CConstaterende datAalten
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2 - concept verordening Sociaal Domein 2026

Gemeenteraad 16 december 2025, gemeente AaltenBij agendapunt: Voorstel verordening Sociaal Domein 202622.809 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Verordening Sociaal Domein gemeente Aalten 2026 De Raad van gemeente Aalten; gezien het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. 28 oktober 2025; gelet op de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015; de Jeugdwet; de Participatiewet, de Wet Gemeentelijke Schuldhulpverlening, de Leerplichtwet 1969, de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg, de Algemene wet bestuursrecht en de Gemeentewet; Besluit: Vast te stellen de Verordening Sociaal Domein Gemeente Aalten 2026.

Inhoudsopgave Bladzijde Hoofdstuk 1. § 1.1 § 1.2 § 1.3 § 1.4 § 1.5

Inleiding Verordening Sociaal Domein gemeente Aalten Waarom deze regels. Participatiewet Uitgangspunten Kernwaarden Artikel en wet

3 3 3 3 4 4

Hoofdstuk 2. § 2.1

De manier waarop hulp kan worden verkregen Het verkrijgen van hulp op grond van de Wet maatschappelijke Ondersteuning 2015 Het verkrijgen van hulp op grond van de Jeugdwet Hulp in het geval van huiselijk geweld, kindermishandeling of verward gedrag

5

Hoofdstuk 3. § 3.1 § 3.2 § 3.3 § 3.4 § 3.5 § 3.6

Gezond en veilig opgroeien Uitgangspunten jeugdhulp Preventie Individuele voorzieningen jeugdhulp Afstemming met andere voorzieningen Eigen kracht jeugdhulp Overgang van 18- naar 18+

12 12 12 13 14 15 16

Hoofdstuk 4. § 4.1 § 4.2

Wonen in een veilige en gezonde omgeving Uitgangspunten Zelfstandig en veilig wonen

18 18 19

Hoofdstuk 5. § 5.1 § 5.2 § 5.3

Participatie Werk Meedoen Mantelzorg

21 21 21

Hoofdstuk 6. § 6.1 § 6.2 § 6.3

Inkomensondersteuning en schulden Armoedebeleid en schuldenbeleid Bijzondere bijstand Collectieve zorgverzekering

23 23 23 24

§ 2.2 § 2.3

Verordening Sociaal Domein gemeente Aalten 2026

5 8 11

1

§ 6.4 § 6.5 § 6.6 § 6.7

Individuele inkomenstoeslag Kindpakket Meedoenregeling Schuldhulpverlening

24 25 25 26

Hoofdstuk 7. § 7.1 § 7.2 § 7.3 § 7.4

De vorm van de hulp Zorg in natura Hulp in geld (financiële tegemoetkoming, onkostenvergoeding) Hulp in de vorm van een Persoonsgebonden budget (Pgb) De hoogte van de hulp in geld, de hoogte van het Pgb en de eigen bijdrage

27 27 27 28

Hoofdstuk 8. § 8.1 § 8.2 § 8.3

Afspraken tussen inwoner en gemeente Hoe gaan we met elkaar om? Wijziging, beëindiging en terugvordering van de voorziening Hoe controleert de gemeente of de afspraken worden nagekomen?

32 32 33 34

Hoofdstuk 9. § 9.1 § 9.2 § 9.3

Inspraak en inwonerparticipatie Inspraak van inwoners Sociale raad Inspraak bij aanbieders

36 36 36 38

Hoofdstuk 10.

Kritiek op de uitvoering

39

Hoofdstuk 11.

Kwaliteit, inkoop en aanbesteding

41

Hoofdstuk 12.

Over deze verordening

43

Hoofdstuk 13.

Begrippenlijst

45

Verordening Sociaal Domein gemeente Aalten 2026

29

2

Hoofdstuk 1 Inleiding Verordening Sociaal Domein gemeente Aalten Deze verordening geeft gemeentelijke regels over de volgende onderwerpen: • • • •

Gezond en veilig opgroeien Wonen in een veilige en gezonde omgeving Meedoen in de samenleving Hulp bij het oplossen van schulden

§ 1.1 Waarom deze regels? In de gemeente Aalten vinden we het belangrijk, dat: • mensen actief mee kunnen doen aan het maatschappelijk leven of aan het werk kunnen gaan; • mensen in ieder geval een minimum inkomen hebben; • mensen hun financiën op orde hebben; • mensen een huishouding kunnen voeren en voor zichzelf kunnen zorgen; • mensen een geschikte en schone woonruimte hebben, waarin zij zo lang mogelijk zelfstandig en veilig kunnen wonen; en • kinderen gezond en veilig kunnen opgroeien. Het is de taak van de gemeente om haar inwoners daarbij te helpen. De wetgever heeft wetten gemaakt om dit te bereiken. Het gaat om de: • Participatiewet (Pw), • Wet gemeentelijke schuldhulpverlening (Wgs); • Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo); • Jeugdwet (Jw); • Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz); • Leerplichtwet 1969 (Lpw); • Algemene wet bestuursrecht (Awb); en • Gemeentewet (Gemw). De regels in deze verordening vullen de wettelijke regels aan. Het zijn regels op hoofdlijnen die de gemeenteraad heeft vastgesteld. Soms zijn er nog extra regels nodig waarin bepaalde zaken worden uitgewerkt. Ook dat is in deze verordening geregeld. In het Financieel besluit Sociaal Domein gemeente Aalten zijn de geldende tarieven en vergoedingen voor de diverse voorzieningen vastgelegd. Dit besluit wordt jaarlijks door het college geactualiseerd en opnieuw vastgesteld.

