Bijlage 5 Omgevingsvergunning 31 juli 2017 verandering silo's
Tekst van het document
BESCHIKKING op basis van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo)
datum: 31 juli 2017
Provincie Gelderland
kenmerk: 2016W0118
BESLUIT OMGEVINGSVERGUNNING BESLUIT 1.1
Onderwerp
Op 15 juli 2016 is een aanvraag voor een omgevingsvergunning ingediend voor het veranderen van het vleesvarkens- en melkrundveebedrijf met mestverwerkingsinstallatie op het adres Hoeninkdijk 6-8 en Kloosterdijk 13 in Aalten. De aanvraag heeft betrekking op het perceel kadastraal bekend gemeente Aalten, sectie O, nummer(s) 1318, 1319, 1320, 1401, 1416 en 1417 De aanvraag is geregistreerd met volgende kenmerken: zaaknummer OLO: 2438281 zaaknummer Omgevingsdienst Achterhoek: 2016W0118 De aanvraag heeft betrekking op de volgende activiteit: het veranderen van een inrichting (artikel 2.1, eerste lid, onder e van de Wabo (verandering). 1.2
Besluit
Wij besluiten, gelet op de overwegingen die zijn opgenomen in deze vergunning en gelet op de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, de Wet milieubeheer, de Wet ammoniak en veehouderij, de Wet geurhinder en veehouderij en de Wet natuurbescherming: om de omgevingsvergunning voor onbepaalde tijd te verlenen voor de volgende activiteiten: o het veranderen van een inrichting (artikel 2.1, eerste lid, onder e van de Wabo (verandering)) om het voorschrift 9.1.1 dat verbonden is aan de omgevingsvergunning van 15 juli 2011, en gewijzigd door de omgevingsvergunning van 18 april 2014, in te trekken om de voorschriften uit paragraaf 9.1 tot en 9.7 die zijn verbonden aan de omgevingsvergunning van 15 juli 2011, in te trekken dat de voorschriften die verbonden zijn aan de omgevingsvergunning van 15 juli 2011 op de verandering van toepassing zijn mijn uitzondering van de voorschriften 1.1.1, 4.3.1, 4.3.3, en de voorschriften in hoofdstuk 5, en paragraaf 6.1 tot en met 6.7, 9.1 tot en met 9.7, 10.2, 10.3 om aan deze vergunning voorschriften te verbinden die zijn opgenomen in het onderdeel “Voorschriften milieu” dat de volgende delen van de aanvraag onderdeel uit maken van deze vergunning: o aanvraagformulier (OLO-nummer: 2438281), gedateerd en ingekomen op: 15 juli 2016 o Memo met wijziging aanvraagformulier, gedateerd en ingekomen op 3 april 2017 o situatietekening inrichting,
kenmerk: 1012AL03, gedateerd: 16 maart 2017 o toelichting op de aanvraag van Locis adviseurs, ingekomen op 16 maart 2017
1 van 52
o o o o
memo met aanvullende gegevens van Locis adviseurs, gedateerd en ingekomen op 31 januari 2017 dimensioneringsplan met betrekking tot stal 2, 3, 4 en 7 van, ingekomen op 16 maart 2017 Stalbeschrijving gecombineerd luchtwassysteem BWL 2009.12.V2, 85% ammoniakemissiereductie met watergordijn en biologische wasser V-stacks berekeningen Omgevingsdienst Achterhoek van 11 april 2017
Hengelo, 31 juli 2017 namens Gedeputeerde Staten van de Provincie Gelderland
Petra G.M. van Oosterbosch directeur Omgevingsdienst Achterhoek
2 van 52
1.3
Rechtsmiddelen
Beroep en voorlopige voorziening Bent u het niet eens met dit besluit, dan kunt u hiertegen in beroep gaan bij de Rechtbank Gelderland. Ook kunt u een verzoek om een voorlopige voorziening indienen. Beroep Als u het niet eens bent met ons besluit, dan kunt u hiertegen in beroep gaan bij de Rechtbank Gelderland, locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem. Via het digitaal loket bestuursrecht op www.rechtspraak.nl kunt u met gebruik van DigiD ook digitaal een beroepschrift indienen. Regels voor het indienen van een beroepschrift: het beroepschrift moet binnen 6 weken na de dag van bekendmaking van het besluit worden ingediend. De termijn vangt aan met ingang van de dag na die waarop het besluit is bekendgemaakt. Overschrijding van deze termijn kan leiden tot een niet-ontvankelijkverklaring. Dit betekent dat het besluit onherroepelijk is geworden en de rechter niet ingaat op uw bezwaren; vermeld in uw ondertekende beroepschrift uw naam en adres en/of de naam en het adres namens wie u beroep aantekent, de dagtekening en een omschrijving van het besluit waartegen het beroep is gericht; geef in het beroepschrift duidelijk aan waarom u het niet eens bent met het besluit; zend een kopie van het bestreden besluit mee; aan het indienen van een beroep zijn griffiekosten verbonden. U ontvangt hiervoor een acceptgiro van de Rechtbank.
Voorlopige voorziening Het indienen van een bezwaar- of beroepschrift schorst de werking van een besluit niet: het besluit treedt toch in werking. Als u vindt dat de werking van het besluit moet worden tegengehouden, kunt u een verzoek om voorlopige voorziening indienen bij de voorzieningenrechter. Regels voor het indienen van een verzoek om een voorlopige voorziening: u richt uw verzoek aan de voorzieningenrechter van de Rechtbank Gelderland, locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem; via het digitaal loket bestuursrecht op www.rechtspraak.nl kunt u met gebruik van DigiD ook digitaal een voorlopige voorziening vragen; geef duidelijk aan waarom u van mening bent dat er sprake is van onverwijlde spoed en een voorlopige voorziening nodig is; een verzoek om voorlopige voorziening wordt alleen in behandeling genomen als u ook een beroepschrift heeft ingediend. Als bewijs hiervan is het nodig dat u een kopie van het beroepschrift en een kopie van het bestreden besluit meestuurt; aan het indienen van een verzoek om voorlopige voorziening zijn griffiekosten verbonden. U ontvangt hiervoor een acceptgiro van de Rechtbank.
