1a. Toelichting bestemmingsplan DOK 12.pdf
Tekst van het document
De berekening van het projecteffect van de maatgevende gebruiksfase is verricht met behulp van het programma AERIUS Calculator (versie 2021.1). Het projecteffect op de Natura 2000-gebieden ten gevolge van de gebruiksfase is kleiner dan of gelijk aan 0,00 mol/ha/jaar. Bij een dergelijk projecteffect zal het beoogde plan niet voor een significante toename in stikstofdepositie zorgen en kunnen negatieve effecten worden uitgesloten. Op basis van het onderzoek blijkt dat er geen vergunning Wet natuurbescherming (gebiedsbescherming) benodigd is voor het aspect stikstof. Houtopstanden De potentieel te kappen bomen op de onderzoekslocatie zijn niet beschermd conform artikel 4 van de Wet natuurbescherming. De bomen zijn gelegen binnen de door de gemeente vastgestelde grenzen van de bebouwde kom. Een gemeentelijke kapvergunning is nodig voor alle houtopstanden binnen de bij besluit van de gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom en alle bomen op erven en in tuinen. Als gemeente Alblasserdam is hieraan toegevoegd dat een kapvergunning nodig is voor alle solitaire bomen, groepen bomen en houtachtige opgaande gewassen als de diameter van de stam 20 cm bedraagt of meer, gemeten op 1.30 meter van de grond. De betreffende bomen vallen wel in deze categorie. Het is daarom nodig een gemeentelijke kapvergunning aan te vragen.
Nader onderzoek vleermuizen Bureau Stadsnatuur heef een vleermuisonderzoek uitgevoerd. Het rapport is als Bijlage 10 bijgesloten. Gedurende het onderzoek zijn tijdens alle inventarisatierondes vleermuizen in en rond het plangebied waargenomen. Het betroffen voornamelijk kleine aantallen Gewone dwergvleermuizen. Verder zijn enkele Ruige dwergvleermuizen en Laatvliegers vastgesteld. Naast de dieren zijn ook gebiedsfuncties, die essentieel zijn voor het leefgebied van vleermuizen, strikt beschermd. In de huidige bebouwing zijn geen verblijfplaatsen vastgesteld. Rondom het plangebied zijn wel enkele paarverblijfplaatsen van Gewone dwergvleermuis en Ruige dwergvleermuis aanwezig. Op basis van overvliegende Laatvliegers in het voorjaar bevond zich waarschijnlijk een zomerverblijf of kraamkolonie ten noorden/noordoosten van het plangebied. Er liggen geen vaste vliegroutes door of langs het plangebied. De vliegbewegingen van vleermuizen op verschillende momenten in he t aar volgden geen vaste routes. Het plangebied werd door een enkele vleermuis gebruikt om te foerageren. De meerderheid van de waargenomen vleermuizen gebruikte de groenstrook en watergang langs het plangebied om op insecten te jagen. Door de ruimtelijke ontwikkeling zal groen in het plangebied verdwijnen, waardoor de foerageermogelijkheden verkleind worden.
Er zijn echter uitwijkmogelijkheden naar groengebieden in de omgeving. In absolute zin maakt slechts een beperkt aantal vleermuizen gebruik van de watergang in het plangebied. Er is dus geen sprake van een beschermde essentiële functie. Voor de ruimtelijke ontwikkeling is geen ontheffing op de Wet natuurbescherming. Conclusie Met betrekking tot de bescherming van houtopstanden zijn ten aanzien van de voorgenomen plannen op de
(ontwerp) Dok 12 NL.IMRO.0482.bpdok12106-on01
27 - 38
onderzoekslocatie geen negatieve effecten te verwachten. Wel is een kapvergunning benodigd. Op basis van het onderzoek wordt het mogelijk geacht dat vleermuizen het gebouw in gebruik kunnen hebben als verblijfplaats. Uit het nader onderzoek naar vleermuizen blijkt dat een enkele vleermuis gebruikt om te foerageren maar het plangebied is geen essentiële functie voor de vleermuizen. Er is geen ontheffing nodig. Voor algemene broedvogelsoorten geldt dat wanneer het aanwezige groen buiten de broedperiode wordt verwijderd geen overtredingen van de Wet natuurbescherming worden verwacht. Voor het onderdeel gebiedsbescherming dient nader onderzoek naar de effecten van de planontwikkeling op het nabijgelegen Natura 2000-gebied te worden uitgevoerd.
