CConstaterende datAalten
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 3 Quickscan natuurtoets + ecologische beoordeling bosperceel Derde Broekdijk in Aalten_definitief

Gemeenteraad 17 december 2024, gemeente AaltenBij agendapunt: Voorstel tot het uitvoeren van de verdiepende onderzoeken voor de ontwikkeling van het gebied ten zuidwesten van het bestaande bedrijventerrein en ten noorden van de Keizersbeek tot nieuw bedrijventerrein bij de kern Aalten10.045 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Quickscan natuurtoets + ecologische beoordeling Bosperceel Derde Broekdijk in Aalten

In opdracht van gemeente Aalten

Colofon Quickscan natuurtoets + ecologische beoordeling bosperceel Derde Broekdijk in Aalten

Opdrachtgever Contactpersoon

Gemeente Aalten Mevr. H. te Winkel

Opdrachtnemer

Staring Advies Jonker Emilweg 11 6997 CB Hoog-Keppel

Projectnummer Rapportnummer Auteur Controle Status Publicatiedatum Foto voorblad

5238 2746 S.J.J. Wamelink R. Top Definitief 07-06-2024 Bosperceel Derde Broekdijk (foto: S.J.J. Wamelink)

Copyright Niets uit dit rapport mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt worden zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de opdrachtgever, noch mag het zonder een dergelijke toestemming worden gebruikt voor enig ander werk dan waarvoor het is vervaardigd. Aansprakelijkheid Dit onderzoek is uitgevoerd conform de toepasselijke en van kracht zijnde natuurwet- en regelgeving. Het onderzoek betreft een momentopname en geeft een inschatting van de geschiktheid van de onderzoekslocatie voor beschermde soorten en soorten die staan opgenomen op de Rode Lijsten. Het voorkomen van beschermde en Rode Lijstsoorten is echter nooit met zekerheid te voorspellen. Staring Advies accepteert geen aansprakelijkheid ten aanzien van beslissingen die de opdrachtgever neemt naar aanleiding van het door Staring Advies uitgevoerde onderzoek. Staring Advies is niet aansprakelijk voor gevolgschade, alsmede voor schade welke voortvloeit uit toepassingen van de resultaten van werkzaamheden of andere gegevens verkregen van Staring Advies; opdrachtgever vrijwaart Staring Advies voor aanspraken van derden in verband met deze toepassing. Netwerk Groene Bureaus Staring Advies is lid van het Netwerk Groene Bureaus, de brancheorganisatie voor groene adviesbureaus (www.netwerkgroenebureaus.nl).

Het netwerk hanteert een gedragscode die opdrachtgevers en andere belanghebbenden een basis biedt om de leden aan te spreken op de kwaliteit van hun werk.

Inhoud Samenvatting ...................................................................................................................... 2 1

2

3

4

5

6

Inleiding en doel........................................................................................................... 4 1.1

Inleiding ................................................................................................................ 4

1.2

Doel ...................................................................................................................... 4

Gebiedsbeschrijving en geplande werkzaamheden ..................................................... 5 2.1

Gegevens plangebied ........................................................................................... 5

2.2

Beschrijving van het plangebied ........................................................................... 5

2.3

Beschrijving van het onderzoeksgebied ................................................................ 5

2.4

Geplande flora- en fauna-activiteit ........................................................................ 5

Gemeentelijk beleid plangebied ................................................................................... 7 3.1

Groenbeleidsplan.................................................................................................. 7

3.2

Biodiversiteitsplan ................................................................................................. 7

3.3

Klimaatadaptatiestrategie ..................................................................................... 7

Gebiedsbescherming in de Omgevingswet .................................................................. 9 4.1

Inleiding ................................................................................................................ 9

4.2

Natuurnetwerk Nederland ..................................................................................... 9

4.3

Natura 2000 ........................................................................................................ 11

4.4

Bijzondere natuurgebieden en landschappen ..................................................... 13

4.5

Beschermde houtopstanden ............................................................................... 15

4.6

Conclusie gebiedsbescherming .......................................................................... 16

Soortenbescherming in de Omgevingswet ................................................................. 18 5.1

Methode ............................................................................................................. 18

5.2

Resultaten .......................................................................................................... 19

5.3

Consequenties soortenbescherming ................................................................... 31

5.4

Conclusie soortenbescherming ........................................................................... 34

Ecologische beoordeling ............................................................................................ 36 6.1

Algemeen ........................................................................................................... 36

6.2

Geschiedenis ...................................................................................................... 37

6.3

Bodem en grondwatertrappen............................................................................. 37

6.4

Flora en vegetatie ............................................................................................... 37

6.5

Fauna ................................................................................................................. 38

6.6

Samenvatting...................................................................................................... 38

Literatuurlijst ..................................................................................................................... 40 Bijlagen ............................................................................................................................. 41 Bijlage 1 Impressie plangebied ......................................................................................... 42 Bijlage 2 Soortenlijst flora en fauna ................................................................................... 43 Bijlage 3 Natuurbescherming onder de Omgevingswet ..................................................... 45

Pagina 1

Samenvatting Uit de quickscan natuurtoets blijkt dat voor de geplande flora- en fauna-activiteit, bestaande uit het kappen van een bosperceel, aanvullend onderzoek in het kader van de Omgevingswet noodzakelijk is voor de volgende soort(groep)en: • • • • • • • • •

Roofvogels, categorie 1 t/m 4 soorten (boomvalk, sperwer en ransuil); Vleermuizen (verblijfplaatsen, foerageergebied, vliegroute) Kleine marterachtigen (bunzing en wezel) Boommarter Steenmarter Das Eekhoorn Grote bosmuis Hazelworm

Voor kleine marterachtigen geldt dat de provincie Gelderland initiatiefnemers de keuze geeft voor (spoor 1) het uitvoeren van een nader onderzoek wanneer niet kan worden uitgesloten dat er kleine marterachtigen binnen een projectgebied voorkomen of (spoor 2) het direct aanvragen van een vergunning op basis van een mitigatieplan. De activiteit is mogelijk een ‘Natura 2000-activiteit. Het uitvoeren van een AERIUSberekening is noodzakelijk om vast te stellen of negatieve effecten op Natura 2000-gebieden door stikstofdepositie aan de orde zijn en of daarmee sprake is van een ‘Natura 2000activiteit’. Voor Natura 2000-gebieden geldt de specifieke zorgplicht. Gezien de aard en beperkte omvang van de geplande activiteiten en de afstand tot Natura 2000-gebieden zijn er in het kader van de specifieke zorgplicht geen maatregelen noodzakelijk, afgezien van eventueel noodzakelijke maatregelen om stikstofuitstoot te beperken of compenseren. Dit is afhankelijk van de uitkomsten van de nog uit te voeren AERIUS-berekening. Het aanvragen van een omgevingsvergunning voor het Natuurnetwerk Nederland is niet aan de orde. Het plangebied ligt niet in/nabij een bijzonder nationaal natuurgebied of bijzonder provinciaal natuurgebied of landschap. De activiteit heeft geen negatief effect op de instandhoudingsdoelen voor deze gebieden. Het nemen van maatregelen is niet noodzakelijk.

Pagina 2

Een kapmelding bij de provincie Gelderland en een herplantplicht voor beschermde houtopstanden is wel aan de orde. In het kader van de specifieke zorgplicht voor houtopstanden zijn maatregelen noodzakelijk. Staring Advies voerde het onderzoek en de ecologische beoordeling uit in opdracht van gemeente Aalten.

Pagina 3

1

Inleiding en doel

1.1

Inleiding

Bij een flora- en fauna-activiteit moet, in het kader van de Omgevingswet, aangetoond worden dat er geen sprake is van aantasting van beschermde plant- en diersoorten, beschermde natuurgebieden en beschermde houtopstanden. Om in te schatten wat het effect van de flora- en fauna-activiteit is op beschermde soorten, beschermde natuurgebieden en beschermde houtopstanden wordt een quickscan natuurtoets uitgevoerd. Indien beschermde soorten verwacht worden is nader onderzoek vereist. Er zijn plannen om een bosperceel van circa 5 hectare tussen de Derde Broekdijk en de Tweede Broekdijk in Aalten te kappen. Mevrouw Te Winkel van gemeente Aalten is betrokken bij de plannen en heeft aan Staring Advies gevraagd om deze quickscan natuurtoets uit te voeren. Om een algeheel beeld te krijgen van de actuele natuurwaarden en potentie van het bosperceel wordt, op verzoek, ook een ecologische beoordeling uitgevoerd.

