CConstaterende datAlblasserdam
Koppel je AI →
Document · PDF

2.3 Raad van State stukken Beroep bestemmingsplan Kloos.pdf

Gemeenteraad Alblasserdam 16 mei 2023, gemeente AlblasserdamBij agendapunt: 13: Doorlopende lijst ingekomen stukken10.597 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

1

X

Raad vanState

Afdeling bestuursrechtspraak

Pagina 1 van 1

Raad van de gemeente Alblasserdam

Postbus 2 2950 AA ALBLASSERDAM

Datum

Ons nummer

24 februari 2023

202201 564/1/R3

Uw kenmerk

Inlichtingen

Onderwerp

Mw. D.J.J.M. Wolfs 070-42641 14

Alblasserdam Bp Kloos

Procedure

Beroep

Geachte heer/mevrouw. Hierbij stuur ik u - ter informatie - stukken die gaan over bovengenoemde procedure.

Zoals u is meegedeeld, zal de zaak op 7 maart 2023 worden behandeld op een zitting. Aangezien dit bericht geautomatiseerd is aangemaakt, is dit niet ondertekend. Hoogachtend, de griffier

3975155(BJ3)

Postbus 20019 - 2500 EA Den Haag -T 070 426 44 26 - F 070 365 13 80 - www.raadvanstate.nl Bij correspondentie de datum en het nummer van deze brief vermelden

1

1

FDJ

ADVOCATEN

PER AANGETEKENDE EN GEWONE POST

Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Oranjestraat 15

2514JB Den Haag

raad van state ingekomen 23 FEB. 2023 Den Haag,

23 februari 2023

Ons kenmerk:

GCCF/Mercon Kloos

Tan

E-mail:

fleers@fdj.nl

BEHANDELD do

Uw kenmerk:

202201564/1/R3

’AAKNR L -

PAR

Hoogedelgestrenge Vrouwe, Heer, Namens Groep Caenen Capital Fund NL II B.V., gevestigd aan de Koningin Julianaweg 23 (2264 BA) te

Leidschendam (hierna: GCCF) en FSD Development B.V., gevestigd aan het Frederik Hendrikplein 33

(2582 AX) te Den Haag (hierna: FSD), dien ik als advocaat-gemachtigde een zienswijze in met betrekking tot het beroepschrift van 10 maart 2022 tegen het besluit tot vaststelling van het Bestemmingsplan 'Kloos' (hierna: het bestemmingsplan) Inleiding

Bij besluit van 21 december 2021 (kenmerk: 2656733) heeft de gemeenteraad van de gemeente

Alblasserdam het bestemmingsplan unaniem vastgesteld. Tegen dit besluit is beroep aangetekend

door omwonenden van dit perceel.

GCCF is eigenaar van grond in het plangebied. FSD is ontwikkelaar van een deel van het plangebied. In die hoedanigheid zijn beide partijen derde-belanghebbenden bij het bestreden besluit.

GCCF en FSD hebben kennis genomen van het verweerschrift van de raad en ondersteunen de inhoud en strekking daarvan. Aanvullend merken zij het volgende op.

Toetsingskader Het is vaste jurisprudentie dat het gemeentebestuur beleidsruimte heeft bij het vaststellen van het

bestemmingsplan. Kort gezegd wordt deze beleidsruimte begrensd door het recht. In een recente uitspraak formuleert de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State het als volgt:

1

FDJ

ADVOCATEN

'Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling stelt niet zelf vast of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De Afdeling beoordeelt aan

de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht.'1

Hieronder volgt de zienswijze van GCCF en FSD met betrekking tot de aangevoerde beroepsgronden. Achtereenvolgens worden de volgende onderwerpen behandeld:

Inspraak

Verkeer en parkeren

Vrees voor trillingen Veiligheid langs de waterkant

Zichtlijnen -

Geluid Bestemmingsplan prematuur

Economische uitvoerbaarheid

Fouten en onjuistheden Inspraak

Appellanten stellen dat geen gelegenheid is geboden voor inspraak. Toetsingskader

Het is vaste jurisprudentie dat het bieden van inspraak geen onderdeel is van de wettelijke bestemmingsplanprocedure: 'Het

bieden

van

inspraak

voorafgaande

aan

de

terinzagelegging

van

het

ontwerpbestemmingsplan maakt geen onderdeel uit van de in de Wet ruimtelijke ordening en het Besluit ruimtelijke ordening geregelde bestemmingsplanprocedure. Het niet bieden van

inspraak in die eerdere fase heeft daarom geen gevolgen voor de rechtmatigheid van het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan.'2

Ten overvloede wijzen GCCF en FSD erop dat op de volgende data gelegenheid is geboden voor participatie:

14 juli 2020 4 november 2020 24 februari 2021 16 maart 2021 10 juli 2021 3 september 2022 22 februari 2023 1 ABRvS 14 september 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2692, r.o. 5. 2 ABRvS 25 augustus 2021, ECU:NL:RVS:2021:1902, r.o. 3.1.

2

FDJ

ADVOCATEN

Geconcludeerd moet worden dat het betoog van appellanten ongegrond is.

Verkeer en parkeren Beroepsgrond appellanten

Uit oogpunt van veiligheid en doorstroming voeren appellanten aan dat dat zij in het bestemmingsplan

niet terugzien dat het aantal oversteekpunten zal worden beperkt. Dit zien zij ook niet terug in het concept inrichtingsplan. Voort stellen appellanten dat de infrastructuur 'ernstig' tekort zal schieten aangezien er onder andere

een rondweg ontbreekt op het Kloos-terrein waardoor bijvoorbeeld vuilniswagens en pakketbezorgers

niet het Kloos-terrein op zouden kunnen. Daarnaast vrezen appellanten dat het aantal parkeergelegenheden voor dijkbewoners wordt beperkt. Toetsingskader Het is vaste jurisprudentie dat de raad bij de vaststelling van een bestemmingsplan alleen moet onderbouwen dat de verkeersgeneratie van dit bestemmingsplan niet leidt tot onaanvaardbare

verkeershinder. De raad hoeft bij vaststelling van een bestemmingsplan geen onderzoek te doen naar de hele verkeersituatie.3

Daarnaast mag een bestuursorgaan volgens vaste rechtspraak van de Afdeling, indien uit een advies

van een door dat bestuursorgaan benoemde deskundige op objectieve en onpartijdige wijze blijkt welke feiten en omstandigheden aan de conclusies ervan ten grondslag zijn gelegd en deze conclusies

niet onbegrijpelijk zijn, bij het nemen van een besluit van dat advies uitgaan, tenzij concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid of volledigheid ervan naar voren zijn gebracht.4 Zienswijze

Het verkeersbureau GraaffTraffic heeft bij de voorbereiding van het bestemmingsplan onderzoek gedaan naar de mogelijkheden voor ontsluiting, verkeersafwikkeling en verkeersveiligheid van het

verkeer van en naar het Kloos-terrein.5 Niet is gebleken dat de deskundige de nieuwe verkeerssituatie als gevolg van het aantal oversteekpunten als onveilig heeft beoordeeld. Voor zover appellant betogen dat de infrastructuur tekort zal schieten, is dit ook niet gebleken uit het onderzoek van de

verkeerskundige. Daarnaast wijzen GCCF en FSD erop dat het aantal oversteekpunten verminderd

wordt van 8 naar 4. Aanvullend merken GCCF en FSD op dat de voor 'Groen' aangewezen gronden in het plangebied mede

zijn bestemd voor '(perceels-)ontsluitingen' en 'verhardingen ten behoeve van onderhoud en beheer'. Hier kunnen ontsluitingen worden gerealiseerd ten behoeve van onder meer vuilniswagens en

pakketbezorgers. Deze onderwerpen zijn tevens toegelicht in de door GCCF en FSD geïnitieerde

groencommissie met bewoners op 22 februari 2023.

3 ABRvS 23 juni 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1342, r.o. 6.2. 4 ABRvS 10 augustus 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2199, r.o. 5.1. 5 Notitie Verkeerseffecten Kloos ontwikkeling.

3

t

FDJ

ADVOCATEN

Het bestemmingsplan voorziet verder in een uitgebreide parkeerregeling in artikel 24.2. Bewoners en bezoekers van de geprojecteerde woningen dienen op eigen terrein te parkeren.6 De bestaande

parkeerplaatsen langs de dijk blijven behouden.7 Bovendien krijgen de bewoners van de nieuwe

ontwikkeling geen parkeervergunning voor het parkeren op de weg.8 Van een beperking van het aantal parkeerplaatsen voor dijkbewoners is geen sprake.