4.7 Archeologie Econsultancy heeft een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd. Dit rapport is als Bijlage 11 toegevoegd aan de toelichting. Binnen het plangebied zal een centrum worden gebouwd waarbij op de begane grond ruimte is voor maatschappelijke partners die werkzaam zijn in de zorg- en welzijnssector. Op de bovenste twee verdiepingen is ruimte voor circa twaalf appartementen. Om deze ontwikkeling mogelijk te maken, moet eerst een wijziging van het bestemmingsplan worden doorgevoerd. Hierbij moet ook inzichtelijk worden gemaakt welke archeologische waarden binnen het plangebied kunnen worden verwacht. De noodzaak tot archeologisch onderzoek vloeit voort uit het Verdrag van Malta (1992) en de Wet ruimtelijke ordening (Wro, 2006). Het archeologisch onderzoek is noodzakelijk om te bepalen of er archeologische waarden aanwezig zijn binnen het plangebied en of deze door de voorgenomen bodemingrepen kunnen worden aangetast. Doel van het bureauonderzoek is een antwoord te vinden op de vraag wat de gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied is. Dit wordt uitgevoerd door middel van het verwerven van informatie, aan de hand van bestaande bronnen, over bekende en verwachte archeologische waarden.
Met de resultaten van het archeologisch onderzoek kan worden vastgesteld of binnen het plangebied archeologische waarden aanwezig (kunnen) zijn en of vervolgonderzoek dan wel planaanpassing noodzakelijk is. Gespecificeerde archeologische verwachting bureauonderzoek Op basis van het bureauonderzoek geldt een lage verwachting voor de meeste archeologische perioden. Alleen voor het Mesolithicum en Vroeg-Neolithicum geldt een middelhoge verwachting. Deze resten worden verwacht in oeverafzettingen van de Vuilendam stroomgordel, op een diepte van minstens 2 m -mv. Deze resten zullen buiten bereik van de geplande graafwerkzaamheden blijven. Conclusie De eventueel aanwezige archeologische resten worden verwacht in oeverafzettingen van de Vuilendam stroomgordel, op een diepte van minstens 2 m -mv. Deze resten zullen buiten bereik van de geplande graafwerkzaamheden blijven. Advies Aangezien de mogelijk verwachte resten niet zullen worden verstoord door graafwerkzaamheden, wordt geen nader onderzoek in het plangebied geadviseerd. Wel wordt aanbevolen in het palenplan rekening te houden met de handreiking archeologievriendelijk bouwen.2 Dit houdt in een verstoringsoppervlak van maximaal 2% van het bouwvlak en een afstand tussen de palen van minimaal 4 m. Bovenstaand advies is van Econsultancy.
De resultaten van onderhavig onderzoek dienen te worden beoordeeld door de bevoegde overheid (gemeente Alblasserdam). De bevoegde overheid neemt vervolgens een besluit.
(ontwerp) Dok 12 NL.IMRO.0482.bpdok12106-on01
28 - 38
4.8 Bodem Het inventariseren van (potentieel) ernstige gevallen van bodemverontreiniging binnen het plangebied is voldoende voor de bestemmingsplanwijziging. Dit is niet uitgevoerd. Uit een quickscan door OZHZ (raadplegen bodeminformatiesysteem, historische kaarten en bodemkwaliteitskaart) volgt dat er binnen het gebied gedempte sloten aanwezig zijn die mogelijk een bodemverontreiniging hebben veroorzaakt. Mogelijk heeft dit geleid tot de aanwezigheid van een geval van ernstige bodemverontreiniging. Dit hoeft geen belemmering voor de bestemmingsplanwijziging te zijn, aangezien de locatie naar verwachting door sanering wel geschikt is te maken voor het toekomstige gebruik. Het onderzoekbodem wordt uitgevoerd in het kader van de aanvraag omgevingsvergunning activiteit bouwen.
