CConstaterende datAalten
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 5 Omgevingsvergunning 31 juli 2017 verandering silo's

Oordeelvorming raad in zaal Bredevoort 24 juni 2026, gemeente AaltenBij agendapunt: Voorstel VVGB agrarisch bedrijf Hoeninkdijk en Kloosterdijk18.166 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

2.691,2

D 3.2.15.4

1.910 0,45

1,6

859,5

3.056,0

28 van 52

stal

diercategorie

7

vleesvarkens, opfokberen van ca. 25 kg tot 7 maanden, opfokzeugen van ca. 25 kg tot eerste dekking

8

9

9

Totaal 

stalsysteem

luchtwassystemen anders dan biologisch of chemisch; gecombineerd luchtwassysteem 85% ammoniak emissiereductie (85% geur) met watergordijn en biologische wasser (BWL 2009.12.V2) volwassen overige paarden (3 jaar en huisvestingssystem ouder) en Damherten overige huisvestingssystem en Pauwen overige huisvestingssystem en

Rav-code D 3.2.15.4

aantal NH3 dieren per 328 0,45

max. NH3 1,6

max. NH3 in NH3 kg/jaar 147,6 524,8

K 1.100

1 5

5,0

0,0

M 1.100

10 0

0,0

0,0

M 1.100

15 0

0,0

0,0

11.558,3 29.014,4 maximale emissiewaarde op basis van bijlage 1 van het Besluit emissiearme huisvesting

Voor de diercategorieën jongvee, paarden, damherten en pauwen gelden geen maximale emissiewaarden. De voorgestelde huisvestingssystemen in de stallen voor deze diercategorieën voldoen daarmee aan de eis van het toepassen van de BBT. Stal 1 voor 219 melk- en kalfkoeien ouder dan 2 jaar is een dierenverblijf dat is opgericht vóór 1 april 2008. Voor deze stal is geen maximale emissiewaarde van toepassing. De uitvoering van deze stal voldoet aan de eis van het toepassen van de BBT. Voor de overige aangevraagde diercategorieën in de aangegeven stallen wordt de emissiefactor van de huisvestingssysteem de maximale emissiewaarde niet overschreden. De uitvoering van deze stallen voldoen aan de eis van het toepassen van de BBT. Aanvullende toetsing ammoniak bij IPPC-installatie De aanvraag heeft geen betrekking op de uitbreiding van het aantal te houden dieren. De toegepaste technieken voldoen aan de eis van het toepassen van de Beste Beschikbare Technieken (BBT). De technische kenmerken en de geografische ligging van de inrichting of de plaatselijke milieuomstandigheden vormen geen reden een strengere emissiegrenswaarde vast te stellen voor deze IPPC-installatie. Voor het terugdringen van de ammoniakemissie uit de varkensstallen kiest de aanvrager voor het toepassen van meerdere luchtwassystemen.

Deze luchtwassystemen zijn niet beschreven als beste beschikbare techniek in het BREF-document voor de intensieve pluimvee- en varkenshouderij. De redenen daarvoor zijn de stijging van het energieverbruik en het produceren van afvalwater. Door toepassing van deze luchtwassystemen wordt een vergaande reductie van de ammoniakemissie, geuremissie en fijn stofemissie bereikt. Voor ammoniak gaat deze reductie verder

29 van 52

dan de maximale emissiewaarde die voor de betreffende diercategorie in het Besluit emissiearme huisvesting is opgenomen. De negatieve milieueffecten wegen niet op tegen deze positieve effecten. De aangevraagde luchtwassystemen zijn een algemeen gebruikte en geaccepteerde systesystemen in de intensieve veehouderij. Ondanks de negatieve milieueffecten, zoals het energieen waterverbruik, gaat het om systemen die worden aangemerkt als de best beschikbare techniek. Conclusie BBT dierenverblijven De dierenverblijven voldoen voor het onderdeel ammoniak aan de eisen van het Besluit emissiearme huisvesting. Er is geen reden de gevraagde vergunning hierom te weigeren. Voor een deel van de huisvestingssystemen wordt op grond van artikel 3, derde lid, van de Wav een strengere emissiegrenswaarde vastgesteld dan de maximale emissiewaarde voor ammoniak uit het Besluit emissiearme huisvesting. 1.9

Ammoniakemissie dierenverblijven

Toetsingskader Voor zover het de ammoniakemissie uit dierenverblijven betreft, is de aanvraag getoetst aan de Wet ammoniak en veehouderij (Wav) en de Regeling ammoniak en veehouderij (Rav). Toetsing De dierenverblijven van deze inrichting liggen niet binnen een zone van 250 meter van een zeer kwetsbaar gebied. Voor deze inrichting geldt op grond van de Wav geen beperking met betrekking tot het ammoniakemissieplafond. Aan het gestelde in de Wav wordt voldaan Conclusie ammoniakemissie uit dierenverblijven De ammoniakemissie vanuit de dierenverblijven vormt geen reden de gevraagde vergunning te weigeren

GEURHINDER UIT DIERENVERBLIJVEN 1.10

Toetsingskader

De aanvraag is getoetst aan de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) en de Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv). Daarnaast is getoetst aan de gemeentelijke geurverordening van de gemeente Aalten. Gemeentelijke verordening als bedoeld in artikel 6 van de Wgv De gemeente Aalten heeft een gemeentelijke verordening als bedoeld in artikel 6 van de Wgv vastgesteld. Deze is op 18 juli 2009 in werking getreden. Hierdoor gelden voor gebieden die in de gemeentelijke verordening zijn opgenomen aangepaste geurnormen en afstanden. Voor het gebied waar de inrichting aan Hoeninkdijk 8 (en Kloosterdijk 13) is gelegen, is ten opzichte van een geurgevoelig object dat onderdeel uitmaakt van een andere veehouderij, of dat op of na 19 maart 2000 heeft opgehouden deel uit te maken van een andere veehouderij, een nieuwe afstand vastgesteld. Deze afstand bedraagt ten minste 25 meter. Op geurgevoelige objecten die geen onderdeel uitmaken van, of die nooit onderdeel uit hebben gemaakt van een andere veehouderij gelden nog steeds de normen zoals opgenomen in artikel 4, lid 1 van de Wgv. De afstanden genoemd in artikel 5 van de Wgv blijven onverminderd gelden.

30 van 52

1.11

Toetsing geurhinder

Binnen de inrichting worden ook dieren van diercategorieën gehouden waarvoor geen geuremissiefactoren zijn vastgesteld. Ook worden dieren van diercategorieën gehouden waarvoor wel geuremissiefactoren gelden. Voor deze twee delen van de inrichting wordt, voor elk deel afzonderlijk, een beoordeling van de geurhinder opgesteld. Het aantal dieren wordt niet uitgebreid. Het huisvestingssysteem voor varkens wijzigt ten opzichte van de vergunde situatie. In plaats van een chemisch luchtwassysteem is en gecombineerd luchtwassysteem geplaatst. Hierdoor neemt de geuremissie aanzienlijk af. Ook zijn de luchtuitlaten van de luchtwassers veranderd. Dit heeft gevolgen voor de uittredesnelheid en de diameter en de geurbelasting. 1.12

Beoordeling dieren zonder geuremissiefactoren ('vaste afstanden')

In bijlage 1 van de geurregeling zijn voor melkkoeien, jongvee, paarden, damherten en pauwen geen geuremissiefactoren opgenomen. Op grond van de geurwet (artikel 4, eerste lid) betekent dit dat voor deze diercategorieën een vaste afstand tot geurgevoelige objecten binnen een bebouwde kom (tenminste 100 meter) en buiten een bebouwde kom (tenminste 50 meter) moet worden aangehouden. Ook moet op grond van artikel 5 van de geurwet een afstand tussen het geurgevoelige object en de gevel van het dierenverblijf worden aangehouden; deze afstand bedraagt tenminste 50 meter ten opzichte van geurgevoelige objecten in een bebouwde kom en tenminste 25 meter ten opzichte van geurgevoelige objecten buiten een bebouwde kom. Het bedrijf ligt niet dichtbij een bebouwde kom. De werkelijke afstand van de buitenzijde van een binnen het bedrijf aanwezige stal tot de buitenzijde van het meest dichtbij gelegen geurgevoelige object buiten de bebouwde kom (Kloosterdijk 18, agrarisch bedrijf) bedraagt ongeveer 125 meter. Hiermee wordt voldaan aan de minimale afstand van 50 meter. De woning aan de Heidedijk 5 is het meest dichtbij gelegen geurgevoelige object dat niet tot een andere veehouderij behoort. De woning ligt op een afstand van 397 meter. Hiermee wordt voldaan aan de minimale afstand van 25 meter.

