Toelichting bij de ontwerp omgevingsvergunning.pdf
Tekst van het document
Toelichting
Status: Plantype: IMRO-idn:
vastgesteld bestemmingsplan NL.IMRO.0197.BP00083-VG02
Hoofdstuk 1 Inleiding 1.1 Aanleiding 1.2 Doel 1.3 Ligging en begrenzing plangebied 1.4 Vigerende bestemmingsplan 1.5 Bij het plan behorende stukken 1.6 Planmer 1.7 Leeswijzer Hoofdstuk 2 Beschrijving bestaande situatie 2.1 Historische ontwikkeling 2.2 Ruimtelijke structuur 2.3 Functionele structuur Hoofdstuk 3 Beleidskader 3.1 Nationaal beleid 3.2 Provinciaal beleid 3.3 Regionaal beleid 3.4 Gemeentelijk beleid Hoofdstuk 4 Planbeschrijving 4.1 Noodzaak Westrand – behoefteonderbouwing 4.2 Uitgangspunten en randvoorwaarden 4.3 Verkeer Hoofdstuk 5 Milieuhygiënische en planologische verantwoording 5.1 Bodem 5.2 Geluid 5.3 Archeologie 5.4 Externe veiligheid 5.5 Luchtkwaliteit 5.6 Geur 5.7 Milieuzonering Bedrijventerrein Westrand 5.8 Ecologie 5.9 Water 5.10 Duurzaamheid 5.11 Trilling Hoofdstuk 6 Het bestemmingsplan 6.1 Het juridische plan 6.2 Bestemmingen Hoofdstuk 7 Haalbaarheid 7.1 Financiële haalbaarheid 7.2 Maatschappelijke haalbaarheid
Hoofdstuk 1 Inleiding
1.1 Aanleiding
De fa. Aalbers heeft in 2014 het 75 jarig jubileum mogen vieren en heeft thans diverse locaties binnen de gemeente Aalten in gebruik. Gelet op de ontwikkelingen op de biomassamarkt en grondstoffenrecycling heeft Aalbers inmiddels een gedegen positie in de regio gekregen. De firma heeft ruimtegebrek, omdat op de hoofdlocatie (Broekstraat 31) er beperkingen zijn om de gewenste uitbreidingen te realiseren.
Om toch een uitbreiding te kunnen realiseren is in 2013, in samenspraak met de gemeente Aalten besloten om een gedeelte van de voormalige gemeentewerf aan de Derde Broekdijk te huren. Daarnaast zijn er andere uitwijkmogelijkheden (voor de opslag van grondstoffen) gezocht om de huidige bedrijfsvoering uit te kunnen voeren.
Omdat de huidige bedrijfsprocessen nu op verschillende locaties zijn gelegen is een optimale bedrijfsvoering niet mogelijk. Veel tijd en energie (kosten) gaan verloren, doordat grondstoffen tussen de locaties onnodig getransporteerd moeten worden. Daarnaast heeft een naastgelegen bedrijf aan de hoofdlocatie uitbreidingsplannen die thans niet gerealiseerd kunnen worden. Om aan de uitbreidingswensen van de bedrijven en aan een efficiëntere werkwijze voor Aalbers tegemoet gekomen is besloten om actief te onderzoeken of het Werklandschap Aalten-West, thans ‘Bedrijventerrein Westrand’ een optie zou kunnen zijn om zoveel mogelijk activiteiten te centraliseren op één nieuw te ontwikkelen terrein. Dit terrein van circa 5 ha aaneengesloten wordt aangeduid als ‘Aalten bedrijventerrein Westrand’ en ligt aansluitend aan bedrijventerrein ‘t Broek.
Voorliggend bestemmingsplan beoogt de bedrijfsvestiging van Aalbers op de hoek Zomerweg/Sondernweg mogelijk te maken. Bij de kern Aalten zijn geen kavels voorhanden voor deze bedrijfsvestiging. Tevens voorziet het bestemmingsplan in de door de gemeente gewenste westelijke uitbreiding van bedrijventerrein ’t Broek. Uitgangspunt bij het opstellen van bestemmingsplan zijn een zorgvuldige inpassing in de omgeving en voldoende flexibiliteit ten aanzien van de bedrijfsvoering van Aalbers. Daarbij is maatwerk noodzakelijk.
1.2 Doel Doel van voorliggend bestemmingsplan is het bieden van een adequate juridisch planologische regeling voor de uitbreiding van Bedrijventerrein Westrand te Aalten. De omvang van het gebied bedraagt de nu nog “witte vlek” op de hoek Zomerweg/Sondernweg. Voor zover de gronden niet nodig zijn voor het bedrijf/de landschappelijke inpassing behouden de gronden een agrarische bestemming.
1.3 Ligging en begrenzing plangebied
Het plangebied is gelegen aan de westzijde van bedrijventerrein ’t Broek te Aalten en wordt aan de noordzijde begrensd door de Sondernweg. Een deel van het openbaar groen dat thans de rand vormt van het bestaande bedrijventerrein en de Sondernweg is meegenomen om een goede inpassing en ontsluiting van het plangebied mogelijk te maken. Het overig deel van het bestemmingsplan blijft agrarisch in gebruik, en houdt derhalve de bestemming agrarisch. Het gebied sluit aan op het bestaande bedrijventerrein ‘t Broek. Het openbaar groen langs de bestaande Zomerweg krijgt de bestemming bedrijventerrein zodat de bestaande bedrijven deze gronden kunnen gebruiken, in het bijzonder om de parkeerproblematiek op te lossen. Het groen wordt gecompenseerd aan de westzijde van het bedrijfsterrein. De ligging van het plangebied is te zien op navolgende afbeelding 1.1.
Figuur 1.1. plangebied “Aalten Bedrijventerrein Westrand
Figuur 1.2 Het plangebied
1.4 Vigerende bestemmingsplan Door de onthouding van goedkeuring aan het bestemmingsplan Werklandschap Aalten (201108109/1/R2; 23 mei 2012) herleeft voor dit plangedeelte het bestemmingsplan Buitengebied Aalten 2004, vastgesteld bij raadsbesluit van 14 december 2004. Voor deze gronden is in dat plan een agrarische bestemming toegekend. Verder wordt middels dit bestemmingsplan een klein deel van het bestemmingsplan “Landelijk Gebied 2015”en "Kern Aalten 2011" herzien. De ligging van het plangebied is hieronder aangegeven. Na de ter inzage legging van de Notitie Reikwijdte en Detailniveau eind 2016 is een agrarisch perceel ten zuiden van de bedrijfsbestemming bij de planvorming betrokken. Dit perceel wordt ingericht als natuur. Het is de bedoeling ter plaatse met name houtopstanden te realiseren; ook als afschermend groen.
Figuur 1.3 Verbeelding Bedrijventerrein Westrand Aalten (ontwerp)
1.5 Bij het plan behorende stukken Dit bestemmingsplan bestaat uit drie (onder)delen: een verbeelding waarop onder meer de bestemmingen in het plangebied zijn aangegeven, regels waarin de bouw- en gebruiksmogelijkheden voor de op de verbeelding vermelde bestemmingen zijn opgenomen en een toelichting waarin de achtergronden van het bestemmingsplan zijn beschreven. De verbeelding vormt samen met de regels het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan. In de toelichting worden de keuzes die in het bestemmingsplan worden gemaakt nader gemotiveerd en verantwoord. Hierin staat ook beschreven wat het vigerende beleid inhoudt en met welke (milieu)planologische aspecten rekening is gehouden.
1.6 Planmer De procedure van een milieueffectrapportage (m.e.r.) is bedoeld om het milieubelang vroegtijdig en volwaardig in de plan- en besluitvorming in te brengen. Een m.e.r. is altijd gekoppeld aan een besluit, bijvoorbeeld een structuurvisie, een bestemmingsplan of een omgevingsvergunning.
De m.e.r.-procedure is wettelijk vastgelegd in de Wet milieubeheer en het Besluit milieueffectrapportage en is een implementatie van de Europese Richtlijn 2001/42/EG in de nationale wetgeving. De Wet milieubeheer onderscheidt twee vormen van milieueffectrapportages, te weten milieueffectrapportage voor plannen (plan-m.e.r.) en milieueffectrapportage voor projecten (project-m.e.r.). Daarnaast kan sprake zijn van een m.e.r.-beoordeling of een vormvrije m.e.r.-beoordeling.