§ 1.2 Participatiewet Deze verordening geeft geen gemeentelijke regels over de Participatiewet (behalve de inkomensondersteuning). Inwoners van de gemeente Aalten worden voor een bijstandsuitkering en passend werk geholpen door Laborijn. Laborijn is een samenwerkingsverband van verschillende gemeenten in de Achterhoek. Deze gemeenten hebben de afgelopen jaren samen regels afgesproken en verordeningen opgesteld die over de Participatiewet gaan. Deze regels worden in deze verordening niet opnieuw benoemd.

§ 1.3 Uitgangspunten De regels in deze verordening zijn geschreven vanuit een aantal uitgangspunten. De regels: 1. zijn bedoeld om de bovengenoemde doelen te realiseren; 2. zijn goed leesbaar; 3. regelen niet meer dan nodig is; 4. houden de administratieve lasten van gemeente en inwoners zo laag mogelijk; 5. kunnen goed uitgevoerd worden en zijn duidelijk voor de inwoners; 6. zijn onderling afgestemd op elkaar; 7. respecteren de genoemde wetten, maar geven daar wel een invulling aan die nodig is om de doelen van de wetgever te realiseren of belangrijke internationale regels na te komen.

Verordening Sociaal Domein gemeente Aalten 2026

3

§ 1.4 Kernwaarden Bij het toepassen van de regels uit deze verordening houdt de gemeente rekening met de doelen van de genoemde wetten. De gemeente zorgt ervoor dat het resultaat van een besluit recht doet aan die doelen. De gemeente gaat daarbij uit van de volgende kernwaarden: 1. Inwoners zijn in de eerste plaats zelf verantwoordelijk om de genoemde doelen te realiseren. 2. Inwoners zetten zich ervoor in om deze doelen te bereiken. 3. De gemeente helpt waar dat nodig is en stimuleert inwoners om zelf oplossingen te vinden voor problemen, bijvoorbeeld met hulp van familie, vrienden en bekenden (het sociaal netwerk). 4. Kwetsbare groepen, zoals kinderen en inwoners met een beperking, krijgen als dat nodig is hulp om hun talenten te ontwikkelen en mee te doen aan de samenleving. 5. De gemeente maakt de hulp makkelijk bereikbaar. Per hoofdstuk wordt aangegeven welke van deze en andere kernwaarden de basis van de regels vormen. De kernwaarden vormen een extra toets voor het nemen van besluiten. De begrippen die in deze verordening worden gebruikt, worden toegelicht in hoofdstuk 13.

§ 1.5 Artikel en wet Deze verordening is gebaseerd op de wetten die bij 1.1 zijn genoemd. Niet alle wetten zijn op ieder artikel van toepassing. Dat verschilt per artikel.

Verordening Sociaal Domein gemeente Aalten 2026

4

Hoofdstuk 2. De manier waarop hulp kan worden verkregen. Dit hoofdstuk gaat over de manier waarop een inwoner aan de gemeente hulp kan vragen. In § 2.1 beschrijven wij dat voor de Wet maatschappelijke ondersteuning 2025 (verder: Wmo) en in § 2.2 voor de Jeugdwet. Uitgelegd wordt hoe de inwoner een hulpvraag kan stellen, wat de gemeente van de inwoner verwacht, welke omstandigheden van belang zijn voor beoordeling van de hulpvraag en wanneer de gemeente op de hulpvraag een besluit neemt. In § 2.3 is beschreven hoe hulp kan worden ingeroepen in het geval van huiselijk geweld, kindermishandeling of voor personen met verward gedrag Uitgangspunt is dat alle hulpvragen die de inwoner heeft in één keer kunnen worden gesteld. De gemeente doet zijn best om alle hulpvragen in samenhang te behandelen en de besluiten over de verschillende hulpvragen zoveel mogelijk op elkaar af te stemmen. De gemeente zorgt ervoor dat de hulp aansluit bij andere vormen van hulp die aan de inwoner worden gegeven. Om dat te bereiken maakt de gemeente afspraken met hulpverleners, instellingen, zorgverzekeraars en andere personen of organisaties. Kernwaarden • De gemeente maakt hulp makkelijk bereikbaar. • De gemeente vraagt niet meer informatie dan nodig is. • De gemeente gaat zorgvuldig om met de inwoner. • De inwoner is zelf verantwoordelijk, de gemeente helpt als dat nodig is.

• De eigen mogelijkheden en hulp van het sociaal netwerk van de inwoner gaan voor.

§ 2.1 Het verkrijgen van hulp op grond van de Wmo. 2.1.1 Het melden van een hulpvraag op grond van Wmo Inwoners die hulp nodig hebben kunnen zich melden bij de gemeente. De inwoner kan deze melding schriftelijk, mondeling, telefonisch of digitaal doen. Het is ook mogelijk dat iemand anders een melding namens de inwoner doet. De gemeente zorgt ervoor, dat inwoners goed worden geïnformeerd over de mogelijkheden om een melding te doen. 2.1.2 Doel en procedure bij een melding op grond van de Wmo Het doel van de melding is om de hulpvraag met de inwoner te bespreken en te onderzoeken of er hulp nodig is. De gemeente bevestigt de melding aan de inwoner en nodigt de inwoner uit voor een gesprek, tenzij dit niet nodig is. In de uitnodiging maakt de gemeente duidelijk waar en wanneer het gesprek plaatsvindt en waarover het gesprek zal gaan. Het gesprek kan bij de inwoner thuis zijn, als de inwoner dit wil of als dat van belang is voor de hulpvraag. De gemeente geeft informatie over de mogelijkheid voor inwoners om zonder kosten hulp te krijgen van een onafhankelijke deskundige clientondersteuner. Daarnaast informeert de gemeente de inwoner over de mogelijkheid om zelf een plan op te stellen waarin hij uitlegt hoe zijn persoonlijke situatie is en wat hij wil bereiken met zijn vraag (dit noemen we een persoonlijk plan).

