CConstaterende datAalten
Koppel je AI →
Document · PDF

Landelijk gebied, herstelbesluit 2023 BMC_Toelichting.pdf

Gemeenteraad 20 juni 2023, gemeente AaltenBij agendapunt: Voorstel tot ongewijzigde vaststelling van het bestemmingsplan 'Landelijk gebied, herstelbesluit 2023 BMC'.32.379 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 4

Geconcludeerd wordt dat niet is gebleken dat grotere veehouderijen leiden tot een hoger risico op zoönosen. Voor zover het betoog van [appellant sub 1] en [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] aldus dient te worden begrepen dat, gelet op een advies van de GGD, tussen een veehouderij en nabijgelegen woningen een afstand van minimaal 250 m in acht genomen dient te worden, verwijst de Afdeling naar hetgeen zij over deze adviesafstand heeft overwogen bij de bespreking van het beroep van SNMA (ovw. 38.2). Het betoog slaagt niet. Bouwhoogte 17. Over het betoog van [appellant sub 1] dat de voorziene uitbreiding van de bedrijfsbebouwing met een maximale bouwhoogte van 12 m leidt tot een ernstige aantasting van het uitzicht vanaf zijn perceel, overweegt de Afdeling dat geen recht bestaat op een blijvend vrij uitzicht. De toegelaten bouwhoogte van 12 m voor bedrijfsbebouwing is volgens de raad in overeenstemming met de voorheen toegelaten bouwhoogte op het perceel. Er worden weliswaar nieuwe stallen gerealiseerd, maar gelet op de afstand van ongeveer 200 m tussen het geprojecteerde bouwvlak op het perceel [locatie 3] tot het perceel van [appellant sub 1], leidt dit volgens de raad niet tot een ernstige aantasting van het uitzicht vanaf zijn perceel. Dit standpunt van de raad is niet onredelijk. Het betoog slaagt niet. Stalverlichting 18.

In hetgeen [appellant sub 1] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de verlichting van de voorziene stallen op het perceel [locatie 3] ernstige hinder tot gevolg zal hebben voor zijn woongenot en het verblijfsklimaat op zijn camping. Bij dit oordeel betrekt de Afdeling de hiervoor genoemde omstandigheid dat de afstand tussen de percelen 200 m bedraagt. Een zekere mate van beïnvloeding door verlichting van stallen is inherent aan het wonen in agrarisch buitengebied. Het betoog slaagt niet. Conclusie 19. Gelet op het voorgaande zijn de beroepen van [appellant sub 1] en [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] ongegrond. De beroepen van SNMA en MOB en anderen

Uitspraak 201603579/4/R1

7

Ontvankelijkheid 20. Het beroep van MOB en anderen is ingesteld door MOB en de eigenaren en/of bewoners van de percelen [locatie 6] en [locatie 7] en de [locatie 8]. Volgens de raad hebben de bewoners van de [locatie 8], dat zijn [appellant sub 4A] en [appellant sub 4B], geen zienswijze tegen het ontwerpplan naar voren gebracht. Het beroep van MOB en anderen, voor zover ingesteld door deze personen, is daarom volgens de raad niet-ontvankelijk. 20.1. Ingevolge de artikelen 3:11, 3:15 en 3:16 van de Awb wordt het ontwerpplan ter inzage gelegd voor de duur van zes weken en kunnen gedurende deze termijn zienswijzen naar voren worden gebracht bij de raad. [appellant sub 4A] en [appellant sub 4B] hebben geen zienswijze over het ontwerpplan naar voren gebracht. Ingevolge artikel 8:1 van de Awb, in samenhang gelezen met artikel 8:6 van de Awb en artikel 2 van bijlage 2 bij de Awb, alsmede met artikel 6:13 van de Awb, kan geen beroep worden ingesteld tegen het besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan door een belanghebbende die over het ontwerpplan niet tijdig een zienswijze naar voren heeft gebracht, tenzij hem redelijkerwijs niet kan worden verweten dit te hebben nagelaten. Deze omstandigheid doet zich niet voor. Gelet hierop is het beroep van MOB en anderen, voor zover ingesteld door [appellant sub 4A] en [appellant sub 4B], niet-ontvankelijk. Stikstof 21.

