CConstaterende datAlblasserdam
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2 Wipmolen locatie concept toelichting op bestemmingsplan.pdf

Commissie Grondgebied Alblasserdam 13 september 2022, gemeente AlblasserdamBij agendapunt: 4: Vaststellen coördinatieregeling Wro Wipmolen-locatie - Raadsvoorstel26.469 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

De geluidbelasting voldoet aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB Lden. De berekende geluidbelastingen ten gevolge van de niet gezoneerde wegen (30 km/uur) voldoet aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB Lden. Omdat aan de voorkeursgrenswaarde uit de Wet geluidhinder wordt voldaan, kan geconcludeerd worden dat het aspect geluid geen belemmering vormt voor de beoogde ontwikkeling ter plaatse van het plangebied. Tevens geldt dat aan de voorkeursgrenswaarde uit de Wet geluidhinder wordt voldaan, is vanuit industrielawaai (gezoneerd industrieterrein Aan de Noord) en er geen bezwaar is tot de voorgenomen realisatie van de 33 woningen.

4.7

Luchtkwaliteit

In bijlage 2 van de Wet milieubeheer zijn de luchtkwaliteitseisen opgenomen. Daarnaast zijn er luchtkwaliteitseisen opgenomen in het Besluit niet in betekende mate bijdragen (Besluit NIBM) en de bijbehorende ministeriële Regeling niet in betekende mate bijdragen (Regeling NIBM). In het Besluit NIBM en de Regeling NIBM zijn de uitvoeringsregels vastgelegd die betrekking Mees Ruimte & Milieu | Wipmolen

Pagina | 29

hebben op het begrip NIBM. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze gevallen kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Ook als het bevoegd gezag op een andere wijze, bijvoorbeeld door berekeningen, aannemelijk kan maken dat het geplande project niet in betekenende mate bijdraagt, kan toetsing van de luchtkwaliteit achterwege blijven. De definitie van 'niet in betekenende mate' is 3% van de grenswaarde voor NO2 en PM10. De 3% komt overeen met 1,2 microgram/m3 (µg/m3). Als een project voor één stof de 3%-grens overschrijdt, dan verslechtert het project 'in betekenende mate' de luchtkwaliteit. De 3%-norm is in de Regeling NIBM uitgewerkt in concrete voorbeelden, waaronder: 16. woningbouw: 1.500 woningen netto bij één ontsluitende weg en 3.000 woningen bij twee ontsluitende wegen; 17. kantoorlocaties: 100.000 m2 brutovloeroppervlak bij één ontsluitende weg en 200.000 m2 brutovloeroppervlak bij twee ontsluitende wegen. 4.7.1 Relatie tot het plangebied In onderhavig geval is sprake van de realisatie van 33 woningen. Op basis van bovenstaande voorbeelden mag geconcludeerd worden dat de ontwikkeling niet in betekenende mate bijdraagt.

Goed woon- en leefklimaat In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient een goed woon- en leefklimaat te worden gewaarborgd. Op basis van de NSL Monitoringstool kan worden beoordeeld wat de totale concentratie is ter plaatse van een specifiek rekenpunt. De totale concentratie bestaat uit de achtergrondconcentratie (op basis van de GCN-kaart) en de lokale bijdrage (van lokale bronnen, op basis van data over o.a. verkeersgegevens). Aan de hand daarvan kan worden beoordeeld of sprake is van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van de projectlocatie. De grenswaarden voor toetsing van deze concentraties zijn: 40 µg/m3 voor stikstofdioxide NO2, 40 µg/m3 voor fijnstof PM10 en 25 µg/m3 voor fijnstof PM2,5. Tabel 1 toont de totale concentraties ter plaatse van het dichtstbijzijnde rekenpunt nabij de projectlocatie (geraadpleegd via NSL Monitoringstool op 19 april 2022) met bijbehorende grenswaarden. J a a r

Totale concentratie rekenpunt 15846579

NO2 (µg/m3)

PM10 (µg/m3)

P M 2 , 5

( µ g / m 3

2 0 3 0

Mees Ruimte & Milieu | Wipmolen

16,159

15,331

) 8 , 3 5 6 Pagina | 30

G r e n s w a a r d e n

40

40

2 5

Uit de tabel blijkt dat de grenswaarden ter plaatse van de projectlocatie, van zowel fijnstof als stikstofdioxide, niet worden overschreden. 4.7.2 Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor het plan.

4.8

Natuur

Sinds 1 januari 2017 is één wet van toepassing die de natuurwetgeving in Nederland regelt: de Wet natuurbescherming. De wet ligt in de lijn van Europese wetgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. De Wet natuurbescherming vervangt de Boswet, de Flora- en Faunawet en de Natuurbeschermingswet 1998. Wet natuurbescherming Via de Wet natuurbescherming wordt de soortenbescherming en gebiedsbescherming geregeld. De soortenbescherming heeft betrekking op alle, in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, (trek)vogels, reptielen en amfibieën, op een aantal vissen, libellen en vlinders, op enkele bijzondere en min of meer zeldzame ongewervelde diersoorten en op een honderdtal vaatplanten. Welke soorten planten en dieren wettelijke bescherming genieten, is vastgelegd in de bijlage van de Wet natuurbescherming. Dat houdt in dat, bij planvorming, uitdrukkelijk rekening gehouden moet worden met gevolgen, die ruimtelijke ingrepen hebben, voor instandhouding van de beschermde soort. Gebiedsbescherming wordt geregeld middels de Natura 2000-gebieden. In het kader van de Wet natuurbescherming moet uitgesloten worden dat significante negatieve effecten optreden in Natura 2000-gebieden.

Hier kan sprake van zijn wanneer een ontwikkeling binnen een Natura 2000-gebied plaatsvindt, maar ook stikstofdepositie kan verslechterende gevolgen hebben voor stikstofgevoelige habitattypen of leefgebieden die als Natura 2000-gebied zijn aangewezen. Deze gevolgen kunnen significant zijn wanneer een plan, project of handeling leidt tot een toename van stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen of leefgebieden die overbelast zijn. Voorheen gold hier de regeling Programmatische Aanpak Stikstof (PAS) voor, maar naar aanleiding een tweetal belangrijke uitspraken van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (mei 2019) is deze regeling komen te vervallen. Als gevolg hiervan dient in Nederland voor elk project een stikstofdepositieberekening uitgevoerd te worden. Wanneer uit de rekenresultaten een hogere depositie dan 0,00 mol/ha/jaar, kan al sprake zijn van een significant negatief effect. Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is een netwerk van gebieden in Nederland waar de natuur voorrang heeft. Het netwerk helpt voorkomen dat planten en dieren in geïsoleerde gebieden uitsterven en dat natuurgebieden hun waarde verliezen. Het NNN kan worden gezien als de ruggengraat van de Nederlandse natuur. NNN is tevens opgenomen in het streekplan van de provincie.

Indien het projectgebied in het NNN gelegen is, verlangt de provincie een 'nee-tenzij-toets'. Afhankelijk van de provincie kan dit ook gelden voor projectgebieden in de nabijheid van het NNN. Mees Ruimte & Milieu | Wipmolen

Pagina | 31

4.8.1 Relatie tot het plangebied Ten behoeve van de ontwikkeling is door BK Bouw- & milieuadvies een quickscan uitgevoerd naar de effecten op beschermde soorten en gebieden. De rapportage van 2 maart 2021 is bijgevoegd als bijlage 5 toegevoegd. De resultaten worden in deze paragraaf per onderdeel beschreven. Soortenbescherming Op grond van de uitgevoerde quickscan kan geconcludeerd worden dat nader onderzoek niet benodigd is. Aangezien de bomen op het terrein niet essentieel zijn voor eventuele foeragerende vleermuizen en vervangen worden door meer bomen, is nader onderzoek niet noodzakelijk. Wel dient de periode tussen het rooien en de nieuwe bomen zo kort mogelijk te zijn en dienen er volwassen bomen teruggeplaatst te worden. Gebiedsbescherming Het projectgebied ligt op 530 meter van het dichtstbijzijnde NNN gebied. Gezien de stedelijke omgeving met reeds aanwezige verstoringsfactoren als licht, geluid et cetera worden op gebiedsniveau geen nadelige effecten verwacht. Het projectgebied ligt op circa 1 kilometer afstand van het Natura 2000-gebied Boezems Kinderdijk. Door de kenmerken van het projectgebied, de afstand tot het Natura 2000-gebied en de aard van het tussenliggende stedelijke gebied zijn geen negatieve effecten aan de orde als gevolg van de toekomstige inrichting van het projectgebied op het Natura 2000-gebied en de instandhoudingsdoelen.