2.1.3 Noodzakelijke gegevens De gemeente verzamelt voor het gesprek alle gegevens die nodig zijn over de situatie van de inwoner en het daaropvolgende onderzoek. Als het gaat om gegevens die de gemeente niet zelf kan inzien of verkrijgen, dan vraagt de gemeente aan de inwoner om die gegevens binnen een bepaalde termijn aan te leveren. Bij de uitnodiging voor het gesprek wordt duidelijk gemaakt welke gegevens dat zijn. 2.1.4 Het gesprek na de melding op grond van de Wmo Een inwoner die zich heeft gemeld bij de gemeente, krijgt een uitnodiging voor een gesprek met een medewerker van de gemeente. De medewerker maakt een afspraak voor het gesprek. De medewerker zet zich ervoor in, dat dit gesprek zo snel mogelijk en maximaal binnen 6 weken na de melding plaatsvindt. Het gesprek kan telefonisch plaatsvinden als dat voldoende is. Bij de start van het gesprek identificeert de inwoner zich met een geldig identiteitsbewijs. De medewerker informeert de inwoner bij dat gesprek over de gang van zaken. Het doel van het gesprek is om een goed beeld te krijgen van de persoonlijke situatie van de inwoner, van zijn hulpvraag en het effect dat de inwoner met de hulp wil bereiken. Als de inwoner een

Verordening Sociaal Domein gemeente Aalten 2026

5

persoonlijk plan heeft gemaakt, betrekt de medewerker dit bij het gesprek. De inwoner kan iemand (bijvoorbeeld een familielid) vragen om bij het gesprek aanwezig te zijn. 2.1.5 De inhoud van het gesprek 1. De medewerker bespreekt met de inwoner welke hulpvraag hij heeft en welk effect hij wil bereiken. In het gesprek onderzoekt de medewerker: a. de behoefte van de inwoner: wat is er nodig? b. de persoonlijke situatie van de inwoner: hoe ziet die eruit en wat betekent dit voor het gewenste effect? c. de (on)mogelijkheden van de inwoner: (hoe) kan de inwoner zelf bijdragen aan de oplossing van de hulpvraag? d. de omgeving van de inwoner: welke hulp kunnen huisgenoten of andere mensen in het sociaal netwerk of organisaties bieden, en hoe kan er met de gemeente worden samengewerkt om de inwoner goed te helpen? 2. De medewerker informeert de inwoner over de mogelijkheden van de gemeente om de persoonlijke situatie van de inwoner te verbeteren. Ook informeert de medewerker de inwoner over de mogelijkheden die er zijn om in bepaalde gevallen te kiezen voor een persoonsgebonden budget (Pgb), zie § 7.3. De medewerker betrekt deze zaken bij het onderzoek naar de hulpvraag. 3. Als het nodig is betrekt de medewerker ook anderen bij het gesprek.

Het kan dan gaan om deskundigen, een onafhankelijke cliëntondersteuner, iemand die de inwoner vertegenwoordigt, een of meer mantelzorgers of familie. Als de inwoner mantelzorg krijgt gaat de gemeente na of er maatregelen genomen moeten worden om die mantelzorger te ondersteunen. 2.1.6 Het verslag 1. Binnen 2 weken na het gesprek stuurt de medewerker de inwoner een ondersteuningsplan met daarin een verslag van het gesprek en de uitkomsten van het onderzoek naar de hulpvraag en naar de persoonlijke situatie van de inwoner. 2. Als de medewerker meer informatie nodig heeft voor het ondersteuningsplan, waardoor dit niet binnen 2 weken kan worden toegestuurd, dan wordt de inwoner hierover schriftelijk geïnformeerd. 3. Uit het ondersteuningsplan blijkt welk effect de inwoner wil bereiken en hoe dat kan worden gerealiseerd. Daarbij wordt gekeken naar de korte en naar de lange termijn. 4. De inwoner ondertekent het ondersteuningsplan en stuurt dit naar de gemeente. Als de inwoner het niet eens is met het ondersteuningsplan kan hij dat daarop aangeven en het voor gezien ondertekenen. 2.1.7 De aanvraag voor hulp op grond van de Wmo. Het doel van de aanvraag is te bepalen of de gemeente hulp verleent en welke vorm die hulp dan heeft. 1. Als de inwoner een maatwerkvoorziening van de gemeente wil ontvangen, kan hij dit aangeven op het ondertekende ondersteuningsplan.

De gemeente ziet het ondersteuningsplan als een aanvraag. 2. De gemeente kan besluiten dat ook voor bepaalde andere vormen van hulp melding en aanvraag op hetzelfde moment worden gedaan. Inwoners kunnen dan bij de melding direct een aanvraag indienen. Een apart onderzoek naar en een gesprek over die andere vormen van hulp zijn dan niet nodig. 2.1.8 De aanvraag voor een maatwerkvoorziening 1. Vraagt de inwoner een maatwerkvoorziening aan, dan gelden in ieder geval de volgende voorwaarden: a. De hulp is noodzakelijk om (één van) de doelen van de in artikel 1.1 genoemde wetten te bereiken; b. De inwoner heeft geen mogelijkheden om het gewenste effect op eigen kracht te bereiken. Hij kan dit effect ook niet bereiken met gebruikelijke hulp of mantelzorg van huisgenoten, hulp van andere personen uit het sociaal netwerk of met hulp van andere voorzieningen of organisaties; en c. De hulp past bij het gewenste effect en de persoonlijke situatie van de inwoner; d. Het is een individuele voorziening (maatwerkvoorziening). 2. De maatwerkvoorziening is voldoende in inzet en van kwaliteit, zodat de inwoner het gewenste effect kan bereiken. 3. De maatwerkvoorziening is niet duurder dan nodig, duurt niet langer dan nodig en is passend om langdurig het gewenste effect te bereiken. 4.

