CConstaterende datAalten
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 3 Archeologisch bureau- en booronderzoek (geanonimiseerd)

Gemeenteraad 26 maart 2024, gemeente AaltenBij agendapunt: Voorstel tot vaststellen van het bestemmingsplan Kern Aalten, Hogestraat 34-3619.898 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

ontstonden uitgebreide

(raatakkers). Opvallend zijn de verschillen in materiële welstand (bezit van metalen

voorwerpen), die mogelijk op sociale ongelijkheid duiden. In de zogenaamde vorstengraven uit Zuid Nederland, met daarin |uxe, geïmporteerde bijgaven, zijn vermoedelijk lokale of regionale autoriteiten begraven.

De meeste

begravingen vonden nog immer plaats in urnenvelden. Tijdens de IJzertijd werd het Friese kustgebied gekoloniseerd en ontstonden de eerste terpen.

Romeinse tijd (circa 12 v. Chr. - 450 n. Chr.) Met de komst van de Romeinen

eindigt de prehistorie en begint de geschreven geschiedenis. Aangezien

de

schriftelijke bronnen slechts een zeer fragmentarisch beeld schetsen, is men toch nog in belangrijke mate aangewezen op de archeologie als informatiebron.

Een tijd lang diende het Nederlandse rivierengebied als uitvals-

basis voor veldtochten in het noorden van Germanië. In 47 n Chr. werd de Rijn definitief als Romeinse rijksgrens

ingesteld. Ter controle en verdediging van deze zogenaamde ‘limes' werden langs de Rijn, tot diep in Duitsland, ‘castella' (militaire forten) gebouwd De inheemse manier van leven handhaafde zich nog lange tijd. Wel werd, vooral na de opstand van de Bataven tegen de Romeinse overheersers n 69-70 n. Chr., de Romeinse invloed steeds duidelijker. In veel inheems-Ro-

meinse nederzettingen was bijvoorbeeld, naast het eigen handgevormde aardewerk, Romeins importaardewerk in gebruik, dat op de draaischijf was vervaardigd. Er werden, vooral in Limburg, grootse villa's (Romeinse heren-

boerderijen) gebouwd, hetzij nieuw gesticht, hetzij ontwikkeld vanuit een bestaande inheemse nederzetting.

De Romeinen legden een voor die tijd al uitgebreide infrastructuur aan, waardoor het gebied steeds beter werd ontsloten. Op verschillende plaatsen ontstonden aanzienlijke nederzettingen, waarvan

er enkele met een ste-

delijk karakter (zoals Nijmegen). De inheemse bevolking, ten noorden van de Limes, werd niet zo sterk beïnvloed door de Romeinse aanwezigheid.

Er was wel sprake van handelscontacten en het uitwisselen van geschenken

In de tweede helft van de derde eeuw ontstond, onder meer door invallen van Germaanse stammen, een insta-

biele situatie die met korte onderbrekingen voortduurde tot in de vijfde eeuw. Uiteindelijk Ieidde dt in het jaar 406 tot de definitieve ineenstorting van de grensverdediging langs de Rijn.

Middeleeuwen (circa 450-1500 n Chr.) Over de Vroege-Middeleeuwen, vooral over het tijdvak 450-600 n. Chr., is relatief weinig bekend. Zowel historische bronnen als archeologische overblijfselen zijn schaars. De bevolkingsomvang was ten opzichte van de voorafgaande periode sterk afgenomen.

De marktgerichte economie verdween en de mensen vielen terug op zelf-

voorziening. De politieke macht was na het wegvallen van de Romeinse staatsorganisatie in handen gekomen van regionale en lokale hoofdlieden.