3 van 52
INHOUDSOPGAVE BESLUIT OMGEVINGSVERGUNNING ............................................................................................... 1
1. BESLUIT..................................................................................................................................... 1 1.1 Onderwerp 1 1.2 Besluit 1 1.3 Rechtsmiddelen 3
VOORSCHRIFTEN MILIEU .............................................................................................................. 7
1
Algemeen ...................................................................................................................... 7
2 2.1 2.2
Houden van dieren ........................................................................................................ 7 Algemeen 7 Gezondheid 9
3. Opslag en behandeling van mest of DIGESTAAT in MESTBASSIN ............................................... 9
4 Spuiwater gecombineerd luchtwassysteem ................................................................ 11 4.1 Opslag spuiwater algemeen 11
5
REGISTRATIE AFVALSTOFFEN ..................................................................................... 12
OVERWEGINGEN ALGEMEEN ........................................................................................................ 13
1 1.1 1.2 1.3 1.4 1.5 1.6 1.7 1.8 1.9 1.10
PROCEDURELE ASPECTEN ........................................................................................... 13 Gegevens aanvrager 13 Projectbeschrijving 13 Omschrijving van de aanvraag 13 Bevoegd gezag 14 Volledigheid van de aanvraag 14 Procedure (uitgebreid) en zienswijzen 14 Wet bescherming persoonsgegevens 15 Behandeling zienswijze 15 Adviezen en Verklaring van geen bedenkingen 15 Gewijzigde regelgeving 15
SAMENHANG MET OVERIGE WET- EN REGELGEVING.................................................................... 16 1.11 Activiteitenbesluit 16 1.12 Milieueffectrapportage 17
4 van 52
OVERWEGINGEN MILIEU ............................................................................................................. 18
1 1.1 1.2
TOETSINGSKADER MILIEU .......................................................................................... 18 Inleiding 18 Toetsing oprichten, veranderen of revisie 18
DIERENVERBLIJVEN EN EMISSIE ................................................................................................. 19 1.3 Dieraantallen en (huisvestings)systemen vergund 19 1.4 Dieraantallen en (huisvestings)systemen aanvraag 20
BESTE BESCHIKBARE TECHNIEKEN .............................................................................................. 21 1.5 IPPC-installatie 22 1.6 BBT-documenten 22 1.7 BBT-conclusies 23
AMMONIAKEMISSIE UIT DIERENVERBLIJVEN ............................................................................. 26 1.8 BBT dierenverblijven ammoniak 26 1.9 Ammoniakemissie dierenverblijven 30
GEURHINDER UIT DIERENVERBLIJVEN........................................................................................ 30 1.10 Toetsingskader 30 1.11 Toetsing geurhinder 31 1.12 Beoordeling dieren zonder geuremissiefactoren ('vaste afstanden') 31 1.13 Beoordeling dieren met geuremissiefactoren 31 1.14 Conclusie geurhinder dierenverblijven 32
(VOLKS)GEZONDHEID EN VEEHOUDERIJ ..................................................................................... 32 1.15 Beoordelingskader 32 1.16 Maatregelen en voorzieningen 33 1.17 Beoordeling 33 1.18 Conclusie 34
OVERIG AGRARISCH .................................................................................................................... 34 1.19 Mestbassin 34 1.20 Opslag en verwerking van bijvoedermiddelen 34 1.21 Directe ammoniakschade 35
VERRUIMDE REIKWIJDTE ............................................................................................................ 35 1.22 Energiebesparing 35 1.23 Waterbesparing (leiding- en grondwater) 36 1.24 Afvalpreventie 36 1.25 Verkeer en vervoer 36
DOELMATIG BEHEER VAN AFVALSTOFFEN ................................................................................... 36 1.26 Toetsingskader 36 1.27 Toetsing aan de algemene bepalingen 37
5 van 52
1.28 1.29
Toetsing aan de specifieke bepalingen Conclusie
37 38
AFVALWATER ............................................................................................................................... 38 1.30 Toetsingskader 38 1.31 De gevolgen van de aangevraagde activiteiten 38 1.32 Maatregelen en voorzieningen 38 1.33 Beoordeling en conclusie 38
BODEM 1.34 1.35 1.36
39 Activiteitenbesluit Het kader voor de bescherming van de bodem Beoordeling en conclusie
39 39 39
GELUID 1.37 1.38
39 Algemeen Beoordeling en conclusie
39 40
LUCHTKWALITEIT ........................................................................................................................ 40 1.39 BBT dierenverblijven voor zwevende deeltjes 40 1.40 Luchtkwaliteitseisen 42
(EXTERNE) VEILIGHEID ............................................................................................................... 44 1.41 Bouwbesluit 2012 44
OVERIGE ASPECTEN..................................................................................................................... 44 1.42 Verspreiding verontreinigingen 44 1.43 Bijzondere bedrijfsomstandigheden 45 1.44 Ongevallen 45 1.45 Bedrijfsbeëindiging 45 1.46 Reach 45 1.47 Toekomstige ontwikkelingen 45 1.48 Andere regels en wetten 45
2
BEHANDELING ZIENSWIJZEN ..................................................................................... 45
CONCLUSIE .................................................................................................................................. 48
BEGRIPPEN .................................................................................................................................. 49
6 van 52
VOORSCHRIFTEN MILIEU
1 1.1.1
2
Algemeen De voorschriften die verbonden zijn aan de omgevingsvergunning van 15 juli 2011 zijn ook op de verandering van toepassing met uitzondering van voorschriften 1.1.1, 4.3.1, 4.3.3, en de voorschriften in hoofdstuk 5, 6.1 tot en met 6.7, 9.1 tot en met 9.7, 10.2, 10.3.
Houden van dieren
2.1
Algemeen
2.1.1
In de inrichting mogen ten hoogste de volgende aantallen dieren op het aangegeven huisvestingssysteem aanwezig zijn: stal
diercategorie
1
melk- en kalfkoeien ouder dan 2 jaar
1
1
6
8
stalsysteem
ligboxenstal met geprofileerde vlakke vloer met hellende sleuven, regelmatige mestafstorten voorzien van afdichtflappen en met mestschuif; permanent opstallen (BWL 2010.36.V4) melk- en overige kalfkoeien ouder huisvestingssystem dan 2 jaar en; permanent opstallen vrouwelijk jongvee overige tot 2 jaar huisvestingssystem en vrouwelijk jongvee overige tot 2 jaar huisvestingssystem en vrouwelijk jongvee overige tot 2 jaar huisvestingssystem en
Rav-code A 1.15
aantal dieren 281
A 1.100
219
A 3.100
14
A 3.100
81
A 3.100
40
7 van 52
stal
diercategorie
stalsysteem
5
vleesvarkens
luchtwassystemen anders dan biologisch of chemisch; gecombineerd luchtwassysteem 85% ammoniak emissiereductie (75% geur) met watergordijn en biologische wasser (BWL 2007.02.V4) enhokoppervlak groter dan 0,8 m2 per varken. In combina-tie met: mestkelders met (water- en) mestkanaal; mestkanaal met schuine putwand, met roosters anders dan metalen driekant op het mestkanaal, emitterend mestoppervlak groter dan 0,18 m2, maar kleiner dan 0,27 m2 per varken (BWL 2010.10.V3)
2
vleesvarkens
3
vleesvarkens
luchtwassystemen anders dan biologisch of chemisch; gecombineerd luchtwassysteem 85% ammoniak emissiereductie (85% geur) met watergordijn en biologische wasser (BWL 2009.12.V2) luchtwassystemen anders dan biologisch of chemisch; gecombineerd luchtwassysteem 85% ammoniak emissiereductie (85% geur) met watergordijn en biologische wasser (BWL 2009.12.V2)
Rav-code
aantal dieren D 3.2.15.4 + 7.136 D 3.2.7.2.2
D 3.2.15.4
3.156
D 3.2.15.4
1.682
8 van 52
stal
diercategorie
4
vleesvarkens
7
8
9
9
stalsysteem
luchtwassystemen anders dan biologisch of chemisch; gecombineerd luchtwassysteem 85% ammoniak emissiereductie (85% geur) met watergordijn en biologische wasser (BWL 2009.12.V2) vleesvarkens luchtwassystemen anders dan biologisch of chemisch; gecombineerd luchtwassysteem 85% ammoniak emissiereductie (85% geur) met watergordijn en biologische wasser (BWL 2009.12.V2) volwassen overige paarden (3 jaar en huisvestingssystem ouder) en Damherten overige huisvestingssystem en Pauwen overige huisvestingssystem en
Rav-code D 3.2.15.4
aantal dieren 1.910
D 3.2.15.4
328
K 1.100
1
M 1.100
10
M 1.100
15
2.2
Gezondheid
2.2.1
Teneinde zoönosen te weren om ziektedruk en de uitbraak van ziekten te voorkomen, dienen de volgende maatregelen in ieder geval te worden getroffen: zorg voor goede klimatologische en hygiënische omstandigheden grondige reiniging en ontsmetting van de stallen uitvoeren van verplichte entingen
3. OPSLAG EN BEHANDELING VAN MEST OF DIGESTAAT IN MESTBASSIN Behandeling en bewaring van verpompbare dierlijke mest of digestaat 3.1
In het mestbassin op tekening aangegeven met Z, mag maximaal 4.239 m3 mest of digestaat worden opgeslagen.
3.2
In de mestbassins of te wel vergistingssilo’s X, mag maximaal per silo 1.884 m3 drijfmest (80%) met co-substraten (20%) worden opgeslagen.De voorschriften uit dit hoofdstuk zijn van toepassing op zowel de opslag van drijfmest, als opslag van digestaat of drijfmest met co-substraten.
9 van 52
3.3
Het brengen van mest in de opslagruimte moet geschieden met een gesloten aanvoerleiding die zo dicht mogelijk bij de bodem van de opslagruimte uitmondt.
3.4
De afvoerpunten van de opslagruimte moeten door middel van goed sluitende deksels gesloten worden gehouden, behoudens tijdens het leegmaken ervan.
3.5
De opslagruimte mag niet zijn voorzien van een overstort (noodoverloop).
3.6
Het terrein van de inrichting mag niet worden bevloeid of op andere wijze van een laag mest of gier worden voorzien, behoudens bij het bemesten van grond volgens de normale bemestingspraktijk.
3.7
Transport van verpompbare dierlijke mest moet plaatsvinden in volledig gesloten tankwagens.
3.8
Bij het aan- en afvoeren van verpompbare dierlijke mest mag de omgeving niet worden verontreinigd.
3.9
Een mestbassin is gelegen op ten minste 100 m afstand van een geurgevoelig object dat geen deel uit maakt van een veehouderij, of 50 m afstand van een geurgevoelig object dat deel uitmaakt van een veehouderij.
De uitvoering van een mestbassin 3.10
Een mestbassin, niet zijnde een mestkelder, is voorzien van een afdekking.