4.9 Water Waterschap Het plangebied valt binnen het beheergebied van Waterschap Rivierenland. Waterbeheerprogramma Het Waterbeheerprogramma 2022-2027 'Versterken, verbinden, vergroenen' beschrijft wat Waterschap Rivierenland in de planperiode 2022-2027 wil bereiken, met wie, hoe men dat wil gaan doen en waarom. In het waterbeheerprogramma zijn voor het waterbeheer de kaders gegeven en de opgaven gedefinieerd. De visie van Waterschap Rivierenland is vertaald in 8 hoofdthema's: beschermen tegen overstromingen; water eerlijk verdelen; voorbereiden op extreem weer; streven naar schoon water van een goede biologische kwaliteit; bijdragen aan een fijne leefomgeving voor mens en natuur; kwaliteitsverbetering zwemwater; toewerken naar klimaat- en energieneutraliteit; toewerken naar circulariteit.. Keur De Keur van het waterschap Rivierenland 2014 is op 1 januari 2015 vastgesteld. De regels in de Keur hebben betrekking op het lozen, afvoeren, onttrekken of aanvoeren van grondwater en water uit sloten en andere watergangen. Ook kent de Keur verbodsbepalingen over zaken die niet mogen in of bij dijken en wateren. Iedereen die werkzaamheden uitvoert of activiteiten plant in en bij dijken en wateren, heeft met de Keur te maken. Legger wateren Het waterschap legt informatie over wateren in het beheergebied vast in de legger.
In de legger wateren wordt weergegeven welke wateren een A-, B-, C- status hebben. Deze status is van belang voor; Het verlenen van een watervergunning; Het bepalen van de onderhoudsplicht. In de Keur is opgenomen dat de status van het water (A, B, C) bepaalt wie verantwoordelijk is voor het onderhoud. In de Keur is vastgelegd dat de verantwoordelijke verplicht is tot het uitvoeren van gewoon of buitengewoon onderhoud. En de onderhoudsplichtigen zijn verplicht tot instandhouding van het waterstaatwerk overeenkomstig de functie van dit werk. De te beheren wateren zijn verdeeld in; A-wateren: van primair belang voor het waterbeheer en worden daarom door het waterschap onderhouden. B-wateren: van secundair belang voor het waterbeheer en dienen door de aangrenzende eigenaren te worden onderhouden. C-wateren: wateren die van tertiair belang zijn voor het waterbeheer waarvoor geen jaarlijkse onderhoudsplicht geldt. A-watergangen hebben een beschermingszone van in principe 5 meter aan beide zijden, gemeten uit de insteek. Voor
(ontwerp) Dok 12 NL.IMRO.0482.bpdok12106-on01
29 - 38
B-watergangen geldt een beschermingszone van 1 meter aan beide zijden, gemeten uit de insteek. Dat zijn de enige beschermingszones. Voor C-watergangen gelden geen beschermingszone. Beoordeling Watergangen In het plangebied liggen geen watergangen of waterkeringen. Blijkens de legger watergangen van het waterschap blijkt dat aan de noordoostkant van het plangebied een watergang met status B ligt . Er vinden geen werken of werkzaamheden in of nabij deze watergang en/of de bijbehorende beschermingszone plaats.
Afbeelding uitsnede legger watergangen Toename verharding en compensatie Voor het planvoornemen is berekend hoeveel de verharding in de bestaande- en in de nieuwe situatie bedraagt (zie hiervoor ook Bijlage 12). In de bestaande situatie beslaat de verharding een oppervlakte van 830m2 en het onverhard oppervlak (ingericht als groen) bedraagt 1071m2. In de nieuwe situatie neemt de verharding toe met 907m2. De totale verharding in de nieuwe situatie heeft een oppervlakte van 1737m2 en het onverhard oppervlak bedraagt 164m2.
