CConstaterende datAalten
Koppel je AI →
Document · PDF

TOE_bijlage 1 - uitspraak van 4 maart 2020.pdf

Beeldvorming raad 2 maart 2021, gemeente AaltenBij agendapunt: Voorstel tot vaststelling van het bestemmingsplan Landelijk gebied 2015, stikstofregeling en locatie Velsdijk (ong)15.036 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Beperking omzetten van landbouwgrond in natuur 36. SNMA betoogt dat het in artikel 42, lid 42.3, van de planregels opgenomen verbod om landbouwgrond om te zetten in natuur de mogelijkheden remt voor lokaal noodzakelijke natuurversterking. 36.1. De raad stelt zich op het standpunt dat er, gelet op de grondgebondenheid van agrarische bedrijven, behoefte blijft aan het gebruik van gronden voor het telen van gewassen en het verwerken van mest. 36.2. Artikel 42, lid 42.3, van de planregels luidt: "Burgemeester en wethouders kunnen het plan wijzigen voor wat betreft het wijzigen van de ter plaatse geldende bestemming in de bestemming "Natuur" in verband met de ontwikkeling van natuur, met inachtneming van de volgende voorwaarden: a. de bevoegdheid is uitsluitend van toepassing ter plaatse van de aanduidingen ‘overige zone - gelders natuurnetwerk’ en ‘overige zone - groene ontwikkelingszone’; b. het karakter van het gebied voor wat betreft de aanwezige landschapswaarden dient gehandhaafd te blijven; c. in de nabijheid gelegen functies en waarden mogen niet in onevenredige mate in hun ontwikkelingsmogelijkheden geschaad; d. de belangen van de eigenaren en/of gebruikers van betrokken en nabijgelegen gronden mogen niet onevenredig worden geschaad." 36.3.

De aan de uitoefening van de wijzigingsbevoegdheid gestelde beperkingen voor het omzetten van een bestemming in de bestemming "Natuur" strekken ertoe rekening te houden met de bestaande belangen. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad daarom

Uitspraak 201603579/4/R1

19

deze planregeling in redelijkheid kunnen vaststellen. Het betoog faalt. Motorclubhuis 37. SNMA kan zich niet verenigen met de mogelijkheid van een motorclubhuis van de Bredevoortse Motorclub (hierna: BMC) op een perceel aan de Ganzenpoelendijk tegenover het bestaande tuincentrum aan de N318 in Bredevoort. SNMA stelt dat een motorclubhuis op het perceel, vanwege de ligging in het Nationaal Landschap Winterswijk, tot een aantasting van het landschap leidt. 37.1. De raad voert aan dat op het perceel Ganzenpoelendijk ongenummerd het bestemmingsplan "Buitengebied Aalten 2004" van toepassing is, waarbinnen de gronden de bestemming "Agrarisch zonder bouwperceel" hebben. Op grond van dit bestemmingsplan is, zoals SNMA en anderen ook wensen, de bouw van een motorclubhuis niet mogelijk, aldus de raad. 37.2. In de uitspraak van de Afdeling van 10 januari 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:52) is het plandeel met de bestemming "Sport" en de aanduiding "specifieke vorm van sport - clubhuis motortoerclub" ter plaatse van het perceel Ganzenpoelendijk ongenummerd, zoals vastgesteld bij het besluit van 19 april 2016, vernietigd. Het bestreden besluit van 21 maart 2017 is wat betreft de locatie perceel Ganzenpoelendijk ongenummerd in stand gebleven. Daarom geldt voor het perceel aan de Ganzenpoelendijk ongenummerd het plan zoals dat bij besluit van 21 maart 2017 door de raad is vastgesteld.

De stelling van de raad dat het bestemmingsplan "Buitengebied Aalten 2004" geldt, is derhalve onjuist. Voorts stelt de Afdeling vast dat bij het besluit van 21 maart 2017 door de raad is bepaald dat het desbetreffende perceel aan de Ganzenpoelendijk ongenummerd de bestemming "Sport" en de functieaanduiding "specifieke vorm van sport - clubhuis motortoerclub" heeft. Ter zitting heeft de raad aangegeven dat dit niet de bedoeling is en dat hij geen bezwaar heeft tegen vernietiging van dit onderdeel van het plan. Nu de raad zich in zoverre op een ander standpunt stelt dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit wat betreft dit onderdeel niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid. Het besluit van 21 maart 2017 is in zoverre vastgesteld in strijd met artikel 3:2 van de Awb. Het betoog slaagt. Gezondheid en veehouderij 38. SNMA betoogt dat de raad onvoldoende rekening heeft gehouden met het aspect gezondheid. Zij heeft in haar zienswijze gewezen op een advies van de GGD waarin wordt aanbevolen om een afstand van minimaal 250 m aan te houden tussen een veehouderij en een woning. Verder verwijst SNMA in beroep naar het RIVM onderzoek "Veehouderij en gezondheid omwonenden (VGO RIVM-rapport 2016-0058; verder VGO-rapport ). 38.1.