Figuur 4.2 Ligging ten opzichte van Natura 2000 – gebied.

Per 1 juli 2021 is de Wet stikstofreductie en natuurverbetering in werking getreden. De Wet wijzigt de Wet natuurbescherming middels de toevoeging van een aantal artikelen. Belangrijke onderdelen van de Wet zijn een zo ver mogelijke reductie van stikstofdepositie op stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden en een partiële vrijstelling voor de bouwsector. Tegelijkertijd ziet de wet toe op het legaliseren van de projecten met een geringe stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden die voldeden aan de voorwaarden van artikel 2.12 van het Besluit natuurbescherming, zoals dat luidde op 28 mei 2019. Hiermee wil de overheid Mees Ruimte & Milieu | Wipmolen

Pagina | 32

invulling geven aan het rechtszekerheidsbeginsel voor bedrijven die op basis van het Programma Aanpak Stikstof (PAS) te goeder trouw hebben gehandeld. Belangrijk voor nieuwe bouwprojecten is dat in de Wet stikstofreductie en natuurverbetering een partiële vrijstelling van de natuurvergunningplicht opgenomen voor activiteiten in de bouwsector. Deze is middels artikel 2.9a opgenomen in de Wet Natuurbescherming. Dit is verder uitgewerkt in het Besluit natuurbescherming. In artikel 2.5 van het besluit is opgenomen dat de vrijstelling geldt voor de tijdelijke bouw- of sloopwerkzaamheden aan een (bouw)werk inclusief de daarmee samenhangende vervoersbewegingen. De vrijstelling geldt dus niet voor structurele stikstofemissies in de gebruiksfase of voor andere emissies dan stikstof. Daarmee is bepaald dat de aanlegfase in principe niet meegenomen hoeft te worden in stikstofdepositieberekeningen. Wel geldt er voor de aanlegfase in de toekomst wel een prestatieverplichting om met zo duurzaam mogelijk materieel te bouwen. Dit is onderdeel van de omgevingswet en zal na inwerkingtreding van de omgevingswet van kracht worden.

Mees Ruimte & Milieu | Wipmolen

Pagina | 33

Ten behoeve van het voorgenomen initiatief is een stikstofdepositieberekening uitgevoerd voor de gebruiksfase. De berekening is als bijlage 6 toegevoegd. In de gebruiksfase wordt uitgegaan van de volgende emissiebronnen: 1. 33 woningen (gasloos). 2. Verkeersgeneratie van 211 vervoersbewegingen licht verkeer per etmaal. 3. Verkeersgeneratie van 1 vervoersbewegingen zwaar verkeer per etmaal. Voor de ontsluiting in de gebruiksfase wordt uitgegaan van twee routes. Deze routes zijn aangegeven als lijnbron. Over beide routes is de maximale verwachte verkeersgeneratie geleid en derhalve is. Na berekening van de stikstofdepositie concludeert de AERIUS-calculator dat er geen rekenresultaten zijn hoger dan 0,00 mol/ha/j voor de gebruiksfase. 4.8.2 Conclusie Het aspect natuur vormt geen belemmering voor het plan.

4.9

Verkeer en parkeren

Bij ruimtelijke ontwikkelingen dienen verkeer- en parkeeraspecten in kaart te worden gebracht. Daarbij is de parkeerbehoefte, verkeersgeneratie en de ontsluiting van belang. Hierdoor kan de realisatie van voldoende parkeerplaatsen worden gewaarborgd en worden ongewenste of onveilige verkeerssituaties tegengegaan. De genoemde verkeersaspecten worden hierna achtereenvolgens behandeld. Parkeren Auto De gemeente heeft in 2019 het Gemeentelijk Verkeers- en Vervoersplan Alblassrrdam vastgesteld In dit GVVP een nadere uitwerking van de parkeernorm gegeven met het onderscheid naar gebied: centrum, schil om het centrum, rest bebouwde kom en industrieterreinen. Voor wat betreft de woongebieden is onderscheid gemaakt tussen de woning categorieën “duur, gemiddeld en goedkoop”. Voor nieuwbouw in Alblasserdam zijn voor zowel woningen als bedrijven parkeernormen opgesteld. In uitzonderingsgevallen kan het college van Burgemeester en Wethouders gemotiveerd afwijken. Bij afwijking zal de motivering tevens zijn gebaseerd op publicatie 137 van het CROW.) Voor het toepassen van de parkeernormen is voor Alblasserdam een 4-tal gebieden onderscheiden: 1. 2. 3. 4.

Centrum. Schil om centrum. Rest bebouwde kom. Buitengebied.

Mees Ruimte & Milieu | Wipmolen

Pagina | 34

4.9.1 Relatie tot het plangebied Parkeren Voor 22 woningen geldt een parkeernorm van 1,5 (koop, tussen/hoek - gebied centrum) en voor 11 woningen geldt een parkeernorm van 1,3 (huurhuis, sociale huur). Voor het planinitiatief geldt zodoende een parkeerbehoefte van in totaal 48 autoparkeerplaatsen in totaal (11 * 1,3 + 22 * 1,5 = 47,3). In totaal worden 53 autoparkeerplaatsen gerealiseerd waardoor in totaal sprake is van een overcapaciteit van vijf autoparkeerplaatsen. Verkeersgeneratie en ontsluiting Voor het maken van een inschatting van de hoeveelheid autoverkeer die wordt gegenereerd bij een bepaalde ontwikkeling, hanteert het CROW kencijfers voor wat betreft verkeersgeneratie. Onder verkeersgeneratie wordt hierbij verstaan de totale hoeveelheid gemotoriseerd verkeer (excl. openbaar vervoer) die gedurende een gekozen tijdsperiode naar de desbetreffende voorziening toe rijdt en hiervan wegrijdt. Gelet op het feit dat het plangebied in het centrum van Alblasserdam ligt, wordt gesteld dat de kencijfers voor 'centrum' aangehouden kunnen worden. De gemeente Alblasserdam wordt conform CBS-gegevens ten aanzien van de mate van stedelijkheid gezien als een 'matig stedelijk gebied'. Voor de 22 woningen 'koop, tussen/hoek' geldt een minimale verkeersgeneratie van 6,4 en maximaal 7,2 motorvoertuigbewegingen per etmaal.

Voor de 11 woningen 'huurhuis, sociale huur' geldt een minimale verkeersgeneratie van 3,9 en maximaal 4,7 motorvoertuigbewegingen per etmaal. Derhalve kan geconcludeerd worden dat de totale verkeersgeneratie als gevolg van het plan minimaal 184 motorvoertuigbeweging en maximaal 211 bedraagt. De projectlocatie is gelegen aan de Wipmolenstraat die ontsluit op de Wilde Woutstraat, Plantageweg en Dam. De bestaande wegenstructuur kan een toename van het aantal motorvoertuigbewegingen als gevolg van het plan zonder problemen afwikkelen. Daarnaast wordt opgemerkt dat de huidige (planologische) situatie tevens een verkeersgeneratie kent. Voor een bioscoop geldt een minimale verkeersgeneratie van 11,0 en maximaal 14,2 per 100 m2 BVO. 4.9.2 Conclusie De aspecten verkeer en parkeren vormen geen belemmering voor het plan.

Mees Ruimte & Milieu | Wipmolen

Pagina | 35

4.10

Water

Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening is het doorlopen van de watertoets verplicht voor alle ruimtelijke plannen en besluiten. Het doel van de watertoets is, om in overleg tussen de initiatiefnemer en de waterbeheerder aandacht te besteden aan de waterhuishoudkundige aspecten, zodat de waterhuishoudkundige doelstellingen worden gewaarborgd. De uitgangspunten voor het watersysteem dienen op een juiste wijze in het plan te worden verwerkt. 4.10.1 Relatie tot het plangebied De projectlocatie is gelegen binnen het beheergebied van Rivierenland. Ten behoeve van deze ontwikkeling is de digitale watertoets doorlopen. Op basis van de gegeven antwoorden concludeert het waterschap dat zij belang/geen belang heeft bij de plannen. De beoogde ontwikkeling heeft geen (significant) negatief effect op de waterhuishoudkundige situatie ter plaatse van het plangebied. 5. Waterkwaliteit Bij de totstandkoming van het project worden uitloogbare materialen, zoals lood, koper en zink, niet toegepast, zodat schoon hemelwater hier niet mee in aanraking kan komen. Zo heeft de ontwikkeling geen negatief effect op de (grond)waterkwaliteit ter plaatse. 6. Waterkwantiteit In de huidige situatie is de locatie volledig verhard. Als gevolg van de planontwikkeling is derhalve ook geen toename van het verhard oppervlakte.