Appellanten

hebben

bovendien geen

tegenadvies overlegd

waarin

de conclusies van

de

verkeerskundige worden betwist. Ook anderszins is niet gebleken dat de analyse van de

verkeerskundige zodanig gebrekkig is, dat de raad deze niet aan het bestemmingsplan ten grondslag

heeft kunnen leggen. Het betoog slaagt niet. Vrees voor trillingen Beroepsgrond appellanten

Appellanten voeren aan dat ze vrezen voor de gevolgen van trillingen.

Toetsingskader Wat appellanten hebben aangevoerd heeft geen betrekking op het plan zelf, maar op de uitvoering

daarvan. Het is vaste jurisprudentie dat uitvoeringsaspecten geen onderdeel uitmaken van het besluitvormingsproces over een ruimtelijke keuze en niet hoeven te worden betrokken bij de

vaststelling van het bestemmingsplan.9 Vermeende hinder en schade van bouwwerkzaamheden hebben geen betrekking op het plan zelf, maar op de uitvoering daarvan.10 Deze aspecten zijn bij de beoordeling van het besluit tot het vaststellen van het plan dan ook geen onderwerp van toetsing door de Afdeling. Zienswijze

Trilling als gevolg van werkzaamheden dient in deze procedure buiten beschouwing te worden gelaten.

GCCF

en

FSD

zien

in

wat

appellanten

hebben

aangevoerd

over

de gevolgen

van

de

bouwwerkzaamheden geen bijzondere omstandigheden die aanleiding geven om tot een andere conclusie te komen.

GCCF en FSD zijn professionele partijen met zeer ruime ervaring op het gebied van projectontwikkeling. Mocht zich bij de realisatie van het bouwproject onverhoopt een incident voordoen, waar vooralsnog

niet vanuit wordt gegaan, dan is dit een handhavingskwestie of een civiele aangelegenheid. Ten

overvloede merken GCCF en FSD op dat voorafgaand aan de werkzaamheden een nulmeting uitgevoerd zal worden.

6 Bestemmingsplan Kloos, Toelichting, p. 12. 7 Bestemmingsplan Kloos, Toelichting, p. 56. 8 Bestemmingsplan Kloos, Toelichting, p. 58. 9 ABRvS 16 december 2020, ECLI:NL:RVS:2020:3019, r.o. 6.2. 10 ABRvS 19 augustus 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1983, r.o. 7.3.; ABRvS 16 december 2020,

ECLI:NL:RVS:2020:3019, r.o. 6.2.

4

FDJ

ADVOCATEN

Het betoog slaagt niet.

Veiligheid langs de waterkant

Beroepsgrond appellanten Appellanten voeren aan dat het plan op het gebied van veiligheid tekort zal schieten aangezien de kade

niet van een afzetting is voorzien.

Toetsingskader Het is standaardjurisprudentie dat aspecten die geen betrekking op het plan zelf, maarop de uitvoering

daarvan niet in de procedures betreffende de vaststelling van een bestemminsplan aan de orde komen.11

Zienswijze In een bestemmingsplanprocedure speelt het plaatsen van afzettingen geen rol. Het is aan de ontwikkelaar om bij de realisatie van het bouwplan de veiligheid in de buurt van de rivier te borgen.

Het betoog slaagt niet. Zichtlijnen

Beroepsgrond appellanten Appellanten voeren aan dat de huidige zichtlijnen, die volgens appellanten onderdeel uitmaken van

het beschermd dorpsgezicht, teniet worden gedaan.

Toetsingskader Het is vaste jurisprudentie dat geen recht op een blijvend vrij uitzicht bestaat.12 Dit neemt niet weg dat de raad het belang van appellanten bij het behoud van hun uitzicht moet betrekken in zijn

belangenafweging. Zienswijze

Het belang van de bestaande zichtlijnen is door de raad nadrukkelijk bij de besluitvorming betrokken. In verband hiermee merken GCCF en FSD het volgende op.

De hoogte van de bestaande dijk ter hoogte van de woningen van appellanten is circa 4,7 meter +NAP. Het bestemmingsplan voorziet in een ophoging van de dijk. In de plantoelichting wordt hierover het

volgende vermeld:

"In aanvulling hierop is in de planuitwerking van Kloos rekening gehouden met eventuele overstromingen. Onderdeel van het plan is ook het ophogen van de dijk (West-Kinderdijk). Dit moet sowieso gebeuren en staat los van de ontwikkeling van het Kloosterrein. (...)

11 ABRvS 16 december 2020, ECLI:NL:RVS:2020:3019, r.o. 6.2. 12 ABRvS 28 juli 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1671, r.o. 6.3.

5

I

B

FDJ

ADVOCATEN

Het huidige kadeniveau blijft gehandhaafd. Dit is het niveau van het centrale park

en de parkeervoorzieningen. Op die manier blijft de relatie met het water optimaal. Het nieuwe dijkniveau heeft een hoogte van 5.10 boven NAP (na inklinking); de dijk

wordt in eerste instantie op 5,40 m + NAP opgehoogd. Voor alle deelplannen geldt

dat de begane grondvloer van de eerste gebruikslaag op deze hoogte (5,40 m + NAP) zal worden aangelegd. De bewoners wonen daarmee wel buitendijks, maar

vooral "boven de dijkhoogte". De onderliggende bouwlagen worden gebruikt voor

parkeren en/of bergingen (niet-verblijfsruimten)."13

De in het bestemmingsplan geprojecteerde appartementengebouwen worden haaks op de dijk gebouwd waardoor de zichtlijnen en het uitzicht in voldoende mate intact zullen blijven en zelfs worden versterkt:

'De aangrenzende bebouwing staat haaks op de dijk, waardoor doorzichten ontstaan en zowel

de bestaande als de nieuwe woningen van meer uitzicht op het water kunnen genieten.'14 Ten behoeve van de geprojecteerde woningen maakt het bestemmingsplan de realisatie mogelijk van een parkeeroplossing onder de gebouwen. Uit de planregels volgt dat de parkeergarage (met

uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen) slechts is toegestaan voor zover deze geheel onder peil wordt gerealiseerd.15 Het begrip peil in het bestemmingsplan is gedefinieerd als 5,4 meter +NAP.16 Zoals hierboven beschreven is de bestaande hoogte van de dijk reeds circa 4,7 meter +NAP. Dit

betekent dat van een verslechtering van de bestaande zichtlijnen c.q. het uitzicht van appellanten niet

of nauwelijks sprake is. Appellanten lijken dit te miskennen. Bovendien wijzen GCCF en FSD erop dat appellanten in de bestaande situatie ook geen vrij uitzicht hebben op de rivier, vanwege de bestaande bebouwing en begroeiing aan de kade. In dit kader verwijzen zij nadrukkelijk naar de toelichting hieromtrent en illustraties in het verweerschrift. Peï

• kV'*

V 1

■■I

r > Screenshot van Google Street View (augustus 2022) voor de woningen van Appellanten.

De kans is groot dat omwonenden na de realisatie van het bouwplan zelfs van meer en beter uitzicht

op de rivier kunnen genieten. Bovendien zal in de nieuwe situatie het onsamenhangende en 13 Bestemmingsplan Kloos, Toelichting, p.76 14 Bestemmingsplan "Kloos" Toelichting, p. 9. 15 Artikel 5.2.1 sub b van het bestemmingsplan. 16 Artikel 1.69 van het bestemmingsplan.

6

FDJ

ADVOCATEN

onbeheerde groen plaatsmaken voor beheerd groen. Daarnaast komt een einde aan het verlaten bedrijfsterrein.

Beschermd dorpsgezicht Voor zover appellanten zich beroepen op het beschermde dorpsgezicht merken GCCF en FSD het volgende op.