SNMA en MOB en anderen betogen dat het plan is vastgesteld in strijd met artikel 2.8, derde lid, van de Wnb. Het plan voorziet in ontwikkelingen die kunnen leiden tot een toename van de stikstofuitstoot en -depositie op de voor stikstof gevoelige habitattypen in Natura 2000-gebieden in de omgeving van het plangebied. Uit de voor het plan verrichte passende beoordeling volgt dat de kritische depositiewaarden van de aanwezige stikstofgevoelige habitattypen in veel gevallen reeds worden overschreden. Iedere toename van de depositie is daarom volgens MOB en SNMA significant en leidt mogelijk tot een aantasting van de natuurlijke kenmerken van de betrokken Natura 2000-gebieden. Dit is volgens SNMA en MOB en anderen ten onrechte niet onderkend in de passende beoordeling. De raad heeft weliswaar beoogd in de artikelen 3, lid 3.4.2, en 4, lid 4.4.2, van de planregels, een gebruiksregeling op te nemen die zich verzet tegen een toename van de stikstofdepositie van veehouderijen, maar deze regeling is gebrekkig. Bovendien ziet deze stikstofregeling alleen op de stalemissies van veehouderijen. Het beoogde verbod op de toename van de stikstofdepositie heeft geen betrekking op de gevolgen van emissies buiten de stal die het gevolg zijn van het beweiden van melkvee en het bemesten van agrarische cultuurgronden.

Ook voorziet het plan volgens SNMA in niet-agrarische ontwikkelingen die kunnen leiden tot een toename van de stikstofdepositie waar in de passende beoordeling geen rekening mee is gehouden. Relativiteitsvereiste 22. Zoals hiervoor is weergegeven, is het beroep van MOB en anderen mede ingesteld door de bewoners van de [locatie 6] en [locatie 7]. Het betoog van deze natuurlijke personen over de gevolgen van de stikstofdepositie voor beschermde natuurgebieden kan niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit, gelet op het relativiteitsvereiste van artikel 8:69a, van de Awb. De afstand tussen het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied en de percelen [locatie 6] en [locatie 7] bedraagt ruim 9 km. Gelet daarop kunnen deze natuurgebieden niet worden gerekend tot de leefomgeving van deze appellanten. Voor een nadere motivering van dit oordeel verwijst de Afdeling naar hetgeen zij hiervoor in 13.2 heeft overwogen bij de

Uitspraak 201603579/4/R1

8

beroepen van [appellant sub 1] en [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B]. In het navolgende bespreekt de Afdeling de beroepsgronden over de gevolgen van de stikstofdepositie voor zover die zijn aangevoerd door MOB (en SNMA). Veehouderijen 23. Voor het plan is een passende beoordeling verricht, die gevoegd is als bijlage bij het planmilieueffectrapport. Dit betreft de "PlanMER Bestemmingsplan Landelijk Gebied 2014: Passende Beoordeling in het kader van de Natuurbeschermingswet 1998" van oktober 2015 (hierna: passende beoordeling). De conclusies van de passende beoordeling zijn samengevat weergegeven in de plantoelichting. Daarin staat dat de Natura 2000-gebieden in de omgeving van het plangebied te lijden hebben onder een overbelasting aan stikstof, mede als gevolg van de ammoniakemissie uit de landbouw. Deze overbelasting mag niet toenemen. Op basis van de resultaten van het onderzoek naar de milieueffecten zijn in de plan-MER twee alternatieven onderzocht en verder uitgewerkt. Alleen in het alternatief waarbij de toegestane bedrijfsomvang is gekoppeld aan de rechtens toegestane situatie, is er geen sprake van een "negatief effect" op de Natura 2000-gebieden. Een dergelijk alternatief is niet in strijd met de Nbw 1988 (thans: Wnb) en om die reden kan op basis daarvan een bestemmingsplan worden vastgesteld, aldus de plantoelichting.

