CConstaterende datAalten
Koppel je AI →
Document · PDF

NL.IMRO.0197.BP00105-VG01_Regels.pdf

Gemeenteraad 23 februari 2021, gemeente AaltenBij agendapunt: Voorstel tot vaststelling van het bestemmingsplan Kern Bredevoort, herziening 2021.12.948 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

voor werken en werkzaamheden in de bodem waarvoor ten tijde van het van kracht worden van het bestemmingsplan een omgevingsvergunning is verleend; d. ingeval op grond van de Monumentenwet 1988 een vergunning is vereist dan wel overige bepalingen van de Monumentenwet 1988 van toepassing zijn. 10.4.3 Beoordelingscriteria Ten aanzien van de onder 10.4.1 genoemde omgevingsvergunning gelden de volgende beoordelingscriteria: a. de omgevingsvergunning kan slechts worden verleend voor zover de archeologische waarden niet onevenredig worden aangetast, hetgeen moet blijken uit een rapport dat de aanvrager bij de aanvraag voor een omgevingsvergunning dient te overleggen. In het Kern Bredevoort, herziening 2021

NL.IMRO.0197.BP00105-VG01

vastgesteld

34

rapport moeten de archeologische waarden van de gronden waarop de aanvraag betrekking heeft naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate zijn vastgesteld. Indien het rapport daartoe aanleiding geeft, dient op advies van de erkend archeoloog zonodig een opgraving plaats te vinden; b. het overleggen van een rapport is niet nodig indien naar het oordeel van het bevoegd gezag de archeologische waarde van het terrein in andere beschikbare informatie afdoende is vastgesteld. 10.4.4 Voorwaarden a. Overeenkomstig het in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht bepaalde kan het bevoegd gezag de omgevingsvergunning onder beperkingen verlenen en kunnen zij voorschriften aan de omgevingsvergunning verbinden, waaronder: 1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor (ondanks de uitvoering van een bouw- of aanlegplan) archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden, zoals het aanbrengen van een beschermende bodemlaag of andere voorzieningen die op dit doel zijn gericht; of 2. de verplichting tot het doen van opgravingen op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen; of 3. de verplichting de activiteit die tot een bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een archeologisch deskundige op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen; 4.

de verplichting om na beëindiging van de werken en werkzaamheden schriftelijk verslag uit te brengen waaruit blijkt op welke wijze met de archeologische waarden is omgegaan; b. Voordat het bevoegd gezag beslist over het verlenen van een omgevingsvergunning als bedoeld in 10.4.1 winnen zij advies in bij een archeologisch deskundige omtrent de vraag of door het verlenen van een omgevingsvergunning geen onevenredige afbreuk wordt of kan worden gedaan aan de archeologische waarden, en zo ja welke voorwaarden dienen te worden gesteld. 10.5 Wijzigingsbevoegdheid Burgemeester en wethouders zijn bevoegd het bestemmingsplan te wijzigen door de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie laag' geheel of gedeeltelijk te laten vervallen, indien op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond, dat op de betrokken locatie geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn, dan wel er niet langer archeologische begeleiding of zorg nodig is.

Kern Bredevoort, herziening 2021

NL.IMRO.0197.BP00105-VG01

vastgesteld

35

Artikel 11

Waarde - Beschermd stadsgezicht

11.1 Bestemmingsomschrijving De voor Waarde - Beschermd stadsgezicht aangewezen gronden zijn, behalve voor de daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor behoud en bescherming van de cultuurhistorische waarden van het beschermde stadsgezicht van Bredevoort. 11.2 Nadere eisen Burgemeester en wethouders zijn bevoegd nadere eisen te stellen ten aanzien van: a. de situering van gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde; b. de vorm van de kap van gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde; c. de afmetingen van gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde; één en ander in verband met behoud, beheer en herstel van de cultuurhistorische waarden van het beschermde stadsgezicht van Bredevoort. Alvorens nadere eisen te stellen winnen burgemeester en wethouders advies in bij de Commissie Cultureel Erfgoed omtrent de vraag of er geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de cultuurhistorische waarden van het beschermde stadsgezicht. 11.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 11.3.1 Werken en werkzaamheden Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning op de in deze bestemming bedoelde gronden de volgende andere werken of werkzaamheden uit te voeren: a.

