Het bestemmingsplan zal geen andere plannen of programma’s beïnvloeden. de relevantie van het plan of programma voor de integratie van milieuoverwegingen, vooral met het oog op de bevordering van duurzame ontwikkeling; ➢ In het kader van deze toelichting wordt overeenkomstig het provinciale beleid al ingegaan op de relevante duurzaamheidsaspecten. Verwezen wordt naar paragraaf 3.3. milieuproblemen die relevant zijn voor het plan of programma; ➢ Voor een beoordeling van de relevante milieuaspecten wordt verwezen naar overige paragrafen van dit hoofdstuk. Op dit vlak is sprake van een milieubelasting die in algemene zin dient te worden verwacht in stedelijk gebied als het onderhavige. de relevantie van het plan of programma voor de toepassing van de milieuwetgeving van de Gemeenschap (bijv. plannen en programma's in verband met afvalstoffenbeheer of waterbescherming). ➢ Verwezen wordt naar de overige paragrafen van dit hoofdstuk alsook naar de hoofdstukken 6 en 7.

2. Kenmerken van de effecten en van de gebieden die kunnen worden beïnvloed, in het bijzonder gelet op: - de waarschijnlijkheid, duur, frequentie en omkeerbaarheid van de effecten; ➢ De betrokken ontwikkeling wordt als realiseerbaar beoordeeld in het kader van artikel 3.1.6 lid 1 onder f van het Besluit ruimtelijke ordening. Naar verwachting zal de nieuwbouw voor de voorzienbare toekomst aanwezig blijven en zal deze nieuwbouw continu worden gebruikt voor de daarvoor bestemde functies. Door sloop van de gebouwen en beëindiging van het gebruik zijn mogelijke effecten op gebieden in de omgeving omkeerbaar. - de cumulatieve aard van de effecten; ➢ Er is sprake van een op zichzelf staand initiatief. De cumulatieve invloed van de verkeersontwikkeling in samenhang met autonome ontwikkelingen op dat vlak zijn in de beschouwing betrokken. Verwezen wordt naar paragraaf 4.1. - de risico's voor de menselijke gezondheid of het milieu (bijv. door ongevallen); ➢ Onderhavige ontwikkeling sluit geen risico’s in voor de omgeving. Andersom is er geen sprake van onaanvaardbare risico’s voor de toekomstige bewoners en andere gebruikers van het gebied. Verwezen wordt naar paragraaf 5.4. - de orde van grootte en het ruimtelijk bereik van de effecten (geografisch gebied en omvang van de bevolking die getroffen kan worden); ➢ Het ruimtelijke bereik van onderhavige ontwikkeling is zeer gering.

De belangrijkste factor daarbij zal zijn dat de nieuwe bebouwing zichtbaar zal zijn voor de omgeving. - de waarde en kwetsbaarheid van het gebied dat kan worden beïnvloed gelet op: • bijzondere natuurlijke kenmerken of cultureel erfgoed; ➢ Alhoewel de locatie van de beoogde nieuwe ontwikkeling onderdeel uitmaakt van het beschermde stadsgezicht, zijn ter plaatse geen te beschermen elementen

Adromi B.V.

R202250

Pagina 44 van 73

Bestemmingsplan 'Zuidelijk Havengebied' van de Gemeente Alblasserdam

•

•

•

aanwezig. Met het oog op een goede inpassing van de nieuwbouw is voorzien in een beeldkwaliteitsplan14 dat zal dienen als toetskader voor te verlenen (bouw)omgevingsvergunningen. de overschrijding van de milieukwaliteitsnormen of van grenswaarden; ➢ Er worden geen milieukwaliteitsnormen overschreden met uitzondering van die voor geluid. Op dit vlak worden aanvullende maatregelen getroffen overeenkomstig de Wet geluidhinder, het Bouwbesluit en het gemeentelijke beleid. Verwezen wordt naar paragraaf 5.5. intensief grondgebruik; ➢ In overwegende mate zal sprake zijn van intensief grondgebruik. Dit is passend voor de onderhavige locatie en voor het overige ook in overeenstemming met het beleid dat is gericht op zuinig ruimtegebruik. de effecten op gebieden en landschappen die door een lidstaat, door de Gemeenschap, dan wel in internationaal verband als beschermd gebied zijn erkend. ➢ Er is geen sprake van relevante effecten op beschermde gebieden en landschappen. In de relevante omgeving is geen sprake van beschermde landschappen. Voor wat betreft de invloed op beschermde gebieden wordt verwezen naar paragraaf 7.3.