In de plantoelichting staat verder dat als "plafond" (voor de stikstofuitstoot) is opgenomen het rechtsgeldige bestaande gebruik van een veehouderij, dat wil zeggen de oppervlakte die ten tijde van de inwerkingtreding van dit bestemmingsplan rechtsgeldig aanwezig, dan wel toegestaan is voor een (intensieve) veehouderij(tak), met het daarbij behorende aantal dierplaatsen en huisvestingssysteem. Het rechtsgeldig aantal dierplaatsen en bijbehorende huisvestingssysteem kan onder meer blijken uit onherroepelijke vergunningen en/of geaccordeerde meldingen door het bevoegde gezag onder meer op grond van de sectorale milieu- en/of natuurwetgeving. Het is toegestaan om binnen deze rechtsgeldige ammoniakemissie wijzigingen op bedrijfsniveau aan te brengen. In de praktijk zal dit via de methode van interne saldering moeten worden geregeld, dat wil zeggen door het treffen van emissiebeperkende maatregelen, aldus de plantoelichting. 23.1. Hieronder worden de planregels weergegeven waarmee is beoogd de stikstofdepositie van veehouderijen te beperken, om te voorkomen dat het plan in strijd komt met artikel 2.8, derde lid, van de Wnb. Het weergegeven samenstel van bepalingen zal in het navolgende ook worden geduid als de "stikstofregeling". 23.2.

In lid 1.41 staat dat onder "dierplaatsen" wordt verstaan "het maximaal aantal te houden dieren overeenkomstig de verleende omgevingsvergunning of het Activiteitenbesluit milieubeheer." Blijkens lid 1.70 wordt onder een "negatief effect op een Natura 2000-gebied door stikstofdepositie" verstaan "elke toename van stikstofdepositie (groter dan 0,00 mol stikstof) per ha per jaar op voor stikstof gevoelige habitats in een Natura 2000-gebied". 23.3. De kern van de stikstofregeling in het bestemmingsplan is artikel 3, lid 3.4.2, van de planregels voor de gronden met de bestemming "Agrarisch" en het gelijkluidende artikel 4, lid 4.4.2, voor de gronden met de bestemming "Agrarisch met waarden". Deze artikelen zijn bij besluit van 21 maart 2017 gewijzigd ten opzichte van het besluit van 19 april 2016. Aanleiding hiervoor was de in overweging 2 genoemde uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling van 14 september 2016. In het navolgende bespreekt de Afdeling de regeling zoals die geldt voor de gronden met de

Uitspraak 201603579/4/R1

9

bestemming "Agrarisch". Tenzij nadrukkelijk anders vermeld, gelden deze overwegingen ook voor artikel 4, lid 4.4.2, en dus de gronden met de bestemming "Agrarisch met waarden". 23.4. Artikel 3, lid 3.4.2, luidt als volgt: "Als een met de bestemming strijdig gebruik wordt aangemerkt: het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van het houden van vee zodanig dat er sprake is van een negatief effect op een Natura 2000-gebied door stikstofdepositie, met dien verstande dat tot een strijdig gebruik met deze bestemming niet wordt aangemerkt: a. het bestaande gebruik, dat wil zeggen de oppervlakte die ten tijde van de inwerkingtreding van dit bestemmingsplan aanwezig dan wel rechtens toegestaan is, overeenkomstig bijlage 6 van de planregels, ten behoeve van een (intensieve) veehouderij(tak), met het daarbij behorende aantal dierplaatsen en huisvestingssysteem; b. een van het onder a. afwijkende gebruik, onder voorwaarde dat de stikstofdepositie niet toeneemt ten opzichte van de stikstofdepositie, zoals toegestaan onder a." 23.5. In bijlage 6 van de planregels is voor elke veehouderij die in het plangebied is gevestigd vermeld welke vergunning relevant is voor de toepassing van deze gebruiksregel. Bij veehouderijen die over een Nbw-vergunning beschikken of een PAS-melding hebben gedaan is deze vergunning of melding opgenomen.