het opslaan, deponeren, lozen of storten van al dan niet afgedanke of aan hun oorspronkelijke gebruik onttrokken voorwerpen, stoffen of producten, alsmede het aanleggen of inrichten van opslag-, stort- of bergplaatsen; b. het afgraven, ophogen, egaliseren van terreinen; c. het wijzigen van straatprofielen en wegverhardingen; d. het verwijderen en aanplanten van houtsingels, houtopstanden en struwelen; e. het aanbrengen, verwijderen en/of wijzigen van oeverbeschoeiingen; f. het verruimen, verengen en dempen van waterlopen. 11.3.2 Uitzonderingen Het onder 11.3.1 vervatte verbod geldt niet: a. indien de werken en/of werkzaamheden het gewone onderhoud betreffen, met inbegrip van onderhouds- en vervangingswerkzaamheden van bestaande bestratingen en beplantingen binnen bestaande tracés van kabels en leidingen; b. voor zover het werkzaamheden in de bodem betreft waarvoor ten tijde van het van kracht worden van het bestemmingsplan een omgevingsvergunning in dit kader is verleend. 11.3.3 Verlening Een omgevingsvergunning als bedoeld in 11.3.1 mag alleen worden verleend indien door de uitvoering de aanwezige cultuurhistorische waarden niet onevenredig (kunnen) worden aangetast. Teneinde dit te bereiken kunnen aan een omgevingsvergunning in ieder geval de volgende voorschriften worden verbonden: a.

de verplichting de activiteit te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van monumentenzorg die voldoet aan een door het bevoegd gezag bij de vergunning te stellen kwalificaties.

Kern Bredevoort, herziening 2021

NL.IMRO.0197.BP00105-VG01

vastgesteld

36

11.3.4 Advies Alvorens een besluit te nemen omtrent het verlenen van een omgevingsvergunning wint het bevoegd gezag advies in bij de commissie cultureel erfgoed omtrent de vraag of door het verlenen van de omgevingsvergunning geen onevenredige afbreuk wordt of kan worden gedaan aan de cultuurhistorische waarden, en welke voorwaarden dienen te worden gesteld.

Kern Bredevoort, herziening 2021

NL.IMRO.0197.BP00105-VG01

vastgesteld

37

Artikel 12

Waterstaat - Waterlopen

12.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Waterstaat - Waterlopen' aangewezen gronden zijn, behalve voor de daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor aanleg en onderhoud van een watergang. 12.2

Bouwregels

12.2.1 Algemeen Uitsluitend zijn toegestaan gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, die ten dienste staan van deze bestemming. 12.3

Afwijken van de bouwregels

12.3.1 Afwijking Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van het gestelde in 12.2.1 teneinde het oprichten van gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde ten behoeve van de op deze gronden liggende andere bestemming(en) toe te staan, mits hierbij uit hoofde van de bescherming van de A-watergang geen bezwaar bestaat. 12.3.2 Advies beheerder watergang Alvorens het bevoegd gezag beslist over een afwijking als bedoeld 12.3.1 winnen zij schriftelijk advies in bij de beheerder van de watergang.