Het plangebied is volledig of althans grotendeels onderdeel van het (gemeentelijk) beschermd dorpsgezicht Alblasserdam.17 Daarnaast maakt een belangrijk deel van het plangebied ten Oosten van de West Kinderdijk onderdeel uit van het rijksbeschermd dorpsgezicht West Kinderdijk-Elshout.18

Uit het beroepschrift maken GCCF en FSD op dat appellanten zich beroepen op het behoud van de zichtlijnen vanuit hun woningen richting de rivier, dat wil zeggen richting het Westen. Die zichtlijnen

worden

beschermd

door het gemeentelijk

beschermd

dorpsgezicht,

maar

niet door het

rijksbeschermd dorpsgezicht. Het deel van het plangebied ten Westen van West Kinderwijk is immers

geen onderdeel is van het rijksbeschermd dorpsgezicht. Voor de beoordeling van de beroepsgrond met betrekking tot de zichtlijnen is dus het gemeentelijk beschermd dorpsgezicht Alblasserdam

relevant en niet het rijksbeschermd dorpsgezicht West Kinderdijk-Elshout.

Ten aanzien van het behoud en de versterking van het cultureel erfgoed voorziet het bestemmingsplan in een beschermende regeling in paragraaf 26.3. Bij de vaststelling van het bestemmingsplan is nadrukkelijk rekening gehouden met de beschermde status van het gebied:

'Het ontwikkelgebied Kloos ligt binnen het beschermd dorpsgezicht van Alblasserdam. Het

College van Burgemeester en wethouders vindt het belangrijk dat de karakteristieke historische identiteit van Alblasserdam voor komende generaties behouden blijft. Hiervoor is op 26

november 2013 een beschermd dorpsgezicht met daarin 331 beeldbepalende zaken aangewezen (afbeelding 3.3). De volgende elementen worden beschermd: •

historische structuren (dijklinten, kernen, wielen)

•

stedenbouwkundige clusters (een groep onroerende zaken)

•

zichtlijnen en open landschap.

Bij nieuwbouwplannen wordt gekeken naar de inpassing in een historisch gegroeid karakter met behoud van identiteit. Tegelijkertijd moeten nieuwe ontwikkelingen mogelijk blijven. Nieuwbouw

kan worden toegevoegd wanneer dit past in het landschap of bij het historisch karakter van de locatie.

Voorliggend plan speelt op verschillende manieren in op het aanwezige historische karakter van het gebied. De dijk wordt ingepast in het stedenbouwkundig plan en de noordelijke hallen

worden getransformeerd. Het karakter van het gebied en de relatie met het water worden

17 Gemeentelijk beschermd dorpsgezicht Alblasserdam, aanwijzingsbesluit van 26 november 2013. 18 Rijksbeschermd dorpsgezicht West Kinderdijk-Elshout, aanwijzingsbesluit van 27 april 1993, kenmerk:

162.831. In 1997 is het gebied door UNESCO op de werelderfgoedlijst geplaatst.

7

FDJ

ADVOCATEN

versterkt, waarbij rekening is gehouden met het zicht op werelderfgoed Kinderdijk door onder

meereen Heritage Impact Analyse (HIA), nader toegelicht onder 8.2.2.'

6J Het plan is in het voortraject uitvoerig besproken met de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed,

de provincie en de gemeentelijke erfgoedcommissie. Deze partijen zijn allen positief over de

herontwikkeling van het terrein, waarbij het industrieel verleden zichtbaar blijft. Er is een HIA (heritage impact assesment) uitgevoerd, die door de RCE en de provincie is getoetst.

Zoals in hoofdstuk 2.5 reeds is beschreven, zijn naar aanleiding van het vooroverleg wel

wijzigingen in het stedenbouwkundig plan doorgevoerd. Zowel de RCE alsook de provincie hebben schriftelijk een akkoord gegeven over [het] aangepaste plan en zijn zeer positief over en

vinden het plan qua bouwhoogte acceptabel. Vervolgens is een aangepaste HIA opgesteld met een definitief advies. De provincie heeft op 9 mei 2019 ingestemd met het aangepaste plan.

f.J Op verzoek van de gemeente Alblasserdam heeft de welstandscommissie op 16 februari 2021

advies uitgebracht over het aangepaste stedenbouwkundig plan. De commissie heeft met waardering kennis genomen van de ontwikkeling. Uit het plan spreekt een hoog ambitieniveau

en de commissie ziet een verdere uitwerking van het plan met belangstelling tegemoet. Het plan biedt voldoende basis voor een positief welstandsadvies bij verdere uitwerking.

8.2.3 Conclusie

Voor de ontwikkeling van het plan Kloos gelden geen belemmeringen ten aan zien van de cultuurhistorische aspecten. '19

Gelet op het voorgaande heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het bestemmingsplan niet zal leiden tot een onaanvaardbare aantasting van het beschermd dorpsgezicht. Daarnaast heeft de raad het uitzicht van appellanten op de juiste wijze betrokken in de

belangenafweging.

Het betoog slaagt niet. Geluid Beroepsgrond appellanten

Appellanten vrezen een toename van geluidhinder. Concreet vrezen zij dat het geluid van voertuigen die gebruik maken van de West Kinderdijk weerkaatst tussen hun woningen en het verhoogde fietspad naast de weg. Hierdoor vrezen zij dat een 'galmbak' ontstaat.

19 Bestemmingsplan Kloos, Toelichting, p. 39, 83-86.

8

FDJ

ADVOCATEN

Zienswijze

De geluidsdeskundige van Kuiper Compagnons heeft hierover in een e-mail van 17 februari 2023 het

volgende opgemerkt:

'Reactie op de opmerking dat door het verhoogde dijklichaam met fietspad een klankkast ontstaat kan als volgt worden beschreven. De taluds van het verhoogde dijklichaam naast de West-Kinderdijk bestaan uit een niet of nauwelijks reflecterend grondlichaam. Door de schuine ligging en het

materiaal is de reflectie verwaarloosbaar. Daarnaast schermt dit dijklichaam een reflectie tegen de nieuwbouw juist af waardoor de reflectiebijdrage van de

(verticale) gevels van de nieuwe woningen vermindert. In de bijlage is dit effect in beeld gebracht door de geluidsbelasting te berekenen met en zonder dit

dijklichaam. Geconcludeerd wordt dat het dijklichaam de geluidsbelasting op de begane grond van de bestaande woning met maximaal 0,05 dB vermindert. Op de

verdieping(en) van de beschouwde woningen West-Kinderdijk blijft het effect beperkt tot 0,01 dB.

Geconcludeerd kan worden dat het dijklichaam een (klein) positief effect op de

geluidsbelasting veroorzaakt en zeker geen toename van de geluidsbelasting.' - (Bijlage 1)

Bij het verhogen van de dijk neem de absorptie van het geluid toe. Dit betekent dat een verhoging van

de dijk tot minder geluidsbelasting leidt op de woningen van appelanten. Geconcludeerd kan worden dat het betoog van appellanten faalt. Bestemmingsplan prematuur

Beroepsgrond appellanten Appellanten voeren aan dat in het stedenbouwkundig plan "alle tekenen van de opbouw met diverse

hoogtevermeldingen, evenals de informatie over het gebruik van kleuren en materialen" ontbreekt.

Als gevolg daarvan is het opstellen en uitrollen van een bestemmingsplan op dit moment volgens Appellanten 'prematuur'.

Zienswijze Voor zover betoogd wordt dat het bestreden besluit in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel is

voorbereid, slaagt dit beroep niet. Voorop staat dat een stedenbouwkundig plan bij gebrek aan wettelijke status geen juridische betekenis toekomt. Daar komt bij dat in het stedenbouwkundig plan

op pagina 33 nadrukkelijk uitgangspunten worden vermeld met betrekking tot de maximale bouwhoogten op het Mercon Kloosterrein.20 Daarnaast heeft de raad de bevoegdheid om in het kader

van de bestemmingsplanprocedure al dan niet van het stedenbouwkundig plan af te wijken.21

20 Stedenbouwkundig plan Mercon Kloos-Whoonapart en KuiperCompagnons, d.d. 5 februari 2018. 21 ABRvS 16 maart 2022, ECLI:NL:RVS:2022:765, r.o. 6.2.

9

FDJ

ADVOCATEN

De uitgangspunten van het stedenbouwkundig plan zijn vertaald in de met het plan aan de gronden

van het plangebied toegekende functies en de bouw- en gebruiksmogelijkheden. GCCF en FSD zien

niet in dat de raad het bestemmingsplan niet in redelijkheid heeft mogen vaststellen. Economische uitvoerbaarheid

Beroepsgrond appellanten Appellanten voeren aan dat de aannemer (Tetteroo) failliet is, dat grondstofprijzen stijgen en dat de investeerder van het project (SVE Group) zich heeft teruggetrokken: 'Dit alles zet ook grote

vraagtekens bij de economische uitvoerbaarheid en zekerheid van alle plannen welke ten grondslag liggen aan voorliggend Bestemmingsplan.'