De plan-m.e.r.-verplichting geldt voor wettelijk of bestuursrechtelijk voorgeschreven plannen en programma's: waarvoor een passende beoordeling nodig is in het kader van de Natuurbeschermingswet (en daarmee in het kader van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn); die kaderstellend zijn voor activiteiten conform de beschrijving in het Besluit milieueffectrapportage (onderdeel C en D van de Bijlage bij het Besluit m.e.r.).
De project-m.e.r.-verplichting geldt: voor activiteiten die zijn opgenomen in bijlage C van het Besluit m.e.r., en deze activiteit de drempelwaarde in kolom 2 van de C-lijst overschrijdt en waartoe een besluit genomen moet worden zoals vermeld in kolom 4 van deze bijlage, of voor activiteiten die zijn opgenomen in bijlage D van het Besluit m.e.r waartoe een besluit genomen is dat een m.e.r. moet worden doorlopen.
Plan-m.e.r.-plicht: kaderstellend karakter van bestemmingsplan vanwege ontwikkeling van bedrijventerrein voor m.e.r.(beoordelings)plichtige activiteit(en). Het kaderstellend karakter van de ontwikkelingsmogelijkheden van bedrijfsactiviteiten (18.1 D-lijst) in het bestemmingsplan leidt tot een plan-m.e.r.-plicht voor het bestemmingsplan. Aangezien ook een plan-m.e.r.-plicht bestaat vanuit het kaderstellend karakter van het plan, kan de stap van de m.e.r.-beoordeling worden overgeslagen. De m.e.r.-beoordeling is immers niet anders dan de keuze van het bevoegd gezag of een m.e.r.-procedure doorlopen moet worden. Aangezien een plan-m.e.r.-procedure doorlopen moet worden, is het niet noodzakelijk separate m.e.r.-beoordeling op te stellen. De effecten van de totale ontwikkeling worden in het plan-m.e.r. beschouwd.
Deze plan-m.e.r.-procedure is doorlopen in samenhang met de bestemmingsplanprocedure.
De Notitie reikwijdte en detailniveau heeft vanaf 22 november 2016 gedurende zes weken ter inzage gelegen. In het kader van de ter inzagelegging zijn 8 inspraakreacties ontvangen. Deze zijn bij het opstellen van het planmer en het ontwerpbestemmingsplan betrokken. De MER is opgenomen in bijlage 1. Het toetsingsadvies van de Mer-commissie is opgenomen in bijlage 2 en de Notitie Reikwijdte Detailniveau (NRD) (inclusief reactienota) is opgenomen in bijlage 3.
1.7 Leeswijzer Het eerste gedeelte betreft de toelichting van dit bestemmingsplan. Hierin wordt in hoofdstuk 2 een beschrijving gegeven van de bestaande situatie. In hoofdstuk 3 wordt aandacht besteed aan het relevante beleid en in hoofdstuk 4 volgt de planbeschrijving. In hoofdstuk 5 wordt ingegaan op de milieuhygiënische en planologische aspecten. De juridische opzet van
het plan wordt in hoofdstuk 6 uiteengezet. In hoofdstuk 7 komt tot slot de financiële en maatschappelijke haalbaarheid van het plan ter sprake.
De regels behorende bij dit bestemmingsplan staan in het tweede deel. De regels bestaan uit vier hoofdstukken, waarin de inleidende regels in hoofdstuk 1 zijn opgenomen, de bestemmingsregels in hoofdstuk 2, de algemene regels in hoofdstuk 3 en de overgangs- en slotregels in hoofdstuk 4.
Figuur 1.4 luchtfoto plangebied
Hoofdstuk 2 Beschrijving bestaande situatie Voor het opstellen van een bestemmingsplan is het van belang dat de uitgangssituatie, de bestaande situatie in het plangebied, goed in beeld wordt gebracht. In dit hoofdstuk volgt een beschrijving van deze bestaande situatie.
2.1 Historische ontwikkeling Het plangebied ligt tegen de bebouwingsgrens van Aalten tussen de Sondernweg en Zomerweg in het zuidwesten van het buitengebied. Het plangebied bestaat momenteel uit een weiland. Het gebied bevindt zich in het stuwwal- en grondmorenenlandschap van Midden- en Oost-Nederland en ligt op de rand van het Oost-Nederlands Plateau. De omgeving wordt gekenmerkt door dekzandruggen, als dan niet met een oud bouwlanddek.
Het plangebied is gelegen op de flank van een dekzandrug. Het plangebied ligt op een verhoging in het landschap op een es. Deze es heeft een hoogte van 24,6m+NAP. Het laagste deel van het plangebied heeft een hoogte van 22,7m+NAP.
De kaart van 1823 geeft een heidegebied weer met een weg door het plangebied. Op het Kadastrale Minuutplan van 1811-1832 is zichtbaar dat het plangebied bestaat uit meerdere percelen en enkele wegen. Op de kaart van 1852 is zichtbaar dat aan de noord- en noordoostzijde en in het zuiden van het plangebied begroeiing is weergegeven. Twee wegen lopen door het plangebied waarvan één krom loopt.
Figuur 2.1 Situatie rond 1889, met plangebied in het rode kader
De kaart van 1889 geeft opgaand naaldbos weer aan de noordrand. In het midden van het plangebied is een groene, hoekige perceelsgrens. Er staat bebouwing op het uiterste zuidoostelijke punt van het plangebied. Ten hoogte van deze bebouwing loopt een groene perceelsgrens met bomen aan de noordzijde. De kaart van 1926 geeft een verhoogde weg weer in het noorden en oosten. Op het zuidelijke perceel lijkt de grond verhoogd te zijn. De perceelsgrens in het midden van het plangebied die naar de bebouwing liep is weg. Tevens is de kromme weg aan de noordoostzijde korter geworden in het noordoosten. Op de kaart van 1960 is de oostelijke weg verlegd en volgt nu de afgeronde perceelsgrens in het noorden en de perceelsgrens van 1889 in het zuiden. In 1980 is te zien dat de oostelijke weg is rechtgetrokken en het noordelijke deel is in twee percelen gesplitst. De kaart van 2000 geeft aan dat in het noorden één lang perceel langs de Zomerweg ligt. In het zuidelijke deel staat bebouwing in de zuidoostelijke knik.
Figuur 2. 2 situatie rond 2000 met het voorgenomen bedrijventerrein in het rode kader
De geraadpleegde historische kaarten bevestigen dat het plangebied tot en met het heden uit weide bestond. Vóór circa 1850 is het gebruik van het plangebied en omgeving onduidelijk. Voor zover bekend is het plangebied, op de bebouwing in het zuidoostelijke punt na, onbebouwd geweest. In het zuidoostelijke deel van het plangebied was tot ca. 2004 een burgerwoning aanwezig is. Deze is bij de ontwikkeling van het bedrijventerrein Industrieterrein II-2000 gesaneerd.
2.2 Ruimtelijke structuur 2.2.1 Bebouwing Het plangebied ligt aan de Sondernweg ten zuidwesten van Aalten en is momenteel onbebouwd. De directe omgeving van het plangebied wordt gekenmerkt door enerzijds het open agrarisch gebied tussen de Zomerweg en Sondernweg met in de directe nabijheid van het plangebied een drietal agrarische bedrijven en anderzijds bedrijfsbebouwing behorende tot het bestaande bedrijventerrein ‘t Broek.
Figuur 2.3 Bedrijventerrein ‘t Broek De bebouwing aan de Zomerweg en Sondernweg wordt gekenmerkt door een grote diversiteit in bouwstijlen, dakvormen, kaprichtingen, goten nokhoogtes, situering en functies. Dit beeld is ontstaan doordat in verschillende periodes is gebouwd en op locaties van eerdere bebouwing soms herontwikkeling heeft plaatsgevonden. Zodoende is er een onregelmatig bebouwingsritme ontstaan met enkele verspreid liggende woningen en bedrijven.
De hoofdgebouwen bestaan veelal uit één- of twee bouwlagen en zijn voorzien van een kap. Ten oosten en zuidoosten van het plangebied ligt bedrijventerrein ‘t Broek. Dit bedrijfsterrein is nagenoeg geheel verkaveld/bebouwd. Dit deel wordt gekenmerkt door een onregelmatig bebouwingsritme. Verspreid over het terrein staan meerdere bedrijfshallen. De ruimte rondom de bedrijfshallen wordt veelal gebruikt voor de opslag van materieel. Daarnaast wordt dit terrein gekenmerkt door de aanwezigheid van enkele bedrijfswoningen.
