Bijlage 4 eerste kwartaalrapportage 2025 GR Laborijn
Tekst van het document
Aalten 27 2.501 2.447 951 5.925
Doetinchem 762 19.693 3.318 23.774
Laborijn 789 gebaseerd op objectieve maatstaven 2.501 gebaseerd op de uitgaven 2023 22.140 gebaseerd op objectieve maatstaven 4.269 gebaseerd op de uitgaven 2023 29.699
Het objectieve verdeelmodel bestaat uit twee delen, het aantal inwoners dat een uitkering ontvangt (volumecomponent) en de hoogte van de uitkering (prijscomponent). • •
De volumecomponent schat de kans op bijstand van een huishouden in op basis van tientallen objectieve factoren zoals huishoudenssamenstelling, leeftijd, herkomst, zorggebruik en woonsituatie De prijscomponent schat per huishouden de uitgekeerde fractie van het wettelijk normbedrag in op basis van objectieve factoren en vermenigvuldigt dit met het wettelijk normbedrag voor het huishouden. Dit geeft de voorspelde hoogte van de uitkering. Een voorspeld budget per huishouden resulteert door kans op bijstand te vermenigvuldigen met de voorspelde hoogte van de uitkering
53
Bijstelling Het BUIG-budget wordt 3 keer per jaar bijgesteld. • • •
Eind september 2023 is het voorlopig budget 2024 bekend gemaakt 6 mei 2024 is het nader voorlopig budget bekend geworden Eind september is het definitieve budget bekend geworden
2.
Betaalde Bijstandsuitkeringen
Er zijn een 4-tal bijstandsregelingen die Laborijn uitvoert. Veruit de grootste is de Participatiewet. De IOAW, IOAZ en Bbz zijn relatief gezien van beperkte omvang. De uitkeringslast die Laborijn verantwoordt hangt af van het aantal inwoners dat een uitkering ontvangt (volume), de hoogte van de uitkering (prijs) en de terugvordering van verstrekte uitkeringen. Het volume wordt jaarlijks bij de begroting ingeschat gebaseerd op de verwachting van het Rijk. De CPB-ramingen zijn hierin leidend. Het volume in enig jaar is afhankelijk van de instroom in en de uitstroom uit de bijstand. De prijs wordt bepaald aan de hand van het laatst afgesloten jaar met daarbij geteld een indexatie. De indexatie volgt de ontwikkeling van het minimumloon aangezien de hoogte van de bijstandsuitkeringen zijn gekoppeld aan het wettelijk minimumloon. De prijs van een uitkering kan verlaagd worden doordat de inwoner inkomsten heeft. Dit kan bijvoorbeeld zijn door parttime werk. Deze inkomsten worden dan (gedeeltelijk) verminderd op de uitkering. 3.
Betaalde langdurige loonkostensubsidies
De verdeling van het LKS-budget is op basis van realisatiecijfers. Het budget voor loonkostensubsidie bedraagt € 515,1 miljoen. Dit is opgebouwd uit een geraamd volume van 42.200 loonkostensubsidies en een geraamde gemiddelde prijs van € 12.207. 4.
BUIG-resultaat
Het jaarresultaat BUIG is pas bekend na afloop van het betreffende jaar. Per 1 oktober van ieder jaar is het BUIG-resultaat al vrij goed in te schatten omdat dan het definitieve budget bekend is. Dat is relatief laat. Bijsturing op de bijstandsuitgaven in het lopende jaar is beperkt mogelijk omdat er dan slechts kort tijd resteert. Het financiële resultaat op de BUIG (zowel positief als negatief) is voor rekening van de gemeenten. Zij doen er verstandig aan om rekening te houden met schommelingen en hiervoor een reserve aan te houden. 5.
Vangnetuitkering BUIG
De Participatiewet kent een vangnetregeling. Het vangnet reduceert financiële risico’s die gemeenten hebben bij de uitvoering van de Participatiewet. Het vangnet is bedoeld om grote tekorten bezien in meerjarig perspectief op de gebundelde uitkering trapsgewijs te compenseren. Het vangnet draagt bij aan draagvlak onder gemeenten voor het systeem van budgetbekostiging. De risicoreductie mag de financiële prikkelwerking echter niet ondermijnen. Daarom geldt een eigen risico, een getrapte vergoeding en zijn er voorwaarden gesteld aan de toewijzing van het vangnet. Deze voorwaarden prikkelen gemeenten om hun beleid en uitvoering te ontwikkelen en van elkaar te leren om het tekort te reduceren. Om over 2024 in aanmerking te komen voor de vangnetuitkering moet een gemeente voldoen aan de volgende financiële en procedurele voorwaarden. 54
1. Over 2024 moet sprake zijn van een tekort dat meer bedraagt dan 7,5% van de definitief over dat jaar toegekende gebundelde uitkering als bedoeld in artikel 69 Participatiewet 2. Over 2022, 2023 en 2024 moet sprake zijn van een gecumuleerd tekort dat meer bedraagt dan 7,5%, berekend over alleen de definitief over 2024 toegekende gebundelde uitkering als bedoeld in artikel 69 Participatiewet 3. Het college moet in 2025 tijdig een verzoek indienen volgens het daartoe vastgestelde aanvraagformulier, zie daarvoor de aanvraagprocedure 4. Bij het indienen van het verzoek moet het college verklaren dat het maatregelen heeft getroffen om tot tekortreductie te komen. Deze verklaring moet de instemming hebben van de gemeenteraad. Ook moet deze verklaring worden toegelicht, zoals gevraagd in het aanvraagformulier (op het formulier de onderdelen A, B en C) 5. Indien een gemeente over 2022 en/of over 2023 een vangnetuitkering is verleend, dient het college van die gemeente te verklaren dat het (aanvullende) interne en externe maatregelen heeft getroffen om tot verdere tekortreductie te komen
55
Bijlage 3: Afkortingen Bbz BUIG DGI DVO IOAW IOAZ LKS MAP PIP PW Se SPUK WI WLC Wsw
Besluit bijstandverlening zelfstandigen Bundeling Uitkeringen Inkomensvoorzieningen Gemeenten Doelgroepindicatie Dienstverleningsovereenkomst Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen Loonkostensubsidie Module Arbeidsmarkt en Participatie Persoonlijk plan Inburgering en Participatie Participatiewet Standaard eenheid Specifieke Uitkering Wet Inburgering Werkleercentrum Wet sociale werkvoorziening
56