Een gezaghebbende status was nu vooral gebaseerd op militair succes en

materiële welstand. Deze instabiele periode wordt ook wel aangeduid als de 'tijd van de volksverhuizingen'. Vanafde 10°- 11° eeuw wordt een overheersende positie van de al dan niet adellijke grootgrondbezitters waar-

genomen. Dit vertaalt zich in nieuwe nederzettingsvormen als mottes, kastelen en versterkte hoeven. In verband met de aanhoudende

bevolkingsgroei, en mede dankzij gunstige klimatologische omstandigheden,

werd een

begin gemaakt met het ontginnen van woeste gronden als bos, heide en veen. Veel van de huidige dorpen en steden dateren uit deze periode. Door de aanleg van dijken en kaden werden laaggelegen gebieden beschermd tegen wateroverlast. De heersende rivaliteit tussen de vorsten leidde, in combinatie met een zwak centraal ge-

zag, veelvuldig tot lokaal geweld, waarvan de bevolking vaak het slachtoffer werd. Door het aanleggen van burgen, schansen, landweren en wallen trachtte men zich te beveiligen.

Nieuwe tijd (1500-heden) De Nieuwe tijd kenmerkt zich door een groot aantal veranderingen vooral op het gebied van mens- en wereld-

beeld. Er is sprake van een Europese overzeese expansie wat leidt tot handelscontacten, handelskapitalisme en het begin van een wereldeconomie.

Er ontstaat een nieuwe wetenschappelijke belangstelling die resulteert in

vele uitvindingen. Deze uitvindingen vormen de motor van de industriële revolutie. Er ontstaat een nationale staat die centraal bestuurd wordt. Als gevolg van deze ontwikkelingen

neemt

het belang en de omvang van

steden toe en neemt de macht van adel af. Het grootste deel van de bevolking is niet meer werkzaam en woon-

achtig op het platteland maar in de steden. In verband met de aanhoudende bevolkingsgroei worden aan het eind van de 19° tot het begin van de 20° eeuw op grote schaal woeste gronden gecultiveerd. Door de industriële

revolutie komen steeds meer producten beschikbaar voor steeds meer mensen waardoor de welvaart stijgt. In de Nieuwe tjd vindt er eveneens een hernieuwde oriëntatie op het erfgoed van de klassieke Oudheid wat zich tot in het begin van de 20° eeuw uit in de kunsten.

plaats,

Bijlage 3.

AMZ-cyclus

Het AMZ-proces Archeologisch onderzoek in Nederland wordt in het algemeen

uitgevoerd binnen het kader van de Archeolo-

gische Monumentenzorg (AMZ). Het gehele traject van de AMZ omvat een aantal stappen die elkaar kunnen opvolgen, afhankelijk van het resultaat van de voorgaande stappen. Om inhoudelijke, prijs- en planningstechnische redenen kan er soms voor gekozen worden om bepaalde stappen gelijktijdig uit te voeren. Bovendien kan,

indien reeds voldoende gegevens bekend

zijn, een stap worden overgeslagen. Elke stap eindigt met een rapport

met daarin een advies voor de vervolgstappen. Na elke stap wordt er een besluit genomen door de bevoegde

overheid, gemeente, provincie of de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, op basis van de resultaten van het archeologisch onderzoek. Indien na een bepaalde stap blijkt dat geen nader vervolgonderzoek nodig is, wordt het archeologisch onderzoek afgesloten. Ook kan de bevoegde overheid

besluiten dat een vindplaats van zo

groot belang is, dat deze í sítu behouden moet worden. Dan dienen de archeologische resten in de grond beschermd te worden door planaanpassing of planinpassing. Het begint met het bepalen van de onderzoeksplicht. Gemeentelijke, provinciale en landelijke archeologische waardenkaarten geven aan of het plangebied in een gebied ligt met een archeologische verwachting. Indien dit

het geval is, dan zal r in het kader van de planprocedure onderzoek verricht moeten worden om te bepalen of er archeologische waarden binnen het plangebied aanwezig zijn. Hiermee start de zogenaamde AMZ-cyclus (zie schema). De eerste

fase:

Bureauonderzoek

Elk archeologisch onderzoek begint met een bureauonderzoek. Dit heeft tot doel het verwerven van informatie, aan de hand van bestaande bronnen, over bekende of verwachte archeologische waarden, binnen het plange-

bied om tot een gespecificeerd verwachtingsmodel te komen, op basis waarvan een beslissing genomen

kan

worden ten aanzien van een eventuele vervolgstap.