2.2.2 Verkeer Ontsluiting Het plangebied ligt binnen een structuur van landelijke wegen en verbindingswegen. Ten noorden van het plangebied ligt de Sondernweg. De Sondernweg heeft buiten de bebouwde kom een maximumsnelheid van 60 km/h. De Sondernweg sluit aan op de Nijverheidsweg. Deze weg is de belangrijkste westelijke ontsluitingsroute voor de kern Aalten. Vanuit de Nijverheidsweg wordt het bedrijventerrein 't Broek ontsloten. In zuidelijke richting loopt de Zomerweg. Ook deze landelijke weg leidt uiteindelijk naar bedrijventerrein ’t Broek. Op de Zomerweg geldt een maximumsnelheid van 60 km/h.
2.2.3 Groen Het plangebied is momenteel in agrarisch gebruik (grasland). Alleen aan de randen is opgaande begroeiing aanwezig in de vorm van bomen en struiken. In het zuiden van het plangebied zijn wat bestaande houtopstanden aanwezig. Het gaat om kweekgoed op een voormalige huiskavel dat niet is verplant. Langs de Sondernweg en Zomerweg staan bomen. De directe omgeving van het plangebied heeft, ondanks de aanwezigheid van een bedrijventerrein, een groene uitstraling. Dit heeft een drieledige oorzaak. Allereerst ligt er ten zuiden van het plangebied, aan de Zomerweg de hierboven reeds genoemde kleine bosschage. Ten tweede ligt ten westen van het plangebied het agrarisch gebied met een agrarisch bedrijf. Tenslotte is er gezien de ligging van het bedrijventerrein op veel plekken zicht op het buitengebied.
2.2.4 Water In de directe omgeving van het plangebied zijn geen sloten of andere waterlopen aanwezig. In het zuiden van het plangebied is een (retentie)vijver aanwezig, bedoeld voor de afwatering van de aangrenzende percelen.
2.3 Functionele structuur
Zoals in paragraaf 2.2 al is aangegeven wordt de directe omgeving van het plangebied gekenmerkt door de aanwezigheid van enerzijds bedrijvigheid op bedrijventerrein ‘t Broek en anderzijds woningen verspreid over het buitengebied. Naast de woningen liggen in het omliggende buitengebied ook enkele agrarische bedrijven. Bedrijventerrein ‘t Broek is een bedrijventerrein met een gemengd karakter. De bedrijven die gevestigd zijn op dit bedrijventerrein zijn zeer divers van aard en omvang en zijn grotendeels aan te merken als categorie-2 bedrijven conform de Staat van Bedrijfsactiviteiten (bijlage 1 bij de regels). Een aantal bedrijven valt onder categorie 3.1, 3.2, 4.1 of 4.2. Daarnaast zijn op het bedrijventerrein ook enkele bedrijfswoningen aanwezig.
Hoofdstuk 3 Beleidskader In dit hoofdstuk wordt ingegaan op het beleidskader dat van toepassing is op het plangebied en de beoogde ontwikkeling.
3.1 Nationaal beleid 3.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte Op 13 maart 2012 is de definitieve Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) vastgesteld. In de SVIR staan de plannen voor ruimte en mobiliteit. Provincies en gemeenten krijgen in de plannen meer bewegingsvrijheid op het gebied van ruimtelijke ordening.
De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte vervangt verschillende bestaande nota's waaronder de Nota Ruimte en de Nota Mobiliteit. Het huidige stelsel van regels en procedures is steeds omvangrijker en complexer geworden. Dit zet een behoorlijke rem op nieuwe ontwikkelingen. Om goed op deze ontwikkelingen in te spelen, is een beleid nodig dat toekomstbestendig is en de gebruiker ruimte geeft. Dit vraagt een grondige actualisatie van de bestaande beleidsnota's voor ruimte en mobiliteit. Overheden, burgers en bedrijven krijgen de ruimte om oplossingen te creëren. Zij verdienen het vertrouwen dat ze dat op een goede manier doen. Het Rijk gaat zo min mogelijk op de stoel van provincies en gemeenten zitten en richt zich op het versterken van de internationale positie van Nederland en het behartigen van de belangen voor Nederland als geheel, zoals de hoofdnetwerken voor personen- en goederenvervoer, energie en natuur. Ook waterveiligheid en milieukwaliteit (lucht, geluid, bodem, water en externe veiligheid) horen daarbij, evenals de bescherming van ons werelderfgoed (zoals de Waddenzee en de Nieuwe Hollandse Waterlinie).
Afspraken over verstedelijking, groene ruimte en landschap laat het Rijk over aan de provincies en gemeenten. Gemeenten krijgen ruimte voor kleinschalige natuurlijke groei en voor het bouwen van huizen die aansluiten bij de woonwensen van mensen. Het roer moet om in de gebiedsontwikkeling. De daadwerkelijke vraag van bewoners, bedrijven en organisaties wordt daarin leidend. Om een zorgvuldig gebruik van de schaarse ruimte te bevorderen, is een ladder voor duurzame verstedelijking geïntroduceerd.
Dat betekent: eerst kijken of er vraag is naar een bepaalde nieuwe ontwikkeling, vervolgens kijken of het bestaande stedelijk gebied of bestaande bebouwing kan worden hergebruikt en mocht nieuwbouw echt nodig zijn, dan altijd zorgen voor een optimale inpassing en bereikbaarheid. Het Rijk snoeit in het woud van procedures en brengt eenheid in het stelsel van regels voor infrastructuur, water, wonen, milieu, natuur en monumenten. Een en ander is vastgelegd in de Omgevingswet die medio 2019 in werking treedt.
3.1.2 Ladder voor duurzame verstedelijking Op 1 oktober 2012 is het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gewijzigd en is de ‘ladder voor duurzame verstedelijking’ daaraan toegevoegd. De ladder ondersteunt gemeenten en provincies in vraaggerichte programmering van hun grondgebied, het voorkomen van overprogrammering en de keuzes die daaruit volgen. De ladder voor duurzame verstedelijking is het kader voor alle juridisch bindende ruimtelijke plannen van de decentrale overheden. Overheden dienen nieuwe stedelijke ontwikkelingen te motiveren met drie opeenvolgende stappen. De stappen bewerkstelligen dat de wens om een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk te maken nadrukkelijk wordt gemotiveerd en afgewogen met oog voor de ruimtevraag, de beschikbare ruimte en de ontwikkeling van de omgeving waarin het gebied ligt.
Bepalen regionale vraag naar ruimte (trede 1) Trede 1 vraagt de regionale ruimtevraag (kwantitatief en kwalitatief) voor stedelijke ontwikkelingen te bepalen. Dit betreft wonen, werken, detailhandel en overige stedelijke voorzieningen.
Extra ruimte voor ontwikkeling kan op twee manieren worden gecreëerd. De makkelijkste manier is het benoemen van nieuwe uitleglocaties. Echter, vanuit de gedachte van een zuinig ruimtegebruik zal in eerste instantie naar de tweede mogelijkheid moeten worden gekeken: extra bedrijfsruimte creëren door inbreiding.
Daarom is braakliggende grond geïnventariseerd op onder andere bestaande bedrijventerreinen die geschikt is voor eventuele bedrijfshuisvesting. Intensivering door bijvoorbeeld functies te stapelen is buiten beschouwing gelaten. Binnen het bestaande bedrijventerrein te Aalten zijn slechts enkele kleine kavels uitgeefbaar. Deze zijn veelal in handen van derden.
De gemeente Aalten kan niet aan de behoefte van dit bedrijf voldoen door alleen in te breiden. Daar komt bij dat de haalbaarheid van deze inbreidingsopties nog onzeker is en te beperkt van omvang ten behoeve van het bedrijf Aalbers. Dit wordt verderop in de toelichting onderbouwd en uitgeschreven.
Geconstateerd kan worden dat er zeker sprake is van een lokale vraag en dat zich een verschil tussen behoefte en capaciteit aftekent, waarin ruimte is voor onderhavig bedrijventerrein.
Bouwen binnen bestaand stedelijk gebied (trede 2) Trede 2 motiveert of de beoogde ontwikkeling plaats kan vinden binnen bestaand stedelijk gebied. Bij voorgaande trede is reeds inzichtelijk gemaakt dat de capaciteit niet binnen bestaand stedelijk gebied gevonden kan worden. De locatie bevindt zich in een gebied dat in de Ruimtelijke Verordening Gelderland (zowel in de geconsolideerde versie als in de laatste herziening) is aangewezen als een zachte ‘uitbreiding van het bedrijventerrein van 5 tot 15 hectare.
