Bijlage 3 Archeologisch bureau- en booronderzoek (geanonimiseerd)
Tekst van het document
ontstonden uitgebreide
(raatakkers). Opvallend zijn de verschillen in materiële welstand (bezit van metalen
voorwerpen), die mogelijk op sociale ongelijkheid duiden. In de zogenaamde vorstengraven uit Zuid Nederland, met daarin |uxe, geïmporteerde bijgaven, zijn vermoedelijk lokale of regionale autoriteiten begraven.
De meeste
begravingen vonden nog immer plaats in urnenvelden. Tijdens de IJzertijd werd het Friese kustgebied gekoloniseerd en ontstonden de eerste terpen.
Romeinse tijd (circa 12 v. Chr. - 450 n. Chr.) Met de komst van de Romeinen
eindigt de prehistorie en begint de geschreven geschiedenis. Aangezien
de
schriftelijke bronnen slechts een zeer fragmentarisch beeld schetsen, is men toch nog in belangrijke mate aangewezen op de archeologie als informatiebron.
Een tijd lang diende het Nederlandse rivierengebied als uitvals-
basis voor veldtochten in het noorden van Germanië. In 47 n Chr. werd de Rijn definitief als Romeinse rijksgrens
ingesteld. Ter controle en verdediging van deze zogenaamde ‘limes' werden langs de Rijn, tot diep in Duitsland, ‘castella' (militaire forten) gebouwd De inheemse manier van leven handhaafde zich nog lange tijd. Wel werd, vooral na de opstand van de Bataven tegen de Romeinse overheersers n 69-70 n. Chr., de Romeinse invloed steeds duidelijker. In veel inheems-Ro-
meinse nederzettingen was bijvoorbeeld, naast het eigen handgevormde aardewerk, Romeins importaardewerk in gebruik, dat op de draaischijf was vervaardigd. Er werden, vooral in Limburg, grootse villa's (Romeinse heren-
boerderijen) gebouwd, hetzij nieuw gesticht, hetzij ontwikkeld vanuit een bestaande inheemse nederzetting.
De Romeinen legden een voor die tijd al uitgebreide infrastructuur aan, waardoor het gebied steeds beter werd ontsloten. Op verschillende plaatsen ontstonden aanzienlijke nederzettingen, waarvan
er enkele met een ste-
delijk karakter (zoals Nijmegen). De inheemse bevolking, ten noorden van de Limes, werd niet zo sterk beïnvloed door de Romeinse aanwezigheid.
Er was wel sprake van handelscontacten en het uitwisselen van geschenken
In de tweede helft van de derde eeuw ontstond, onder meer door invallen van Germaanse stammen, een insta-
biele situatie die met korte onderbrekingen voortduurde tot in de vijfde eeuw. Uiteindelijk Ieidde dt in het jaar 406 tot de definitieve ineenstorting van de grensverdediging langs de Rijn.
Middeleeuwen (circa 450-1500 n Chr.) Over de Vroege-Middeleeuwen, vooral over het tijdvak 450-600 n. Chr., is relatief weinig bekend. Zowel historische bronnen als archeologische overblijfselen zijn schaars. De bevolkingsomvang was ten opzichte van de voorafgaande periode sterk afgenomen.
De marktgerichte economie verdween en de mensen vielen terug op zelf-
voorziening. De politieke macht was na het wegvallen van de Romeinse staatsorganisatie in handen gekomen van regionale en lokale hoofdlieden.
Een gezaghebbende status was nu vooral gebaseerd op militair succes en
materiële welstand. Deze instabiele periode wordt ook wel aangeduid als de 'tijd van de volksverhuizingen'. Vanafde 10°- 11° eeuw wordt een overheersende positie van de al dan niet adellijke grootgrondbezitters waar-
genomen. Dit vertaalt zich in nieuwe nederzettingsvormen als mottes, kastelen en versterkte hoeven. In verband met de aanhoudende
bevolkingsgroei, en mede dankzij gunstige klimatologische omstandigheden,
werd een
begin gemaakt met het ontginnen van woeste gronden als bos, heide en veen. Veel van de huidige dorpen en steden dateren uit deze periode. Door de aanleg van dijken en kaden werden laaggelegen gebieden beschermd tegen wateroverlast. De heersende rivaliteit tussen de vorsten leidde, in combinatie met een zwak centraal ge-
zag, veelvuldig tot lokaal geweld, waarvan de bevolking vaak het slachtoffer werd. Door het aanleggen van burgen, schansen, landweren en wallen trachtte men zich te beveiligen.
