CConstaterende datAalten
Koppel je AI →
Document · PDF

Toelichting bij de ontwerp omgevingsvergunning.pdf

Gemeenteraad 20 juni 2023, gemeente AaltenBij agendapunt: Voorstel tot afgifte van een (definitieve) verklaring van geen bedenkingen ten behoeve van het verlenen van een omgevingsvergunning van H.J. Aalbers en Zoon Transport B.V16.090 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

4.3 Verkeer Ook op de huidige locatie vinden thans vervoersbewegingen plaats. Indien de nieuwe locatie in gebruik wordt genomen vind er naast uitbreiding voor een deel een verschuiving plaats van de verkeersbewegingen. Dit betekent voor het perceel Broekstraat 31 dagelijks een vermindering van verkeersbewegingen van 40 vrachtwagens (maandag t/m zaterdag) en 20 personenauto's. Qua ontsluiting is in overleg met de gemeente er voor gekozen om de Zomerweg als algehele toegangsweg in te richten voor al het verkeer, zodanig dat filevorming op de Sondernweg wordt voorkomen. De nieuwe uitrit aan de Sondernweg zal in principe alleen worden gebruikt voor alle particulieren en kleine vrachtwagens, zijnde lichte en middelzware motorvoertuigen. De vrachtwagens en tractoren verlaten het terrein via de bedrijfsweg (Zomerweg) en vervolgens via de Eerste Broekdijk. Na overleg tussen Aalbers en TripleA Networks is verzocht om het zwaar verkeer te laten aansluiten op de Eerste Broekdijk en niet op de Spinnerij. In overleg met de gemeente is hierover overeenstemming bereikt. Daarnaast is op basis van buurtconsultatie door de gemeente naar voren gekomen dat er voor de Zomerweg (vanaf nieuwe uitrit Aalbers) tot aan de Derde Broekdijk een verbodsbepaling komt voor vrachtverkeer.

Zwaar verkeer kan in de toekomst via de Eerste Broekdijk het terrein benaderen en verlaten, waar een aparte weegbrug wordt aangelegd. Hierdoor wordt de verkeersdruk als gevolg van zwaar verkeer op de Sondernweg ontlast en is in zoverre rekening gehouden met de wensen vanuit de omgeving. In het navolgende wordt een impressie vanaf de Sondernweg gegeven en een schematische weergave van de voorgenomen ontsluiting van het bedrijf.

Schematische weergave ontsluiting Toelichting op de schematische weergave: Rood: Sondernweg – openbare weg Zwarte ononderbroken lijn: fysieke grens tussen milieustraat (vnl. particulieren/licht verkeer) en bedrijfsafvalstraat Gearceerde vlak: fase 2 uitbreiding toekomst Groen: hoofdinrit voor al het verkeer – bedrijfsweg (geen uitrit) Geel: route personenauto's en bestelbussen (licht en middelzware motorvoertuigen) – uitrit Sondernweg Paars: route zware motorvoertuigen (vrachtwagens en tractoren) – bedrijfsweg enkel uitrit Donkerblauw: route in- en uitrit zware motorvoertuigen bij realisering / in gebruikname fase 2 Zwart wegvak: nieuwe aansluiting bedrijfsweg op Spinnerij/Eerste Broekdijk Donkergrijs wegvak: bestaande Zomerweg met inrijverbod voor vrachtverkeer richting Veldweg Groen en water Door Natuurbank Overijssel is een beplantingsplan gemaakt voor de inrichting van het gebied. Aan de zuidzijde van het plangebied wordt een agrarisch perceel (weiland) ontwikkeld als natuur. Dit gebied kan tevens worden gebruikt als infiltratiegebied. De te graven vijver aan de noordzijde van de bedrijfsbestemming langs de Sondernweg zal dienen als afvoer van hemelwater. De bestaande groenstructuren in de omgeving van het plangebied blijven gehandhaafd. Langs de westzijde van het plangebied komt een 20 meter lange inpassingsstrook met daarin opgenomen een onderhoudspad en wandel/fietspad.

Figuur 4.2. landschappelijke inpassing

Hoofdstuk 5 Milieuhygiënische en planologische verantwoording In dit hoofdstuk volgt een verantwoording van de relevante milieuhygiënische en planologische aspecten van toepassing op de beoogde ontwikkeling in het plangebied.

5.1 Bodem

Voor elke functiewijziging, al of niet naar een gevoelige functie, dient een onderzoek te worden verricht naar de bodem- en grondwaterkwaliteit. Daarom is op 3 en 17 oktober 2016 een verkennend bodemonderzoek verricht ter plaatse van het perceel aan de Sondernweg/Zomerweg te Aalten (gemeente Aalten)(Bijlage 4). Uit dit onderzoek komt het volgende naar voren.

De bovengrond bestaat overwegend uit donkerbruin, matig fijn zand. Daaronder bestaat de ondergrond overwegend uit lichtbruin, matig fijn zand. Tijdens de monstername bedroeg de grondwaterstand 215 cm-mv voor peilbuis 01, 209 cm-mv voor peilbuis 02, 214 cm-mv voor peilbuis 03, 174 cm-mv voor peilbuis 04, 220 cm-mv voor peilbuis 05, 249 cm-mv voor peilbuis 06 en 169 cm-mv voor peilbuis 07.

Tijdens de veldwerkzaamheden is gelet op het voorkomen van asbest. Visueel is op de bodem en in het opgeboorde materiaal geen asbestverdacht materiaal waargenomen. Zintuiglijk zijn er geen afwijkingen waargenomen.

Op basis van de analyseresultaten kan geconcludeerd worden dat: (a) in de grond geen van de onderzochte componenten is aangetoond in een concentratie boven de achtergrondwaarde en/of detectiegrens; (b) het grondwater licht verontreinigd is met Barium, Xylenen, Naftaleen, Zink, Koper en Cadmium. Voor zover bekend is op de onderzoeks locatie geen bronlocatie aanwezig of aanwezig geweest, die een dergelijke naftaleen- en xylenenverontreiniging veroorzaakt kan hebben. Mogelijk is de verontreiniging afkomstig van een bron elders.

Gezien het slechts licht verhoogde gehalte is een nader onderzoek niet noodzakelijk. Het is bekend dat in het grondwater zware metalen in fluctuerende gehalten kunnen voorkomen, zowel door natuurlijke bronnen als door menselijke activiteiten veroorzaakt (vermesting). De gehalten betreffen dan (natuurlijke) achtergrondwaarden. Ook in het voorgaande onderzoek zijn barium en zink in licht verhoogde concentraties aangetroffen in het grondwater.