Kern Bredevoort, herziening 2021

NL.IMRO.0197.BP00105-VG01

vastgesteld

38

Hoofdstuk 3 Artikel 13

Algemene regels Anti-dubbeltelregel

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

Kern Bredevoort, herziening 2021

NL.IMRO.0197.BP00105-VG01

vastgesteld

39

Artikel 14

Parkeren

14.1 Algemene parkeerregels Een omgevingsvergunning voor het bouwen en / of een omgevingsvergunning voor een wijziging van het gebruik kan pas worden verleend als wordt voldaan aan de op grond van dit artikel gestelde eisen ten aanzien van parkeren en stallen van voertuigen in, op of onder het gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort. 14.2 Beleidsregels Burgemeester en wethouders passen deze parkeerregels toe met inachtneming van de beleidsregels met betrekking tot het parkeren, de beleidsregel parkeernormen gemeente Aalten. De beleidsregel parkeernormen gemeente Aalten is opgenomen in Bijlage 1 Beleidsregels parkeernormen gemeente Aalten. 14.3 Specifieke parkeerregels bij bouwplannen Een bouwplan dient te voorzien in voldoende parkeermogelijkheden op de bij het bouwplan behorende en daartoe bestemde gronden. De toename van de parkeerbehoefte wordt bepaald op de wijze zoals beschreven in de beleidsregels. Indien gedurende de planperiode de beleidsregels wijzigen, dan gelden de gewijzigde regels. Hierbij gelden ter plaatse van de volgende gebiedsaanduidingen de parkeernormen behorende bij de gebieden zoals opgenomen in de beleidsregel: 5. 'overige zone - centrum' de parkeernormen voor het gebied 'centrum'; 6. 'overige zone - schil centrum' de parkeernormen voor het gebied 'schil centrum'; 7.

'overige zone - rest bebouwde kom' de parkeernormen voor het gebied 'rest bebouwde kom'; 8. 'overige zone - buitengebied' de parkeernormen voor het gebied 'buitengebied'. 14.4 Specifieke parkeerregels bij gebruikswijzigingen Indien een omgevingsvergunning voor het wijzigen van het gebruik van gronden en/of bouwwerken daartoe aanleiding geeft, moet voor wat betreft de toename in de parkeerbehoefte, in voldoende mate ruimte zijn aangebracht op die gronden of op de bij die bouwwerken behorende en daartoe bestemde gronden. De parkeerbehoefte wordt bepaald op de wijze zoals beschreven in de beleidsregels. Indien gedurende de planperiode de beleidsregels wijzigen, dan gelden de gewijzigde regels. Hierbij gelden ter plaatse van de volgende gebiedsaanduidingen de parkeernormen behorende bij de gebieden zoals opgenomen in de beleidsregel: 9. 'overige zone - centrum' de parkeernormen voor het gebied 'centrum'; 10. 'overige zone - schil centrum' de parkeernormen voor het gebied 'schil centrum'; 11. 'overige zone - rest bebouwde kom' de parkeernormen voor het gebied 'rest bebouwde kom'; 12. 'overige zone - buitengebied' de parkeernormen voor het gebied 'buitengebied'.

14.5 Specifieke gebruiksregels Ruimte voor parkeren en stallen van voertuigen, voor zover de aanwezigheid van deze ruimte(n) krachtens deze parkeerregels wordt geëist, dient te allen tijde voor dit doel beschikbaar te blijven. Ander gebruik wordt aangemerkt als strijdig gebruik.

Kern Bredevoort, herziening 2021

NL.IMRO.0197.BP00105-VG01

vastgesteld

40

14.6 Afwijken van parkeerregels Burgemeester en Wethouders kunnen door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 14.1, 14.2, 14.3, 14.4 en 14.5. Burgermeester en Wethouders nemen hierbij, conform de beleidsregels, in overweging of: a. het voldoen aan de parkeerregels door bijzondere omstandigheden op overwegende bezwaren stuit; b. er op andere wijze in de benodigde parkeerbehoefte wordt voorzien; c. er een financiële voorwaarde dient te worden gesteld. 14.7 Voorwaarden van afwijking Afwijken van de regels, als bedoel in lid 14.6 , is slechts mogelijk indien geen onevenredige aantasting plaatsvindt van: a. de parkeersituatie in de openbare ruimte; b. de woon- en leefsituatie. 14.8 Nadere eis Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen aanvullend aan het bepaalde in artikel 14.1, 14.2, 14.3 en 14.4 ten behoeve van het verhogen van de parkeernormen indien dat nodig is gelet op het gebruik en / of het bouwplan waarbij het (functioneren van) de omgeving mede betrokken wordt. Het besluit tot het stellen van de nadere eis moet worden voorzien van een motivering waaruit in ieder blijkt dat de eis noodzakelijk is om de ruimtelijke kwaliteit te borgen.