Nieuwe tijd (1500-heden) De Nieuwe tijd kenmerkt zich door een groot aantal veranderingen vooral op het gebied van mens- en wereld-
beeld. Er is sprake van een Europese overzeese expansie wat leidt tot handelscontacten, handelskapitalisme en het begin van een wereldeconomie.
Er ontstaat een nieuwe wetenschappelijke belangstelling die resulteert in
vele uitvindingen. Deze uitvindingen vormen de motor van de industriële revolutie. Er ontstaat een nationale staat die centraal bestuurd wordt. Als gevolg van deze ontwikkelingen
neemt
het belang en de omvang van
steden toe en neemt de macht van adel af. Het grootste deel van de bevolking is niet meer werkzaam en woon-
achtig op het platteland maar in de steden. In verband met de aanhoudende bevolkingsgroei worden aan het eind van de 19° tot het begin van de 20° eeuw op grote schaal woeste gronden gecultiveerd. Door de industriële
revolutie komen steeds meer producten beschikbaar voor steeds meer mensen waardoor de welvaart stijgt. In de Nieuwe tjd vindt er eveneens een hernieuwde oriëntatie op het erfgoed van de klassieke Oudheid wat zich tot in het begin van de 20° eeuw uit in de kunsten.
plaats,
Bijlage 3.
AMZ-cyclus
Het AMZ-proces Archeologisch onderzoek in Nederland wordt in het algemeen
uitgevoerd binnen het kader van de Archeolo-
gische Monumentenzorg (AMZ). Het gehele traject van de AMZ omvat een aantal stappen die elkaar kunnen opvolgen, afhankelijk van het resultaat van de voorgaande stappen. Om inhoudelijke, prijs- en planningstechnische redenen kan er soms voor gekozen worden om bepaalde stappen gelijktijdig uit te voeren. Bovendien kan,
indien reeds voldoende gegevens bekend
zijn, een stap worden overgeslagen. Elke stap eindigt met een rapport
met daarin een advies voor de vervolgstappen. Na elke stap wordt er een besluit genomen door de bevoegde
overheid, gemeente, provincie of de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, op basis van de resultaten van het archeologisch onderzoek. Indien na een bepaalde stap blijkt dat geen nader vervolgonderzoek nodig is, wordt het archeologisch onderzoek afgesloten. Ook kan de bevoegde overheid
besluiten dat een vindplaats van zo
groot belang is, dat deze í sítu behouden moet worden. Dan dienen de archeologische resten in de grond beschermd te worden door planaanpassing of planinpassing. Het begint met het bepalen van de onderzoeksplicht. Gemeentelijke, provinciale en landelijke archeologische waardenkaarten geven aan of het plangebied in een gebied ligt met een archeologische verwachting. Indien dit
het geval is, dan zal r in het kader van de planprocedure onderzoek verricht moeten worden om te bepalen of er archeologische waarden binnen het plangebied aanwezig zijn. Hiermee start de zogenaamde AMZ-cyclus (zie schema). De eerste
fase:
Bureauonderzoek
Elk archeologisch onderzoek begint met een bureauonderzoek. Dit heeft tot doel het verwerven van informatie, aan de hand van bestaande bronnen, over bekende of verwachte archeologische waarden, binnen het plange-
bied om tot een gespecificeerd verwachtingsmodel te komen, op basis waarvan een beslissing genomen
kan
worden ten aanzien van een eventuele vervolgstap.
