Landelijk gebied, herstelbesluit 2023 BMC_Toelichting.pdf
Tekst van het document
Het plan bevat op dit punt een gebrek dat dient te worden hersteld. Nu de raad zich in zoverre op een ander standpunt stelt dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid en in strijd is met artikel 3:2 van de Awb. In zoverre slaagt het betoog. 29.3. Het door [appellante sub 9] bedoelde perceel ten zuiden van de Groot Deunkweg dat volgens haar voor bomenteelt wordt gebruikt, maar niet volledig als zodanig is bestemd, grenst aan de westzijde aan de Ligterinkweg en aan de noordzijde aan de Deunkdijk. Volgens
[appellante sub 9] is een strook grond langs de zuidzijde van dit perceel ook in gebruik voor bomenteelt, maar is hieraan niet de aanduiding "bomenteelt" toegekend. De raad heeft ter zitting toegelicht dat hij niet heeft onderzocht of deze strook voor bomenteelt is gebruikt en dat hij dientengevolge niet weet wat het gebruik van de gronden is. Nu de raad niet heeft onderzocht of op de strook grond sprake is van bestaande bomenteelt en de raad als uitgangspunt hanteert de bestaande bomenteelt in het plangebied als zodanig te bestemmen, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid en in strijd is met artikel 3:2 van de Awb. Ook in zoverre slaagt het betoog. Uitbreidingsmogelijkheden 30. [appellante sub 9] betoogt dat het plan onvoldoende mogelijkheden biedt voor uitbreiding van haar boomkwekerij. [appellante sub 9] wil haar boomkwekerij uitbreiden op gronden ten zuiden van de Groot Deunkweg. Die gronden hebben de aanduiding "openheid" en "specifieke vorm van agrarisch - boomteelt wisselteelt 1" en kunnen door middel van een wijzigingsbevoegdheid de aanduiding "bomenteelt" toegekend krijgen tot een maximum van 20 ha en ten behoeve van teelt tot een hoogte van 0,5 m.
[appellante sub 9] betoogt dat uitbreiding van haar boomkwekerij ten onrechte alleen met toepassing van de wijzigingsbevoegdheid mogelijk is en dat bomenteelt ter plaatse niet bij recht is toegestaan. Zij voert aan dat een wijzigingsbevoegdheid niet werkbaar is voor wisselteelt omdat dan telkens door gebruikmaking van de wijzigingsbevoegdheid de aanduiding "bomenteelt" aan de op dat moment voor bomenteelt beoogde gronden moet worden toegekend en van andere gronden, die tijdelijk niet voor bomenteelt worden gebruikt, moet worden afgehaald. [appellante sub 9] betoogt ook dat de hoogte van houtachtige gewassen ten onrechte is beperkt tot 0,5 m. Zij voert aan dat de raad een groter gewicht had moeten toekennen aan haar bedrijfsbelangen dan aan het belang bij behoud van de openheid van het landschap. Volgens [appellante sub 9] is de totale oppervlakte van de gronden in het buitengebied die zijn bestemd voor openheid ongeveer 900 ha en is het daarom niet bezwaarlijk als de openheid in een relatief klein gebied verloren gaat. Bovendien is de aantasting van de openheid slechts tijdelijk, omdat de teelten tijdelijk aanwezig zijn. [appellante sub 9] doet in dit kader ook een beroep op het gelijkheidsbeginsel. Volgens haar wordt de openheid in veel grotere mate aangetast door de maisteelt, terwijl dit wel is toegestaan op gronden die bestemd zijn voor openheid.
[appellante sub 9] betoogt tot slot dat de maximale oppervlakte van 20 ha waarvoor de wijzigingsbevoegdheid mag worden aangewend, feitelijk al bijna volledig benut is, omdat de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - boomteelt wisselteelt 1" ook is toegekend aan gronden die niet zijn bestemd voor openheid en waar bomenteelt binnen de agrarische bestemmingen bij recht is toegestaan en op veel plaatsen, waaronder op een aantal van haar
percelen ten noorden van de Groot Deunkweg, al feitelijk aanwezig is. 30.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het bestemmingsplan in voldoende uitbreidingsmogelijkheden voor de bomenteelt voorziet. In gebieden met openheid wenst de raad de omvang van de boomkwekerijen te beperken en heeft hij daarom de omvang van bomenteelt beperkt tot 20 ha en de hoogte van de teelt tot 0,5 m. De raad heeft er voorts voor gekozen om bomenteelt ter plaatse niet bij recht mogelijk te maken, maar daarvoor een wijzigingsbevoegdheid op te nemen, omdat er, naast het belang van de landschappelijke waarde, ook belangen van derden aan de orde kunnen zijn die een nadere afweging vergen. 30.2. Artikel 4, lid 4.7.3, van de planregels luidt: "Burgemeester en wethouders kunnen het plan wijzigen voor wat betreft het toestaan van het telen van boomkwekerijgewassen door het opnemen van de aanduiding 'bomenteelt' (telen van boomkwekerijgewassen toegestaan) ter plaatse van de aanduiding 'openheid', met inachtneming van de volgende voorwaarden: a. deze wijziging is uitsluitend toegestaan binnen de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - wisselteelt boomteelt 1' en de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch wisselteelt boomteelt 2'; b.
de totale oppervlakte aan percelen met de aanduiding 'bomenteelt' mag niet meer bedragen dan 20 hectare binnen de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - wisselteelt boomteelt 1'; c. de totale oppervlakte aan percelen met de aanduiding 'bomenteelt' mag niet meer bedragen dan 10 hectare binnen de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - wisselteelt boomteelt 2'; d. de belangen van in de omgeving gelegen functies en waarden mogen niet onevenredig worden geschaad; e. belangen van de eigenaren en/of gebruikers van betrokken en nabijgelegen gronden mogen niet onevenredig worden geschaad." 30.3. In de plantoelichting staat dat in de gemeente Aalten de afwisseling van landschapstypen herkenbaar is en dat de karakteristieke kenmerken van elk landschapstype op veel plaatsen nog goed bewaard zijn gebleven. Uitgangspunt van het bestemmingsplan is dat kenmerkende elementen moeten worden behouden. Landschapskenmerken die in het bestemmingsplan worden beschermd zijn: - reliëf: dit betreft met name de plateauranden, steilranden, esjes en andere kleinschalige hoogteverschillen; - openheid: de grote escomplexen ten noorden van de kern Aalten en de essen richting Lintelo
en De Heurne evenals de beekdalen ten zuiden en westen van de vestingstad Bredevoort; - beplanting: de vele houtwallen en bosjes, met name in het Oude hoevenlandschap en het Goorcultuurlandschap. - verkaveling: het Aaltense Goor vanwege de karakteristieke verkaveling en de vele kavelgrensbeplantingen. Voor deze landschapswaarden geldt dat zij zonder specifieke bescherming mogelijk zouden kunnen verdwijnen ten gevolge van ingrepen en ontwikkelingen vanuit de overige functies van het buitengebied. In dit bestemmingsplan zijn daarom voor deze waarden beschermende regels opgenomen, aldus de plantoelichting. 30.4. De Afdeling overweegt dat gesteld noch gebleken is dat de uitbreidingsplannen van [appellante sub 9] ten tijde van de vaststelling van het plan voldoende concreet waren en tijdig kenbaar waren gemaakt. De raad was dan ook niet gehouden omtrent de uitbreidingsplannen van [appellante sub 9] bij de vaststelling van het plan een afweging te maken en de door haar gewenste bomenteelt eventueel bij recht mogelijk te maken. De raad heeft in redelijkheid, rekening houdend met de meer algemene uitbreidingswensen van [appellante sub 9], kunnen voorzien in een wijzigingsbevoegdheid. Het college van burgemeester en wethouders kan bij toepassing van de wijzigingsbevoegdheid een afweging van belangen maken, waarbij ook de belangen van eventuele derden kunnen worden betrokken.