In de aangevraagde situatie wijzigen het aantal en soort dieren waarvoor de vaste afstanden gelden niet en de afstanden ook niet. Geconcludeerd kan worden dat het bedrijf voldoet aan de verschillende afstandseisen op grond van de Wgv. De toekomstig gewenste situatie voldoet daarmee aan de Wgv. 1.13

Beoordeling dieren met geuremissiefactoren

Bij diercategorieën waarvoor geuremissiefactoren zijn vastgesteld in de geurregeling, moet met behulp van het verspreidingsmodel 'V-Stacks vergunning' de geurbelasting op het geurgevoelige object worden bepaald. In afwijking hiervan moet tot geurgevoelige objecten bij een andere veehouderij en objecten die op of na 19 maart 2000 hebben opgehouden deel uit te maken van een andere veehouderij, een vaste afstand worden aangehouden (artikel 3, tweede lid, Wgv). Ook moet op grond van artikel 5 van de Wgv een afstand tussen het geurgevoelige object en de gevel van het dierenverblijf worden aangehouden. Deze afstand bedraagt tenminste 50 meter ten opzichte van geurgevoelige objecten in een bebouwde kom en tenminste 25 meter ten opzichte van geurgevoelige objecten buiten een bebouwde kom. De maximale geurbelasting (norm) op een geurgevoelig object in de directe omgeving is vastgelegd in artikel 3, derde lid, van de geurwet.

31 van 52

Een berekening van de geurbelasting met het verspreidingsmodel 'V-Stacks vergunning' is bij de aanvraag gevoegd. Uit controle van deze rapportage volgt dat enkele onjuiste waarden in de berekening zijn ingevoerd. De toegepaste geuremissie voor stal 5 is niet juist. De geuremissiefactor is namelijk 4,5 in plaats van de aangegeven 5,8. Daarnaast zijn niet overal de juiste coördinaten van de geurgevoelige objecten ingevuld en van stal 7. Daarom is met behulp van het verspreidingsmodel 'V-Stacks vergunning' een aangepaste berekening opgesteld. De resultaten daarvan zijn in onderstaande tabellen weergegeven. tabel: Bronnen Volgnr.

BronID

X-coord.

Y-coord.

EP Hoogte

Gem.geb. hoogte

EP Diam.

EP Uittr. snelh.

E-Aanvraag

1 2 3 4 5 6

Stal 2 Stal 3 Stal 4 Stal 5 links Stal 5 rechts Stal 7

239 871 239 848 239 805 239 758 239 733 239 844

441 819 441 824 441 824 441 776 441 787 441 661

7,8 7,5 4,3 6,5 6,5 3,0

3,8 3,9 4,6 4,5 4,5 4,2

5,28 4,01 7,70 4,68 4,68 1,66

1,24 1,15 0,35 1,79 1,79 1,31

11 046 5 887 6 685 16 056 16 056 1 148

tabel: Geurgevoelige locaties, geurnormen en geurbelasting

Volgnummer 7 8 9 10 11 12 13 14 15

GGLID Heidelijk 6 Heidelijk 8 Heidedijk 5/5a Guttersdijk 1/1a Guttersdijk 2 Kloosterdijk 10 Kloosterdijk 6/6a Kruittorenstraat 10 Cultuurh Bredevoort

Xcoordinaat 239 488 240 027 239 665 240 440 240 337 240 179 240 043 239 935 239 747

Ycoordinaat 441 482 442 399 442 190 441 666 441 548 441 434 441 342 440 584 440 471

Geurnorm 14,0 14,0 14,0 14,0 14,0 14,0 14,0 3,0 3,0

Geurbelasting 6,2 4,1 7,4 3,6 4,2 5,1 4,5 1,3 1,2

Uit de berekening met ‘V-stacks vergunning’ blijkt dat ruimschoots wordt voldaan aan de normen voor geurbelasting. 1.14

Conclusie geurhinder dierenverblijven

De afstanden tot en de geurbelasting op geurgevoelige objecten vormen geen reden de gevraagde vergunning te weigeren.

(VOLKS)GEZONDHEID EN VEEHOUDERIJ 1.15 Beoordelingskader

In de periode 2012-2016 is het onderzoek “Veehouderij en gezondheid omwonenden” (VGOonderzoek) in opdracht van de Ministeries van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en Economische zaken uitgevoerd. Op 7 juli 2016 zijn de resultaten van dit onderzoek en het rapport “Emissies van endotoxinen uit de veehouderij: emissiemetingen en verspreidingsmodellering” – een onderzoek in relatie met VGO-onderzoek - gepubliceerd. In het rapport van het VGOonderzoek zijn de resultaten weergegeven van mogelijke verbanden van gezondheidseffecten en veehouderijen in het oosten van de provincie Noord-Brabant en het noorden van de provincie Limburg. Dit is een dichtbevolkt gebied met veel veehouderijen. In het onderzoek zijn verbanden gevonden tussen wonen in de omgeving van veehouderijen en de gezondheid. Sommige effecten zijn negatief voor de gezondheid, andere zijn positief. De onderzoekers

32 van 52

concluderen dat een eenvoudig algemeen antwoord op de centrale vraag niet mogelijk is. Ook zijn in het rapport de beperkingen vastgelegd. Het VGO-onderzoek heeft weliswaar nieuwe inzichten opgeleverd in de relatie tussen veehouderij en gezondheid, maar de onderzoekers hebben ook aangegeven dat niet zonder meer duidelijk is dat de onderzoeksresultaten van het VGO-onderzoek te generaliseren zijn voor het hele land. Dit omdat het onderzoek heeft plaatsgevonden in een dichtbevolkt gebied met veel veehouderijen in Noord-Brabant en Limburg. De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft dit laatste in haar uitspraak van 12 oktober 2016 bevestigd (vindplaats: ECLI:NL:RVS:2016:2714). Op dit moment wordt nader onderzoek gedaan naar de wijze waarop de onderzoeksresultaten te vertalen zijn naar andere delen van Nederland. Het VGO onderzoek maakt duidelijk dat de combinatie van emissies van fijnstof, aan stofdeeltjes gebonden endotoxinen en ammoniak-secundair fijnstof uit de veehouderijen gezondheidseffecten veroorzaken. Het wordt uit de rapportage niet duidelijk welke van deze stoffen nu bepalend is voor de negatieve effecten. De Gezondheidsraad ziet endotoxinen als een goede indicator voor de blootstelling van omwonenden aan stoffen uit stallen die een negatieve invloed hebben op de luchtwegen.

Dit inzicht was voor de Gezondheidsraad in 2012 aanleiding om voor de algemene bevolking een gezondheidskundige advieswaarde voor endotoxinen van 30 EU/m3 (endotoxinen units per kubieke meter lucht) aan het Rijk te adviseren. De advieswaarde van de Gezondheidsraad voor endotoxinen is een instrument ter bescherming van de gezondheid van omwonenden van veehouderijen. Op advies van de Gezondheidsraad ontwikkelt het Rijk een landelijk toetsingskader voor endotoxine. De Gezondheidsraad heeft daarnaast de Wageningen University & Research Centre, Livestock Research (WLR) opdracht gegeven om - met het oog op een endotoxine toetsingskader – emissiemetingen uit te voeren en de verspreiding van endotoxinen rond veehouderijen te modelleren. Het doel is om voor endotoxinen een vergelijkbaar toetsingskader te maken zoals dat bestaat voor geur en fijnstof. Deze toetsingsmodellen werken met emissiefactoren en verspreidingsberekeningen. Zo ver is het voor endotoxinen nog niet. Daarvoor worden de komende tijd emissiefactoren vastgesteld voor verschillende typen stalsystemen en reductiemaatregelen. Het speciaal voor endotoxine te ontwikkelen verspreidingsmodel voor endotoxinen, gebaseerd op versie van het landelijke Stacks verspreidingsmodellen voor geur en fijnstof, moet vervolgens bruikbaar worden gemaakt voor de vergunningverlening. 1.16 Maatregelen en voorzieningen

Binnen de inrichting zijn de bepalingen ingevolge de Wet dieren en de Gezondheis- en welzijnswet voor dieren van toepassing. Deze bepalingen waarborgen dat dierziektes binnen de inrichting worden voorkomen, dan wel worden bestreden. Het gaat daarbij onder andere om het gebruik van bedrijfskleding, het naleven van een hygiëneprotocol en het schoonmaken en ontsmetten van veetransportwagens. De stallen worden voorzien van een gecombineerde luchtwasser. Hierdoor wordt, naast de emissie van ammoniak, geur en zwevende deeltjes (fijn stof), ook de emissie van zoönosen of endotoxinen uit deze stal voorkomen of zeer sterk beperkt. Endotoxinen zitten aan de grovere stofdeeltjes. Ook de emissie van deze stofdeeltjes wordt verminderd door de luchtwasser. 1.17 Beoordeling