De hypothese "De gehele locatie is grootschalig onverdacht" dient grotendeels aangenomen te worden. Op basis van de onderzoeksresultaten bestaat er op grond van de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem geen bezwaar voor het toekomstige gebruik van het terrein. Eventueel vrijkomende grond kan niet zondermeer in het grondverkeer worden opgenomen. Mocht de grond naar elders worden getransporteerd, dient te worden nagegaan in hoeverre de kwaliteit van de af te voeren grond overeenstemt met de verwerkingsmogelijkheden die voor de betreffende stort- c.q. hergebruikslocatie gelden. Mocht grondwater onttrokken worden t.b.v. bemaling, dient bekeken te worden in hoeverre de grondwaterkwaliteit de lozingsnormen overschrijdt.

Vanuit het aspect bodem komen derhalve geen belemmeringen voor het bestemmingsplan voort.

5.2 Geluid Conform de Wet geluidhinder heeft iedere (spoor)weg een onderzoekszone waarbinnen een akoestisch onderzoek dient te worden verricht indien de bouw van geluidsgevoelige bebouwing mogelijk wordt gemaakt. Uitzonderingen hierop zijn wegen waarvoor een 30 km-zone geldt en wegen die als woonerf zijn aangeduid.

In het akoestisch rapport ( Akoestisch onderzoek H.J. Aalbers en Zoon B.V. Locatie Zomerweg en Sondernweg, Westrand Aalten,16.109.01 versie 02) zoals opgenomen in bijlage 5 bij de toelichting wordt inzicht gegeven in de optredende geluidbelasting vanuit de inrichting zoals deze wordt verwacht nadat fase 1 en fase 2 op het terrein is gerealiseerd zoals in figuur 5.2 is opgenomen.

Het ontwerp van het terrein is zo opgezet dat de geluidbelasting richting de burgerwoningen zoveel als mogelijk wordt beperkt. De keerwand tot een hoogte van 6 meter vormt een barrière voor de geluidemissie van de puinbreker en de zeef ten opzichte van de burgerwoningen ten westen van het bedrijf. Gezien de doorbrekingen te behoeve van de verkeersontsluitingen aan de noordzijde van het perceel, worden geluidafschermende maatregelen ten behoeve van het perceel Sondernweg 2 niet als effectief gezien.

Het aspect indirecte hinder is rekenkundig getoetst. Alleen ter plaatse van een woning gelegen op het gezoneerd industrieterrein is de geluidbelasting hoger dan de voorkeurswaarde van 50 dB(A). Een geluidbelasting van 55 dB(A) vanwege indirecte hinder op een woning gelegen op een gezoneerd industrieterrein op de grens van deze zone wordt acceptabel geacht. Uitgaande van een geluidwering van 20 dB van deze woning wordt met een geluidbelasting van 55 dB(A) voldaan aan de maximaal toelaatbare geluidbelasting in de woning van 35 dB(A).

De te verwachten piekgeluiden zijn ter plaatse van woningen van derden lager dan 65 dB(A) in de dagperiode, 60 dB(A) in de avondperiode en 55 dB(A) in de nachtperiode. Deze waarden voldoen aan de richtwaarden voor deze omgeving zoals genoemd in de VNG-publicatie Bedrijven en Milieuzonering.

Het terrein waarop het bedrijf is gevestigd wordt samengevoegd met het gezoneerd industrieterrein Het Broek. De geluidbelasting op de grens van deze zone mag maximaal 50 dB(A) bedragen als gevolg van de activiteiten van alle bedrijven samen. Er is een geluidcontour opgenomen van 50 dB(A) etmaalwaarde (figuur 5.1). De ligging van de zone moet worden herzien zodat de geluidsbelasting op de nieuw vast te stellen zone niet hoger is dan 50 dB(A). Dit zal in een separaat bestemmingsplan plaatsvinden, een partiële herziening van de omliggende bestemmingsplannen. Voor zover de nieuwe zone in het onderhavige bestemmingsplan valt, wordt deze nu al hierin opgenomen. De onderbouwing voor de ligging van de zone is opgenomen in de partiële herziening. Het akoestisch onderzoek ten behoeve van de partiële herziening is in de onderhavige toelichting ook opgenomen in bijlage 6.

Gezien het vorenstaande vormt het aspect geluid geen belemmering voor de uitvoering van het bestemmingsplan.

Figuur 5.1 geluidszone

Figuur 5.2 fase 1 en fase 2 bedrijventerrein Westrand Bij het onherroepelijk worden van onderhavig bestemmingsplan zullen t.a.v. geluid de grootste geluidbronnen (Broekstraat puinbreker en Derde Broekdijk shredder) komen te vervallen evenals het transport naar deze locaties. Dit geeft binnen het geluidmodel een positief effect op de omgeving ter plaatse. Ter illustratie: in de huidige situatie liggen er 2 burgerwoningen binnen 100 meter afstand van de locatie Derde Broekdijk en in de nieuwe situatie zijn er geen burgerwoningen gelegen binnen deze afstand van 100 meter. De dichtstbij gelegen burgerwoning ten noordwesten Akkermateweg 2 ligt op ca. 160 meter van het plangebied. Deze effecten zijn in het geluidsrapport en milieueffectrapportage niet meegenomen en berekend omdat de vergunningen die op deze locaties vigeren, pas worden aangepast als de nieuwe locatie feitelijk in gebruik is. De huidige bedrijfsactiviteiten zullen gewoon doorgang moeten vinden, gezien de lopende bedrijfsvoering van Aalbers. Tot slot kan worden geconcludeerd dat, gelet op de ligging van met name de Derde Broekdijk aan de rand van het gezoneerde industrieterrein, aan de zuidwestzijde een reductie van geluidsemissie zal zijn naar die omgeving vergeleken met het planvoornemen zoals vastgelegd in het onderhavige bestemmingsplan.

Met het vaststellen van hogere grenswaarden en de uitvoering van de akoestische maatregelen zoals genoemd in het hier beschreven akoestisch onderzoek blijft voor de betrokken woningen sprake van een goed woon- en leefklimaat zoals bedoeld in het gebiedsgerichte geluidbeleid van de gemeente Aalten.

5.3 Archeologie Op grond van de Wet op de archeologische monumentenzorg is de gemeente verplicht om bij het vaststellen van nieuwe bestemmingsplannen dan wel aanpassing(en) van oude plannen, rekening te houden met archeologie.

Het plangebied ligt in het buitengebied van Aalten aan de Sondernweg en de Zomerweg. Het plangebied heeft een oppervlakte van 5.000 m2 .De exacte bodemverstoring is bekend (zie bijlage 7) en zal dieper zijn dan 60 cm-mv.

Omdat het gebied een (lage en hoge) archeologische waarde (AWG-categorieën 6 en 4) heeft op de archeologische beleidskaart van gemeente Aalten, dient aangetoond te worden dat met de geplande bodemingrepen geen archeologische waarden verloren gaan. Bij meerdere verwachtingswaarden is de hoogste verwachtingswaarde leidend. Archeologisch onderzoek is verplicht bij alle bodemingrepen dieper dan respectievelijk 40 cm-mv.1 Het bevoegd gezag, Gemeente Aalten en haar adviseur, de Regionaal Archeoloog van de Omgevingsdienst Achterhoek (dhr. drs. D. Kastelein), hebben de resultaten van het onderzoek en het selectieadvies getoetst.