Toetsingskader Ten aanzien van de uitvoerbaarheid van een bestemmingsplan heeft de Afdeling in een uitspraak van

19 december 2018 het volgende overwogen. Tn het kader van een beroep tegen het bestemmingsplan kan een betoog dat ziet op de

uitvoerbaarheid van een plan slechts leiden tot vernietiging van een besluit indien en voor zover

de raad op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat het plan niet kan worden uitgevoerd binnen een afzienbare periode.'22 Zienswijze

SVE Group is niet meer betrokken bij dit project. Inmiddels is GCCF eigenaar van het terrein. De beoogde aannemer, Tetteroo, is failliet. GCCF en FSD zullen een nieuwe aannemer inschakelen. In de toelichting op het bestemmingsplan wordt de uitvoerbaarheid van het plan toegelicht:

'De realisatie van de plannen voor het Kloos-terrein wordt gezien als een activiteit die exploitatieplanplichtig is, omdat sprake is van de bouw van een of meer hoofdgebouwen.

Daarom wordt tussen de gemeente en de ontwikkelende partij een anterieure overeenkomst

gesloten, waarmee het kostenverhaal anderszins verzekerd is. Daarmee is het niet nodig om een exploitatieplan op te stellen. Verder blijkt uit een vertrouwelijke exploitatieopzet dat

sprake is van een financieel haalbare GREX. Deze overeenkomst zal gesloten moeten zijn voor de vaststelling van het bestemmingsplan. Gezien het voorgaande wordt het plan economisch uitvoerbaar geacht. ’23

Appellanten hebben geen feiten en omstandigheden gesteld op grond waarvan de raad op voorhand

in redelijkheid had moeten inzien dat het plan niet kan worden uitgevoerd binnen een afzienbare periode. Niet is gebleken dat het plan onuitvoerbaar is.

Het betoog slaagt niet.

22 ABRvS 19 december 2018, ECLI:NL:RVS:2018:4157. 23 Toelichting bestemmingsplan "Kloos", p. 111.

10

FDJ

ADVOCATEN

Fouten en onjuistheden

Beroepsgrond appellanten Appellanten voeren aan dat de toelichting bij het bestemmingsplan meerdere fouten en onjuistheden

bevat. Op pagina 54 en 56 wordt bijvoorbeeld 'Zwarte Paard' per abuis met 'Molenkade' aangeduid. Daarnaast staat op pagina 83 van de toelichting nog steeds de naam Mercon-Kloos in plaats van 'Kloos'.

Zienswijze

Indien en voor zover betoogd wordt dat het bestreden besluit in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel is voorbereid, slaagt dit beroep niet. Ook appellanten is kennelijk duidelijk dat het hier gaat om een

beperkt aantal kennelijke verschrijvingen. Ten overvloede merken GCCF en FSD op dat de oorspronkelijk ontsluiting ter hoogte van de Molenkade gepland was. Na participatie is dit verplaatst

naar het zuiden ter hoogte van het Zwarte Paard. Dit zal leiden tot minder verkeersbewegingen ter hoogte van de woningen van appellanten.

Het betoog slaagt niet. Flora en fauna en stikstof

Volledigheidshalve treft u bijgaand twee (nadere) onderzoeken aan met betrekking tot flora en fauna (bijlage 2) en stikstof (bijlage 3).

Conclusie

Het beroepschrift is ongegrond. GCCF en FSD zijn graag bereid hun zienswijze mondeling toe te lichten. Met vriendelijke groet,

Martijn Fleers

11

Bijlage 1

Bestemmingsplan Kloos; broepsprocedure

KuiperCompagnons

623.108.80

/egen egen . oeüspunte 'Seden lodemgeb «ebouwen chermen InontAliin.iinpn

! I

penode

J I

a

Lden Inclusief groepsreducties

0,00 - 40,00 dB ] 40,00 - 45,00 dB ] 45,00 50,00 dB 1 50,00 - 55,00 dB 55,00 - 60,00 dB 60,00 - 65,00 dB 65,00 - 99.0006

A 2.

I

432080

1

nV

\

,87/64,

3.-\' \

Om

20, m

schaal = 1

500

763,25

5.

\\

\

f

\

2

\

\

\ -'2C4C

1 1 \

\\

\

1

■■

\

'

■\

7 w\\

/

\

x \\

t

,-

\\ \\

A

1 \

103160 103200 103200 v/egverkeerslac^aa: - RMW-2012 [Wegverkeer juni 2021 gewijzigd omsluiting p-garage reconstructie modellen • Wegverkeer • verkavelingspian • .vegen 2040 met plan bestaande .voningenj Geomiiieu .'2020 ï

Berekeningsresultaten West-Kinderdijk 153 en 155 met dijklichaam met fietspad ten westen van de West-Kinderdijk

Bestemmingsplan Kloos; broepsprocedure

KuiperCompagnons

623.108.80

-I r

I

I I

yegen oetspunten logerngebieden >ebouwen 'Cnermen nnpn Innntpliinpn

T'

1

penode

<3

Z)

L

Lden Inclusief groepsreducties

1

•

0,00 - 40,00 dB 40,00 - 45,00 dB 45,00 - 50,00 dB 50,00 - 55,00 dB 55,00 - 60,00 dB 60,00 - 65,00 dB 65,00 - 99,00 dB

[

O

Mi

3 432080

ïï

\ l

V

V

\ w X\ \ \

\\

\\\

i

\

\ \

B

schaal = 1

500

O

i

,92/64

1/63,26

\

1 1

\

V,

x

\ \

-

20, m

0m

-

\\ \ \

\\

1

>-

V Ï-?

X \ ‘ \\

\ X \

\

\\

\

\\

X\ A \Zz

\ \ r

Weg/erkeersla.vaai

103160 RMW-2012 [Wegverkeer juni 2021 gewijzigd ontsluiting p-garage reconstructie modellen

\ Wegverkeer - verkavelmgsplan

103200 .vegen 2040 met plan bestaande woningen zonder dt|klichaam)

Berekeningsresultaten West-Kinderdijk 153 en 155 zonder dijklichaam met fietspad ten westen van de West-Kinderdijk

Bijlage 2

MILIEUCONSULT ► BODEM & ASBEST

4

FLORA- EN FAUNAONDERZOEK KLOOS- EN MERCONTERREIN KINDERDIJK

Opdrachtgever

KuiperCompagnons T a v. mevrouw F. van Avezaath Postbus 13042 3004 HA Rotterdam

Vestiging

ABO-Milieuconsult B V. Curieweg 19 2408 BZ Alphen aan den Rijn tel. +31 (0)172 449827

Projectnummer Periode onderzoek Datum rapportage

ANL22-7467 November 2022 25 november 2022

Veldmedewerker:

De heer R.F.M Sluijs (Ecoloog)

Projectadviseur:

De heer D.D.C.A. Bijl

Handtekening:

/ Dhr. R.J. van der Helm General Business Unit Manager Zonder toestemming van de opdrachtgever of ABO-Milieuconsult B V mag deze uitgave niet anders dan in zijn geheel worden vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt door middel van fotokopie, microfilm of welke andere wijze dan ook Alle opdrachten worden uitgevoerd volgens onze Algemene Voorwaarden, zoals gedeponeerd bij de KvK Zuidwest-Nederland te Middelburg onder nr 22065838 Op verzoek kunnen de Algemene Voorwaarden naar u worden toegestuurd

^\B(V MILIEUCQNSULT ►

BODEM 8. ASBEST

INHOUDSOPGAVE

INHOUDSOPGAVE

2

1. INLEIDING.................................................................................................................................. 1.1 Aanleiding............................................................................................................................ 1.2 Doel van het onderzoek...................................................................................................... 1.3 Leeswijzer

3 3 3 3

2. OPZET EN UITVOERING VAN HET ONDERZOEK............................................................. 2.1 Bureaustudie........................................................................................................................ 2.2 Veldonderzoek..................................................................................................................... 2.3 Effectenbeoordeling............................................................................................................