Bij de veehouderijen die niet over een "natuurtoestemming" beschikken is de omgevingsvergunning of melding op grond van het Activiteitenbesluit vermeld. 23.6. Uit artikel 2.8 van de Wnb, in samenhang gelezen met artikel 2.7 van de Wnb, volgt dat een passende beoordeling moet worden gemaakt als een plan significante gevolgen kan hebben voor Natura 2000-gebieden. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in haar uitspraak van 20 december 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3530, kunnen significante gevolgen door de stikstofuitstoot echter op voorhand worden uitgesloten indien voor de gebruiksmogelijkheden wordt aangesloten bij de feitelijke en planologisch toegestane situatie voorafgaand aan de vaststelling van het plan of in andere bewoordingen - de planologisch legale situatie voorafgaand aan de vaststelling van het plan, echter alleen voor zover deze op dat moment ook feitelijk wordt benut (hierna ook geduid als de referentiesituatie). In een dergelijk geval kan een passende beoordeling achterwege blijven.

Daarnaast kan in een plan, zonder dat (opnieuw) een passende beoordeling behoeft te worden gemaakt, worden aangesloten bij de uitbreidingsmogelijkheden die voortvloeien uit een Nbw 1998- of Wnb-vergunning (hierna ook geduid als: natuurvergunning) die ten tijde van het vaststellen van het plan in rechte onaantastbaar was, waaraan een passende beoordeling ten grondslag heeft gelegen en die in het plan een één-op-één-inpassing heeft gekregen. Indien aan deze voorwaarden is voldaan, kan gelet op artikel 2.8, tweede lid, van de Wnb (voorheen: artikel 19j, vijfde lid, van de Nbw 1998) een nieuwe passende beoordeling in beginsel achterwege blijven. De veronderstelling daarbij is dat de planologische uitbreidingsmogelijkheden reeds passend zijn beoordeeld in het kader van de verlening van de natuurvergunning en dat een nieuwe passende beoordeling redelijkerwijs geen nieuwe gegevens en inzichten kan opleveren over de significante gevolgen van de aldus vergunde projecten. In geval in de planregels wordt verwezen naar een natuurvergunning, moet het, gelet op de rechtszekerheid, wel duidelijk zijn om welke vergunning het daarbij gaat, bijvoorbeeld door te verwijzen naar de datum en het kenmerk van de vergunning. 23.7. Als een plan voorziet in andere dan de hiervoor in 23.6 genoemde ruimtelijke

Uitspraak 201603579/4/R1

10

ontwikkelingen, die ten opzichte van de referentiesituatie zouden kunnen leiden tot een toename van de stikstofdepositie op één of meerdere Natura 2000-gebieden, dient terzake voorafgaande aan de vaststelling van het plan een onderzoek te worden uitgevoerd. Als op grond van objectieve gegevens uit dat onderzoek (voortoets) volgt dat significante gevolgen op de betrokken gebieden niet op voorhand kunnen worden uitgesloten, dient ook een passende beoordeling te worden gemaakt. Het plan kan in dat geval worden vastgesteld als en nadat de raad uit de aldus gemaakte passende beoordeling de zekerheid heeft verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied niet zal aantasten. 23.8. De in artikel 3, lid 3.4.2, aanhef en onder a, van de planregels opgenomen regeling is niet in overeenstemming met de hiervoor uiteengezette uitgangspunten. In de eerste plaats omdat deze regeling niet is geënt op het aantal dieren, dat wordt gehouden, maar op het aantal aanwezige dierplaatsen. Op het aan te houden peilmoment kan de betreffende stalcapaciteit echter daadwerkelijk nog niet volledig zijn benut, maar nadien echter wel. Daarbij komt dat niet is gesteld, en evenmin aannemelijk is, dat de aanwezige stalcapaciteiten op het peilmoment ook daadwerkelijk volledig waren benut.