Voor zover gezondheidsrisico’s kunnen ontstaan door geur-, fijn stof- of geluidemissie wordt erop gewezen dat voor deze emissies wettelijke toetsingskaders beschikbaar zijn. Aan de geldende normstellingen, dan wel bepalingen uit de Wet geurhinder en veehouderij c.q. de gemeentelijke geurverordening, hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer wordt voldaan. Hierbij

33 van 52

verwijzen wij naar de overwegingen in de ‘Geurhinder uit dierenverblijven’, ‘Geluid’ en ‘Luchtkwaliteit’. Gezondheidsrisico’s vanwege de aspecten geur, geluid en luchtkwaliteit worden uitgesloten geacht. Voor micro-organismen en het voorkomen van zoönosen zijn geen normen of grenswaarden beschikbaar. Alleen voor endotoxinen geeft de Gezondheidsraad een aanbeveling om de gezondheidskundige advieswaarde voor werknemers te verlagen naar 30 EU/m3 lucht als advieswaarde voor de algemene bevolking. Deze aanbeveling is niet wettelijk verankerd. De (goede) werking van de huisvestingssystemen wordt geregeld via artikel 3.123, lid 2 en 3 van het Activiteitenbesluit. De artikelen in hoofdstuk 3 van het Activiteitenbesluit hebben een rechtstreekse werking. Wanneer wordt voldaan aan de artikelen uit de hoofdstukken 2 en 3 van het Activiteitenbesluit, de bijbehorende ministeriele regeling en de vigerende wetgeving ten aanzien van volksgezondheid en besmettingsgevaar, zijn er geen redenen om een onderzoekverplichting op te leggen met betrekking tot volksgezondheid. 1.18

Conclusie

De huidige wetenschappelijke gegevensbasis is te smal voor een kwalitatief beoordelingskader, waarin is vastgelegd welke risiconiveaus voor omwonenden maximaal toelaatbaar zijn.

OVERIG AGRARISCH 1.19

Mestbassin

Binnen het terrein van de inrichting zijn mestbassins aanwezig voor de opslag van drijfmest, drijfmest (80%) met co-substraten (20%) en digestaat. De mestbassins hebben een gezamenlijke inhoud van 7.967m³. Het gaat hier om mestbassins die niet zijn voorzien van een afdekking die als vloer kan functioneren en die geen onderdeel zijn van een (voormalig) dierenverblijf, werktuigenberging, opslagvoorziening of erfverharding. Omdat de gezamenlijke inhoud groter is dan 2.500 m3, is het Activiteitenbesluit hiervoor niet van toepassing. Voor de mestbassins zijn in deze vergunning voorschriften gesteld. Voor de opslag van drijfmest, drijfmest met co-substraten en digestaat gelden de zelfde voorschriften. Deze voorschriften zijn afgeleid van paragraaf 3.4.6 van het Activiteitenbesluit milieubeheer en paragraaf 3.4.6 van de bijbehorende ministeriële regeling (Activiteitenregeling milieubeheer). Deze voorschriften worden beschouwd als de meest recente milieutechnische inzichten. 1.20

Opslag en verwerking van bijvoedermiddelen

Binnen de inrichting zijn opslagen voor plantaardige bijvoedermiddelen aanwezig. Enkele opslagen worden nu anders gesitueerd, maar de hoeveelheid opgeslagen plantaardige bijvoermiddelen verandert niet. Ook verandert het soort en het gebruik van de plantaardige bijvoermiddelen niet. In de inrichting mogen uitsluiten de hieronder vermelde van buiten de inrichting afkomstige afvalstoffen worden geaccepteerd:

34 van 52

Per jaar wordt meer dan 4.000 ton aan plantaardige bijvoedermiddelen verwerkt waardoor het Activiteitenbesluit niet van toepassing is op deze verwerking. Voor de verwerking van plantaardige bijvoedermiddelen zijn in de vigerende vergunning van 15 juli 2011 voorschriften gesteld. Deze voorschriften zijn ook van toepassing op de gevraagde verandering. In deze voorschriften ontbreekt echter een toereikende monitoringsverplichting. Om die reden is in deze vergunning een aanvullende registratieverplichting opgenomen. In paragraaf 3.4.5 van het Activiteitenbesluit worden eisen gesteld aan de opslag van agrarische bedrijfsstoffen. Deze eisen gelden ook voor de opslag van bijvoedermiddelen die niet verpompbaar zijn. Doordat deze paragraaf een rechtstreekse werking heeft worden voor de opslag van niet verpompbare bijproducten geen voorschriften in de vergunning opgenomen. 1.21

Directe ammoniakschade

De effecten van ammoniak op planten in de directe omgeving van stallen zijn beoordeeld aan de hand van het rapport ‘Stallucht en Planten’ dat in 1981 is opgesteld door het Instituut voor Plantenziektenkundig Onderzoek (IPO). Dit rapport is bedoeld ter beoordeling van directe ammoniakschade veroorzaakt door de uitstoot van ammoniak bij intensieve kippen- en varkensbedrijven op gevoelige gewasgroepen (kasteelt, fruitteelt en boomkwekerij). Andere gewasgroepen lopen een verwaarloosbare kans beschadigd te worden. Uit jurisprudentie is gebleken dat minimaal een afstand van 50 meter moet worden aangehouden ten opzichte van kasteelt en coniferen. Ten opzichte van minder gevoelige planten en bomen, zoals een fruitboomgaard, is een afstand van 25 meter toereikend. De inrichting ligt niet in de nabijheid van een tuinbouwkas, boomkwekerij of fruitboomgaard. De aanvraag draagt niet bij aan mogelijke directe ammoniak schade.

VERRUIMDE REIKWIJDTE Naast het voorkomen van gevaar, schade en hinder moeten onder andere ook de aspecten energie, water, afval en vervoer worden betrokken in de omgevingsvergunning. Deze aspecten vallen onder de term 'verruimde reikwijdte'. 1.22

Energiebesparing

Bij de beoordeling van de vergunningaanvraag is rekening gehouden met het aspect zuinig omgaan met energie. Binnen de inrichting moeten energiebesparingsmaatregelen worden genomen, voor zover deze rendabel zijn. Een rendabele maatregel is een maatregel met een terugverdientijd van ten hoogste 5 jaar. Er zijn geen veranderingen in het energieverbruik ten opzichte van de vergunde situatie.

35 van 52

1.23

Waterbesparing (leiding- en grondwater)

Bij de beoordeling van de vergunningaanvraag is rekening gehouden met het aspect zuinig omgaan met water. De relevantie van waterbesparing is sterk afhankelijk is van de lokale situatie. Waterbesparing wordt in belangrijke mate gerealiseerd door toepassing van de stand der techniek. Waterbesparende voorzieningen zijn in ruime mate beschikbaar en nauwelijks duurder dan de klassieke niet-waterbesparende alternatieven. Bij nieuwbouw en ingrijpende renovatie dienen dan ook altijd de waterbesparende voorzieningen, conform de stand der techniek, te worden toegepast. Er zijn geen veranderingen in het waterverbruik ten opzichte van de vergunde situatie. 1.24

Afvalpreventie

Bij de beoordeling van de vergunningaanvraag is rekening gehouden met het aspect afvalpreventie. Afvalpreventie is in ieder geval relevant bij bedrijven waarbij de hoeveelheid gevaarlijk afval boven de 2,5 ton per jaar ligt óf de hoeveelheid bedrijfsafval boven de 25 ton per jaar ligt. Tot het bedrijfsafval worden alle, al dan niet afzonderlijk, vrijkomende afvalstromen gerekend die niet als gevaarlijk afval kunnen worden aangemerkt. Het betreft een totaal van de afvalstromen onafhankelijk van het feit of ze al dan niet gescheiden worden ingezameld. Ook het afval dat voor recycling wordt aangeboden, wordt hier in meegenomen. De enige verandering in afvalstoffen ten opzichte van de vergunde situatie is het vrijkomen van spuiwater uit de gecombineerde luchtwasser in plaats van de chemische luchtwasser. Voor de opslag en afvoer van dit spuiwater zijn in deze vergunning voorschriften opgenomen. 1.25

Verkeer en vervoer

Bij de beoordeling van de vergunningaanvraag is rekening gehouden met het aspect verkeer en vervoer. Bij meer dan 100 werknemers of meer dan 500 bezoekers per dag of meer dan 2 miljoen transportkilometers per jaar voor verladers en uitbesteed vervoer of meer dan 1 miljoen transportkilometers per jaar voor eigen vervoerders worden voorschriften ten aanzien van verkeer en vervoer relevant geacht. In deze situatie worden deze grenzen niet overschreden. Een verdere toetsing op dit onderdeel is niet nodig.