Daarnaast voorziet het plan ten opzichte van de bestaande situatie in de toevoeging van groen en sprake van een verbetering in de waterdoorlatende eigenschappen van de betreffende kavel. 7. Beschermde gebieden Het plangebied is (slechts) deels gelegen binnen de 'buitenbeschermingszone binnenkant' van een primaire waterkering, zoals weergegeven op onderstaand figuur. Figuur 4.3 Uitsnede legger.

Op grond van artikel 3.2, eerste lid, van de keur, is het verboden zonder watervergunning van Mees Ruimte & Milieu | Wipmolen

Pagina | 36

het bestuur gebruik te maken van een waterstaatswerk of bijbehorende beschermingszones door, anders dan in overeenstemming met de waterhuishoudkundige functies, daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder handelingen te verrichten, werken te behouden of vaste substanties of voorwerpen te leggen, te laten staan, te vervangen, te verwijderen of te vervoeren. Vrijstelling wordt verleend van de verboden, bedoeld in artikel 3.2, eerste lid, en/of artikel 5.4 van de keur, voor het uitvoeren van activiteiten in de volgens de waterkeringslegger aangewezen buitenbeschermingszone van de waterkering met uitzondering van: 8. het verrichten van afgravingen, ontgrondingen en seismisch onderzoek, en; 9. het aanbrengen van werken met een overdruk van 10 bar of meer, en; 10. het hebben van explosief materiaal of het hebben van explosiegevaarlijke inrichtingen, en; 11. het uitvoeren van diepe boringen voor bodemenergiesystemen (bijv. KWO-systemen). Voor werkzaamheden in de buitenbeschermingszone is een watervergunning benodigd. Riolering De riolering zal aangesloten worden op de bestaande riolering ter plaatse. Het betreft een gescheiden systeem. 4.10.2 Conclusie Het aspect water vormt geen belemmering voor het plan.

4.11

(VORMVRIJE) M.E.R-BEOORDELING

De centrale doelstelling van het instrument milieueffectrapportage is het milieubelang een volwaardige plaats te geven in de besluitvorming over activiteiten met mogelijke belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. De basis van de milieueffectrapportage wordt gevormd door de EU-richtlijn m.e.r. Deze richtlijn is in Nederland geïmplementeerd in de Wet milieubeheer en het Besluit m.e.r. In het Besluit m.e.r. bestaat een belangrijk onderscheid tussen bijlage C en bijlage D. Voor activiteiten die voldoen aan de diverse criteria uit bijlage C geldt een m.e.r.-plicht. In bijlage D staan de activiteiten benoemd waarvoor een m.e.r.-beoordelingsplicht geldt: er moet beoordeeld worden of sprake is van (mogelijke) belangrijke nadelige milieugevolgen. Als deze niet uitgesloten kunnen worden, geldt alsnog een m.e.r.-plicht. In bijlage D worden in kolom 2 drempelwaarden gegeven. Indien een ontwikkeling boven de drempelwaarden uitkomt, geldt een m.e.r.-beoordelingsplicht. Op het moment dat een ontwikkeling genoemd staat in bijlage D, maar onder de drempelwaarden valt, dient te worden beoordeeld of sprake kan zijn van mogelijke belangrijke nadelige milieugevolgen. Deze beoordeling vindt plaats middels de zogeheten 'vormvrije m.e.r.-beoordeling'.

Sinds 16 mei 2017 dient het bevoegd gezag een m.e.r.-beoordelingsbesluit te nemen teneinde vast te stellen of voor een ruimtelijke ontwikkeling kan worden volstaan met een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Hiertoe dient een aanmeldnotitie te worden opgesteld door de initiatiefnemer. Dit volgt uit de implementatie van artikel 1, vierde lid, onder a en b, van Richtlijn 2014/52/EU. 4.11.1 Relatie tot het plangebied De ontwikkeling omvat de realisatie van 33 woningen. Een dergelijke ontwikkeling kan worden getypeerd als stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit m.e.r. Een stedelijk ontwikkelingsproject staat genoemd in bijlage D, onderdeel D11.2 en is m.e.r.-beoordelingsplichtig wanneer het betrekking heeft op een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat, of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer. Onderhavige ontwikkeling valt daarmee ruim onder de drempelwaarden. Er geldt geen directe m.e.r.-beoordelingsplicht, een vormvrije m.e.r.-beoordeling is wel noodzakelijk. Indien hieruit blijkt dat belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu niet kunnen worden uitgesloten, geldt alsnog een m.e.r.-beoordelingsplicht. Mees Ruimte & Milieu | Wipmolen

Pagina | 37

Aanmeldnotitie en m.e.r.-beoordelingsbesluit Ten behoeve van de ontwikkeling is een aanmeldnotitie opgesteld. De aanmeldnotitie met daarin opgenomen de vormvrije m.e.r.-beoordeling is toegevoegd aan de bijlagen.

Mees Ruimte & Milieu | Wipmolen

Pagina | 38

Hoofdstuk 5 Uitvoerbaarheid

5.1

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

In samenspraak met de gemeente worden omwonenden geïnformeerd over het voorgenomen planinitiatief. Het plan is in samenspraak met de gemeenteraad vormgegeven en bij het sluiten van de anterieure overeenkomst is de omgeving daar middels een brief over geïnformeerd. Tevens wordt een informatieavond georganiseerd waarbij de omgeving op basis van de stedenbouwkundig ontwerp wordt geïnformeerd over de specifieke plannen.

5.2

Procedure

Het ontwerp-bestemmingsplan heeft van xx t/m xx 2022 ter inzage gelegen. Gedurende de termijn van terinzagelegging was het voor een ieder mogelijk om een zienswijze in te dienen. Daarnaast is het ontwerpbestemmingsplan in het kader van het overleg ex artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening naar meerdere instanties toegezonden. Hieruit volgt dat PM.

5.3

Economische uitvoerbaarheid

Tussen de gemeente en initiatiefnemer is een overeenkomst getekend. Hierin zijn de afspraken vastgelegd over de ontwikkeling. Er is een anterieure overeenkomst gesloten tussen de gemeente en initiatiefnemer. Met het ondertekenen van deze overeenkomst is het verhaal van gemeentelijke kosten afdoende verzekerd waardoor een exploitatieplan niet nodig is.

Mees Ruimte & Milieu | Wipmolen

Pagina | 39

Hoofdstuk 6 Juridische vormgeving

6.1

Inleiding regels

Het bestemmingsplan bestaat uit regels, een verbeelding en een toelichting. De regels en de verbeelding vormen het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan. De verbeelding heeft de rol van visualisering van de bestemmingen. De regels bepalen de bouw- en gebruiksmogelijkheden van de gronden. De bestemming is zo opgenomen dat voldoende rechtszekerheid bestaat voor omwonenden en andere gebruikers van het gebied en de omliggende gebieden. In de toelichting wordt gemotiveerd waarom sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Het plan is opgesteld op basis van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP2012). Het bestemmingsplan is primair bedoeld om de beoogde ontwikkelingen juridisch-planologisch mogelijk te maken. Het bestemmingsplan betreft dan ook een ontwikkelingsplan. De ruimtelijke en functionele kaders zijn voldoende duidelijk, waardoor gekozen is voor directe bouwtitel. 6.1.1 Begrippen In artikel 1 worden de begrippen die in de regels worden gebruikt omschreven. Sommige begrippen zijn voor meerdere uitleg vatbaar, daarom is het nodig om ze planologisch-juridisch af te bakenen en te preciseren, ten opzichte van het algemeen spraakgebruik. Zonder definitie zou een begrip tot verwarring kunnen leiden. 6.1.2 Wijze van meten In artikel 2 wordt weergegeven hoe de in de regels opgenomen maten van een bouwwerk moeten worden gemeten.

6.2

Bestemmingsrels

6.2.1 Groen De gronden met de bestemming 'Groen' zijn bestemd voor (openbare) groenvoorzieningen, en waterpartijen en waterlopen die van lokaal belang zijn. Voorts zijn fiets-en/of voetpaden toegestaan door het gebied. Binnen de bestemming 'Groen' zijn alleen gebouwen ten behoeve van nutsvoorzieningen toegestaan. 6.2.2 Verkeer - Verblijfsgebied De bestemming 'Verkeer - Verblijfsgebied' omvat de buurt- en erfontsluitingswegen met de daaraan of daarlangs gelegen paden, woonstraten, parkeervoorzieningen, groen- en waterelementen. Deze wegen zijn uitsluitend van belang voor het buurtverkeer. De bestemming biedt ruimte voor nutsvoorzieningen en fietsenstallingen met een beperkte omvang. 6.2.3 Wonen Binnen de bestemmingen 'Wonen' is op de verbeelding een bouwvlak aangegeven. Dit bouwvlak omvat het hoofdgebouw.