Afbeelding berekening watercompensatie (m²)
(ontwerp) Dok 12 NL.IMRO.0482.bpdok12106-on01
30 - 38
Het waterschap Rivierenland hanteert vuistregels voor compenserende waterberging. Deze vuistregels zijn: Het oppervlak open water van te dempen watergangen wordt 1:1 gecompenseerd; Bij een bui T=10+10% mag het waterpeil in de sloot in principe met 0,20 m stijgen. Dit is een regenbui die eenmaal per 10 jaar optreedt met 10% opslag vanwege klimaatsverandering. Bij een regenbui die eenmaal per 100 jaar kan voorkomen (T=100+10%), mag het waterpeil stijgen tot de laagste putdekselhoogte op wijkniveau; Bij toename van verhard oppervlak geldt 436 m3 extra waterberging per hectare toename van verhard oppervlak indien dat verhard oppervlak loost op open water (gebaseerd op een maatgevende bui van T=10+10%). Voor de verhardingen die lozen op bijvoorbeeld een waterdoorlatende verharding (kunstmatige bergingsvoorziening), hanteert het waterschap een compensatie van 664 m3 /ha (gebaseerd op een maatgevende bui van T=100+10%). Ervan uitgaande dat waterberging wordt voorzien in de vorm van open water, wordt de norm van 436 m3/ha aangehouden. Alle toename verhard oppervlak moet in water gecompenseerd worden. Voor particulieren bestaat de mogelijkheid om eenmalig een vrijstelling te krijgen als de toename verhard oppervlak onder de 500 m2 blijft. Bij aanvraag van de watervergunning beoordeelt onze afdeling van vergunningen of van de eenmalige vrijstelling gebruik gemaakt kan worden.
De gemeente kan geen gebruik maken van de eenmalige vrijstelling. De berekende toename aan verharding bedraagt 907m2. De verharding moet volledig worden gecompenseerd. De watercompensatie zal plaatsvinden door de waterbergingsbank (WBB) voor polders de Blokweer en Vinkenpolder. Door de ongebreidelde toename van het verharde oppervlak stroomt het hemelwater via de riolering naar de singels wat ongewenste peilstijgingen tot gevolg heeft. Om na te gaan hoe de waterhuishouding was in Alblasserdam, is er een waterplan opgesteld. Hieruit kwam naar voren dat er voor polder Blokweer geen watertekort was, maar voor de Vinkenpolder een tekort was van 3 ha. Dit komt door de vele bedrijfsterreinen die voor meer dan 90% bebouwd of verhard zijn. Het tekort in de Vinkenpolder is door Waterschap en gemeente aangepakt door de aanleg van open water langs o.a. de A-15. Ook zijn het Waterschap en de gemeente overeengekomen om een waterbergingsbank op te stellen. Het voordeel is, dat bij plannen waarbij de aanleg van extra water niet mogelijk is een beroep gedaan kan worden op deze waterbergingsbank zodat de plannen toch kunnen doorgaan. Deze WBB is in 2014 door het Waterschap en de gemeente vastgesteld. Door de aanleg van natuurvriendelijke oevers en waterpartijen (o.a. park Lammetjeswiel) is er in polder Blokweer een overschot ontstaan.
Dit overschot kan ingezet worden voor plannen waar de aanleg van openwater niet mogelijk is b.v. Dok 12. In de WBB voor polder Blokweer is voldoende ruimte om de toename van het verharde oppervlak door realisatie Dok 12 te compenseren. Er is op dit moment voldoende ruimte in de waterbergingsbank om de watercompensatie hierin volledig op te lossen. Dok 12 wordt hierin opgenomen. Riolering en hemelwater In de toekomstige situatie wordt het hemelwater gescheiden verwerkt van het huishoudelijk afvalwater. Voor het huishoudelijk afvalwater is een aansluiting nodig op de bestaande riolering. In een apart rioleringsplan moet onderzocht en uitgewerkt worden of de capaciteit van de bestaande riolering voldoende is om aansluiting mogelijk te maken en hoe de aansluiting gerealiseerd wordt. Hierbij is het van belang dat een gescheiden stelstel wordt aangelegd. Conclusie Op basis van de waterparagraaf wordt geconcludeerd dat belemmeringen bestaan voor de realisatie van het planvoornemen in het plangebied. Door te voorzien in de benodigde watercompensatie in het kader van de omgevingsvergunning activiteit bouwen worden deze belemmeringen weggenomen.