De tweede fase: Inventariserend VeldOnderzoek (IVO) Het doel van een IVO is het aanvullen en toetsen van het gespecificeerde verwachtingsmodel.
Het IVO moet
informatie geven over de aan- of afwezigheid, de aard, het karakter, de omvang, de datering, de gaafheid, de conservering en de inhoudelijke kwaliteit van de archeologische waarden.
Inventariserend Veldonderzoek; Booronderzoek en Veldkartering Door een booronderzoek kan er een goede inschatting gemaakt worden van de kans op archeologische waarden
(grondsporen en daarmee
samenhangende voorwerpen).
bracht
karterende
in een verkennende,
krijgen in de vormeenheden
en waarderende
Bij het booronderzoek fase.
De verkennende
is een onderscheid aange-
fase
heeft tot doel
inzicht te
van het landschap, voor zover deze van invloed zijn op de locatiekeuze. Op deze
manier worden kansarme zones uitgesloten en kansrijke zones geselecteerd voor de volgende fasen. Tijdens de karterende fase wordt het onderzoeksgebied systematisch onderzocht op de aanwezigheid van archeologische
vondsten of sporen. De waarderende fase sluit aan op de karterende fase. Het waarnemingsnet kan verdicht worden om de horizontale begrenzing, ligging en omvang van archeologische vindplaatsen vast te stellen.
Een veldkartering wordt uitgevoerd wanneer vondsten of sporen aan de oppervlakte worden verwacht en zichtbaar zijn op het moment dat het onderzoek uitgevoerd wordt. Dit type onderzoek bestaat uit het systematisch
belopen van het maaiveld van het plangebied. Inventariserend Veldonderzoek; Proefsleuven Als uit vooronderzoek blijkt dat binnen het plangebied archeologische resten aangetroffen kunnen worden kan de bevoegde overheid beslissen tot een proefsleuvenonderzoek.
Proefsleuven zijn lange sleuven van minimaal
twee tot vijf meter breed die worden aangelegd in de zones waar in de voorgaande onderzoeksfase aanwijzingen voor vindplaatsen zijn aangetroffen.
De KNA schrijft voor dat bij een dergelijk onderzoek minimaal 5% van het
te verstoren gebied onderzocht dient te worden. Variant archeologische begeleiding
Als het vooronderzoek niet voldoende informatie heeft opgeleverd om de archeologische waarde van de archeologische resten te bepalen en indien proefsleuvenonderzoek door praktische redenen niet uitvoerbaar is, kan
besloten worden tot proefsleuven variant archeologische begeleiding van de sloop- of graafwerkzaamheden. Dit betekent dat archeologen bij het graafwerk aanwezig zijn om het werk te volgen en eventuele resten te documenteren.
Wanneer tijdens de werkzaamheden vondsten (van hoge archeologische waarde) naar boven komen,
die aanleiding geven tot nader onderzoek, kan alsnog besloten worden om tot een opgraving over te gaan. De derde fase: Opgraven Indien de archeologische resten niet n situ bewaard
kunnen blijven, maar wel van belang zijn voor de weten-
schap, kan de bevoegde overheid besluiten over te gaan tot een opgraving. Het doel hiervan s volgens de KNA
het documenteren van gegevens en het veiligstellen van materiaal van vindplaatsen om daarmee informatie te behouden, die van belang is voor kennisvorming over het verleden Variant archeologische begeleiding Als het vooronderzoek niet voldoende informatie heeft opgeleverd om de archeologische waarde van de arche-
ologische resten te bepalen, kan besloten worden tot een opgraving variant archeologische begeleiding van de sloop- of graafwerkzaamheden.
Dit betekent dat archeologen
bij het graafwerk aanwezig zijn om het werk te
volgen en eventuele resten te documenteren. Wanneer tijdens de werkzaamheden vondsten (van hoge archeologische waarde) naar boven komen, die aanleiding geven tot nader onderzoek, kan alsnog besloten worden om tot een opgraving over te gaan.
Vergunningaanvraag/ruimtelijke ontwikkeling v
Toetsing aan archeologisch beleid (Gemeente, Provincie, Rijk]
Vergunningverlening indien geen onderzoek noodzake-
v
ljk wordt geacht.