1.2

Doel

Het doel van de quickscan is om snel te inventariseren of door de flora- en fauna-activiteit schade kan ontstaan aan populaties van beschermde soorten flora en/of fauna, beschermde gebieden en beschermde houtopstanden. Hierbij wordt ook vastgesteld of nader onderzoek, nadere toetsing en/of het aanvragen van een omgevingsvergunning in het kader van de Omgevingswet aan de orde is. Daarnaast wordt met deze quickscan inzichtelijk gemaakt op welke wijze voldaan kan worden aan de specifieke zorgplicht die geldt bij soortenbescherming, gebiedsbescherming en bescherming van houtopstanden. Bij de ecologische beoordeling worden de (potentieel) aanwezige natuurwaarden in het plangebied in kaart gebracht.

Pagina 4

2

Gebiedsbeschrijving en geplande werkzaamheden

2.1

Gegevens plangebied

Locatie: Kadastraal: Plaats: Gemeente: Provincie:

2.2

Derde Broekdijk ATN02-L-2618 Aalten Aalten Gelderland

Beschrijving van het plangebied

Het plangebied bevindt zich in de westrand van de bebouwde kom van de woonkern Aalten. Het betreft een gemengd bosperceel met dominantie van grove den, ruwe berk en zomereik. Door het bosperceel lopen enkele wandelpaden en aan de Tweede Broekdijk, in de zuidrand van het bosperceel, bevindt zich een weilandje voor pluimvee (kippen, parelhoenders) met schuurtje. Het bosperceel wordt aan de zuidzijde begrenst door de Tweede Broekdijk met een aanliggende sloot, aan de westzijde door het erf van de woonhuizen Derde Broekdijk 1214 met een naast gelegen agrarisch perceel, aan de noordzijde door de (onverharde) Derde Broekdijk en Moerveldweg en langs de oostzijde door het bedrijventerrein ’t Broek met enkele bedrijfspercelen.

2.3

Beschrijving van het onderzoeksgebied

Om het eventuele verstorend effect van de geplande flora- en fauna-activiteit op zowel beschermde als niet beschermde natuurwaarden in de directe omgeving van het plangebied (externe werking) in te kunnen schatten is een groter gebied onderzocht dan het plangebied alleen. Dit onderzoeksgebied bestaat voornamelijk uit aanliggende bospercelen, agrarische percelen, het erf van de woonhuizen Derde Broekdijk 12-14 en enkele sloten. De aangrenzende delen van het bedrijventerrein ’t Broek en het terrein van de rioolwaterzuiveringsinstallatie maken ook gedeeltelijk onderdeel uit van het onderzoeksgebied.

2.4

Geplande flora- en fauna-activiteit

Er zijn plannen om voor mogelijke uitbreiding van het bedrijventerrein ’t Broek het betreffende bosperceel te kappen.

Pagina 5

Figuur 1. Ligging plangebied (rood). Bron: Provincie Gelderland (2024).

Figuur 2. Ligging plangebied (rood omkaderd) met onderzoeksgebied (gele stippellijn). Bron: Provincie Gelderland (2024).

Pagina 6

3

Gemeentelijk beleid plangebied

3.1

Groenbeleidsplan

Het Groenbeleidsplan (2012) heeft tot doel het in stand houden, aanpassen en zo nodig nieuw ontwikkelen van groenvoorzieningen die bijdragen aan een veelzijdige, gevarieerde, gezonde en prettige leefomgeving voor mens, dier en plant. In de groenstructuurkaarten die bij het groenbeleidsplan horen zijn belangrijke landschappelijke en ecologische (groen)structuren binnen de bebouwde kom vastgelegd. Het aangewezen groen vormt een samenhangend netwerk. Groenstructuren die van betekenis zijn op dorpsniveau zijn aangewezen als hoofdgroenstructuur. Het bos aan de Derde Broekdijk is in het groenbeleidsplan aangewezen als “hoofdgroenstructuur, te compenseren bij inrichting bedrijventerrein”. In situaties waarbij ten behoeve van een breed maatschappelijk doel structuurgroen moet wijken, zal steeds worden gezocht naar een oplossing waarbij de oorspronkelijke functie van het op te offeren groen gewaarborgd blijft dan wel anderszins gecompenseerd. In het groenbeleidsplan is een mogelijke locatie aangewezen voor het ontwikkelen van groen in het geval dat compensatie van structureel groen bij de ontwikkeling van bedrijventerrein noodzakelijk is.

3.2

Biodiversiteitsplan

In het biodiversiteitsplan gemeente Aalten (2023) staat de ambitie van de gemeente als volgt omschreven: We willen de biodiversiteit versterken door de samenhang in het landschap te vergroten en het beheer meer te richten op het vergroten van de biodiversiteit. Hierdoor ontstaat een robuust landschap waarin de biodiversiteit tegen een stootje kan. In het plan zijn knelpunten en kansen benoemd, waaronder versnippering en beheer van natuur, bos en landschapselementen. Op de uitvoeringsagenda staat als één van de vervolgacties het opstellen en uitvoeren van het bomenplan. Doel hiervan is het verhogen van het aantal bomen op gronden van de gemeente Aalten, met name inheemse bomen en struiken van autochtone afkomst. In het biodiversiteitsplan wordt de locatie niet specifiek benoemd. Verder is het de bedoeling om biodiversiteit mee te nemen in elk vraagstuk en daarbij uit te gaan van minimaal handhaving en bij voorkeur versterken van de biodiversiteit.

3.3

Klimaatadaptatiestrategie

De klimaatadaptatiestrategie en uitvoeringsagenda Aalten (2022) laat zien dat de weersextremen toenemen. Het wordt natter, droger en warmer in de (nabije) toekomst. Veel bedrijventerreinen hebben nauwelijks groen en staan in de hittestresskaarten op donkerrood. De gemeente zet in om bij uitbreiding een minimaal percentage groen in de bedrijventerreinen te realiseren. Dit percentage wordt op korte termijn vastgesteld.

Pagina 7

Aanvullend wordt onderzocht hoe parkeren en groen in samenhang kunnen worden gerealiseerd.

Pagina 8

4

Gebiedsbescherming in de Omgevingswet

4.1

Inleiding

De gebiedsbescherming in de Omgevingswet bestaat uit de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland, Natura 2000-gebieden, bijzondere natuurgebieden, landschappen en houtopstanden. In paragraaf 3.2 wordt de geplande activiteit behandeld in relatie tot de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Daarna wordt de activiteit behandeld in relatie tot de bescherming van deze gebieden en landschappen. In paragraaf 3.3 wordt de activiteit behandeld in relatie tot de bescherming van Natura 2000-gebieden. In paragraaf 3.4 wordt de activiteit behandeld in relatie tot overige beschermde gebieden en Groen Erfgoed, en in paragraaf 3.5 tot de bescherming van houtopstanden. In Gelderland zijn er verschillende beschermde gebieden. De gebieden van het NNN worden in de provincie Gelderland het Gelders Natuurnetwerk genoemd. In het Gelders Natuurnetwerk komen twee natuurcategorieën voor: het Gelders Natuurnetwerk (GNN) en de Groene Ontwikkelingszone (GO). GNN en GO worden besproken in paragraaf 3.2. Ook rustgebied voor winterganzen, weidevogelgebieden en beschermde natte landnatuur zijn onderdeel van het GNN. De natte landnatuur kent een beschermingszone, welke buiten het GNN en de GO kan liggen. Bovenstaande gebieden worden eveneens besproken bij paragraaf 3.2.

Daarnaast is geheel Gelderland verdeeld in elf karakteristieke streken, de zogeheten Gelderse Streken, welke elk een aantal kernkwaliteiten hebben. Het UNESCO Werelderfgoed is ook een beschermd gebied met kernkwaliteiten. Beide gebiedstypes met kernkwaliteiten worden behandeld bij paragraaf 3.4.