4 4 4 4

3. BESCHRIJVING VAN HET PLANGEBIED............................................................................. 3.1 Ligging plangebied.............................................................................................................. 3.2 Algemene beschrijving van het plangebied......................................................................

5 5 6

4. WETTELIJK KADER.................................................................................................................. 4.1 Wet natuurbescherming, onderdeel soorten................................................................... 4.2 Verordening uitvoering Wet natuurbescherming Zuid-Holland.....................................

.9 9 10

5. RESULTATEN EN EFFECTENBEOORDELING................................................................... 5.1 Vleermuizen......................................................................................................................... 5.2 Grondgebonden zoogdieren.............................................................................................. 5.3 Vaatplanten.......................................................................................................................... 5.4 Vogels................................................................................................................................... 5.5 Amfibieën en reptielen........................................................................................................ 5.6 Vissen................................................................................................................................... 5.7 Overige beschermde soorten............................................................................................

11 11 12 13 13 14 14

15

6 SAMENVATTING, CONCLUSIE EN OVERZICHTSTABEL................................................. 6.1 De zorgplicht zoals weergegeven in artikel 1.11............................................................. 6.2 De zorgplicht specifiek voor vogels in artikel 3.1............................................................. 6.3 Overzicht van onderzochte soortgroepen en onderzoeksresultaten in het plangebied

16

LITERATUUR EN BRONVERMELDING...............................................................

18

Flora- en faunaonderzoek, Kloos- Merconterrein te Kinderdijk, ANL22-7467

2/18

16

16 17

MILIEUCONSULT BODEM S ASBEST

1. INLEIDING 1.1 Aanleiding

In opdracht van KuiperCompagnons is een flora- en faunaonderzoek uitgevoerd op het voormalige terrein van Kloos en Mercon in Kinderdijk. Aanleiding voor het uitvoeren van dit flora- en faunaonderzoek zijn de voorgenomen plannen tot sloop van de aanwezige vervallen bebouwing en de realisatie van woningen binnen het plangebied. In 2018 zijn eerder door NWC een quickscan en nader onderzoek flora en fauna uitgevoerd.

1.2 Doel van het onderzoek Deze quickscan flora en fauna heeft ten doel de voorgenomen plannen te toetsen aan de huidige natuurwetgeving, de Wet natuurbescherming, zodat duidelijk wordt welke maatregelen moeten worden getroffen om overtreding van deze wet te voorkomen. Het plangebied is onderzocht en beoordeeld op de aanwezigheid van en betekenis voor door de Wet natuurbescherming beschermde plant- en diersoorten.

1.3 Leeswijzer In hoofdstuk 2 is de opzet van het onderzoek besproken en in hoofdstuk 3 wordt nader ingegaan op het plangebied In hoofdstuk 4 is de reikwijdte en de doelstelling uit de Wet natuurbescherming beschreven. In hoofdstuk 5 worden conclusies getrokken uit de resultaten van het bureauonderzoek en het veldbezoek, waarna in hoofdstuk 6 de conclusies zijn samengevat. Tot slot wordt in de bijlage een overzicht van de geraadpleegde literatuur gepresenteerd.

7^

(

■'

O' ^40

% .aJ-m

1

-

1 ? ■**

d

r'

I

&

Afbeelding 1: Plangebied

Flora- en faunaonderzoek, Kloos- Merconterrein te Kinderdijk, ANL22-7467

3/18

r\B<^

MILIEUCONSULT BODEM & ASBEST

2. OPZET EN UITVOERING VAN HET ONDERZOEK Het onderhavige flora- en faunaonderzoek bestaat uit twee onderdelen, te weten: een bronnen- en literatuuronderzoek en een biotooptoets (veldbezoek). De biotooptoets is door een ecoloog uitgevoerd op 21 november 2022 in de middag bij bewolkt weer en circa 8 graden Celsius.

2.1 Bureaustudie Het bronnen- en literatuuronderzoek omvat een bureaustudie, waarbij kaarten zijn geraadpleegd (kenmerken van het landschap waarin het plangebied zich bevindt) en de reeds bekende verspreidingsgegevens van voorkomende beschermde soorten in de regio zijn geraadpleegd. In het bronnen- en literatuuronderzoek zijn het plangebied en het omliggende gebied in een straal van ongeveer 1,5 kilometer onderzocht. Er zijn diverse bronnen geraadpleegd om een beeld te krijgen van de verspreiding en mogelijk voorkomen van beschermde soorten in en rond het plangebied Aan de hand van deze informatie is een inschatting gemaakt of de betreffende soorten in het plangebied voor zouden kunnen komen, gezien de habitatvoorkeur van de betreffende soorten. Een overzicht van de gebruikte literatuur is opgenomen in de literatuurlijst, die is opgenomen in de bijlage van deze briefrapportage

2.2 Veldonderzoek

Naast een bureaustudie is een biotooptoets uitgevoerd. Dit betreft een veldbezoek met als doel een inschatting te maken van de ecologische kwaliteiten van het plangebied. De bevindingen van het bronnen­ en literatuuronderzoek worden in het veld getoetst en indien nodig aangevuld Op het moment dat een biotooptoets wordt uitgevoerd, zijn niet alle soorten zichtbaar aanwezig. Diersoorten zijn bijvoorbeeld alleen nachtactief of in een bepaalde periode van het jaar afwezig. Daarom zijn de eisen die soorten/soortgroepen aan hun leefomgeving stellen met betrekking tot vaste rust- en verblijfplaatsen, voedselgebieden en migratierouten vergeleken en getoetst met de situatie in het veld. Op deze manier is ook het belang van het plangebied beoordeeld voor flora en fauna die niet zijn waargenomen gedurende de biotooptoets, maar desondanks toch mogelijk kunnen voorkomen ter plaatse van het plangebied De resultaten van de biotooptoets betreffen uitsluitend waarnemingen binnen het plangebied

2.3 Effectenbeoordeling Op basis van de veldkenmerken van het plangebied en de verspreiding van beschermde soorten, is beoordeeld voor welke beschermde soorten het plangebied van betekenis kan zijn.

Bij deze toetsing is alleen gekeken naar de beschermde soorten uit de Wet natuurbescherming Deze soorten hebben een Nederlandse of Europese bescherming en moeten worden getoetst op voorkomen en effect. Wanneer effecten optreden of verbodsbepalingen worden overtreden, dan zijn er mogelijk maatregelen nodig om de effecten te voorkomen, verzachten ofte compenseren om te voldoen aan de Wet natuurbescherming. Algemene soorten zijn niet meegenomen in deze toetsing. Deze soorten zijn zodanig algemeen in Nederland dat de gunstige staat van instandhouding niet in het geding komt door de meeste projecten. Bovendien geldt voor deze soorten een vrijstelling van de verbodsbepalingen zoals weergegeven in artikelen 3.1, 3.5 en 3.10 van de Wet natuurbescherming. Wel geldt de zorgplicht ex artikel 1.11.

Flora- en faunaonderzoek, Kloos- Merconterrein te Kinderdijk, ANL22-7467

4/18

MILIEUCQNSULT

* BODEM & ASBEST

3. BESCHRIJVING VAN HET PLANGEBIED

3.1 Ligging plangebied Het plangebied ligt ingeklemd tussen rivier de Noord en de straat West-Kinderdijk. Het grenst ten noorden aan de bebouwing van een bedrijventerrein. Op onderstaande kaart is te zien dat het plangebied geen deel uitmaakt van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Het gebied maakt eveneens geen onderdeel uit van een ander beschermd gebied, zoals Natura 2000, belangrijk weidevogelgebied of strategische reservering natuur.

Binnen een straal van 10 kilometer liggen de volgende Natura 2000-gebieden: Boezems Kinderdijk 50 meter Donkere laagte 7,4 kilometer en Oude Maas 7,6 kilometer.

Afbeelding 2 Ligging plangebied (rode cirkel midden) in een straal van circa 1 kilometer ten opzichte van omgeving Bron: Provincie Zuid-Holland Binnen deze straal liggen NNN (groen), NNN grote wateren (donkerblauw) en Natura 2000-gebied Boezems Kinderdijk (gearceerd).