In geval op het peilmoment nog niet volledig benutte stalcapaciteit nadien alsnog wordt benut, leidt dit tot een toename van het aantal dieren ten opzichte van de referentiesituatie en dus tot een stijging van de stikstofemissie en -depositie, en zonder dat dan onderzoek heeft plaatsgevonden naar de gevolgen daarvan voor Natura 2000-gebieden. Ten tweede volgt uit deze regeling niet dat het op het peilmoment bestaande gebruik alleen mag worden voortgezet voor zover dat gebruik planologisch legaal was, dat wil zeggen in overeenstemming was met de planologische situatie op het peilmoment. In dit verband wijst de Afdeling erop dat in artikel 1, lid 1.24, van de planregels is vastgelegd dat onder "bestaand gebruik" wordt verstaan "het gebruik dat op het moment van de inwerkingtreding van het bestemmingsplan rechtens bestaat en in overeenstemming is met het voorheen geldend planologische regime". Artikel 3, lid 3.4.2, aanhef en onder a, van de planregels bevat echter een eigen definitie van "bestaand gebruik" en deze is niet gelijk aan de algemene omschrijving van dat begrip, als opgenomen in artikel 1.24 van de planregels. Uit de regeling van artikel 3, lid 3.4.2, aanhef en onder a, van de planregels volgt namelijk niet dat in geval van bestaand gebruik ook sprake dient te zijn van een planologisch legaal gebruik.

Daarbij wijst de Afdeling er tevens op dat in dat artikelonderdeel ook de woorden "dan wel rechtens toegestaan" worden gebezigd, waaruit juist lijkt te gevolgen dat het bij bestaand gebruik slechts om het feitelijke gebruik ten tijde van het peilmoment gaat. Ook zou uit artikel 3, lid 3.4.2, aanhef en onder a kunnen worden afgeleid dat dat artikelonderdeel ook ziet op gebruik dat overeenkomstig de verleende vergunningen dan wel gedane meldingen uit hoofde van de milieuwetgeving, als opgenomen in bijlage 6 van de planregels, is toegestaan, en zonder dat dat gebruik op de peildatum plaatsvond. In de derde plaats is het in artikel 3, lid 3.4.2, aanhef en onder a, gekozen peilmoment, namelijk de inwerkingtreding van het plan, in beginsel onjuist. Zoals hiervoor is overwogen dient voor het peilmoment in beginsel aangesloten te worden bij het moment van vaststelling van het plan. Dit is immers ook het moment waarop de gevolgen van het (nieuwe) plan bekend moeten zijn. Tussen de vaststelling en de inwerkingtreding van een bestemmingsplan kan een geruime periode liggen waarbinnen het veebestand en daarmee dus de stikstofuitstoot en -depositie kunnen toenemen.

Tot slot wijst de Afdeling erop dat weliswaar blijkens bijlage 6 bij de planregels een groot aantal veehouderijen beschikt over een natuurvergunning, maar daarbij is niet vast komen te staan dat het in al die gevallen gaat om natuurvergunningen waar passende beoordelingen