3.11
Een mestbassin, niet zijnde een ondergronds mestbassin waarbij de vloer als kan fungeren, en een afdekking zijn uitgevoerd en aangelegd overeenkomstig BRL 2342. Toelichting: Een overzicht van de gecertificeerde bedrijven is te vinden op www.kiwa.nl.
3.12
Een mestbassin en een afdekking als bedoeld in het vorige voorschrift zijn voorzien van een kwaliteitsverklaring mestbassin, waaruit blijkt dat het mestbassin en de afdekking zijn uitgevoerd overeenkomstig BRL 2342 en wat de referentieperiode mestbassins is. De kwaliteitsverklaring mestbassin is binnen de inrichting aanwezig.
3.13
Een mestbassin dat, of een afdekking die, visueel waarneembaar lek is of in een slechte staat verkeert, wordt terstond gerepareerd.
3.14
Een mestbassin en een afdekking moet zijn uitgevoerd overeenkomstig de eisen die op het moment van oprichten van toepassing waren op grond van deze vergunning.
3.15
Een mestbassin en een afdekking als bedoeld in het vorige voorschrift moet zijn voorzien van een door de installateur verstrekte verklaring waaruit blijkt dat het mestbassin en de afdekking zijn uitgevoerd overeenkomstig de eisen, bedoeld in het vorige voorschrift, en welke referentieperiode mestbassins van toepassing is. Indien in deze verklaring geen referentieperiode mestbassins is vermeld, gelden gerekend van het moment van aanleg van het mestbassin de volgende referentieperiode mestbassins: 20 jaar voor een houten, betonnen of gemetseld mestbassin en betonnen afdekking; 10 jaar voor een metalen mestbassin en afdekking;
10 van 52
5 jaar voor een mestzak of een foliebassin; 5 jaar voor de taludbescherming van een foliebassin, of; 10 jaar voor overige typen mestbassins en afdekkingen.
3.16
Een mestbassin en een afdekking, niet zijnde een ondergronds mestbassin dat is voorzien van een afdekking die als vloer kan fungeren, worden overeenkomstig het daartoe in de Regeling bodemkwaliteit aangewezen normdocument beoordeeld en goedgekeurd door een persoon of instelling, die daartoe beschikt over een erkenning op grond van het Besluit bodemkwaliteit.
3.17
Deze beoordeling vindt ten minste vier weken voor het aflopen van de referentieperiode mestbassins plaats.
3.18
Bij goedkeuring van een mestbassin en een afdekking wordt door de hiervoor bedoelde persoon of instelling een nieuwe referentieperiode mestbassins vastgesteld. Het rapport van deze goedkeuring waarin een nieuwe referentieperiode mestbassins is opgenomen, is binnen de inrichting aanwezig.
3.19
Wanneer deze goedkeuring onder voorwaarden wordt gegeven, wordt binnen een termijn, gesteld door de hiervoor bedoelde persoon of instelling aan die voorwaarden voldaan.
3.20
Wanneer deze beoordeling leidt tot afkeuring en een reparatie van het mestbassin of de afdekking nodig is, draagt degene die de inrichting drijft zorg voor deze reparatie en wordt het mestbassin of de afdekking binnen een termijn, gesteld door de hiervoor bedoelde persoon of instelling, opnieuw ter beoordeling aangeboden.
3.21
Wanneer de hiervoor bedoelde reparatie niet plaatsvindt of een mestbassin of afdekking wordt afgekeurd en reparatie niet mogelijk is, wordt: van de afkeuring terstond melding gemaakt bij het bevoegd gezag; de drijfmest of het digestaat dat zich in het mestbassin bevindt onmiddellijk verwijderd, en; het opslaan van drijfmest of digestaat in het mestbassin beëindigd.
3.22
Het vul- en zuigpunt van een mestbassin bevindt zich boven een lekbak.
4
Spuiwater gecombineerd luchtwassysteem 4.1 Opslag spuiwater algemeen
4.1.1
Het spuiwater van de luchtwasser(s) dient te worden opgeslagen in een speciaal hiervoor bestemde afgesloten spuiwateropslag.
4.1.2
Het vorige voorschrift geldt voor alle spuiwaterstromen die uit de gecombineerde luchtwasser vrijkomen.
4.1.3
De wanden en vloer van de opslagruimte moeten bestand zijn tegen de invloed van het spuiwater. Bewijzen van de behandeling die de wanden en de vloer van de spuiwateropslag hebben ondergaan moeten binnen de inrichting aanwezig zijn.
11 van 52
4.1.4
De stijfheid en sterkte van de spuiwateropslag en de leidingen moet voldoende zijn om schadelijke vervorming als gevolg van overdruk bij vulling of overvulling te voorkomen, terwijl de dichtheid onder alle omstandigheden moet zijn verzekerd.
4.1.5
De spuiwateropslag moet voldoende inhoud hebben en mag niet zijn voorzien van een overstort. Afvoer naar een mestkelder / mestopslagruimte is niet toegestaan.
4.1.6
De spuiwateropslag mag slechts voor 95% worden gevuld.
4.1.7
De spuiwateropslag moet zijn voorzien van een opschrift met de woorden "OPSLAG SPUIWATER". Indien het spuiwater wordt opgeslagen in een opslagkelder, dient bij de putopening een bord te worden gehangen met de woorden "OPSLAG SPUIWATER".
4.1.8
Indien een vloeistofstandaanwijzer of peilinrichting is aangebracht, moet deze zodanig zijn ingericht dat het uitstromen van vloeistof uit de spuiwateropslag, ook door verkeerde werking of door breuk, wordt voorkomen.
4.1.9
De spuiwateropslag moet zijn voorzien van een ontluchtingspijp of ontluchtingsopening met een inwendige middellijn van ten minste 50 mm.
4.1.10
In elke aansluiting op de spuiwateropslag beneden het hoogste vloeistofniveau moet zo dicht mogelijk bij de wand een metalen afsluiter zijn geplaatst. Deze moet zodanig zijn uitgevoerd dat duidelijk is te zien of de afsluiter is geopend, dan wel is gesloten.
4.1.11
Het laadpunt van de spuiwateropslag moet zich boven een vloeistofkerende vloer bevinden met een oppervlakte van ten minste 3 x 3 meter.
4.1.12
De afvoer van het spuiwater dient te worden geregistreerd (hoeveelheid en concentratie). Deze registratiegegevens worden gedurende een periode van 5 jaar bewaard en zijn beschikbaar voor controle door het bevoegde gezag.
4.1.13
Bij het vullen of leegmaken van de opslagruimte mag geen verontreiniging van de bodem of het oppervlaktewater plaatsvinden.
4.1.14
Bij het afvoeren van spuiwater/percolaat mag de omgeving niet worden verontreinigd. Transport moet plaatsvinden in gesloten tankwagens.
4.1.15
Gemorst product moet met behulp van absorptiemateriaal zo spoedig mogelijk worden verwijderd.
5
REGISTRATIE AFVALSTOFFEN 5.1.1
Binnen de inrichting mag de doorzet van de tot brijvoer te verwerken afvalstoffen niet meer bedragen dan 17.900 ton. Gemorst product moet met behulp van absorptiemateriaal zo spoedig mogelijk worden verwijderd. Op deze afvalstoffen zijn de voorschriften uit hoofdstuk 2.3 tot en met hoofdstuk 2.5 van de omgevingsvergunning van 15 juli 2011 van toepassing.
12 van 52
OVERWEGINGEN ALGEMEEN
1
PROCEDURELE ASPECTEN
1.1
Gegevens aanvrager
Op 15 juli 2016 is een aanvraag voor een omgevingsvergunning als bedoeld in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) gevraagd voor het veranderen van het agrarisch bedrijf op het adres Hoeninkdijk 8 en Kloosterdijk 13 in Aalten. 1.2
Projectbeschrijving
Het project waarvoor vergunning wordt gevraagd is als volgt te omschrijven: De luchtwassers op stallen 2, 3 4 en 7 zijn omgebouwd van een chemische luchtwasser naar de gecombineerde luchtwasser BWL 2009.12; De voeropslagen, de opslagen voor co-producten voor de mestverwerking en de silo’s voor co-vergisting en mest- of digestaatopslag zijn anders gesitueerd. Een uitgebreide projectomschrijving is opgenomen in de aanvraag om vergunning en nadien ingediende bijlagen. Gelet op bovenstaande omschrijving wordt vergunning gevraagd voor de volgende in de Wabo omschreven activiteiten: het veranderen van een inrichting (artikel 2.1, eerste lid, onder e van de Wabo (verandering) Ook is beoordeeld of er nog een andere onlosmakelijke activiteit aangevraagd moet worden voor de veranderingen. De mestsilo’s, opslagen voor mestverwerking en de kuilvoeropslagen zijn volgens het Besluit omgevingsvrecht gesitueerd op het achtererfgebied. Ook zijn ze allemaal gesitueerd binnen het bebouwingsvlak van het vigerende bestemminsplan. Volgens bijlage II, artikel 3. Lid 6 van het Besluit omgevingsrecht zijn bouwwerken, geen gebouw zijnde, in het achtererfgebied ten behoeve van agrarische bedrijfsvoering voor zover betreft een silo, of een ander bouwwerk niet hoger dan 2 meter vergunningvrij te realiseren. Er moet daarnaast beoordeeld worden of een aantal toestemmingsstelsels kan worden aangehaakt.