Flora- en faunaonderzoek, Kloos- Merconterrein te Kinderdijk, ANL22-7467

5/18

MILIEUCONSULT BODEMS ASBEST

3.2 Algemene beschrijving van het plangebied In het plangebied staan twee gebouwen. Sinds de vorige quickscan uit 2018 zijn beide gebouwen toegankelijk voor onbevoegde personen en hebben weer en wind vrij spel in gebouw 2 Langs de WestKinderdijk staan enkele berken en wilgen in een rij. Verder is er opslag van met name berken in het plangebied langs de loodsen Watergang is niet aanwezig in het plangebied Sinds 2018 zijn de gebouwen in het zuidelijk deel gesloopt en is een gedeelte van gebouw 2 door brand verwoest.

Het zuidelijke gedeelte ligt nu volledig braak, zoals ook op afbeelding drie is te zien. Er liggen daar verschillende bergen grond en het gebied wordt regelmatig gebruikt door groot verkeer.

2X3 '

V.

- nu/- r

-

•

ar

\A ’l

jl

1 jI ...... .. •

;1 V' 1 f-ll (”

s -‘•iv

-

\ 7 V

r:-

SkWKKMWMMMMMC!___________

f

F"y.

fl LC

kj

Afbeelding 3: afkadehng plangebied en de locatie van beide gebouwen.

Flora- en faunaonderzoek, Kloos- Merconterrein te Kinderdijk, ANL22-7467

6/18

MILIEUCONSULT BODEMS ASBEST

Ê"' M

;

,-ï.

RÉ&J * 4.‘

-

iJ

’

''

--*r ■ '^

’ ïX-.- . ' ' <

_X;‘.

'' jT<:< r;~ *aS ■KH

MH ■>

7 ' " ■A

Afbeelding 4: zuidelijk gedeelte van het plangebied, waarin grond wordt opgeslagen

>ƒ

L/a

x-

LT.

i

•v

i

v--

“Vkywr?

■■■■

I

^1 J] .

Lp

■

t

r-1 j

Flora- en faunaonderzoek, Kloos- Merconterrein te Kinderdijk, ANL22-7467

7/18

MILIEUCONSULT BODEM & ASBEST

rr

fer

. s

a.

>?

W

■’F

j I•

1

ƒ

h|

-7- - I

™

-

J r-*.-

-êüfc

I

j

!!

4i

I

$?£&$£*£ .11 k

.■■ü

V-.

tr

2

»*

Afbeelding 5 Foto-impressie plangebied

1

I

Flora- en faunaonderzoek, Kloos- Merconterrein te Kinderdijk. ANL22-7467

*

1

'

8/18

MILIEUCONSULT BODEM S ASBEST

4. WETTELIJK KADER 4.1 Wet natuurbescherming, onderdeel soorten

Voor soortenbescherming geldt voor deze wet dat deze gericht is op het bereiken of herstellen van een gunstige staat van instandhouding van deze soorten. De wet maakt hiervoor een programmatische aanpak mogelijk Binnen deze wet wordt de soortbescherming opgedeeld in drie categorieën: 1. De bescherming van alle natuurlijk in het wild levende vogels van soorten die voorkomen in de EU als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn en de niet in die bijlage genoemde geregeld voorkomende trekvogelsoorten (art. 3.1 —3 4) 2 De bescherming van in het wild levende dieren en planten van soorten die voorkomen in de EU op grond van de Habitatrichtlijn (bijlagen I, II, IV, V) en natuurbeschermingsverdragen (art. 3.5 - 3.9). 3. De bescherming van niet onder de bovenstaande twee categorieën vallende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten voorkomend in Nederland, vermeld in de bijlage van de Wet natuurbescherming (art 3.10-3.11).

Voor de zoogdier-, amfibie- en reptielsoorten opgenomen in deze bijlage geldt geen Europese verplichting tot bescherming. Deze soorten worden beschermd vanwege de breed in de maatschappij levende overtuiging dat deze dieren bescherming behoeven. De andere in de bijlage opgenomen soorten worden om ecologische redenen beschermd. Hiermee geeft Nederland uitvoering aan de algemene verplichting van het Biodiversiteitsverdrag om kwetsbare en bedreigde dier- en plantsoorten te beschermen.

Verbodsbepalingen: Artikel 3.5 1 Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden ofte vangen. 2 Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren. 3. Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen. 4 Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid te beschadigen of te vernielen. 5. Het is verboden planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of bijlage I bij het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.

Uitbreiding verbodsbepalingen en mogelijkheid tot ontheffing of vrijstelling: Artikel 3.10 1. Onverminderd artikel 3.5, eerste, vierde en vijfde lid, is het verboden: a. in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A, bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen; b de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a opzettelijk te beschadigen ofte vernielen, of c. vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B, bij deze wet, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen ofte vernielen 2. Artikel 3.8, met uitzondering van het derde en vierde lid, is van overeenkomstige toepassing op de verboden, bedoeld in het eerste lid, met dien verstande dat, in aanvulling op de redenen, genoemd in het vijfde lid, onderdeel b, de noodzaak voor de ontheffing of vrijstelling ook verband kan houden met handelingen: a. in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied; b. t/m h. (niet van toepassing, zie wettekst). 3.

De verboden, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a, en b, zijn niet van toepassing op de bosmuis, de huisspitsmuis en de veldmuis voor zover deze dieren zich in of op gebouwen of daarbij behorende erven of roerende zaken bevinden

Flora- en faunaonderzoek, Kloos- Merconterrein te Kinderdijk, ANL22-7467

9/18

MILIEUCONSULT

* BODEM & ASBEST

4.2 Verordening uitvoering Wet natuurbescherming Zuid-Holland Artikel 8.1 vrijstelling ten behoeve van bestendig beheer of onderhoud en de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden.

1 De verboden, bedoeld in artikel 3.10, eerste lid, van de wet, gelden niet bij de uitvoering van handelingen in het kader van: -a de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied; -(b,c,d niet van toepassing, zie wettekst) 2. De vrijstellingen, bedoeld in het eerste lid, gelden ten aanzien van de in bijlage 6 genoemde andere beschermde soorten: Aardmuis, Bastaardkikker, Bosmuis, Bruine kikker, Bunzing, Dwergmuis, Dwergspitsmuis, Egel, Gewone bosspitsmuis, Gewone pad, Haas, Hermelijn, Huisspitsmuis, Kleine watersalamander, Konijn, Meerkikker, Ree, Rosse woelmuis, Veldmuis, Vos, Wezel en Woelrat Bovenstaande soorten zijn derhalve niet beschermd bij de voorgenomen werkzaamheden, wel geldt de zorgplicht.

Flora- en faunaonderzoek, Kloos- Merconterrein te Kinderdijk. ANL22-7467

10/18

4

MILIEUCONSULT BODEM 8 ASBEST

5. RESULTATEN EN EFFECTENBEOORDELING

5.1 Vleermuizen

Resultaten bureauonderzoek Er zijn twee opstallen aanwezig in het plangebied. Grote bomen ontbreken binnen het plangebied en de verstorende invloedsfeer van de werkzaamheden. Gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, laatvlieger en watervleermuis zijn gebouwbewonende soorten die volgens verspreidingsgegevens kunnen voorkomen Uit eerder nader onderzoek is gebleken dat er geen verblijf van vleermuizen was in het plangebied Er was zelfs zeer beperkte activiteit van vleermuizen De toenmalige gebouwen op die op het zuidelijkste deel van het terrein stonden, waren de enige gebouwen die volgens dit onderzoek geschikt waren voor vleermuizen. Deze gebouwen zijn reeds gesloopt. De huidige gebouwen 1 en 2 zijn tijdens de toenmalige quickscan ongeschikt bevonden. Resultaten veldbezoek De staat gebouwen in het plangebied is verslechterd ten opzichte van 2018. Wind en weer hebben vrij spel, waardoor tocht aanwezig is in de gebouwen. Tussen het plaatstaal van de wanden van de gebouwen is zachte isolatie aanwezig De stukken bakstenen muur zijn niet voorzien van een spouw. Tijdens het veldbezoek is geconstateerd dat het plangebied geen deel uitmaakt van een doorlopend lijnvormig element Als foerageergebied heeft het plangebied geen essentiële functie, omdat groen van betekenis voor insecten en vleermuizen ontbreekt.

n

I' I

I

1

M

ri

£ •.

■

>2

’v

• A'

K-

IF L<'2 1 Afbeelding 6 Steensmuur zonder spouw.