Mees Ruimte & Milieu | Wipmolen

Pagina | 40

Bijlagen

Mees Ruimte & Milieu | Wipmolen

Pagina | 41

Bijlage 1

Mees Ruimte & Milieu | Wipmolen

Archeologisch onderzoek

Pagina | 42

Project: Wilde Woutstraat te Alblasserdam. Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek, karterend booronderzoek Projectnummer: S190026

COLOFON

Opdrachtgever

: Kubiek Ruimtelijke Plannen te Veenendaal

Project

: Wilde Woutstraat te Alblasserdam

Projectnummer

: S190026

Titel

: Projectnaam. Bureau- en Inventariserend Veldonderzoek, Karterend booronderzoek

Datum

: 27-05-2019

Projectleider

: drs. F. Stevens (senior KNA-prospector )

Auteurs

: drs. F. Stevens (senior KNA-prospector )

Autorisatie

: drs. J.S. Krist Senior KNA archeoloog/-prospector

Druk

: Synthegra B.V., Leusden

Afbeeldingen

: Synthegra B.V., tenzij anders vermeld

ISSN

: 1874-9771

Synthegra B.V. is gecertificeerd voor de BRL 4000 protocollen 4001 t/m 4004 (landbodems) Synthegra B.V. Olmenlaan 6a NL-3833 AV Leusden T: +31 (0)88 81 81 981 E: www.synthegra.nl

© Synthegra B.V., 2019

© Synthegra B.V., Olmenlaan 6a, NL-3833 AV Leusden

2 van 26

Project: Wilde Woutstraat te Alblasserdam. Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek, karterend booronderzoek Projectnummer: S190026

INHOUD ADMINISTRATIEVE GEGEVENS

4

SAMENVATTING Inleiding Specifieke archeologische verwachting bureauonderzoek Veldonderzoek Archeologische interpretatie veldonderzoek Aanbeveling

5 5 5 5 5 6

1 1.1 1.2 1.3 1.4

INLEIDING Onderzoekskader Onderzoeksdoel en vraagstellingen Ligging en huidige situatie plangebied Toekomstige situatie plangebied

7 7 7 8 8

2 2.1 2.2 2.3 2.4 2.5

BUREAUONDERZOEK Methode Landschapsgenese Historische ontwikkeling Archeologische waarden in en rondom het plangebied Gespecificeerde archeologische verwachting

9 9 9 11 13 16

3 3.1 3.2 3.3 3.4

INVENTARISEREND VELDONDERZOEK Methode Beschrijving en interpretatie van de boorgegevens Archeologische indicatoren Archeologische interpretatie

18 18 19 19 19

4 4.1 4.2 4.3

CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN Inleiding Conclusies / beantwoording onderzoeksvragen Aanbevelingen

21 21 21 23

BRONNEN

25

Bijlagen: Bijlage 1: Overzicht van de relevante geologische en archeologische tijdvakken Bijlage 2: Boorprofielen Bijlage 3: Booronderzoek 2007

Afbeelding voorblad: Het plangebied ten tijde van het veldonderzoek.

© Synthegra B.V., Olmenlaan 6a, NL-3833 AV Leusden

3 van 26

Project: Wilde Woutstraat te Alblasserdam. Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek, karterend booronderzoek Projectnummer: S190026

Administratieve gegevens Toponiem

Wilde Woutstraat

Plaats

Alblasserdam

Gemeente

Alblasserdam

Provincie

Zuid-Holland

Projectnummer

S190026

Bevoegde overheid

Gemeente Alblasserdam. Deskundige namens de bevoegde overheid mevr. drs. J. Hoevenberg Gemeente Dordrecht.

Opdrachtgever

Kubiek Ruimtelijke Plannen

Uitvoerende instantie

Synthegra B.V.

Datum uitvoering veldwerk

22-05-2019

Uitvoerders veldwerk

F. Stevens

Zaakidentificatienummer

4699616100

(ARCHIS) Datum

23-04-2019

Zaakidentificatienummer Kaartblad

38C

Periode

Prehistorie t/m Nieuwe tijd

Oppervlakte

Circa 0,5 ha

Perceelnummer(s)

Gemeente Alblasserdam, sectie A , nummer 8670

Grond eigenaar / beheerder

Kubiek Ruimtelijke Plannen

Grondgebruik

Parkeerplaats

Geologie

rivierafzettingen (Echteld Formatie) en veen (Nieuwkoop Formatie)

Geomorfologie

oeverwal/kom

Bodem

onbekend

Depot

Documentatie en vondsten zullen worden aangeleverd aan het Provinciaal Depot van Zuid-Holland, te Alphen aan den Rijn

De onderzoekslocatie wordt omsloten door de volgende coördinaten: Noord:

X 104847,83

Y 430628,00

Oost:

X 104847,83

Y 430749,05

zuid:

X 104957,88

Y 430749,05

West:

X 104957,88

Y 430628,00

Centrum:

X 104902,45

Y 430743.28

© Synthegra B.V., Olmenlaan 6a, NL-3833 AV Leusden

4 van 26

Project: Wilde Woutstraat te Alblasserdam. Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek, karterend booronderzoek Projectnummer: S190026

Samenvatting Inleiding 1

Synthegra B.V. heeft in opdracht van Kubiek Ruimtelijke Plannen een archeologisch bureauonderzoek in combinatie met een karterend booronderzoek

2

uitgevoerd op een terrein aan de Wilde Woutstraat te

Alblasserdam (afbeelding 1.3.1). De aanleiding voor het onderzoek is de voorgenomen ontwikkeling/realisatie van een kerkgebouw. De diepte van de toekomstige bodemverstoring is op dit moment onbekend. Zeker is dat 2

de verstoringen groter zullen worden dan 500 m en dieper zullen gaan dan 35 cm beneden maaiveld.

Specifieke archeologische verwachting bureauonderzoek

Periode

Verwachting

Verwachte kenmerken vindplaats

Diepteligging sporen

laat-

Zeer hoog

Bewoningssporen: tijdelijke

Dieper dan 400 cm -Mv

paleolithicum -

kampementen

mesolithicum

Mobilia: vuursteen artefacten, haardkuilen

neolithicum –

laag

Bewoningssporen: (semi permanente)

vanaf maaiveld tot dieper

midden

nederzettingen, sporen van

dan 400 cm -Mv

Romeinse tijd

agrarisch/industrieel landgebruik, percelering: cultuurlaag, Mobilia: fragmenten keramiek, glas, metaal, natuursteen, bouwmaterialen

late Romeinse

middelhoog

vanaf maaiveld tot 400 cm -

tijd - nieuwe tijd

tot hoog

Mv

Tabel 2.5.1: Gespecificeerde archeologische verwachting.

Veldonderzoek Op basis van het reeds uitgevoerde booronderzoek is gebleken dat er een kleiig ophogingspakket in het e

zuidelijke deel van het plangebied aanwezig is met daarin archeologische resten daterend vanaf de 17 tot en e

met de 20 eeuw, het betrof hier baksteenpuin, industrieel witgoed, mortel en kleinere onbepaalde fragmenten pijpensteel. Dit ophoogpakket ligt afgedekte door een zandig ophoogpakket op een diepte tussen de 0,5 m en 2,0 m beneden maaiveld.

Archeologische interpretatie veldonderzoek e

e

In het verkennende booronderzoek uit 2007 is het ophogingspakket met daarin 17 tot 20 eeuws materiaal aangetroffen. De aanwezigheid van mortel doet echter vermoeden dat er een gebouw heeft gestaan, echter kan het hier ook gaan om resten van de bebouwing die is weergegeven op de kaarten met de situatie omstreeks 1950.

1

BO, protocol 4002

2

IVO-K, protocol 4003

© Synthegra B.V., Olmenlaan 6a, NL-3833 AV Leusden

5 van 26

Project: Wilde Woutstraat te Alblasserdam. Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek, karterend booronderzoek Projectnummer: S190026

In combinatie bezien met de geologische ontwikkeling en historische informatie kunnen de kleipakketten met materiaal ook slootvullingen zijn van percelen die zijn weergegeven op de kaarten met de historische situatie. Zeker in 1850 en 1900 zijn er smalle perceelgrenzen, vermoedelijk sloten, zichtbaar binnen het plangebied.

Van de dieper gelegen rivierduinen zijn geen sedimenten aangeboord binnen 4 m beneden maaiveld.