Uitspraak 201603579/4/R1

11

aan ten grondslag hebben gelegen en die een één-op-één-inpassing in het plan hebben gekregen. Bovendien ligt in deze procedure ook de vraag voor of de gevolgen van het weiden van melkvee passend zijn beoordeeld. Dit komt hieronder verder aan de orde. 23.9. Aldus spoort de regeling als opgenomen in artikel 3, lid 3.4.2, aanhef en onder a, en reeds daardoor ook de regeling als opgenomen in artikel 3, lid 3.4.2, aanhef en onder b, niet met de hiervoor in 23.6 uiteengezette uitgangspunten. Weiden van vee 23.10. In 17.2 van haar uitspraak van 9 oktober 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3417, heeft de Afdeling overwogen dat het gegeven dat het weiden van vee onlosmakelijk samenhangt met de oprichting, exploitatie of uitbreiding van de stallen waarin het melkvee wordt gehouden, betekent dat de gevolgen van het weiden van vee bij de vaststelling van een bestemmingsplan moeten worden beoordeeld als dat bestemmingsplan voorziet in de (nieuw)vestiging of uitbreiding van een melkveehouderij waarin het weiden van het melkvee onderdeel uitmaakt van de bedrijfsvoering. 23.11. Zoals hiervoor in 23.8 is overwogen, verzet het plan zich niet tegen een uitbreiding van veehouderijen. Het staat vast dat in het plangebied ook melkveehouderijen zijn gevestigd. Dit betekent dat het plan ook kan leiden tot een toename van de stikstofdepositie vanwege het beweiden van vee ten opzichte van de referentiesituatie.

De gevolgen hiervan zijn niet onderzocht, hetgeen gelet op artikel 2.7, eerste lid, van de Wnb, wel had gemoeten. Het betoog slaagt. 23.12. Ter voorlichting van de raad en met het oog op een nieuw vast te stellen planregeling, overweegt de Afdeling nog het volgende. Indien de raad een planregeling voor veehouderijen wenst vast te stellen die in overeenstemming is met hetgeen hiervoor in overweging 23.6 is uiteengezet, geldt met betrekking tot de gevolgen van weidegang het volgende. Indien in de planregels wordt aangesloten bij de referentiesituatie, dan behoeven de gevolgen van de uitstoot vanwege het weiden van vee niet in een voortoets of passende beoordeling te worden onderzocht. Een eventuele beweiding die leidt tot een toename van de stikstofdepositie ten opzichte van de referentiesituatie is dan immers niet toegelaten, zodat daartegen op grond van het plan handhavend kan worden opgetreden. In geval (tevens) planologische uitbreidingsmogelijkheden worden geboden aan veehouderijen overeenkomstig een in rechte onaantastbare natuurvergunning waaraan een passende beoordeling ten grondslag heeft gelegen, dient onderscheid te worden gemaakt tussen natuurvergunningen voor veehouderijen waarbij het vee permanent op stal staat, en natuurvergunningen die weidegang impliceren. In het eerstgenoemde geval heeft een uitbreiding van de veestapel geen gevolgen voor weidegang.

Het weiden van vee is bij dergelijke veehouderijen immers niet vergund, en daarmee ook niet planologisch toegestaan. In het tweede geval kan wel sprake zijn van de situatie dat het plan een toename van de stikstofdepositie mogelijk maakt die niet passend is beoordeeld in het kader van de verlening van de natuurvergunning. De Afdeling verwijst in dit verband naar hetgeen zij heeft overwogen in 17.3 en 17.4 van haar uitspraak van 9 oktober 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3417. Tussenconclusie stikstof veehouderijen 23.13. Het vorenstaande betekent dat het plan, in het licht van de daarin voorziene uitbreidingsmogelijkheden voor veehouderijen, is vastgesteld in strijd met artikel 2.7, eerste lid en 2.8, derde lid, van de Wnb. Het betoog slaagt. 23.14. Gelet op het hiervoor gegeven oordeel, de hierna uit te spreken vernietiging van