4.2

Natuurnetwerk Nederland

4.2.1 Algemeen In Nederland bestaat het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Dit is een netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Gelders Natuurnetwerk (GNN) Het GNN bestaat uit alle bestaande natuur en een zoekgebied voor nog te realiseren nieuwe natuur. In het GNN geldt: in de basis hier geen nieuwe initiatieven. Er zijn enkele uitzonderingen mogelijk. Dat zijn ontwikkelingen van een groot algemeen of provinciaal belang of waarvoor - overtuigend gemotiveerd – geen alternatieven bestaan. Voor dergelijke

Pagina 9

uitzonderingen gelden specifieke spelregels die garanderen dat het Gelders Natuurnetwerk in stand blijft (het nee, tenzij principe). Dat betekent dat hier geen ruimte is voor nieuwe projecten die de aanwezige en potentiële natuurwaarden significant aantasten. Groene Ontwikkelzones (GO) De Groene ontwikkelingszone (GO) is het gebied dat tussen en rondom natuurgebieden ligt. Hierin liggen onder andere de ecologische verbindingszones, de verbindende schakels tussen de natuurgebieden. Er is in dit gebied ruimte voor de verdere ontwikkeling van bestaande en bij het gebied behorende bedrijvigheid of bewoning. Afhankelijk van het type en de schaal van de ontwikkeling vraagt de provincie om een (extra) bijdrage te leveren aan de GO.

4.2.2 Geplande activiteit Het plangebied waar de activiteit gepland staat valt niet binnen het GNN en het GO. Het dichtstbijzijnde GNN zijn enkele bosjes aan de Vierde Broekdijk, op circa 480 meter afstand van het plangebied (zie figuur 3). Enkele agrarische percelen op 700 meter afstand, ten westen van het plangebied, behoren tot het GO. Overige Gelderse beschermde natuurzones binnen het GNN, zoals rustgebied voor winterganzen, weidevogelgebieden en beschermde natte landnatuur, liggen niet binnen het plangebied en ook niet direct grenzend hieraan (zie figuur 3). Vervolgstappen met betrekking tot de GNN of het GO, zoals verdere toetsing, vergunningsaanvraag of het opstellen van een versterkingsplan zijn niet noodzakelijk.

Pagina 10

Figuur 3. Ligging van het plangebied (rood) ten opzichte van het GNN en GO. Bron: Provincie Gelderland (2024).

4.3

Natura 2000

4.3.1 Algemeen De Europese Unie heeft een zeer gevarieerde en rijke natuur, die van grote biologische, esthetische en economische waarde is. Om deze natuur te behouden heeft de Europese Unie het initiatief genomen voor Natura 2000. Dit is een samenhangend netwerk van beschermde natuurgebieden. De Omgevingswet beschermt onder andere Natura 2000gebieden. Voor activiteiten die significante, negatieve effecten hebben op de kernkwaliteiten van een Natura 2000-gebied is een omgevingsvergunning nodig. Een dergelijke activiteit wordt een ‘Natura 2000-activiteit’ genoemd en is vergunningsplichtig.

4.3.2 Geplande activiteit Het plangebied ligt niet in of in de directe nabijheid van een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ‘Korenburgerveen’ ligt op ruime afstand van het plangebied, vanaf circa 8,4 kilometer (zie figuur 4). Overige Nederlandse Natura 2000gebieden, waaronder Natura 2000-gebieden ‘Bekendelle’, ‘Willinks Weust’ en ‘Wooldse

Pagina 11

Veen’ liggen op ruimere afstand van het plangebied, vanaf ruim 8,7 km. Door de afstand tussen het plangebied en het Natura 2000-gebied ‘Korenburgerveen’ en overige Natura 2000-gebieden worden geen significante negatieve effecten op de instandhoudingsdoelen en ontwikkelingsopgaven van desbetreffende Natura 2000-gebieden verwacht. Er is geen sprake van oppervlakteverlies, versnippering, verdroging, geluidsverstoring etc. Hooguit kan er sprake zijn van negatieve effecten door stikstofdepositie. Stikstofdepositie Er is tijdens de werkzaamheden door in te zetten materieel en de verkeersbewegingen sprake van extra stikstofdepositie, tenzij er volledig gebruik gemaakt wordt van elektrisch materieel. Daarmee zijn er mogelijk negatieve effecten door extra stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden niet uit te sluiten. Een AERIUS-berekening is noodzakelijk om vast te stellen of er sprake is van een (significante) toename van stikstofdepositie in Natura 2000-gebieden als gevolg van de geplande activiteiten. Specifieke zorgplicht Het plangebied ligt op ruime afstand van Natura 2000-gebieden (vanaf circa 8,4 km). Gezien de afstand tot Natura 2000-gebieden zijn er in het kader van de specifieke zorgplicht geen maatregelen noodzakelijk, afgezien van eventueel noodzakelijke maatregelen om stikstofuitstoot te beperken of compenseren.

Dit is afhankelijk van de uitkomsten van de nog uit te voeren AERIUS-berekening. Op dit moment is nog niet vast te stellen is of de activiteit een ‘Natura 2000-activiteit’ is, omdat eerst een AERIUS-berekening moet worden uitgevoerd.

Pagina 12

Figuur 4. Ligging van het plangebied (rood) ten opzichte van Natura 2000-gebieden. Bron: natura2000.eea.europa.eu (2024).

4.4

Bijzondere natuurgebieden en landschappen

4.4.1 Algemeen Het Rijk kan bijzondere nationale natuurgebieden aangewezen hebben. Dit zijn gebieden die zijn aangewezen als vooruitloper op de aanwijzing of begrenzing als Natura 2000-gebied of gebieden die bescherming behoeve voor de instandhouding of herstel van biotopen en leefgebieden van in Nederland van nature in het wild voorkomende soorten genoemd in bijlage I Vogelrichtlijn of Bijlage I, II, IV of V Habitatrichtlijn. Voor de bescherming van bijzondere nationale natuurgebieden geldt de specifieke zorgplicht. De provincies kunnen bijzondere provinciale natuurgebieden of bijzondere provinciale landschappen hebben aangewezen. Ter bescherming van deze gebieden zijn specifieke regels opgesteld. In Gelderland zijn dit de Gelderse streken en het UNESCO Werelderfgoed. Beide typen beschermd gebied kennen kernkwaliteiten.

Pagina 13

Gelderse streken: Gelderland is opgedeeld in elf karakteristieke streken. Deze kennen elk een aantal kernkwaliteiten. Als een omgevingsplan een activiteit of ontwikkeling toelaat, bevat de toelichting op het omgevingsplan een beschrijving van de wijze waarop rekening is gehouden met de in het plangebied aanwezige kernkwaliteiten, in het bijzonder de nationale landschappen. Als een activiteit of ontwikkeling leidt tot een aantasting van de kernkwaliteiten, laat het omgevingsplan die alleen toe als uit de toelichting op het omgevingsplan blijkt dat: a) per saldo sprake is van versterking van het landschap in lijn met de ontwikkeldoelen, bedoeld in bijlage Kernkwaliteiten en ontwikkeldoelen landschap die in de betreffende Gelderse streek van toepassing zijn; en b) de versterking en de uitvoering hiervan worden vastgelegd. UNESCO Werelderfgoed: Voor zover een omgevingsplan van toepassing is op locaties binnen de UNESCO Werelderfgoederen, worden in het omgevingsplan regels gesteld in het belang van de instandhouding en versterking van de kernkwaliteiten opgesteld voor het desbetreffende werelderfgoed. De regels houden in ieder geval in dat de kernkwaliteiten niet worden aangetast.

De toelichting op het omgevingsplan bevat: a) een beschrijving van de in het plangebied aanwezige kernkwaliteiten; en b) een beschrijving en motivering van de wijze waarop die kernkwaliteiten in stand worden gehouden of versterkt. Groen erfgoed: In Nederland zijn door de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed verschillende groenstructuren aangeduid als groen erfgoed. Hieronder worden historische groenaanleggen zoals tuinen, parken, woonwijken, verdedigingswerken, begraafplaatsen, buitenplaatsen en landgoederen verstaan. Ook monumentale bomen en cultuurlandschappen met door de mens beïnvloed groen zoals (hakhout)bossen en houtwallen vallen ook onder de noemer Groen erfgoed.