Of daadwerkelijk moet worden aangehaakt, volgt niet uit de Wabo, maar uit de desbetreffende wet. Er zijn geen stelsels aangehaakt. 1.3
Omschrijving van de aanvraag
De aanvraag bestaat uit de volgende delen: o aanvraagformulier (OLO-nummer: 2438281), gedateerd en ingekomen op: 15 juli 2016 o Memo met wijziging aanvraagformulier, gedateerd en ingekomen op 3 april 2017 o situatietekening inrichting, kenmerk: 1012AL03, gedateerd: 16 maart 2017 o toelichting op de aanvraag van Locis adviseurs, ingekomen op 16 maart 2017 o memo met aanvullende gegevens van Locis adviseurs, gedateerd en ingekomen op 31 januari 2017 o dimensioneringsplan met betrekking tot stal 2, 3, 4 en 7 van, ingekomen op 16 maart 2017
13 van 52
o
1.4
Stalbeschrijving gecombineerd luchtwassysteem BWL 2009.12.V2, 85% ammoniakemissiereductie met watergordijn en biologische wasser
Bevoegd gezag
De aanvraag heeft op grond van artikel 2.1 van het Besluit omgevingsrecht, in samenhang met onderdeel C van bijlage 1 bij het Besluit omgevingsrecht (Bor), betrekking op een vergunningplichtige inrichting, vanwege artikel 2.1, tweede lid Bor het houden van meer dan 2.000 vleesvarkens en de volgende categorieën van onderdeel C van bijlage 1 bij het Bor: de opslag van dierlijke meststoffen die verpompbaar zijn in een of meer mestbassins met een gezamenlijke oppervlakte van groter dan 750 m2 of een gezamenlijke inhoud van groter dan 2.500 (categorie 7.5) het houden van meer dan 200 stuks melkrundvee (categorie 8.3) de opslag van meer dan 1.000 m3 aan plantaardige bijvoedermiddelen (categorie 28.1 in combinatie met categorie 28.10) de verwerking van meer dan 4.000 ton aan plantaardige bijvoedermiddelen (categorie 28.1 in combinatie met categorie 28.10) Gedeputeerde Staten zijn bevoegd gezag voor de inrichting. Dit volgt uit artikel 2.4 van de Wabo juncto artikel. 3.3, eerste lid, onder b, van het Bor. 1.5
Volledigheid van de aanvraag
Na ontvangst van de aanvraag hebben wij deze getoetst op volledigheid. Wij zijn van oordeel dat de aanvraag voldoende informatie bevat voor een goede beoordeling van de gevolgen van de activiteit op de fysieke leefomgeving. De aanvraag is dan ook in behandeling genomen. In verband met het ontbreken van een aantal gegevens hebben wij de aanvrager diverse malen in de gelegenheid gesteld om de aanvraag aan te vullen. Wij hebben de laatste aanvullende gegevens ontvangen op 3 april 2017. Na ontvangst van de aanvullende gegevens hebben wij de aanvraag getoetst op volledigheid. Wij zijn van oordeel dat de aanvraag voldoende informatie bevat voor een goede beoordeling van de gevolgen van de activiteit op de fysieke leefomgeving. De aanvraag is dan ook in behandeling genomen. 1.6
Procedure (uitgebreid) en zienswijzen
Deze beschikking is voorbereid met de uitgebreide voorbereidingsprocedure als beschreven in paragraaf 3.3 van de Wabo. Gelet hierop zijn wij niet verplicht om van de aanvraag kennis te geven in een of meer dag-, nieuws- of huis-aan-huisbladen of op andere geschikte wijze, tenzij bij de voorbereiding van de beslissing op de aanvraag een milieueffectrapport (MER) moet worden gemaakt. Nu deze uitzonderingsgrond zich niet voordoet hebben wij geen kennis gegeven van de aanvraag. De aanvraag en de ontwerpbeschikking met bijbehorende stukken hebben vanaf 21 april 2017 zes weken ter inzage. In deze periode is tegen de ontwerpbeschikking één zienswijzen ingediend.
14 van 52
1.7
Wet bescherming persoonsgegevens
Op basis van de Wet bescherming persoonsgegevens is het niet toegestaan om persoons-gegevens herleidbaar te publiceren op het internet. Er is daarom gekozen om de namen en adressen van degenen die zienswijzen hebben ingediend op te nemen in een aparte bijlage die niet via het internet wordt gepubliceerd. Deze bijlage is als ‘Bijlage 1’ bij dit besluit opgenomen en behoort dus niet tot de documenten die via het internet gepubli-ceerd worden. In dit advies is daarom degenen die zienswijzen heeft ingediend aangeduid als ‘appellant 1, áppellant 2’, enz. De gegevens van de appellanten staan in bijlage 1. 1.8
Behandeling zienswijze
De zienswijze is ingediend gedurende de periode dat de aanvraag ter inzage lag. De zienswijze is doorgestuurd naar de aanvrager en diens adviseur. Tevens heeft de indiener van de zienswijzen een ontvangstbevestiging gekregen. De zienswijze worden in het kader van het zorgvuldigheidsbeginsel (artikel 3:2 Algemene wet bestuursrecht (Awb)) in hoofdstuk 16 van de overwegingen milieu meegewogen in de besluitvorming. 1.9
Adviezen en Verklaring van geen bedenkingen
In de Wabo en het Bor worden bestuursorganen vanwege hun specifieke deskundigheid of betrokkenheid aangewezen als adviseur. Gelet op het bepaalde in artikel 2.26 Wabo, en de artikelen 6.1 tot en met 6.5 van het Bor, hebben wij geen advies gevraagd. Het vragen van een vvgb is niet nodig wanneer al toestemming op grond van de Wet natuurbescherming is verkregen of gevraagd op het tijdstip waarop de aanvraag voor een omgevingsvergunning is aangevraagd. Verder is geen vvgb nodig wanneer voor het voorgenomen project of andere handelingen geen vergunning op grond van de Wet natuurbescherming noodzakelijk is. Voor het voorgenomen project of andere handelingen is op 22 januari 2016 een vergunning op grond van de Wet natuurbescherming verleend. De aanvraag voor een vergunning op grond van de Wet natuurbescherming was al ingediend voordat de aanvraag voor een omgevingsvergunning is ingediend. 1.10 Gewijzigde regelgeving
De definitieve beschikking wijzigt ten opzichte van het ontwerpbeschikking. Dit komt door-dat de wetgeving tussentijds gewijzigd. De gewijzigde wetgeving is van invloed op onze motivering om te komen tot ons besluit. Het gaat om de volgende wetswijziging. Op 21 februari 2017 zijn nieuwe BBT-conclusies gepubliceerd. Tot die datum gold de BREF Intensieve pluimvee- en varkenshouderij (BREF IV). De gewijzigde BBT-conclusies hebben geen gevolgen voor de besluitvorming, maar wel voor de motivering van de beschikking. Hoofdstuk 1.6 en 1.7 van overwegingen algemeen van zijn gewijzigd.