Aanbeveling Op basis van de resultaten van het booronderzoek is mogelijk een archeologische vindplaats in het plangebied aanwezig. Wanneer de geplande graafwerkzaamheden binnen het westelijke deel van het plangebied dieper reiken dan 50 cm beneden maaiveld kunnen eventueel aanwezig archeologische resten verloren gaan en is vervolgonderzoek noodzakelijk. In het oostelijke deel van het plangebied is dit niveau waarschijnlijk al verstoord en zijn eventueel aanwezige archeologische resten verdwenen. Wij adviseren voor het westelijke deel een vervolgonderzoek in de vorm van een proefsleuvenonderzoek om vast te stellen of in het plangebied archeologische resten aanwezig zijn en zo ja, welke waardering hieraan gegeven kan worden. Voor dit proefsleuvenonderzoek is een Programma van Eisen (PvE) noodzakelijk dat is goedgekeurd door de bevoegde overheid. In dit PvE wordt de werkwijze en de randvoorwaarden van het proefsleuvenonderzoek vastgelegd. Het oostelijke deel van het plangebied adviseren wij vrij te geven voor de voorgenomen ontwikkelingen.

Bovenstaande vormt een selectieadvies. Met nadruk willen wij de opdrachtgever erop wijzen dat dit advies nog niet betekent dat in deze fase van het vergunningsverleningstraject reeds bodemverstorende activiteiten of daarop voorbereidende activiteiten kunnen worden ondernomen. De resultaten van dit onderzoek dienen vooraleerst te worden beoordeeld door de bevoegde overheid (gemeente Alblasserdam). Deze neemt een definitief selectiebesluit aangaande de vrijgave van het plangebied voor verdere ontwikkeling zoals omschreven in de vergunningsaanvraag.

Er is getracht een zo gefundeerd mogelijk advies te geven op grond van de gebruikte onderzoeksmethoden. De aanwezigheid van archeologische sporen of resten in het plangebied kan nooit volledig worden uitgesloten. Synthegra B.V. wil de opdrachtgever er daarom op wijzen dat, indien tijdens de werkzaamheden een (mogelijke) archeologische vondst wordt gedaan dan geldt de wettelijke meldingsplicht, zoals omschreven in artikel 5.10 van de Erfgoedwet. Uit praktisch oogpunt kan een dergelijke toevalsvondst bij de gemeente worden gemeld.

© Synthegra B.V., Olmenlaan 6a, NL-3833 AV Leusden

6 van 26

Project: Wilde Woutstraat te Alblasserdam. Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek, karterend booronderzoek Projectnummer: S190026

1

Inleiding

1.1

Onderzoekskader 3

Synthegra B.V. heeft in opdracht van Kubiek Ruimtelijke Plannen een archeologisch bureauonderzoek in combinatie met een karterend booronderzoek

4

uitgevoerd op een terrein aan de Wilde Woutstraat te

Alblasserdam (afbeelding 1.3.1). De aanleiding voor het onderzoek is de voorgenomen ontwikkeling/realisatie van een kerkgebouw. De diepte van de toekomstige bodemverstoring is op dit moment onbekend. Zeker is dat 2

de verstoringen groter zullen worden dan 500 m en dieper zullen gaan dan 35 cm beneden maaiveld.

Het onderzoek is uitgevoerd in het kader van een bestemmingsplanprocedure. Op basis van het bestemmingsplan, waarin het vigerende beleid van de gemeente Alblasserdam is verwoord, dient voor het 2

plangebied een rapport overhandigd te worden bij plangebieden groter dan 500 m en verstoringen die dieper reiken dan 35 cm. waarin de aan- of afwezigheid van archeologische waarden wordt aangetoond. 5

In 2007 is er reeds in karterend booronderzoek uitgevoerd op de locatie in het kader van ontwikkelingen die niet zijn doorgevoerd. Het onderzoek is derhalve nietig verklaard en dient daarom nogmaals uitgevoerd te worden. De resultaten van dat onderzoek worden echter wel meegenomen in het onderhavige onderzoek. 6

Het onderzoek is uitgevoerd conform de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie versie 4.0 en de Leidraad Inventariserend Veldonderzoek.

7

De bevoegde overheid, gemeente Alblasserdam, zal de resultaten van het onderzoek toetsen en een selectiebesluit nemen aangaande de vrijgave van het plangebied voor verdere ontwikkeling zoals omschreven in de vergunningsaanvraag.

1.2

Onderzoeksdoel en vraagstellingen Het doel van het bureauonderzoek is het opstellen van een gespecificeerde archeologische verwachting aan de hand van bestaande bronnen over bekende of verwachte landschappelijke, historische en archeologische waarden.

Het doel van het karterend booronderzoek is het vervolgens toetsen van het opgestelde verwachtingsmodel door de intactheid van de bodemopbouw vast te stellen en de eventuele aanwezigheid van archeologische resten te inventariseren.

De volgende onderzoeksvragen zullen worden beantwoord: 

Wat is de opbouw van de ondergrond en is het bodemprofiel intact?

Zijn in het plangebied archeologische vindplaatsen aanwezig? Indien ja (dan zijn de volgende twee subvragen van toepassing)?

3

BO, protocol 4002

4

IVO-K, protocol 4003

5

Leuvering 2009

6

SIKB 2016.

7

SIKB 2006.

© Synthegra B.V., Olmenlaan 6a, NL-3833 AV Leusden

7 van 26

Project: Wilde Woutstraat te Alblasserdam. Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek, karterend booronderzoek Projectnummer: S190026

o

Wat is te zeggen over de horizontale en verticale verspreiding van de archeologische waarden?

o

Wat is de vermoedelijke aard en datering van de archeologische resten?

In hoeverre worden eventueel aanwezige archeologische resten bedreigd door de voorgenomen ontwikkeling van het gebied?

1.3

Ligging en huidige situatie plangebied Het plangebied beslaat een oppervlak van circa 0,5 ha en is gelegen aan de Wilde Woutstraat te Alblasserdam (afbeelding 1.3.1). Het plangebied is in gebruik als parkeerplaats en was voorzien van stelconplaten. Deze zijn kort voor het onderzoek verwijderd..

Afbeelding 1.3.1: Het plangebied, rood omkaderd, op de Topografische Kaart van Nederland 1:25.000 (Bron: Topografische Dienst 1998/ANWB 2007).

1.4

Toekomstige situatie plangebied De huidige inrichting zal worden gewijzigd. Op de locatie zal een kerk worden opgetrokken. De nieuwe inrichting van het plangebied is op dit moment onbekend. Derhalve is uitgegaan is van een totale herontwikkeling van het gehele plangebied en een verstoring tot 2 m -Mv.

© Synthegra B.V., Olmenlaan 6a, NL-3833 AV Leusden

8 van 26

Project: Wilde Woutstraat te Alblasserdam. Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek, karterend booronderzoek Projectnummer: S190026

2

Bureauonderzoek

2.1

Methode Tijdens het bureauonderzoek is met behulp van bestaande bronnen een gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel voor het plangebied opgesteld. Dit is gedaan door het raadplegen van voor de archeologie relevante (schriftelijke) bronnen. Voor het bureauonderzoek zijn met name gegevens over bekende archeologische vindplaatsen in en rond het plangebied verzameld. Dit is aangevuld met historisch en fysischgeografisch onderzoek, waarbij informatie over vroeger grondgebruik is verkregen door de analyse van historische kaarten en tevens gegevens over de geologie, geomorfologie en bodem zijn bestudeerd.

2.2

Landschapsgenese Voor het bepalen of, waar en uit welke periode archeologische resten kunnen worden verwacht, zijn de volgende bronnen met betrekking tot de landschapsgenese geraadpleegd: 

Geomorfologische Kaart 1:50.000 (Afbeelding 2.2.1)

Digitaal hoogtemodel, Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) (Afbeelding 2.2.2)

Bodemkaart 1:50.000 (Afbeelding 2.2.3)

Relevante achtergrondliteratuur (zie literatuurlijst)

Voor de geologische beschrijving is gebruik gemaakt van de Lithostratigrafische Indeling van de Ondiepe 8

Ondergrond. Zie voor een overzicht van de geologische en archeologische perioden bijlage 1. Geo(omorfo)logie en landschap Wegens de ligging in een bebouwd gebied is voor het plangebied geen directe geomorfologische informatie beschikbaar. Extrapolatie van omliggende eenheden maakt dat het plangebied te plaatsen is in een zone met oeverwal en komafzettingen. Wel kan er een algemeen beeld geschetst worden. Het plangebied bevindt zich direct ten noorden van de Alblas, in een zone waar oever- en/of crevasseafzettingen aanwezig kunnen zijn, afgezet in het veengebied (figuur 3). Oudere, dieper gelegen stroomgordels worden niet verwacht in de ondergrond van het plangebied. De Alblas is ontstaan als een perimariene (zoetwater)getijdenkreek vanuit de Merwede die zorgde voor afwatering van het veengebied gedurende laagwaterstanden (Berendsen & Stouthamer, 2001). Bij hoog water werd de getijdengeul gevuld. Tijdens eerder onderzoek in de omgeving van het plangebied zijn geen vegetatieniveaus in de oeverafzettingen van de Alblas aangetroffen, hetgeen wijst op een continue sedimentatie (Hoevenberg e.a., 2004). Vanuit de Alblas zijn bij hoogwater crevassegeulen in het komgebied gevormd die door differentiële klink als hogere ruggen in het landschap liggen. De Alblas vormde de basis voor de laatmiddeleeuwse veenontginningen waarbij de geul aan het eind van de 12

e

eeuw na Chr.

werd afgedamd en met een afwateringskanaal werd verbonden met de Merwede (huidige Noord).