4.4.2 Geplande activiteit Het plangebied waar de activiteit gaat plaatsvinden, ligt buiten UNESCO Werelderfgoed en er bevinden zich geen groene erfgoederen in het plangebied en de directe omgeving. Het plangebied bevindt zich in de Gelderse Streek ‘Achterhoek’. Er zijn dertien kernkwaliteiten opgesteld voor deze Gelderse Streek. Door de aard en beperkte omvang van de geplande activiteiten is er geen sprake van aantasting van de opgestelde kernkwaliteiten door de geplande werkzaamheden. Voor bijzondere natuurgebieden en landschappen zijn geen preventieve of herstelmaatregelen noodzakelijk bij de geplande activiteiten.

Pagina 14

4.5

Beschermde houtopstanden

4.5.1 Algemeen De Omgevingswet beschermt houtopstanden vanaf 10 are of meer en bomenrijen bestaande uit meer dan 20 bomen, buiten de zogeheten ‘bebouwingscontour houtkap’. Als men voornemens is houtopstanden te kappen die onder de Omgevingswet vallen dan geldt een algemene meldplicht en een herplantplicht. Er zijn enkele uitzonderingen waarbij deze regels niet gelden.

4.5.2 Geplande activiteit Binnen het plangebied is er sprake van kap van alle bomen. Bovendien ligt het plangebied buiten de bebouwingscontour houtkap (zie figuur 5). Er is sprake van aantasting van beschermde houtopstanden. Voor deze activiteit is sprake van een meldplicht en herplantingsplicht. Specifieke zorgplicht Voor houtopstanden geldt de specifieke zorgplicht. Deze geldt bij het vellen van houtopstanden, het aanplanten van bomen of nadat een houtopstand teniet is gedaan. Als deze handelingen nadelige gevolgen hebben voor de doelstellingen van de regels voor het vellen en herplanten van houtopstanden, te weten natuurbescherming, de instandhouding van het bosareaal en het beschermen van landschappelijk waarden, dan is de initiatiefnemer verplicht om de nadelige gevolgen te voorkomen, te beperken of ongedaan te maken of achterwege te laten. In het plangebied is sprake van bomenkap. In kader van de specifieke zorgplicht voor beschermde houtopstanden zijn maatregelen nodig.

Pagina 15

Figuur 5. Ligging van het plangebied (rood) ten opzichte van de ‘bebouwingscontour houtkap’. Bruin = buiten de bebouwingscontour. Bron: Provincie Gelderland (2024): Natuurregels in Gelderland.

4.6

Conclusie gebiedsbescherming

Natuurnetwerk Nederland Er is geen sprake van aantasting van beschermde waarden of ontwikkelingsdoelen van het Natuurnetwerk Nederland. Vervolgstappen, zoals nadere toetsing, vergunningsaanvraag of het opstellen van een versterkingsplan is niet noodzakelijk. Bijzondere natuurgebieden en landschappen Voor bijzondere natuurgebieden en landschappen zijn geen preventieve of herstelmaatregelen noodzakelijk bij de geplande activiteiten. Natura 2000-gebieden Op dit moment is nog niet vast te stellen of de activiteit een ‘Natura 2000-activiteit’ is, omdat eerst een AERIUS-berekening moet worden uitgevoerd. Gezien de afstand tot Natura 2000-gebieden zijn er in het kader van de specifieke zorgplicht geen maatregelen noodzakelijk, afgezien van eventueel noodzakelijke maatregelen om stikstofuitstoot te beperken of compenseren. Dit is afhankelijk van de uitkomsten van de nog uit te voeren AERIUS-berekening. Beschermde houtopstanden Er is sprake van aantasting van beschermde houtopstanden. Voor deze activiteit is sprake

Pagina 16

van een meldplicht en/of herplantingsplicht. In kader van de specifieke zorgplicht voor beschermde houtopstanden zijn ook maatregelen nodig.

Pagina 17

5

Soortenbescherming in de Omgevingswet

5.1

Methode

Het verzamelen van gegevens heeft op twee manieren plaatsgevonden: via een literatuuronderzoek en er is gericht veldonderzoek uitgevoerd.

5.1.1 Literatuuronderzoek Ter ondersteuning van het veldonderzoek werd de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) geraadpleegd. Deze database geeft informatie over beschermde flora- en faunasoorten, soorten die staan opgenomen op de Rode Lijsten en voor die soorten belangrijke leefgebieden of natuurlijke habitats. In de NDFF zijn uitsluitend gevalideerde gegevens opgeslagen. De NDFF is de meest complete databank voor de actuele verspreiding van Nederlandse flora en fauna met meer dan 100 miljoen waarnemingen. De databank wordt dagelijks aangevuld met recente waarnemingen. De NDFF is echter niet vlakdekkend en volledig. In de NDFF is voor een zoekgebied met een straal van circa 1 km rond het plangebied gezocht naar waarnemingen van beschermde soorten die staan op de Rode Lijsten, uit de afgelopen 10 jaar.

5.1.2 Veldonderzoek Een onderzoeker van Staring Advies onderzocht het plangebied en nabije omgeving om een inschatting te maken van de beschermde soorten, Rode Lijstsoorten (flora en fauna) en voor die soorten belangrijke leefgebieden of natuurlijke habitats (zie tabel 1). Bij het veldonderzoek is gebruik gemaakt van een verrekijker en fotocamera. Tabel 1. Veldonderzoek.

Onderzoeker

Datum

Tijd

Weersomstandigheden

S.J.J. Wamelink S.J.J. Wamelink

09-04-2024 12-04-2024

16.30 uur 15.00 uur

Half bewolkt, droog, 15°C, wind 2 Bft Half bewolkt, droog, 19°C, wind 2 Bft

Pagina 18

5.2

Resultaten

Deze paragraaf bespreekt de resultaten van het literatuuronderzoek en het veldonderzoek.

5.2.1 Literatuuronderzoek Voor het literatuuronderzoek is de NDFF geraadpleegd. Voor het zoekgebied maakt de NDFF melding van de volgende beschermde en Rode Lijstsoorten: Flora De NDFF maakt voor het zoekgebied melding van het voorkomen van de volgende beschermde plantensoort: •

Kartuizer anjer.

De NDFF maakt melding van de volgende soorten hogere planten die op de Rode Lijst staan: •

Bilzekruid, bleekgele hennepnetel, bolderik, kartuizer anjer, korenbloem, ruige anjer en veldsalie.

Broedvogels De NDFF maakt voor het zoekgebied melding van diverse beschermde vogelsoorten en soorten die op de Rode Lijst staan. Een deel van de waarnemingen betreft overvliegende vogels zonder binding met het gebied. Een deel van de vogelsoorten kunnen hier of in de omgeving wel een territorium bezetten, waardoor ze gebruik kunnen maken van het plangebied. De NDFF maakt melding van de volgende vogelsoorten waarvan de vaste rusten verblijfplaatsen en nestlocaties jaarrond beschermd (categorie 1 t/m 4) zijn: •

Boomvalk, buizerd, gierzwaluw, grote gele kwikstaart, havik, huismus, kerkuil, ooievaar, ransuil, roek, slechtvalk, sperwer, steenuil en wespendief.

Daarnaast zijn er waarnemingen van categorie 5-soorten bekend. Categorie 5-soorten zijn wel jaarrond beschermd als zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden dat rechtvaardigen. Het betreft de volgende in de NDFF vermelde soorten: •

Blauwe reiger, boerenzwaluw, bonte vliegenvanger, boomklever, boomkruiper, bosuil, draaihals, ekster, gekraagde roodstaart, glanskop, grauwe vliegenvanger, groene specht, grote bonte specht, huiszwaluw, ijsvogel, kleine bonte specht, koolmees, pimpelmees, spreeuw, tapuit, torenvalk, zeearend, zwarte kraai, zwarte mees, zwarte roodstaart en zwarte specht.

De NDFF maakt melding van de volgende vogelsoorten die op de Rode Lijst staan: •

Blauwe kiekendief, boerenzwaluw, boomvalk, draaihals, gele kwikstaart, graspieper, grauwe vliegenvanger, grote lijster, huismus, huiszwaluw, keep, kneu, koekoek,

Pagina 19

kraanvogel, kramsvogel, matkop, patrijs, ransuil, ringmus, smient, spotvogel, steenuil, tapuit, torenvalk, veldleeuwerik, wielewaal, wulp, zeearend, zomertortel en zwarte mees. Zoogdieren De NDFF maakt voor de omgeving van het plangebied melding van de volgende beschermde zoogdiersoorten: • •

Nationaal beschermde soorten: bosmuis, das, dwergmuis, eekhoorn, egel, haas, huisspitsmuis, konijn, ree, rosse woelmuis, steenmarter, veldmuis en wezel1. Internationaal beschermde soorten: gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis en laatvlieger.