De gemeente kan een maatwerkvoorziening weigeren als de inwoner iets (niet) heeft gedaan waardoor hij de hulpvraag zelf heeft veroorzaakt en hij dit had kunnen voorzien. De gemeente kan een maatwerkvoorziening ook weigeren, als een inwoner de gevraagde hulp zelf heeft ingeroepen of

Verordening Sociaal Domein gemeente Aalten 2026

6

aangeschaft zonder dat de gemeente daarvoor vooraf toestemming heeft gegeven. Als die weigering betekent dat de inwoner grote problemen zal krijgen (“onevenredig nadeel ervaart”), dan kan de gemeente de maatwerkvoorziening wel toekennen. 2.1.9 Advisering De gemeente zorgt ervoor dat de medewerker die een melding en aanvraag behandelt de deskundigheid heeft die nodig is om deze goed te kunnen behandelen. Als de medewerker die deskundigheid niet heeft zorgt de gemeente ervoor dat een deskundige een advies uitbrengt. Dit advies (deskundig oordeel) betrekt de gemeente bij de beoordeling van de aanvraag. 2.1.10 De beoordeling van de aanvraag 1. Bij het beoordelen van de aanvraag betrekt de gemeente alle gegevens die van belang zijn. Het gaat onder meer om gegevens over: a. de behoeften van de inwoner; b. de (on)mogelijkheden van de inwoner; c. de persoonlijke situatie van de inwoner; d. de mogelijkheden van het sociaal netwerk, andere organisaties en de gemeente. 2. Het gespreksverslag en een eventueel persoonlijk plan vormen het uitgangspunt voor de beoordeling van een aanvraag 3. Om te bepalen of de gemeente hulp verleent houdt de gemeente onderstaande volgorde aan: a. De gemeente kijkt wat de precieze hulpvraag is en stelt vast welk resultaat de inwoner wil bereiken; b.

De gemeente onderzoekt welke problemen iemand heeft met zelfredzaamheid, deelname aan de maatschappij of bij het zichzelf redden in de samenleving; c. De gemeente bekijkt welke soort en hoeveel ondersteuning nodig is, zodat de inwoner weer goed voor zichzelf kan zorgen, kan meedoen in de maatschappij en zich kan redden in de samenleving; d. De gemeente onderzoekt of eigen kracht, gebruikelijke hulp, mantelzorg, hulp uit het sociale netwerk of een algemene of voorliggende voorziening voldoende is om de hulpvraag op te lossen; e. De gemeente controleert of er verder nog iets moet worden gecompenseerd met een maatwerkvoorziening. 4. Voor iedere stap geldt, dat de gemeente de deskundigheid inzet die nodig is om die stap goed te kunnen afronden. Is er bijzondere deskundigheid nodig, dan zet de gemeente die in. De gemeente stelt de inwoner ervan op de hoogte welke deskundigheid er op welk moment nodig is en ingezet wordt. 2.1.11 Afstemming met andere vormen van hulp. De gemeente zorgt ervoor dat de hulp aansluit bij andere vormen van hulp die aan de inwoner worden gegeven. Om dat te bereiken kan de gemeente afspraken maken met hulpverleners, instellingen, zorgverzekeraars en andere personen of organisaties.

Die afspraken kunnen onder andere gaan over: • procedures die gelden bij doorverwijzing naar hulp; • communicatie met andere organisaties; • afbakening van taken en verantwoordelijkheden; • een goede aansluiting tussen vrij toegankelijke hulp en de maatwerkvoorziening; De afspraken kunnen worden vastgelegd in een plan of in een andere geschikte vorm. 2.1.12 De beslistermijn 1. De gemeente beslist zo snel mogelijk, maar in ieder geval binnen 2 weken nadat de aanvraag is ontvangen en in ieder geval binnen 8 weken na de melding. 2. De beslistermijn kan schriftelijk worden verlengd als de inwoner niet voldoende gegevens heeft verstrekt en hij hierop door de gemeente is gewezen. Als de gemeente een besluit niet binnen de vastgestelde termijn kan nemen, dan noemt de gemeente een nieuwe termijn waarbinnen het besluit zal worden genomen. 2.1.13 De inhoud van het besluit 1. De gemeente stelt een besluit vast (beschikking) en stuurt deze per brief naar de inwoner. Het doel van dit besluit is dat de inwoner te weten komt of er wel of geen hulp wordt toegekend. Als de gemeente hulp toekent, staat in het besluit ook of de hulp in natura, in de vorm van een persoonsgebonden budget (Pgb), in geld of op een andere manier wordt gegeven. Hulp in natura betekent dat de hulp (een dienst

Verordening Sociaal Domein gemeente Aalten 2026

7

of een product) gegeven wordt door de gemeente zelf of een aanbieder waar de gemeente een contract mee heeft. 2. In Hoofdstuk 7 is beschreven wat in de beschikking in ieder geval moet worden vastgelegd.