Anders dan [appellante sub 9] veronderstelt, dient niet bij iedere wisseling van de teelt opnieuw een wijzigingsplan te worden vastgesteld. Wanneer door middel van een wijzigingsplan aan gronden de aanduiding "bomenteelt" wordt toegekend, geldt deze aanduiding in beginsel voor een planperiode voor 10 jaar. Omdat met de wijzigingsbevoegdheid aan maximaal 20 ha de aanduiding "bomenteelt" kan worden toegekend en sprake is van wisselteelt, betekent dit dat deze maximale oppervlakte niet te allen tijde ten volle zal kunnen worden benut voor bomenteelt. Voor zover [appellante sub 9] heeft betoogd dat de raad in de wijzigingsregels een grotere maximale oppervlakte voor bomenteelt had moeten opnemen, zodat effectief te allen tijde 20 ha voor bomenteelt kan worden gebruikt, heeft de raad hiertoe gelet op het belang van het behoud van de openheid van het gebied in redelijkheid geen aanleiding hoeven zien. Gelet op het belang van het behoud van de openheid, heeft de raad ook in redelijkheid een maximum van 0,5 m voor houtachtige gewassen, die ook al gold op grond van het vorige plan, opnieuw opgenomen.
De raad heeft zich voorts in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de omstandigheid dat veel meer gronden in de gemeente bijdragen aan de openheid van het landschap, onverlet laat dat een verruiming van de mogelijkheden voor bomenteelt een aantasting van de openheid in dit betreffende gebied inhoudt. Over de door [appellante sub 9] gemaakte vergelijking met de maisteelt, overweegt de Afdeling dat de raad zich op het standpunt heeft gesteld dat deze situatie verschilt van de aan de orde zijnde situatie omdat maisteelt, in tegenstelling tot bomenteelt, slechts een beperkt gedeelte van het jaar in de
maximale omvang aanwezig is en daarom een geringere aantasting van de openheid met zich brengt. In hetgeen [appellante sub 9] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de door [appellante sub 9] genoemde situatie niet overeenkomt met de thans aan de orde zijnde situatie. In zoverre faalt het betoog. 30.5. De raad heeft ter zitting onderkend dat het niet de bedoeling is geweest dat de wijzigingsbevoegdheid van toepassing is op gronden die niet zijn aangewezen voor openheid. Op die gronden is bomenteelt binnen de agrarische bestemmingen immers al bij recht toegestaan en op een aantal plaatsen ook feitelijk aanwezig. De toepasselijkheid van de wijzigingsbevoegdheid op die gronden heeft tot gevolg dat deze gronden meetellen bij de maximum toegestane oppervlakte van 20 ha waarvoor de wijzigingsbevoegdheid mag worden aangewend, terwijl het de bedoeling is geweest het maximum van 20 ha alleen te stellen voor gronden waaraan de aanduiding "openheid" is toegekend. Het plan bevat in zoverre een gebrek dat hersteld dient te worden volgens de raad.
Nu de raad zich in zoverre op een ander standpunt stelt dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid en in strijd is met artikel 3:2 van de Awb. In zoverre slaagt het betoog. Archeologische waarden 31. [appellante sub 9] kan zich tot slot niet verenigen met de dubbelbestemmingen "Waarde - archeologie hoge verwachting", "Waarde - archeologie gematigde verwachting" en "Waarde - archeologie lage verwachting", die aan delen van haar gronden zijn toegekend. Door de archeologische dubbelbestemmingen geldt voor graafwerkzaamheden, nodig voor het planten van bomen, een vergunningplicht waarbij de aanvraag moet worden voorzien van een archeologisch vooronderzoek. Dit brengt volgens [appellante sub 9] een ernstige beperking van de bedrijfsvoering met zich. [appellante sub 9] voert aan dat de raad onvoldoende onderzoek heeft verricht naar de te verwachten archeologische waarden en zo de toekenning van de dubbelstemmingen van een onvoldoende motivering heeft voorzien.
[appellante sub 9] acht de aanwezigheid van archeologische bodemvondsten zeer onwaarschijnlijk, gezien het feit dat de gronden al van oudsher in gebruik zijn als boomkwekerij en de bodem vanwege graafwerkzaamheden in het verleden al ernstig is verstoord. [appellante sub 9] betoogt ook dat de cultuurhistorische waardenkaart die aan het plan ten grondslag is gelegd onjuistheden bevat en bovendien gedateerd is.
31.1. Artikel 38a van de Monumentenwet 1988, zoals die gold ten tijde van het bestreden besluit, luidt: "De gemeenteraad houdt bij de vaststelling van een bestemmingsplan of een beheersverordening als bedoeld in artikel 3.1, onderscheidenlijk artikel 3.38, van de Wro en bij de bestemming van de in het plan begrepen grond, rekening met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten." 31.2. Artikel 32, lid 32.1, van de planregels luidt: "De voor 'Waarde - Archeologie gematigde verwachting' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud en de bescherming van te verwachten archeologische waarden in de bodem. [...]." Lid 32.4.1 luidt: "Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende andere werken of werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren: [...]; b. grondwerkzaamheden dieper dan 0,50 m onder het maaiveld over een oppervlakte van meer dan 2.500 m², waartoe wordt gerekend woelen, mengen, diepploegen, egaliseren en ontginnen van gronden, alsmede het graven of vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren en het aanleggen van drainage en/of oppervlakte verhardingen; [...]; g.
het aanleggen of rooien van bos of boomgaard waarbij stobben worden verwijderd; [..]." Lid 32.4.3 luidt: "Ten aanzien van de in artikel 32.4.1 genoemde vergunning gelden de volgende beoordelingscriteria: a. de vergunning kan slechts worden verleend voor zover de archeologische waarden niet onevenredig worden aangetast, hetgeen moet blijken uit een rapport dat de aanvrager bij de aanvraag voor een omgevingsvergunning dient te overleggen. In het rapport moeten de archeologische waarden van de gronden waarop de aanvraag betrekking heeft in voldoende mate zijn vastgesteld. Indien het rapport daartoe aanleiding geeft, dient op advies van de archeologisch deskundige zo nodig een opgraving plaats te vinden; b. het overleggen van een rapport is niet nodig indien de archeologische waarde van het terrein in andere beschikbare informatie, hetgeen is getoetst door de archeologisch deskundige, afdoende is vastgesteld."
Artikel 33 (Waarde - Archeologie hoge verwachting) en artikel 34 (Waarde - Archeologie lage verwachting) bevatten vergelijkbare regelingen met dien verstande dat het verbod op het zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning verrichten van werkzaamheden op gronden met de dubbelstemming "Waarde - Archeologie hoge verwachting" geldt voor grondwerkzaamheden dieper dan 0,4 m onder het maaiveld over een oppervlakte van meer dan 500 m², en op gronden met de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie lage verwachting" geldt voor grondwerkzaamheden dieper dan 0,5 m onder het maaiveld over een oppervlakte van meer dan 5.000 m². 31.3. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in haar uitspraak van 9 december 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BK5866, rust op het gemeentebestuur de plicht zich voldoende te informeren omtrent de archeologische situatie in het gebied alvorens bij het plan uitvoerbare bestemmingen kunnen worden aangewezen en concrete bouwvoorschriften voor die bestemmingen kunnen worden vastgesteld. Het onderzoek dat nodig is voor de bescherming van archeologische (verwachtings)waarden kan blijkens de wetsgeschiedenis (Kamerstukken II 2003/04, 29 259, nr. 3, blz. 46) bestaan uit het raadplegen van beschikbaar kaartmateriaal, maar wanneer het beschikbare kaartmateriaal ontoereikend is, zal plaatselijk bodemonderzoek in de vorm van proefboringen, proefsleuven of anderszins nodig zijn.