Kern Bredevoort, herziening 2021

NL.IMRO.0197.BP00105-VG01

vastgesteld

41

Artikel 15

Algemene bouwregels

15.1 Ondergrondse gebouwen Voor het bouwen van ondergrondse gebouwen gelden de volgende regels: a. ondergrondse gebouwen (kelders) zijn uitsluitend toegestaan onder bovengrondse gebouwen, dan wel maximaal 3 m daarbuiten; b. ondergrondse gebouwen zijn uitsluitend toegestaan in één bouwlaag ondergronds tot maximaal 4 m onder de verdiepingsvloer van de eerste bouwlaag. 15.2

Ondergeschikte bouwdelen

15.2.1 Overschrijding bouw- en bestemmingsgrenzen Bij de toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen worden ondergeschikte bouwdelen, als plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, gevel- en kroonlijsten, regenpijpen, stoeptreden, luifels, installaties, balkons en overstekende daken, buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding van bouw-, c.q. bestemmingsgrenzen niet meer dan 1 m bedraagt. 15.2.2 Overschrijding bouwhoogte Bij de toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen is overschrijding van de bouwhoogte toegestaan door ondergeschikte bouwdelen, als gevelversieringen, ventilatiekanalen, installaties, regenpijpen, liftkokers e.d., mits de overschrijding van de maximaal toegestane bouwhoogte niet meer dan 1 m bedraagt. 15.3 Afwijkingenregeling In afwijking van het bepaalde in de bouwregels van dit bestemmingsplan geldt voor bestaande gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gebouwd in overeenstemming met de Woningwet of de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, het volgende: a. indien de bestaande maatvoering, afstanden en/of oppervlaktes van gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, de voorgeschreven minima of maxima overschrijden, geldt de bestaande maatvoering, afstand of oppervlakte als maximum respectievelijk minimum; b.

indien de bestaande situering van gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, afwijkt van de in de regels voorgeschreven situering, is ook de bestaande situering toegestaan. 15.4

Dakkapellen

15.4.1 Naar de weg gekeerde gevel Voor het bouwen van dakkapellen aan de naar de openbare weg gekeerde zijde van het hoofdgebouw gelden de volgende bepalingen: a. de breedte van de dakkapellen mag niet meer bedragen dan 50% van de breedte van de gevel van de woning; b. de hoogte van de dakkapel mag, gemeten vanaf de voet van de dakkapel, niet meer bedragen dan 1,75 m; c. onderzijde meer dan 0,5 m en minder dan 1 m boven de dakvoet; d. bovenzijde meer dan 0,5 m onder de daknok; e. zijkanten meer dan 0,5 m van de zijkanten van het dakvlak.

Kern Bredevoort, herziening 2021

NL.IMRO.0197.BP00105-VG01

vastgesteld

42

15.4.2 Van de weg afgekeerde gevel Voor het bouwen van dakkapellen aan de van de openbare weg afgekeerde zijde van het hoofdgebouw gelden de volgende bepalingen: a. de hoogte van de dakkapel mag, gemeten vanaf de voet van de dakkapel, niet meer bedragen dan 1,75 m; b. onderzijde meer dan 0,5 m en minder dan 1 m boven de dakvoet.