(ontwerp) Dok 12 NL.IMRO.0482.bpdok12106-on01
31 - 38
4.10 M.e.r. beoordeling Plannen en activiteiten kunnen nadelige gevolgen hebben voor het milieu. In hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer en in het Besluit milieueffectrapportage is geregeld dat in zulke gevallen een milieueffectrapport moet worden opgesteld. De artikelen 7.16 tot en met 7.20a van de Wet milieubeheer zijn voor alle in het Besluit m.e.r. genoemde activiteiten van de D-lijst van toepassing. Het maakt daarvoor niet uit of het een activiteit onder of boven de D-drempel betreft. Voorafgaand aan de vergunningaanvraag of de ruimtelijke procedure dient een aparte beslissing te worden genomen dat geen MER nodig is. Voor de initiatiefnemer geldt dat hij moet melden dat er sprake is van een vormvrije m.e.r.-beoordeling en er geldt dat hij hiervoor informatie moet aanleveren. Het bevoegd gezag moet vervolgens een formeel besluit nemen dat de initiatiefnemer bij zijn vergunningaanvraag moet voegen. De procedure is uitsluitend van toepassing op projecten die voorkomen in het Besluit m.e.r.. Indien kan worden aangetoond dat het project geen onderdeel uitmaakt van onderdeel C of D van het Besluit m.e.r., dan is de nieuwe procedure niet van toepassing. Beoordeling In de bijlage van het Besluit m.e.r.
is aangegeven welke activiteiten in het kader van de ruimtelijke onderbouwing plan-m.e.r.-plichtig (onderdelen C en D), project-m.e.r.-plichtig (onderdeel C) of m.e.r.-beoordelingsplichtig (onderdeel D) zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. In de bijlage van het Besluit m.e.r. is in categorie D (11.2), de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject opgenomen. De drempelwaarde voor een formele m.e.r.-beoordeling in het Besluit m.e.r. ligt op: een oppervlakte van 100 hectare of meer; een aaneengesloten gebied met 2000 of meer woningen; een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer. Het bouwplan ligt ruimschoots onder de drempelwaarden van 2000 woningen en een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of mee uit het Besluit m.e.r. en is daarmee niet rechtstreeks plan-m.e.r.-, project-m.e.r. of m.e.r.-beoordelingsplichtig. Het planvoornemen betreft de invulling van een vrijgekomen locatie met de nieuwbouw van 12 appartementen en een ondersteuningscentrum voor maatschappelijke dienstverlening. Omdat het planvoornemen wel een activiteit betreft zoals genoemd in lijst D is een vormvrije m.e.r. beoordeling nodig. Voor het planvoornemen is een aanmeldnotitie opgesteld voor de vormvrije m.e.r.. Deze is als Bijlage 13 opgenomen.
Conclusie Op basis van de voorgaande vormvrije m.e.r.-beoordeling wordt geconcludeerd, gelet op de aard en relatieve omvang van het project, de plaats hiervan en de kenmerken van de potentiële effecten, dat er geen negatieve milieugevolgen aan de orde zijn. Daardoor hoeft er geen m.e.r.-procedure te worden doorlopen.
4.11 Duurzaamheid Kader Regionaal beleid Energiestrategie 'Drechtsteden, Energieneutraal 2050' Op 28 november 2017 heeft de raad de volgende vijf richting gevende ontwikkellijnen vastgesteld om samen met partners te komen tot 'Drechtsteden Energieneutraal 2050': Gefaseerd los van aardgas; bij nieuwbouw en waar mogelijk bij verouderde bestaande aardgasnetten Afgaan van benzine, diesel en andere fossiele energie, zodra dat redelijkerwijs kan Sterk inzetten op energiebesparing Duurzaam opwekken van elektriciteit; met opbouw in tijdsstaffels Realisering van de hoogst maatschappelijke opbrengst
(ontwerp) Dok 12 NL.IMRO.0482.bpdok12106-on01
32 - 38
Nieuwbouwwoningen worden niet meer aangesloten op aardgas (in lijn met de wetgeving). De gemeente stimuleert het gebruik van GPR-Gebouw (Gemeentelijke Praktijk Richtlijn) om duurzaam bouwen meetbaar en bespreekbaar te maken. Hierbij is afgesproken dat de Energiestrategie 'Drechtsteden, Energieneutraal 2050', als leidraad wordt gehanteerd voor het in gang zetten van deze beweging en voor het uitwerken van lokale maatregelen. Lokale duurzaamheidsagenda Duurzaamheidsagenda 2016-2020 Samen Slim Investeren In de gemeentelijke Duurzaamheidsagenda is het uitgangspunt dat we een toekomstbestendig dorp willen, dat ook voor de komende generaties gezond, leefbaar en aantrekkelijk is.