Het voldoen aan die verplichting klemt temeer nu de Monumentenwet 1988 de mogelijkheid biedt om de kosten voor het archeologische (voor)onderzoek voor rekening te laten komen van de grondeigenaren of -gebruikers. De wetgever is er immers vanuit gegaan dat die financiële lasten zo veel mogelijk voorzienbaar en vermijdbaar zijn. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in haar uitspraak van 23 november 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BU5437, is voor het opnemen van een beschermingsregeling niet vereist dat de aanwezigheid van de archeologische sporen ter plaatse vaststaat, doch dat aannemelijk is dat dergelijke sporen in het gebied voorkomen. 31.4. In opdracht van de raad is een bureau- en inventariserend veldonderzoek verricht naar de archeologische verwachting op de percelen van [appellante sub 9] die voor bomenteelt worden gebruikt. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in het rapport "[appellante sub 9] te Aalten, rapport 1642" van oktober 2008, opgesteld door ADC ArcheoProjecten, en is als bijlage bij de plantoelichting opgenomen. Naar aanleiding van dit onderzoek zijn voor een belangrijk deel van de gronden van [appellante sub 9] die in gebruik zijn voor bomenteelt niet langer archeologische beperkingen opgenomen.
De raad heeft verder toegelicht dat voor de resterende gronden de archeologische bepalingen zijn gebaseerd op de Cultuurhistorische Inventarisatie Aalten die in 2009-2010 is uitgevoerd voor de hele gemeente. Op 16 februari 2010 heeft de raad de Cultuurhistorische Inventarisatie, waarden-, verwachtingen- en maatregelenkaart (CHI) vastgesteld. 31.5. De Afdeling ziet in hetgeen [appellante sub 9] naar voren heeft gebracht geen
aanleiding voor het oordeel dat de CHI zodanige gebreken bevat dat de raad deze niet in redelijkheid aan het plan ten grondslag heeft kunnen leggen. Daarbij betrekt de Afdeling dat de CHI is opgesteld door een gespecialiseerd bureau en is gebaseerd op uitgebreid onderzoek en lokale cultuurhistorische kennis. Het aangevoerde biedt evenmin aanleiding voor het oordeel dat de CHI niet langer actueel is. Gelet op het voorgaande biedt de CHI naar het oordeel van de Afdeling dan ook een toereikende grondslag voor de toekenning van de dubbelbestemmingen "Waarde - Archeologie gematigde verwachting", "Waarde Archeologie hoge verwachting" en "Waarde - Archeologie lage verwachting". Gelet op het voorgaande faalt het betoog. Conclusie 32. In hetgeen [appellante sub 9] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover dat ziet op de plandelen ter plaatse van de gronden die in gebruik zijn voor bestaande bomenteelt, welke hierna in de beslissing nader zullen worden aangeduid, en voor zover dat ziet op de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch wisselteelt - boomteelt wisselteelt 1" ter plaatse van de gronden ten noorden van de Groot Deunkweg waaraan niet de aanduiding "openheid" is toegekend, is vastgesteld in strijd met artikel 3:2 van de Awb en in zoverre dient te worden vernietigd. Het beroep is gegrond. 32.1.
De Afdeling ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb de raad op te dragen om, voor zover het gaat om de vernietigde plandelen ter plaatse van de gronden die in gebruik zijn voor bestaande bomenteelt, met inachtneming van deze uitspraak een nieuw plan vast te stellen en zal daartoe een termijn stellen. Het door de raad te nemen nieuwe besluit behoeft niet overeenkomstig afdeling 3.4 van de Awb te worden voorbereid. 32.2. Uit oogpunt van rechtszekerheid en gelet op artikel 1.2.3 van het Bro, ziet de Afdeling tevens aanleiding de raad op te dragen de hierna in de beslissing nader aangeduide onderdelen van deze uitspraak binnen vier weken na verzending van de uitspraak te verwerken in het elektronisch vastgestelde plan dat te raadplegen is op de landelijke voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl. 32.3. De raad dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart de beroepen van de hierna vermelde appellanten tegen het besluit van de raad van de gemeente Aalten van 19 april 2016 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Landelijk gebied 2015" niet-ontvankelijk: a. Stichting Natuur en Milieu Aalten en [appellant sub 7A], voor zover ingesteld namens [appellant sub 7A]; b. [appellant sub 8]; II. verklaart de beroepen van de hierna vermelde appellanten tegen het besluit van de raad van de gemeente Aalten van 19 april 2016 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Landelijk gebied 2015" gegrond: a. [appellante sub 1]; b. [appellant sub 4A] en [appellante sub 4B]; c. [appellant sub 5A] en [appellant sub 5B]; d. [appellant sub 6] en anderen; e. Stichting Natuur en Milieu Aalten en C. [appellant sub 7A], voor zover ingesteld namens Stichting Natuur en Milieu Aalten; f. [appellante sub 9]; III. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Aalten van 19 april 2016 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Landelijk gebied 2015", voor zover het betreft: a. het plandeel met de bestemming "Agrarisch" ter plaatse van het bestaande parkeerterrein achter het perceel [locatie 1]; b. een gedeelte van het plandeel met de bestemming "Bedrijf" ter plaatse van het perceel [locatie 8], zoals nader aangeduid op bijgevoegde kaart 1; c.
de aanduiding "specifieke vorm van bos - jachthut" ter plaatse van het plandeel met de bestemming "Bos" op het perceel Beestmanweg ongenummerd; d. het plandeel met de bestemming "Sport" en de aanduiding "specifieke vorm van sport clubhuis motortoerclub" ter plaatse van het perceel Ganzenpoelendijk ongenummerd;
e. de plandelen met de bestemming "Agrarisch met waarden" voor zover daaraan niet de aanduiding "bomenteelt" is toegekend, zoals nader aangeduid op bijgevoegde kaarten 2a, 2b en 2c; f. de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - wisselteelt boomteelt 1" voor zover die is toegekend aan de plandelen waaraan niet de aanduiding "openheid" is toegekend; IV. verklaart de beroepen van de hierna vermelde appellanten tegen het besluit van de raad van de gemeente Aalten van 19 april 2016 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Landelijk gebied 2015" ongegrond: a. [appellante sub 2]; b. Stichting Windkracht Oost; V. verklaart het beroep van [appellant sub 5A] en [appellant sub 5B] tegen het besluit van de raad van de gemeente Aalten van 21 maart 2017, waarbij het besluit van 19 april 2016 is gewijzigd, gegrond; VI. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Aalten van 21 maart 2017, waarbij het besluit van 19 april 2016 is gewijzigd, voor zover het betreft de aanduiding "specifieke vorm van bos - jachthut" ter plaatse van het plandeel met de bestemming "Bos" op het perceel Beestmanweg ongenummerd; VII.