De raad heeft zich in reactie op de zienswijzen op het standpunt gesteld dat de door de GGD genoemde afstand van ten minste 250 m tussen een intensieve veehouderij en een burgerwoning een adviesafstand is voor nieuwe situaties. In het plan gaat het volgens de raad om bestaande situaties. Voorts stelt de raad dat er geen wetenschappelijk onderzoek is op grond waarvan de genoemde afstand of een andere afstand als norm in het bestemmingsplan in aanmerking zou moeten worden genomen.

Uitspraak 201603579/4/R1

20

38.2. De Afdeling stelt vast dat SNMA niet heeft weersproken dat het plan wat betreft het houden van dieren in de regel betrekking heeft op bestaande situaties. SNMA heeft geen concrete knelpunten genoemd, noch concrete situaties aan de orde gesteld waarin de raad volgens haar een andere planregeling had moeten vaststellen. Wat betreft de door de GGD genoemde adviesafstand van 250 m tussen een intensieve veehouderij en een burgerwoning heeft de Afdeling in de uitspraak van 7 november 2018, 201605590/2/R2, ECLI:NL:RVS:2018:3609, het volgende overwogen: "Uit het door […] genoemde advies van GGD GHOR Nederland volgt niet dat een uitbreiding van een intensieve veehouderij vanuit het oogpunt van volksgezondheid moet worden verboden binnen een bepaalde afstand tot een woning. De keuze van de raad om bij gebreke van algemeen aanvaarde wetenschappelijke inzichten over de gezondheidsrisico’s van intensieve veehouderijen de adviesafstand van de GGD niet over te nemen is niet onredelijk." Voorts heeft de Afdeling in de uitspraak van 7 augustus 2019, 201710076/1/A1, ECLI:NL:RVS:2019:2713 (overweging 4.2) over het VGO-rapport overwogen dat "het VGOrapport 2016 geen algemeen aanvaarde wetenschappelijke inzichten bevat (vgl. de uitspraak van de Afdeling van 17 mei 2017, 201607199/1/A1, ECLI:NL:RVS:2017:1301)".

Gezien het vorenstaande is de Afdeling van oordeel dat de raad in redelijkheid geen aanleiding heeft hoeven zien om met het oog op de gezondheid verdergaande beperkingen voor veehouderijen op te nemen dan in het plan zijn opgenomen. Het betoog faalt. Gewasbeschermingsmiddelen 39. SNMA betoogt dat niet alleen bij de teelt van fruit maar ook bij de teelt van bollen, aardappelen, siergewassen, bomen en struiken spuitvrije zones op de desbetreffende percelen moeten worden toegekend. SNMA voert daarbij aan dat niet alleen gevoelige functies zoals woningen maar ook passerende mensen moeten worden beschermd. Zij stelt dat de raad niet duidelijk heeft gemaakt waarom bij de regelgeving voor het spuiten met bestrijdingsmiddelen onderscheid wordt gemaakt tussen fruitteelt en de teelt van andere gewassen. 39.1. De raad heeft in reactie op de zienswijze overwogen dat spuitzones zijn opgenomen ten aanzien van de fruitteelt. Voor het overige is volgens de raad het agrarische grondgebruik, waaronder boomteelt, vrijwel ongewijzigd gebleven en is er sprake van bestaand gebruik. Volgens de raad is er geen aanleiding om voorschriften te stellen in aanvulling op de beperkingen die voortvloeien uit regelgeving voor het gebruik van bestrijdingsmiddelen. 39.2.

De Afdeling stelt vast dat zowel in de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden als in het Activiteitenbesluit milieubeheer regels worden gesteld voor het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. Voorts kan in een bestemmingsplan een regeling worden getroffen ter bescherming van de gevolgen van het gebruik van bestrijdingsmiddelen. De raad heeft hiertoe aanleiding gezien bij het vaststellen van artikel 3, lid 3.4.7, en artikel 4, lid 4.4.6, van de planregels, waarin regels zijn gesteld voor het gebruik van bestrijdingsmiddelen in de fruitteelt. SNMA heeft deze regels niet bestreden. De raad heeft genoemde planregels gesteld omdat bij het gebruik van bestrijdingsmiddelen ten behoeve van de fruitteelt drift kan optreden indien de emissie van bestrijdingsmiddelen op de hoogte van de fruitbomen of hoger plaatsvindt. Voor zover SNMA aangeeft dat meer bescherming voor de bewoners van woningen nodig is,