Uitspraak 201603579/4/R1

12

onderdelen van het bestemmingsplan en de te treffen voorlopige voorziening, bestaat geen aanleiding om alle overige beroepsgronden van SNMA en MOB over de stikstofregeling voor veehouderijen te bespreken. In het kader van finale geschilbeslechting en met het oog op een door de raad te nemen nieuw besluit, wordt volstaan met de bespreking van een aantal van de door hen aangevoerde beroepsgronden. Overige beroepsgronden stikstof van veehouderijen 23.15. In de aanhef van artikel 3, lid 3.4.2, van de planregels is vastgelegd dat als strijdig gebruik wordt aangemerkt een gebruik dat leidt tot "een negatief effect op een Natura 2000gebied door stikstofdepositie". In artikel 1, lid 1.70, van de planregels is een definitie opgenomen van het begrip "negatief effect". Uit die gebruiksbepaling, bezien in samenhang met deze definitiebepaling, volgt dat de stikstofdepositie niet mag stijgen. Het betoog van MOB dat niettemin niet is uitgesloten dat een geringe of verwaarloosbare stijging is toegelaten, mist daarom feitelijke grondslag. Het betoog van MOB dat in het plan ten onrechte niet is vastgelegd met welk rekenmodel de toename van de stikstofdepositie dient te worden berekend slaagt evenmin. Het is niet noodzakelijk en evenmin gebruikelijk dat in een bestemmingsplan wordt vastgelegd welke specifieke reken- of onderzoeksmethodiek moet worden toegepast. 23.16.

Anders dan SNMA betoogt kan voor het bepalen van de feitelijke legale emissie op het peilmoment worden aangesloten bij de - in het kader van de milieuwetgeving - vergunde of gemelde omvang van de veestapel, die vanwege een eventuele feitelijke onderbezetting in de stallen wordt gecorrigeerd door recente CBS-cijfers, de zogeheten "meitellingen". Het is in beginsel niet juist de referentiesituatie enkel aan de vergunde of gemelde situatie direct voorafgaande aan de vaststelling van het bestemmingsplan te ontlenen, nu deze in de praktijk wegens een veelal aan de orde zijnde onderbezetting van de stallen niet zal overeenkomen met de bestaande situatie direct voorafgaande aan de vaststelling van het bestemmingsplan (zie bijvoorbeeld ABRS 5 november 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3930). Dit kan anders liggen in geval aannemelijk wordt gemaakt dat geen discrepantie bestaat tussen de vergunde of gemelde situatie en de feitelijke veebezetting. 23.17. Met de bepaling van artikel 3, lid 3.4.2, onder b, van de planregels heeft de raad willen voorzien in de mogelijkheid van het zogeheten "intern salderen", zowel in geval wordt aangesloten bij de referentiesituatie als bij een in rechte onaantastbare natuurvergunning.

De mogelijkheid om intern te salderen in het geval dat wordt aangesloten bij het bestaande planologisch toegelaten gebruik, is in overeenstemming met artikel 2.7, eerste lid, van de Wnb en behoeft dus niet passend te worden beoordeeld. Dit geldt echter niet voor de planologische mogelijkheid om intern te salderen in het geval dat wordt aangesloten bij een in rechte onaantastbare natuurvergunning. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 11 april 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1185, maakt artikel 2.8, tweede lid, van de Wnb een uitzondering op de verplichting om een passende beoordeling op te stellen, maar alleen als het plan een herhaling of voortzetting is van een project ten aanzien waarvan reeds eerder een passende beoordeling is gemaakt, voor zover een nieuwe passende beoordeling redelijkerwijs geen nieuwe gegevens en inzichten kan opleveren omtrent de significante gevolgen van dat plan. In geval in het plan voor het toegelaten gebruik mag worden aangesloten bij een natuurvergunning, maar daarnaast tevens wordt toegestaan om door intern salderen af te wijken van de vergunde situatie, wordt niet voldaan aan de voornoemde vereisten die voortvloeien uit artikel 2.8, tweede lid, van de Wnb.