§ 2.2 Het verkrijgen van hulp op grond van de Jeugdwet. Anders dan bij de Wmo begint de procedure voor het verkrijgen van jeugdhulp niet met een melding maar met een aanvraag. 2.2.1 De aanvraag voor jeugdhulp 1. Jeugdigen en ouders kunnen met hun hulpvraag terecht bij de gemeente. 2. Het eerste contact over de hulpvraag wordt direct aangemerkt als een aanvraag in de zin van de Algemene wet bestuursrecht als die voldoet aan de daarvoor geldende eisen. 3. De gemeente merkt een ondertekend verslag van het gesprek als bedoeld in artikel 2.2.5 aan als een aanvraag als er, gelet op het tweede lid, nog geen aanvraag is ingediend en dit daarop door de belanghebbende is aangegeven. 4. Als een jeugdige of zijn ouder(s) of zijn wettelijk vertegenwoordiger jeugdhulp zelf wil inkopen met een Pgb dan dient hij daartoe een Pgb-budgetplan in als bedoeld in artikel 7.3.1. Een door de jeugdige of zijn ouder(s) of zijn wettelijk vertegenwoordiger ondertekend Pgb-budgetplan wordt aangemerkt als aanvraag voor een Pgb. 2.2.2 Onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren 1.

Als bij de gemeente een aanvraag voor een individuele voorziening wordt ingediend, voert de gemeente in samenspraak met de jeugdige of zijn ouder(s) of zijn wettelijke vertegenwoordiger zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen zes weken, een onderzoek uit overeenkomstig het tweede tot en met zevende lid en maakt zo spoedig mogelijk een afspraak voor een gesprek. In overleg met de gemeente kunnen de jeugdige of zijn ouder(s) of zijn wettelijk vertegenwoordiger de aanvraag tijdens het onderzoek wijzigen. 2. De gemeente wijst voor het onderzoek op de mogelijkheid om gebruik te maken van een vertrouwenspersoon als bedoeld in artikel 2.5, van de Jeugdwet en van gratis cliëntondersteuning als bedoeld in artikel 2.2.4, van de Wmo. 3. Voordat het onderzoek van start gaat kunnen de jeugdige of zijn ouder(s) de gemeente een familiegroepsplan verstrekken. De gemeente brengt hen van deze mogelijkheid op de hoogte en stelt hen gedurende twee weken na de aanvraag in de gelegenheid het familiegroepsplan te overhandigen. Als de jeugdige of zijn ouder(s) daarom verzoeken zorgt de gemeente voor ondersteuning bij het opstellen van het familiegroepsplan. 4. De gemeente kan in overleg met de jeugdige, zijn ouder(s) of zijn wettelijke vertegenwoordiger afzien van een onderzoek als de aanvraag wordt ingetrokken. Dat wordt schriftelijk bevestigd. 5.

De gemeente bespreekt met de inwoner de vraag om ondersteuning en het effect dat de inwoner met de vraag om ondersteuning wil bereiken. De gemeente onderzoekt: a. De behoefte van de inwoner: wat is er nodig? b. De persoonlijke situatie van de inwoner: hoe ziet die eruit? En wat betekent dit voor het effect dat de inwoner wil bereiken? c. De (on)mogelijkheden van de inwoner: (hoe) kan de inwoner zelf bijdragen aan de oplossing van het probleem? d. Andere mogelijkheden: kan de inwoner gebruik maken van voorzieningen uit andere wetten, algemene (of vrij toegankelijke) voorzieningen of voorliggende voorzieningen. e. De omgeving van de inwoner: welke ondersteuning kan het sociale netwerk bieden? f. De rol van de gemeente: welke ondersteuning kan de gemeente bieden? g. De rol van de inwoner: welke rechten en plichten heeft de inwoner? 6. Als de jeugdige of zijn ouder(s) of zijn wettelijke vertegenwoordiger een familiegroepsplan aan de gemeente hebben overhandigd, betrekt de gemeente dat plan bij het onderzoek. Bij het onderzoek wordt ook de jeugdige zoveel mogelijk betrokken en gehoord. 7. Bij het onderzoek wordt aan de jeugdige of zijn ouder(s) of zijn wettelijke vertegenwoordiger meegedeeld welke mogelijkheden er bestaan om te kiezen voor de verstrekking van een Pgb. Zij worden in begrijpelijke bewoordingen ingelicht over de gevolgen van die keuze.

Verordening Sociaal Domein gemeente Aalten 2026

8

2.2.3 Voorbereiding van de besluitvorming, deskundig oordeel en, advies 1. De gemeente wint, met in achtneming van artikel 2.1 van het Besluit Jeugdwet, een specifiek deskundig oordeel en advies in als het onderzoek of de beoordeling van een aanvraag dit vereist. 2. De gemeente zorgt ervoor dat de medewerker die de aanvraag behandelt de deskundigheid heeft die nodig is om de aanvraag goed te kunnen behandelen. De medewerker die aanvragen voor jeugdhulp beoordeelt is in ieder geval SKJ of BIG geregistreerd. Als de medewerker die deskundigheid niet heeft, zorgt de gemeente ervoor dat iemand die wel deskundig is een advies uitbrengt. Dit advies betrekt de gemeente bij de beoordeling van de aanvraag. 3. De gemeente zorgt ervoor dat het onderzoek en de voorbereiding van de besluitvorming via de gemeente op zorgvuldige wijze plaatsvindt. Dit betekent in ieder geval dat (medewerkers van) de organisatie die de jeugdhulp biedt of mogelijk gaat bieden niet ook zelf het advies geeft over het al dan niet toekennen van jeugdhulp of het daarop betrekking hebbende besluit neemt. 2.2.4 Identificatie 1. Bij het onderzoek stelt de gemeente de identiteit van de jeugdige en zijn ouder(s) of zijn wettelijk vertegenwoordiger vast aan de hand van een door hen getoond document als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht. 2.