Het sluit aan op een gebied met bestaande bedrijvigheid aan de Zomerweg. Het past binnen het beleid, zoals vastgelegd in de Structuurvisie Bedrijventerreinen en Werklocaties dat de aanleg van lokale terreinen alleen nog mag plaatsvinden aansluitend bij al aanwezige bedrijventerreinen of aansluitend bij kernen waar al bedrijventerrein is gevestigd en dat aard en schaal van nieuw te vestigen bedrijven, voorzieningen en instellingen en dergelijke passen bij, of een goede aanvulling zijn op, het bestaande productiemilieu, de werkgelegenheidsstructuur en de omvang van de woonkern.
Bouwen buiten bestaand stedelijk gebied (trede 3) In trede 3 gaat het om stedelijke uitleg en wel op een zodanige locatie dat het uitleggebied passend (in de duurzaamheidsladder wordt gesproken over ‘multimodaal’) ontsloten is of kan worden, wat aangemerkt kan worden als een kwaliteit voor de betreffende locatie. Het gaat in dit om een specifieke bedrijfsbestemming voor een lokaal bedrijf, direct aansluitend aan bestaand stedelijk gebied.
Multimodale ontsluiting is een relatief zware kwaliteitsnorm voor een bedrijventerreinuitbreiding als onderhavig initiatief. Toch kan, kijkend naar mogelijkheden voor multimodale ontsluiting geconstateerd worden dat de locatie van het initiatief hiertoe gunstig gesitueerd is ten opzichte van andere plekken in Aalten: Het perceel ligt direct goed ontsloten aan de Sondernweg die direct aansluit op de ontsluitingsroute aan de westzijde van het dorp Aalten (Nijverheidsweg). De Nijverheidsweg maakt zowel verbindingen mogelijk naar Varsseveld/A18 als naar Dinxperlo en Bocholt (BRD). Deze weg sluit direct aan op de Provinciale weg ten noorden (Varsseveldsestraatweg N318) en ten zuiden op de Bocholtsestraatweg die uitkomt op de Provinciale weg (Hamelandroute N318) en de Provinciale weg (Dinxperlosestraatweg N819). Tevens is het perceel gelegen op korte afstand van het centrum en is dus zowel vanuit Aalten als daarbuiten goed bereikbaar. Het perceel ligt op een afstand van ca. 1 km van het treinstation. De Sondernweg is goed bruikbaar en bereikbaar voor langzaam verkeer. De verkeersintensiteiten op deze weg zijn relatief laag.
Conclusie De afweging aan de hand van de ladder voor duurzame verstedelijking laat zien dat er voldoende basis is voor onderhavig initiatief.
3.1.3 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte bepaalt dat voor een beperkt aantal onderwerpen de bevoegdheid om algemene regels te stellen zou moeten worden ingezet. Het gaat om de volgende nationale belangen: Rijksvaarwegen, Project Mainportontwikkeling Rotterdam, Kustfundament, Grote rivieren, Waddenzee en waddengebied, Defensie, Ecologische hoofdstructuur, Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde, Hoofdwegen en hoofdspoorwegen, Elektriciteitsvoorziening, Buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen, Primaire waterkeringen buiten het kustfundament en IJsselmeergebied (uitbreidingsruimte).
De SVIR bepaalt welke kaderstellende uitspraken zodanig zijn geformuleerd dat deze bedoeld zijn om beperkingen te stellen aan de ruimtelijke besluitvormingsmogelijkheden op lokaal niveau. Ten aanzien daarvan is een borging door middel van normstelling, gebaseerd op de Wro, gewenst. Die uitspraken onderscheiden zich in die zin dat van de provincies en de gemeenten wordt gevraagd om de inhoud daarvan te laten doorwerken in de ruimtelijke besluitvorming. Zij zijn dus concreet normstellend bedoeld en worden geacht direct of indirect, d.w.z. door tussenkomst van de provincie, door te werken tot op het niveau van de lokale besluitvorming, zoals de vaststelling van bestemmingsplannen.
Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) bevestigt in juridische zin die kaderstellende uitspraken. Slechts daar waar een directe doorwerking niet mogelijk is, bij de Ecologische Hoofdstructuur en bij de Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde, is gekozen voor indirecte doorwerking via provinciaal medebewind. Voor deze onderwerpen voorziet het besluit ook niet in de (definitieve) begrenzing. Ten aanzien van deze begrenzing is bepaald dat de provincies die grenzen (nader) bepalen. Een deel van het Barro is gebaseerd op eerdere PKB’s en beleidsnota's die in de SVIR zijn herbevestigd. Deze onderdelen zijn op 30 december 2011 in werking getreden. Het betreft de volgende onderdelen: Project Mainportontwikkeling Rotterdam; Kustfundament; Grote rivieren; Waddenzee en waddengebied; Defensie, en Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde.
Op 28 augustus 2012 is het besluit aangevuld met voorschriften voor de andere beleidskaders uit de SVIR, het Nationaal Waterplan en het Derde Structuurschema Elektriciteitsvoorziening. Het gaat hierbij om de volgende onderwerpen: Rijksvaarwegen; Hoofdwegen en hoofdspoorwegen; Elektriciteitsvoorziening; Buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen; Ecologische hoofdstructuur (EHS); Primaire waterkeringen buiten het kustfundament, en IJsselmeergebied (uitbreidingsruimte).
3.2 Provinciaal beleid 3.2.1 Omgevingsvisie Sinds 18 oktober 2014 zijn de Gelderse Omgevingsvisie en -verordening van kracht. De Omgevingsvisie vervangt vijf strategische provinciale plannen op het gebied van ruimte, water, natuur, milieu en mobiliteit. De Omgevingsverordening vervangt 27 provinciale verordeningen. Het Omgevingsbeleid van de provincie is daarmee eenvoudiger geworden en kent meer samenhang. De Omgevingsvisie en –verordening zijn ook dynamische instrumenten. Ze worden bijgesteld als ontwikkelingen daarom vragen.
De provincie Gelderland heeft in de Omgevingsvisie vier doelen gedefinieerd. Het zijn doelen die de rol en kerntaken van de provincie als middenbestuur benadrukken. 1. Een duurzame economische structuurversterking. Een gezonde economie met een aantrekkelijk vestigingsklimaat vraagt om sterke steden en een vitaal landelijk gebied met voldoende werkgelegenheid. Het streven is om de concurrentiekracht van Gelderland te vergroten door het duurzaam versterken van de ruimtelijk-economische structuur. De komende jaren zullen minder in het teken staan van denken in termen van ‘groei’ en meer in termen van ‘beheer en ontwikkeling van het bestaande’. 2. Het borgen van de kwaliteit en veiligheid van onze leefomgeving. Dit doel betekent vooral: - ontwikkelen met kwaliteit, recht doen aan de ruimtelijke, landschappelijke en cultuurhistorische kwaliteiten van de plek; uitgaan van doelen, niet van regels. 3. Zorg dragen voor een compact en hoogwaardig stelsel van onderling verbonden natuurgebieden en behoud en versterking van de kwaliteit van het landschap, een robuust en toekomstbestendig water- en bodemsysteem voor alle gebruiksfuncties; bij droogte, hitte en waterovervloed. 4. Een gezonde en veilige leefomgeving.
Om deze doelen in beleid te vertalen, hanteert de provincie drie aandachtsgebieden: Dynamisch, Mooi en Divers Gelderland. Ontwikkelingen in Gelderland wil de provincie benaderen vanuit elk van deze drie perspectieven, die elkaar aanvullen: Dynamisch: de (ruimtelijk-economische) ontwikkelingen en de geleiding daarvan op provinciaal niveau. Mooi: de Gelderse kwaliteiten die bescherming nodig hebben en ruimte voor behoud door ontwikkeling. Divers: het herkennen van de regionale verschillen in maatschappelijke vraagstukken en opgaven en het koesteren van de regionale identiteiten.
De noodzaak tot uitbreiding van bestaande bedrijventerreinen of de ontwikkeling van nieuwe moet worden bezien in relatie tot de mate waarin met inbreiding en/of herstructurering van bestaande terreinen ruimte voor bedrijvigheid kan worden gevonden. Wanneer dit niet het geval is dient de ontwikkeling van bedrijventerreinen ruimtelijk te worden geconcentreerd en gebundeld op de beste locaties en dus zoveel mogelijk aan te sluiten bij bestaande stedelijke gebied en infrastructuur.