Conclusie Gelet op het voorgaande is er geen aanleiding om voor onderhavig project een m.e.r.procedure te doorlopen, gelet op de schaal en omvang van het project, de te verwachten effecten op de omgeving en de aard van de omgeving.

14

Zie bijlage 1 bij deze toelichting.

Adromi B.V.

R202250

Pagina 45 van 73

Bestemmingsplan 'Zuidelijk Havengebied' van de Gemeente Alblasserdam

5.2. Bedrijven en milieuzonering Normstelling In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van milieugevoelige functies zoals woningen: • Ter plaatse van de woningen een goed woon- en leefmilieu kan worden gegarandeerd; • Rekening wordt gehouden met de bedrijfsvoering en milieuruimte van de betreffende bedrijven. Om in de bestemmingsregeling de belangenafweging tussen bedrijvigheid en gevoelige functies met betrekking tot milieu in voldoende mate mee te nemen wordt gebruik gemaakt van de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (2009). De VNG-publicatie geeft richtafstanden (tussen milieubelastende en milieugevoelige functies), gebaseerd op de omgevingskwaliteit zoals die wordt nagestreefd in een rustige woonwijk. Van die afstanden mag in een voorkomend geval gemotiveerd worden afgeweken; het zijn immers 'richtafstanden'. Zo kunnen, indien de aard van de omgeving dit rechtvaardigt, gemotiveerd kleinere richtafstanden worden aangehouden bij het omgevingstype 'gemengd gebied', dat gezien de aanwezige functiemenging of ligging nabij drukke wegen een hogere milieubelasting kent. In gemengd gebied is het gerechtvaardigd om een kortere onderlinge afstand aan te houden voor wat betreft de aspecten geur en geluid.

De VNG-publicatie geeft aan dat de afstandseisen voor deze twee aspecten in gemengd gebied met één afstandsstap mag worden verminderd. Gelet op de omgeving van de onderhavige locatie kan worden gesproken van gemengd gebied. Ook met de ontwikkeling zelf zal ook sprake zijn van enige functiemenging. 5.2.1. Bedrijvigheid in de omgeving In de directe omgeving is sprake van de volgende relevante bedrijvigheid, waarbij in gemengd gebied de volgende richtafstanden worden aangegeven: - Scheepswerf, milieucategorie 5.1, maatgevende richtafstand 500 meter voor geluid, 50 meter voor geur en stof en 50 meter voor gevaar; - Horeca/ontspanning (hotel, restaurants, café’s en een cultureel centrum, milieucategorie 1, afstand 0 meter voor geluid en geur en maatgevende afstand 10 meter voor gevaar; - Brandweerkazerne, milieucategorie 3.1, maatgevende richtafstand 30 meter voor geluid; - Diverse detailhandel, milieucategorie 1, maatgevende richtafstand 0. Voor de goede orde wordt vermeld dat de aanwezige jachthaven enkel ligplaatsen heeft en niet beschikt over voorzieningen op het vlak van onderhoud, ravitaillering of bunkering van schepen.

Adromi B.V.

R202250

Pagina 46 van 73

Bestemmingsplan 'Zuidelijk Havengebied' van de Gemeente Alblasserdam

Uitgaande van gemengd gebied bedragen de relevante richtafstanden respectievelijk 30 meter voor de brandweerkazerne en 0 meter voor de horeca en de detailhandel. Voor de scheepswerf speelt voor het aspect geluid een rol dat het bedrijf is gevestigd op geluidgezoneerd industrieterrein. Voor de overige aspecten is sprake van een afstand van 50 meter voor stof en, uitgaande van gemengd gebied, 50 meter voor geur. Beoordeling Voor wat betreft de aanwezige horeca en detailhandel wordt voldaan aan de richtafstanden van de VNG-handreiking. Voor de volgende bedrijvigheid wordt niet voldaan aan de richtafstanden. Ten westen en ten zuiden van het plangebied is de scheepswerf van Oceanco gevestigd. De scheepswerf is gelegen op geluidgezoneerd industrieterrein. Aan zuidkant van het plangebied ligt de scheepswerf op circa 12 meter en aan de westkant op circa 40 meter. Verder is ten oosten van onderhavig plangebied een brandweerkazerne gelegen op circa 30 meter welke ontsluit via de Marineweg, langs de beoogde nieuwbouw. Aspect geluid Gelet op een en ander is nader akoestisch onderzoek uitgevoerd naar de geluidbelasting vanwege de scheepswerf en de andere bedrijvigheid die is gevestigd op het geluidgezoneerde industrieterrein. Verder is akoestisch onderzoek uitgevoerd naar de inzet van sirenes door uitrukkende brandweerwagens langs de beoogde nieuwbouwlocatie.