Uitspraak 201603579/4/R1

21

stelt de Afdeling vast dat SNMA geen concrete situaties heeft aangegeven waarin de planregels wat dat aspect te kort zouden schieten. Voor zover SNMA heeft gesteld dat ook personen moeten worden beschermd die toevallig een perceel passeren waar gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt, overweegt de Afdeling dat het in zo’n geval gaat om een kortstondige en incidentele aanwezigheid in de omgeving van het gebruik van bestrijdingsmiddelen, en welk gebruik op zijn beurt ook kortstondig en incidenteel is. Er is geen aanknopingspunt om onder die omstandigheden schade aan de gezondheid aannemelijk te achten. De raad heeft zich dan ook in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het niet nodig is in zoverre een regeling in het plan te treffen. Het betoog faalt. Geurhinder 40. SNMA betoogt dat geurhinder op veel plaatsen in het buitengebied een probleem is. Volgens haar houdt de raad onvoldoende rekening met geurhinder die burgers ondervinden ten gevolge van achterhaalde geurregels. SNMA is van mening dat de raad rekening had moeten houden met de resultaten van nieuwe onderzoeken naar geurhinder. 40.1. De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat er alleen op een enkele bestaande locatie sprake is van een knelpunt op het gebied van (cumulatie van) geurhinder.

De raad verwacht dat het aantal knelpunten als gevolg van de in het plan opgenomen beperkende bepalingen ten aanzien van de ammoniakdepositie niet toeneemt. 40.2. SNMA heeft niet aangegeven welke geurregels volgens haar achterhaald zijn en op welke plaatsen in het plangebied de toepassing van deze geurregels leidt tot geurhinder. In hetgeen SNMA aanvoert, ziet de Afdeling geen aanknopingspunten om ervan uit te gaan dat het bestreden besluit onrechtmatig is. Het betoog faalt. Conclusie beroepen SNMA en MOB en anderen 41. Het beroep van MOB en anderen, voor zover ingesteld door [appellant sub 4A] en [appellant sub 4B] is niet-ontvankelijk. Het beroep van MOB en anderen, voor zover ingesteld door de volgende personen is ongegrond: [appellant sub 4C], [appellant sub 4D] en [appellante sub 4E] ([locatie 6]); [appellant sub 4F] en [appellante sub 4G] ([locatie 7]). Het beroep van MOB en anderen, voor zover ingesteld door MOB, is gegrond. Het beroep van SNMA is gegrond. 41.1. Het besluit van 21 maart 2017 dient te worden vernietigd wat betreft: - artikel 3, lid 3.4.2, en artikel 4, lid 4.4.2, van de planregels; - het plandeel met de bestemming "Sport" en de aanduiding "specifieke vorm van sport clubhuis motortoerclub" voor het perceel Ganzenpoelendijk ongenummerd. 41.2.

De Afdeling ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb de raad op te dragen om voor de vernietigde planonderdelen met inachtneming van deze uitspraak een nieuw(e) plan(regeling) vast te stellen en zal daartoe een termijn stellen. 41.2.1. De Afdeling ziet voorts aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening als

Uitspraak 201603579/4/R1

22

bedoeld in artikel 8:72, vijfde lid, van de Awb. De vernietiging van de ondeugdelijke gebruiksbepalingen heeft tot gevolg dat veehouderijen kunnen uitbreiden en de stikstofdepositie kan toenemen. Om dit te voorkomen zal de Afdeling bij wijze van voorlopige voorziening bepalen dat de stikstofdepositie vanwege veehouderijen niet mag toenemen ten opzichte van de referentiesituatie, dat wil zeggen de feitelijk bestaande, planologisch toegestane situatie, op het moment van de vaststelling van het thans voorliggende plan (21 maart 2017). Deze voorlopige voorziening heeft tot gevolg dat veehouderijen niet kunnen uitbreiden, ook niet indien zij beschikken over een in rechte onaantastbare natuurvergunning die een uitbreiding mogelijk maakt. Hoewel, zoals hiervoor in 23.6 is overwogen, onder omstandigheden in het plan aangesloten kan worden bij de uitbreidingsmogelijkheden waarin een natuurvergunning voorziet, is de Afdeling niet in staat om met voldoende zekerheid vast te stellen welke in bijlage 6 van de planregels genoemde natuurvergunningen zich hiervoor lenen. Dat moet de raad doen. 41.3. Voor een voorbeeld van een planregeling waarin aansluiting is gezocht bij de referentiesituatie en in rechte onaantastbare natuurvergunningen - en die in lijn ligt met hetgeen hiervoor in 23.6 en 23.7 is overwogen - wordt verwezen naar de uitspraak van 22 januari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:212.