draagt de raad van de gemeente Aalten op om binnen 26 weken na de verzending van deze uitspraak met inachtneming van hetgeen daarin is overwogen een nieuw besluit te nemen ten aanzien van de hiervoor onder onderdeel III, a en e, vermelde plandelen en het nieuwe besluit op de voorgeschreven wijze bekend te maken en mede te delen; VIII. draagt de raad van de gemeente Aalten op om binnen vier weken na verzending van deze uitspraak ervoor zorg te dragen dat de hiervoor vermelde beslissing onder III, b, c, d, en f, wordt verwerkt in het elektronisch vastgestelde plan dat te raadplegen is op de landelijke voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl; IX. veroordeelt de raad van de gemeente Aalten tot vergoeding van in verband met de behandeling van de beroepen opgekomen proceskosten ten aanzien van: a. [appellante sub 1] tot een bedrag van € 990,00 (zegge: negenhonderdnegentig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; b. [appellant sub 4A] en [appellante sub 4B] tot een bedrag van € 1.042,88 (zegge:
duizendtweeënveertig euro en achtentachtig cent), waarvan € 990,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan; c. [appellant sub 5A] en [appellant sub 5B] tot een bedrag van € 1.237,50 (zegge: twaalfhonderdzevenendertig euro en vijftig cent), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; d. [appellant sub 6] en anderen tot een bedrag van € 52,88 (zegge: tweeënvijftig euro en achtentachtig cent), met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan; e. Stichting Natuur en Milieu Aalten tot een bedrag van € 1.042,88 (zegge: duizendtweeënveertig euro en achtentachtig cent), waarvan € 990,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; X. gelast dat de raad van de gemeente Aalten aan de hierna vermelde appellanten het door hen voor de behandeling van hun beroepen betaalde griffierecht vergoedt: a. € 334,00 (zegge: driehonderdvierendertig euro) voor [appellante sub 1]; b.
€ 168,00 (zegge: honderdachtenzestig euro) voor [appellant sub 4A] en [appellante sub 4B], met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan; c. € 168,00 (zegge: honderdachtenzestig euro) voor [appellant sub 5A] en [appellant sub 5B], met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan; d. € 334,00 (zegge: driehonderdvierendertig euro) voor [appellant sub 6] en anderen, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan; e. € 334,00 (zegge: driehonderdvierendertig euro) voor Stichting Natuur en Milieu Aalten; f. € 334,00 (zegge: driehonderdvierendertig euro) voor [appellante sub 9] Aldus vastgesteld door mr. E. Helder, voorzitter, en mr. S.J.E. Horstink-von Meyenfeldt en mr. F.D. van Heijningen, leden, in tegenwoordigheid van mr. C.A. Blankenstein, griffier.
w.g. Helder w.g. Blankenstein voorzitter griffier Uitgesproken in het openbaar op 10 januari 2018 821.
Bijlage 2
Uitspraak Raad van State 6 november 2019
Landelijk gebied, herstelbesluit 2023 BMC
NL.IMRO.0197.BP00114-ON01
vastgesteld
79
Uitspraak 201809678/1/R1
ECLI
ECLI:NL:RVS:2019:3764
Datum uitspraak
6 november 2019
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 19 april 2016 heeft de raad van de gemeente Aalten het bestemmingsplan "Landelijk gebied 2015" vastgesteld.
Volledige tekst 201809678/1/R1. Datum uitspraak: 6 november 2019 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak in het geding tussen: 1. Stichting Natuur en Milieu Aalten (hierna: SNMA), gevestigd te Aalten, en anderen, 2. [appellant sub 2], wonend te Aalten, 3. [appellante sub 3], wonend te [woonplaats], en de raad van de gemeente Aalten, verweerder. Procesverloop Bij besluit van 19 april 2016 heeft de raad het bestemmingsplan "Landelijk gebied 2015" vastgesteld (hierna: het plan). Tegen dit besluit heeft een aantal appellanten beroep ingesteld. Bij besluit van 21 maart 2017 heeft de raad het besluit van 19 april 2016 gewijzigd vastgesteld (hierna: het geldende plan). Tegen dit besluit heeft een aantal appellanten beroep ingesteld. Bij besluit van 16 oktober 2018 heeft de raad het bestemmingsplan "Landelijk gebied 2015, herstelbesluit 2018" gewijzigd (hierna: het herstelbesluit). Tegen dit besluit hebben SNMA en anderen, [appellant sub 2] en [appellante sub 3] beroep
Uitspraak 201809678/1/R1
1
ingesteld. De raad heeft een verweerschrift ingediend. SNMA en anderen, [appellant sub 2] en [appellante sub 3] hebben nadere stukken ingediend. De Bredevoortse Motortoer Club en [belanghebbende A] en [belanghebbende B] hebben schriftelijke uiteenzettingen ingediend. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 26 september 2019, waar SNMA en anderen, vertegenwoordigd door [gemachtigde], [appellant sub 2], vertegenwoordigd door mr. J.F. Verheijen, rechtsbijstandverlener te Zoetermeer, [appellante sub 3], vertegenwoordigd door mr. D. Teeuwsen, rechtsbijstandverlener te Hengelo (GLD), en de raad, vertegenwoordigd door G.H. Scheffer, zijn verschenen. Voorts zijn ter zitting gehoord de Bredevoortse Motortoer Club en [belanghebbende A], vertegenwoordigd door [gemachtigde] en [belanghebbende B], vertegenwoordigd door mr. F.J.M. Kobossen, advocaat te Twello en [gemachtigde]. Overwegingen Inleiding 1. Het herstelbesluit ziet op de vaststelling van een aantal nieuwe bestemmingen, in vervolg op de uitspraak van de Afdeling van 10 januari 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:52). SNMA is een stichting die blijkens de statuten de bescherming en verbetering van natuur, landschap en milieu in de gemeente Aalten en omstreken tot doel heeft.
In de uitspraak van 10 januari 2018 is het besluit van 19 april 2016 vernietigd voor zover dit ziet op het plandeel met de bestemming "Sport" en de aanduiding "specifieke vorm van sport - clubhuis motortoerclub" ter plaatse van het perceel Ganzenpoelendijk ongenummerd. SNMA en anderen kunnen zich niet met het herstelbesluit verenigen omdat aan het perceel Ganzenpoelendijk ongenummerd geen nieuwe bestemming is toegekend. [appellant sub 2] is woonachtig aan de [locatie] en kan zich niet met het herstelbesluit verenigen omdat het de aanleg van een parkeerterrein aan de Dinxperlosestraatweg 70 onvoldoende motiveert. In de uitspraak van 10 januari 2018 heeft de Afdeling overwogen dat de raad ten onrechte de planologische besluitvorming heeft laten afhangen van de onderhandelingen tussen de bewoners van de [locatie] en [belanghebbende B], in plaats van de ruimtelijke aanvaardbaarheid van het parkeerterrein zelf te beoordelen. [appellante sub 3] kan zich niet met het herstelbesluit verenigen voor zover het een perceel aan de Beestmanweg ongenummerd betreft, omdat er geen nieuwe functie wordt toegekend aan de voormalige kippenschuur dat zich op het perceel bevindt. Toetsingskader 2. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht.
De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. De Afdeling stelt niet zelf vast of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, maar beoordeelt aan de hand van die gronden of de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.