Voor de verdere behandeling van de geluidaspecten wordt verwezen naar paragraaf 5.5. Overige aspecten De nieuwe woningen zullen ook niet worden opgericht buiten de richtafstanden van de VNG als het gaat om de aspecten geur, stof en gevaar v.w.b. de scheepswerf. Op dit vlak is relevant dat het geluidaspect in principe als maatgevend aspect kan worden beschouwd voor de te verwachten milieuhinder naar de omgeving. Dit aspect is zoals aangegeven beoordeeld in de context van de inpassing van de nieuwe geluidgevoelige functies in de geluidzone industrielawaai. Voor de overige aspecten geldt dat de scheepswerf aan de rand van de woonkern gevestigd is, zodat het bedrijf reeds de nodige maatregelen heeft getroffen. Van belang hierbij is dat de scheepswerf uitsluitend beschikt over inpandige dokken Buitenwerkzaamheden worden uitsluitend uitgevoerd in de havens van het bedrijf. Het gaat dan overwegend om afbouw en onderhoud/herstel aan de binnenzijde van schepen. De schepen zelf alsook de scheepsbouwhallen bieden hierbij afscherming in de richting van de bestaande en de beoogde woonbebouwing. Gelet hierop spelen stofemissies of geuremissies (aanbrengen coatings e.d.) geen rol van betekenis.

Adromi B.V.

R202250

Pagina 47 van 73

Bestemmingsplan 'Zuidelijk Havengebied' van de Gemeente Alblasserdam

Voor wat betreft het aspect gevaar is advies gevraagd aan de Veiligheidsregio. Er is op dit vlak geen sprake van een risico op brandoverslag richting de nieuwe woningen. Wel wordt rekening gehouden met instortingsgevaar en explosie van een propaanopslag in geval van brand. Op dat vlak adviseert de Veiligheidsregio om een afstand van minimaal de bouwhoogte op het scheepswerfterrein aan te houden. Aan deze voorwaarde zal worden voldaan. Gelet op de aanwezige bedrijfsvoering behoeft kortom geen rekening te worden gehouden met relevante externe veiligheidsrisico’s, stofhinder of geurhinder. 5.2.2. Nieuwe bedrijvigheid De met onderhavig bestemmingsplan toe te laten bedrijvigheid heeft betrekking op dienstverlening, lichte horeca, lichte bedrijvigheid, parkeren en aan huis gebonden beroepen en bedrijven. Het gaat hier zonder uitzondering om bedrijvigheid uit milieucategorie 1 en 2, welke in het kader van functiemenging inpasbaar is in de omgeving en bij de nieuw toe te laten woningen. Er kan hierbij op grond van de handreiking worden volstaan met een bouwkundige scheiding tot woningen, uitgaande van functiemenging. 5.3.

Luchtkwaliteit

Indien mensen met regelmaat luchtverontreinigende stoffen inademen kan dit leiden tot effecten op de lichamelijke gezondheid. Met deze reden moet bij ruimtelijke planvorming rekening worden gehouden met de effecten van de plannen op de luchtkwaliteit en de luchtkwaliteit ter plaatse. Van belang hierbij is de invloed van het bouwplan op de plaatselijke luchtkwaliteit alsook de invloed van kwaliteit van de omgevingslucht op het bouwplan. Wettelijk kader De zogenaamde ‘Wet luchtkwaliteit’ (artikel 5.16, eerste lid, Wet milieubeheer, hierna ook: Wm) stelt dat een ruimtelijke plan of project doorgang kan vinden indien: 1. een project niet tot het overschrijden van een grenswaarde leidt; 2. de luchtkwaliteit ten gevolge van het project (per saldo) verbetert of gelijk blijft; 3. een project “niet in betekenende mate” (NIBM) bijdraagt aan de concentratie van relevante stoffen in de buitenlucht (De NIBM bijdrage is gedefinieerd als een toename van de concentraties van zowel fijn stof (PM10) als stikstofdioxide (NO2) met minder dan 3% van de grenswaarde (1,2 µg/m3 PM10 of NO2 en 0,75 µg/m3 PM2.5 jaargemiddeld); 4. een project is opgenomen of past binnen het Nationaal Samenwerkingsprogramma Lucht (NSL).