Het plangebied ligt op een dekzandrug waarop in het noordelijke deel een enkeerd gevormd is en in het zuidelijke deel een veldpodzol aanwezig is. Door het geplande bedrijventerrein wordt het perceel afgevlakt en dieper dan 60 cm-mv verstoord. Volgens het archeologisch beleid van de gemeente heeft het gebied een hoge verwachting en moet archeologisch vooronderzoek worden uitgevoerd aangezien het plangebied groter is dan 500 m2 en de geplande bodemverstoring dieper dan 40 cm-mv bedraagt.

Afbeelding 5.3 : Geomorfologische kaart, situering van het plangebied binnen het rode kader

Op historische kaarten is geen bebouwing bekend in het plangebied op één woning na in het zuidoostelijke deel. Enkele wegen en perceelsgrenzen in het plangebied zijn uit het verleden bekend en zijn tegenwoordig niet meer aanwezig. Gezien de omvang van het plangebied, de aanwezigheid van vindplaatsen vanaf de Steentijd in de omgeving en de verwachte onverstoorde bodem wordt een karterend booronderzoek geadviseerd.

Uit het verkennend en karterend booronderzoek (Bijlage 7) blijkt dat in het plangebied van oorsprong een veldpodzol aanwezig was, die door ontginning van de voormalige heide en door ploegen deels vermengd is geraakt met de eerdlaag. Deels is de podzol nog intact. Na ontginning is een plaggendek gevormd, dat afgedekt wordt door een subrecente bouwvoor. In het centrale deel van het plangebied is de dikte van de holocene deklaag maximaal 130 cm. Aan de flanken is de dikte van de holocene deklaag maximaal 50 cm. In de basis van het plaggendek zijn een aantal fragmentjes kogelpotaardewerk gevonden, die erop wijzen dat het plaggendek vanaf de 12e of 13e eeuw ontstaan is. De subrecente bouwvoor is niet ouder dan de 19e eeuw. Op grond van het uitgevoerde archeologisch onderzoek kunnen in het centrale deel van het plangebied gebouwsporen van een historisch erf worden verwacht in de top van het dekzand op een diepte van maximaal 130 cm-mv. Ook kunnen oudere vindplaatsen uit de Steentijd op voorhand niet worden uitgesloten. Hiervoor zijn echter geen aanwijzingen voor aangetroffen zoals fragmenten bewerkt vuursteen of fragmenten van neolithisch aardewerk.

Figuur 5.4: Bodemkaart, met de situering van het plangebied binnen het rode kader

Selectieadvies Indien bodemingrepen tot in de basis van het plaggendek of dieper worden uitgevoerd is de kans aanwezig dat archeologische spoor- en vondstniveaus worden aangesneden van een middeleeuws erf uit de ontginningsperiode (12e of 13e eeuw).

Het bouwpeil van het bouwrijpe terrein krijgt hetzelfde peil als de bestaande Zomerweg. Dit betekent dat het terrein geëgaliseerd wordt. Het verschil tussen het peil van de Zomerweg en het hoogste punt is nu ca. 50 cm, deze kop zal dus worden verwijderd. De toekomstige erfverharding (bovenkant erfverharding = peil Zomerweg) zal als volgt worden uitgevoerd / opgebouwd: 30-35 cm gemalen puin, 10 cm ophoogzand en erfverharding 8-14 cm, danwel een vergelijkbaar alternatief. Totale diepte erfverharding: minimaal 48 cm en maximaal 59 cm. (8 cm voor gedeelte voor licht verkeer en 14 cm voor zwaar verkeer). De geplande bodemingrepen t.o.v. het toekomstige peil (= peil Zomerweg) voor nutsvoorzieningen bedragen 0,4 tot 0,8 m-peil, voor riolering en zuivering technische werken bedraagt dit minimaal 0,6 m-peil en voor de loodsen, infiltratievoorzieningen en weegbruggen bedraagt deze minimaal 1,5 mpeil. Als het hoogste punt van het plangebied als uitgangspunt genomen wordt (rondom boring 17), dan bedragen de ingrepen minimaal 1,09 m beneden het bestaande maaiveld. Het in het plangebied aanwezige vondstniveau betreft de basis van het plaggendek en bevindt zich op het hoogste punt op een diepte van 80 tot 130 cm-mv. Het spoorniveau betreft naar verwachting de top van het dekzand incl.

de inspoelingshorizont (110 tot 130 cm-mv) tot een maximale diepte van circa 180 cm-mv voor de diepere sporen (greppels, paalkuilen, waterputten). Naar de randen van het plangebied wordt de afdekkende laag dunner en komt het archeologisch niveau relatief dichter aan het oppervlak.

De conclusie die op basis van het definitieve inrichtingsplan getrokken kan worden is dat alle geplande bodemingrepen minimaal reiken tot in het vondstniveau en dieper, tot ruim onder het spoorniveau. Derhalve leiden alle voorgenomen bodemingrepen tot een verstoring van het archeologisch waardevolle niveau wordt het gehele plangebied in eerste instantie extensief gewaardeerd door middel van proefsleuven, waarbij minimaal 5 % van het totale plangebied (= 2.750 meter) onderzocht wordt door middel van proefsleuven. De proefsleuven worden volgens een verspringend patroon aangelegd en noord-zuid georiënteerd om eventuele huisplattegronden en bijgebouwen te kunnen herkennen. Het exacte puttenplan wordt in overleg met de Regionaal Archeoloog bepaald en zal worden vastgelegd in een vooraf door de gemeente goed te keuren Programma van Eisen (IVO-P).

Voorbehoud Voorts geldt voor toevalsvondsten een wettelijke meldingsplicht ex. Art. 5.10 Erfgoedwet. Opdrachtgever verplicht de aannemer(s) dan ook om attent te zijn op eventuele vondsten en/of sporen tijdens de graafwerkzaamheden en verplicht hen archeologische vondsten zo spoedig mogelijk te melden bij de Minister van OCW, vertegenwoordigd door de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed in Amersfoort. De lokale overheid, i.e. de gemeente waar de toevalsvondst is gedaan, wordt door de melder tevens direct in kennis gesteld van de vondsten en /of sporen, zodat eventueel aanvullende acties ondernomen kunnen worden.

Nu aanvullend archeologisch onderzoek (Bijlage 8) is uitgevoerd is archeologie geen belemmering voor dit bestemmingsplan.