Kern Bredevoort, herziening 2021

NL.IMRO.0197.BP00105-VG01

vastgesteld

43

Artikel 16

Algemene gebruiksregels

16.1 Nadere bepaling verboden gebruik Tot een gebruik strijdig met de regels van dit bestemmingsplan wordt in ieder geval verstaan: a. gebruik als seksinrichting, escortbedrijf, sekswinkel, smartshop, coffeeshop, shishabar en gebruik van vergelijkbare aard gericht op geestverruimende genotsmiddelen c.q. inrichtingen die met voornoemde inrichtingen vergelijkbaar zijn; b. gebruik als stort- en/of opslagplaats van grond en/of afval, anders dan als stort- en/of opslagplaats voor normaal gebruik. 16.2 Evenementen Voor evenementen gelden de volgende bepalingen: a. evenementen zijn uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'evenemententerrein'; b. evenementen zijn uitsluitend in de vorm van medegebruik toegestaan.

Kern Bredevoort, herziening 2021

NL.IMRO.0197.BP00105-VG01

vastgesteld

44

Artikel 17

Algemene aanduidingsregels

17.1 Vrijwaringszone - molenbiotoop Ter plaatse van de aanduidingen "vrijwaringszone - molenbiotoop 100 m" en "vrijwaringszone - molenbiotoop 400 m"gelden, aanvullend op de voor deze gronden aangegeven bestemmingen, nadere regels voor het beschermen van de functie van de in dit gebied voorkomende molen als werktuig en van de waarde als landschapsbepalend element. 17.2 Bouwregels Bij de bouw van bouwwerken op gronden ter plaatse van de aanduiding "vrijwaringszone molenbiotoop 100 m" en "vrijwaringszone - molenbiotoop 400 m"gelden de volgende regels: a. ter plaatse van de aanduiding "vrijwaringszone - molenbiotoop 100 m" mag de bouwhoogte van bouwwerken niet meer bedragen dan 9,5 m; b. ter plaatse van de aanduiding "vrijwaringszone - molenbiotoop 400 m" mag de bouwhoogte van bouwwerken niet meer bedragen dan de hoogte welke wordt berekend op basis van de onderstaande formule: Hx = ((X/50) + 0,2 x 16) + 6 m

17.3 Afwijken van de bouwregels Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 17.2 voor het bouwen van bouwwerken met een grotere maximale hoogte, waarbij de maximale hoogte niet meer mag bedragen dan volgens de overigens voor de betreffende gronden aangegeven bestemmingen is toegestaan, mits voldaan wordt aan het volgende: a. uit onderzoek is gebleken dat de windbelemmering niet dusdanig wijzigt dat de betreffende molen onvoldoende kan functioneren of anderszins blijvend onevenredig in zijn waarde wordt geschaad; b. omtrent het voorgaande is een positief advies verkregen van de Commissie Cultureel Erfgoed. 17.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 17.4.1 Verbod Het is verboden op de gronden met de aanduidingen "vrijwaringszone – molenbiotoop 100 m" en "vrijwaringszone - molenbiotoop 400 m" zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden de gronden te beplanten met bomen.

17.4.2 Toelaatbaarheid De werken en werkzaamheden als bedoeld in sublid 17.4.1 zijn slechts toelaatbaar, indien door de werken of werkzaamheden, dan wel door de daarvan, hetzij direct, hetzij indirect te verwachten gevolgen, zoals door windbelemmering of belemmering van het uitzicht, geen onevenredig gevaar oplevert of kan opleveren voor het huidige en/of toekomstige functioneren als werktuig en/of voor de waarde van de molen als landschapsbepalend element.