Ten aanzien van personen zonder de Nederlandse nationaliteit merkt de gemeente voor de wet als geldig identiteitsbewijs aan: a. een vreemdelingendocument van het type I, II, III, IV of EU/EER; b. een verblijfskaart Ministerie van Buitenlandse Zaken (legale vreemdelingen); c. een buitenlands paspoort; of d. een vreemdelingendocument van het type W (asielzoekers). 2.2.5 Het verslag 1. Binnen 10 werkdagen na het onderzoek verstrekt de gemeente aan de jeugdige, zijn ouder(s) of zijn wettelijk vertegenwoordiger een schriftelijke weergave van het uitgevoerde onderzoek en het in verband daarmee gevoerde gesprek. Opmerkingen of latere aanvullingen van de jeugdige en/of zijn ouder(s) en/of zijn wettelijk vertegenwoordiger worden aan het verslag toegevoegd. 2. De gemeente vergewist zich ervan dat de jeugdige en zijn ouder(s) of zijn wettelijk vertegenwoordiger de uitleg over de uitkomsten van het onderzoek hebben begrepen. 3. Als uit het verslag of de opmerkingen of latere aanvullingen van de jeugdige, zijn ouder(s) of zijn wettelijk vertegenwoordiger blijkt dat een individuele voorziening is aangewezen of gewenst is, wordt het verslag door deze ondertekend teruggestuurd naar de gemeente. 4.

Als uit het verslag blijkt dat de gezamenlijke conclusie is dat de hulpvraag kan worden opgelost met de eigen kracht of door gebruik van een vrij toegankelijke (algemene) voorziening, dan wordt het verslag ondertekend door de jeugdige en/of zijn ouder(s) en/of zijn wettelijk vertegenwoordiger en door deze teruggestuurd. Als er al een aanvraag was ingediend geldt het ondertekende verslag als intrekking van die aanvraag voor een individuele voorziening. 2.2.6 Criteria voor toekenning van een individuele jeugdhulpvoorziening door de gemeente 1. Een jeugdige of zijn ouder(-s) kan in aanmerking komen voor een door de gemeente verleende individuele voorziening. Dit kan als de gemeente vindt dat jeugdhulp nodig is in verband met opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen of stoornissen. De gemeente verleent alleen een individuele voorziening als de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen ontoereikend zijn en gebruikmaking van een vrij toegankelijke of andere voorziening deze noodzaak niet kan verminderen of wegnemen. 2.

Overeenkomstig de definitie van jeugdhulp in artikel 1.1 van de Jeugdwet wordt geen individuele voorziening verstrekt voor hulp of ondersteuning aan een jeugdige of ouder die niet noodzakelijk is op grond van een psychisch probleem of stoornis, psychosociaal probleem, gedragsprobleem of beperking, maar die voortkomt uit een behoefte die past bij de normale ontwikkeling van de jeugdige van een bepaalde leeftijd. 3. Een vrij toegankelijke of andere (voorliggende) voorziening kan de noodzaak verminderen of wegnemen als deze: a. daadwerkelijk beschikbaar is; en b. passend en toereikend is voor de hulpvraag. 4. Als een individuele voorziening noodzakelijk is verstrekt de gemeente de goedkoopst adequate, tijdig beschikbare voorziening.

Verordening Sociaal Domein gemeente Aalten 2026

9

5. Een individuele voorziening jeugdhulp wordt toegekend als de inzet van de voorziening doeltreffend geacht kan worden. De doeltreffendheid beoordeelt de gemeente door vast te stellen of de individuele voorziening wezenlijk bijdraagt aan het oplossen van de hulpvraag. Waar beschikbaar wordt gewerkt met een bewezen effectieve interventie en nooit met een bewezen niet effectieve interventie. 6. Er is sprake van bewezen effectieve voorzieningen als de effectiviteit is vastgesteld in wetenschappelijk onderzoek en de interventie(s) zijn opgenomen als ‘erkend’ in: a. de Databank Effectieve Jeugdinterventies van het Nederlands Jeugdinstituut; b. de zorgstandaarden van de GGZ Standaarden; c. de databank voor interventies gericht op jeugdigen met een beperking (databank interventies gehandicaptenzorg); 2.2.7 De beoordeling van de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen 1. Een individuele voorziening wordt niet verstrekt als naar het oordeel van de gemeente uit het onderzoek blijkt dat de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de jeugdige of zijn ouder(s) toereikend zijn om binnen de eigen mogelijkheden, zo nodig met inzet van het sociale netwerk of met ondersteuning van andere (hulpverlenende) instellingen, de hulp te bieden die passend is bij de hulpvraag van de jeugdige of zijn ouder(s). 2.