5.4 Externe veiligheid Het externe veiligheidsbeleid is gericht op de beperking en/of beheersing van de risico's voor de omgeving vanwege gevaarlijke stoffen binnen inrichtingen en het vervoer van gevaarlijke stoffen. Het uitgangspunt van het beleid is dat burgers voor de veiligheid van hun omgeving mogen rekenen op een minimum beschermingsniveau (plaatsgebondenrisico). Daarnaast moet in relevante situaties de kans op een groot ongeluk met meerdere slachtoffers (groepsrisico) worden afgewogen en verantwoord. Voor (de omgeving van) de meest risicovolle bedrijven is het ‘Besluit externe veiligheid inrichtingen’ (BEVI) van belang.

Aanvullend zijn in het Vuurwerkbesluit en Activiteitenbesluit (Besluit algemene regels inrichtingen milieubeheer) veiligheidsafstanden genoemd die rond minder risicovolle inrichtingen moeten worden aangehouden. Daarnaast is het toetsingskader voor de omgeving van transportassen en buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen vastgelegd in de ‘Circulaire risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen’ en het ‘Besluit externe veiligheid buisleidingen’ (Bevb). In 2013 wordt de circulaire vervangen door het ‘Besluit transportroutes externe veiligheid’.

Op het bedrijventerrein Westrand Aalten zijn in de huidige situatie geen Bevi-inrichtingen (risicovolle bedrijven in het kader van externe veiligheid) aanwezig. De vestiging van nieuwe Bevi-inrichtingen is hier niet toegelaten.

5.5 Luchtkwaliteit Hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer (titel 5.2 Luchtkwaliteitseisen, ook wel bekend als de ‘Wet luchtkwaliteit’) bevat de regelgeving op het gebied van luchtkwaliteit. In de Wet milieubeheer zijn luchtkwaliteitseisen opgenomen voor diverse verontreinigende stoffen, waaronder stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). In artikel 5.16 van de Wet milieubeheer is vastgelegd in welke gevallen de luchtkwaliteitseisen geen belemmering vormen voor een nieuwe ontwikkeling. Dit is het geval wanneer: een ontwikkeling niet leidt tot overschrijding van de grenswaarden luchtkwaliteit; ten gevolge van een ontwikkeling de concentraties van de betreffende stoffen verbeteren of ten minste gelijk blijven; een ontwikkeling niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentraties van de betreffende stoffen in de buitenlucht; een ontwikkeling past binnen een vastgesteld programma (zoals het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit).

De beoogde ontwikkeling voorziet in de uitbreiding van een bestaand bedrijventerrein. Deze ontwikkeling behoort niet tot een categorie die als ‘niet in betekende mate’ is aan te merken en is niet opgenomen in een regionaal of nationaal programma met betrekking tot luchtkwaliteit. Daarnaast is vanwege de verkeersaantrekkende werking van de nieuwe functies niet te verwachten dat de beoogde ontwikkeling geen gevolgen heeft voor de luchtkwaliteit. Derhalve is een specifiek luchtkwaliteitonderzoek noodzakelijk.

In onderstaande tabel zijn de hoogst berekende jaargemiddelde concentraties NO2 weergegeven voor de aan te vragen situatie.

Uit de tabel blijkt dat de berekende jaargemiddelde concentraties NO2 onder de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie NO2 liggen (40 µg/m3). De uurgemiddelde concentratie NO2 mag niet meer dan 18 keer per jaar groter zijn dan 200 µg/m3. Uit de berekeningen blijkt dat de genoemde grenswaarde voor de uurgemiddelde concentratie NO2 op alle beoordelingspunten minder dan 18 keer per jaar wordt overschreden.

Fijn stof (PM10) In tabel 4.2 zijn de hoogst berekende jaargemiddelde concentraties PM10 weergegeven voor de aan te vragen situatie.

Uit de tabel blijkt dat de berekende jaargemiddelde concentraties PM10 onder de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie PM10 liggen (40 µg/m3). De 24-uursgemiddelde concentratie PM10 mag niet meer dan 35 keer per jaar groter zijn dan 50 µg/m3. Uit de berekeningen blijkt dat de genoemde grenswaarde voor de 24uursgemiddelde concentratie PM10 op alle beoordelingspunten minder dan 35 keer per jaar wordt overschreden.

Fijn stof (PM2,5) De grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie PM2,5 bedraagt 25 µg/m3. PM2,5 is een deelverzameling van PM10 en beide zijn sterk aan elkaar gerelateerd. Uitgaande van de huidige kennis over de emissies en concentraties PM2,5 en PM10 kan worden gesteld dat, als aan de grenswaarden voor PM10 wordt voldaan, ook aan de grenswaarde voor PM2,5 zal worden voldaan. Uit de berekeningen volgt dat de berekende jaargemiddelde concentraties PM10 op alle beoordelingspunten minder dan 25 µg/m3 bedragen. Aangezien deze concentraties PM10 al lager zijn dan de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie PM2,5 (en PM2,5 een deelverzameling is van PM10), zullen de jaargemiddelde concentraties PM2,5 de grenswaarde voor deze stof niet overschrijden.

Conclusie In het kader van de bestemmingsplanprocedure terrein Aalbers te Aalten is een luchtkwaliteitonderzoek (Bijlage 9) uitgevoerd. Hierbij is rekening gehouden met alle bij de inrichting behorende bedrijfsactiviteiten. De concentraties luchtverontreinigende stoffen zijn uitgerekend en getoetst ter plaatse van de relevante beoordelingslocaties in de directe omgeving. Op basis van het uitgevoerde luchtkwaliteitonderzoek kan worden geconcludeerd dat op alle beoordelingspunten wordt voldaan aan de op betreffend punt te toetsen grenswaarden. Titel 5.2 van de Wet milieubeheer vormt dan ook geen belemmering voor verdere besluitvorming (artikel 5.16, lid 1 onder a Wm).

5.6 Geur 5.6.1 Agrarische bedrijvigheid De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt vanaf 1 januari 2007 het toetsingskader voor de milieuvergunning, als het gaat om geurhinder vanwege dierenverblijven van veehouderijen. Deze wet geeft normen voor de geurbelasting die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object (bijvoorbeeld een woning). De geurbelasting wordt

berekend en getoetst met het verspreidingsmodel V-Stacks vergunning. Dit geldt alleen voor dieren waarvoor geuremissiefactoren zijn opgenomen in de Regeling geurhinder en veehouderij. Indien voor een diercategorie geen geuremissiefactor is vastgesteld, gelden tussen een veehouderij en een geurgevoelig object de volgende afstanden: binnen de bebouwde kom 100 meter en buiten de bebouwde kom 50 meter.

De Regeling geurhinder en veehouderij is gepubliceerd op 18 december 2006. In de directe omgeving van het plangebied liggen meerdere agrarische bedrijven die van invloed kunnen zijn op een geurgevoelig object.