(Het programma bevat een pakket maatregelen dat erop gericht is om grote ruimtelijke projecten tijdig aan de grenswaarden te laten voldoen.) Sinds 2011 zijn de grenswaarden (jaargemiddelde en 24-uursgemiddelde concentratie) voor PM10 in werking. Voor NO2 geldt dat vanaf 2015 moet worden voldaan aan de (jaargemiddelde en uurgemiddelde) grenswaarden.

Nieuwe emissiebronnen Enkel vanwege de beoogde nieuwbouw zijn emissies te verwachten in de vorm van de verkeersaantrekkende werking. De nieuwbouw zal immers gasvrij worden uitgevoerd. Er is Adromi B.V.

R202250

Pagina 48 van 73

Bestemmingsplan 'Zuidelijk Havengebied' van de Gemeente Alblasserdam

luchtkwaliteitsonderzoek uitgevoerd15. Uit het onderzoeksrapport blijkt dat de concentraties ruimschoots lager zijn dan grenswaarden uit de Wet luchtkwaliteit. Beoordeling Gelet op het uitgevoerde luchtkwaliteitsonderzoek kan geconcludeerd worden dat op de planlocatie en in de nabijheid hiervan geen verhoogde concentraties van verontreinigde stoffen aanwezig zijn en ook in de toekomst niet te verwachten zijn.

Het onderhavige plan leidt niet tot concentraties die hoger zijn dan de grenswaarden zoals gesteld in de Wet milieubeheer. Er is geen sprake van een situatie waarin de luchtkwaliteit in de weg staat aan een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. 5.4. Externe veiligheid Wettelijk kader Activiteiten met gevaarlijke stoffen leveren risico's op voor de omgeving. Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en het Besluit externe veiligheid transportroutes (BEVT) vormen het wettelijk kader voor het omgaan met deze risico's. Door het stellen van eisen aan afstanden tussen de activiteiten met gevaarlijke stoffen en (beperkt) kwetsbare objecten (woningen, kantoren, scholen, enz.) worden de eventuele gevolgen van deze risico's zoveel mogelijk beperkt. Plaatsgebonden risico (PR) Als “harde” afstandseis voor externe veiligheid geldt een contour voor het plaatsgebonden risico (PR 10-6), die wordt aangegeven als een afstand ten opzichte van de activiteit met gevaarlijke stoffen (risicobron). Binnen deze PR 10-6 contour mogen geen (beperkt) kwetsbare objecten aanwezig zijn of worden geprojecteerd. Groepsrisico (GR) Afhankelijk van de aard van de risicobron is er sprake van een bepaald invloedsgebied.

Binnen dit invloedsgebied moet worden onderzocht hoe groot de kans per jaar is dat een groep van ten minste 10 (zich binnen dit invloedsgebied bevindende) personen overlijdt ten gevolge van een ramp of zwaar ongeval met de betreffende risicobron. De uitkomst van dit onderzoek geeft de hoogte van het GR weer en wordt uitgedrukt in een curve, waarbij als norm voor het GR een oriënterende waarde is vastgesteld. De hoogte van het GR moet door middel van een bestuurlijke afweging worden verantwoord. Als binnen het invloedsgebied (beperkt) kwetsbare bestemmingen worden geprojecteerd, geldt ook voor de hiermee samenhangende toename van het GR een bestuurlijke verantwoordingsplicht. 15

Kuiper, Luchtkwaliteitonderzoek Bestemmingsplan ‘Zuidelijk havengebied’ - Alblasserdam, 30 mei 2023 bijlage

3

Adromi B.V.