De tweede fase: Inventariserend VeldOnderzoek (IVO) Het doel van een IVO is het aanvullen en toetsen van het gespecificeerde verwachtingsmodel.

Het IVO moet

informatie geven over de aan- of afwezigheid, de aard, het karakter, de omvang, de datering, de gaafheid, de conservering en de inhoudelijke kwaliteit van de archeologische waarden.

Inventariserend Veldonderzoek; Booronderzoek en Veldkartering Door een booronderzoek kan er een goede inschatting gemaakt worden van de kans op archeologische waarden

(grondsporen en daarmee

samenhangende voorwerpen).

bracht

karterende

in een verkennende,

krijgen in de vormeenheden

en waarderende

Bij het booronderzoek fase.

De verkennende

is een onderscheid aange-

fase

heeft tot doel

inzicht te

van het landschap, voor zover deze van invloed zijn op de locatiekeuze. Op deze

manier worden kansarme zones uitgesloten en kansrijke zones geselecteerd voor de volgende fasen. Tijdens de karterende fase wordt het onderzoeksgebied systematisch onderzocht op de aanwezigheid van archeologische

vondsten of sporen. De waarderende fase sluit aan op de karterende fase. Het waarnemingsnet kan verdicht worden om de horizontale begrenzing, ligging en omvang van archeologische vindplaatsen vast te stellen.

Een veldkartering wordt uitgevoerd wanneer vondsten of sporen aan de oppervlakte worden verwacht en zichtbaar zijn op het moment dat het onderzoek uitgevoerd wordt. Dit type onderzoek bestaat uit het systematisch

belopen van het maaiveld van het plangebied. Inventariserend Veldonderzoek; Proefsleuven Als uit vooronderzoek blijkt dat binnen het plangebied archeologische resten aangetroffen kunnen worden kan de bevoegde overheid beslissen tot een proefsleuvenonderzoek.

Proefsleuven zijn lange sleuven van minimaal

twee tot vijf meter breed die worden aangelegd in de zones waar in de voorgaande onderzoeksfase aanwijzingen voor vindplaatsen zijn aangetroffen.

De KNA schrijft voor dat bij een dergelijk onderzoek minimaal 5% van het

te verstoren gebied onderzocht dient te worden. Variant archeologische begeleiding

Als het vooronderzoek niet voldoende informatie heeft opgeleverd om de archeologische waarde van de archeologische resten te bepalen en indien proefsleuvenonderzoek door praktische redenen niet uitvoerbaar is, kan

besloten worden tot proefsleuven variant archeologische begeleiding van de sloop- of graafwerkzaamheden. Dit betekent dat archeologen bij het graafwerk aanwezig zijn om het werk te volgen en eventuele resten te documenteren.

Wanneer tijdens de werkzaamheden vondsten (van hoge archeologische waarde) naar boven komen,

die aanleiding geven tot nader onderzoek, kan alsnog besloten worden om tot een opgraving over te gaan. De derde fase: Opgraven Indien de archeologische resten niet n situ bewaard

kunnen blijven, maar wel van belang zijn voor de weten-

schap, kan de bevoegde overheid besluiten over te gaan tot een opgraving. Het doel hiervan s volgens de KNA

het documenteren van gegevens en het veiligstellen van materiaal van vindplaatsen om daarmee informatie te behouden, die van belang is voor kennisvorming over het verleden Variant archeologische begeleiding Als het vooronderzoek niet voldoende informatie heeft opgeleverd om de archeologische waarde van de arche-

ologische resten te bepalen, kan besloten worden tot een opgraving variant archeologische begeleiding van de sloop- of graafwerkzaamheden.

Dit betekent dat archeologen

bij het graafwerk aanwezig zijn om het werk te

volgen en eventuele resten te documenteren. Wanneer tijdens de werkzaamheden vondsten (van hoge archeologische waarde) naar boven komen, die aanleiding geven tot nader onderzoek, kan alsnog besloten worden om tot een opgraving over te gaan.