DOELMATIG BEHEER VAN AFVALSTOFFEN

1.26

Toetsingskader

Een omgevingsvergunning voor de activiteit inrichting kan op grond van artikel 2.14 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht slechts in het belang van de bescherming van het milieu worden geweigerd. Onderdeel van het begrip “bescherming van het milieu” is de zorg voor het doelmatig beheer van afvalstoffen. Dit betekent een beheer van afvalstoffen waarbij rekening wordt gehouden met het geldende afvalbeheersplan dan wel de voorkeursvolgorde en de criteria uit de artikelen 10.4 en 10.5 van de Wet milieubeheer (artikel 10.14 van de Wet milieubeheer). Het bedoelde afvalbeheersplan is het Landelijk Afvalbeheerplan 2009 - 2021 (LAP). Het LAP is op 24 december 2009 in werking getreden. Bij de beoordeling van een vergunningaanvraag moet worden getoetst aan de algemene bepalingen. Deze zijn gebaseerd op het beleidskader (deel 1 van het LAP). Verder moet worden

36 van 52

getoetst aan specifieke bepalingen uit het van toepassing zijnde sectorplan. Deze zijn opgenomen in deel 2 van het LAP. Voor de opslag en verwerking van bijproducten is sectorplan 3 procesafhankelijk industrieel afval van toepassing. 1.27

Toetsing aan de algemene bepalingen

Voor deze aanvraag zijn de volgende algemene bepalingen bij vergunningverlening van toepassing: Vergunningtermijn: Vergunningen voor de opslag en verwerking van afvalstoffen worden verleend voor onbepaalde tijd. Opslag van afvalstoffen: De termijn voor het opslaan van afvalstoffen voorafgaand aan het geven van een nuttige toepassing (verwerking) is maximaal 3 jaar. De termijn van 3 jaar is van toepassing wanneer het opslaan van afvalstoffen een zelfstandige activiteit betreft. In deze situatie is sprake van het opslaan van afvalstoffen (de bijproducten) voorafgaand aan de verwerking binnen de inrichting. Deze verwerking bestaat uit het mengen en de toepassing van dit mengsel als veevoer binnen de inrichting. Voorafgaand aan deze verwerking worden de betreffende producten voor een beperkte duur, vaak hooguit enkele maanden, binnen de inrichting opgeslagen. Omdat deze opslag geen zelfstandige activiteit betreft, is de hiervoor gestelde termijn van maximaal 3 jaar niet van toepassing op deze inrichting. Acceptatie en bewerking: In de aanvraag moet duidelijk worden gemaakt welke afvalstoffen worden geaccepteerd en gemengd. Enkel het mengen van deze producten is toegestaan. Verder moet in de aanvraag een adequaat acceptatie- en verwerkingsbeleid zijn opgenomen.

Daarnaast moeten bedrijven in hun aanvraag acceptatie en verwerking vast leggen in toereikende procedures met betrekking tot administratieve organisatie en interne controle. In deze situatie is sprake van de opslag en verwerking van reststoffen uit de voedings- en genotsmiddelenindustrie. Deze producten worden verwerkt tot veevoer. In de aanvraag is duidelijk aangegeven welke producten worden opgeslagen en verwerkt. Het opstellen van een acceptatie- en verwerkingsbeleid is gelet op de aard en omvang van deze verwerking niet nodig. Wel dient een registratie te worden gevoerd van de producten die binnen de inrichting worden aangevoerd. Toetsen aan de minimumstandaard: De aangevraagde activiteit betreft het nuttig toepassen van afvalstoffen. Binnen nuttige toepassing wordt onderscheid gemaakt tussen producthergebruik, materiaalhergebruik en inzet als brandstof. Het geschikt maken van afvalstromen ten behoeve van veevoer betreft een nuttige toepassing als producthergebruik. Het betreffen afvalstromen die niet geschikt zijn voor menselijke consumptie, maar wel voor inzet als veevoer. 1.28

Toetsing aan de specifieke bepalingen

Op de in de aanvraag vernoemde afvalstromen is het sectorplan procesafhankelijk industrieel afval van het LAP van toepassing. De minimumstandaard voor deze afvalstroom is nuttige toepassing, tenzij nuttige toepassing niet mogelijk is op grond van de aard en samenstelling van de afvalstof of de meerkosten van nuttige toepassing substantieel hoger liggen dan de kosten voor verwijdering van de afvalstof.

37 van 52

De aangevraagde activiteit, het verwerken van reststoffen uit de voedings- en genotsmiddelenindustrie tot veevoer, betreft een nuttige toepassing van deze afvalstroom. Dit voldoet aan de minimumstandaard die voor deze afvalstroom geldt. 1.29

Conclusie

Gelet op voorgaande toetsingen is de voorgestelde wijze van verwerking van de afvalstoffen in overeenstemming met het bepaalde in de artikelen 10.4, 10.5 en 10.14 van de Wet milieubeheer. De gevraagde vergunning wordt verleend voor onbepaalde tijd.

AFVALWATER 1.30

Toetsingskader

Het lozen van afvalwater vanuit de inrichting op de riolering valt onder de reikwijdte van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Voor een aantal lozingen gelden algemene regels die zijn opgenomen in het Activiteitenbesluit milieubeheer. 1.31

De gevolgen van de aangevraagde activiteiten

Ten opzichte van de vergunde situatie veranderen de gevolgen niet ten opzichte van de vergunde activiteiten. 1.32

Maatregelen en voorzieningen

De maatregelen en voorzieningen voor de volgende lozingen zijn niet beoordeeld omdat hiervoor in het Activiteitenbesluit milieubeheer in de aangegeven artikelen eisen zijn gesteld:  het lozen van afvalwater dat vrijkomt bij het uitwendig wassen van motorvoertuigen en werktuigen, paragraaf 3.3.2 (artikelen 3.23a tot en met 3.25)  het lozen van het spuiwater uit een luchtwassysteem, artikel 3.126  het lozen van afvalwater dat vrijkomt bij het reinigen van dierenverblijven, artikel 3.127  het lozen van afvalwater dat vrijkomt bij het wassen en spoelen van de melkinstallatie, artikel 3.129 Het vrijkomende afvalwater bij het schoonmaken van veewagens (inwendig reinigen) mag niet worden geloosd in de bodem en/of het oppervlaktewater en/of op de riolering. Het afvalwater afkomstig van de wasplaats wordt geloosd in een mestkelder. Het niet verontreinigde hemelwater wordt geloosd op de nabij gelegen sloot. Dit wordt geregeld door middel van afsluiters. Het afvalwater van huishoudelijke aard wordt geloosd op het gemeentelijk vuilwaterriool. Het spuiwater van de gecombineerde luchtwasser wordt afgevoerd naar de spuitwateropslag. Voor de opslag van dit spuiwater bij inrichtingen type C gelden geen eisen uit het Activiteitenbesluit. Daarom zijn hiervoor voorschriften in de vergunning opgenomen. 1.33

Beoordeling en conclusie

Voor een aantal specifieke afvalwaterstromen gelden de eisen van het Activiteitenbesluit milieubeheer. Doordat de aangegeven artikelen een rechtstreekse werking hebben worden geen voorschriften in de vergunning opgenomen. Met betrekking tot de andere afvalwaterstromen blijkt uit de beoordeling van de aanvraag dat door het bedrijf voldoende maatregelen en voorzieningen zijn getroffen. In de vergunning zullen specifieke voorschriften voor het te lozen van deze afvalwaterstromen worden gesteld.

38 van 52

De voorschriften voor het lozen van afvalwater dat vrijkomt bij het inwendig reinigen van veewagens gelden in samenhang met de voorschriften voor het lozen van afvalwater dat vrijkomt bij het uitwendig wassen van motorvoertuigen en werktuigen uit het Activiteitenbesluit. Het in- en uitwendig reinigen van de veewagens gebeuren immers boven dezelfde reinigings- en ontsmettingsplaats voor veewagens.