R202250

Pagina 49 van 73

Bestemmingsplan 'Zuidelijk Havengebied' van de Gemeente Alblasserdam

(Beperkt) kwetsbare objecten Er moet getoetst worden aan het Bevi en de richtlijnen voor vervoer gevaarlijke stoffen wanneer bij een ontwikkeling (beperkt) kwetsbare objecten worden toegestaan. Kwetsbare objecten zijn o.a. woningen, scholen en ziekenhuizen. Beperkt kwetsbare objecten zijn onder meer bedrijfsloodsen en bepaalde infrastructuur. Risicovolle inrichtingen In de wijdere omgeving is blijkens de risicokaart geen sprake van risicovolle inrichtingen. Verwezen wordt naar figuur 7. Buisleidingen Ten zuiden van het plangebied is hogedruk gasleiding gelegen welke uitkomt bij gasreduceerstations welke Alblasserdam voorzien van aardgas. Het betreft een leiding van Gasunie (buisleiding W-530-06, 65 inch, 40 bar). De beoogde nieuwbouwlocatie ligt op circa 250 meter en daarmee ver buiten het invloedsgebied van deze leiding. Verwezen wordt naar figuur 7. Vervoer van gevaarlijke stoffen Het vervoer van gevaarlijke stoffen vindt plaats via de N915 (brug over de Noord) om de tunnel in de Rijksweg A15 te vermijden (wegvak Z77b). Er wordt rekening gehouden met 21.167 jaarlijkse vervoersbewegingen met stofcategorie GF3 (brandbaar gas). Het GR-plafond bedraagt 0 meter en het PR-plafond bedraagt 93 meter. De beoogde nieuwbouwlocatie bevindt zich op een afstand van ruim 200 meter tot de N915, zodat wordt voldaan aan het Besluit externe veiligheid transportroutes v.w.b.

het plaatsgebonden risico. Voor de A15 (wegvak Z76) geldt een GR plafond van 0 meter en een GR-plafond van 13 meter. Vanwege het vervoer van brandbare vloeistoffen is sprake van een plasaandachtsgebied. De beoogde nieuwbouwlocatie bevindt zich ruim buiten de contour van de rijksweg A15. Voor wat betreft het plasaandachtsgebied is relevant dat de tunnelbak ter plaatse een belangrijke buffer zal vormen in geval van een plasbrand. Via de Noord is eveneens sprake van vervoer van gevaarlijke stoffen door binnenvaartschepen (corridor Rotterdam – Duitsland). Er wordt jaarlijks rekening gehouden met 9.882 scheepspassages met LF1 en 13.958 scheepspassages met LF2 (brandbare vloeistoffen), 146 passages met LT1 (giftige vloeistoffen), 2.135 met GF3 (brandbaar gas) en 196 met GT3 (giftig gas). De PR-contour bedraagt 0 meter.

Adromi B.V.

R202250

Pagina 50 van 73

Bestemmingsplan 'Zuidelijk Havengebied' van de Gemeente Alblasserdam

De beoogde nieuwbouwlocatie bevindt zich op een afstand van ruim 250 meter tot de rand van de vaarweg, zodat wordt voldaan aan het plaatsgebonden risico. Aangezien de beoogde nieuwbouwlocatie is gelegen buiten een afstand van 200 meter tot een transportroute van gevaarlijke stoffen behoeft het groepsrisico niet te worden ingevolge artikel 7 of 8 van het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). Er is enkel een beperkte verantwoording van het groepsrisico vereist conform Artikel 7 van het Bevt.. Het plangebied ligt daarbij binnen het invloedsgebied van de volgende transportroutes: -

De Noord, dit is een rijksvaarweg die onderdeel uitmaakt van de corridor Rotterdam – Duitsland, vanwege het transport van giftige gassen; De N915, ofwel de omleidingsroute van de A15 voor de Noordtunnel (tunnelcategorie C), vanwege het transport van brandbare gassen; De spoortrajecten Kijfhoek – Meteren (Route 202, Betuweroute) en Kijfhoek – Dordrecht (Route 25), eveneens vanwege het transport van giftige gassen en vloeistoffen.