Daarnaast maakt de NDFF melding van een aantal Rode Lijst zoogdiersoorten. Het betreft de volgende soorten: •

Haas, konijn, laatvlieger en wezel.

Amfibieën, reptielen en vissen De NDFF maakt voor de omgeving van het plangebied melding van de volgende beschermde amfibieën en reptielensoort: •

Nationaal beschermde soorten: gewone pad, hazelworm en kleine watersalamander1.

Daarnaast maakt de NDFF geen melding van Rode Lijstsoorten. Ongewervelde dieren De NDFF maakt voor de omgeving van het plangebied melding van de volgende beschermde dagvlindersoorten: •

Internationaal beschermde soort: grote vos, grote weerschijnvlinder en kleine ijsvogelvlinder.

Daarnaast maakt de NDFF melding van de volgende Rode Lijstsoorten: •

Bruin blauwtje, grote vos, kleine ijsvogelvlinder, kleine parelmoervlinder en kleine tuinmaskerbij.

1 Deze soorten zijn, met uitzondering van de das, eekhoorn, hazelworm, steenmarter en wezel in de provincie

Gelderland vrijgesteld van de verboden als bedoeld in artikel 3.10, eerste lid, onderdelen a en b, bij ruimtelijke ontwikkelingen.

Pagina 20

5.2.2 Veldonderzoek In deze paragraaf worden per soortgroep de resultaten van het veldonderzoek besproken. Flora Het plangebied bestaat voornamelijk uit gemengd bos. De vegetatie wordt grotendeels bepaald door soorten van matig voedselrijke omstandigheden als stekelvaren en vingerhoedskruid. Lokaal groeit een enkele soort van meer voedselarmere omstandigheden als gewone salomonszegel, struikhei en wilde kamperfoelie. De aanwezigheid van braam, klimop en diverse (verwilderde) tuinplanten als kleine maagdenpalm duidt op verstoring van de bosbodem. In bijlage 2 staat een overzicht weergegeven van de tijdens het veldbezoek aangetroffen plantensoorten. De NDFF (zie paragraaf 4.2.1) maakt melding van het voorkomen van de beschermde karthuizer anjer voor de omgeving van het plangebied. Karthuizer anjer Deze soort staat op zonnige, warme en droge, matig voedselarme en uitgesproken stikstofarme, basenrijke en vaak kalkhoudende grond (al of niet lemig zand en mergel) en ook op stenige plaatsen). Ze groeit in schrale- en kalkgraslanden, in bosschages langs bermen en dijken en op leisteenhellingen en zandsteenrotsen. Door het ontbreken van geschikte groeiplaatsen binnen de grenzen van het plangebied is aanwezigheid van de kartuizer anjer uit te sluiten. Natuurlijke groeiplaatsen van overige beschermde soorten zijn niet in de omgeving aanwezig en ook niet in het plangebied te verwachten.

Rode Lijst: bilzekruid, bleekgele hennepnetel, bolderik, kartuizer anjer, korenbloem, ruige anjer en veldsalie Geen van de in de omgeving bekende Rode Lijstsoorten hogere planten wordt in het plangebied verwacht, door het ontbreken van geschikte groeiplaatsen. Voor een groot deel van de bekende Rode Lijstsoorten hogere planten in het stedelijk gebied, waaronder bolderik en veldsalie, geldt daarnaast dat deze ingezaaid, aangeplant of vanuit tuinen verwilderd zijn. Natuurlijke groeiplaatsen van deze soorten bevinden zich ook niet in de (wijde) omgeving van het plangebied. Broedvogels Tijdens het veldbezoek zijn in het plangebied en de directe omgeving de volgende vogelsoorten aangetroffen: appelvink, boomklever, boomkruiper, buizerd, gaai, grote bonte specht, heggenmus, huismus, koolmees, merel, pimpelmees, roek, roodborst, tjiftjaf, vink, winterkoning, zwarte kraai, zwarte specht en zwartkop. In bijlage 2 staat een overzicht weergegeven van de tijdens het veldbezoek aangetroffen plantensoorten.

Pagina 21

Jaarrond beschermde nesten (categorie 1 t/m 4) De NDFF vermeldt voor de omgeving van het plangebied het voorkomen van een aantal soorten waarvan de nesten jaarrond beschermd zijn (zie paragraaf 4.2.1). Tijdens het veldbezoek zijn in de omgeving van het plangebied de volgende soorten met jaarrond beschermde nesten waargenomen: buizerd, huismus en roek. Boomvalk, buizerd, havik, ransuil, roek, sperwer en wespendief Tijdens het veldbezoek zijn geen jaarrond beschermde boombewonende soorten in het plangebied waargenomen. Op enige afstand van het plangebied zijn tijdens een veldbezoek twee cirkelende buizerds waargenomen. Verder zijn in het aan het plangebied grenzende bosperceel twee bezette roekennesten aangetroffen. In het plangebied zijn enkele potentiele nestlocaties in de vorm (oude) kraaiennesten vastgesteld: zie foto 1 en 2. Grote roofvogelnesten (horsten) en roekennesten zijn niet in het plangebied aangetroffen. Door de ligging in de rand van de woonkern Aalten, beperkte rust en afwezigheid van (grote) roofvogelnesten zijn nestlocaties van verstoringsgevoelige soorten als buizerd, havik en wespendief op voorhand uit te sluiten. Ransuil en sperwer broeden regelmatig in (de randen van) stedelijk gebied. De aanwezigheid van een nestlocatie van de boomvalk is ook niet 100% uit te sluiten.

Het bosperceel is derhalve potentieel geschikt als een jaarrond beschermde nestlocatie van boomvalk, ransuil en eventueel sperwer.

Foto 1. Kraaiennest (rood omcirkeld): potentiele nestlocatie boomvalk en ransuil.

Foto 2. Kraaiennest (rood omcirkeld): potentiele nestlocatie boomvalk en ransuil.

Pagina 22

Gierzwaluw en huismus Tijdens het veldbezoek zijn gierzwaluwen niet waargenomen. Gierzwaluwen zijn echter op het moment van het veldbezoek (april) nog grotendeels in hun overwinteringsgebied in Afrika. Huismussen zijn wel in de omgeving van het plangebied waargenomen, nabij de woonhuizen aan de Derde Broekdijk 3/3a, 5, 12 en 14. Gierzwaluwen en huismussen zijn koloniebroeders die hun verblijfplaatsen doorgaans hebben in bebouwing. Nestlocaties liggen vaak in ruimtes tussen dakpannen en het dakbeschot, achter dakgootbekisting of in scheuren of spleten van muren van gebouwen. Dergelijke broedplaatsen zijn niet in het plangebied aanwezig. Negatieve effecten door het kappen van het bosperceel zijn voor deze soorten uitgesloten. Daarnaast zijn hier (overige) essentiële delen van de functionele leefomgeving als schuilmogelijkheden en foerageergebied, van de in de omgeving broedende huismussen, uit te sluiten. Grote gele kwikstaart Uit de omgeving van het plangebied zijn enkele waarnemingen van deze jaarrond beschermde vogelsoort bekend. Het betreft hoofdzakelijk waarnemingen van overvliegende, foeragerende en pleisterende exemplaren buiten de broedtijd van de soort. Tijdens het veldbezoek is de soort niet waargenomen.