Benadrukt wordt dat deze verwijzing alleen dient ter inspiratie en dat hieruit niet volgt dat indien de raad in zoverre eenzelfde planregeling vaststelt, dit zonder meer een juiste planregeling is die in een eventuele volgende beroepsprocedure op voorhand zonder meer deugdelijk zal worden bevonden. De concrete omstandigheden van het geval - en de intentie van de raad - kunnen tot gevolg hebben dat een anders geredigeerde gebruiksbepaling aangewezen is. Het beroep van [appellante sub 5] 42. [appellante sub 5] exploiteert een vleesvarkensbedrijf. Dit bedrijf is gelegen op het perceel [locatie 9] in Aalten en op het perceel Velsdijk ongenummerd, nabij nr. […] in Aalten (kadastraal bekend gemeente Aalten, sectie […]., nummers […] & […]). Het beroep richt zich tegen de planregeling voor het bouwvlak grenzend aan de percelen Velsdijk 6 en 6a die een woonbestemming hebben. Het bouwvlak ligt in de bestemming "Agrarisch met waarden" en heeft de aanduidingen "bedrijfswoning uitgesloten" en "specifieke vorm van agrarisch uitgesloten - en mest". De maximum bouwhoogte is 5 m, de maximum goothoogte is 3 m. De stal heeft een hoogte van 5,3 m en is voorzien van ventilatiekokers tot een hoogte van 6,2 m. 42.1. [appellante sub 5] betoogt dat het plan ten onrechte het gebruik van de bestaande stal voor het houden van vee uitsluit.

[appellante sub 5] wijst erop dat het college van burgemeester en wethouders van Aalten bij besluit van 5 februari 2015 een omgevingsvergunning beperkte milieutoets heeft verleend voor het houden van 628 vleesvarkens, opfokberen en opfokzeugen. Daarbij is rekening gehouden met het aanbrengen van een emissiearm stalsysteem en een nieuw ventilatiesysteem om te voldoen aan de geldende milieueisen. Volgens [appellante sub 5] beroept de raad zich ten onrechte op afspraken over beëindiging van het gebruik van de stal die in 2005 met de toenmalige eigenaar van de stal zouden zijn gemaakt. Volgens [appellante sub 5] zijn er geen schriftelijke afspraken vastgelegd en zijn bij de aankoop in 2006 geen verplichtingen opgelegd over het gebruik van de stal. 42.2. De raad stelt zich op het standpunt dat het gebruik van de stal voor intensieve veehouderij in strijd is met een goede ruimtelijke ordening, omdat de dichtstbijzijnde woningen op de percelen Velsdijk 6 en 6a op een afstand van 29 m respectievelijk 23 m zijn

Uitspraak 201603579/4/R1

23

gelegen. Volgens de raad hebben de toenmalige eigenaar van de stal, omwonenden en de gemeente in 2006 afgesproken dat de stal nog 5 jaar mocht worden gebruikt voor het houden van vee. Daarom is in het bestemmingsplan "Correctieve herziening / actualisatie buitengebied Aalten 2007" de stal niet als zodanig bestemd en is deze onder het overgangsrecht gebracht. Verder stelt de raad dat in de stal lang niet altijd vee is gehouden, zodat er geen beroep op het overgangsrecht mogelijk is. 42.3. Uit de stukken blijkt dat bij besluit van 30 september 2003 een vergunning ingevolge de Wet milieubeheer is verleend voor het houden van varkens in de stal. Op 17 november 2014 heeft [appellante sub 5] een melding voor het veranderen van de inrichting gedaan in het kader van het Activiteitenbesluit milieubeheer en een omgevingsvergunning beperkte milieutoets aangevraagd. Bij besluit van 5 februari 2015 heeft het college van burgemeester en wethouders van Aalten besloten de gevraagde vergunning voor het houden van vleesvarkens te verlenen. De vergunning is na heroverweging in de bezwaarprocedure in stand gelaten. Hieraan ligt onder meer ten grondslag dat in de stal gebruik zal worden gemaakt van emissiearme huisvesting en emissiereducerende technieken.

Volgens het besluit voldoet de inrichting aan de geurnormen en vaste afstandseisen van het Activiteitenbesluit milieubeheer en aan de Verordening geurhinder en veehouderij van de gemeente Aalten. Ook wat betreft ander aspecten zoals ammoniak, geluid, bodem en luchtkwaliteiten wordt voldaan de normen. 42.4. Volgens de raad heeft de gemeente met de vorige eigenaar van de grond waar het bouwvlak op is gelegen, in 2005 de afspraak gemaakt dat het agrarische gebruik van de stal nog maximaal 5 jaar zou worden voortgezet. In 2006 heeft [appellante sub 5] de grond waar de stal op is gelegen gekocht. Volgens [appellante sub 5] volgt uit de koopovereenkomst en de leveringsacte geen verplichting om het gebruik van de stal en het houden van varkens te beëindigen. Hij verwijst hiervoor naar een notitie van de gemeente waarin dit volgens hem wordt erkend. In het verweerschrift van de raad wordt erop gewezen dat de omwonenden mochten vertrouwen op de naleving van de afspraken die destijds met de vorige eigenaar zijn gemaakt. Naar het oordeel van de Afdeling blijkt niet kenbaar uit de stukken dat de gemeente afspraken heeft gemaakt over het beëindigen van het houden van vee in de stal waar [appellante sub 5] aan gebonden is. 43.