Voor wat betreft het groepsrisico heeft een beoordeling plaatsgevonden16. Hieruit blijkt dat er invulling dient te worden gegeven aan de bereikbaarheid van de nieuwe functies in relatie tot rampenbestrijding en vluchten. De veiligheidsregio Zuid-Holland Zuid (VRZHZ) is hierbij ook om advies gevraagd over deze aspecten, conform Artikel 9 van het Bevt. De VRZHZ adviseert om de nieuwe gebouwen (en individuele woningen) te voorzien van uitschakelbare mechanische ventilatie, conform artikel 4.124, lid 4 van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl – nieuwe regelgeving). Met betrekking tot de bereikbaarheid en de bluswatervoorzieningen binnen het plangebied moet voldaan worden aan de Handreiking bluswatervoorziening en bereikbaarheid 2019 (Brandweer Nederland, 2020). Hieraan kan worden voldaan en ook de aansluitende wegen in de vorm van de Dam biedt goede vluchtmogelijkheden in noordelijke en oostelijke richting, dus van eventuele calamiteiten af. De aanwezige bebouwing van Oceanco biedt daarbij aanvullende bescherming in geval van een calamiteit op het water, de A15 of de N915.

16

OZHZ, Advies omgevingsveiligheid woningbouwlocatie Haven Zuid in Alblasserdam, inclusief bestemmingsplanparagraaf, Z-23-420004, D-23-2325005, 25-04-2023, bijlage 11

Adromi B.V.

R202250

Pagina 51 van 73

Bestemmingsplan 'Zuidelijk Havengebied' van de Gemeente Alblasserdam

Figuur 7: uitsnede risicokaart (bron: atlasvoordeleefomgeving.nl)

5.5. Industrielawaai Normstelling De regels (grenswaarden) met betrekking tot de (maximaal) toelaatbare hoeveelheid geluid afkomstig van een industrieterrein, weg of spoorweg zijn opgenomen in de Wet geluidhinder (Wgh). De Wgh is alleen van toepassing binnen een conform deze wet geldende geluidszone. De grenswaarden (voorkeursgrenswaarde en ten hoogste toelaatbare waarde) uit de Wgh zijn van toepassing op de geluidsbelasting op de gevel van woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen. Vanuit de Wet ruimtelijke ordening is het daarnaast noodzakelijk om de geluidbelasting vanwege het maximale geluidsniveau in beeld te brengen. 5.5.1. Dezonering In de huidige situatie zijn de horeca/catering aan de Zuiderstek 1, de woningen aan de Zuiderstek 10-20, het toeristenkantoor aan de Zuiderstek 22, het hotel aan de Zuiderstek 24 en de brandweerkazerne aan de Broerestraat 4 gelegen op het geluidgezoneerde industrieterrein ‘Langs de Noord’. Dit industrieterrein omvat bedrijventerreinen in Alblasserdam (Oceanco, Nedstaal, Nieuwland Parc), Hendrik-Ido-Ambacht (Antoniapolder) en Papendrecht (Nieuwland, Noordhoek).

Adromi B.V.

R202250

Pagina 52 van 73

Bestemmingsplan 'Zuidelijk Havengebied' van de Gemeente Alblasserdam

Geluidgevoelige objecten De woningen Zuiderstek 10-20 (even) betreffen geluidgevoelige objecten. Ingevolge de Wet geluidhinder worden geluidgevoelige objecten die gelegen zijn op een geluidgezoneerd industrieterrein niet beschermd tegen industrielawaai afkomstig van dat industrieterrein. De betrokken woningen hebben evenwel geen relatie met het geluidgezoneerde industrieterrein. Er is aanleiding om de begrenzing van het geluidgezoneerde industrieterrein aan te passen zodat de betrokken woningen wel aanspraak kunnen maken op bescherming tegen industrielawaai. Op grond van de Wet geluidhinder bedraagt de voorkeursgrenswaarde voor geluidbelasting op geluidgevoelige objecten 50 dB(A) etmaalwaarde. Gelet op de geluidbelasting vanwege het industrieterrein kan evenwel niet aan deze voorkeursgrenswaarde worden voldaan; er blijkt van geluidbelastingen van 52 en 53 dB(A). Mede gelet op de relatief korte afstand tot het geluidgezoneerde industrieterrein, de hier aanwezige bedrijfsactiviteiten en de onmogelijkheden om de geluidbelasting te reduceren door afscherming, is het niet mogelijk de geluidbelasting op deze woningen te verminderen. Verwezen wordt naar het uitgevoerde dezoneringsonderzoek17. Om die reden wordt gelijktijdig met dit bestemmingsplan een hogere geluidgrenswaarde vastgesteld van 55 dB(A) voor deze woningen middels een zogenaamd hogere waardenbesluit.