SE-

jïrssr:

■4S

[•' -

Ik

Conclusie vleermuizen Op grond van eerder nader onderzoek waren in 2018 verblijfplaatsen van vleermuizen uitgesloten Door de verslechterde conditie van en klimatologische omstandigheden in de gebouwen en de aanwezigheid van zachte isolatie is het aannemelijk dat op dit moment eveneens geen vleermuizen in de gebouwen verblijven. Een lijnelement is niet aanwezig. Als foerageergebied heeft het plangebied geen essentiële functie. Op basis van het bovenstaande is het uitgesloten dat de voorgenomen werkzaamheden negatieve effecten hebben op vaste vliegroutes en essentieel foerageergebied van vleermuizen Nader onderzoek is niet noodzakelijk

Flora- en faunaonderzoek, Kloos- Merconterrein te Kinderdijk, ANL22-7467

11/18

F' ^ABCT MILIEUCONSULT BODEM & ASBEST

5.2 Grondgebonden zoogdieren

Resultaten bureauonderzoek Op basis van verspreidingsgegevens komen steenmarter, noordse woelmuis, waterspitsmuis en bever voor. Recent zijn bij recreatiegebied 'het Lammetjeswiel', dat zich nabij het plangebied bevindt vraatsporen gevonden. In het Lammetjeswiel en in Park Huis te Kinderdijk zijn burchten ontdekt van bevers. Dit betekent dat bever zich vanuit de Biesbosch en de Crezéepolder verspreidt naar andere gebieden, op zoek naar nieuwe verblijfplaatsen. Bevers komen voor in het overgangsgebied tussen land en water zoals moerassen, beken, rivieren en meren. De bever heeft een voorkeur voor rivieren en meren omzoomd door (broek)bossen met bomen als wilg en populier. Voor steenmarter moet voldoende foerageergebied, schuilmogelijkheden en geschikte verblijfplaatsen aanwezig zijn. Tijdens eerder nader onderzoek zijn geen steenmarters waargenomen. Noordse woelmuis en waterspitsmuis zijn afhankelijk van natte graslanden met kruidige oevers en worden niet in het plangebied verwacht.

Resultaten veldbezoek Tijdens het veldbezoek zijn geen zoogdieren of sporen van beschermde zoogdieren waargenomen. Een burcht van bever is niet aangetroffen. Van steenmarter zijn geen sporen/latrines aangetroffen. Voor Noordse woelmuis en waterspitsmuis ontbreekt het aan watergangen in het plangebied Het plangebied wordt af en toe door onbevoegden betreden waardoor de rust wordt verstoord. Ti

Jll‘Il'/J I

F / —

'

■■

I idl

■

•

SC

V

Hm

Afbeelding 7 : Tekens van verstoring in het plangebied.

__ ___

________

Conclusie grondgebonden zoogdieren Uit eerder nader onderzoek bleek dat in het plangebied geen beschermde soorten voorkomen. Op grond van het biotoop en de verslechterde conditie van de gebouwen wordt deze conclusie thans onderstreept. Nader onderzoek is niet noodzakelijk. Voor eventueel aanwezige algemene zoogdieren geldt de zorgplicht (zie §6.1).

Flora- en faunaonderzoek, Kloos- Merconterrein te Kinderdijk, ANL22-7467

12/18

MILIEUCONSULT BODEM & ASBEST

5.3 Vaatplanten Resultaten bureauonderzoek Op basis van verspreidingsgegevens komen Karthuizer anjer en kluwenklokje (niet wild) voor.

Karthuizer anjer staat op zonnige, warme en droge, matig voedselarme en uitgesproken stikstofarme, basenrijke en vaak kalkhoudende grond (al of niet lemig zand en mergel) en ook op stenige plaatsen) Ze groeit in schrale- en kalkgraslanden, in bossages langs bermen en dijken en op leisteenhellingen en zandsteenrotsen.

Kluwenklokje komt oorspronkelijk in Nederland in het wild voor langs de rivieren en is verder bekend uitZuidLimburg zonder dat het daar vaste voet heeft gekregen. De natuurlijke groeiplaats is op zonnige en matig vochtige bodem van kalk- of humushoudend zand, klei of leem Resultaten veldbezoek Beschermde vaatplanten zijn tijdens het veldbezoek niet aangetroffen. De meeste beschermde planten zijn afhankelijk van een zeer specialistisch biotoop Het plangebied is gedeeltelijk braakliggend en in gebruik als gronddepot. Verder is het verhard Geconstateerd is dat het biotoop in het plangebied niet geschikt is voor beschermde soorten planten. Conclusie vaatplanten Geconcludeerd kan worden dat de aanwezige vaatplanten geen beschermde status hebben en ontwikkelingen niet in de weg staan.

5.4 Vogels Resultaten bureauonderzoek In de verspreidingsgegevens worden over de afgelopen drie jaar meerdere vogelsoorten genoemd. Gebouwbewonende soorten kunnen worden uitgesloten op grond van eerder onderzoek. Dit onderzoek maakte melding van een torenvalkkast. Het gebouw waaraan deze kast hing is reeds gesloopt. Resultaten veldbezoek In de bomen in het plangebied zijn geen jaarrond beschermde nesten aangetroffen. De gebouwen zijn ongeschikt als nestplaats voor huismus, gierzwaluw en andere soorten waarvan het nest jaarrond beschermd is Vanwege de aanwezige bomen en grote hoeveelheid bosrank tegen de gevel aan de oostzijde is het vrijwel zeker dat soorten waarvan het nest niet jaarrond beschermd is broeden in het plangebied. Conclusie vogels Jaarrond beschermde nesten zijn niet aanwezig in het plangebied. Vanwege de aanwezigheid van verschillende soorten broedvogels in het plangebied moet met het broedseizoen rekening gehouden worden. De Wet natuurbescherming biedt bescherming aan alle van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. De nestbescherming geldt voor alle in gebruik zijnde nesten gedurende het broedseizoen.

Voor het broedseizoen geldt geen vaste periode, globaal wordt uitgegaan van half maart tot half juli Indien met de werkzaamheden gestart wordt in het broedseizoen moet door een deskundig ecoloog voorafgaand aan de werkzaamheden gecheckt worden of geen verstoring van broedvogels plaatsvindt. Wel kan gestart worden met de werkzaamheden voor het broedseizoen en doorgewerkt worden in het broedseizoen.

Flora- en faunaonderzoek, Kloos- Merconterrein te Kinderdijk, ANL22-7467

13/18

MILIEUCQNSULT BODEM & ASBEST

5.5 Amfibieën en reptielen

Resultaten bureauonderzoek De beschermde amfibieën rugstreeppad, heikikker en kamsalamander en reptielen ringslang en muurhagedis komen volgens verspreidingsgegevens voor Het habitat van rugstreeppad is onder te verdelen in water- of voortplantingshabitat, vaak een poel, vijver of smalle watergang zonder grote vissen, en landhabitat zoals bosjes, struwelen en vergraafbaar zand. De heikikker heeft een zeer duidelijke voorkeur voor de landschapstypen heide, hoogveen, laagveen en halfnatuurlijk grasland. Ook wordt de soort gemeld uit bos en struweel, een belangrijke habitat voor de populaties uit de Vijfheerenlanden en het Kromme Rijngebied. De heikikker is duidelijk een cultuurvliedende soort die nauwelijks wordt aangetroffen in te intensief gebruikt agrarisch landschap, rond infrastructuur en bebouwing

Kamsalamander en ringslang zijn watergebonden en komen derhalve niet voor in het plangebied. Muurhagedis is een warmteminnende soort die voorkomt op warme, stenige plekken, zoals rotswanden. Met de bouw van stadsmuren kreeg de soort ook de gelegenheid om zich op muren te vestigen en nog recenter kwamen daar spoortrajecten bij.

Resultaten veldbezoek In het plangebied zijn vanwege de tijd van hetjaar geen amfibieën of reptielen waargenomen Deze worden gezien het biotoop ook niet verwacht. Er zijn geen geschikte muren voor muurhagedis en voortplantingswater voor heikikker en rugstreeppad ontbreekt. Conclusie amfibieën en reptielen De aanwezigheid van beschermde soorten amfibieën en reptielen kan op basis van biotoop worden uitgesloten Voor eventueel aanwezige algemene soorten geldt de zorgplicht, zie §6.1.