Beken en andere waterlopen zijn het belangrijkste habitat voor de grote gele kwikstaart, waarbij als broedlocatie vrijwel altijd een sluis, watermolen, stuw of ander bouwwerk nabij het water wordt uitgekozen. Bij voorkeur zijn die beken en rivieren snelstromend, maar hij broedt ook aan zwak of zelfs nauwelijks stromend water. Het broeden in bebouwd gebied, waaronder in de woonkern Aalten waar de beeklopen van de Boven-Slinge en de Keizersbeek doorheen lopen, komt regelmatig voor (bron: NDFF en Vogelbescherming Nederland). Dergelijk broedgebied ontbreekt in het plangebied en het onderzoeksgebied. Mogelijk biedt het terrein van de nabijgelegen rioolwaterzuivering wel potentiele nestmogelijkheden voor de grote gele kwikstaart. Echter hier zijn geen nestindicerende waarnemingen bekend uit de NDFF. Incidenteel kunnen foeragerende of rustende grote gele kwikstaarten in de directe omgeving van het plangebied, waaronder in de oeverzone van de aan de Tweede Broekdijk grenzende sloot, worden aangetroffen. Kerkuil en steenuil Er zijn waarnemingen van de kerkuil en steenuil bekend vanuit de omgeving van het plangebied. Tijdens het veldbezoek zijn deze soorten niet waargenomen.

Door de afwezigheid van geschikte en vrij toegankelijke gebouwen, speciale nestkasten, holle knotbomen en sporen die de aanwezigheid van een nestplek aannemelijk maken, zoals braakballen, veren of krijtstrepen, worden geen nestlocaties van de kerk- en steenuil verwacht. Enkele gebouwen aan de Derde Broekdijk, waaronder op het erf van de Derde Broekdijk 12-14, zijn potentieel geschikt als nestlocatie voor steenuil en mogelijk kerkuil. Incidenteel kan een rustend of jagend exemplaar in het plangebied worden waargenomen. Van een essentieel leefgebied is echter geen sprake.

Pagina 23

Ooievaar Van de ooievaar zijn vanuit de NDFF uitsluitend waarnemingen van overvliegende exemplaren bekend. Tijdens het veldbezoek is de soort niet waargenomen. In het plangebied en de directe omgeving is geen geschikt leefgebied voor de ooievaar aanwezig. Ook nestlocaties zoals kunstnesten, gebouwen en geschikte bomen ontbreken. Slechtvalk Slechtvalken maken zelf geen nesten. Nestkasten in hoge gebouwen, oude nesten van roofvogels en kraaien in open agrarisch gebied en hoogspanningsmasten worden door de slechtvalk als nestlocatie gebruikt. In Nederland broedt het merendeel in steden in speciale nestkasten die vaak bij kerktorens, kantoorgebouwen of zendmasten worden geplaatst (bron: SOVON, 2018). Dergelijke broedplaatsen zijn niet aanwezig in het plangebied. Op het bedrijventerrein ’t Broek bevinden zich wel enkele gebouwen welke potentieel geschikt zijn als nestplaats voor de slechtvalk. Deze locaties bevinden zich op ruime afstand van het plangebied. Eventuele negatieve effecten op broedende slechtvalken zijn uit te sluiten. Vaste rust- en verblijfplaatsen en nestlocaties van overige jaarrond beschermde vogelsoorten worden niet verwacht door het ontbreken van geschikte broedgelegenheden. Categorie 5 De NDFF vermeldt voor de omgeving van het plangebied diverse categorie 5-soorten. In het plangebied is geschikte nestgelegenheid voor een groot deel van deze soorten aanwezig.

Tijdens het veldbezoek zijn de volgende categorie 5-soorten aangetroffen: boomklever, boomkruiper, grote bonte specht, koolmees, pimpelmees en zwarte specht. De aanwezigheid van andere categorie 5-soorten als bonte vliegenvanger, gekraagde roodstaart en spreeuw is aannemelijk. Voor dergelijke soorten geldt dat door de aard en omvang van de werkzaamheden negatieve effecten niet uitgesloten zijn. Rode Lijst De NDFF vermeldt voor het plangebied en de directe omgeving een aantal Rode Lijst soorten. In het plangebied is geschikt broedbiotoop voor een groot deel van deze soorten aanwezig. Tijdens het veldbezoek zijn geen Rode Lijst soorten waargenomen. De aanwezigheid van een enkele broedende Rode Lijst soort als boomvalk, grauwe vliegenvanger, grote lijster, koekoek, matkop, ransuil, wielewaal en zwarte mees is niet uit te sluiten. Grondgebonden zoogdieren Er zijn in het plangebied sporen van das, haas en ree, diverse muizenholen en nesten van eekhoorn aangetroffen. De NDFF maakt melding van de beschermde bosmuis, das, dwergmuis, eekhoorn, egel, haas, huisspitsmuis, konijn, ree, rosse woelmuis, steenmarter, veldmuis en wezel (zie paragraaf 4.2.1). Het plangebied is geschikt als leefgebied voor de in de NDFF vermelde grondgebonden zoogdieren en enkele overige soorten als boommarter,

Pagina 24

bunzing en grote bosmuis. Een deel van de te verwachten soorten is vrijgesteld bij ruimtelijke ontwikkeling in de provincie Gelderland. Dit geldt niet voor boommarter, bunzing, das, eekhoorn, grote bosmuis, steenmarter en wezel. Overige beschermde grondgebonden zoogdiersoorten worden niet verwacht, door het ontbreken van geschikt leefgebied. Tijdens het veldbezoek zijn ook geen vaste verblijfplaatsen van beschermde grondgebonden zoogdiersoorten aangetroffen. Rode Lijst De NDFF vermeldt voor het plangebied en de directe omgeving de volgende Rode Lijst soorten: haas, konijn en wezel. Boommarter Sporen van de boommarter zijn tijdens het veldbezoek niet aangetroffen. Boommarters hebben hun rustplaats in boomholten, konijnen-, vossen of dassenholen, tussen boomwortels of onder takkenbossen. Nesten worden vaak in spechten- of eekhoornholen of inrottingsholen gemaakt (Bron: Zoogdiervereniging). Het plangebied vormt geschikt leefgebied voor deze soort en een enkele oude beuk en zomereik met holten, met name in het zuidelijke en centrale deel van het bosperceel, zouden een verblijfplaats voor deze soort kunnen bieden: zie foto 6. De aanwezigheid van deze soort is niet op voorhand uit te sluiten. Das Tijdens het veldbezoek zijn in de noordrand van het bosperceel verse sporen van de das aangetroffen. Het betreft hier zogenaamde snuit- en/of mestputjes.

Bij het zoeken naar emelten en engerlingen, ontstaan vaak typische (snuit)kuiltjes in de grond. Mestputjes markeren vaak de grens van een territorium, zodat indringers weten dat ze een territorium van een ander binnen gaan. Overige duidelijke sporen als prenten en wissels zijn niet in het bosperceel aangetroffen. Tijdens beide veldbezoeken zijn ook geen burchtlocaties van de das aangetroffen. Verspreid door het bosperceel bevindt zich een enkele geschikte locatie voor een burcht in de wortelkluit van een omgevallen boom. Door de aard en omvang van de werkzaamheden zijn negatieve effecten op de das niet uit te sluiten. Kleine marterachtigen (bunzing en wezel) Van de kleine marterachtige wezel zijn recente waarnemingen bekend en van de bunzing alleen enkele historische waarnemingen bekend (bron: NDFF). De bunzing komt voor in allerlei verschillende landschapstypen, maar zijn voorkeur gaat uit naar een kleinschalig landschap met voldoende schuilmogelijkheden en water in de buurt. Dit kunnen oeverbegroeiingen, droge sloten, heggen, houtwallen, bosranden en akkerranden zijn, maar ook meer waterrijke gebieden zoals rietvelden of moerasgebieden. Daarnaast komt hij ook voor in vrij open terreinen, zoals weidegebieden met sloten (bron: Zoogdiervereniging). De wezel komt in vergelijkbare landschapstypen voor, maar zijn over het algemeen minder gebonden aan waterrijke gebieden.

Het plangebied is geschikt als leefgebied voor de kleine

Pagina 25

marterachtigen bunzing en wezel, doordat er in de buurt sprake is van een halfopen agrarisch landschap met allerlei verschillende structuren die dekking bieden. Geschikte verblijfplaatsen voor deze soorten zijn aangetroffen in de vorm van muizenholen, gaten/holen in wortelkluiten van omgevallen bomen en diverse takkenhopen. Door de aard en omvang van de werkzaamheden zijn negatieve effecten voor deze soorten niet uitgesloten. Eekhoorn De bomen in het plangebied zijn geschikt als verblijfplaats voor de eekhoorn. In enkele bomen in het plangebied zijn boomnesten van de eekhoorn aangetroffen: zie foto 3 en 4. Vanuit de NDFF zijn meerdere waarnemingen van eekhoorns bekend uit het plangebied en de directe omgeving. Het plangebied is het leefgebied van de eekhoorn. Door de aard en omvang van de werkzaamheden zijn negatieve effecten aannemelijk.