De locatiekeuze van bedrijven en voorzieningen dient het resultaat te zijn van een afweging tussen economie (behoefte aan vestigingsmogelijkheden voor bedrijven), bereikbaarheid (ontsluitingsmogelijkheden van locaties) en leefbaarheid (ruimtelijke- en milieukwaliteiten). Van essentieel belang daarbij is dat het mobiliteitsprofiel van de te vestigen (gevestigde) bedrijven, voorzieningen en instellingen overeenkomt met het mobiliteitsprofiel van de betreffende locatie/knooppunt.
Het planvoornemen bestaat uit de uitbreiding van een bestaand bedrijventerrein (‘t Broek). Dit bedrijventerrein is zeer gunstig gelegen vanwege de directe aansluiting op de Sondernweg. De ontwikkeling in het plangebied sluit derhalve aan bij bestaand stedelijk gebied en infrastructuur en past derhalve ook binnen het provinciaal beleid.
Beleid bedrijventerreinen
Drie provinciale hoofddoelen. De uitgangspunten voor bedrijventerreinen zijn als volgt. 1. De ondernemer staat centraal. Om aan de slag te gaan met kwaliteitsverbetering moeten er kansen of knelpunten zijn bij het Gelderse midden- en kleinbedrijf, de maakindustrie of andere topsectoren met een aantoonbare economische urgentie. Zowel voor bedrijfsverplaatsing als herstructurering. De provincie werkt vraag gestuurd. 2. Werken in partnerschap. Publieke en private investeringen versterken elkaar. De gemeente heeft primair de verantwoordelijkheid voor de openbare ruimte. Eigenaren en gebruikers hebben de verantwoordelijkheid voor de private ruimte. De provincie verbindt de publieke en private opgave aan elkaar om te komen tot een grotere toegevoegde waarde. De provincie begeleidt het proces en ondersteunt ondernemers via een 'rode loper'- benadering. Beheer en zorg voor de juiste kwaliteit op terreinen moeten meer aandacht krijgen van gebruikers, ontwikkelaars en lokale overheden. 3. Revolverende inzet van middelen. Waar mogelijk wil de provincie provinciaal geld revolverend inzetten. In eerste instantie door het benutten van reeds bestaande fondsen. Bij de herstructurering van bedrijventerreinen bestaan echter ook knelpunten van ondernemers in de openbare ruimte. Het subsidie-instrument blijft bestaan. De provincie wil investeren, mits de partners hun verantwoordelijkheid nemen.
Met gerichte investeringen geeft de provincie het benodigde zetje om gebiedsontwikkeling met grote toegevoegde op gang te krijgen.
Ambitie en rol van de provincie De provincie en haar partners streven samen naar voldoende voorraden bedrijventerreinen van de juiste kwaliteiten om gerichte groei te faciliteren. Zij zien de volgende opgaven: vraag en aanbod van bedrijventerreinen kwantitatief en kwalitatief op elkaar afstemmen; bereikbaarheid afstemmen op de behoefte van de gebruikers; duurzaamheidscriteria stellen bij de inrichting en het beheer; anticiperen op horizontale en verticale ketenintegratie. De bestaande bedrijventerreinen moeten kwalitatief hoogwaardig blijven, waar nodig door tijdige revitalisering of herstructurering.
Bedrijventerreinen agenda De provincie gaat uit van de kracht van bedrijven en staat voor een ondernemersgerichte benadering. De provincie begeleidt initiatieven en plannen die de economische kracht en dynamiek vergroten en verbeteren. In elke regio identificeert de provincie waar deze kracht en dynamiek zich bevindt en waar deze wordt bekneld door ruimtelijke of milieuhygiënische vraagstukken. Samen met partners gaat de provincie op zoek naar oplossingen.
Werkwijze: Regionaal Programma Bedrijventerreinen De bestemming tot bedrijventerrein is in Gelderland slechts toegestaan indien dit past in de regionale afspraken over de programmering van bedrijventerreinen. Deze afspraken worden opgenomen in een zogenaamd Regionaal Programma Bedrijventerreinen (RPB) dat door het college van GS wordt vastgesteld. Daaronder vallen onder meer afspraken over regionale bedrijventerreinen, intergemeentelijke terreinen en kadegebonden terreinen. Het uitgangspunt is zorgvuldig ruimtegebruik: terughoudend zijn met het ontwikkelen van nieuwe bedrijventerreinen. De regionale afspraken moeten overcapaciteit tegengaan en ruimte bieden om te kunnen inspelen op nieuwe gewenste ontwikkelingen.
De provincie gaat uit van de regionale programmeringsafspraken die zijn gemaakt over voorraden en soorten bedrijventerreinen of werklocaties. Deze afspraken moeten zorgen voor voldoende kwaliteit en kwantiteit van bedrijventerreinen. De provincie en haar partners voeren in zes regio's de Regionale Programma's voor Bedrijventerreinen (RPB's) de vastgelegde afspraken (2011 en 2012) uit. In elke regio zijn minimaal afspraken over de planning van bedrijventerreinen gemaakt. Indien er overlap bestaat tussen de programmering van bedrijventerreinen met andere werklocaties zoals kantoren en perifere detailhandel, dan ligt het voor de hand om één regionaal afsprakenkader te maken: een Regionaal Programma Werklocaties.
Het is van belang dat het regionaal afsprakenkader actueel is. In principe heeft de provincie een faciliterende rol. Mocht een actueel afsprakenkader regionaal niet tot stand komen binnen een redelijke termijn, of mochten Gedeputeerde Staten constateren dat de kwaliteit van de afspraken onvoldoende is, dan ziet de provincie het als haar verantwoordelijkheid om zelfstandig programmeringsafspraken op en vast te stellen.
Provinciaal belang Ladder van duurzame verstedelijking De rijksladder voor duurzame verstedelijking is van toepassing op elk ruimtelijk besluit dat voorziet in een stedelijke ontwikkeling. De provincie zal in samenwerking met haar partners aangeven over welke plannen zij in overleg wil. De provincie wil hierbij focussen op plannen die van provinciaal belang zijn.
Naast het inzien van bestemmingsplannen die inhoudelijk het provinciaal belang raken is de provincie ook verantwoordelijkheid voor het generieke toezicht op de toepassing van de rijksladder voor duurzame verstedelijking. De provincie kan hierbij zelf de wijze van toezicht bepalen. Dit is conform bestuurlijke afspraken over interbestuurlijk toezicht en conform de Wet Revitalisering generiek toezicht. Ook hierover zal de provincie Gelderland het gesprek aangaan met de Gelderse gemeenten.
Bestaande voorraad gebouwen Binnen bestaand stedelijk gebied heeft hergebruik, transformatie en revitalisering van de bestaande voorraad aan gebouwen prioriteit boven het benutten van nog open plekken in stedelijk gebied.
Beschikbare grond De ladder impliceert niet dat elke open (groene) plek bebouwd dient te worden. Het gaat om het maken van een zorgvuldige afweging, waarbij stedenbouw, wateropvang, klimaatadaptie en leefomgevingskwaliteiten redenen kunnen zijn om open plekken in het stedelijk weefsel te handhaven en te versterken. Gelders Natuurnetwerk Intensieve samenwerking tussen Gelderse partners heeft geleid tot een samenhangend omgevingsbeleid voor natuur en landschap aan de hand van verschillende ruimtelijke categorieën en andere instrumenten. Om de nieuwe verantwoordelijkheid van de provincie te benadrukken spreekt de provincie niet meer van een Ecologische Hoofdstructuur, maar van het Gelders Natuurnetwerk (GNN). Het Gelders Natuurnetwerk is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuur van internationaal, nationaal en provinciaal belang. Het GNN bestaat uit alle terreinen met een natuurbestemming binnen de voormalige EHS en bevat tevens een zoekgebied van 7.300 ha voor de nog te realiseren 5.300 ha nieuwe natuur. De provincie streeft naar het opheffen van versnippering en een goede aansluiting tussen het Natuurnetwerk en het Duitse Biotopverbund. Centraal staat de bescherming van de kernkwaliteiten. De kernkwaliteiten bestaan uit de bestaande natuurwaarden, de nog te ontwikkelen potentiële waarden en de omgevingscondities, zoals stilte.
Nieuwe functies Nieuwvestiging en grootschalige ingrepen zijn alleen mogelijk wanneer: er geen reële alternatieven zijn; een groot maatschappelijk belang in het geding is.