15 van 52
SAMENHANG MET OVERIGE WET- EN REGELGEVING 1.11
Activiteitenbesluit
In artikel 2 van het Activiteitenbesluit is geregeld dat de artikelen in hoofdstuk 2 van toepassing zijn voor type C-bedrijven voor die activiteiten, waarvoor ook hoofdstuk 3 van toepassing is. En in artikel 3 van het Activiteitenbesluit is geregeld dat de artikelen in hoofdstuk 3, met uitzondering van artikelen 3.113 tot en met 3.121, van toepassing zijn op type C-bedrijven. In deze vergunning zijn daarom alleen voorschriften voor aspecten en activiteiten opgenomen die niet zijn geregeld in hoofdstuk 2 en 3 van het Activiteitenbesluit en de bijbehorende ministeriële regeling. Binnen de inrichting vinden de volgende activiteiten plaats die vallen onder de werkingssfeer van het Activiteitenbesluit: lozen van hemelwater dat niet afkomstig is van een bodem beschermende voorziening het in werking hebben van een stookinstallatie het afleveren van vloeibare brandstof aan motorvoertuigen voor het wegverkeer het uitwendig wassen en stallen van motorvoertuigen en werktuigen opslag van mengvoer in silo’s opslag van kuilvoer opslag van vaste mest opslag van dieselolie in een bovengrondse tank het houden van landbouwhuisdieren in dierenverblijven uitvoering huisvestingssysteem toepassen luchtwassysteem Voor de aangevraagde activiteiten houdt dit in dat - voor zover deze betrekking hebben op de genoemde (deel)activiteiten - moet worden voldaan aan de volgende
paragrafen/delen uit het Activiteitenbesluit en de bijbehorende ministeriële regeling: 3.1.3: Lozen van hemelwater dat niet afkomstig is van een bodem beschermende voorziening 3.2.1: In werking hebben van een stookinstallatie, niet zijnde een grote stookinstallatie 3.3.1: Afleveren van vloeibare brandstof of gecomprimeerd aardgas aan motorvoertuigen voor het wegverkeer of afleveren van vloeibare brandstof aan spoorvoertuigen 3.3.2: Uitwendig wassen en stallen van motorvoertuigen, werktuigen of spoorvoertuigen 3.4.3: Opslaan en overslaan van goederen 3.4.5: Opslaan van agrarische bedrijfsstoffen 3.4.9: Opslaan van gasolie, smeerolie of afgewerkte olie in een bovengrondse opslagtank 3.5.8: Houden van landbouwhuisdieren in dierenverblijven, met uitzondering van de artikelen 3.113 tot en met 3.121 3.8.5: Fokken, houden of trainen van vogels of zoogdieren hoofdstuk 1, afdelingen 2.1, 2.2 en 2.10 van hoofdstuk 2 en hoofdstuk 6 (overgangsbepalingen), voor zover dit betrekking heeft op de activiteiten of deelactiviteiten van de inrichting, zoals voornoemd opgenomen en afdelingen 2.3 en 2.4 met betrekking tot de gehele inrichting. De aanvraag voor een omgevingsvergunning is voor deze activiteiten aangemerkt als de melding op grond van het Activiteitenbesluit.
Bij de overwegingen milieu is nader ingegaan op de concrete inhoud van de paragrafen/delen uit het Activiteitenbesluit die van toepassing zijn.
16 van 52
Door de rechtstreekse werking van het Activiteitenbesluit kunnen uitsluitend aanvullende maatwerkvoorschriften worden vastgesteld ten aanzien van deze activiteiten. Er worden in dit geval geen aanvullende maatwerkvoorschriften vastgesteld voor genoemde activiteiten. De voorschriften uit het Activiteitenbesluit voldoen voor deze situatie. 1.12
Milieueffectrapportage
De activiteit waarvoor vergunning wordt aangevraagd heeft betrekking op het wijzigen van een installatie voor het fokken, mesten of houden van dieren met 14.212 dierplaatsen voor vleesvarkens. Dit leidt tot een overschrijding van de drempelwaarden van onderdeel C van de bijlage van het Besluit milieueffectrapportage. De activiteit waarvoor vergunning wordt aangevraagd heeft betrekking op het wijzigen van een installatie voor het fokken, mesten of houden van dieren met 7.076 dierplaatsen voor vleesvarkens. De wijziging betreft het plaatsen van een combiwasser in plaats van de vergunde chemische luchtwasser. Het wijzigen van de type luchtwasser is niet aan te merken als het oprichten van een nieuwe installatie als bedoeld in onderdeel A, onder 2, van de bijlage behorende bij het Besluit milieueffectrapportage 1994. Het opnieuw beoordelen of voor de wijziging een milieueffectrapport moet worden opgesteld is daarom niet van toepassing.
17 van 52
OVERWEGINGEN MILIEU
1
TOETSINGSKADER MILIEU
1.1
Inleiding
De aanvraag heeft betrekking op het veranderen van een inrichting als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wabo (verandering). Ten opzichte van de geldende vergunning worden de volgende veranderingen aangevraagd: De chemische luchtwassers op stallen 2, 3, 4 en 7 zijn vervangen door een combi luchtwasser (BWL 2009.12). Ook is de afmeting van de luchtuitlaat gewijzigd. De vergunde vergistingssilo’s (X) en de digestaatopslag (Z) worden gewijzigd gesitueerd. De opslag Z fungeert voor digestaatopslag of voor mestopslag. De opgeslagen co-producten voor mestverwerking en kuilvoeropslag voor de veehouderij (Y) worden gewijzigd gesitueerd. De Wabo omschrijft in artikel 2.14 het milieuhygiënische toetsingskader van de aanvraag. Een toetsing aan deze aspecten heeft plaatsgevonden. 1.2
Toetsing oprichten, veranderen of revisie
Bij onze beslissing op de aanvraag hebben wij: de aspecten genoemd in artikel 2.14, eerste lid, onder a, van de Wabo betrokken met de aspecten genoemd in artikel 2.14, eerste lid, onder b, van de Wabo rekening gehouden de aspecten genoemd in artikel 2.14, eerste lid, onder c, van de Wabo in acht genomen In de onderstaande hoofdstukken lichten wij dit nader toe, waarbij wij ons beperken tot die onderdelen van het toetsingskader die ook daadwerkelijk op onze beslissing van invloed zijn of kunnen zijn. De in de vergunning aangevraagde wijzigingen hebben geen gevolgen op de volgende aspecten: waterbesparing afval verkeer en vervoer geluid bodem bodemkwaliteit bedrijfsafvalwater veiligheid Deze aspecten zijn voldoende ondervangen door de geldende vergunning. In deze veranderingsvergunning worden daarom voor deze aspecten geen voorschriften gesteld, maar wordt verwezen naar de voorschriften van de omgevingsvergunning van 15 juli 2011.
18 van 52
DIERENVERBLIJVEN EN EMISSIE 1.3
Dieraantallen en (huisvestings)systemen vergund
Voor de inrichting zijn eerder de onderstaande vergunningen en/of ontheffingen verleend dan wel meldingen geaccepteerd: 15 juli 2011: een revisievergunning op grond van de Wet milieubeheer voor het rundvee- en vleesvarkensbedrijf met mestverwerkingsinstallatie 18 april 2014: een veranderingsvergunning op grond van de Wabo voor het uitbreiding van de melkrundveestallen van de inrichting 5 december 2014: een omgevingsvergunning op grond van de Wabo voor het milieuneutraal wijzigen van de inrichting (wijzigen van de mestverwerkingsinstallatie) 2 april 2015: een omgevingsvergunning op grond van de Wabo voor het milieuneutraal wijzigen van de inrichting (wijzigen van de ligboxenstal) De vergunningen zijn allemaal in werking getreden. In tabel 1 zijn het aantal dieren, de ammoniakemissie (kg NH3 per jaar), de geuremissie (OUE/s) en de fijnstofemissie (gram PM10 per jaar) weergegeven op basis van de geldende vergunning.
19 van 52
Tabel 1: geldende vergunning stal
diercategorie
Rav-code
1
melk- en kalfkoeien ouder dan 2 jaar
A 1.15
281
0,0
2.894,3
3.428,2
41.588,0
41.588,0
1
melk- en kalfkoeien ouder dan 2 jaar
A 1.100
219
0,0
2.847,0
2.847,0
32.412,0
32.412,0
1
vrouwelijk jongvee tot 2 jaar
A 3.100
14
0,0
61,6
0,0
532,0
532,0
6
vrouwelijk jongvee tot 2 jaar
A 3.100
81
0,0
356,4
0,0
3.078,0
3.078,0
8
vrouwelijk jongvee tot 2 jaar
A 3.100
40
0,0
176,0
0,0
1.520,0
1.520,0
2
vleesvarkens
D 3.2.14
3.156
50.811,6
473,4
5.049,6
312.444,0
312.444,0
3
vleesvarkens
D 3.2.14
1.682
27.080,2
252,3
2.691,2
166.518,0
166.518,0
4
vleesvarkens
D 3.2.14
1.910
30.751,0
286,5
3.056,0
189.090,0
189.090,0
7
vleesvarkens
D 3.2.14
328
5.280,8
49,2
524,8
32.472,0
32.472,0
5
vleesvarkens
D 3.2.15.4 + D 3.2.7.2.2
7.136
32.112,0
2.033,8
11.417,6
221.216,0
221.216,0
8
volwassen paarden (3 jaar en ouder)
K 1.100
1
0,0
5,0
0,0
0,0
0,0
9
Damherten
M 1.100
10
0,0
0,0
0,0
0,0
0,0
9
Pauwen
M 1.100
15
0,0
0,0
0,0
0,0
0,0
146.035,6
9.435,5
Totaal
1.4
aantal dieren
geur in OU/ seconde
NH3 in kg/jaar
max. NH3 PM10 in emissie g/jaar
max. PM10 emissie
29.014,4 1.000.870,0 1.000.870,0
Dieraantallen en (huisvestings)systemen aanvraag
Het aantal dieren waarvoor vergunning wordt gevraagd, de ammoniakemissie (kg NH3 per jaar), de geuremissie (OUE/s) en de fijnstofemissie (gram PM10 per jaar) zijn in tabel 2 weergegeven.