Foto 3. Eekhoornnest (rood omcirkeld).

Foto 4. Eekhoornnest (rood omcirkeld).

Grote bosmuis In Nederland kwam de grote bosmuis aanvankelijk alleen voor in Zuid-Limburg en in het uiterste oosten van ons land, waaronder rond Winterswijk. Maar wordt de laatste jaren steeds verder in noordwestelijke richting waargenomen. In de helft van onze provincies komt de soort inmiddels voor en de opmars lijkt nog steeds gaande. De grote bosmuis komt voor in allerlei soorten biotopen, mits er enige dekking is zoals lage begroeiing of verspreid liggende stenen. Zo komt hij in Nederland voornamelijk voor in bosranden met weinig

Pagina 26

ondergroei, parken, braakliggend land en tuinen. Hij heeft een voorkeur voor oude open eiken- en beukenbossen, met een uitgebreide struiklaag en weinig ondergroei. De grote bosmuis bouwt een nest van bladeren en mos als verblijfplaats en bevindt zich meestal onder wortelstronken van grote bomen ondergronds, onder boomstronken of in nestkasten. Ze graven zelden zelf een hol maar gebruiken holen van onder andere mol, konijn, woelmuizen of das. Incidentele waarnemingen zijn verder ook, en dan voornamelijk in de winter, in kleine agrarische opstallen en tuinhuisjes vastgesteld (bron: Zoogdiervereniging). Verblijfplaatsen van de grote bosmuis kunnen in het plangebied verwacht worden. Verspreid in het bosperceel zijn potentiele nestlocaties in de vorm van takkenhopen, muizenholen en boomwortels aanwezig. Daarnaast bevindt zich nabij de Derde Broekdijk, grenzend aan weide voor pluimvee (kippen, parelhoenders) een schuurtje. Door de aard en omvang van de werkzaamheden zijn negatieve effecten op de grote bosmuis niet uit te sluiten. Steenmarter Sporen van de steenmarter zijn tijdens het veldbezoek niet aangetroffen. De steenmarter heeft binnen zijn leefgebied soms wel tientallen schuilplaatsen, die hij echter niet allemaal even frequent gebruikt. Dit kunnen bijvoorbeeld boomholtes, takkenhopen, dichte struwelen, zolders of kruipruimtes zijn.

Maar ook spouwmuren of ruimten onder de dakbedekkingen. Het plangebied vormt geschikt leefgebied en verblijfplaatsen kunnen aanwezig zijn, zoals onder dicht struikgewas of onder takkenhopen. Vermoedelijk is het schuurtje nabij de Derde Broekdijk niet vrij toegankelijk in verband met de aanwezigheid van pluimvee (kippen, parelhoenders). Door de aard en omvang van de werkzaamheden zijn negatieve effecten op de steenmarter niet uit te sluiten. Rode Lijst De NDFF vermeldt voor het plangebied en de directe omgeving de aanwezigheid van de Rode Lijst soorten haas, konijn en wezel. De wezel is reeds behandeld. Haas en konijn Voor haas en konijn is geschikt leefgebied in het plangebied aanwezig. Geschikte rust- en verblijfplaatsen zijn aangetroffen en zullen worden aangetast door de werkzaamheden. Door de aard en beperkte omvang van de werkzaamheden zijn negatieve effecten niet uitgesloten. Overige grondgebonden zoogdiersoorten die zijn opgenomen op de Rode Lijst worden niet verwacht door het ontbreken van geschikt leefgebied in het plangebied en directe omgeving.

Pagina 27

Vleermuizen De NDFF maakt melding van de gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis en laatvlieger voor de omgeving van het plangebied (zie paragraaf 4.2.1). Verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen Het plangebied bestaat voornamelijk uit bos, waardoor verblijfplaatsen van gebouwbewonende soorten als de laatvlieger uit te sluiten zijn. Het schuurtje nabij de Derde Broekdijk is niet vrij toegankelijk voor vleermuizen en derhalve ongeschikt als verblijfplaats voor gebouwbewonende vleermuizen. In gebouwen in de omgeving kunnen dergelijke verblijfplaatsen wel aanwezig zijn. Door de aard en beperkte omvang van de werkzaamheden zijn negatieve effecten voor deze soorten uitgesloten. Verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen Verspreid in het bosperceel zijn bomen aanwezig met holtes (spechtenholen), kieren, spleten en loshangend boomschors: zie foto 5 en 6. Geschikte verblijfsruimten voor boombewonende vleermuizen, zoals de gewone grootoorvleermuis en overige vleermuissoorten als baardvleermuis, bosvleermuis en rosse vleermuis, zijn dan ook niet uit te sluiten. Door de aard en omvang van de werkzaamheden zijn negatieve effecten op verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen niet uitgesloten.

Foto 5. Boomholte (rood omcirkeld).

Foto 6. Boomholte (rood omcirkeld).

Pagina 28

Vliegroutes en foerageergebied(en) Het plangebied is geschikt als foerageergebied voor vleermuizen. Met name voor meer bosgebonden vleermuissoorten als baardvleermuis is aanwezigheid van essentieel foerageergebied niet uit te sluiten. De bosranden zijn daarnaast geschikt als vliegroute. Het bosperceel kan als belangrijke verbinding functioneren tussen de in de bebouwde kom van Aalten aanwezige verblijfplaatsen en de (essentiële) foerageergebieden in het buitengebied. Door de aard en omvang van de werkzaamheden zijn negatieve effecten op (essentieel) foerageergebied en vliegroute niet uitgesloten. Rode Lijst De NDFF vermeldt voor het plangebied en de directe omgeving de volgende Rode Lijst soort: laatvlieger. Deze soort is reeds behandeld. Overige vleermuissoorten die zijn opgenomen op de Rode Lijst worden niet verwacht door het ontbreken van geschikt leefgebied in het plangebied en directe omgeving. Amfibieën, reptielen en vissen De NDFF meldt de beschermde gewone pad en kleine watersalamander voor de omgeving van het plangebied (zie paragraaf 4.2.1). In het plangebied is geen open water te vinden. Van een voortplantingshabitat voor amfibieën en leefgebied voor vissen is dus geen sprake in het plangebied zelf. In de omgeving liggen in ieder geval enkele sloten en (tuin)vijvers die wel deze functies vervullen.

Het plangebied vormt geschikt landhabitat voor algemene amfibieën als bruine kikker, gewone pad en kleine watersalamander. Deze zijn vrijgesteld in provincie Gelderland. Met uitzondering van de hazelworm is van een leefgebied voor reptielen geen sprake, door het ontbreken van geschikt leefgebied en de afstand tot bekende populaties van beschermde reptielen. Hazelworm Ondanks de geïsoleerde ligging ten opzichte van bekende populaties kan de afwezigheid van de hazelworm niet uitgesloten worden. Met name in het meer agrarisch gebied zijn de leefgebieden en eventueel aanwezige populaties van de hazelworm erg klein. Vaak zijn ze, door een intensiever landgebruik, bovendien niet of nauwelijks verbonden met andere terreinen, waardoor er sprake van versnippering is. Door de isolatie van leefgebieden is de kans op (lokaal) uitsterven sterk vergroot. Door de aard en omvang van de werkzaamheden zijn negatieve effecten op de hazelworm niet uitgesloten. Rode Lijst De NDFF vermeldt voor het plangebied en de directe omgeving geen soorten die staan opgenomen op de Rode Lijst. Zoals reeds aangegeven is er geen open water aanwezig, waardoor het voorkomen van Rode Lijst genoteerde vissen uitgesloten is.