De geurcontouren zijn bepaald op basis van de bestaande (cumulatieve) achtergrondbelasting als gevolg van de nabijgelegen veehouderijen. Op basis daarvan zijn immers de geurcontouren bepaald. Van cumulatie is geen sprake nu in het onderhavige geval 99% van de geurbelasting afkomstig is van het agrarisch bedrijf Luiten, Akkermateweg 1-3. Als de voorgrondbelasting meer bedraagt dan de helft van de achtergrondbelasting dan is de voorgrondbelasting bepalend voor de hinder en is deze norm maatgevend. Uitgangspunt tenslotte is dat er geen nieuwe geurgevoelige objecten worden aangelegd binnen de geurzone van deze agrarische bedrijven.

5.6.2 Geurzone In het kader van het bestemmingsplan is door Olfasense B.V. een geuronderzoek (Bijlage 10) uitgevoerd voor de activiteiten van de firma Aalbers BV te Aalten. Bij het bedrijf, thans gevestigd op meerdere locaties in Aalten, worden diverse stromen (waaronder afvalstoffen) op- en overgeslagen. Het streven is om alle activiteiten in de toekomst op één terrein te laten plaatsvinden, op een terrein aan de Zomerweg in Aalten. Het geuronderzoek is uitgevoerd ten behoeve van dit bestemmingsplan. De geuremissie van de geurrelevante activiteiten is berekend aan de hand van kengetallen. De berekende emissies zijn samengevat in onderstaande tabel. Uit de onderstaande tabel blijkt dat het verkleinen en de opslag van biomassa de bepalende geurbronnen zijn.

Aan de hand van deze emissiegegevens is vervolgens de geurbelasting in de omgeving berekend. De geurbelasting blijkt op alle omringende geurgevoelige bestemmingen lager dan de streefwaarde volgens het geurbeleid van de Provincie Gelderland. Daarmee wordt voldaan aan het toetsingskader voor nieuwe activiteiten en kan worden geconcludeerd dat de kans op geurhinder minimaal is.

Figuur 5. 5 Overzicht geuremissies firma Aalbers te Aalten

5.7 Milieuzonering Bedrijventerrein Westrand Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Om dit te bepalen wordt het begrip milieuzonering gehanteerd.

Milieuzonering is het aanbrengen van een noodzakelijke ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende en milieugevoelige functies ter bescherming of vergroting van de kwaliteit van de leefomgeving. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast.

Milieuzonering heeft twee doelen: het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen.

Voor het bepalen van de aan te houden afstanden gebruikt de gemeente Aalten de VNG-uitgave ‘Bedrijven en Milieuzonering’ uit 2009. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het (vigerende) bestemmingsplan mogelijk is.

Hoe gevoelig een gebied is voor milieubelastende activiteiten, is mede afhankelijk van het omgevingstype. Wanneer sprake is van het omgevingstype gemengd gebied kunnen de richtafstanden tussen milieubelastende functies en richtafstanden met één afstandsstap verlaagd worden, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat. Een gemengd gebied is een gebied met een variatie aan functies; direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen behoren ook tot het omgevingstype gemengd gebied. Gezien de aanwezige functiemenging of de ligging nabij drukke wegen kent het gemengd gebied al een hogere milieubelasting. Dat rechtvaardigt het verlagen van de richtafstanden met één stap.

Onderstaande tabel geeft de relatie tussen milieucategorie, richtafstanden en omgevingstype weer.

Plangebied In de omgeving van het plangebied bevinden zich meerder bedrijven: aan de overzijde van de Zomerweg bevinden zich bestaande bedrijven op bedrijventerrein ‘t Broek. Voor de uitbreiding van bedrijventerrein Westrand is inzichtelijk gemaakt welke bedrijfscategorieën (maximaal) kunnen worden toegestaan. De milieuzonering richt zich uitsluitend op de uitbreiding van het bedrijventerrein. Vanuit de woonbebouwing die aanwezig is in de omgeving van het plangebied zijn indicatieve afstanden (zoals opgenomen in de voorgaande tabel) uitgezet. Hierbij is uitgegaan van het omgevingstype ‘gemengd gebied’. Op het bestaande bedrijventerrein bevindt zich een aantal bedrijfswoningen. Voor deze woningen kan worden uitgegaan van een hogere toegestane milieubelasting dan voor reguliere woningen. De bestaande bedrijfswoningen liggen op grote afstand van het plangebied. Om aansluiting te zoeken bij het bestaande bedrijventerrein wordt een milieucategorie van maximaal 3.2 aangehouden. De bedrijfsactiviteiten van Aalbers zijn daarbij specifiek bestemd zodat maatwerk mogelijk is.

Bedrijven in categorie 1 worden niet toegestaan op het bedrijventerrein Westrand. Dergelijke bedrijven zijn, gezien hun geringe milieubelasting, over het algemeen goed inpasbaar in gebieden met functiemenging of in woongebieden, en passen minder goed op bedrijventerreinen.

5.8 Ecologie Ruimtelijke plannen dienen te worden beoordeeld op de uitvoerbaarheid in relatie tot actuele natuurwetgeving, met name de Wet natuurbescherming. Er mogen geen ontwikkelingen plaatsvinden die op onoverkomelijke bezwaren stuiten door effecten op beschermde natuurgebieden en/of flora en fauna.

Er is in het onderzoeksgebied (Bijlage 11) gekeken naar de aanwezigheid van beschermde planten en dieren en beschermde nesten, holen, rust- en voortplantingslocaties die door de uitvoering van de voorgenomen activiteiten vernield of verstoord worden. Ook is gekeken of de voorgenomen activiteit een negatief effect heeft op beschermd (natuur)gebied.

De voorgenomen activiteit wordt gezien als ‘ruimtelijke ontwikkeling’. Voor het verstoren, doden en verwonden van soorten genoemd in van Bijlage 1 van het Besluit natuurbescherming geldt een algemene vrijstelling. Deze vrijstelling geldt ook voor soorten van Bijlage 2 van de Wet natuurbescherming mits er gewerkt wordt volgens een goedgekeurde gedragscode. Een gedragscode geeft aan hoe zorgvuldig met beschermde dier- en plantensoorten omgegaan dient te worden. Voor het verstoren van soorten uit Bijlage 3, evenals het verstoren van bezette- en jaarrond beschermde vogelnesten dient een ontheffing op grond van artikel 3.2 Wnb aangevraagd te worden.

Het plangebied behoort mogelijk tot het functionele leefgebied van sommige grondgebonden zoogdier-, vogel-, amfibieën- en vleermuissoorten. Vermoedelijk nestelen er ieder voortplantingsseizoen vogels in de bosstrook aan de zuidzijde van het plangebied. Van deze soorten zijn uitsluitend de bezette nesten beschermd; niet de oude nesten of de nestplaats. Voor het vernielen van bezette nesten en het verwonden/doden van vogels kan geen ontheffing van de verbodsbepalingen verkregen worden omdat de voorgenomen activiteit niet als een in de wet genoemd ‘belang’ wordt beschouwd.