Uitspraak 201809678/1/R1
2
Het beroep van SNMA en anderen 3. SNMA en anderen betogen dat de raad ten onrechte het perceel Ganzenpoelendijk ongenummerd niet in het bestemmingsplan heeft opgenomen, omdat hiermee geen recht is gedaan aan de uitspraak van 10 januari 2018. Hiertoe voeren SNMA en anderen aan dat het perceel de bestemming "Agrarisch gebied met landschapswaarden-zonder bouwperceel" had moeten krijgen. 3.1. De raad voert aan dat op het perceel Ganzenpoelendijk ongenummerd het bestemmingsplan "Buitengebied Aalten 2004" van toepassing is, waarbinnen de gronden de bestemming "Agrarisch zonder bouwperceel" hebben. Op grond van dit bestemmingsplan is, zoals SNMA en anderen wensen, de bouw van een motorclubhuis niet mogelijk, aldus de raad. 3.2. In de uitspraak van 10 januari 2018 is het plandeel dat ziet op de Ganzenpoelendijk ongenummerd zoals vastgesteld bij het besluit van 19 april 2016 vernietigd. Het besluit van 21 maart 2017 is op dit punt echter in stand gebleven. Dit betreft een besluit waarbij het plan integraal en in zijn geheel opnieuw is vastgesteld, zoals ter zitting ook door de raad is bevestigd. Dit betekent dat op het moment van het nemen van het thans bestreden besluit voor het hier besproken perceel aan de Ganzenpoelendijk ongenummerd het plan gold zoals dat bij besluit van 21 maart 2017 door de raad is vastgesteld.
De stelling van de raad dat het bestemmingsplan "Buitengebied Aalten 2004" geldt, is derhalve onjuist. Voorts stelt de Afdeling vast dat bij het besluit van 21 maart 2017 door de raad is bepaald dat het desbetreffende perceel aan de Ganzenpoelendijk ongenummerd de bestemming "Sport specifieke vorm van sport - clubhuis motortourclub" heeft. Nu de raad heeft nagelaten het perceel op te nemen in het herstelbesluit en een nieuwe bestemming toe te kennen, geldt deze bestemming thans nog. Reeds om die reden kan het betoog dat de Bredevoortse Motortoer Club en [belanghebbende A] hebben gevoerd ten aanzien van de ontvankelijkheid van SNMA en anderen, te weten dat zij geen procesbelang hebben omdat reeds is voorzien in wat zij wensen, niet slagen. Het herstelbesluit is in zoverre niet deugdelijk gemotiveerd en in strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht. Het betoog slaagt. Het beroep van [appellant sub 2] 4. [appellant sub 2] stelt dat in het herstelbesluit andermaal geen afweging is gemaakt of het parkeerterrein vanuit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening al dan niet aanvaardbaar is. Hiertoe voert [appellant sub 2] aan dat in de plantoelichting alleen wordt gesproken over geluidwerende voorzieningen, waar andere relevante milieuaspecten buiten beschouwing zijn gelaten.
Eveneens is niet onderbouwd hoe het parkeerterrein in het toepasselijk ruimtelijk beleid zou passen, aldus [appellant sub 2]. Verder betoogt [appellant sub 2] dat onvoldoende bij de afweging is betrokken welk belang [belanghebbende B] bij het parkeerterrein heeft in het kader van de bedrijfsvoering. [appellant sub 2] betoogt dat deze uitbreiding kan samenhangen met een intensivering van bedrijfsactiviteiten. De invloed van deze intensivering zou dan ook moeten worden getoetst en afgewogen, stelt [appellant sub 2]. Ook betoogt hij dat onvoldoende duidelijk is wat de oppervlakte van het parkeerterrein is. Tot slot betoogt [appellant sub 2] dat het vanuit het oogpunt van rechtszekerheid onwenselijk is dat het parkeerterrein wordt toegekend, nu er sprake is van illegale bestrating. 4.1. De raad stelt dat een zelfstandig onderzoek is uitgevoerd. Hiertoe voert de raad aan dat er een akoestisch onderzoek is verricht, waaruit is gebleken dat de geluidsbelasting op de
Uitspraak 201809678/1/R1
3
gevel van de dichtstbij gelegen woning ([locatie]) zeer gering is. Verder betoogt de raad dat er kwalitatieve voorwaarden in de planregels zijn opgenomen. 4.2. Artikel 4, lid 4.1, van de planregels luidt als volgt: "Voor gronden met de bestemming 'Bedrijf' gelden de specifieke gebruiksregels conform artikel 5.4 van het bestemmingsplan 'Landelijk gebied 2015' met dien verstande dat voor het in dit plan aangeduide 'parkeerterrein' de navolgende kwalitatieve verplichting geldt: het gebruik van de in dit plan opgenomen gedeelte van het parkeerterrein is slechts toegestaan indien: 1. Ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - erfafscheiding', een erfafscheiding van het merk Greenwall, type Classic, met een hoogte van tenminste 2 meter, met zichtscheidende en geluidreducerende eigenschappen- is geplaatst, zoals uitgewerkt in Bijlage 1 van de planregels, dan wel een tenminste gelijkwaardige voorziening uit een oogpunt van zichtscheiding en geluidreductie; 2.
Ter plaatse van de aanduiding 'houtsingel' binnen de bestemming 'Agrarisch' een éénrijige elzensingel, waarbij de zwarte elzen (Alnus Glutinosa) op een onderling gelijkmatige afstand worden geplaatst/in stand worden gehouden, en bosplantsoen is aangeplant/in stand wordt gehouden (waarbij in het kader van het beheer en onderhoud het periodiek afzetten is toegestaan), zoals uitgewerkt in Bijlage 2 van de planregels." 4.3. De Afdeling stelt vast dat de raad een akoestisch onderzoek heeft laten uitvoeren. In hetgeen [appellant sub 2] aanvoert, zijn geen aanknopingspunten te vinden op grond waarvan aan de juistheid van de conclusies van het daarop uitgebrachte rapport moet worden getwijfeld. Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het parkeerterrein niet leidt tot onaanvaardbare geluidhinder voor [appellant sub 2]. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat de raad een voorwaardelijke verplichting in de planregels heeft opgenomen in de vorm van een geluidwerende en zichtscheidende voorziening. Voor zover [appellant sub 2] aanvoert dat de voorwaardelijke verplichting onvoldoende garantie biedt voor naleving van de vereiste maatregelen, betreft dit een kwestie van handhaving die niet in deze procedure aan de orde kan komen.
Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat door de zichtscheidende constructie ook visuele hinder in voldoende mate wordt tegengegaan. [appellant sub 2] heeft niet aannemelijk gemaakt dat gegronde vrees bestaat voor andersoortige overlast dan geluidhinder en visuele hinder als gevolg van het gebruik van het parkeerterrein. Voorts is bij de behandeling van het beroep voldoende duidelijk geworden dat [belanghebbende B] in de actuele situatie behoefte heeft aan een parkeerterrein van de voorziene omvang. Voor een beoordeling van de toekomstige bedrijfsvoering van [belanghebbende B] bestaat geen aanleiding, nu onvoldoende is geconcretiseerd wat hiermee wordt bedoeld. Ditzelfde geldt voor het betoog over het toepasselijk ruimtelijk beleid. Tot slot overweegt de Afdeling dat de grenzen van het parkeerterrein duidelijk zijn afgebakend. Voor het oordeel dat onvoldoende duidelijk is wat de oppervlakte van het parkeerterrein is, ziet de Afdeling dan ook geen grond. Verder maakt de enkele omstandigheid dat het parkeerterrein feitelijk illegaal is aangelegd, niet dat de raad het terrein niet als zodanig heeft mogen bestemmen. De betogen falen. Het beroep van [appellante sub 3] 5. [appellante sub 3] stelt dat de Afdeling in de uitspraak van 10 januari 2018 heeft
Uitspraak 201809678/1/R1
4
overwogen dat er sprake is van een motiveringsgebrek ten aanzien van het toekennen van een nieuwe functie aan de kippenschuur, en niet dat dit planologisch onmogelijk is. Voorts stelt [appellante sub 3] dat de raad in het herstelbesluit niet integraal heeft getoetst aan artikel 2.7.1.1 van de Omgevingsverordening Gelderland en onvoldoende onderzoek heeft gedaan of toekenning van een nieuwe functie aan de kippenschuur rechtens mogelijk is. Verder betoogt [appellante sub 3] dat de raad in het verleden verwachtingen heeft gewekt dat de gronden voor de kippenschuur een bruikbare bestemming zouden krijgen. 5.1. De raad stelt dat het plandeel bij de uitspraak van 10 januari 2018 is vernietigd en dat het toekennen van een nieuwe functie aan de voormalige kippenschuur, die thans feitelijk wordt gebruikt voor de opslag van gereedschap en als jachthut, uitgebreid is beoordeeld. Gebleken is, aldus de raad, dat het toekennen van een nieuwe functie in strijd zou zijn met de Omgevingsverordening Gelderland. Juist in verband daarmee is het besluit van 21 maart 2017, voor zover het betreft de aanduiding "specifieke vorm van bos - jachthut", vernietigd. 5.2. Artikel 2.7.1.1 (Beschermingsregime GNN) van de Omgevingsverordening Gelderland luidt: "1.