Het vaststellen van een hogere waarde impliceert dat zo nodig door middel van het treffen van (geluid)isolerende maatregelen aan de woningen zelf een aanvaardbaar binnenniveau dient te worden bereikt van 35 dB(A). De gemeente Alblasserdam zal zorgdragen dat wordt onderzocht of maatregelen noodzakelijk zijn. In het geval maatregelen noodzakelijk zijn, zullen deze maatregelen op kosten van de gemeente worden uitgevoerd, tenzij de betrokken gebouweigenaar aangeeft dat dit niet gewenst is. Bedrijvigheid Aangezien de bedrijvigheid (Zuiderstek 1, 22 en 24, Broerestraat 4) is gelegen binnen de begrenzing van het geluidgezoneerde industrieterrein, dient de geluidbelasting die door deze bedrijvigheid wordt veroorzaakt te worden getoetst (samen met de geluidbelasting van de overige bedrijvigheid op het geluidgezoneerde industrieterrein) aan de geluidzone industrielawaai. Aangezien in het bestemmingsplan ‘Parapluherziening Geluid Aan de Noord – Alblasserdam’ geen akoestische gebiedseenheden zijn vastgesteld voor deze bedrijvigheid, valt

17

Kuiper, Akoestisch onderzoek wegverkeers- en industrielawaai Bestemmingsplan ‘Zuidelijk Havengebied ‘ – Alblasserdam, 30 mei 2023, bijlage 4

Adromi B.V.

R202250

Pagina 53 van 73

Bestemmingsplan 'Zuidelijk Havengebied' van de Gemeente Alblasserdam

deze niet onder het regime van de geluidverkaveling en vindt uitsluitend deze toets plaats aan de geluidzone. Als gevolg van onderhavig bestemmingsplan zullen de betrokken bedrijven en instellingen niet langer gelegen zijn op geluidgezoneerd industrieterrein. Dit betekent dat voor de milieuregelgeving ook niet langer moet worden getoetst aan de geluidzone. Voor deze bedrijven en instellingen zal het algemene regime van het Activiteitenbesluit milieubeheer gaan gelden. Dit betekent een administratieve vereenvoudiging voor de betrokken bedrijven en instellingen. Binnen de geluidzone zal in principe geluidruimte vrijkomen voor de bedrijvigheid die op het geluidgezoneerde industrieterrein gevestigd blijft. Het effect hiervan is evenwel verwaarloosbaar, gelet op de beperkte geluidbelasting die de betrokken bedrijvigheid veroorzaakt. Met andere woorden zal door deze ontwikkeling geen sprake zijn van een relevante toename van het toegelaten bedrijfslawaai door het gedeeltelijk vervallen van de cumulatiebeoordeling via de geluidzone industrielawaai. 5.5.2. Nieuwe woningen De met onderhavig bestemmingsplan te realiseren nieuwe woningen zullen worden gebouwd op gronden die met onderhavig bestemmingsplan eveneens buiten de begrenzing van het geluidgezoneerde industrieterrein worden gesitueerd.

Ook voor deze woningen geldt dus dat dit te beschermen geluidgevoelige objecten zullen worden en dat dienovereenkomstig sprake is van de noodzaak om een hogere waarde vast te stellen. Verwezen wordt naar het uitgevoerde akoestische onderzoek18. Blijkens het uitgevoerde akoestische onderzoek wordt rekening gehouden met een geluidbelasting van 51 dB(A) vanwege het geluidgezoneerde industrieterrein op de gevels van de nieuwe woningen. Door toepassing van aanvullende geluidisolatie aan de nieuwbouw, welke ook nodig is voor het wegverkeerslawaai (zie paragraaf 5.6) zal kunnen worden voldaan aan de eisen die het Bouwbesluit stelt in geval er een hogere geluidgrenswaarde is vastgesteld. Daarnaast worden ook zogenaamde dove gevels toegepast om te komen tot een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Verder wordt rekening gehouden met een maximaal geluidsniveau (piekgeluid) tot 60 dB(A) op de zuid- en westgevel van de beoogde nieuwbouw. Door toepassing van gevelmaatregelen zal de invloed van dit maximale geluidsniveau tot een aanvaardbare binnenniveau worden teruggebracht.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.alblasserdam.nl/api/v1/meetings/766/documents/16327