Deze ambitie is vertaald in 5 sporen: duurzame energie (energie besparen, duurzame opwekking, samen komen tot een energieneutrale regio) schone lucht en leefomgeving (terugdringen van fijnstof en stikstof tot de advieswaarden van de Wereldgezondheidsorganisatie in 2030) circulair en afvalvrij (verlagen van restafval, streven naar een afvalvrij dorp waar alles opnieuw bruikbaar is) duurzaam ruimtegebruik (ruimtegebruik voor de lange termijn, toekomstbestendig inrichting, klimaatadaptatie) gemeente en inwoners samen (aantrekkelijke ontmoetingsplaatsen creëren in de buitenruimte, betrouwbaar dorpsnetwerk) Duurzaamheid in relatie tot het plan Klimaatadaptatie De toename van verharding (toename met 907m2 in de nieuwe situatie) kan leiden tot wateroverlast op eigen terrein en in de buurt . Het is nog niet wettelijk verplicht om hier iets tegen te doen, maar er kan wel zo veel mogelijk rekening mee worden gehouden. Er kan waterdoorlatende bestrating worden toegepast op de eigen parkeerplaats en een groen dak aanbrengen. In een ongunstig geval wordt na hevige regen dat perceel (of de buren) tijdelijk/deels onbereikbaar voor hulpdiensten. Dit wordt bij de verdere uitwerking van het ontwerp verder doordacht. In het kader van luchtkwaliteit / leefbaarheid : Plan kan worden uitgevoerd zonder dat verdere 'maatregelen' nodig zijn volgens de wet.
Echter het plan kan ook stimulerend gebruikt worden: kan elektrisch rijden / fietsen nog worden gestimuleerd door op eigen terrein goede voorzieningen aan te brengen (denk aan fietsenstalling, laadpalen).
(ontwerp) Dok 12 NL.IMRO.0482.bpdok12106-on01
33 - 38
(ontwerp) Dok 12 NL.IMRO.0482.bpdok12106-on01
34 - 38
Hoofdstuk 5
Uitvoerbaarheid
5.1 Maatschappelijke uitvoerbaarheid Voortraject In oktober 2017 heeft de gemeente het voortouw genomen bij het ontwikkelen van de plannen voor Dok 12. Samen met de betrokken partijen (met name toekomstige gebruikers) is eerst een globale voorstelling gemaakt (een zogeheten massastudie) en vervolgens een schetsontwerp getekend. In januari 2018 is het schetsontwerp aan de omwonenden gepresenteerd waarop veel positieve reacties kwamen. Kritische kanttekeningen waren er over de hoogte van de bebouwing en over het parkeren. Op basis van het schetsontwerp is het voorlopig ontwerp uitgewerkt. Dit voorlopig ontwerp is in oktober 2018 aan de gemeenteraad gepresenteerd tijdens een Bijeenkomst van Informatie en Opinie (BIO). In november 2018 is het voorlopig ontwerp aan de omwonenden gepresenteerd. Daarna is het in december 2018 met de laatste stand van zaken in een raadsinformatiebrief aan de gemeenteraad voorgelegd. Op basis van het laatste ontwerp uit 2018 is het bestemmingsplan opgesteld. Vooroverleg In deze paragraaf zijn de uitkomsten van het bestuurlijke vooroverleg (conform artikel 3.1.1 Bro), met de besturen van de betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van de provincie en rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in geding zijn, behandeld.
Het genoemde overleg heeft plaatsgevonden aan de hand van het voorontwerp bestemmingsplan. Er zijn twee vooroverleg reacties binnen gekomen van de Veiligheidsregio Zuid-Holland Zuid (VRZHZ) en het Waterschap Rivierenland. De ingekomen vooroverlegreacties van de vooroverlegpartners zijn verwerkt in Nota vooroverleg die bijgevoegd is als Bijlage 14. Zienswijze Het ontwerp bestemmingsplan wordt voor de duur van 6 weken ter visie gelegd.