In een bestemmingsplan dat betrekking heeft op gronden gelegen binnen het Gelders Natuurnetwerk (GNN) worden geen nieuwe functies mogelijk gemaakt, tenzij: a. geen reële alternatieven aanwezig zijn; b. sprake is van redenen van groot openbaar belang; c. de negatieve effecten op de kernkwaliteiten van het gebied, de oppervlakte en de samenhang zoveel mogelijk worden beperkt; en d. de overblijvende negatieve effecten op de kernkwaliteiten van het gebied, de oppervlakte en de samenhang gelijkwaardig worden gecompenseerd." 5.3. De Afdeling overweegt dat blijkens artikel 2.7.1.1 van de Omgevingsverordening Gelderland het toekennen van een nieuwe functie in beginsel niet is toegestaan, tenzij is voldaan aan de cumulatieve voorwaarden onder a, b, c en d. Naar het oordeel van de Afdeling staat, mede gelet op hetgeen reeds is overwogen in de uitspraak van 10 januari 2018, vast dat aan voorwaarde b niet wordt voldaan en voorshands evenmin aan de voorwaarden c en d. Aangaande voorwaarde a heeft de Afdeling overwogen dat de raad onvoldoende heeft gemotiveerd dat er geen reële alternatieven aanwezig zijn. Nu er echter sprake is van cumulatieve voorwaarden, kan reeds wegens het niet voldoen aan de overige voorwaarden b, c, en d van artikel 2.7.1.1 geen nieuwe functie aan de kippenschuur worden toegekend.
De raad heeft het plan op dit punt naar het oordeel van de Afdeling zorgvuldig vastgesteld. Wat betreft het betoog dat de raad verwachtingen zou hebben gewekt voor het toekennen van een nieuwe functie aan de kippenschuur, is door Markvoort niet geconcretiseerd waarop deze verwachting is gebaseerd. Dit betoog kan derhalve niet slagen. De betogen falen. Conclusie 6. Het beroep van SNMA en anderen tegen het besluit "Landelijk gebied 2015, herstelbesluit 2018" is gegrond. Het besluit van de raad dient gedeeltelijk te worden vernietigd. De raad dient binnen de hierna te vermelden termijn een nieuw besluit te nemen en dit vervolgens op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken. De beroepen van [appellant sub 2] en [appellante sub 3] zijn ongegrond.
Uitspraak 201809678/1/R1
5
7. De raad dient ten aanzien van SNMA en anderen op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld. Ten aanzien van [appellant sub 2] en [appellante sub 3] bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. verklaart het beroep van Stichting Natuur en Milieu Aalten en anderen gegrond; II. vernietigt het besluit van 16 oktober 2018 van de raad van de gemeente Aalten voor zover daarbij geen bestemming voor het perceel aan de Ganzenpoelendijk ongenummerd is opgenomen; III. draagt de raad van de gemeente Aalten op om binnen 26 weken na verzending van deze uitspraak met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen en dit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken; IV. verklaart de beroepen van [appellant sub 2] en [appellante sub 3] ongegrond; V. veroordeelt de raad van de gemeente Aalten tot vergoeding van bij Stichting Natuur en Milieu Aalten en anderen in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 56,78 (zegge: zesenvijftig euro en achtenzeventig cent), met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan; VI.
gelast dat de raad van de gemeente Aalten het door Stichting Natuur en Milieu Aalten en anderen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht vergoedt ten bedrage van: € 338,00 (zegge driehonderdachtendertig euro), met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan. Aldus vastgesteld door mr. J.A. Hagen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. C. Sparreboom, griffier. w.g. Hagen w.g. Sparreboom lid van de enkelvoudige kamer griffier Uitgesproken in het openbaar op 6 november 2019 195-931.
Uitspraak 201809678/1/R1
6
Bijlage 3
Uitspraak Raad van State 4 maart 2020
Landelijk gebied, herstelbesluit 2023 BMC
NL.IMRO.0197.BP00114-ON01
vastgesteld
87
Uitspraak 201603579/4/R1
ECLI
ECLI:NL:RVS:2020:684
Datum uitspraak
4 maart 2020
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 19 april 2016 heeft de raad van de gemeente Aalten het bestemmingsplan “Landelijk gebied 2015” vastgesteld. Het plangebied van dit besluit had betrekking op nagenoeg het gehele buitengebied van de gemeente, met uitzondering van de kernen. Het bestemmingsplan was hoofdzakelijk conserverend van aard. Mede naar aanleiding van de uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling van 14 september 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2529, heeft de gemeenteraad het bestemmingsplan opnieuw vastgesteld. Een prominent verschil tussen de twee bestemmingsplannen is de regeling waarmee is beoogd een plafond op te nemen voor de stikstofdepositie van veehouderijen op de voor stikstof gevoelige habitattypen in Natura 2000-gebieden in de omgeving van het plangebied.
Volledige tekst 201603579/4/R1. Datum uitspraak: 4 maart 2020 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak in het geding tussen: 1. [appellant sub 1], wonend te Aalten, 2. [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B], beiden wonend te Aalten, 3. Stichting Natuur en Milieu Aalten, gevestigd te Aalten (hierna: SNMA),
Uitspraak 201603579/4/R1
1
4. Coöperatie Mobilisation for the Environment U.A., gevestigd te Nijmegen (hierna: MOB), en anderen, 5. [appellante sub 5], waarvan de maten zijn [maat A] & [maat B], beiden wonend te Aalten, 6. [appellant sub 6], wonend te Aalten, 7. [appellant sub 7], wonend te Aalten, en de raad van de gemeente Aalten, verweerder. Procesverloop Bij besluit van 19 april 2016 heeft de raad het bestemmingsplan "Landelijk gebied 2015" vastgesteld. Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1], [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B], MOB en anderen, SNMA, [appellante sub 5], [appellant sub 6], [appellant sub 7] en een aantal andere appellanten beroep ingesteld. De raad heeft een verweerschrift ingediend. Bij besluit van 21 maart 2017 heeft de raad het bestemmingsplan "Landelijk gebied 2015" opnieuw vastgesteld. Appellanten zijn in de gelegenheid gesteld tegen dit besluit een zienswijze naar voren te brengen. Een aantal appellanten heeft van deze mogelijkheid gebruik gemaakt. Tegen het besluit van 21 maart 2017 hebben [appellant sub 6] en [appellant sub 7] beroep ingesteld. De raad heeft een aanvullend verweerschrift ingediend. Een aantal appellanten heeft nadere stukken ingediend. Daartoe in de gelegenheid gesteld heeft [belanghebbende] een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 november 2017, waar een aantal partijen is verschenen of zich heeft doen vertegenwoordigen. Ook de raad heeft zich doen vertegenwoordigen. De Afdeling heeft bij uitspraak van 10 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:52, geoordeeld op de beroepen van een aantal appellanten. De Afdeling heeft de behandeling van de beroepen van [appellant sub 1], [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B], SNMA, MOB en anderen, [appellante sub 5], [appellant sub 6] en [appellant sub 7] afgesplitst en voortgezet onder zaak nr. 201603579/4/R1. De Afdeling heeft deze zaak opnieuw ter zitting behandeld op 30 september 2019, waar [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B], bijgestaan door [gemachtigde], MOB en anderen, vertegenwoordigd door [gemachtigde], SNMA, vertegenwoordigd door [gemachtigden], [appellante sub 5], vertegenwoordigd door [gemachtigde], [appellant sub 6], bijgestaan door [gemachtigde], en de raad, vertegenwoordigd door G.H. Scheffer, ing. H. Eskes en A.H.M.