Tot het sociale netwerk behoren andere personen binnen de kring van familie, vrienden, kennissen en bekenden die van betekenis zijn voor en bijdragen aan het welzijn en het welbevinden van de jeugdige of zijn ouder(s). 3. Tot de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen behoort in elk geval het aanspreken van een aanvullende zorgverzekering als die is afgesloten. 4. Bij de beoordeling van de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen geldt als uitgangspunt dat de verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen allereerst bij de ouder(s) zelf ligt. Dit wordt ook bedoeld in de artikelen 82 en 247 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek. De hulp die daarvoor nodig is moet in beginsel dus door de ouder(s) geleverd worden. Dit geldt ook als sprake is van psychische problemen of stoornissen, psychosociale problemen en gedragsproblemen of beperkingen. Uit het onderzoek kan evenwel blijken dat de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de ouder(s) tekortschiet, omdat sprake is van: a. geobjectiveerde beperkingen om noodzakelijke hulp te bieden; b. een gebrek aan kennis of vaardigheden om noodzakelijke hulp te bieden; of c. overbelasting of dreigende overbelasting, waardoor geen noodzakelijke hulp kan worden verwacht totdat deze belasting of dreigende overbelasting is opgeheven. 5.

Bij de beoordeling van het vierde lid, onder c, wordt ook vastgesteld welke mogelijkheden de ouder(s) hebben om de overbelasting of dreigende overbelasting op te heffen, waarbij redelijkerwijs verwacht mag worden dat de ouder(s) maatschappelijke activiteiten beperken en betaalde arbeid verminderen of anders organiseren om overbelasting of dreigende overbelasting op te heffen. Hierbij houdt de gemeente ook rekening met: a. de behoefte en mogelijkheden van de jeugdige; b. de duur van de inzet, waarbij als uitgangspunt geldt dat kortdurende inzet van niet langer dan 3 maanden in een jaar niet tot overbelasting leidt; c. de planbaarheid van de hulp; d. de benodigde ondersteuningsintensiteit; e. de samenstelling van het gezin en de woonsituatie; f. de noodzaak van de ouder(s) om in een inkomen te voorzien. 2.2.8 Afstemming met andere vormen van hulp. De gemeente zorgt ervoor dat de hulp aansluit bij andere vormen van hulp die aan de inwoner wordt gegeven. Om dat te bereiken kan de gemeente afspraken maken met hulpverleners, instellingen, zorgverzekeraars en andere personen of organisaties.

Die afspraken kunnen onder andere gaan over: • procedures die gelden bij doorverwijzing naar hulp; • communicatie met andere organisaties; • afbakening van taken en verantwoordelijkheden; • een goede aansluiting tussen vrij toegankelijke hulp en de maatwerkvoorziening; De afspraken kunnen worden vastgelegd in een plan of in een andere geschikte vorm.

Verordening Sociaal Domein gemeente Aalten 2026

10

2.2.9 De beslistermijn 1. De gemeente beslist zo snel mogelijk, maar in ieder geval binnen 8 weken nadat de aanvraag is ontvangen. 2. De beslistermijn kan schriftelijk worden verlengd als de inwoner niet voldoende gegevens heeft verstrekt en deze hierop door de gemeente is gewezen. Als de gemeente een besluit niet binnen de vastgestelde termijn kan nemen, dan noemt de gemeente een nieuwe termijn waarbinnen het besluit zal worden genomen. 2.2.10 De inhoud van het besluit 1. De gemeente stelt een besluit vast (beschikking) en stuurt deze per brief naar de inwoner. Het doel van dit besluit is dat de inwoner te weten komt of er wel of geen hulp wordt toegekend. Als de gemeente hulp toekent, staat in het besluit ook of de hulp in natura, in de vorm van een persoonsgebonden budget (Pgb), in geld of op een andere manier wordt gegeven. Hulp in natura betekent dat de hulp (een dienst of een product) gegeven wordt door de gemeente zelf of een aanbieder waar de gemeente een contract mee heeft. 2. In Hoofdstuk 7 is beschreven wat in de beschikking in ieder geval moet worden vastgelegd. 2.2.11 Uitzondering: Jeugdhulp via arts en anderen [Jeugdwet, Awb] 1. De gemeente zorgt er ook voor dat de jongere jeugdhulp krijgt, als de huisarts, jeugdarts of medisch specialist de jongere doorverwijst naar een jeugdhulpaanbieder of als de rechter of gecertificeerde instelling jeugdhulp nodig vindt. 2.

De gemeente maakt afspraken met huisartsen, medisch specialisten, de jeugdartsen en de zorgverzekeraars over zulke doorverwijzingen. 3. De gemeente stuurt over de jeugdhulp een besluit per brief (een beschikking) naar de inwoner. Dit besluit voldoet aan dezelfde eisen als het besluit na een aanvraag bij de gemeente zelf. 2.2.12 Uitzondering: Spoedeisende gevallen In spoedeisende gevallen zorgt de gemeente ervoor dat de inwoner direct/tijdig de hulp krijgt die nodig is. De gemeente kan dan afwijken van de normale procedure, als dat nodig is. De gemeente legt de beslissing over de inzet van hulp in dat geval zo snel mogelijk, maar in ieder geval binnen 8 weken na de start van de hulp, vast in een beschikking. Het kan gaan om de volgende (tijdelijke) hulp in afwachting van een onderzoek van de gemeente: a. het bieden van hulp en zorg aan ouders en hun kinderen; b. het vragen van een machtiging aan de kinderrechter voor gesloten jeugdhulp; c. het bieden van een voorziening voor maatschappelijke ondersteuning, d. schuldhulpverlening / inkomensondersteuning.