De meest geschikte periode om beplanting te rooien is augustus-februari. In deze periode bezetten vogels doorgaans geen nesten. Mogelijk bezetten sommige grondgebonden zoogdiersoorten een vaste rust- of voortplantingslocatie in het plangebied of benutten het plangebied als foerageergebied. De functie als foerageergebied wordt door uitvoering van de voorgenomen activiteit niet aangetast en heeft daarom geen wettelijke consequenties voor deze soorten. Soorten die een vaste rust- of voortplantingslocatie in het plangebied bezetten staan allen vermeld in tabel 1 van de Ff-wet of zijn niet beschermd (mol). Voor deze soorten geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen ‘verstoren, verwonden en doden’ als gevolg van activiteiten die in het kader van een ruimtelijke ontwikkeling worden uitgevoerd. De voorgenomen activiteit heeft geen wettelijke consequenties.

Vermoedelijk benutten sommige amfibieënsoorten de bosstrook als foerageergebied en winterrustplaats. De amfibieën die in het plangebied voorkomen staan allen vermeld in de Wet natuurbescherming. Voor deze soorten geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen ‘verstoren, verwonden en doden’ als gevolg van activiteiten die in het kader van een ruimtelijke ontwikkeling worden uitgevoerd. De voorgenomen activiteit heeft geen wettelijke consequenties. Vleermuizen bezetten geen vaste verblijfplaats in het plangebied, maar foerageren vermoedelijk langs de kronen en randen van de bomen en struiken in de bosstrook en laanbomen langs de Zomerdijk. De betekenis van het plangebied als foerageergebied is heel beperkt en wordt door uitvoering van de voorgenomen activiteit niet aangetast. De voor genomen activiteit heeft geen wettelijke consequenties.

Mits rekening wordt gehouden met de bescherming van bezette vogelnesten, heeft de voorgenomen activiteit geen wettelijke consequenties in het kader van de Wet natuurbescherming. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen ontheffing ex. art. 3.2 dan wel 3.5 van de Wet natuurbescherming aangevraagd te worden.

Het plangebied behoort niet tot het Gelders Natuurnetwerk. Vanwege de lokale invloedsfeer, heeft de voorgenomen activiteit geen negatief effect op beschermd gebied buiten het plangebied. De natuurwetgeving, Omgevingsverordening Gelderland vormen geen belemmering voor uitvoering van de voorgenomen activiteiten.

Foto's plangebied

Voor het plangebied is een landschappelijke inpassing (Bijlage 12) opgesteld die als voorwaardelijke verplichting in de regels is opgenomen. Hierdoor neemt in zijn algemeenheid de soortenrijkdom in het gebied toe.

Stikstof Om te beoordelen of een ontwikkeling mogelijk significante effecten heeft vanwege stikstofdepositie is een Aerius-berekening uitgevoerd (Bijlage 13). Hieruit blijkt dat de ontwikkeling meldingsplichtig is. Verwezen wordt voor het overige naar de uitgevoerde berekeningen en melding. Aanvulling naar aanleiding van de PAS-uitspraak 29 mei 2019 In het kader van artikel 2.8 Wet natuurbescherming is gekeken naar de mogelijke effecten van het plan op beschermde Natura 2000 gebieden. Gezien de ligging van het plangebied op circa 10 kilometer en verder, van de dichtstbijzijnde Natura 2000 gebieden Korenburgerveen en Bekendelle, zijn er met zekerheid geen effecten ten aanzien van verstoring of op de hydrologie van het gebied (verdroging). Wel is sprake van stikstofimmissies ten gevolge van de ontwikkeling van het bedrijventerrein. Als gevolg van de ontwikkeling van het bedrijventerrein en oprichting van het bedrijf Aalbers neemt de depositie toe tot 0,18 mol/ha/jr. Dit is destijds ook als zodanig gemeld (PAS melding 4 mei 2017 kenmerk: nfCYJJdkYUK). Nu blijkens de uitspraak van de Raad van State van 29 mei 2019 er geen aanspraak kan worden gemaakt op de status van deze melding zijn elders ammoniakrechten aangekocht door het bedrijf Aalbers.

Tevens is in aanvulling op de omgevingsvergunning een vergunning op grond van de Wet natuurbescherming aangevraagd bij Gedeputeerde Staten van Gelderland. Uit de verschilberekening gemaakt in Aerius calculator dd. 16 oktober 2019 kan worden afgeleid dat als gevolg van de oprichting van het bedrijf Aalbers er geen sprake is van een toename in depositie op Natura 2000 gebieden Korenburgerveen en Bekendelle wanneer er ammoniakrechten worden gesaldeerd van de locaties aan de Spiekerdijk 5a en de Klokkemakersweg 6 te Aalten. Er is sprake van een stikstofimmissie van 0,00. Meer specifiek nog, er is sprake ten opzichte van de huidige situatie van een afname van de emissies van 60%. Hieruit volgt dat de uitvoering van het bestemmingsplan met zekerheid ten aanzien van stikstof geen significante effecten heeft op beschermde Natura 2000 gebieden. Nu er ook overigens geen sprake is van andere effecten heeft het plan geen effecten in het kader van de gebiedsbescherming. Verwezen wordt voor het overige naar de passende beoordeling die als bijlage 15 aan de toelichting van het plan is toegevoegd. Deze kan worden beschouwd als oplegnotitie bij de planMER, die voor het bestemmingsplan is uitgevoerd.

5.9 Water Op 22 december 2009 is de Waterwet in werking getreden. De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater, en verbetert ook de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Formeel kent de Waterwet twee waterbeheerders: het rijk, als de beheerder van de rijkswateren, en de waterschappen, als de beheerders van de overige wateren (waterkwantiteit en –kwaliteit). De waterschappen zijn ook verantwoordelijk voor het beheer van de waterkeringen en het zuiveringsbeheer. Het plangebied valt onder beheer van Waterschap Rijn en IJssel. In het kader van de bestemmingsplanprocedure heeft een watertoets plaatsgevonden. Deze watertoets is akkoord bevonden door het waterschap Rijn en IJssel. De watertoets is uitgevoerd in het kader van duurzaam waterbeheer ten behoeve van de voorgenomen nieuwbouw op de planlocatie alsmede het ontwerpbestemmingsplan “Bedrijventerrein WestrandAalten”. In de rapportage is beschreven op welke wijze rekening is gehouden met de waterhuishoudkundige aspecten en het beleid van de waterbeheerders (Waterschap Rijn en IJssel en de gemeente Aalten). Omgevingsaspecten Uit locatie specifiek onderzoek blijkt de bovengrond voornamelijk te bestaan uit donkerbruin, matig fijn zand. Daaronder bestaat de ondergrond overwegend uit lichtbruin, matig fijn zand.