20 van 52
Tabel 2: aangevraagde vergunning
stal
diercategorie
Rav-code
1
melk- en kalfkoeien ouder dan 2 jaar
A 1.15
281
0,0
2.894,3
0,0
41.588,0
41.588,0
1
melk- en kalfkoeien ouder dan 2 jaar
A 1.100
219
0,0
2.847,0
0,0
32.412,0
32.412,0
1
vrouwelijk jongvee tot 2 jaar
A 3.100
14
0,0
61,6
0,0
532,0
532,0
6
vrouwelijk jongvee tot 2 jaar
A 3.100
81
0,0
356,4
0,0
3.078,0
3.078,0
8
vrouwelijk jongvee tot 2 jaar
A 3.100
40
0,0
176,0
0,0
1.520,0
1.520,0
5
vleesvarkens
D 3.2.15.4 + D 3.2.7.2.2
7.136
32.112,0
2.033,8
0,0 221.216,0 221.216,0
2
vleesvarkens
D 3.2.15.4
3.156
11.046,0
1.420,2
0,0
97.836,0
97.836,0
3
vleesvarkens
D 3.2.15.4
1.682
5.887,0
756,9
0,0
52.142,0
52.142,0
4
vleesvarkens
D 3.2.15.4
1.910
6.685,0
859,5
0,0
59.210,0
59.210,0
7
vleesvarkens
D 3.2.15.4
328
1.148,0
147,6
0,0
10.168,0
10.168,0
8
volwassen paarden (3 jaar en ouder)
K 1.100
1
0,0
5,0
0,0
0,0
0,0
9
Damherten
M 1.100
10
0,0
0,0
0,0
0,0
0,0
9
Pauwen
M 1.100
15
0,0
0,0
0,0
0,0
0,0
56.878,0
11.558,3
Totaal
aantal dieren
geur in OU/ seconde
NH3 in kg/jaar
max. NH3 emissie
PM10 in g/jaar
max. PM10 emissie
0,0 519.702,0 519.702,0
BESTE BESCHIKBARE TECHNIEKEN In het belang van het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu moeten aan de vergunning voorschriften worden verbonden, die nodig zijn om de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk – bij voorkeur bij de bron – te beperken en ongedaan te maken. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken (BBT) worden toegepast. Vanaf januari 2013 moet bij het bepalen van BBT rekening worden gehouden met BBT-conclusies en bij ministeriele regeling aangewezen informatiedocumenten over BBT. BBT-conclusies zijn documenten met de conclusies over BBT, vastgesteld overeenkomstig artikel 13, vijfde en zevende lid van de Richtlijn industriële emissies (RIE). Het vijfde lid verwijst naar BBT-conclusies vastgesteld na 6 januari 2011 onder het regime van de RIE. Het zevende lid verwijst naar de bestaande ‘BAT (Best Available Techniques) Reference documents’ (BREF’s). Het hoofdstuk uit deze BREF’s waarin de BBT-maatregelen staan (BAT hoofdstuk),
21 van 52
geldt als BBT-conclusies, totdat nieuwe BBT-conclusies zijn vastgesteld. Op 15 februari 2017 zijn nieuwe BBT-conclusies voor de intensieve veehouderij vastgesteld en op 21 februari 2017 geplubliceerd. In de ontwerpbeschikking is nog niet getoetst aan deze BBT-conclusie voor de intensieve veehouderij. Hieronder wordt alsnog hieraan getoetst. De toetsing aan deze nieuwe BBT-conclusies leidt niet tot andere conclusies. 1.5
IPPC-installatie
De Europese richtlijn industriële emissies (RIE) geeft milieueisen voor de installaties die genoemd staan in de bij de richtlijn behorende bijlage I. Wanneer een installatie daar genoemd is, spreken we van een IPPC-installatie. Voor veehouderijen vallen de volgende installaties onder de werking van de RIE: meer dan 40.000 plaatsen voor pluimvee, meer dan 2.000 plaatsen voor vleesvarkens (van meer dan 30 kg) of meer dan 750 plaatsen voor zeugen. De activiteit waarvoor vergunning wordt aangevraagd, heeft betrekking op de realisatie van een bedrijf met 14.212 dierplaatsen voor vleesvarkens. Hiermee wordt de ondergrenswaarde van 2.000 plaatsen voor deze categorie overschreden waardoor de installatie moet worden aangemerkt als een IPPC-installatie. Het toetsingskader wordt gevormd door de desbetreffende artikelen van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht waarin de RIE is geïmplementeerd. 1.6
BBT-documenten
Bij het beoordelen van de aanvraag hebben wij rekening gehouden met de volgende BBT-conclusies: Categorie in bijlage 1 RIE Primair relevante BBTTevens van belang conclusies / BREF zijnde BBT-conclusies / BREF’s Intensieve pluimvee- of var- BREF Intensieve pluimveeBREF op- en overslag bulkkenshouderij met meer dan en varkenshouderij (BREF goederen (BREF ESB) 2.000 plaatsen voor mestIV) BBT-Conclusies BREF Energie-efficiëntie varkens 2017/302 van 15 februari 2017 Naast de BBT-conclusies hebben wij rekening gehouden met de volgende in de bijlage bij de Regeling omgevingsrecht (Mor) aangewezen informatiedocumenten over beste beschikbare technieken: • Nederlandse richtlijn bodembescherming (NRB), 2012 • Beleidslijn IPPC-omgevingstoetsing ammoniak en veehouderij, juni 2007 • Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 15 (PGS-15): Opslag van verpakte gevaarlijke stoffen, december 2011 In dit hoofdstuk is de toetsing van de dierenverblijven in het kader van de toepassing van de beste beschikbare technieken verder uitgewerkt. Een verdere beschouwing van de beste beschikbare technieken is terug te vinden bij de afzonderlijke toetsing van de relevante milieucomponenten. Verder is in dit hoofdstuk specifiek ingegaan op de BBT-conclusies.
22 van 52
1.7
BBT-conclusies
BREF Intensieve pluimvee- en varkenshouderij en BBT-Conclusies intensieve veehouderij van 15 februari 2017 (2017/302) Op 15 februari 2017 zijn nieuwe BBT-conclusies vastgesteld voor de intensieve veehouderij. tot die datum gold de BREF Intensieve pluimvee- en varkenshouderij voor deze sector. Inmiddels is in juli 2017 een nieuwe BREF Intensieve pluimvee- en varkenshouderij gepubliceerd door het IPPC-bureau van de EU. Dit is een uitwerking van de BBT-conclusies. Waar hieronder BBT-conclusies staat, moet dat worden gelezen als BTT-conclusies en BREF. Het uitvoeringbesluit tot vaststelling van de BBT-conclusies bevat de volgende, voor deze inrichting relevante aspecten: Milieubeheerssytemen en Goede bedrijfspraktijken (BBT 1 en 2) Deze aspecten vertalen zich in algemene zin het situeren van de activiteiten, het instrueren van personeel, het opstellen van plannen, efficiëntie van processen, het onderhouden en controleren van installaties. Hiervoor gelden de registratievoorschriften zoals deze zijn opgenomen in het Activiteitenbesluit en deze vergunning. Met betrekking tot de meststoffen gaat het hier om de voorwaarden die zijn opgenomen in het nationaal mestbeleid. Voerstrategieën voor pluimvee en varkens (BBT 3 en 4) De uitstoot van mineralen uit mest, waar dit aspect betrekking op heeft, is geïmplementeerd in het nationaal mestbeleid en wordt daarom niet verder getoetst.