BODEM 1.34

Activiteitenbesluit

Voor wat betreft het aspect bodembescherming valt het bedrijf volledig onder het Activiteitenbesluit. In het kader van deze vergunning hoeft daarom geen nadere beoordeling plaats te vinden. Op grond van het Activiteitenbesluit moeten alle bedrijfsactiviteiten worden verricht met voorzieningen en maatregelen die leiden tot een verwaarloosbaar bodemrisico. Maatwerk kan alleen voor bestaande situaties waarbij niet voldaan kan worden aan een verwaarloosbaar bodemrisico. In dat geval moet sprake zijn van een aanvaardbaar bodemrisico. 1.35

Het kader voor de bescherming van de bodem

Het (nationale) preventieve bodembeschermingbeleid is vastgelegd in de Nederlandse Richtlijn Bodembescherming (NRB). Het uitgangspunt van de NRB is dat door een combinatie van voorzieningen en maatregelen (cvm) een verwaarloosbaar bodemrisico wordt gerealiseerd. Alleen in bepaalde bestaande situaties kan conform de NRB onder voorwaarden volstaan worden met een aanvaardbaar bodemrisico. Op basis van de NRB worden de (voorgenomen) activiteiten beoordeeld en wordt bepaald welke cvm noodzakelijk is om tot een verwaarloosbaar bodemrisico te komen. Daarbij richt de NRB zich op de normale bedrijfsvoering en voorzienbare incidenten. Bodembescherming in situaties van calamiteiten wordt in het kader van de NRB niet behandeld. Een eventuele calamiteitenopvang die onlosmakelijk deel uitmaakt van de installatie, bijvoorbeeld in de vorm van een tank of opvangbassin, is wel een activiteit waar de NRB in voorziet. Tankputten en calamiteiten vijvers voor de opslag van verontreinigd bluswater worden in de NRB niet behandeld. 1.36

Beoordeling en conclusie

Er is geen sprake van nieuwe bodembedreigende activiteiten met een bodemrisico. Met betrekking tot deze bodembedreigende activiteiten blijkt dat de beschreven combinatie van voorzieningen en maatregelen tot een verwaarloosbaar bodemrisico zullen leiden. De aangevraagde activiteiten kunnen als regulier voor de agrarische bedrijfstak worden aangemerkt. De te treffen voorzieningen om tot een verwaarloosbaar risico op bodemverontreiniging te komen, zijn standaard. Daar waar nodig is dit in de voorschriften opgenomen.

GELUID 1.37

Algemeen

De bedrijfsactiviteiten hebben tot gevolg dat geluid wordt geproduceerd. Er is beoordeeld inhoeverre de veranderingen gevolgen hebben voor de geluidsbelasting op de woningen.

39 van 52

1.38 Beoordeling en conclusie

De aanvrager heeft in een aanvullende memo op 31 januari 2017 gemotiveerd dat de wijzigingen geen relevante invloed hebben op de geluidbelasting naar de woningen. Het betreffen de volgende activiteiten/veranderingen: “- de sleufsilo’s wijzigen. Echter de sleufsilo’s liggen op nagenoeg dezelfde plek. Afstand tot aan geluidsgevoelige bestemmingen neemt niet af. - ook de situering van de mestsilo’s wijzigt beperkt. De plek waar wordt geladen is ongewijzigd. - met deze aanvraag wijzigt het aantal dieren niet. Dit betekent dat dezelfde hoeveelheid aan ruwvoer nodig is. Er is dus ook geen sprake van een toename van het transportbewegingen bij inkuilen en voeren. - ook de hoeveelheid mest die wordt geproduceerd (en opgeslagen en verwerkt) wijzigt niet. Dus ook de transporten ten aanzien van mest blijven gelijk.” De activiteiten die invloed kunnen hebben op de geluidbelasting wijzigen niet. Het gaat dan vooral om de transportbewegingen en de locatie voor laden/lossen. Ook de afstand van geluidbronnen tot de woningen worden niet korter. Wij hebben daarom geen akoestisch onderzoek verlangd. De verleende geluidnormen zijn ook van toepassing op de gevraagde veranderingen.

LUCHTKWALITEIT 1.39

BBT dierenverblijven voor zwevende deeltjes

Toetsingskader Voor zover het de toepassing van de Beste Beschikbare Technieken (BBT) in de dierenverblijven betreft, is de aanvraag getoetst aan het Besluit emissiearme huisvesting (Beh), de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo; artikel 2.22, derde lid) en het Besluit omgevingsrecht (Bor; artikelen 5.3 en 5.4). Voor diercategorieën waarvoor het redelijk is om emissie-eisen te stellen voor zwevende deeltjes (PM10) zijn maximale emissiewaarden opgenomen in het Besluit emissiearme huisvesting. Het besluit geeft een goed beeld van de 'stand der techniek'. Het principe van het besluit is dat alleen huisvestingssystemen met een emissiefactor die lager is dan of gelijk is aan de maximale emissiewaarde zijn toegestaan. De diercategorie en het tijdstip waarop het dierenverblijf is opgericht bepalen of en welke maximale emissiewaarde van toepassing is. Wanneer een huisvestingsysteem voldoet aan de in het Beh gestelde eisen kan ervan worden uitgegaan dat dit huisvestingsysteem een voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare techniek is. Wanneer op basis van dit besluit geen maximale emissiewaarde van toepassing is moet elk huisvestingssysteem worden aangemerkt als BBT.

Toetsing zwevende deeltjes (PM10) op basis van het Besluit emissiearme huisvesting In onderstaande tabel is per diercategorie per stal de maximale emissiewaarde naast de emissiefactor van het aangevraagde huisvestingssysteem gezet. Tabel: huisvestingssystemen aangevraagde situatie.

40 van 52

stal

diercategorie

1

melk- en kalfkoeien ligboxenstal met A 1.15 ouder dan 2 jaar geprofileerde vlakke vloer met hellende sleuven, regelmatige mestafstorten voorzien van afdichtflappen en met mestschuif; permanent opstallen (BWL 2010.36.V4)

281 148

148

41.588,0

41.588,0

1

melk- en kalfkoeien overige A 1.100 ouder dan 2 jaar huisvestingssyste men; permanent opstallen

219 148

148

32.412,0

32.412,0

1

vrouwelijk jongvee tot 2 jaar

A 3.100

14 38

38

532,0

532,0

A 3.100

81 38

38

3.078,0

3.078,0

A 3.100

40 38

38

1.520,0

1.520,0

D 3.2.15.4

7.136 31

31

221.216,0 221.216,0

D 3.2.15.4

3.156 31

31

97.836,0

97.836,0

D 3.2.15.4

1.682 31

31

52.142,0

52.142,0

6

8

5

2

3

stalsysteem

overige huisvestingssyste men vrouwelijk jongvee overige tot 2 jaar huisvestingssyste men vrouwelijk jongvee overige tot 2 jaar huisvestingssyste men vleesvarkens, luchtwassysteme opfokberen van ca. n anders dan 25 kg tot 7 biologisch of maanden, chemisch; opfokzeugen van ca. gecombineerd 25 kg tot eerste luchtwassysteem dekking 85% ammoniak emissiereductie (75% geur) met watergordijn en biologische wasser (BWL 2007.02.V4; BWL 2010.02.V4) vleesvarkens, luchtwassysteme opfokberen van ca. n anders dan 25 kg tot 7 biologisch of maanden, chemisch; opfokzeugen van ca. gecombineerd 25 kg tot eerste luchtwassysteem dekking 85% ammoniak emissiereductie (85% geur) met watergordijn en biologische wasser (BWL 2009.12.V2) vleesvarkens, luchtwassysteme opfokberen van ca. n anders dan 25 kg tot 7 biologisch of maanden, chemisch; opfokzeugen van ca. gecombineerd 25 kg tot eerste luchtwassysteem dekking 85% ammoniak emissiereductie (85% geur) met watergordijn en biologische wasser (BWL 2009.12.V2)

Rav-code

aantal dieren

PM10 per dier

max. PM10 PM10 in waarde g/jaar

max. PM10 emissie

41 van 52

stal

diercategorie

4

vleesvarkens, luchtwassysteme D 3.2.15.4 opfokberen van ca. n anders dan 25 kg tot 7 biologisch of maanden, chemisch; opfokzeugen van ca. gecombineerd 25 kg tot eerste luchtwassysteem dekking 85% ammoniak emissiereductie (85% geur) met watergordijn en biologische wasser (BWL 2009.12.V2) vleesvarkens, luchtwassysteme D 3.2.15.4 opfokberen van ca. n anders dan 25 kg tot 7 biologisch of maanden, chemisch; opfokzeugen van ca. gecombineerd 25 kg tot eerste luchtwassysteem dekking 85% ammoniak emissiereductie (85% geur) met watergordijn en biologische wasser (BWL 2009.12.V2) volwassen paarden overige K 1.100 (3 jaar en ouder) huisvestingssyste men Damherten overige M 1.100 huisvestingssyste men Pauwen overige M 1.100 huisvestingssyste men