Voor zover bekend zijn er tot de onderzochte diepte (maximaal 4,0 m -mv) geen storende lagen in de ondergrond waargenomen. Op basis van de gegevens van enkele grondwaterpeilputten uit de omgeving alsmede de grondwaterstromingsrichting is de Gemiddelde Hoogste Grondwaterstand (GHG) voor de planlocatie ingeschat op circa 22,5 m +NAP. Hiermee zou de GHG zich op ± 1,5 m -mv bevinden. De planlocatie ligt niet in een grondwaterbeschermings- en/of grondwaterwingebied. Behoudens een aan de zuidoostkant van het plangebied gelegen waterretentie is in de directe omgeving van de planlocatie geen oppervlaktewater aanwezig. Planontwikkeling De planlocatie is in gebruik als agrarisch land (weiland) en is voor zover bekend altijd onbebouwd en onverhard geweest. De initiatiefnemer is voornemens de huidige bedrijfsvoeringen op de hoofdlocatie (Broekstraat 31 te Aalten) uit te breiden en zodoende op locatie een nieuw bedrijfspand en buitenruimte te realiseren. De ontwikkeling is in 2 fasen, te weten: loot A (fase 1) en loot B en C (fase 2). Ten aanzien van het toekomstig verhard oppervlak wordt vooralsnog uitgegaan dat de planlocatie in de toekomst, met uitzondering van loot C, volledig verhard zal zijn (worst-case). Uitgegaan wordt derhalve van een verhard oppervlak van 4,8 ha.

Op basis van het af te koppelen verhard oppervlak en de uitgangspunten van het waterschap bedraagt de waterbergingsopgave voor het plangebied in totaal circa 4.800 m3 (48.000 m2 x 0,1 m). Hemelwater In de toekomstige situatie zal het schone hemelwater (zogenaamde hemelwaterafvoer; HWA) niet direct op het vuilwater (zogenaamde droogweerafvoer; DWA) worden aangesloten maar separaat binnen het plangebied worden verwerkt. Dit betekent dat bij de verdere planuitwerking water expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing wordt genomen en dat hemelwater op een duurzame wijze wordt verwerkt. De ontwikkeling zal daarmee hydrologisch neutraal zijn. De initiatiefnemer is voornemens om aan de noordzijde ter hoogte van de Sondernweg (loot A) een bovengrondse infiltratievoorziening of infiltratievijver aan te leggen. Aan de zuidzijde ter hoogte van de Zomerweg/Spinnerij (loot B & C) is eveneens ruimte beschikbaar om water te bergen in de vorm van een bovengrondse infiltratiebuffer/infiltratievijver. Ten aanzien van de bovengrondse voorzieningen is uitgegaan van een diepte van 1,5 m -mv en een talud van 1:3.

5.10 Duurzaamheid Aalbers heeft aangegeven op de nieuwe bedrijfslocatie zoveel als redelijkerwijs mogelijk energieneutraliteit voor het bedrijf na te streven, onder meer door de opwekking van zonnestroom en het gebruik van de biomassakachel. Deze zonnepanelen zullen zowel (op eventuele palen) in de retentievijver als op het dak van de bedrijfsgebouwen worden geplaatst. De bedrijfsactiviteiten van Aalbers qua omvang en doorzet betreffen met name groenafval en puin. Snoeihoutafval komt grof binnen en wordt lokaal bewerkt tot biomassa voor duurzame energie-opwekking. De vrijkomende grondstof wordt als groeiaarde lokaal weer ingezet als bodemverbeteraar. Deze keten is duurzamer als dit lokaal toegepast kan worden en op 1 verwerkingslocatie zodat de transportkilometers van vrachtwagens en de bedrijfsuren van de benodigde machines aanzienlijk gereduceerd worden. Nu worden dezelfde machines op 2 locaties gebruikt, wat dus resulteert in meer transportkilometers en dus meer overlast naar de omgeving van het bedrijf. Enkel alleen al door het feit dat het in de huidige situatie om 2 locaties gaat waar aan- en afvoer en bewerkingen plaatsvinden. Met betrekking tot de ver- en bewerking van puin wordt het volgende opgemerkt. Grof puin komt binnen, wordt gebroken en uitgezeefd ter plaatse en vervolgens afgevoerd als bouwstof. Ook voor dit procedé zijn dezelfde voordelen t.a.v.

transport en overlast naar de omgeving aan de orde zoals bij snoeihoutafval. Het transport op langere afstand wordt hier aanzienlijk mee verkleind. Transport van grof puin naar de breker is in de huidige situatie niet 100% effectief omdat vrachtwagens/kippers niet efficiënt beladen kunnen worden. Dit in tegenstelling tot het gemaakte product op de nieuwe locatie; gebroken puin dat effectief beladen kan worden, waardoor de transportbewegingen efficiënt kunnen worden ingezet. Derhalve is met name de reductie van transportkilometers een belangrijk item bij het breken van puin op de nieuwe locatie en is daarmee als duurzaam aan te merken. Zeker door het feit dat het gebroken puin weer als een bouwstof wordt toegepast. Onderdeel van het huidige bedrijfsplan is de oprichting van een biomassakachel. Deze kachel wordt gevestigd in een klein bouwwerk en is bedoelt om biomassa uit het snoeihoutafval te kunnen nadrogen. Indien dit niet noodzakelijk is (marktafhankelijk) kan deze worden ingezet voor de productie van warmwater voor de omliggende bedrijven. In dit laatste geval betreft het een klein warmtenet waarbij de biomassa als brandstof wordt gebruikt om warmwater te maken t.b.v. ruimteverwarming. In deze opzet is dan sprake van een kleinschalig duurzaam lokaal initiatief.

Snoeihoutafval wat lokaal wordt ingezameld wordt gebruikt als een grondstof geproduceerd wordt die vervolgens ingezet wordt om in de biomassakachel warmwater te produceren. Dit warm water kan worden ingezet bij omliggende bedrijven. Door deze toepassing hoeven zij geen fossiele brandstoffen (aardgas of olie) meer in te zetten voor ruimteverwarming van hun bedrijven. Een en ander draagt bij aan de duurzaamheidsdoelstelling van de gemeente Aalten. Tot slot wordt opgemerkt dat ten aanzien van de innovatieve ontwikkelingen op het gebied van de productie van duurzame energie ook in de nabije toekomst andere technieken niet ondenkbaar zijn zoals opwekking van duurzame energie met een stoomturbine die gevoed wordt met de warmte van de biomassakachel.

5.11 Trilling Trillingen kunnen veroorzaakt worden door het gebruik van de puinbreker of andere machines in het plangebied. Door bureau Peutz is - naar aanleiding van een ingediende zienswijze een trillingtechnisch onderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is als bijlage 14 in de toelichting opgenomen. Op basis van de uitgevoerde metingen wordt een prognose gegeven van de trillingen die worden verwacht als gevolg van de activiteiten van het bedrijf Aalbers. Conclusie van het rapport is dat het breken van puin en de passerende vrachtwagens niet resulteren in trillingniveaus die hoger zijn dan de nu heersende niveaus.