Efficiënt gebruik van water en emissies uit afvalwater (BBT 5, 6 en 7)) In de BBT-conclusie wordt een aantal waterbesparende maatregelen beschreven. Het gaat hierbij om gebruik van hogedrukreinigers die zuiniger zijn bij het schoonspuiten van stallen, het ijken, controleren en onderhouden van drinkwaterinstallatie en het bijhouden van het waterverbruik. Hiervoor gelden de voorschriften zoals deze zijn opgenomen in het Activiteitenbesluit. Verder wordt voor het waterverbruik en de besparende maatregelen verwezen naar de toetsing zoals dat verderop in dit document is opgenomen. Voor het uitrijden van afvalwater gelden eveneens de voorschriften uit het Activiteitenbesluit. Voor het lozen van afvalwater met meststoffen geldt het Besluit gebruik meststoffen. Voor afvalwater dat via de openbare riolering wordt geloosd gelden de voorschriften uit het Activiteitenbesluit. Efficiënt gebruik van energie (BBT 8) In de BBT-conclusie worden enkele aspecten als isolatiewaarden in stallen, ventilatiewijzen, warmteterugwinning en verlichting beschreven. Voor het energieverbruik en de besparende maatregelen wordt verder verwezen naar de toetsing zoals elders in de beoordeling van de aanvraag is opgenomen. Geluidemissies (BBT 9 en 10) Om geluidemissies te voorkomen worden algemene geluidreducerende maatregelen genomen, waardoor naar verwachting aan de geluidnormen kan worden voldaan.
Als de geluidreducerende maatregelen onvoldoende blijken, moet een geluidsbeheersplan worden opgezet en uitgevoerd. In het onderdeel Geluid bij de overwegingen van deze aanvraag is een uiteenzetting gegeven van het geluidsaspect bij de inrichting. Voor zover geluid een relevant aspect is, is - gelet op de geluidemissie in relatie tot de afstand tot gevoelige objecten – in het kader van de vige-
23 van 52
rende vergunning een akoestisch onderzoek uitgevoerd om inzicht te krijgen in de geluidbelasting op de omgeving. De rapportage van het geluidonderzoek betreft een geluidsbeheersplan. De maatregelen die in de rapportage van dat onderzoek zijn opgesomd – en die in alle redelijkheid van de inrichting kunnen worden verlangd - worden in de vergunning opgenomen. Bij gemelde geluidklachten wordt een onderzoek ingesteld. Hiervoor zijn door of namens het bevoegd gezag protocollen opgesteld. Stofemissies (BBT 11, 27 en 28) Stofemissies uit varkens- of pluimveestallen hangen nauw samen met de toegepaste huisvestingssystemen en ventilatietechnieken voor de verschillende diersoorten. De huisvestingssystemen die voor nieuwe dierenverblijven moeten worden toegepast zijn BBT. Dat betekent dat voor deze systemen al rekening is gehouden met stofemissiereductie en dat (maximale) emissiewaarden voor stof zijn vastgesteld. Deze normen heeft het Ministerie I&M vastgesteld. Er mogen geen systemen worden toegepast met een hogere emissiewaarde dan de maximale emissiewaarde. Voor stalsystemen die al vergund zijn kunnen geen verdergaande stofemissienormen worden geëist. Bij de overwegingen wordt in hoofdstuk 13 ingegaan op de luchtkwaliteitseisen, waaronder de emissie van (fijn)stof. Voor de fijnstofbelasting op de omgeving wordt de Handreiking fijnstof en veehouderijen toegepast.
De belasting van fijnstof op de omgeving neemt af ten opzichte van de vergunde situatie. Monitoring van de emissie van stof vindt (indirect) plaats door middel van periodieke controle van de gehouden soorten en aantallen dieren en - de aanleg en de werking - van de huisvestingssystemen die zijn toegepast. Met betrekking tot de emissie van stof dat niet samenhangt met de toegepaste stalsystemen, zoals stof dat vrijkomt bij het vullen van voersilo’s, gelden de voorschriften uit het Activiteitenbesluit. Geuremissies (BBT 12, 13, 26 en 28) Het periodiek monitoren van geuremissies is alleen toepasbaar in die gevallen waar geurhinder bij gevoelige objecten wordt verwacht en/of is onderbouwd. Bij de overwegingen wordt in hoofdstuk 5 ingegaan op het geuraspect, waaronder de geurbelasting op de omgeving. De geurbelasting op de omgeving wordt berekend met V-Stacks vergunning. De uitkomst van deze berekening geeft de gemiddelde geurbelasting weer op de omgeving, waarbij rekening is gehouden met de gehouden diersoorten en –aantallen en het toegepaste huisvestingssysteem. De binnen de inrichting toegepaste huisvestingssystemen zijn wettelijk toegestaan. De geuremissie van de toegepaste huisvestingssystemen zijn onderzocht en vastgelegd in bijlage 1 van de Regeling geurhinder en veehouderij.
Monitoring van de geurbelasting vindt (indirect) plaats door middel van periodieke controle van de gehouden soorten en aantallen dieren en de aanleg en de werking - van de huisvestingssystemen die zijn toegepast. Er is geen sprake van een geur overbelaste situatie en evenmin van klachten over geurhinder. Opslag van mest (BBT 14, 15 en 18) Voorkomen moet worden dat mest zich in de bodem en het grondwater kan verspreiden. Er moet daarom sprake zijn van lekdichte opslagsystemen. Voor de opslag van mest gelden de voorschriften van het Activiteitenbesluit. Deze voorschriften houden voldoende rekening met de BBT-conclusies, zoals de verplichte toepassing van mestdichte opslagplaatsen en -kelders, waarbij de constructie van de kelders moeten voldoen aan bouwtechnische richtlijnen. Voor de opslag van drijfmest wordt in deze vergunning aangesloten bij de voorschriften van het Activiteitenbesluit die betrekking hebben op de opslag van drijfmest in mestbassins. In voorschriften van het Activiteitenbesluit is voldoende rekening gehouden met de BBT-conclusies, zoals de afdekkingsplicht van de mestbassins om emissie van ammoniak te beperken. Verwerking van mest (BBT 19)
24 van 52
Voor het verwerken van mest wordt een aantal (combinaties) van technieken als BBT aangemerkt. Deze technieken hebben als doel om stikstof-, fosfor- en geuremissies en emissies van microbiële ziekteverwekkers te verminderen en het uitrijden van mest te vergemakkelijken. Vrijwel alle in Nederland gebruikelijke technieken, of combinaties daarvan, zijn als BBT aangemerkt voor de verwerking van mest. Bij gebruik van afwijkende technieken zal bij de inhoudelijke overwegingen beoordeeld worden of sprake is van BBT. Ammoniakemissies uit dierenverblijven (BBT 23, 25, 28 en 30 t/m 34) Om de emissie van ammoniak uit stallen te verminderen is een aantal BBT-conclusies opgesteld. BBT is om één of een combinatie van de genoemde technieken te gebruiken. In de BBTconclusies zijn - voor wat betreft de diercategorieën waarvoor voldoende bewezen technieken zijn ontwikkeld – (huisvestings)systemen beschreven die voldoen aan het criterium BBT. De passende maatregelen tegen verontreiniging zijn voor de vergunninghouder hierbij niet alleen op het gebruik van de stallen van toepassing, maar ook op de kosten, de bouwwijze, het ontwerp, het onderhoud en de ontmanteling ervan. Hierbij spelen de emissies van ammoniak, geur, stof en geluid een rol, maar ook het energieverbruik en het afvalwater zijn afwegingscriteria.
Verder heeft het Besluit emissiearme huisvesting als doel om – bij nieuwbouw van stallen – de emissie van ammoniak uit die stallen te verminderen. Er mogen bij nieuwbouw geen stalsystemen meer worden toegepast die een emissie van ammoniak tot gevolg hebben die hoger is dan de maximale emissiewaarde die dat besluit als norm stelt. Voor stalsystemen die al vergund en gebouwd zijn kunnen geen verdergaande stofemissienormen worden geëist. Bij een toename van ammoniak is ook getoetst aan de 'beleidslijn IPPC-omgevingstoetsing ammoniak en veehouderij’. Bij een toename van ammoniak van meer dan 5.000 kg per jaar moeten verdergaande emissiereducerende technieken worden toegepast. Bij een toename van meer dan 10.000 kg ammoniak per jaar worden nog strengere emissie-eisen opgelegd. Monitoring van de emissie van ammoniak vindt (indirect) plaats door middel van periodieke controle van de gehouden soorten en aantallen dieren en - de aanleg en de werking - van de huisvestingssystemen die zijn toegepast. Bij toepassing van (nieuwe) luchtwassystemen vindt directe monitoring plaats. Uit de beoordeling van de emissie van ammoniak elders in deze overwegingen blijkt dat de toegepaste systemen voldoen aan BBT. Monitoren overige parameters (BBT 29) Het waterverbruik, elektriciteitsverbruik, verbruik van brandstof en gegevens met betrekking tot aantallen dieren moeten worden bijgehouden.