Op basis van het digitale hoogtemodel zoals weergegeven in het AHN ligt de hoogte van het maaiveld rond de 9

0,5 m -NAP.

8

De Mulder et al. 2003 en via www.dinoloket.nl: Dinoloket, Standaarden, Lithostratigrafische Nomenclator van de Ondiepe Ondergrond.

© Synthegra B.V., Olmenlaan 6a, NL-3833 AV Leusden

9 van 26

Project: Wilde Woutstraat te Alblasserdam. Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek, karterend booronderzoek Projectnummer: S190026

Afbeelding 2.2.2: Het plangebied, rood omkaderd, op het Actueel Hoogtebestand van Nederland (AHN) (Bron: www.ahn.nl).

LEGENDA Rood

: hoger dan 6 m +NAP

Oranje : 2,0 – 3,0 m +NAP Geel

: 1,0 – 2,0 m +NAP

Groen

: 0 – 1,0 m +NAP

Blauw

: lager dan 0 m +NAP

Bodem Wegens de ligging in een bebouwd gebied is voor het plangebied geen directe bodeminformatie beschikbaar. Op basis van de omliggende gekarteerde delen bevindt het plangebied zich naar verwachting in een zone met zeekleigronden en bestaat het uit een combinatie van kalkarme drechtvaaggronden (zware Klei; code eMv41C) en kalkarme poldervaaggronden (code eMn86C) met een dek van zoete getijdenafzettingen van ten minste 40 cm dik.

9

Hoogteligging van het plangebied op het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) in m NAP (Normaal Amsterdams Peil)

geraadpleegd op www.ahn.nl © Synthegra B.V., Olmenlaan 6a, NL-3833 AV Leusden

10 van 26

Project: Wilde Woutstraat te Alblasserdam. Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek, karterend booronderzoek Projectnummer: S190026

2.3

Historische ontwikkeling Voor de historische ontwikkeling is divers kaart- en beeldmateriaal (Afbeelding 2.3.1a-d) en relevante achtergrondliteratuur geraadpleegd (zie literatuurlijst). Op de kaarten tussen 1800 en 1900 (afbeeldingen 2.3.1a-c) is geen bebouwing zichtbaar, wel zijn er perceleringsgrenzen te zien op de kaarten van circa 1850 en circa 1900 tussen waarschijnlijke weidegronden. Op de kaart van circa 1960 is er bebouwing zichtbaar in de zuidhoek van het plangebied.

Afbeelding 2.3.1a: Het plangebied, waarvan de globale ligging rood omcirkeld is, op het kadastrale minuutplan

10

uit het

e

begin van de 19 eeuw. (Bron: http://beeldbank.cultureelerfgoed.nl).

10

Gemeente Alblasserdam, sectie A, blad 1. Kadastrale Minuutplans zijn ten behoeve van de belastingheffing vervaardigde kaarten. De opnames zijn gestart in 1811, ten tijde van Frans bestuur en gecontinueerd tot 1832 (vanaf 1815 onder Nederlands bewind. Het zijn grondbeschrijvingen van de gemeenten met hierop aangegeven de percelen, perceelnummers en gebouwen.

© Synthegra B.V., Olmenlaan 6a, NL-3833 AV Leusden

11 van 26

Project: Wilde Woutstraat te Alblasserdam. Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek, karterend booronderzoek Projectnummer: S190026

Afbeelding 2.3.1b: Het plangebied, rood omkaderd, op de topografische kaart uit circa 1850 (Bron: www.topotijdreis.nl).

Afbeelding 2.3.1c: Het plangebied, rood omkaderd, op de topografische kaart uit 1903 (Bron: www.topotijdreis.nl).

© Synthegra B.V., Olmenlaan 6a, NL-3833 AV Leusden

12 van 26

Project: Wilde Woutstraat te Alblasserdam. Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek, karterend booronderzoek Projectnummer: S190026

Afbeelding 2.3.1d: Het plangebied, rood omkaderd, op de topografische kaart uit circa 1955 (Bron: www.topotijdreis.nl).

Bekende bodemverstoring Binnen het plangebied zijn voor zover bekend geen grondroeringen veroorzaakt door saneringen van munitie, bodemverontreinigingen of ondergrondse olietanks, benzinepompinstallaties en dergelijke bekend waardoor archeologische resten mogelijk verloren zijn gegaan.

2.4

11

Archeologische waarden in en rondom het plangebied In deze paragraaf wordt gekeken of binnen en rond het plangebied archeologische en/of ondergrondse bouwhistorische waarden bekend zijn. Hiervoor is het Archeologisch Informatie Systeem (ARCHIS III) van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) geraadpleegd en in aanvulling daarop de archeologische verwachtingskaart van de gemeente Alblasserdam, Achtergrondliteratuur (zie literatuurlijst).

Voor het plangebied geldt op basis van de archeologische verwachtingskaart van de gemeente Alblasserdam voor het plangebied een hoge archeologische waarde (Afbeelding 2.4.1). Het bestemmingsplan “Herstelplan Alblasserdam is juridisch leidend en deze stelt dat archeologisch onderzoek moet worden uitgevoerd indien 2

sprake is van verstoringen groter dan 500 m en die dieper reiken dan 35 cm beneden maaiveld.

11

www.bodemloket.nl, http://www.explosievenopsporing.nl/veo-bommenkaart/

© Synthegra B.V., Olmenlaan 6a, NL-3833 AV Leusden

13 van 26

Project: Wilde Woutstraat te Alblasserdam. Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek, karterend booronderzoek Projectnummer: S190026

Afbeelding 2.4.1: Het plangebied, rode kader, geprojecteerd op de Archeologische Verwachtingskaart van de gemeente Alblasserdam (Bron: Boshoven 2009). De gele kleur houdt een Verwachting Archeologische Waarde (VAW) 2 in, de oranje kleur VAW3, de rode kleur Archeologische Waarde (AW2). De rode lijn met zwarte rand geeft de locatie van dijken aan.

2.4.1 Monumenten, waarnemingen en Zaakidentificatienummers in (de nabijheid van) het plangebied Er zijn in (de nabijheid van) het plangebied, binnen een straal van 200 m, in ARCHIS III geen gegevens bekend aangaande archeologische monumenten, waarnemingen. Er zijn echter wel Zaakidentificatienummers bekend.

Zaakidentificatienummers:

2157162100, 2157170100, 2172277100, 2173305100, 2200780100,

2241386100, 2471597100

Voor Zaakidentificatienummers 2157170100, 2173305100 en 2200780100 ontbreekt de data in de digitale archieven van de Rijksdienst, Dans-Easy en Archis 2 en 3.

Zaakidentificatienummers 2157162100 en 2172277100 betreffen het huidige plangebied en zijn twee elkaar opvolgende onderzoeken uitgevoerd door Synthegra in 2007, het betreft een verkennend en een karterend booronderzoek. Op dit terrein wordt de diepere ondergrond gevormd door het Hollandveen Laagpakket binnen de Nieuwkoop Formatie. Hierin zijn geen archeologische indicatoren geconstateerd. De bovengrens van dit pakket varieert sterk van 1,00 tot 4,70 m beneden maaiveld. Deze variatie kan worden toegeschreven aan klink als gevolg van het gewicht van de bovenliggende lagen. Het veen wordt met uitzondering van boring 1 afgedekt door een matig humeus, zwak siltig kleipakket. De dikte neemt van zuidwest naar noordoost sterk af. Zo bedraagt de dikte in de boringen 3 en 7 respectievelijk 3,20 en 1,60 m, terwijl deze in de boringen 2, 4, 5 en 6 maximaal enkele decimeters bedraagt. Kenmerkend is het verspreid voorkomen van vondstmateriaal, zoals brokjes baksteen, mortel, fragmenten aardewerk en leer. Op basis van ligging van het onderzoeksterrein aan de rand van de historische kern van Alblasserdam en de aanwezigheid van vondstmateriaal wordt het kleipakket als een ophoging geïnterpreteerd.