Hoofdstuk 6 Het bestemmingsplan

6.1 Het juridische plan Het onderhavige bestemmingsplan heeft tot doel een juridisch-planologische regeling te scheppen voor het plangebied. Het juridische gedeelte van het bestemmingsplan bestaat uit de regels en de verbeelding (plankaart). Voor wat betreft de systematiek van de regels en de verbeelding is aansluiting gezocht bij de bestemmingsplannen van de gemeente Aalten en de SVBP (Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen) 2012.

Hieronder worden een aantal van de belangrijkste in het plangebied voorkomende bestemmingen beschreven.

6.2 Bestemmingen

6.2.1 Bedrijventerrein De voor ‘Bedrijventerrein’ aangewezen gronden zijn bestemd voor bedrijven die zijn genoemd in de bijlage bij de regels (Staat van bedrijfsactiviteiten) onder de milieucategorieën 3.2.. Bevi-inrichtingen zijn niet toegestaan. De bedrijfsactiviteiten van Aalbers worden specifiek bestemd, via een afwijking zijn andere bedrijven toegestaan. De gronden zijn ook bestemd voor een grondwal, landschappelijke inpassing, en wegen en paden. Tevens zijn ondergeschikte bouwwerken aan de eerder genoemde bedrijven toegestaan alsmede productiegebonden detailhandel, opslag en uitstalling voorzieningen voor verkeer en verblijf, parkeervoorzieningen, nutsvoorzieningen, en water en waterhuishoudkundige voorzieningen. De grondwal dan wel geluidswal is middels een voorwaardelijke verplichting verplicht gesteld. De waterretentie is specifiek aangeduid. Hetzelfde geldt voor de puinbreker en de shredder. Aan deze aanduidingen zijn gebruiksregelingen gekoppeld waardoor de in de (geluid- en trillings)onderzoeken beschouwde representatieve bedrijfssituatie is vastgelegd). Voorts is een regeling opgenomen over het gebruik van een biomassakachel of -centrale. Met het oog op de waterhuishouding en het voorkomen van wateroverlast is ook een hemelwaterinfiltratievoorschrift opgenomen. Er zijn bouwregels opgenomen voor bedrijfsgebouwen, en voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

Er is een bevoegdheid opgenomen tot het verlenen van een omgevingsvergunning voor het afwijken om een bedrijf toe te staan dat niet in de Staat van bedrijfsactiviteiten onder de categorieën 2 of 3.1 voor komt, indien geen onevenredige aantasting plaats vindt van de bouw- en gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden.

6.2.2 Agrarisch De voor ‘Agrarisch’ aangewezen gronden zijn conform de huidige bestemming bestemd voor agrarisch gebruik. Op of in deze gronden mogen geen gebouwen worden gebouwd. Er zijn bouwregels opgenomen voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

6.2.3 Groen De landschappelijke inpassing en grondwal hebben de bestemming groen gekregen. Hierop mogen geen gebouwen worden gebouwd.

6.2.4 Natuur Het agrarisch gebied ten zuiden van het plangebied heeft de bestemming ‘natuur” gekregen. Tevens is waterretentie in dit gebied mogelijk.

Hoofdstuk 7 Haalbaarheid

7.1 Financiële haalbaarheid Om de gemeentelijke kosten die gemaakt worden bij uitvoering van voorgestane ontwikkeling te verhalen, dient een overeenkomst te worden gesloten met de initiatiefnemer zijnde Aalbers.

In voorliggend geval is ruim voor de vaststelling in september 2016 een anterieure overeenkomst opgesteld met de firma Aalbers, waarmee is verzekerd dat het bestemmingsplan financieel uitvoerbaar is.

7.2 Maatschappelijke haalbaarheid 7.2.1 Vooroverleg en inspraak Het ontwerp van het plan is ter kennisname toegezonden aan de gemeentebesturen, die behoren tot Stuurgroep Bedrijventerreinen Oost Achterhoek, te weten Berkelland, Oost-Gelre en Winterswijk. Verder is het plan verzonden aan het gemeentebestuur van Oude IJsselstreek. Gedeputeerde Staten van Gelderland zijn geïnformeerd over het initiatief. Van dit college is bij brief van 28 maart 2017, nr. 2016-015537, een reactie ontvangen. Vervolgens wordt het ontwerpbestemmingsplan gedurende zes weken ter inzage gelegd. In het kader van de Notitie reikwijdte en detailniveau is gelegenheid tot inspraak geboden ten aanzien van dit ruimtelijk initiatief.

7.2.2 Ontwerp Het ontwerp van het bestemmingsplan 'Aalten Bedrijventerrein Westrand' heeft overeenkomstig Afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht en de Wet ruimtelijke ordening met ingang van donderdag 5 oktober tot en met woensdag 15 november 2017, gedurende een periode van zes weken ter inzage gelegen. Het plan 'Aalten bedrijventerrein Westrand' is toegezonden aan het waterschap Rijn en IJssel. Het waterschap heeft een zienswijze kenbaar gemaakt. Dit heeft geleid tot een bijstelling van de watertoets. Deze toets is verwerkt in het vastgestelde bestemmingsplan. Het ontwerp van het plan is toegezonden aan Gedeputeerde Staten van Gelderland, de gemeentebesturen van Berkelland, Oost-Gelre, Oude IJsselstreek en Winterwijk. Van deze overheidsorganisaties is geen reactie ontvangen. Gedurende deze periode zijn tien zienswijzen ingediend. Op deze zienswijzen wordt nader ingegaan in de (geanonimiseerde) zienswijzennota, die onderdeel vormt van het raadsbesluit. Van de commissie MER is op 19 december 2017 het toetsingsadvies ontvangen. De commissie concludeert dat het MER (incl. bijlagen) voldoende informatie bevat om het milieubelang volwaardig. mee te laten wegen in de besluitvorming over het bestemmingsplan. De commissie ziet nog wel verschillende verbeter- en aandachtspunten in het MER. Waar nodig hebben wij de toelichting aangevuld en het MER nog enigszins aangepast.

Het advies is als bijlage bij de toelichting opgenomen. Zie bijlage 2.

7.2.3 Vaststelling Het bestemmingsplan is door de gemeenteraad gewijzigd vastgesteld in zijn openbare vergadering van dinsdag 22 mei 2018. Na vaststelling ligt het plan gedurende een periode van zes weken ter inzage. Gedurende deze termijn staat beroep open bij de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State; indien geen beroep is ingesteld bij de Raad van State treedt de beslissing van de gemeenteraad in werking daags na afloop van de beroepstermijn.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Aalten&id=c32b0167-315b-4cd8-962a-d2c46e722315