7

8

9

9

stalsysteem

Totaal

Rav-code

aantal dieren

PM10 per dier

max. PM10 PM10 in waarde g/jaar

max. PM10 emissie

1.910 31

31

59.210,0

59.210,0

328 31

31

10.168,0

10.168,0

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

1 niet n.v.t. vastgestel d 10 niet n.v.t. vastgestel d 15 niet n.v.t. vastgestel d

519.702,0 519.702,0

Voor de aangevraagde en ongewijzigde huisvestingssystemen gelden geen maximale emissiewaarden. De voorgestelde huisvestingssystemen daarmee aan de eis van het toepassen van de BBT. Conclusie BBT dierenverblijven De dierenverblijven voldoen voor het onderdeel zwevende deeltjes aan de eisen van het Besluit emissiearme huisvesting. Er is geen reden de gevraagde vergunning te weigeren. 1.40

Luchtkwaliteitseisen

Toetsingskader Het wettelijk kader voor de luchtkwaliteit is beschreven in de volgende documenten:  Wet luchtkwaliteit (titel 5.2 Luchtkwaliteitseisen, Wet milieubeheer)  Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)  Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)  Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007  Regeling projectsaldering luchtkwaliteit 2007  Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen)  Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL)

42 van 52

De ‘Wet luchtkwaliteit’ voorziet onder meer in een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Het NSL is een samenwerkingsprogramma van de rijksoverheid, provincies en gemeenten in de gebieden waar de normen voor luchtkwaliteit worden overschreden (overschrijdingsgebieden). De programmaaanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen. De Regeling Beoordeling Luchtkwaliteit 2007 (RBL2007) bevat grenswaarden voor de luchtkwaliteit die door het bevoegd gezag als toetsingscriterium in de vergunningverlening moeten worden gehanteerd. Deze grenswaarden geven een niveau aan van de kwaliteit van de buitenlucht dat niet mag worden overschreden. Het RBL is niet van toepassing op de werkplek. Dit betekent dat toetsing van de normen geschiedt buiten het terrein van de inrichting. De grenswaarden hebben betrekking op de stoffen zwaveldioxide, stikstofdioxide, zwevende deeltjes (PM2,5 en PM10), lood, koolmonoxide en benzeen Tevens is in deze bijlage een richtwaarde voor ozon gedefinieerd en zijn richtwaarden gegeven voor het totale gehalte in de PM10 fractie voor arseen, cadmium, nikkel en benzo(a)pyreen. In beginsel dient ter beperking van de emissies BBT te zijn toegepast.

Worden desondanks toch overschrijdingen van de grenswaarden verwacht en er is sprake van een in betekenende mate bijdrage van de inrichting, dan moet worden gezocht naar aanvullende eisen of alternatieven, waardoor de bijdrage van de inrichting per saldo niet groter wordt dan voor het te nemen besluit voor de vergunningverlening. Op grond van artikel 5.16 en 5.19 Wm kunnen wij vergunning verlenen, indien:  de concentratie in de buitenlucht van de in bijlage 2 van de Wm genoemde luchtverontreinigende stoffen per saldo niet toeneemt (artikel 5.16, eerste lid, onder b, van de Wm) of niet in betekenende mate toeneemt (artikel 5.16, eerste lid, onder c)1 ten gevolge van de aangevraagde activiteiten  de concentratie in de buitenlucht van de in bijlage 2 van de Wm genoemde luchtverontreinigende stoffen (inclusief eventuele lokale bronnen in de omgeving van de inrichting) vermeerderd met de immissie ten gevolge van de activiteiten binnen de inrichting (inclusief voertuigbewegingen van en naar de inrichting) lager is dan de grenswaarden, zoals vermeld in Bijlage 2 van de Wm (art. 5.16, lid 1a) Toetsing De meest relevante luchtkwaliteitseisen voor agrarische inrichtingen hebben betrekking op zwevende deeltjes (PM2,5 en PM10). De stof NO2 komt voornamelijk vrij bij verbrandingsprocessen.

Gelet op de activiteiten binnen de inrichting kan worden gesteld dat geen of nauwelijks NO2 wordt uitgestoten. De andere genoemde stoffen (zwaveldioxide, lood, koolmonoxide, benzeen en ozon) zijn niet relevant bij een agrarisch bedrijf. Aan de grenswaarden die voor deze stoffen zijn vastgesteld, is niet getoetst. Gezien de aard van de inrichting (veehouderij) zullen deze niet worden overschreden. Voor zwevende deeltjes zijn de volgende grenswaarden opgenomen:  24 uurgemiddelde grenswaarde van 50 g/Nm3 voor PM10, waarbij geldt dat deze maximaal 35 keer per jaar mag worden overschreden  jaargemiddelde grenswaarde van 40 g/Nm3 voor PM10  jaargemiddelde grenswaarde van 25 g/Nm3 voor PM2,5

1

Artikel 5.16, eerste lid, onder c, geldt niet voor de gebieden in Noord-Brabant en Gelderland die zijn aangewezen in de Regeling NIBM.

43 van 52

Voor het berekenen van de concentratie van PM2,5 zijn nog niet in alle gevallen emissiefactoren bekend. Tot die tijd zal voor de beoordeling van PM2,5 worden uitgegaan van een publicatie van het Planbureau voor de leefomgeving. Op basis van een onderzoek van het RIVM (“Attainability of PM2,5 air quality standards, situation for the Netherlands in a European context, Planbureau voor de Leefomgeving, Bilthoven 2009) wordt geconcludeerd dat wanneer aan de norm voor PM10 wordt voldaan, dit ook geldt voor de norm voor PM2,5. In artikel 4 van het ‘Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)’ (Besluit NIBM) en de bijlagen van de ‘Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)’ (Regeling NIBM), is voor bepaalde categorieën projecten met getalsmatige grenzen vastgesteld dat deze ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze mogen zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit worden uitgevoerd. Voor agrarische activiteiten, met uitzondering van o.a. akker- tuin- en glastuinbouwbedrijven, zijn geen grenzen vastgesteld. Op grond van artikel 2 lid 2 van het Besluit NIBM kunnen gebieden en bronnen worden aangewezen die geen gebruik kunnen maken van NIBM.

De inrichting waarvoor vergunning wordt gevraagd valt niet onder de bepalingen van artikel 2, lid 2 van het Besluit NIBM Beoordeling NIBM Door het toepassen van een gecombineerde luchtwasinstallatie worden maatregelen getroffen ten aanzien van de emissie van fijn stof (PM10) vanwege het houden van dieren. Uit toetsing van onderhavige aanvraag blijkt dat ten aanzien van de vergunde emissie fijn stof een verbetering optreedt. Uit de NIBM-toets van de aanvraag blijkt dat ten aanzien van de vergunde emissie fijn stof een aanzienlijke verbetering optreedt. De fijnstof emissie neemt af van 1.00.870,0 gram/jaar naar 519.702 gram per jaar. Conclusie De aangevraagde veranderingen dragen niet in betekende mate bij aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Luchtkwaliteit vormt geen reden de gevraagde vergunning te weigeren.

(EXTERNE) VEILIGHEID 1.41

Bouwbesluit 2012

Het Bouwbesluit 2012 regelt onder andere het brandveilig gebruik van bouwwerken, het brandveilig opslaan van brandbare niet-milieugevaarlijke stoffen, het brandveilig opslaan van kleine hoeveelheden brand- en milieugevaarlijke stoffen en de aanwezigheid, controle en onderhoud van brandbestrijdingssystemen voor de hiervoor bedoelde situaties. Voor voornoemde situaties zijn daarom geen voorschriften in deze vergunning opgenomen.

OVERIGE ASPECTEN 1.42

Verspreiding verontreinigingen

Voor het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van door de inrichting veroorzaakte verontreinigingen over lange afstand of grensoverschrijdende verontreinigingen (artikel 2.22 Wabo jo. 5.7, eerste lid, van het Bor) zijn de vigerende vergunning voorschriften opgenomen die van toepassing zijn op de veranderingen.