Gezien de ontwikkeling van het op de oeverwal van de Alblas gelegen bewoningslint van huidige dorp Alblasserdam waarvan de oorsprong teruggaat tot in de late Middeleeuwen, zal het pakket vermoedelijk uit deze periode of later dateren. Het merendeel van het

© Synthegra B.V., Olmenlaan 6a, NL-3833 AV Leusden

14 van 26

Project: Wilde Woutstraat te Alblasserdam. Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek, karterend booronderzoek Projectnummer: S190026

aangetroffen vondstmateriaal wordt gevormd door bouwmateriaal en is niet exact te dateren. Het dateerbare e

e

materiaal, geglazuurd roodbakkend, pijpaarde en industrieel wit aardewerk stamt uit de 17 -20 eeuw. Deze fragmenten zijn in het bovenste deel van het pakket aangetroffen. Het onderste deel van de ophoging kan evenwel ouder zijn. De aanbeveling uit het karterende booronderzoek betrof het graven van proefsleuven om de vindplaats te waarderen

Zaakidentificatienummer 2241386100 betreft een onderzoek circa 150 m ten oosten van het plangebied, uitgevoerd door Synthegra in 2011. Uit dit onderzoek bleek dat archeologische sporen uit de periode late middeleeuwen tot en met de nieuwe tijd aan of vlak onder het maaiveld verwacht. Omdat in alle boringen het bodemprofiel is verstoord tot minimaal 55 cm beneden maaiveld en omdat archeologische indicatoren ontbreken, kan de middelhoge verwachting voor deze periode worden bijgesteld naar laag.

Zaakidentificatienummer 2471597100 betreft een onderzoek circa 100 m ten noordoosten van het plangebied van RAAP uit 2016. Uit het onderzoek blijkt dat de bodem in het plangebied in het recente verleden tot een diepte van ten minste 0,5 m -Mv is verstoord en plaatselijk tot wel 2,5 m -Mv (figuur 8). Hieronder zijn de komof oever-/geulafzettingen van de Alblasstroomgordel aangetroffen. In de oeverafzettingen kunnen archeologische resten verwacht worden. Voor dit deel van het plangebied blijft de middelhoge archeologische verwachting voor resten uit de periode Romeinse tijd tot en met de Late Middeleeuwen gehandhaafd. Ter hoogte van de voormalige historische bebouwing langs de Kerkweg is vanaf 55 cm -Mv een vindplaats in de vorm van een cultuurlaag aangetroffen. Hier kunnen de overblijfselen (funderingen) van deze twee gebouwen nog aanwezig zijn. Direct rondom de funderingen worden resten van erfstructuren zoals kuilen, waterputten, beerputten, greppels en dergelijke verwacht.

Afbeelding 2.4.2: Overzicht van het zaakidentificatienummer en binnen een straal van 200 m van het plangebied (Bron: Archis 3).

© Synthegra B.V., Olmenlaan 6a, NL-3833 AV Leusden

15 van 26

Project: Wilde Woutstraat te Alblasserdam. Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek, karterend booronderzoek Projectnummer: S190026

2.5

Gespecificeerde archeologische verwachting Op basis van bovenstaand bureauonderzoek is voor het plangebied een gespecificeerde archeologische verwachting opgesteld. De essentie hiervan is weergegeven in tabel 2.5.1.

Op basis van het bureauonderzoek geldt voor het plangebied een middelhoge archeologische verwachting voor vindplaatsen (archeologische resten) uit de Laat Romeinse tijd en de Vroege Middeleeuwen. Vindplaatsen uit deze perioden kunnen voorkomen op de oever- en/of crevasseafzettingen van

de

Alblas,

direct

onder

de

recente

bouwvoor.

Het

zal

voornamelijk

gaan

om

losse

huisplaatsen/boerderijen of een verzameling van enkele bij elkaar. Binnen de vindplaatsen kan, naast aardewerk, ook hout(houtskool), natuursteen en metaal voorkomen. Mogelijk kunnen er ook sporen aanwezig zijn van agrarisch gebruik van de locatie, zoals greppelsystemen en sporen van percelering. Dergelijke complextypen zijn echter met een booronderzoek niet of nauwelijks op te sporen.

Op basis van de ligging in de laatmiddeleeuwse ontginningsas en historische kern geldt voor het zuidelijk deel van het plangebied een hoge archeologische verwachting voor vindplaatsen (nederzettingsresten) uit de Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd. Op grond van de ontginning omstreeks de 13e eeuw dient in het overige deel van het plangebied tevens rekening gehouden te worden met de aanwezigheid van overige archeologische resten uit de Late Middeleeuwen, zoals gebruiksvoorwerpen en sporen van agrarisch grondgebruik uit deze periode (greppels, kuilen e.d.). Dergelijke archeologische resten worden verwacht in de bovenste lagen van het klei-op-veengebied binnen circa 1 m -Mv, maar zijn met een booronderzoek niet of nauwelijks op te sporen.

Verder worden in de diepere ondergrond (meer dan 3 meter beneden maaiveld) afzettingen van rivierduinen verwacht, waarvoor een zeer hoge archeologische verwachting geldt voor de aanwezigheid van vindplaatsen vanaf het Laat Paleolithicum tot aan het moment van verdrinking van het rivierduin. Vindplaatsen uit het Laat Paleolithicum/Mesolithicum op rivierduinen zullen zich kenmerken als (zeer) kleine kampementen met een dunne vondstspreiding van vuursteen.

Op basis van het reeds uitgevoerde booronderzoek is gebleken dat er een kleiig ophogingspakket in het e

zuidelijke deel van het plangebied aanwezig is met daarin archeologische resten daterend vanaf de 17 tot en e

met de 20 eeuw, het betrof hier baksteenpuin, industrieel witgoed, mortel en kleinere onbepaalde fragmenten pijpensteel. Dit ophoogpakket ligt afgedekte door een zandig ophoogpakket op een diepte tussen de 0,5 m en 2,0 m beneden maaiveld.

© Synthegra B.V., Olmenlaan 6a, NL-3833 AV Leusden

16 van 26

Project: Wilde Woutstraat te Alblasserdam. Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek, karterend booronderzoek Projectnummer: S190026

Periode

Verwachting

Verwachte kenmerken vindplaats

Diepteligging sporen

laat-

Zeer hoog

Bewoningssporen: tijdelijke

Dieper dan 400 cm -Mv

paleolithicum -

kampementen

mesolithicum

Mobilia: vuursteen artefacten, haardkuilen

neolithicum –

laag

Bewoningssporen: (semi permanente)

vanaf maaiveld tot dieper

midden

nederzettingen, sporen van

dan 400 cm -Mv

Romeinse tijd

agrarisch/industrieel landgebruik, percelering: cultuurlaag, Mobilia: fragmenten keramiek, glas, metaal, natuursteen, bouwmaterialen

late Romeinse

middelhoog

vanaf maaiveld tot 400 cm -

tijd - nieuwe tijd

tot hoog

Mv

Tabel 2.5.1: Gespecificeerde archeologische verwachting.

© Synthegra B.V., Olmenlaan 6a, NL-3833 AV Leusden

17 van 26

Project: Wilde Woutstraat te Alblasserdam. Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek, karterend booronderzoek Projectnummer: S190026

3

Inventariserend Veldonderzoek

3.1

Methode Op basis van het gespecificeerde verwachtingsmodel uit het bureauonderzoek is aan de hand van de Leidraad Inventariserend Veldonderzoek

12

een karterend booronderzoek met een boordichtheid van ten

minste 10 boringen per hectare uitgevoerd. Hiermee is het onderzoek verkennend voor vuursteenvindplaatsen uit de steentijd en karterend voor nederzettingsresten uit de latere perioden. 2

Aangezien het plangebied circa 0,5 m groot is, zijn verspreid over het plangebied (afb. 3.1.1) in totaal 5 boringen gezet. Vanwege het geringe oppervlak zijn de boringen gelijkmatig over het plangebied verdeeld. De exacte boorlocaties zijn ingemeten met een meetlint. De hoogte is bepaald aan de hand van de AHN.