Gelet op de bij besluit van 5 februari 2015 verleende vergunning heeft de raad dan ook niet deugdelijk gemotiveerd waarom het houden van varkens in de stal, zoals deze is vergund, niet aanvaardbaar is. Hierbij is van belang dat de raad geen duidelijkheid heeft kunnen bieden over de betekenis van de in 2005 met de vorige eigenaar van de grond gemaakte afspraken. Ingeval de raad, zoals hij gedaan heeft, het gebruik van de stal niet als zodanig bestemt, is aan de orde of het huidig gebruik van de stal met het voorliggende plan voor de tweede keer onder het overgangsrecht wordt gebracht. De raad heeft subsidiair weliswaar betoogd dat het gebruik van de stal voor het houden van varkens niet ononderbroken is voortgezet, maar hij heeft daar geen concrete gegevens aan ten grondslag gelegd. Gelet hierop berust het besluit ook in zoverre niet op een deugdelijke motivering. 44. Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellante sub 5] gegrond. Het besluit van 21 maart 2017 dient te worden vernietigd voor zover het betreft het plandeel voor het perceel Velsdijk ongenummerd nabij nr. […] in Aalten, kadastraal bekend gemeente Aalten, sectie […], nummers […] & […]. Het beroep van [appellant sub 6]

Uitspraak 201603579/4/R1

24

45. [appellant sub 6] woont op het perceel [locatie 10]. Hij betoogt dat de aan hem krachtens de Hinderwet verleende vergunning van 19 juli 1985 ten onrechte geen deel uitmaakt van de als bijlage 6 bij de planregels gevoegde "Lijst van veehouderijen", waarin een overzicht van de bestaande / vergunde veehouderijen is opgenomen. 45.1. De raad stelt dat geen aanleiding bestond de Hinderwetvergunning van [appellant sub 6] op te nemen in de bijlage 6 bij de planregels, nu deze vergunning op verzoek van [appellant sub 6] zelf is ingetrokken bij besluit van 5 juni 2009. 45.2. Niet in geschil is dat de vergunning waar [appellant sub 6] een beroep op doet is ingetrokken bij besluit van 5 juni 2009. Reeds gelet daarop bestond geen aanleiding deze vergunning op te nemen in bijlage 6 bij de planregels. Het betoog slaagt niet. 46. Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellant sub 6] ongegrond. Het beroep van [appellant sub 7] 47. [appellant sub 7] exploiteert een veehouderij op de percelen [locatie 11] en [locatie 12]. Het betreft een gemengd bedrijf met vrouwelijk jongvee en vleesvarkens. [appellant sub 7] beschikt over een vergunning krachtens de Nbw 1998 van 19 juni 2014. Bij besluit van 6 december 2016 heeft het college van gedeputeerde staten van Gelderland aan [appellant sub 7] een nieuwe vergunning krachtens de Nbw 1998 verleend.

[appellant sub 7] betoogt dat de raad de vergunning van 6 december 2016 ten onrechte niet heeft opgenomen in bijlage 6 bij de planregels. Als gevolg hiervan is in het plan de situatie bestemd als vergund in 2014. De vergunning uit 2016 maakt een uitbreiding mogelijk van de veehouderij, maar hier is ten onrechte geen rekening mee gehouden in het plan, aldus [appellant sub 7]. 47.1. De raad stelt dat de Nbw 1998-vergunning van 6 december 2016 ten tijde van het vaststellen van het plan (nog) niet in rechte onaantastbaar was, omdat tegen het besluit van gedeputeerde staten beroep was ingesteld. Om deze reden is in het plan niet aangesloten bij de in 2016 vergunde situatie, aldus de raad. 47.2. Niet in geschil is dat de vergunning van 6 december 2016 niet in rechte onaantastbaar was op 21 maart 2017, zijnde de datum van vaststelling van het plan. Zoals hiervoor in 23.6 is overwogen kan in een bestemmingsplan, zonder dat dit passend beoordeeld behoeft te worden, aansluiting worden gezocht bij de uitbreidingsmogelijkheden die zijn vergund krachtens de (voorheen) Nbw 1998. Voorwaarde hiervoor is onder meer dat het moet gaan om een in rechte onaantastbare vergunning ten tijde van de vaststelling van het plan. Hieraan was in dit geval niet voldaan. Het standpunt van de raad is derhalve juist. 48. Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellant sub 7] ongegrond.