Uitspraak 201603579/4/R1
2
Krabbenborg, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [belanghebbende], vertegenwoordigd door [gemachtigde], als partij gehoord. Overwegingen De opbouw van de uitspraak is als volgt (met tussen haakjes het nummer van de overweging(en)): Inleiding (1-7); Het besluit van 21 maart 2017 (8); De beroepen van [appellant sub 1] en [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] (9-19); De beroepen van SNMA en MOB en anderen (20-41.3); Het beroep van [appellante sub 5] (42-44); Het beroep van [appellant sub 6] (45-46); Het beroep van [appellant sub 7] (47-48); Het besluit van 19 april 2016 (49); Proceskosten (50). Inleiding 1. Het plangebied van het besluit van 19 april 2016 had betrekking op nagenoeg het gehele buitengebied van de gemeente, met uitzondering van de kernen. Het bestemmingsplan was hoofdzakelijk conserverend van aard, met dien verstande dat in het plan tevens invulling werd gegeven aan het geactualiseerde (ruimtelijke) beleid van de gemeente. 2. Mede naar aanleiding van de uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling van 14 september 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2529, op verzoeken tot het treffen van een voorlopige voorziening van onder meer MOB en anderen en SNMA, heeft de raad bij besluit van 21 maart 2017 het bestemmingsplan "Landelijk gebied 2015" opnieuw vastgesteld.
Dit bestemmingsplan ziet op hetzelfde plangebied als het bestemmingsplan dat is vastgesteld bij het besluit van 19 april 2016. Inhoudelijk wijkt het bestemmingsplan van 21 maart 2017 op enkele onderdelen af van het bestemmingsplan van 19 april 2016. Een prominent verschil tussen de twee bestemmingsplannen betreft de regeling waarmee is beoogd een plafond op te nemen voor de stikstofdepositie van veehouderijen op de voor stikstof gevoelige habitattypen in Natura 2000-gebieden in de omgeving van het plangebied. 3. Artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) luidt: "het bezwaar of beroep heeft van rechtswege mede betrekking op een besluit tot intrekking, wijziging of vervanging van het bestreden besluit, tenzij partijen daarbij onvoldoende belang hebben." 4. Het besluit van 21 maart 2017 vervangt het besluit van 10 april 2016. Gelet op artikel 6:19, eerste lid, van de Awb zijn de beroepen van appellanten daarom van rechtswege mede gericht tegen het besluit van 21 maart 2017. 5. Omdat het besluit van 21 maart 2017 het besluit van 10 april 2016 geheel vervangt, zal de Afdeling eerst, aan de hand van de door appellanten naar voren gebrachte beroepsgronden, het besluit van 21 maart 2017 beoordelen. Afhankelijk van het resultaat van deze beoordeling wordt nader bezien of nog een belang bestaat bij de beoordeling van het besluit van 10 april
Uitspraak 201603579/4/R1
3
2016. Toetsingskader 6. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. De Afdeling stelt niet zelf vast of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, maar beoordeelt aan de hand van die gronden of de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Bijlage 7. De relevante wettelijke bepalingen en planregels zijn opgenomen in de uitspraak, dan wel in de bij deze uitspraak behorende bijlage. Het besluit van 21 maart 2017 8. Voor zover in het navolgende wordt gesproken van het plan, wordt daarmee gedoeld op het bestemmingsplan als vastgesteld bij besluit van 21 maart 2017. De beroepen van [appellant sub 1] en [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] 9. [appellant sub 1] woont op het perceel [locatie 1]. Hij exploiteert ter plaatse een agrarisch bedrijf, met als nevenactiviteit een kleinschalig kampeerterrein. [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] wonen op het perceel [locatie 2].
De beroepen van [appellant sub 1] en [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] zijn gericht tegen de planregeling voor het perceel van [belanghebbende] aan de [locatie 3]. Het plan voorziet ter plaatse in de uitbreiding van de bestaande intensieve veehouderij (varkenshouderij) van [belanghebbende]. [appellant sub 1] vreest dat deze uitbreiding leidt tot een aantasting van zijn woon- en leefgenot en de exploitatiemogelijkheden van het kleinschalige kampeerterrein op zijn perceel. Het perceel van [appellant sub 1] ligt ten zuiden van de [locatie 3], op een afstand van ongeveer 200 m. [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] zijn tegen de voorziene uitbreiding van de varkenshouderij vanwege de gevolgen daarvan voor hun woon- en leefgenot. Hun perceel ligt ten noorden van de [locatie 3], op een afstand van eveneens ongeveer 200 m. 10. Blijkens de verbeelding is aan het perceel [locatie 3] de bestemming "Agrarisch" toegekend. Aan de gronden met deze bestemming in het noordelijke deel van het perceel zijn tevens de aanduidingen "bouwvlak", "intensieve veehouderij" en "specifieke vorm van agrarisch - ontwikkelingslocatie intensieve veehouderij" toegekend. 11.
In artikel 3, lid 3.1.1, onder c, van de planregels is vastgelegd dat de voor "Agrarisch" aangewezen gronden bestemd zijn voor een niet grondgebonden agrarische bedrijfsvoering, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "intensieve veehouderij" en wel: binnen een agrarisch bouwvlak en tot maximaal 1 ha van dat vlak, dan wel maximaal 1,5 ha ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - ontwikkelingslocatie intensieve veehouderij". Artikel 2:4 Awb 12. [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] betogen dat de raad bij het vaststellen van het
Uitspraak 201603579/4/R1
4
plan heeft gehandeld in strijd met artikel 2:4, tweede lid, van de Awb. Zij voeren hiertoe aan dat een raadslid, dat volgens hen een persoonlijk belang heeft bij het bestreden besluit, een zienswijze naar voren heeft gebracht tegen het ontwerpplan en heeft deelgenomen aan de besluitvorming over het bestemmingsplan. 12.1. In artikel 2:4, tweede lid, van de Awb staat dat het bestuursorgaan ertegen waakt dat tot het bestuursorgaan behorende of daarvoor werkzame personen die een persoonlijk belang bij een besluit hebben, de besluitvorming beïnvloeden. 12.2. De raad heeft toegelicht dat een raadslid, dat een agrarisch bedrijf exploiteert in het plangebied, een zienswijze naar voren heeft gebracht tegen de planregeling voor zijn eigen perceel. Deze zienswijze zag mede op de stikstofregeling van het bestemmingsplan in relatie tot de percelen van het betreffende raadslid ([locatie 4] en [locatie 5]). Volgens de raad heeft het betrokken raadslid evenwel niet meegedaan aan de beraadslagingen over zijn eigen percelen en hij heeft zich voorts onthouden van stemming over de vaststelling van het plan.