44 van 52

1.43

Bijzondere bedrijfsomstandigheden

Voor het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van de nadelige gevolgen voor het milieu, die kunnen worden veroorzaakt door opstarten, lekken, storingen, korte stilleggingen, definitieve bedrijfsbeëindiging of andere bijzondere bedrijfsomstandigheden (artikel 5.7, eerste lid, van het Bor) zijn in de vigerende vergunning voorschriften opgenomen die van toepassing zijn op de veranderingen. 1.44

Ongevallen

Voor het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van ongevallen (artikel 5.7, eerste lid, van het Bor), zijn de volgende voorschriften in zijn de vigerende vergunning voorschriften opgenomen die van toepassing zijn op de veranderingen. 1.45

Bedrijfsbeëindiging

Voor het treffen van maatregelen om bij definitieve bedrijfsbeëindiging de nadelige gevolgen die de inrichting heeft veroorzaakt voor het terrein waarop zij was gevestigd, ongedaan te maken of te beperken voor zover dat nodig is om dat terrein weer geschikt te maken voor een volgende functie (artikel 5.7, eerste lid, van het Bor) zijn in de vigerende vergunning voorschriften opgenomen die van toepassing zijn op de veranderingen. 1.46

Reach

REACH (Registratie Evaluatie en Autorisatie van Chemische stoffen) Verordening (EC) 1907/2006 is een Europese verordening over stoffen. REACH werkt rechtstreeks. Voor een deel van de op grond van REACH geregistreerde stoffen bestaat er een autorisatieplicht. Deze stoffen mogen niet zonder meer worden gebruikt. Uit de aanvraag blijkt dat er binnen de inrichting geen stoffen worden geproduceerd, gebruikt en/of geëmitteerd waarop REACH van toepassing is. 1.47

Toekomstige ontwikkelingen

Er zijn geen toekomstige ontwikkelingen bekend die van invloed zijn op de beoordeling van de aanvraag. 1.48

Andere regels en wetten

Het verlenen van deze vergunning houdt niet in dat hiermee is voldaan aan de bepalingen die in andere wetten en regels (zoals een besluit op basis van de Wet dieren) zijn gesteld dan wel op grond hiervan worden voorgeschreven.

2

BEHANDELING ZIENSWIJZEN

De zienswijze is hieronder weergegeven. De zienswijze is binnen de daarvoor gestelde termijn ingekomen en is ontvankelijk. De zienswijze is in verschillende onderdelen opgedeeld en samengevat weergegeven. Daarna volgt de weging van de inhoud van dat onderdeel. Voor de volledige inhoud verwijzen wij naar de zienswijze zelf. 1. Akoestisch onderzoek: wij vinden dat dit wel plaats moet vinden omdat nu de overlast al groot is. (wij hebben al meerdere keren melding gedaan bij de Omgevingsdienst Achterhoek, maar er wordt niets mee gedaan)

45 van 52

Er is geen akoestisch rapport verlangd, zoals ook in hoofdstuk 12 is aangegeven, omdat er geen veranderingen zijn in activiteiten die invloed hebben op de geluidbelasting. De geluidsnormen uit de vigerende vergunning zijn ook van toepassing op de gevraagde veranderingen. Door middel van geluidsmetingen worden meldingen over geluidshinder onderzocht. Bij de Omgevingsdienst Achterhoek zijn via het provinciaal Meldingenregistratiesysteem S@men afgelopen 2 jaar diverse anonieme meldingen ingediend. Meldingen die anoniem binnenkomen op het provinciaal klachtenloket worden, zonder aanziens des persoons, buiten behandeling gelaten. Zonder adresgegevens kan niet worden vastgesteld of het geluid veroorzaakt door een bedrijf wel dan niet de normen overschrijdt op de plek waar geluidshinder wordt ondervonden. De zienswijze geeft ons geen aanleiding om het besluit te wijzigen. 2. Volgens de berekeningen in de aanvraag wordt de geuremissie boven de wettelijke norm overschreden. In hoofdstuk 5 Geurhinder uit dierverblijven is de beoordeling van geur weergegeven. Uit de berekening blijkt dat de geurbelasting op geen elk punt de geurnorm van 14,0 OUE/m3 voor geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom en de geurnorm van 3 OUE/m3 voor geurgevoelige objecten in de bebouwde kom overschrijdt. De geurbelasting bij het geurgevoelig object van indiener van de zienswijze bedraagt 5,1 OUE/m3.

Er wordt ruimschoots aan de normen voor geurbelasting voldaan. De zienswijze geeft ons geen aanleiding om het besluit te

wijzigen. 3. De luchtwassers doen (als ze aanstaan) niet afdoende hun werk. Hoe zit het met de registratie en certificering van de luchtwassers (hoe vaak staan ze aan of vooral uit)? De voorschriften voor de goede werking van huisvestingssystemen, waaronder de luchtwassers vallen, zijn opgenomen in paragraaf 3.5.8 van het Activiteitenbesluit milieubeheer en bijbehorende regeling. In artikel 3.123 van het Activiteitenbesluit is bepaald dat een huisvestingssysteem moet zijn uitgevoerd overeenkomstig de bij dat huisvestingssysteem behorende technische beschrijving en dat het systeem moet worden onderhouden overeenkomstig de voorwaarden die noodzakelijk zijn voor een goede werking van het huisvestingssysteem. Daarnaast zijn de volgende voorschriften opgenomen om de goede werking te waarborgen:

46 van 52

Verder staan in hoofdstuk 10 van de Ministeriële regeling omgevingsrecht (Mor) kwaliteits-

eisen voor controles. In artikel 10.3 (handhavingsbeleid), lid 3, onder b, staat: de frequentie waarmee routinematige controlebezoeken worden afgelegd, waarbij die frequentie voor IPPC-installaties, afhankelijk van de milieurisico’s, het nalevingsgedrag en de aanwezigheid van een gecertificeerd milieuzorgsysteem, ten minste één controlebezoek per drie jaar bij beperkte milieurisico’s en ten minste één controlebezoek per jaar bij grote milieurisico’s is. In de handhavingsnota van de Omgevingsdienst Achterhoek i s bepaald dat het bedrijf, omdat het een IPPC-inrichting betreft, jaarlijks wordt gecontroleerd op bovenstaande voorschriften. Er is geen aanleiding om te vrezen voor meervoudig disfunctioneren van de geïnstalleerde luchtwassystemen. De zienswijze geeft ons geen aanleiding om het besluit te wijzigen. 4. Hoe zit het met certificering van de te bouwen silo’s? In hoofdstuk 3.2 van de voorschriften zijn de voorschriften opgenomen ten aanzien van de uitvoering van de mestbassins, of te wel mestsilo’s. Op basis van deze voorschriften moet de silo en de afdekking zijn uitgevoerd en aangelegd overeenkomstig BRL 2342. Daarnaast moet de silo zijn voorzien van een kwaliteitsverklaring mestbassin waaruit blijkt dat het mestbassin en de afdekking zijn uitgevoerd overeenkomstig BRL2342 en wat de referentieperiode van het mestbassin is.

De zienswijze geeft ons geen aanleiding om het besluit te wijzigen.

47 van 52

5. Is de veiligheid van de buurt gewaarborgd? De aanvraag is getoetst aan alle geldende milieuregelgeving. Vanuit dit toetsingskader blijkt dat er geen redenen zijn om de vergunning te weigeren. De zienswijze geeft ons geen aan-

leiding om het besluit te wijzigen.

CONCLUSIE Vanuit het toetsingskader dat betrekking heeft op het veranderen van de inrichting zijn er geen redenen om de omgevingsvergunning te weigeren. In deze beschikking zijn de voor deze activiteit relevante voorschriften opgenomen.

48 van 52

BEGRIPPEN AFVALSTOFFEN Alle stoffen, preparaten of voorwerpen, waarvan de houder zich ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen. AFVALWATER Alle water waarvan de houder zich, met het oog op de verwijdering daarvan, ontdoet, voornemens is zich te ontdoen, of moet ontdoen. BASSIN Een reservoir voor de opslag van vloeistoffen dat niet gelegen is onder een gebouw, doch waarvan een aanwezige bovenafdekking de functie van vloer kan vervullen. BEDRIJFSAFVALWATER Afvalwater (inclusief verontreinigd hemelwater), niet zijnde huishoudelijk afvalwater. BEDRIJFSRIOLERING Een stelsel van buizen, verbindingstukken en elementen zoals straat- en trottoirkolken, gootelementen, verzamelputten en installaties, zoals slibvangputten, olie-waterscheider en controleputten voor de opvang en afvoer van bedrijfsafvalwater. BODEMBEDREIGENDE ACTIVITEIT Bedrijfsmatige activiteit die gepaard gaat met het gebruik, de productie of de emissie van een bodembedreigende stof overeenkomstig de definitie van het activiteitenbesluit.