5.2 Economische uitvoerbaarheid Bij het opstellen van een bestemmingsplan dient de financiële haalbaarheid van het plan aangetoond te worden. Voorliggend bestemmingsplan maakt de realisatie van het gebouw met daarin een ondersteuningscentrum voor maatschappelijke dienstverlening (verdeeld over 2 bouwlagen) en 12 appartementen mogelijk. Na toepassing van de binnenplanse afwijking kunnen 24 appartementen worden gerealiseerd mits wordt voldaan aan de opgestelde voorwaarden. Na vaststelling van het bestemmingsplan worden de gronden verhuurd aan derden welk het gebouw gaat realiseren. De kosten voor realisatie komen voor rekening van de huurder, dit wordt verzekerd door middel van een anterieure overeenkomst.
(ontwerp) Dok 12 NL.IMRO.0482.bpdok12106-on01
35 - 38
(ontwerp) Dok 12 NL.IMRO.0482.bpdok12106-on01
36 - 38
Hoofdstuk 6
Juridische planbeschrijving
6.1 Inleiding Ten aanzien van de planmethodiek is zoveel mogelijk aangesloten bij de planmethodiek van het 'Herstelplan Alblasserdam'. Het bestemmingsplan is opgesteld conform de Regeling standaarden ruimtelijke ordening 2012 (Rsro 2012). Dit houdt onder andere in dat het bestemmingsplan wordt opgesteld volgens de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP2012).
6.2 Opbouw regels De regels bestaan uit vier hoofdstukken: 1. Hoofdstuk 1 Inleidende regels 2. Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels 3. Hoofdstuk 3 Algemene regels 4. Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels In Hoofdstuk 1 Inleidende regels is een aantal begrippen verklaard dat wordt gebruikt in de regels. Dit voorkomt dat er bij de uitvoering van het plan onduidelijkheden ontstaan over de uitleg van bepaalde regelingen. Daarnaast is het artikel "Wijze van meten” opgenomen waarin bepaald is hoe de voorgeschreven maatvoering in het plan gemeten moet worden. In Hoofdstuk 2 zijn de in het plan voorkomende bestemmingen geregeld. In ieder artikel is per bestemming bepaald welk gebruik van de gronden is toegestaan en welke bouwregels er gelden. Hierna wordt per artikel kort aangegeven wat de gebruiks- en bouwmogelijkheden zijn. In de volgende paragraaf wordt een toelichting gegeven op de in het plan voorkomende bestemmingen. In Hoofdstuk 3 In deze paragraaf worden, in aanvulling op de bestemmingsbepalingen, aanvullende regels gesteld.
Het zijn de volgende algemene regels: Artikel 7 Anti-dubbeltelregel In deze regel is vastgelegd dat grond die in aanmerking moest worden genomen bij het verlenen van een omgevingsvergunning, waarvan de uitvoering heeft plaatsgevonden of alsnog kan plaatsvinden, bij de beoordeling van een andere aanvraag om omgevingsvergunning niet opnieuw in beschouwing mag worden genomen. Artikel 8 Algemene bouwregels In dit artikel is een aantal aanvullende bouwregels opgenomen dat voor alle bestemmingen kan gelden. Het gaat bijvoorbeeld om extra bouwmogelijkheden voor ondergeschikte bouwdelen zoals balkons, galerijen en kelders. Ook is geregeld dat in de bestemmingen, zoals genoemd onder hoofdstuk 2 van de regels, moet zijn voorzien in voldoende parkeergelegenheid. Getoetst dient de worden aan de parkeernormen zoals deze zijn opgenomen in de CROW. Artikel 9 Algemene gebruiksregels In de algemene gebruiksregels is een algemeen verbod op strijdig gebruik opgenomen dat ziet op prostitutie en seksinrichtingen en de opslag van diverse materiaalsoorten. Artikel 10 Algemene afwijkingsregels Dit artikel is een aanvulling op de afwijkingsregels uit de bestemmingen. In het artikel is een aantal algemene afwijkingen opgenomen, dat middels een omgevingsvergunning kan worden verleend.