Per saldo moet elke ontwikkeling een verbetering van de kernkwaliteiten in het Gelders Natuurnetwerk opleveren. In dat saldo zijn vergroting van de oppervlakte natuur en versterking van de ecologische samenhang belangrijke randvoorwaarden.
Uitbreiding bestaande functies Voor bestaande functies zijn er beperkte ontwikkelingsmogelijkheden, namelijk voor gevallen waarbij er geen reële alternatieven zijn voor verplaatsing van de functie naar een plek buiten het Gelders Natuurnetwerk. De provincie stelt bij een aantasting van de kernkwaliteiten steeds de voorwaarde dat er een compensatieplan gemaakt wordt waarbij de bestaande natuurwaarden worden versterkt. De initiatiefnemer is verantwoordelijk voor de compensatie.
3.2.2 Omgevingsverordening Gelderland Op 24 september 2014 is de Omgevingsverordening Gelderland door Provinciale Staten vastgesteld. Met de omgevingsverordening stelt de provincie regels voor onderwerpen die van provinciaal belang zijn, zoals verstedelijking, natuur, nationale landschappen, water en glastuinbouw. De verordening betekent geen verandering in het ruimtelijk beleid van de provincie, maar is de ‘juridische vertaling’ van de hiervoor samengevatte Omgevingsvisie.
Conclusie is dat het voornemen in overeenstemming is met het provinciaal beleid. Het plangebied ligt niet in het Gelders Natuurnetwerk, Groene Ontwikkelingszone of een Natura-2000gebied.
3.3 Regionaal beleid 3.3.1 Regionale structuurvisie Achterhoek 2012 De gemeenteraden van Aalten, Berkelland, Bronckhorst, Doetinchem, Oost Gelre, Oude IJsselstreek en Winterswijk hebben in hun vergaderingen van april/mei 2012 de 'Regionale structuurvisie Achterhoek 2012' vastgesteld. De gemeenteraad van Montferland heeft de visie niet formeel vastgesteld, maar daaraan wel instemming betuigd, omdat Montferland voor ruimtelijk ordening tevens deel uitmaakt van de Stadsregio. De Regionale structuurvisie is een actualisatie van de visie uit 2004. Er is gekozen voor een actualisatie, omdat in de Achterhoek zich een aantal belangrijke en ingrijpende economische en maatschappelijke ontwikkelingen voordoen, zoals: energietransitie en het inspelen op de gevolgen van de klimaatveranderingen; bevolkingsverandering, krimp, vergrijzing en ontgroening; de veranderingen in de landbouw en het landelijk gebied; positionering van de Achterhoek in (inter)nationaal perspectief.
Deze ontwikkelingen zullen gevolgen hebben voor de manier waarop er nu gewoond, geleefd en gewerkt wordt in de Achterhoek. Ze hebben ook invloed op de wijze waarop geld verdiend wordt in de regio. Wijzigingen hierin kunnen ruimtelijke consequenties hebben. De geactualiseerde visie geeft richting aan het regionaal ruimtelijk beleid om de transitieopgaven goed te kunnen faciliteren. Dit door belangrijke ruimtelijke thema's te agenderen en hierop afstemming tussen gemeenten te zoeken. Het doel is, dat de Achterhoek ook in de toekomst een vitale, regionale economie heeft en een zeer prettige omgeving blijft om in te wonen en te recreëren. De visie sluit aan bij de Agenda 2020 van Regio Achterhoek en de provinciale regioverkenningen. Inhoudelijk beschrijft de structuurvisie: samenwerking op volkshuisvesting, bedrijfsvestigingen en functieveranderingsbeleid; bereikbaarheid van de regio, zowel fysiek als digitaal; balans tussen bestaande en nieuwe kwaliteiten in de landbouw/het landschap;. innoveren van de maakindustrie en landbouw en het verduurzamen van productieprocessen en energievoorziening; ruimtelijk wordt de 'ja, mits' benadering leidend.
Deze visie is geen blauwdruk voor hoe het allemaal zou moeten. Respect voor het Achterhoekse landschap staat voorop, maar het ruimtelijk beleid mag innovatieve en duurzame ontwikkelingen niet in de weg staan. Van belang is om flexibel te blijven.
3.3.2 Waterbeheerplan 2010-2015 (Waterschap Rijn en IJssel) Het Waterschap Rijn en IJssel heeft in het Waterbeheerplan 2010-2015 haar nieuwe beleid vermeld. Dit plan is opgesteld in samenwerking met vier andere waterschappen, die deel uitmaken van deelstroomgebied Rijn-Oost. Dit plan is per 1 januari 2010 in werking getreden. De opdracht van de waterschappen in Rijn-Oost is te zorgen voor voldoende water, schoon water en voor veilig wonen en werken op de taakvelden watersysteem, waterketen en veiligheid. Het waterschap houdt daarbij rekening met agrarische, economische, ecologische en recreatieve belangen. Aandachtspunten zijn het verbeteren van ecologische en chemische waterkwaliteit (terugdringen van oppervlaktewatervervuiling) en het voorkomen van
wateroverlast, waarbij rekening wordt gehouden met het veranderende klimaat. In zowel landelijk als stedelijk gebied kunnen ruimtelijke ontwikkelingen een positief maar ook een negatief effect hebben op het watersysteem
3.3.3 Regionaal Programma Bedrijventerreinen 2011 Medio 2011 hebben acht gemeenten in de Achterhoek het Regionaal Programma Bedrijventerreinen (RPB) opgesteld. GS van Gelderland hebben dit RPB in december van dat jaar vastgesteld. Doel van het RPB was de bedrijventerreinopgave te definiëren en afspraken te maken over te nemen maatregelen en activiteiten. Het RPB 2011 is het vigerend bestuursconvenant tussen provincie Gelderland en Achterhoekse gemeenten inzake bedrijventerreinplanning. Aan de opgave om het toentertijd becijferde overaanbod terug te dringen, heeft gemeente Aalten bijgedragen door 6,43 ha aan zachte plannen te schrappen, namelijk 1,43 ha Vierde Broekdijk (Aalten) is definitief geschrapt en 5 ha Hietveld fase 2 (Dinxperlo) is op de langere termijn geschoven. Daarnaast is een uitbreidingsrichting in fase 1 (B) van ’t Hietveld van 3 ha in Dinxperlo ‘on hold’ gezet: stop planvorming. Het Werklandschap Aalten-West is met 10 ha netto als hard plan in de planninglijst opgenomen, aangezien er sprake was van een vastgesteld en goedgekeurd bestemmingsplan. De Raad van State heeft op 23 mei 2012 het bestemmingsplan vernietigd en tevens goedkeuring aan het plan onthouden. Hierna zijn voorbereidingen getroffen om te komen tot een nieuw bestemmingsplan.
In de crisisjaren waarin we ons inmiddels bevonden was de vraag naar nieuw bedrijventerrein echter minimaal en vond juist op het bestaande bedrijventerrein een grote dynamiek plaats. In de loop van 2014 heeft fa. Aalbers het verzoek ingediend om 5 ha (gefaseerd) af te kunnen nemen.
Vraag-aanbodanalyse 2016 Eind 2015 is door zeven portefeuillehouders Economie van Achterhoekse gemeenten aan Stec Groep opdracht gegeven om, als input voor een nieuw op te stellen RPB, een nieuwe vraag-aanbodanalyse uit te voeren. De uitbreidingsvraag naar bedrijventerrein in de periode 2016-2025 is in de gehele Achterhoek becijferd op ca. 73 ha. Het aanbod bestaat uit ca 160 ha harde plancapaciteit en ca. 80 ha zachte plancapaciteit. Het harde planaanbod overstijgt daarmee de verwachte vraag met ca. 87 ha. Inclusief zacht planaanbod is de overcapaciteit afgerond ca. 170 ha. Deze vraag-aanbod cijfers zijn vertaald naar een verdeling per subregio:
Stec concludeert in haar rapport dat in de Achterhoek sprake is van een fors overaanbod en adviseert gemeenten om keuzes te maken, te schrappen, om weer tot een gezonde marktspanning te komen. Plannen die nog een bestemmingsplanprocedure moeten doorlopen, moeten aan de Ladder voor duurzame verstedelijking worden getoetst, waarbij o.a. de daadwerkelijke behoefte moet worden aangetoond.
In 2017 worden er kwalitatieve analyses opgesteld. Eind 2017 moeten er nieuwe afspraken liggen in het kader van de RPB. De ontwikkeling van bedrijventerrein Westrand is in dit proces uitdrukkelijk in ogenschouw genomen (zie H. 4).