Bureauonderzoek®
(verzamelen gegevensen opstellen verwachtingsmodel) v Besluit
(door de bevoegde overheid op basis van resultaten)
Bij geen of geringe kans op aanwezigheid van archeolo-
v
gie. Einde onderzoek, vrijgeven voor functie (eventueel
Inventariserend veldonderzoek*
met bouwkundige voorwaarden). Ook kan besloten wor-
v
v
Verkennend veldonderzoek
D ++
Door middel van:
- terreininspectie
dn over te gaan op het begeleiden van de graafwerkKarterend veldonderzoek
zaamheden door archeologen.***
Door middel van:
- booron-
- opperviaktekartering
derzoek**
- booronderzoek**
- proefsleuven*** v
e
Besluit
(door de bevoegde overheid op basis van resultaten)
Bij geen of geringe kans op aanwezigheid van archeologie. Einde onderzoek, vrijgeven voor functie (eventueel
v
Bewezen of hoge kansop de aanwezigheid van archeologie v
Waarderend veldonderzoek door middel van proefsleuven*** (variant begeleiding}
met bouwkundige voorwaarden). Ook kan besloten wordn over te gaan op het begeleiden van de graafwerkzaamheden door archeologen.***
v
Besluit
(door de bevoegde overheid op basis van resultaten) v
v
Opgraven**+ Verwijderen van de ar-
Beschermen Bescherming van de
cheologische
archeologie door
_ resten
door archeologen
Bij geen of geringe kans op aanwezigheid van archeologie, wel archeologische waarden aanwezig maar geen vervolgonderzoek
noodzakelijk op grond
met bouwkundige voorwaarden).
planaanpassing
(variant begeleiding) **
Combinatie bureauonderzoek en IVO verkennendeof karterende fase mogelijk, indien een PA aanwezig i. Voorafgaand aan het booronderzoek dient een PvA worden opgesteld, toetsing door de bevoegde overheid.
*** Voorafgaand aan het onderzoek dient een PvE en PvA te worden opgesteld, toetsing door de bevoegde overheid. ween
Na een verkennend booronderzoek kan de bevoegde overheid besluiten dat een aanvullend karterend bureauonderzoek
moet worden uitgevoerd. *=#*s Een combinatie van bureauonderzoek en IVO karterende en waarderende fase door middel van proefsleuven is mogelik, indien een PvA en een goedgekeurd PVE aanwezig is en met instemming van de bevoegde overheid. e
Een combinatie van bureauonderzoek en IVO karterende en waarderende fase door midde! van proefsleuven of een
IVO karterende en waarderende fase door midde! van proefsleuven s mogeljk, ndien een PvA en een goedgekeurd PVE aanwezig is en met instemming van de bevoegde overheid.
van waarde-
ring. Einde onderzoek vrijgeven voor functie (eventueel
Vanuit noordelijke richting nabij boring 2
Vanuit noordwestelijke richting nabij boring 7
Boring 1
Boring 2
Boring 3
Boring 5
Boring 6
Boring7
Boring 8
Bijlage 5.
Boorprofielen
Boorstaten
Boring:
1
2
3
Boring
4
5
e
e
e
e
s
e
s
i
o
m
o2
m
4
m
4
m
e .