Het besluit van 19 april 2016 49. De naar aanleiding van het beroep van [appellante sub 5] uit te spreken vernietiging heeft tot gevolg dat wordt teruggevallen op de planregeling voor het perceel Velsdijk ongenummerd nabij nr. […] in Aalten zoals vastgesteld bij besluit van 19 april 2016. Deze planregeling is gelijk aan de planregeling van het besluit van 21 maart 2017, zodat daaraan hetzelfde gebrek kleeft. De Afdeling zal daarom ook het besluit van 19 april 2016 vernietigen, wat betreft het plandeel voor het perceel Velsdijk ongenummerd nabij nr. […] in Aalten. Voor de veehouderijen in het plangebied blijft de planregeling van 21 maart 2017 gelden, met dien verstande dat de Afdeling, vanwege de gebrekkige stikstofregeling van het besluit, een voorlopige voorziening zal treffen ten aanzien van de stikstofdepositie van veehouderijen (zie

Uitspraak 201603579/4/R1

25

overweging 41.3). De overige appellanten hebben geen belang meer bij de beoordeling van hun beroepen tegen het besluit van 19 april 2016. De beroepen van [appellant sub 1], [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B], Stichting Natuur en Milieu Aalten, Coöperatie Mobilisation for the Environment U.A. en anderen, [appellant sub 6] en [appellant sub 7] tegen het besluit van 19 april 2016 zijn daarom niet-ontvankelijk. Proceskosten 50. Ten aanzien van [appellant sub 1], [appellant sub 2B] en [appellant sub 2A], [appellant sub 6] en [appellant sub 7] bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Ten aanzien van SNMA, MOB en anderen en [appellante sub 5] dient de raad op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. verklaart niet-ontvankelijk de beroepen van de hierna vermelde appellanten tegen het besluit van de raad van de gemeente Aalten van 19 april 2016 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Landelijk gebied 2015": a. [appellant sub 1]; b. [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B]; c. Stichting Natuur en Milieu Aalten; d. Coöperatie Mobilisation for the Environment U.A. en anderen; e. [appellant sub 6]; f. [appellant sub 7]; II.

verklaart gegrond het beroep van [maat A] & [maat B] tegen het besluit van de raad van de gemeente Aalten van 19 april 2016 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Landelijk gebied 2015"; III. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Aalten van 19 april 2016 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Landelijk gebied 2015", voor zover het betreft: - het plandeel perceel Velsdijk ongenummerd nabij nr. […] in Aalten, kadastraal bekend gemeente Aalten, sectie […]., nummers […] & […] ([appellante sub 5]); IV. verklaart niet-ontvankelijk het beroep van Coöperatie Mobilisation for the Environment U.A. en anderen, voor zover ingesteld door [appellant sub 4A] en [appellant sub 4B], tegen het besluit van de raad van de gemeente Aalten van 21 maart 2017 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Landelijk gebied 2015"; V. verklaart gegrond de beroepen van de hierna vermelde appellanten tegen het besluit van de raad van de gemeente Aalten van 21 maart 2017 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Landelijk gebied 2015": a. Stichting Natuur en Milieu Aalten; b. Coöperatie Mobilisation for the Environment U.A., voor zover ingesteld door Coöperatie

Uitspraak 201603579/4/R1

26

Mobilisation for the Environment U.A.; c. [appellante sub 5]; VI. vernietigt het besluit van de raad van Aalten van 21 maart 2017 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Landelijk gebied 2015" wat betreft: a. artikel 3, lid 3.4.2 en artikel 4, lid 4.4.2, van de planregels (SNMA en MOB); b. het plandeel met de bestemming "Sport" en de aanduiding "specifieke vorm van sport clubhuis motortoerclub" voor het perceel Ganzenpoelendijk ongenummerd (SNMA); c. het plandeel perceel Velsdijk ongenummerd nabij nr. […] in Aalten, kadastraal bekend gemeente Aalten, sectie […]., nummers […] & […] ([appellante sub 5]); VII. draagt de raad van de gemeente Aalten op om binnen 30 weken na de verzending van deze uitspraak met inachtneming van hetgeen daarin is overwogen een nieuw besluit te nemen ten aanzien van het hiervoor onder onderdeel VI.a. vermelde plandeel en het nieuwe besluit op de voorgeschreven wijze bekend te maken en mede te delen; VIII.