3.4 Gemeentelijk beleid 3.4.1 Landschapsontwikkelingsplan Nieuwe noabers, vernieuwend landschap Op 20 november 2007 heeft de gemeenteraad het landschapsontwikkelingsplan (LOP) ‘Nieuwe noabers, vernieuwend landschap’ vastgesteld. Het LOP moet gezien worden als een ideeën- en inspiratieboek voor de ontwikkeling en beheer van het landschap. Naast natuur en landschap geeft het LOP ook concrete voorbeelden voor recreatieve ontsluiting en functieverandering van het landelijk gebied. In het LOP worden negen landschapsensembles onderscheiden:
Voor elk landschapsensemble is een apart werkboek opgesteld. Elk werkboek bevat de volgende onderdelen: de visie voor het landschapstype; doelen vanuit het beleid en vanuit de mensen in het gebied; de bestaande waardekaart; de uitwerking van het LOP in tekst en op kaartbeeld, algemeen en per functie in het landschap;
de mogelijke landschapselementen in de vorm van een bouwpakket voor punt-, lijn- en vlakelementen.
3.4.2 Capaciteit bedrijventerreinen gemeente Aalten Binnen de gemeente Aalten is 11,6 ha. terstond uitgeefbaar bedrijventerrein beschikbaar waarvan in de kern Aalten; 2 ha aan de Vierde Broekdijk (plan Cattier, eigendom projectontwikkelaar) en 1 kavel op 't Broek met een oppervlakte van 0,38 ha (eigendom van de gemeente) De overige uitgeefbare gronden zijn gelegen in de kern Dinxperlo en in eigendom van projectontwikkelaars. In 2011 is het bestemmingsplan Werklandschap Aalten-West ten behoeve van de ontwikkeling van 10 ha aan de westrand van Aalten in procedure gebracht (vastgesteld raadsbesluit d.d. 7 mei 2008, nr. 9, gedeeltelijke goedkeuring door Gedeputeerde Staten d.d. 19 december 2008, nr. 2008-009105).
3.4.3 Toekomstvisie Aalten 2004 en Bestemmingsplan Werklandschap Aalten De gemeenteraad van Aalten gaat er in 2004 bij het opstellen van de Toekomstvisie Aalten van uit dat er ruimte nodig is voor 28 hectare aan bedrijventerrein. Een belangrijk deel hiervan wil de gemeenteraad realiseren aan de westkant van Aalten. Het gaat hierbij in eerste instantie om een gebied van circa 15 hectare (lichtblauw op onderstaande figuur) en op langere termijn mogelijk nog 10 hectare (gestreept op onderstaande figuur). Via de zogenaamde ‘noordelijke inprikker’ zal het nieuwe terrein ontsloten moeten worden.
In de aanloop naar het bestemmingsplan ‘Bedrijventerrein Westrand is, in verband met de demografische ontwikkelingen, is besloten geen noordelijke inprikker aan te leggen. De zone ten zuiden van het station wordt de komende periode gerevitaliseerd, met name ten behoeve van het bedrijf Beele Engineering. De omvang van te ontwikkelen werklocaties aan de westzijde wordt aanmerkelijk minder dan in de Toekomstvisie voorzien. Echter de locatie van de geprojecteerde uitbreiding van het bedrijventerrein past wel in deze visie en is nog steeds actueel. Stuurgroep Bedrijventerreinen Oost Achterhoek De gemeente Aalten vormt samen met gemeenten Berkelland, Oost Gelre en Winterswijk naar aanleiding van het RPB 2011 de ‘stuurgroep Bedrijventerreinen Oost Achterhoek’. In deze stuurgroep, geformaliseerd middels een overeenkomst, vindt subregionale afstemming over de planning van bedrijventerreinen plaats.
3.4.4 Duurzaamheid De gemeente Aalten heeft het akkoord van Groenlo ondertekend en daarmee regionaal (Regio Achterhoek) ingezet op energieneutraliteit in 2030. Samen met het energieverbruik voor mobiliteit en afvalverbranding is de CO²-uitstoot van de gemeente Aalten circa 155 kiloton per jaar. De gemeente kiest er voor om het duurzaamheidbeleid te richten op concrete prestaties, in concrete vermindering van de CO²-uitstoot. Dit vanuit de overtuiging dat dát nodig is om resultaat te behalen in de beperking van de klimaatverandering/temperatuurstijging. De focus ligt op energiebesparing en opwekking van duurzame energie, omdat hiermee op korte termijn de grootste winst is te behalen. De sectoren waarop zal worden ingezet zijn: woningen, bedrijven, duurzame energieproductie en de eigen organisatie. Het bedrijf Aalbers heeft aangegeven op de nieuwe bedrijfslocatie zoveel als redelijkerwijs mogelijk energieneutraliteit voor het bedrijf na te streven, onder meer door de opwekking van zonnestroom en het gebruik van de biomassakachel.
Hoofdstuk 4 Planbeschrijving
In dit hoofdstuk wordt aandacht geschonken aan de beoogde ontwikkeling binnen het plangebied.
4.1 Noodzaak Westrand – behoefteonderbouwing Bedrijvenontwikkeling Aalten - maatwerk Binnen de gemeente Aalten is sprake van lokaal gebonden, historisch gegroeid bedrijfsleven; nieuwvestigers zijn schaars. Om deze lokale bedrijven en lokale werkgelegenheid te kunnen faciliteren is er behoefte aan maatwerk en heeft het gezond houden cq revitaliseren van bestaande terreinen prioriteit. De dynamiek op bestaande bedrijventerreinen in Aalten heeft de afgelopen jaren getoond dat bedrijven met name vooruit kunnen door aanpalende terreinen/panden aan te kopen, nieuwbouw op eigen perceel te plegen en/of geheel te reloceren op het bedrijventerrein.
De gemeente ondersteunt bedrijven hier desgewenst in door te faciliteren, mee te denken en bedrijven hier actief voor te benaderen. Alleen al de afgelopen vijf jaar is hierdoor zeker 10 ha van 75 ha bestaand bedrijventerrein in de kern Aalten herontwikkeld.
Wij denken daarbij aan de op handen zijnde gebiedstransformatie ten zuiden van het station Aalten (met een omvang van ruim 4 ha). Hier wordt in 2017 een initiatief van het bedrijf Beele Engineering gerealiseerd. Ook het bedrijf Kaemingk (groothandel in decoratieartikelen) heeft verschillende grootschalige ontwikkelingen op bestaande bedrijfslocaties doorgevoerd (sloop
gevolgd door vervangende nieuwbouw) aan o.a. Eerste, Derde en Vierde Broekdijk. Daarnaast hebben diverse bestaande bedrijven op eigen en naastgelegen terreinen in- en uitgebreid, zoals LUVA en ARA aan de Tweede Broekdijk, Ducona aan de Eerste Broekdijk/Weverij, Inteqnion aan de Weverij en Ottevanger aan de Dinxperlosestraatweg.
Deze ontwikkelingen zijn geheel in lijn met de (ten tijde van RPB 2011) SER-ladder ofwel de huidige Ladder van Duurzame Verstedelijking waarmee wordt voorkomen dat op bestaande bedrijventerreinen leegstand ontstaat. Inbreidingen op bedrijventerrein ’t Broek lopen echter tegen grenzen aan. Door mee te werken aan het verzoek van fa. Aalbers ziet de gemeente kans de lokale bedrijfsbehoefte te faciliteren, door nog eenmalig nieuw terrein te ontwikkelen en tevens voldoende ruimte binnen bestaand terrein te creëren om aan uitbreidingsbehoefte van bestaande bedrijven te kunnen voldoen. De huidige verspreid liggende kavels die het bedrijf nu in gebruik heeft, zijn dan wel worden deels aan bestaande bedrijven met uitbreidingsbehoefte aangeboden. Aan de Broekstraat 31 heeft het bedrijf een groot deel van zijn gronden reeds verkocht aan het naastgelegen bedrijf Ducona voor uitbreiding. Het perceel aan de Spinnerij kan pas na realisatie van het bestemmingsplan worden verkocht en dit geldt evenzo voor het terrein aan de Derde Broekdijk dat thans gehuurd is met het recht op koop. Indien er na realisatie van het plan gegadigden zijn voor het overgebleven gedeelte van het perceel aan de Broekstraat 29-31 is Aalbers ook bereid om deze geheel te verkopen onder de voorwaarde dat ook het tegenover gelegen perceel Broekstraat 20-22 (inclusief bedrijfshal) wordt afgenomen.