Er is dan immers niet langer sprake van een herhaling of voortzetting van een project waarvoor op basis van een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het de natuurlijke kenmerken van het

Uitspraak 201603579/4/R1

13

Natura 2000-gebied niet zal aantasten. Het betoog slaagt. 23.18. SNMA betoogt dat het plan voorziet in bouwmogelijkheden bij veehouderijen en dat dit kan leiden tot een toename van de veestapel en dus tot een hogere stikstofdepositie. De Afdeling overweegt dat dit betoog niet slaagt indien wordt uitgegaan van een planregeling zoals beschreven hiervoor in overweging 23.6 Een dergelijke planregeling verzet zich immers tegen een toename van de stikstofdepositie ten opzichte van de referentiesituatie of de situatie waarvoor een natuurvergunning is verleend. De toename van de bedrijfsbebouwing mag in een dergelijk geval niet leiden tot een hogere stikstofdepositie. 23.19. SNMA heeft ook de afwijkings- en wijzigingsbevoegdheid van onderscheidenlijk artikel 3, lid 3.3.1, en 3, lid 3.7.2, bestreden. Het toepassen van deze bevoegdheden voor het overschrijden van de bouwgrenzen en het vergroten van het bouwvlak, kan volgens SNMA leiden tot de toename van de stikstofdepositie en derhalve tot een aantasting van de natuurlijke kenmerken van nabijgelegen Natura 2000-gebieden. Ook dit betoog slaagt niet in het geval dat wordt uitgegaan van een in overweging 23.6 beschreven stikstofregeling. Bemesting van agrarische cultuurgronden 24.

MOB betoogt dat de gevolgen van de stikstofdepositie vanwege het uitrijden van mest op agrarische cultuurgronden, dat wil zeggen gronden die bestemd en in gebruik zijn voor akker- en tuinbouw en als weiland, ten onrechte niet passend zijn beoordeeld. Het plan staat er niet aan in de weg dat deze gronden meer intensief worden bemest dan in de situatie direct voorafgaand aan de vaststelling van het plan. MOB wijst in dit verband op de mogelijkheid dat agrarische gronden in de toekomst worden gebruikt voor de teelt van gewassen die een hogere mestafgifte vereisen en op de omschakeling van biologische teelt naar meer traditionele vormen van akker- en tuinbouw. Ook is het mogelijk dat er een verandering plaatsvindt van de soort mest die wordt gebruikt (kunstmest in plaats van organische mest). Niet kan worden uitgesloten dat een toename of wijziging van de mestafzet leidt tot een toename van de stikstofdepositie op omliggende Natura 2000gebieden, aldus MOB. 24.1. In haar uitspraak van 22 januari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:212, is de Afdeling ingegaan op de vraag onder welke omstandigheden de gevolgen van bemesting van agrarische gronden in het kader van de vaststelling van een bestemmingsplan onderzocht dienen te worden vanwege de eventuele gevolgen daarvan voor beschermde natuurgebieden.

Overwogen is dat een onderzoek in ieder geval nodig is wanneer het vorige plan voor onbebouwde gronden niet in een bestemming voor agrarisch grondgebruik voorzag en het nieuwe plan daar voor diezelfde onbebouwde gronden wel in voorziet. Van een ruimtelijke ontwikkeling is ook sprake wanneer zowel het vorige als het nieuwe plan voor dezelfde onbebouwde gronden in een bestemming voor agrarisch grondgebruik voorzien, maar die bestemming onder het vorige plan niet is verwezenlijkt omdat die onbebouwde gronden onder het vorige plan niet voor agrarisch grondgebruik werden gebruikt. Wanneer de bestemming voor agrarisch grondgebruik van onbebouwde gronden in het vorige plan wel is verwezenlijkt in die zin dat de gronden agrarisch werden gebruikt, en het nieuwe plan voor dezelfde onbebouwde gronden eveneens voorziet in een bestemming voor agrarisch grondgebruik is géén sprake van een ruimtelijke ontwikkeling. In dat geval bestaat er voor de raad dan ook geen aanleiding om de gevolgen van de bestemmingsregeling voor de onbebouwde agrarische gronden, inclusief het bemesten, voor Natura 2000-gebieden te onderzoeken, aldus de uitspraak van de Afdeling van 22 januari 2020. 24.2. Volgens de raad is het areaal aan landbouwgrond in het plangebied niet toegenomen

Uitspraak 201603579/4/R1

14

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Aalten&id=e5743558-c368-4703-8150-6f7fff82c6d3