Gelet ook op de omstandigheid dat [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] hun betoog niet nader hebben gemotiveerd, bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de raad bij het vaststellen van het plan heeft gehandeld in strijd met artikel 2:4, tweede lid, van de Awb vanwege de handelwijze van het betreffende raadslid. Het betoog slaagt niet. Stikstof 13. [appellant sub 1] en [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] betogen dat de voorziene uitbreiding van de varkenshouderij aan de [locatie 3] leidt tot een aantasting van de natuurlijke kenmerken van omliggende Natura 2000-gebieden, vanwege een toename van de stikstofdepositie op de voor stikstof gevoelige habitattypen ter plaatse. 13.1. In artikel 8:69a van de Awb staat dat "de bestuursrechter een besluit niet vernietigt op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept." Dit is het zogeheten relativiteitsvereiste. Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht (Kamerstukken II, 2009/10, 32 450, nr. 3, blz.
18-20) heeft de wetgever met deze bepaling de eis willen stellen dat er een verband moet bestaan tussen een beroepsgrond en het belang waarin de appellant door het bestreden besluit dreigt te worden geschaad. De bestuursrechter mag een besluit niet vernietigen wegens schending van een rechtsregel die kennelijk niet strekt tot bescherming van het belang van de appellant. 13.2. Het betoog van [appellant sub 1] en [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] strekt tot vernietiging van het plan voor zover het betreft het plandeel voor het perceel [locatie 3], op de grond dat de daarmee voorziene uitbreiding van de veehouderij leidt tot een aantasting van de natuurlijke kenmerken van beschermde natuurgebieden. Genoemde appellanten doen hiermee een beroep op de normen van de Wet natuurbescherming (hierna: Wnb). Deze normen strekken tot de bescherming van de natuurwaarden van de betrokken Natura 2000gebieden. Dit is een algemeen belang waarvoor [appellant sub 1] en [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] niet in rechte kunnen opkomen. Het daadwerkelijke belang waarin zij dreigen te worden geraakt als gevolg van het plan, is het belang bij het behoud van een goede kwaliteit van hun woon- en leefomgeving.
Belangen van omwonenden bij het behoud van een goede kwaliteit van hun leefomgeving, kunnen zo verweven zijn met de algemene belangen bij het voorkomen van de aantasting van de waarden van een beschermd natuurgebied, dat niet kan worden geoordeeld dat de betrokken normen van de Wnb
Uitspraak 201603579/4/R1
5
kennelijk niet strekken tot bescherming van de belangen van deze omwonenden. Deze situatie doet zich concreet voor ingeval het betrokken natuurgebied deel uitmaakt van de directe leefomgeving van [appellant sub 1] en [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B]. In dat geval raakt de aantasting van het gebied immers ook het belang dat deze appellanten hebben bij het behoud van een goede kwaliteit van hun woon- en leefomgeving. In de wijde omgeving van het plangebied ligt een aantal Natura 2000-gebieden. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied is Korenburgerveen, op een afstand van ruim 9 km tot de percelen van [appellant sub 1] en [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B]. Gelet op deze afstand is de Afdeling van oordeel dat geen verwevenheid bestaat tussen de belangen van [appellant sub 1] en [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] bij het behoud van een goede kwaliteit van hun leefomgeving en de algemene belangen die de Wnb beoogt te beschermen. Deze beroepsgrond kan naar het oordeel van de Afdeling vanwege het relativiteitsvereiste van artikel 8:69a van de Awb, dan ook niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit. Gelet hierop wordt deze beroepsgrond van [appellant sub 1] en [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] niet inhoudelijk besproken. Luchtkwaliteit 14.
Wat betreft de vrees van [appellant sub 1] en [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] dat de uitbreiding van de varkenshouderij aan de [locatie 3] leidt tot een ernstige verslechtering van de luchtkwaliteit in de omgeving, overweegt de Afdeling als volgt. De gevolgen van de uitbreiding van de veehouderij voor het milieu zijn onderzocht in het "Milieueffectrapport voor de inrichting gelegen aan de [locatie 3] te Aalten" van 20 juni 2014 (hierna: MER [locatie 3]), dat is opgesteld met het oog op de uitbreiding van deze intensieve veehouderij. Hierin wordt geconcludeerd dat ter hoogte van omliggende woningen van derden de jaargemiddelde concentratie fijnstof toeneemt tot maximaal 22,58 µg/m³. Dit geldt zowel voor het milieuvriendelijk alternatief als voor het voorkeursalternatief. De achtergrondconcentratie fijnstof bedraagt 22,51 µg/m³. De bijdrage van de uitbreiding van de varkenshouderij bedraagt dus 0,07 µg/m³. De jaargemiddelde concentratie fijnstof ligt na uitbreiding nog ruim onder de wettelijke grenswaarde van 40 μg/m³ en voorts is die toename kleiner dan 1,2 µg/m³, hetgeen betekent dat de uitbreiding "niet in betekenende mate" bijdraagt aan de concentratie fijnstof (artikel 5.16, eerste lid, onder a en c, van de Wet milieubeheer). In het MER [locatie 3] staat verder dat de uitbreiding geen gevolgen heeft voor de concentratie stikstofdioxide bij nabijgelegen woningen.
[appellant sub 1] en [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] hebben deze conclusies niet bestreden. Gelet daarop is de Afdeling van oordeel dat de raad zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de voorziene uitbreiding van de veehouderij niet leidt tot een overschrijding van de in bijlage 2 bij de Wet milieubeheer opgenomen grenswaarden voor fijnstof en stikstofdioxide. Het betoog slaagt niet. Geurhinder 15. In hetgeen [appellant sub 1] en [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de voorziene uitbreiding van de veehouderij aan de [locatie 3] leidt tot onaanvaardbare geurhinder in de omgeving. Uit het MER [locatie 3] volgt dat de woningen van [appellant sub 1] en [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] bedrijfswoningen zijn bij een veehouderij. Op grond artikel 3, tweede lid, onder b, van de Wet geurhinder en veehouderij (hierna: Wgv) bedraagt de afstand tussen een veehouderij en een geurgevoelig object dat onderdeel uitmaakt van een andere veehouderij ten minste 50 m indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen, hetgeen bij de onderhavige bedrijfswoningen het geval is. Aan de afstandsnorm van minimaal 50 m wordt ruimschoots voldaan, aangezien de feitelijke afstand tussen de woningen en de
Uitspraak 201603579/4/R1
6
veehouderij ongeveer 200 m bedraagt. Gelet hierop heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de geurhinder vanwege de uitbreiding van de veehouderij op het perceel [locatie 3] niet leidt tot een ernstige aantasting van het woon- en leefklimaat in de omgeving. Het betoog slaagt niet. Gevolgen voor de volksgezondheid 16. In de enkele stelling van [appellant sub 1] en [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] dat de voorziene uitbreiding mogelijk leidt tot risico’s voor de volksgezondheid, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het plan is vastgesteld in strijd met de bij het nemen van een besluit te betrachten zorgvuldigheid of dat het besluit anderszins in strijd is met het recht. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan dat voorziet in een (uitbreiding van een) veehouderij nabij woningen en dat de basis is voor de omgevingsvergunning, is de mogelijke besmetting van dierziekten een mee te wegen belang. De bestrijding van besmettelijke dierziekten vindt echter primair een regeling in andere wetgeving. Aan de (milieu)omgevingsvergunning kunnen voorschriften worden verbonden teneinde schadelijke gevolgen voor de volksgezondheid te voorkomen of te beperken. In het MER [locatie 3] is ingegaan op het aspect "volksgezondheid". Daarin wordt een aantal concreet te treffen maatregelen genoemd ter beperking van het risico op infectieziekten.