Het verzoek van Aalbers om 5 ha (in twee fases) te kunnen afnemen is daarnaast noodzakelijk om het bedrijf Aalbers op één locatie efficiënt, toekomstgericht, zonder overlast voor omgeving en met oog voor een goede inpassing een nieuw bedrijfsterrein te realiseren.
Vanwege de sterke lokale binding van het bedrijf is een verhuizing naar elders niet aan de orde. Het klantenbestand van Aalbers bestaat voornamelijk uit (semi)overheden, waaronder de gemeente Aalten zelf en al haar inwoners (milieustraat). Daarnaast mag Aalbers diverse bedrijven in de directe omgeving van Aalten rekenen tot haar klantenbestand.
Regionaal en provinciaal (voor)overleg Art. 2.3.2.4, lid 1 van de Omgevingsverordening Gelderland bepaalt dat op lokale bedrijventerreinen een kavelgrootte van maximaal 0,5 ha kan worden toegestaan. Lid 2 van datzelfde artikel maakt het mogelijk om een ruimere kavelgrootte toe te staan indien wordt aangetoond dat er sprake is van een aan de betreffende gemeente, kern of locatie gebonden bedrijf waarbij de bedrijfsvoering een ruimere kavelgrootte noodzakelijk maakt. Afspraken in het kader van het Regionaal Programma Bedrijventerreinen (RPB) vereisen daarnaast (sub) regionale afstemming.
De voorliggende ontwikkeling is daarom in provinciaal overleg met betrokken gedeputeerden, in het portefeuille-overleg Economie van 7 Achterhoekse gemeenten en in de Stuurgroep Bedrijventerreinen Oost Achterhoek (gemeenten Berkelland, Oost Gelre, Winterswijk en Aalten) besproken.
Bij e-mail van 13 november 2014 is een (zowel ambtelijk als bestuurlijke) positieve grondhouding ten aanzien van de geschetste ontwikkeling door provincie Gelderland betoond. In de notitie die aan het verzoek ten grondslag ligt is benadrukt dat gemeente Aalten hiermee bijdraagt aan terugdringing van nog bestaande regionale overcapaciteit door af te zien van ontwikkeling van de resterende 5 ha die als harde plancapaciteit in het vigerende RPB is opgenomen.
In de stuurgroep Bedrijventerreinen Oost Achterhoek (9-9-2014 en 15-2-2016) is eveneens positief gereageerd: algemeen erkend wordt dat verplaatsing van een type bedrijf als Aalbers naar een regionaal bedrijventerrein niet aan de orde is en aldus voor lokale werkgelegenheid behouden moet blijven. De gemeente moet hiervoor goed onderbouwd maatwerk kunnen leveren. Het regionaal portefeuillehoudersoverleg Economie heeft vanuit het belang van behoud van lokale werkgelegenheid en bedrijvigheid in zijn vergadering van 15 december 2016 ingestemd met de ontwikkeling van Aalten-West.
De gemeenten Winterswijk, Berkelland, Oost Gelre en Aalten hebben in hun stuurgroep Bedrijventerreinen Oost Achterhoek besloten een visie op bedrijventerreinen te ontwikkelen, alvorens te komen tot een set van maatregelen om overcapaciteit tegen te gaan. Deze visie zal medio 2017 gereed zijn. Belangrijk uitgangspunt van deze visie is te komen tot bedrijventerreinontwikkeling op de juiste locatie, daar waar er specifieke vraag ontstaat: lokaal maatwerk dus.
Conclusie Nu de lokale binding en het bestaansrecht van het bedrijf Aalbers is aangetoond, ziet gemeente Aalten deze ontwikkeling als noodzakelijk om dit lokale bedrijf te faciliteren en de uitbreidingsbehoefte van overige lokale bedrijven in aansluiting op de praktijk van de afgelopen jaren, binnen bestaand bedrijventerrein op te vangen. Gemeente Aalten kan hiermee op twee fronten het zo gewenste maatwerk leveren. Gemeente Aalten benadrukt voor toekomstige nieuwe verzoeken om bedrijventerrein ruimte binnen bestaande terreinen te willen vinden en richt zich hiermee op het in stand en vitaal houden van bestaand bedrijventerrein. De ontwikkeling heeft de steun, mits voldoende onderbouwd in het kader van een goede ruimtelijke ordening/beladdering, van het regionaal portefeuillehoudersoverleg Economie en de stuurgroep Bedrijventerreinen Oost Achterhoek.
4.2 Uitgangspunten en randvoorwaarden Het planvoornemen voorziet in de uitbreiding van bedrijventerrein ’t Broek in westelijke richting ten behoeve van de vestiging van het bestaande bedrijf (Aalbers) De uitbreiding in westelijke richting wordt gezien als een logische voortzetting van de bedrijfsbebouwing. De ontwikkeling biedt tevens kansen de uitstraling van het bedrijventerrein vanuit het zuiden te verbeteren.
Omdat de huidige bedrijfsprocessen nu op verschillende locaties zijn gelegen is een optimale bedrijfsvoering niet mogelijk. Veel tijd en energie (kosten) gaan verloren, doordat grondstoffen tussen de locaties onnodig getransporteerd moeten worden. Bij het bedrijf, thans gevestigd op meerdere locaties in Aalten, worden diverse stromen (waaronder afvalstoffen) op- en overgeslagen. Het streven is om alle activiteiten in de toekomst met uitzondering van het kantoor in het onderhavige plangebied te laten plaatsvinden.
Voor de uitbreiding van het bedrijventerrein zijn voorafgaand aan het proces de volgende uitgangspunten/randvoorwaarden geformuleerd: Het bedrijf dient op een verkeersveilige manier vanaf de Sondernweg te worden ontsloten. Er zal een retentievijver worden aangelegd. Er dienen geen nieuwe geurgevoelige objecten binnen de geurzone te worden aangelegd. Bestaand bosgebied blijft bestaan en wordt natuur. Langs de groenwal aan de westzijde komt een onderhoudspad en wandel/fietspad. Werkgelegenheid Momenteel heeft Aalbers 10,3 fte in vaste dienst en ca. 6 fte aan ingehuurd personeel. Het aantal m2 dat begin 2016 feitelijk in gebruik was, is ruim 2,7 hectare op meerdere locaties binnen de gemeente Aalten. De uitbreidingsbehoefte in m2 is nog steeds actueel, mede doordat in de aanloop van deze voorgenomen bedrijfsontwikkeling een gedeelte van het bedrijfsterrein aan de Broekstraat reeds is verkocht aan de buurman t.b.v. een uitbreiding. Bij de toekomstige uitbreiding van het bedrijf zal het aantal fte's o.b.v. de huidige inzichten met 30% toenemen. Daarnaast is de intentie aanwezig om in de toekomst het bedrijf aantrekkelijk te maken voor werknemers met een lichte beperking, die onder toezicht allerhande werk kunnen verrichten. Hierover zijn reeds gesprekken gaande in een afzonderlijk traject.
Inrichting terrein In figuur 4.1 is een inrichtingsschets weergegeven die een indicatie geeft van de mogelijke inrichting van de nieuwe locatie. Globaal samengevat wordt het nieuwe terrein ingedeeld in 3 gedeelten en is als volgt (gezien vanuit de Sondernweg): 1. Het eerste gedeelte is het centrale punt van het nieuwe bedrijf, hier zijn een eenvoudig kantoor, weegbrug, opslag van particuliere containers, de gemeentelijke milieustraat en een werktuigen/opslagloods aanwezig. Alleen op dit gedeelte van het terrein mogen particulieren komen. Verder is hier een infiltratievoorziening aanwezig met daarop een drijvende PV-installatie t.b.v. de energievoorziening van het kantoor. 2. Op het tweede gedeelte vindt de inzameling voor bedrijven (groot materieel) plaats met de sortering c.q. scheiding van de materialen. Dit terrein wordt middels megablokken flexibel ingedeeld. Tevens opslag van bedrijfscontainers. 3. Op het derde en achterste gedeelte vinden de opslag en bewerking plaats van groen, puin, grond en biomassa. In de toekomst zal er een biomassakachel worden geplaatst voor het nadrogen van biomassa en/of het opwekken van duurzame energie voor de direct aangelegen bedrijven. Tevens is rekening gehouden met een toekomstige opslaghal voor het stallen van de recyclingmachines.