5.6 Vissen Resultaten bureauonderzoek De voorgenomen plannen voorzien ingrepen in het water bij rivier de Noord De volgende vissen zijn in Nederland beschermd: beekdonderpad, beekprik, elrits, gestippelde alver, grote modderkruiper en kwabaal De kreeftachtige Europese rivierkreeft wordt hier ook meegenomen, omdat deze soort, net als vissen, gebruik maakt van watergangen. Volgens verspreidingsgegevens komt grote modderkruiper voor. De grote modderkruiper prefereert ondiepe wateren met een dikke modderlaag en een uitbundige waterplantengroei. Resultaten veldbezoek Het plangebied grenst aan rivier de Noord. Deze rivier is diep en daarmee ongeschikt voor grote modderkruiper. Conclusie vissen Beschermde soorten komen niet voor. Voor algemene soorten geldt: Werkzaamheden in de watergangen dienen zoveel als mogelijk uitgevoerd te worden in de maanden september en oktober (na de voortplantingsperiode en vóór de winterrust van vissen en amfibieën). Werkzaamheden in watergangen kunnen alleen plaatsvinden als zowel de watertemperatuur als de luchttemperatuur boven het vriespunt en beneden de 25°C liggen en wanneer er geen sprake is van ijsvorming Bagger dat vrijkomt tijdens werkzaamheden dient gecontroleerd te worden op aanwezigheid van dieren (amfibieën en vissen).

Indien dieren worden aangetroffen, dienen de soorten teruggeplaatst te worden in een geschikt leefgebied in de nabije omgeving, waar geen werkzaamheden zullen plaatsvinden.

Flora- en faunaonderzoek, Kloos- Merconterrein te Kinderdijk, ANL22-7467

14/18

MILIEUCQNSULT BODEM S ASBEST

5.7 Overige beschermde soorten Resultaten bureauonderzoek Rivierrombout, rouwmantel, platte schijfhoren en zegge-korfslak zijn beschermde soorten die voorkomen volgens verspreidingsgegevens.

Platte schijfhoren komt voor in zoete, heldere en schone wateren met een rijke begroeiing Vaak in draadalgvegetaties. Ook in andere vegetaties, zoals in wateren met krabbescheer. Daarnaast soms op de wortels van o.a. lisdodde en vergelijkbare oevergebonden planten. De soort leeft niet in verontreinigd of brak water. De Zeggekorfslak is afhankelijk van zegge. Rouwmantel heeft als waardplanten diverse soorten wilg, waaronder vooral boswilg, grauwe wilg en geoorde wilg, in mindere mate ook berk, ratelpopulier en prunus Als habitat gevarieerde, open bossen met wilgen op vochtige, zonnige plaatsen. De rouwmantel vliegt vooral langs bosranden met beschutte, warme inhammen en langs brede bospaden. Bossen met veel dood hout bieden meer geschikte overwinteringplaatsen Rivierrombout heeft als habitat rivieren en grote beken, vooral op plaatsen waar zand of slib is afgezet Het larvenhabitat bestaat uit zandige substraten in ondiepe, onbegroeide, stromingsluwe riviertrajecten. In de genormaliseerde rivieren worden dergelijke larvenhabitat voornamelijk tussen kribben aangetroffen. Waar zich achter de stromingsluwe delen van de kribben zand ophoopt ontstaan strandjes waar de meeste larvenhuidjes worden gevonden.

Resultaten veldbezoek Voor platte schijfhoren ontbreekt een rijke onderwaterbegroeiing en draadalg Zegge is niet aanwezig in het plangebied Voor rouwmantel zijn wel wilgen aanwezig, maar het plangebied ligt in geheel open gebied. Zandige plaatsen voor rivierrombout zijn wel aanwezig in het plangebied Deze liggen op de oever van de Noord en worden door het getij overspoeld. Het gronddepot in het zuiden van het plangebied is ongeschikt voor rivierrombout om eitjes te leggen. Conclusie overige beschermde soorten Voor platte schijfhoren, zeggekorfslak en rouwmantel is het plangebied ongeschikt. Rivierrombout zou het plangebied tijdelijk kunnen gebruiken om te foerageren. Omdat plekken om eieren af te leggen ontbreken, is het plangebied geen essentieel leefgebied voor rivierrombout.

Met beschermde ongewervelde diersoorten hoeft daarom op grond van biotoop geen rekening gehouden te worden. Maatregelen met betrekking tot deze soortgroepen hoeven niet te worden genomen

Flora- en faunaonderzoek, Kloos- Merconterrein te Kinderdijk, ANL22-7467

15/18

MILIEUCONSULT BODEM «ASBEST

6. SAMENVATTING, CONCLUSIE EN OVERZICHTSTABEL Uit bureaustudie en biotooptoets is naar voren gekomen dat het onwaarschijnlijk is dat met de plannen vaste rust- en verblijfplaatsen worden aangetast van de in de Wet natuurbescherming beschermde soorten. Nader onderzoek is niet noodzakelijk Een ontheffing van de Wet natuurbescherming evenmin. De zorgplicht van de Wet natuurbescherming is altijd van toepassing Hieronder wordt geadviseerd hoe aan deze zorgplicht invulling kan worden gegeven.

6.1 De zorgplicht zoals weergegeven in artikel 1.11 1

2.

Een ieder neemt voldoende zorg in acht voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. De zorg, bedoeld in het eerste lid, houdt in elk geval in dat een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor een Natura 2000-gebied, een bijzonder nationaal natuurgebied of voor in het wild levende dieren en planten: a. dergelijke handelingen achterwege laat, dan wel, b. indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, de noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen, of c. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan maakt.

Zodra een in het wild levend dier wordt aangetroffen tijdens de werkzaamheden kan deze worden gevangen en direct worden overgeplaatst naar een geschikte habitat in de nabijheid van het plangebied. Vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken, steenhopen en dergelijke) moet gefaseerd worden verwijderd, waardoor aan amfibieën en grondgebonden zoogdieren gelegenheid wordt gegeven te vluchten.

6.2 De zorgplicht specifiek voor vogels in artikel 3.1 1

2.

3. 4. 5.

Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen. Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen. Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort

Invulling zorgplicht specifiek voor vogels in artikel 3.1 Geadviseerd wordt de werkzaamheden buiten het broedseizoen plaats te laten vinden Voor het broedseizoen geldt geen standaard periode. Globaal duurt het van 15 maart tot half juli. Indien de werkzaamheden starten binnen het broedseizoen, mogen deze pas uitgevoerd worden indien vooraf door een deskundig ecoloog is vastgesteld dat geen verstoring van broedvogels zal plaatsvinden. Wel kan worden gestart met de werkzaamheden voorafgaand aan het broedseizoen en worden doorgewerkt in het broedseizoen. Vanwege de aanwezige verstoring zullen dan geen vogels in de omgeving van het plangebied gaan broeden.

Flora- en faunaonderzoek, Kloos- Merconterrein te Kinderdijk, ANL22-7467

16/18

^\B(V MILIEUCONSULT BODEM S ASBEST

6.3 Overzicht van onderzochte soortgroepen en onderzoeksresultaten in het plangebied Soort(groep)

Vleermuizen

Grondgebonden zoogdieren_________ Vogels_____________ Amfibieën en reptielen Vaatplanten________ Vissen_____________ Overige soorten

Ingreep verstorend Nee

Nader onderzoek Nee

Nee

Nee

Nee

Nee

Bijzonderheden/ opmerkingen___________________________ Geen verblijfplaatsen aanwezig, het plangebied heeft geen essentiële functie voor vleermuizen Geen beschermde soorten aanwezig

Nee Nee Nee Nee Nee

Nee Nee Nee Nee Nee

Nee Nee Nee Nee Nee

Geen beschermde soorten aanwezig Geen beschermde soorten aanwezig Geen beschermde soorten aanwezig Geen beschermde soorten aanwezig Geen beschermde soorten aanwezig

Ontheffing

Wij adviseren om de onderzoeksresultaten voor te leggen aan het bevoegd gezag om na te gaan of zij kunnen instemmen met de onderzoeksresultaten en bovengenoemde conclusies. Checklist groen bouwen Verstedelijking draagt bij aan het verlies van biodiversiteit, maar de bouw biedt ook kansen. Voor sommige dieren zijn onze steden en dorpen zelfs het belangrijkste leefgebied Daar kan iedereen een steentje aan bijdragen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.alblasserdam.nl/api/v1/meetings/414/documents/9986