Vergunningaanvraag/ruimtelijke ontwikkeling v

Toetsing aan archeologisch beleid (Gemeente, Provincie, Rijk]

Vergunningverlening indien geen onderzoek noodzake-

v

ljk wordt geacht.

Bureauonderzoek®

(verzamelen gegevensen opstellen verwachtingsmodel) v Besluit

(door de bevoegde overheid op basis van resultaten)

Bij geen of geringe kans op aanwezigheid van archeolo-

v

gie. Einde onderzoek, vrijgeven voor functie (eventueel

Inventariserend veldonderzoek*

met bouwkundige voorwaarden). Ook kan besloten wor-

v

v

Verkennend veldonderzoek

D ++

Door middel van:

- terreininspectie

dn over te gaan op het begeleiden van de graafwerkKarterend veldonderzoek

zaamheden door archeologen.***

Door middel van:

- booron-

- opperviaktekartering

derzoek**

- booronderzoek**

- proefsleuven*** v

e

Besluit

(door de bevoegde overheid op basis van resultaten)

Bij geen of geringe kans op aanwezigheid van archeologie. Einde onderzoek, vrijgeven voor functie (eventueel

v

Bewezen of hoge kansop de aanwezigheid van archeologie v

Waarderend veldonderzoek door middel van proefsleuven*** (variant begeleiding}

met bouwkundige voorwaarden). Ook kan besloten wordn over te gaan op het begeleiden van de graafwerkzaamheden door archeologen.***

v

Besluit

(door de bevoegde overheid op basis van resultaten) v

v

Opgraven**+ Verwijderen van de ar-

Beschermen Bescherming van de

cheologische

archeologie door

_ resten

door archeologen

Bij geen of geringe kans op aanwezigheid van archeologie, wel archeologische waarden aanwezig maar geen vervolgonderzoek

noodzakelijk op grond

met bouwkundige voorwaarden).

planaanpassing

(variant begeleiding) **

Combinatie bureauonderzoek en IVO verkennendeof karterende fase mogelijk, indien een PA aanwezig i. Voorafgaand aan het booronderzoek dient een PvA worden opgesteld, toetsing door de bevoegde overheid.

*** Voorafgaand aan het onderzoek dient een PvE en PvA te worden opgesteld, toetsing door de bevoegde overheid. ween

Na een verkennend booronderzoek kan de bevoegde overheid besluiten dat een aanvullend karterend bureauonderzoek

moet worden uitgevoerd. *=#*s Een combinatie van bureauonderzoek en IVO karterende en waarderende fase door middel van proefsleuven is mogelik, indien een PvA en een goedgekeurd PVE aanwezig is en met instemming van de bevoegde overheid. e

Een combinatie van bureauonderzoek en IVO karterende en waarderende fase door midde! van proefsleuven of een

IVO karterende en waarderende fase door midde! van proefsleuven s mogeljk, ndien een PvA en een goedgekeurd PVE aanwezig is en met instemming van de bevoegde overheid.

van waarde-

ring. Einde onderzoek vrijgeven voor functie (eventueel

Vanuit noordelijke richting nabij boring 2

Vanuit noordwestelijke richting nabij boring 7

Boring 1

Boring 2

Boring 3

Boring 5

Boring 6

Boring7

Boring 8

Bijlage 5.

Boorprofielen

Boorstaten

Boring:

1

2

3

Boring

4

5

e

e

e

e

s

e

s

i

o

m

o2

m

4

m

4

m

e .

S

EE s E

g

e

g

w

e e e

EE

E e

E G

dr

E

E

e

w

K

\ e E

n

e

EE

humeus, matig grndig, grisbruin,

e

n

grindhig licht orarjegeel, recent

E

e

E e

;

1m _ tinger

E

E e

e

i

s

EE EE

n

»

i

a

p

e

Zand zeer grof. zwak silig. sterk

e

e

E e

e

e

EE

a

ETE

e

S

o

z

w

5 u

grindig, lchtbeuin, 2C-horizont, grondnoreneiesmenaatealzeing

22

Zarg z 9o! zvak SE aa di. Icft grjsgeel, 2Cofzo, rondnoreneesmekatertsring

o

EE

pae

t

z

R

m

ZE Zeerii G zwak2C SE e di honzont grondmoreerissmelwalertzeting

EE

e

a

E

E

,

R

n

Boorstaten

Boring:

6

Boring

X:

226800

x

22692700

x

zaeg2s00

YE

9828600

Y

20400

VE

42200

225

miNAP

225

miNAP

Km Kikerenardng 2 Z

Z g

2

Zard a

g

zwêk G

Mumess, zwek go, eruingr. c

geroerdeertordeaag, 2

t

bolon:

n

©

Leruggestn hameus zard

geekt

baieonpui

Zare i 01 k umade, werk gm

i. zak geran

rcent

geroerdevertordeiaag,geekt resen bton.

a

donter

Zand warg 90 zvak g a Peneus, Mare gindg,gerker brange

matg go, zvak l t enetstapisaiezand 2

on

Kimeenardng 12 Z

aksteopuin

Zand maEg g,

Zandzoer go, zvak g, zwak anees, t gindi.derker e o

1eeent eroerdelaag,

Tumeus. geeipi

oeroerversoode ag,

…

Z a g a i.r zvae homacs melg p ecnt

Zand zor 90 zwa z r e oaiege

a

e

gtoremorenetssmataterazeing

Zand a g zoak g, MA humeus.zwak gnda, dorver 1e

gorsmorene

emetwaertzenng

g, ornjsgee ecert geroerdeertorde l eroggestrt

Brungre em geroeseverslorse aag gevekt osten beon: n basteerpien Zand matg l zvak s zwak tumeus, a grdg soier

geeigis, reont deroeoe verstorse aag

oom orenezandiseateratze 2

E z oker

e

Zand zee l a Slig k f I. 2Cotzer zoak z.

z o

go, e oeexerae g gereit Teen mon. o bazeergen

Geroerdevertordeaag,gevekt

Zarg zee g

gevekt

eretaertzeng

Z z 00 hunas. s

de

zeak

orier

2

recent geroerdevestoord 229 e rosten belon: e baksteonui

Zard zeor f mat s z humede, werk grng EO anerin. recent

zvak l

a grrdg rcent

gewekt

Zand zee l wak Slig e grnag. Ie glsgel, 2C-horzort gorsmorene

Zand a g zwak slig, Ie ii netiabsatezerd

gevekt

Eogen

Zand tumeas,

zeogol zwak z. z serk grnag. rungrs.

recent geroerdevestoorde gee

Zand zoo 901 z S zeak tumeus, de grnag, oriegee,

223

recent geroerdeversoord 27 oevekt

20

E

Zard zeor f zoak s a tumeus, serk gendg. rfzwer.

Zandzoe 9o zwan 9. de g, oanegeel. 2C-horzont

recnt gererdevestoorde aag oogf l ineraie le n an

Grondrereeijssmeznareratziing

e

zan

Zerd zeer g n ZC

e

natg s

Sek

onjegee

nonzont

groremorereissmelatertzstng

Zand gfodi,

marg

901

I.

maig g

de

2C-otzot

roremoreemeteertzeing

Legenda (conform NEN 5104} klei

booooo] oooooo

EEEESZ|T]

00000

zand

Grind, slktig

Klel, zwak siltig

Grind, zwak zandig

Klel, matig siktig

Grind, matig zandig

Klel, sterk siktig

Grind, sterk zandig

Klel, uiterst sltig

Grind, uiterst zandig

Klel, zwak zandig

H D O N U G E N-

Klel, matig zandig

Klel, sterk zandig

Zand, klelig

Zand, zwak

sitig

Zand, matig slltig

Leem, zwak zandig

Zand, sterk sIktig

Leem, sterk zandig

Zand, ulterst slltig

overige toevoegingen

$

Veen, mineraalarm

Veen, zwak klelig

JUU

zwak

humeus

matig humeus

sterk humeus

Veen, sterk klelig

zwakgrindig

Veen, zwak zandig

matig grindig

Veen, sterk zandig

sterk grindig

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Aalten&id=83d366e3-d15d-4a1c-a5c9-03faf0d46e74