treft de voorlopige voorziening dat artikel 3, lid 3.4.2 en artikel 4, lid 4.4.2, van de planregels van het besluit van 21 maart 2017 als volgt komen te luiden: "Als een met de bestemming strijdig gebruik wordt aangemerkt: het gebruik van gronden en bouwwerken behorend tot een veehouderij die leidt tot een stikstofdepositie op voor stikstof gevoelige habitats in een Natura 2000-gebied welke stikstofdepositie groter is dan de stikstofdepositie (mol/ha/jaar) van het ten tijde van de vaststelling van het plan feitelijk aanwezige planologisch toegestane gebruik van de gronden en bouwwerken behorend tot die veehouderij"; IX. bepaalt dat de onder VIII. getroffen voorlopige voorziening vervalt op het moment waarop het door de raad te nemen besluit als bedoeld onder VII in werking is getreden; X. verklaart ongegrond de beroepen van de hierna vermelde appellanten tegen het besluit van de raad van de gemeente Aalten van 21 maart 2017 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Landelijk gebied 2015": a. [appellant sub 1]; b. [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B]; c. Coöperatie Mobilisation for the Environment U.A. en anderen, voor zover ingesteld door: - [appellant sub 4C], [appellant sub 4D] en [appellante sub 4E] ([locatie 6]), en - [appellant sub 4F] en [appellante sub 4G] ([locatie 7]); d. [appellant sub 6]; e. [appellant sub 7]; XI.

draagt de raad van de gemeente Aalten op om binnen vier weken na verzending van deze uitspraak ervoor zorg te dragen dat de hiervoor vermelde beslissing onder VI. en VIII. worden verwerkt in het elektronisch vastgestelde plan dat te raadplegen is op de landelijke voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl; XII. veroordeelt de raad van de gemeente Aalten tot vergoeding van in verband met de behandeling van de beroepen opgekomen proceskosten ten aanzien van:

Uitspraak 201603579/4/R1

27

a. Stichting Natuur en Milieu Aalten tot een bedrag van € 53,50 (zegge: drieënvijftig euro en vijftig cent); b. Coöperatie Mobilisation for the Environment U.A. tot een bedrag van € 1.103,50 (zegge: elfhonderddrie euro en vijftig cent), waarvan € 1.050,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; c. [appellante sub 5] tot een bedrag van € 1.103,50 (zegge: elfhonderddrie euro en vijftig cent), waarvan € 1.050,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; XIII. gelast dat de raad van de gemeente Aalten aan de hierna vermelde appellanten het door hen voor de behandeling van hun beroepen betaalde griffierecht vergoedt: a. € 334,00 (zegge: driehonderdvierendertig euro) voor Stichting Natuur en Milieu Aalten; b. € 334,00 (zegge: driehonderdvierendertig euro) voor Coöperatie Mobilisation for the Environment U.A.; c. € 334,00 (zegge: driehonderdvierendertig euro) voor [appellante sub 5]. Aldus vastgesteld door mr. J. Hoekstra, voorzitter, en mr. R.J.J.M. Pans en mr. P.H.A. Knol, leden, in tegenwoordigheid van mr. D. Milosavljević, griffier. w.g. Hoekstra w.g. Milosavljević voorzitter griffier Uitgesproken in het openbaar op 4 maart 2020 191-739.

BIJLAGE Wet natuurbescherming Artikel 2.7, eerste lid Een bestuursorgaan stelt een plan dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied, en dat afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, uitsluitend vast indien is voldaan aan artikel 2.8, met uitzondering van het negende lid. Artikel 2.8 1. Voor een plan als bedoeld in artikel 2.7, eerste lid, of een project als bedoeld in artikel 2.7, derde lid, maakt het bestuursorgaan, onderscheidenlijk de aanvrager van de vergunning, een passende beoordeling van de gevolgen voor het Natura 2000-gebied, rekening houdend met de instandhoudingsdoelstellingen voor dat gebied. 2. In afwijking van het eerste lid hoeft geen passende beoordeling te worden gemaakt, ingeval het plan of het project een herhaling of voortzetting is van een ander plan, onderscheidenlijk project, of deel uitmaakt van een ander plan, voor zover voor dat andere plan of project een passende beoordeling is gemaakt en een nieuwe passende beoordeling redelijkerwijs geen nieuwe gegevens en inzichten kan opleveren over de significante gevolgen van dat plan of project.

Uitspraak 201603579/4/R1

28

3. Het bestuursorgaan stelt het plan uitsluitend vast, en gedeputeerde staten verlenen voor het project, bedoeld in het eerste lid, uitsluitend een vergunning, indien uit de passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan, onderscheidenlijk het project de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Planregels besluit van 21 maart 2017 Artikel 1 Begrippen 1.24 bestaand Op het moment van terinzagelegging van het ontwerp van het plan aanwezig(e) a. bij bouwwerken: een bouwwerk dat op het moment van inwerkingtreding van het plan rechtens bestaat of wordt gebouwd, dan wel nadien kan worden gebouwd krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, waarvoor de aanvraag voor het tijdstip van inwerkingtreding is ingediend, tenzij in de regels anders is bepaald; b. bij gebruik: het gebruik dat op het moment van de inwerkingtreding van het bestemmingsplan rechtens bestaat en in overeenstemming is met het voorheen geldend planologische regime. 1.41 dierplaatsen Het maximaal aantal te houden dieren overeenkomstig de verleende omgevingsvergunning of het Activiteitenbesluit. 1.70 negatief effect op een Natura 2000-gebied door stikstofdepositie elke toename van stikstofdepositie (groter dan 0,00 mol stikstof) per ha per jaar op voor stikstof gevoelige habitats in een Natura 2000-gebied.