De plicht tot het bijhouden van deze parameters wordt standaard in een omgevingsvergunning opgenomen, voor zover dit van toepassing is op de inrichting. Aan de hand van de verzamelde gegevens kunnen al of niet maatregelen worden geëist om reducties af te dwingen. BREF op- en overslag bulkgoederen (BREF ESB) De BREF op- en overslag bulkgoederen (BREF ESB) is - onafhankelijk van de sector of industrie - van toepassing op de opslag, het transport en de verlading van vloeistoffen, vloeibare gassen en vaste stoffen bij IPPC-installaties. De BREF gaat in op de emissies naar de lucht, bodem, water, waarbij de meeste aandacht uitgaat naar de emissies naar de lucht. De informatie met betrekking tot emissies van de opslag, handling en transport van vaste stoffen is gericht op stof. In de oplegnotitie bij de BREF wordt ingegaan op de relatie tussen de BREF op- en overslag en andere BREF’s. In deze primaire BREF’s zijn ook technieken opgenomen voor op- en overslag. Die technieken zijn dan specifiek voor die branche. De specifieke maatregelen uit de primaire BREF’s verdienen de voorkeur boven de generieke maatregelen uit de andere BREF’s. Zo zijn de BREF Intensieve veehouderij specifieke maatregelen opgenomen voor de opslag van dierlijke mest.
25 van 52
Voor de opslag van verpakte gevaarlijke stoffen en de opslag van vloeistoffen en gassen in opslagtanks zijn voorwaarden gesteld in de PGS-richtlijnen. Deze zijn van toepassing op basis van de algemeen werkende regels in het Activiteitenbesluit of op basis van de voorschriften die in deze vergunning zijn gesteld. De technische en organisatorische maatregelen uit de BREF ESB zijn verwerkt in deze Nederlandse BBT-documenten. De eisen aan emissies naar de lucht uit deze BREF zijn opgenomen in afdeling 2.3 van het Activiteitenbesluit. Deze regels hebben een rechtstreekse werking. De aangevraagde activiteiten en daarbij behorende voorzieningen zijn, rekening houdend met de in dit besluit opgenomen voorschriften, in overeenstemming met de in de BREF ESB genoemde best beschikbare technieken. De maatregelen staan in een redelijke verhouding tot de schaal van de installatie. BREF Energie-efficiëntie De BREF Energie-efficiency is van toepassing is op alle RIE-inrichtingen, behalve die RIE-inrichtingen die onder het systeem van Emissiehandel vallen. Deze BREF bevat richtsnoeren en conclusies met betrekking tot technieken voor energie-efficiëntie die voor alle installaties die onder de IPPC-richtlijn vallen, in het algemeen als BAT-compatibel worden beschouwd.
Deze BREF: • bevat geen specifieke informatie over processen en activiteiten in sectoren die onder andere BREF-documenten vallen; • stelt geen sectorspecifieke BBT vast. Processpecifieke BAT voor energie-efficiëntie en daarmee samenhangende energieverbruiksniveaus worden in de desbetreffende sectorspecifieke BREF-documenten gegeven. Voor het energieverbruik en de besparende maatregelen wordt verder verwezen naar de toetsing zoals elders in de beoordeling van de aanvraag is opgenomen. De de aangevraagde activiteiten met de in dit besluit opgenomen voorschriften zijn in overeenstemming met de BREF Energie-efficiëntie.
AMMONIAKEMISSIE UIT DIERENVERBLIJVEN 1.8
BBT dierenverblijven ammoniak
Toetsingskader Voor zover het de toepassing van de Beste Beschikbare Technieken in de dierenverblijven betreft, is de aanvraag getoetst aan het Besluit emissiearme huisvesting (Beh), de Wet ammoniak en veehouderij (Wav), de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo, artikel 2.22, derde lid) en het Besluit omgevingsrecht (Bor, artikelen 5.3 en 5.4). Voor diercategorieën waarvoor het redelijk is om emissie-eisen te stellen zijn maximale emissiewaarden voor ammoniak opgenomen in het Besluit emissiearme huisvesting. Het besluit geeft een goed beeld van de 'stand der techniek'. Het principe van het besluit is dat alleen huisvestingssystemen met een emissiefactor die lager is dan of gelijk is aan de maximale emissiewaarde zijn toegestaan. De diercategorie en het tijdstip waarop het dierenverblijf is opgericht bepalen of en welke maximale emissiewaarde van toepassing is. Wanneer een huisvestingsysteem voldoet aan de in het Beh gestelde eisen, kan ervan worden uitgegaan dat dit huisvestingsysteem een voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare techniek is. Wanneer op basis van het Beh geen maximale emissiewaarde van toepassing is, moet elk huisvestingssysteem worden aangemerkt als de beste beschikbare techniek. De Wav legt een aanvullende toets op bij IPPC-installaties (artikel 3, derde lid).
Rekening houdend met de technische kenmerken en de geografische ligging van de inrichting en de plaatselijke milieuomstandigheden kan het nodig zijn om een strengere emissiegrenswaarde
26 van 52
dan de maximale emissiewaarde volgens het Besluit emissiearme huisvesting op te nemen in de omgevingsvergunning. Toetsing ammoniak op basis van het Besluit emissiearme huisvesting In onderstaande tabel is per diercategorie per stal de maximale emissiewaarde naast de emissiefactor van het aangevraagde huisvestingssysteem gezet. Tabel: huisvestingssystemen aangevraagde situatie emissiefactor op basis van bijlage 1 van de Rav stal diercategorie stalsysteem Rav-code aantal NH3 max. NH3 in max. dieren per NH3 NH3 kg/jaar 1 melk- en ligboxenstal met A 1.15 281 10,3 12,2 2.894,3 3.428,2 kalfkoeien ouder geprofileerde dan 2 jaar vlakke vloer met hellende sleuven, regelmatige mestafstorten voorzien van afdichtflappen en met mestschuif; permanent opstallen (BWL 2010.36.V4) 1 melk- en overige A 1.100 219 13 13 2.847,0 2.847,0 kalfkoeien ouder huisvestingssystem dan 2 jaar en; permanent opstallen
27 van 52
stal
diercategorie
1
vrouwelijk jongvee overige tot 2 jaar huisvestingssystem en vrouwelijk jongvee overige tot 2 jaar huisvestingssystem en vrouwelijk jongvee overige tot 2 jaar huisvestingssystem en vleesvarkens, luchtwassystemen opfokberen van anders dan ca. 25 kg tot 7 biologisch of maanden, chemisch; opfokzeugen van gecombineerd ca. 25 kg tot luchtwassysteem eerste dekking 85% ammoniak emissiereductie (75% geur) met watergordijn en biologische wasser (BWL 2007.02.V4; BWL 2010.02.V4) vleesvarkens, luchtwassystemen opfokberen van anders dan ca. 25 kg tot 7 biologisch of maanden, chemisch; opfokzeugen van gecombineerd ca. 25 kg tot luchtwassysteem eerste dekking 85% ammoniak emissiereductie (85% geur) met watergordijn en biologische wasser (BWL 2009.12.V2) vleesvarkens, luchtwassystemen opfokberen van anders dan ca. 25 kg tot 7 biologisch of maanden, chemisch; opfokzeugen van gecombineerd ca. 25 kg tot luchtwassysteem eerste dekking 85% ammoniak emissiereductie (85% geur) met watergordijn en biologische wasser (BWL 2009.12.V2) vleesvarkens, luchtwassystemen opfokberen van anders dan ca. 25 kg tot 7 biologisch of maanden, chemisch; opfokzeugen van gecombineerd ca. 25 kg tot luchtwassysteem eerste dekking 85% ammoniak emissiereductie (85% geur) met watergordijn en biologische wasser (BWL 2009.12.V2)
6
8
5
2
3
4
stalsysteem
Rav-code A 3.100
aantal NH3 dieren per 14 4,4
max. NH3
max. NH3 in NH3 kg/jaar 61,6 0,0
A 3.100
81 4,4
356,4
0,0
A 3.100
40 4,4
176,0
0,0
D 3.2.15.4
7.136 0,285
1,6
2.033,8 11.417,6
D 3.2.15.4
3.156 0,45
1,6
1.420,2
5.049,6
D 3.2.15.4
1.682 0,45
1,6
756,9