Het betreft een standaardregeling die het mogelijk maakt om bij de uitvoering van bouwplannen beperkte afwijkingen van het plan bij een omgevingsvergunning mogelijk te maken. Het gaat bijvoorbeeld om een geringe overschrijding van de toegestane bouwhoogte of het mogelijk
(ontwerp) Dok 12 NL.IMRO.0482.bpdok12106-on01
37 - 38
maken van de bouw van schakelkastjes (nutsgebouwtjes) in het openbare gebied. Artikel 11 Algemene wijzigingsregels In dit artikel is een aantal algemene wijzigingsregels opgenomen. Het betreft een standaardregeling die het mogelijk maakt om bij de uitvoering van bouwplannen beperkte afwijkingen van het plan mogelijk te maken die niet met een omgevingsvergunning voor afwijken geregeld kunnen worden. Het betreft bijvoorbeeld een geringe wijziging van de bestemmingsgrens. In Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels is een regeling opgenomen voor bebouwing en gebruik dat al bestond bij het opstellen van het plan, maar dat strijdig is met de opgenomen regeling. Onder bepaalde voorwaarden mag deze strijdige bebouwing en/of strijdig gebruik worden voortgezet of gewijzigd. In de slotregel is de officiële naam van het plan bepaald. Onder deze naam kan het bestemmingsplan worden aangehaald.
6.3 Bestemmingen Artikel 3 Gemengd - 3 De voor 'Gemengd - 3' aangewezen gronden zijn bestemd voor maatschappelijke voorzieningen en wonen in de vorm van appartementen. Maatschappelijke voorzieningen zijn uitsluitend toegestaan op de eerste twee bouwlagen en vanaf de tweede bouwlaag zijn maximaal 12 appartementen toegestaan. Om enige flexibiliteit te behouden is een binnenplanse afwijking opgenomen voor de bouw van 24 appartementen, mits wordt aangetoond dat er geen behoefte is aan maatschappelijke voorzieningen of is aangetoond dat de maatschappelijke voorzieningen elders in de gemeente worden vervuld. Verder is een aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - luchtbrug' opgenomen. Deze is opgenomen voor de bouw van een luchtbrug, zodat er een verbinding gemaakt kan worden met het naastgelegen Dok 11. De luchtbrug is toegestaan ter plaatse van de aanduiding. Hiervan kan worden afgeweken middels een binnenplanse afwijking voor de bouw van de luchtbrug buiten de aanduiding, mits wordt voldaan aan de gestelde voorwaarden. Artikel 4 Groen Voor het plangebied zijn de perceelsgrenzen aangehouden en de voor 'Groen' aangewezen gronden zijn als zodanig bestemd zodat er wordt aangesloten op het groenstrook van het bestemmingsplan 'Herstelplan Alblasserdam'. De bestemming is één-op-één overgenomen uit het voorheen vigerende bestemmingsplan.
Op deze gronden zijn uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde toegestaan. Artikel 5 Verkeer - Verblijfsgebied De voor Artikel 5 Verkeer - Verblijfsgebied aangewezen gronden zijn bestemd voor de ontsluiting van het gebied. Verder is het bestemd voor het realiseren van het parkeren bijbehorend aan het planvoornemen. Ook zijn ondergeschikte voorzieningen ten behoeve van de bestemming mogelijk gemaakt, zoals straatmeubilair en groen. De bestemming is ook opgenomen voor de bestaande verblijfsgebieden in het conserverende deel van het bestemmingsplangebied, overeenkomstig het daar voorheen geldende plan Artikel 6 Waarde - Archeologie 5 De gemeente Alblasserdam heeft voor haar grondgebied ten aanzien van archeologie beleid vastgesteld. Op basis van de bij dit beleid behorende kaart is voor het gehele grond gebied van de gemeente Alblasserdam in beeld gebracht of sprake is van archeologische verwachtingswaarden en welk beschermingsniveau bij deze waarde hoort. Conform de archeologische beleidskaart is Archeologie 5 opgenomen. De dubbelbestemmingen beogen de archeologische waarden te beschermen. Op de gronden met een dubbelbestemming mag alleen onder voorwaarden worden gebouwd.
Dit geldt als uit archeologisch onderzoek is gebleken dat geen sprake is van archeologische (verwachtings)waarden, het vergunningsvrije bouwwerken betreft of voldaan wordt aan het beschermingsniveau dat bij een bepaalde (verwachtings)waarde hoort. Van de desbetreffende bouwregels kan onder voorwaarden worden afgeweken. Voor bepaalde werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden is een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden nodig
(ontwerp) Dok 12 NL.IMRO.0482.bpdok12106-on01
38 - 38