Artikel 3 Agrarisch 3.1 Bestemmingsomschrijving 3.1.1 Algemeen De voor "Agrarisch" aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. agrarisch grondgebruik; b. een grondgebonden agrarisch bedrijf; c. een niet grondgebonden agrarische bedrijfsvoering, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "intensieve veehouderij" en wel: 1. binnen een agrarisch bouwvlak en 2. tot maximaal 1 ha van dat vlak, dan wel maximaal 1,5 ha ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - ontwikkelingslocatie intensieve veehouderij', dan wel de bestaande grotere oppervlakte; […]; een productiegerichte paardenhouderij; een gebruiksgerichte paardenhouderij, uitsluitend ter

Uitspraak 201603579/4/R1

29

plaatse van de aanduiding "paardenhouderij"; […]. 3.3.1 Overschrijding bouwgrenzen Het bevoegd gezag kan door middel van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 3, lid 3.2.1 voor het overschrijden van bouwgrenzen, met inachtneming van de volgende voorwaarden: a. de vergroting van het fictieve agrarische bouwvlak bedraagt maximaal 0,25 ha; […]. 3.4.2 Stikstofdepositie Als een met de bestemming strijdig gebruik wordt aangemerkt: het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van het houden van vee zodanig dat er sprake is van een negatief effect op een Natura 2000-gebied door stikstofdepositie, met dien verstande dat tot een strijdig gebruik met deze bestemming niet wordt aangemerkt: a. het bestaande gebruik, dat wil zeggen de oppervlakte die ten tijde van de inwerkingtreding van dit bestemmingsplan aanwezig dan wel rechtens toegestaan is, overeenkomstig bijlage 6 van de planregels, ten behoeve van een (intensieve) veehouderij(tak), met het daarbij behorende aantal dierplaatsen en huisvestingssysteem; b. een van het onder a. afwijkende gebruik, onder voorwaarde dat de stikstofdepositie niet toeneemt ten opzichte van de stikstofdepositie, zoals toegestaan onder a.

3.7.2 Vergroten van het agrarisch bouwvlak Burgemeester en wethouders kunnen het plan wijzigen in de vorm van het vergroten van de oppervlakte van het agrarisch bouwvlak, met inachtneming van de volgende bepalingen: […]. Artikel 4 Agrarisch met waarden 4.1 Bestemmingsomschrijving 4.1.1 Algemeen De voor "Agrarisch met waarden" aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. agrarisch grondgebruik; b. een grondgebonden agrarisch bedrijf; c. een niet grondgebonden agrarische bedrijfsvoering, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'intensieve veehouderij' en wel: binnen een agrarisch bouwvlak en tot maximaal 1 ha van dat vlak, dan wel de bestaande grotere oppervlakte; […]; g. een productiegerichte paardenhouderij; h. een gebruiksgerichte paardenhouderij, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding

Uitspraak 201603579/4/R1

30

"paardenhouderij"; […]. 4.4.2 Stikstofdepositie Als een met de bestemming strijdig gebruik wordt aangemerkt: het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van het houden van vee, zodanig dat er sprake is van een negatief effect op een Natura 2000-gebied door, met dien verstande dat tot een strijdig gebruik met deze bestemming niet wordt aangemerkt: a. het bestaande gebruik, dat wil zeggen de oppervlakte die ten tijde van de inwerkingtreding van dit bestemmingsplan rechtsgeldig aanwezig dan wel toegestaan is, overeenkomstig bijlage 6 van de planregels, ten behoeve van een (intensieve) veehouderij(tak), met het daarbij behorende aantal dierplaatsen en huisvestingssysteem; b. een van het onder a. afwijkend gebruik onder voorwaarde dat de stikstofdepositie niet toeneemt ten opzichte van de stikstofdepositie, zoals toegestaan onder a. 4.3.1 Overschrijding bouwgrenzen Het bevoegd gezag kan door middel van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 4.2.1 voor het overschrijden van bouwgrenzen, met inachtneming van de volgende voorwaarden: a. de vergroting van het fictieve agrarisch bouwvlak bedraagt maximaal 0,25 ha; […].

Uitspraak 201603579/4/R1

31

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Aalten&id=61af6121-79a4-46c0-8db6-805b8b41eff6