BODEMBESCHERMENDE MAATREGEL Op de gebezigde stoffen en gebruikte bodembeschermende voorziening toegesneden handeling gericht op reparatie, schoonmaak, onderhoud, actie bij incidenten, bedrijfsinterne controle, inspectie of toezicht ter voorkoming van bodemverontreiniging waarvan de uitvoering is gewaarborgd BODEMBESCHERMENDE VOORZIENING Een vloeistofkerende voorziening, een vloeistofdichte vloer of verharding of een andere doelmatige fysieke voorziening, ter voorkoming van immissies in de bodem. BODEMRISICODOCUMENT Document dat inzicht geeft in het risico van bodemverontreiniging. Hiertoe wordt per bodembedreigende activiteit overeenkomstig de bodemrisicochecklist uit de Nederlandse Richtlijn Bodembescherming bepaald of met de aanwezige of voorgenomen combinatie van voorzieningen en maatregelen sprake is of zal zijn van een verwaarloosbaar bodemrisico. WMS-CATEGORIE: ZEER LICHT ONTVLAMBAARGRENZEN: KOOKPUNT TEN HOOGSTE 308 K (35°C) EN vlampunt lager dan 273 K (0°C).Klasse 0WMS-categorie: licht ontvlambaar Grenzen: Vlampunt van 273 K (0°C) tot 294 K (21°C).Klasse 1WMS-categorie: Ontvlambaar Grenzen: Vlampunt gelijk aan of boven 294 K (21°C) en ten hoogste 328 K (55°C).Klasse 2.WMScategorie: -Grenzen: Vlampunt boven 328 K (55°C) en ten hoogste 373 K (100°C).Klasse

49 van 52

3.WMS-categorie: -Grenzen: Vlampunt boven 373 K (100°C).Klasse 4. Opmerking: Bovenstaande definities zijn ontleend aan PGS 30, juni 2005. EMBALLAGE Verpakkingsmateriaal, zoals glazen en kunststof flessen, blikken en kunststof cans, metalen en kunststof vaten of fiberdrums, papieren en kunststof zakken, houten kisten, big-bags en intermediate bulkcontainers (IBC's). ENERGIEKOSTEN Alle kosten zoals vermeld op de eindafrekening van het energiebedrijf die samenhangen met het verkrijgen van aardgas, elektriciteit, warmte (uit een distributienet) en andere brandstoffen (stookolie, gasolie, diesel) voor de gebouwen, faciliteiten en processen in de inrichting, maar exclusief de kosten gemaakt voor brandstoffen voor motorvoertuigen. Voor aardgas moeten met name worden meegenomen basisprijs, brandstofheffing, calorische toeslag, energieheffing (regulerende energiebelasting), vastrecht en BTW. Voor elektriciteit moeten met name worden meegenomen de kosten voor normaaluren en laagtariefuren (is afhankelijk van kWh-verbruik), kW-tarief continu en piekuren (is afhankelijk van het opgestelde vermogen), brandstofkosten, transformatorverliezen, energieheffing, vastrecht en BTW.

EQUIVALENT GELUIDSNIVEAU (LAeq) Het A-gewogen gemiddelde van de afwisselende niveaus van het ter plaatse, in de loop van een bepaalde periode, optredende geluid, vastgesteld overeenkomstig de "Handleiding meten en rekenen industrielawaai" 1999, uitgegeven door het Ministerie van VROM. GELUIDSGEVOELIGE BESTEMMINGEN Gebouwen of objecten, aangewezen in het Besluit geluidhinder krachtens de artikelen 49 en 68 van de Wet geluidhinder (Stb. 1982, 465). GELUIDSNIVEAU IN dB(A) Het niveau van het ter plaatse optredende geluid, uitgedrukt in dB(A), overeenkomstig de door de Internationale Elektrotechnische Commissie (IEC) terzake opgestelde regels, zoals neergelegd in de IEC-publicatie no. 651, uitgave 1989. GEVAARLIJKE AFVALSTOFFEN Afvalstof die een of meer van de in bijlage III bij de kaderrichtlijn afvalstoffen genoemde gevaarlijke eigenschappen bezit. GEVAARLIJKE STOFFEN Gevaarlijke stof als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel b, van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen. GEVOELIG OBJECT Dit begrip is gedefinieerd in het Besluit mestbassins milieubeheer. KADERRICHTLIJN AFVALSTOFFEN Richtlijn nr.

2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 19 november 2008 betreffende afvalstoffen en tot intrekking van een aantal richtlijnen (PbEU L 312) KIWA Dienstverlenend centrum voor kwaliteitsbeheersing en onderzoek in de sectoren Drinkwater, Bouw en Milieu, Postbus 70, 2280 AB Rijswijk, telefoon: (070) 414 44 00telefax: (070) 414 44 20internet: www.kiwa.nl

50 van 52

LANGTIJDGEMIDDELD BEOORDELINGSNIVEAU (LAr,LT) Het A-gewogen gemiddelde van de afwisselende niveaus van het ter plaatse, in de loop van een bepaalde periode optredende geluid en zo nodig gecorrigeerd voor de aanwezigheid van impulsachtig geluid, tonaal geluid of muziekgeluid, vastgesteld en beoordeeld overeenkomstig de 'Handleiding meten en rekenen industrielawaai', uitgave 1999. MAXIMALE GELUIDNIVEAU (LAmax) Het hoogste A-gewogen geluidsniveau, afgelezen in de meterstand 'fast', verminderd met de meteocorrectieterm Cm. De meterstand 'fast' komt overeen met een tijdconstante van 125 ms. MESTBASSIN Voorziening voor het opslaan van drijfmest, digestaat of drijfmest (80%) met co-substraten en niet zijnde een opslagtank of verpakking NEN-EN Een door het Comité Européen de Normalisation (CEN) opgestelde norm die door het Nederlands Normalisatie Instituut (NEN) als Nederlandse norm is aanvaard. NEN-EN 1838 Toegepaste verlichtingstechniek - Noodverlichting. OVERSLAAN het kortdurend stallen van containers met afval, bijvoorbeeld containers die door schepen worden aangevoerd en daarna door voertuigen worden verder getransporteerd, of andersom; het overbrengen van afval in een groter transportmiddel, bijvoorbeeld vanuit de chemokar naar grotere vrachtwagens.

Het kan daarbij gaan om afval dat door rechtspersoon A is ingezameld of wordt getransporteerd en tijdelijk binnen de inrichting van rechtspersoon B wordt overgeslagen; het stallen van met afval geladen voertuigen, bijvoorbeeld het overnachten van een volle vrachtwagen op een inrichting. PGS Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen, onder verantwoordelijkheid van vier departementen uitgebrachte richtlijnen voor opslag en handling van gevaarlijke stoffen (voorheen CPR-richtlijn).

51 van 52

De adviesraad gevaarlijke stoffen heeft voor het tot stand komen van deze richtlijnen een adviserende taak. PGS richtlijnen zijn te downloaden via www.publicatiereeksgevaarlijkestoffen.nl. PGS 15 Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 15, 'Opslag van verpakte gevaarlijke stoffen: richtlijn voor brandveiligheid, arbeidsveiligheid en milieuveiligheid'. Downloaden via www.publicatiereeksgevaarlijkestoffen.nl. REFERENTIEPERIODE Tijdsbestek waarbinnen een bassin moet blijven voldoen aan de gestelde eisen. TERUGVERDIENTIJD De verhouding tussen het investeringsbedrag voor de maatregel na aftrek van eventuele subsidies en de jaarlijkse opbrengsten van de maatregel ten gevolge van de met de maatregel samenhangende energiebesparing en andere besparingen. In geval van een investering in een installatie voorzien van afzonderlijke energiebesparende componenten moet in plaats van het totaalinvesteringsbedrag worden gerekend met de meerinvestering ten opzichte van een installatie zonder de energiebesparende componenten. Voor de berekening van de financiële opbrengsten ten gevolge van de met de maatregel samenhangende energiebesparing moet worden gerekend met de op het moment van het energiebesparingsonderzoek geldende kosten (tarieven) voor de betrokken inrichting.

Er wordt geen rekening gehouden met de eventuele kosten van het (vervroegd) uit bedrijf nemen van een installatie en niet met rentekosten. VERKEERSBEWEGING Het aan- of afrijden met een persoon-, bestel- of vrachtwagen. VERKLARING VLOEISTOFDICHTE VOORZIENING Een bewijs van inspectie waarmee aangetoond wordt dat een voorziening als vloeistofdicht wordt aangemerkt. VISA Veiligheid Industriële Stookinstallaties voor het stoken van Aardgas. VLOEISTOFDICHTE VOORZIENING Effectgerichte voorziening die waarborgt dat - onder voorwaarde van doelmatig onderhoud en adequate inspectie en/of bewaking - geen vloeistof aan de niet met vloeistof belaste zijde van die voorziening kan komen. VLOEISTOFKERENDE VOORZIENING Fysieke barrière die in staat is stoffen tijdelijk te keren. WONING Gebouw of gedeelte van een gebouw waar bewoning is toegestaan op grond van het bestemmingsplan, de beheersverordening, bedoeld in artikel 3.38 van de Wet ruimtelijke ordening, of, indien met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van het bestemmingsplan of de beheersverordening is afgeweken, de omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van laatstgenoemde wet.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Aalten&id=39bd04d2-2f9f-41f8-9acc-74a3fafc251f