Pagina 29

Overige soorten amfibieën en reptielen die zijn opgenomen op de Rode Lijst worden niet verwacht door het ontbreken van geschikt leefgebied in het plangebied en directe omgeving. Ongewervelde dieren Tijdens het veldbezoek zijn geen beschermde ongewervelde dieren aangetroffen. Deze zijn echter op het moment van het veldbezoek (april) grotendeels niet actief. De NDFF vermeldt het voorkomen van de beschermde dagvlindersoorten grote vos, grote weerschijnvlinder en kleine ijsvogelvlinder voor de omgeving van het plangebied (zie paragraaf 4.2.1). Grote vos en grote weerschijnvlinder Deze dagvlindersoorten zijn incidenteel waargenomen in de omgeving van het plangebied. Van de aanwezigheid van (vaste) populaties in het plangebied is geen sprake. Het bosperceel is ongeschikt als leefgebied voor deze soorten. Waardplanten waarop de rupsen van de grote vos worden aangetroffen zijn iep, zoete kers, breedbladige wilgensoorten, ratelpopulier en peer. Deze bomen staan bij voorkeur op een open maar beschutte plaats in of bij bossen. Deze soorten ontbreken in het plangebied en de directe omgeving. Door het ontbreken van oudere, vochtige loofbossen, wilgenbroekbossen of groepen samenhangende bosjes met wilgen (waardplant van de rupsen) wordt er ook geen populatie van de grote weerschijnvlinder in het plangebied verwacht.

Incidenteel zouden er rondzwervende volwassen exemplaren in de directe omgeving van het plangebied aangetroffen kunnen worden. Kleine ijsvogelvlinder De kleine ijsvogelvlinder is gebonden aan vochtige, structuurrijke bossen waar de waardplant wilde kamperfoelie aanwezig is. Buiten deze leefgebieden kunnen zwervende exemplaren aangetroffen worden. In het plangebied ontbreekt geschikt functioneel leefgebied voor deze dagvlindersoort. Op echter één plek is wel een kamperfoeliestruik aangetroffen. De kleine ijsvogelvlinder verkiest vooral brede en zonnige paden en bosranden met halfbeschaduwde kamperfoelie voor de eiafzet en braam voor de nectarvoorziening. De aanwezige kamperfoeliestruik is zwaar beschaduwd en hiermee ongeschikt als eiafzetplek en waardplant voor de kleine ijsvogelvlinder. Incidenteel kan een rondzwervend exemplaar in het plangebied aangetroffen worden. Rode Lijst De NDFF noemt het voorkomen van de Rode Lijstsoorten bruin blauwtje, grote vos, kleine ijsvogelvlinder, kleine parelmoervlinder en kleine tuinmaskerbij voor de omgeving van het plangebied. Bruin blauwtje, kleine parelmoervlinder en kleine tuinmaskerbij komen voor op ruderale terreinen. Dergelijk habitat is in het plangebied niet aanwezig. Overige soorten ongewervelden die zijn opgenomen op de Rode Lijst worden niet verwacht door het ontbreken van geschikt leefgebied in het plangebied en directe omgeving.

Pagina 30

5.3

Consequenties soortenbescherming

Door een groot aantal activiteiten en invloeden staat het voortbestaan van veel soorten onder druk. Daarom is soortenbescherming een onderdeel van de Omgevingswet. Sommige activiteiten kunnen gevolgen hebben voor dieren en planten in het wild. Dat zijn flora- en fauna-activiteiten. De Omgevingswet geeft regels over flora- en fauna-activiteiten om soorten te beschermen (zie bijlage 2). In deze paragraaf worden de nadelige effecten van de flora-en faunactiviteit op beschermde soorten, flora- en faunasoorten die staan opgenomen op de Rode Lijsten en voor die soorten belangrijke leefgebieden of natuurlijke habitats besproken. Er is sprake van een vergunningsplichtig geval als schadelijke handelingen2 plaatsvinden met betrekking tot beschermde soorten. Om dit vast te kunnen stellen is mogelijk aanvullend onderzoek noodzakelijk. Hierover wordt in dit hoofdstuk geadviseerd. Tevens wordt in dit hoofdstuk in het kader van de specifieke zorgplicht aangegeven of er door de activiteit nadelige gevolgen zijn voor flora en fauna soorten, die opgenomen staan op de Rode Lijsten en de voor die soorten belangrijke leefgebieden of natuurlijke habitats. Als nadelige gevolgen worden verwacht dan wordt aangegeven hoe deze voorkomen kunnen worden, beperkt kunnen worden of ongedaan gemaakt kunnen worden.

Tijdens en na het verrichten van de activiteit moet nagegaan worden of de getroffen passende preventieve maatregelen de beoogde effecten hebben. Flora Wettelijk: Beschermde soorten Beschermde plantensoorten zijn niet aangetroffen en worden ook niet verwacht door het ontbreken van geschikte groeiplaatsen. Aanvullend onderzoek naar het voorkomen van beschermde plantensoorten en het aanvragen van een omgevingsvergunning is dan ook niet noodzakelijk. Specifieke zorgplicht: Soorten Rode Lijst Het treffen van maatregelen in het kader van de specifieke zorgplicht is niet noodzakelijk. In het plangebied en de directe omgeving worden geen Rode Lijstsoorten verwacht door het ontbreken van geschikte natuurlijke groeiplaatsen. Broedvogels Alle vogelsoorten zijn beschermd krachtens de Omgevingswet (Vogelrichtlijn). Het opzettelijk verstoren, verontrusten, doden en anderszins nadelig beïnvloeden van deze soortgroep is

2 De inhoud van de schadelijke handelingen komen overeen met de verbodsbepalingen van de soortenbeschermingsregimes

uit de Wet natuurbescherming, aangezien deze rechtstreeks voortkomen uit de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn en internationale Verdragen.

Pagina 31

niet toegestaan. Activiteiten moeten bij voorkeur buiten het broedseizoen worden uitgevoerd of ruim voor aanvang van het broedseizoen gestart worden, waarbij voorkomen wordt dat broedvogels zich vestigen in het plangebied. Werkzaamheden mogen plaatsvinden, zo lang er maar geen broedvogels verstoord worden. Wettelijk: Beschermde soorten Soorten met jaarrond beschermde nesten (categorie 1 t/m 4) Het bosperceel biedt geschikt broedbiotoop voor vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten. In het plangebied zijn enkele nesten aangetroffen welke potentieel geschikt zijn als nestlocatie voor boomvalk, ransuil en sperwer. Door het kappen van het bosperceel zijn negatieve effecten op voorhand niet uit te sluiten. Aanvullend onderzoek is noodzakelijk voor de boomvalk, ransuil en sperwer. Categorie 5 soorten In het plangebied is geschikt broedbiotoop voor diverse soorten categorie 5-soorten voorhanden. Categorie 5-soorten zijn wel jaarrond beschermd als zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden dat rechtvaardigen. In betreffend geval zijn er geen ecologische omstandigheden waardoor categorie 5-soorten in het plangebied jaarrond beschermd dienen te zijn. Het betreft, met uitzondering van de tijdens het veldbezoek aangetroffen zwarte specht, lokaal en regionaal algemene vogels. In de directe omgeving zijn voldoende geschikte structuren in de vorm van bosjes, houtsingels e.d.

die als alternatief gebruikt kunnen worden. Zwarte specht Zwarte spechten komen in Nederland het meest voor in uitgestrekte naaldbossen, afgewisseld door beukenlanen en -percelen (bron: www.vogelbescherming.nl). De zwarte specht prefereert nestbomen met lange gladde stam (beuk, in mindere mate Amerikaanse eik), grove den en lariks en hakt regelmatig nieuwe holte, maar kan ook jaren achtereen oude holte hergebruiken (alleen bij levende bomen) (bron: www.sovon.nl). In het bosperceel zijn geen oude (beuken)bomen met grote spechtenholten, welke als mogelijke nestlocatie van de zwarte specht in gebruik kunnen zijn, aangetroffen. Mogelijk broedt de zwarte specht in de (wijde) omgeving van het bosperceel en maakt het plangebied onderdeel uit van een groot broedterritorium. De zwarte specht overbrugt gemakkelijk afstanden van 1 km of meer (bron: www.sovon.nl). Negatieve effecten op in de omgeving broedende zwarte spechten worden voorkomen door de werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren. Net als andere spechtensoorten kan het broedseizoen al vroeg in het voorjaar beginnen: vanaf half februari. Om negatieve effecten op overige broedende categorie 5-soorten te voorkomen worden de werkzaamheden bij voorkeur ook buiten het broedseizoen uitgevoerd of ruim voor aanvang

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Aalten&id=1b6267d1-08f2-463e-956f-0396e0c94f4f