Er is geboord met een Edelmanboor met een diameter van 7 cm. Per locatie zijn 2 boringen gezet om het volume te krijgen van een 12 cm boor. De boringen zijn uitgevoerd tot maximaal 4,0 m beneden maaiveld. Het opgeboorde sediment is geïnspecteerd op de aanwezigheid van archeologische indicatoren. De boringen zijn 13

lithologisch beschreven conform de NEN 5104

en bodemkundig

14

geïnterpreteerd.

Fig. 3.1.1: Boorpuntenkaart geprojecteerd op de huidige topografische ondergrond.

12

SIKB 2006.

13

Nederlands Normalisatie-instituut 1989.

14

De Bakker en Schelling 1989.

© Synthegra B.V., Olmenlaan 6a, NL-3833 AV Leusden

18 van 26

Project: Wilde Woutstraat te Alblasserdam. Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek, karterend booronderzoek Projectnummer: S190026

3.2

Beschrijving en interpretatie van de boorgegevens Er zijn twee typen profielen aangetroffen in de vijf boringen

15

. Boring 2 en 5 vertoonden een nagenoeg intact

bodemprofiel terwijl boringen 1,3 en 4 sporen van diepe verstoring aan het licht brachten.

Boring 3 is gestuit op een ondoordringbaar niveau op circa 1,0 m beneden maaiveld. Als diepste pakket (pakket 1) is in alle overige boringen een grijsbruin mineraalarm tot zwak kleiig veen aangetroffen met af en toe dikke humeuze kleilagen, het veen bevatte relatief veel houtresten wat de interpretatie als bosveen ondersteuning geeft. Deze veenafzettingen met kleilagen behoren tot het Hollandveen laagpakket van de Formatie van Nieuwkoop. In boringen 1 en 4 is op dit veen, op circa 1,6 m beneden maaiveld, met aan abrupte overgang een pakket lichtgrijs zeer grof matig siltig zand aangetroffen met schelpenresten. Dit pakket (pakket 3) zette zich door tot aan het maaiveld. In boring 2 is op het mineraalarme bosveen op een diepte van 1,9 m beneden maaiveld een lichtbruin grijs matig siltig, matig humeus kleipakket aangetroffen, In boring 5 betreft het hier een bruingrijs sterk kleiig veenpakket. Het betreft hier pakket 2. De kleilagen en kleifractie in beide veenpakketen geeft aan dat het veengebied regelmatig overstroomde. Daar waar in het diepere niveau een afsluiting met open water voor te stellen is, met af en toe een doorbraak van een rivier of zeearm (mineraalarm veen met kleilagen) is in het bovenste traject juist een open verbinding met een rivier of zeearm denkbaar door de hoge kleicomponent in het veen.

Op 50 cm beneden maaiveld is in boring 3 een sterk humeus matig siltig kleipakket met veel plantenresten, grind, bouwpuin, modern glas en plastic. Op 60 cm beneden maaiveld is in boring 5 het bovengenoemde pakket 3 aangetroffen.

3.3

Archeologische indicatoren Bij de controle van het opgeboorde bodemmateriaal zijn geen archeologische indicatoren aangetroffen die wijzen op de aanwezigheid van een archeologische vindplaats. Er is een ondoordringbaar pakket aangetroffen in boring 3 in het moderne zandige ophoogpakket. Hier kan niet bepaald worden of het tot dit pakket behoord of een nieuwe hieronder liggende laag. De resultaten uit 2007 toonden een ophoogpakket aan bestaand uit klei met daarin baksteenfragmenten, mortel, pijpenstelen en industrieel witgoed.

3.4

Archeologische interpretatie Als enkel de resultaten van het huidige veldonderzoek meegenomen dienen te worden is er geen aanleiding om vervolgonderzoek aan te bevelen door het ontbreken van oeverafzettingen of een archeologisch interessant niveau. Er is sprake van een sterke verstoring, plus daar waar de bodemopbouw vanaf 50 cm beneden maaiveld (boringen 2 en 5) is aangetroffen ontbreken hier de resten. Echter dienen ook de bevindingen van de onderzoeken uit 2007 meegenomen te worden. Hieruit blijkt dat er op een aantal locaties (zie afb. 3.4.1 en bijlage 3) een ophogingspakket is aangetroffen wat bestond uit klei.

15

bijlage 2

© Synthegra B.V., Olmenlaan 6a, NL-3833 AV Leusden

19 van 26

Project: Wilde Woutstraat te Alblasserdam. Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek, karterend booronderzoek Projectnummer: S190026

Afbeelding 3.4.1 De gecombineerde resultaten van de onderzoeken van Synthegra uit 2007.

In het verkennende booronderzoek betrof het hier de gele boringen 3 en 7, in het karterende onderzoek is het e

e

ophogingspakket met daarin 17 tot 20 eeuws materiaal aangetroffen in boringen A1, A2 en A3. In de overige boringen met de A-nummers is een verstoring aangetroffen tot 1,5 a 2 m diepte. Zowel het kleiige ophogingspakket als de zandige verstoring tot ca. 1,5 a 2 meter is niet aangetroffen in boring 2 van het huidige onderzoek.

De aanwezigheid van mortel doet echter vermoeden dat er een gebouw heeft gestaan, echter kan het hier ook gaan om resten van de bebouwing die is weergegeven op de kaarten met de situatie omstreeks 1950.

In combinatie bezien met de geologische ontwikkeling en historische informatie kunnen de kleipakketten met materiaal ook slootvullingen zijn van percelen die zijn weergegeven op de kaarten met de historische situatie. Zeker in 1850 en 1900 zijn er smalle perceelgrenzen, vermoedelijk sloten, zichtbaar binnen het plangebied.

Van de dieper gelegen rivierduinen zijn geen sedimenten aangeboord binnen 4 m beneden maaiveld.

© Synthegra B.V., Olmenlaan 6a, NL-3833 AV Leusden

20 van 26

Project: Wilde Woutstraat te Alblasserdam. Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek, karterend booronderzoek Projectnummer: S190026

4

Conclusies en aanbevelingen

4.1

Inleiding Het doel van het archeologisch bureauonderzoek was het opstellen van een gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied. Voor het plangebied gold op basis van het bureauonderzoek een zeer hoge verwachting voor vuursteenvindplaatsen uit het laat-paleolithicum en mesolithicum en een lage verwachting voor nederzettingsresten uit het neolithicum tot en met de vroege middeleeuwen. Voor de late middeleeuwen en de nieuwe tijd gold een middelhoge tot hoge verwachting. Het doel van het inventariserend veldonderzoek is het toetsen van deze verwachting.

4.2

Conclusies / beantwoording onderzoeksvragen 

Wat is de opbouw van de ondergrond en is het bodemprofiel intact? De bodemopbouw is deels intact aangetroffen in boringen 2 en 5, er sprake van een grijsbruin mineraalarm tot zwak kleiig veen met dikke humeuze kleilagen met houtresten. Het gaat hier om bosveen behorende tot de Formatie van Nieuwkoop, specifiek het laagpakket Hollandveen. Hierop is een bruingrijs sterk kleiig veen tot sterk humeuze klei aangetroffen op een diepte van circa 1,9 m beneden maaiveld. Ook dit pakket wordt gerekend tot het Hollandveen laagpakket, echter is er een verschil in milieu aan te geven. Van een vrij gesloten moerasgebied met sporadisch fluviatiele (rivier) of mariene (zee) invloed ontwikkelde het gebied zich tot een meer opeen gebied met een sterke fluviatiele of mariene invloed. Dit kan vanuit de nabij gelegen huidige rivier Alblas gekomen zijn. De verwachte oeverafzetttingen hiervan zijn niet aangetroffen.

Boringen 1 en 4 zijn tot gemiddeld 1,8 m beneden maaiveld tot in het mineraalarme veen verstoord geraakt, hier is matig grof tot zeer grof lichtgrijs zand aangetroffen met schelpresten (ophoogzand dat is opgespoten vanuit de Noordzee). Boring 3 is gestuit op een ondoordringbare laag in het ophoogzand op een diepte van 1,0 m beneden maaiveld 

Zijn in het plangebied archeologische vindplaatsen aanwezig? In geen van de boringen zijn indicatoren aangetroffen die wijzen op de aanwezigheid van een archeologische vindplaats. Uit het onderzoek van 2007 zijn kleiige ophoogpakketten aangetroffen onder de moderne verstoring, of ophoogzand, met daarin sporen van baksteenfragmenten, mortel, pijpenstelen en industrieel wit aardewerk. Het kan hier gezien de mortel gaan om resten van bebouwing, maar mogelijk ook oudere bebouwing.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.alblasserdam.nl/api/v1/meetings/376/documents/8324