S
EE s E
g
e
g
w
e e e
EE
E e
E G
dr
E
E
e
w
K
\ e E
n
e
EE
humeus, matig grndig, grisbruin,
e
n
grindhig licht orarjegeel, recent
E
e
E e
;
1m _ tinger
E
E e
e
i
s
EE EE
n
»
i
a
p
e
Zand zeer grof. zwak silig. sterk
e
e
E e
e
e
EE
a
ETE
e
S
o
z
w
5 u
grindig, lchtbeuin, 2C-horizont, grondnoreneiesmenaatealzeing
22
Zarg z 9o! zvak SE aa di. Icft grjsgeel, 2Cofzo, rondnoreneesmekatertsring
o
EE
pae
t
z
R
m
ZE Zeerii G zwak2C SE e di honzont grondmoreerissmelwalertzeting
EE
e
a
E
E
,
R
n
Boorstaten
Boring:
6
Boring
X:
226800
x
22692700
x
zaeg2s00
YE
9828600
Y
20400
VE
42200
225
miNAP
225
miNAP
Km Kikerenardng 2 Z
Z g
2
Zard a
g
zwêk G
Mumess, zwek go, eruingr. c
geroerdeertordeaag, 2
t
bolon:
n
©
Leruggestn hameus zard
geekt
baieonpui
Zare i 01 k umade, werk gm
i. zak geran
rcent
geroerdevertordeiaag,geekt resen bton.
a
donter
Zand warg 90 zvak g a Peneus, Mare gindg,gerker brange
matg go, zvak l t enetstapisaiezand 2
on
Kimeenardng 12 Z
aksteopuin
Zand maEg g,
Zandzoer go, zvak g, zwak anees, t gindi.derker e o
1eeent eroerdelaag,
Tumeus. geeipi
oeroerversoode ag,
…
Z a g a i.r zvae homacs melg p ecnt
Zand zor 90 zwa z r e oaiege
a
e
gtoremorenetssmataterazeing
Zand a g zoak g, MA humeus.zwak gnda, dorver 1e
gorsmorene
emetwaertzenng
g, ornjsgee ecert geroerdeertorde l eroggestrt
Brungre em geroeseverslorse aag gevekt osten beon: n basteerpien Zand matg l zvak s zwak tumeus, a grdg soier
geeigis, reont deroeoe verstorse aag
oom orenezandiseateratze 2
E z oker
e
Zand zee l a Slig k f I. 2Cotzer zoak z.
z o
go, e oeexerae g gereit Teen mon. o bazeergen
Geroerdevertordeaag,gevekt
Zarg zee g
gevekt
eretaertzeng
Z z 00 hunas. s
de
zeak
orier
2
recent geroerdevestoord 229 e rosten belon: e baksteonui
Zard zeor f mat s z humede, werk grng EO anerin. recent
zvak l
a grrdg rcent
gewekt
Zand zee l wak Slig e grnag. Ie glsgel, 2C-horzort gorsmorene
Zand a g zwak slig, Ie ii netiabsatezerd
gevekt
Eogen
Zand tumeas,
zeogol zwak z. z serk grnag. rungrs.
recent geroerdevestoorde gee
Zand zoo 901 z S zeak tumeus, de grnag, oriegee,
223
recent geroerdeversoord 27 oevekt
20
E
Zard zeor f zoak s a tumeus, serk gendg. rfzwer.
Zandzoe 9o zwan 9. de g, oanegeel. 2C-horzont
recnt gererdevestoorde aag oogf l ineraie le n an
Grondrereeijssmeznareratziing
e
zan
Zerd zeer g n ZC
e
natg s
Sek
onjegee
nonzont
groremorereissmelatertzstng
Zand gfodi,
marg
901
I.
maig g
de
2C-otzot
roremoreemeteertzeing
Legenda (conform NEN 5104} klei
booooo] oooooo
EEEESZ|T]
00000
zand
Grind, slktig
Klel, zwak siltig
Grind, zwak zandig
Klel, matig siktig
Grind, matig zandig
Klel, sterk siktig
Grind, sterk zandig
Klel, uiterst sltig
Grind, uiterst zandig
Klel, zwak zandig
H D O N U G E N-
Klel, matig zandig
Klel, sterk zandig
Zand, klelig
Zand, zwak
sitig
Zand, matig slltig
Leem, zwak zandig
Zand, sterk sIktig
Leem, sterk zandig
Zand, ulterst slltig
overige toevoegingen
$
Veen, mineraalarm
Veen, zwak klelig
JUU
zwak
humeus
matig humeus
sterk humeus
Veen, sterk klelig
zwakgrindig
Veen, zwak zandig
matig grindig
Veen, sterk zandig
sterk grindig