Kern Bredevoort, herziening 2021

NL.IMRO.0197.BP00105-VG01

vastgesteld

45

Artikel 18

Algemene afwijkingsregels

18.1 Grenzen en aanduidingen Het bevoegd gezag kan, mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het straat- en bebouwingsbeeld, de woonsituatie, de milieusituatie, de verkeersveiligheid, de sociale veiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden, door middel van een omgevingsvergunning afwijken van de regels in het bestemmingsplan ten behoeve van: a. het afwijken van bestemmingsgrenzen, bouwgrenzen en overige aanduidingen in het horizontale vlak, indien en voor zover afwijking noodzakelijk is in verband met de uitmeting van het terrein en er geen dringende redenen zijn die zich tegen de afwijking verzetten, mits de afwijking ten opzichte van hetgeen in het plan is aangegeven niet meer dan 2,5 m bedraagt; b. het afwijken van bouwgrenzen en overige aanduidingen in het horizontale vlak, niet zijnde bestemmingsgrenzen, indien en voor zover afwijking noodzakelijk is uit een oogpunt van doelmatig gebruik van de grond, mits de afwijking ten opzichte van hetgeen in het plan is aangegeven niet meer dan 2,5 m bedraagt; c. de bestemmingsbepalingen ten aanzien van de hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, en toestaan dat de hoogte van de bouwwerken, geen gebouwen zijnde, wordt vergroot tot niet meer dan 10 m.

18.2 Algemeen Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van de regels van het plan ten behoeve van het afwijken van de voorgeschreven goothoogte, bouwhoogte en oppervlakte van gebouwen, afstand tot perceelsgrenzen en overige maatvoering, eventueel met overschrijding van de bebouwingsgrens, mits deze afwijkingen niet meer bedragen dan 10 % van de in het plan voorgeschreven maatvoering, het beoogde stedenbouwkundig beeld niet wordt geschaad en er geen dringende redenen zijn die zich hiertegen verzetten. 18.3 Verhoging goothoogte Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in deze regels teneinde de maximaal toegestane goothoogte van het hoofdgebouw over maximaal 1/3e deel van het dakvlak te verhogen, mits wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: a. het stedenbouwkundig beeld mag niet onevenredig worden geschaad.

Kern Bredevoort, herziening 2021

NL.IMRO.0197.BP00105-VG01

vastgesteld

46

Artikel 19

Algemene wijzigingsregels

19.1 Algemeen Burgemeester en wethouders kunnen het plan, met inachtneming van het bepaalde in artikel 3.6 lid 1 sub a van de Wet ruimtelijke ordening wijzigen ten behoeve van het aanpassen van bouwvlakken, met dien verstande dat: a. er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en de belangen van derden niet onevenredig worden geschaad; b. de uitbreiding van het bouwvlak mag niet meer dan 5 m bedragen.

Kern Bredevoort, herziening 2021

NL.IMRO.0197.BP00105-VG01

vastgesteld

47

Kern Bredevoort, herziening 2021

NL.IMRO.0197.BP00105-VG01

vastgesteld

48

Hoofdstuk 4 Artikel 20 20.1

Overgangs- en slotregels Overgangsrecht

Overgangsrecht bouwwerken

20.1.1 Algemeen Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, danwel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot, a. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd; b. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan. 20.1.2 Afwijken bij omgevingsvergunning Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van het bepaalde in 20.1.1 een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in 20.1.1 met maximaal 10 %. 20.1.3 Uitzondering Het bepaalde in 20.1.1 is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan. 20.2

Overgangsrecht gebruik

20.2.1 Algemeen Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet. 20.2.2 Strijdig gebruik Het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in 20.2.1, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind. 20.2.3 Onderbrok en gebruik Indien het gebruik, bedoeld in 20.2.1, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten. 20.2.4 Uitzondering Het bepaalde in 20.2.1 is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.

Kern Bredevoort, herziening 2021

NL.IMRO.0197.BP00105-VG01

vastgesteld

49

Artikel 21

Slotregel

Deze regels worden aangehaald als: Regels van het bestemmingsplan 'Kern Bredevoort, herziening 2021'.

Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 19 februari 2013.

De griffier,

Kern Bredevoort, herziening 2021

De voorzitter,

NL.IMRO.0197.BP00105-VG01

vastgesteld

50

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Aalten&id=5b7b4010-2923-4cfe-bd46-7f3ff068e934