§ 2.3 Hulp in het geval van huiselijk geweld, kindermishandeling of verward gedrag Bij vermoedens van huiselijk geweld of kindermishandeling werkt de gemeente met een gemeentelijke aandachtsfunctionaris huiselijk geweld en kindermishandeling en met de meldcode. Als het gaat om huiselijk geweld en kindermishandeling of personen met verward gedrag kan een inwoner voor advies en hulp ook bij de volgende instanties terecht: • Advies- en meldpunt huiselijk geweld en kindermishandeling. De Rijksoverheid biedt het Advies- en meldpunt huiselijk geweld en kindermishandeling (Veilig Thuis). Dit advies- en meldpunt biedt 24 uur per dag 7 dagen per week advies en ondersteuning aan iedereen die direct of indirect is betrokken bij huiselijk geweld en kindermishandeling (tel. nummer 0800-2000). • Advies en meldpunt verward gedrag. Ook kan iedere inwoner die zich zorgen maakt over het gedrag van een ander dat bij de gemeente melden. Voor deze meldingen is het Advies- en meldpunt verward gedrag in het leven geroepen. Het Advies- en meldpunt neemt de melding in ontvangst en onderzoekt of de inwoner waarop de melding betrekking heeft moet worden geholpen (tel. nummer 0800-1205).

Verordening Sociaal Domein gemeente Aalten 2026

11

Hoofdstuk 3 Gezond en veilig opgroeien Jeugdigen in Nederland moeten zo gezond en veilig mogelijk kunnen opgroeien. Met jeugdigen bedoelen we in deze verordening kinderen en jongeren tot 18 jaar en in bepaalde situaties tot 23 jaar. Dit zijn de jeugdigen zoals beschreven in artikel 1.1 van de Jeugdwet. Ze moeten kunnen groeien naar zelfstandigheid. Ze moeten voor zichzelf leren zorgen (zelfredzaamheid) en kunnen meedoen in de samenleving. Dat is in de eerste plaats de verantwoordelijkheid van hun ouders, de jeugdigen zelf en hun sociaal netwerk. Als zij daarbij hulp nodig hebben, dan kunnen zij een beroep doen op ondersteuning door de gemeente. De gemeente houdt hierbij rekening met de omstandigheden van het gezin. Daarbij kijkt de gemeente naar wat de ouders, de jeugdige en hun sociaal netwerk kunnen. Ook de leeftijd van de jeugdige speelt een rol. Kernwaarden • De jeugdige moet gezond en veilig kunnen opgroeien. • De jeugdige moet kunnen groeien naar zelfstandigheid en voor zichzelf leren zorgen. • De jeugdige moet kunnen meedoen in de samenleving. • De jeugdige en zijn ouders/opvoeders zijn zelf verantwoordelijk, de gemeente helpt als dat nodig is. • De eigen mogelijkheden en het sociaal netwerk van de jeugdige gaan voor geïndiceerde hulp. • De gemeente stemt de hulp af op de jeugdige en zorgt voor goede aansluiting met andere hulp.

• De gemeente heeft extra zorg en aandacht voor kwetsbare jeugdigen; • De hulp van de gemeente vergroot de kracht van het gezin.

§ 3.1 Uitgangspunten jeugdhulp 3.1 Uitgangspunten bij het bieden van hulp [Jeugdwet] 1. Bij het bieden van hulp houden de gemeente en de jeugdhulpverlener zoveel als mogelijk rekening met het geloof, de levensovertuiging en de culturele achtergrond van de jeugdige en de ouders. 2. De hulp is gericht op het versterken van de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de jeugdige, zijn ouders en hun sociaal netwerk. 3. De gemeente betrekt de wensen van de jeugdige en zijn ouders bij de keuze welke jeugdhulp wordt ingezet. 4. Pleegouders kunnen voor hulp in eerste instantie bij de pleegzorgorganisatie terecht. Als het nodig is kan de pleegzorgorganisatie extra hulp vragen aan de gemeente. 5. Als het gewenste effect van de jeugdhulp niet op eigen kracht of met het sociaal netwerk bereikt kan worden, maar wel met hulp die vrij toegankelijk is, dan wordt die hulp ingezet. Het gaat dan bijvoorbeeld om de welzijnsorganisatie of het Ondersteuningsteam Oost Achterhoek. Kan het gewenste effect niet bereikt worden met die hulp, dan wordt een individuele voorziening (maatwerkvoorziening) ingezet. De gemeente legt de beslissing omtrent de inzet van hulp in dat geval zo snel mogelijk, maar in ieder geval binnen 8 weken na de start van de hulp, vast in een beschikking.

§ 3.2 Preventie [Jeugdwet] De gemeente zet zich ervoor in dat jeugdigen zoveel mogelijk gezond, kansrijk en veilig kunnen opgroeien. Om dat te bereiken helpt de gemeente alle jongeren, hun ouders en hun sociaal netwerk met preventieve jeugdhulp. 3.2.1 Preventieve jeugdhulp 1. De volgende vormen van preventieve jeugdhulp zijn beschikbaar: a. Het versterken van de opvoed- en opgroeiomgeving; b. Informatie, advies en trainingen over opvoeding en ouderschap; c. Jeugdgezondheidszorg; d. Jongerenwerk; e. Ondersteuning bij opleidings- en loopbaankeuzes; f. Onafhankelijke cliëntondersteuning; g. Peuter- en voorschoolse vroegtijdige educatie; h. Mantelzorgondersteuning;

Verordening Sociaal Domein gemeente Aalten 2026

12

i. Een vertrouwenspersoon via Jeugdstem; j. Onafhankelijke cliëntondersteuning. Deze hulp is vrij toegankelijk. De inwoner heeft hiervoor geen besluit van de gemeente nodig en ook geen verwijzing door een huisarts, een medisch specialist of een jeugdarts. 2. De gemeente zorgt ervoor dat signalen over zorgen bij opgroei- en opvoedingsproblemen zo vroeg mogelijk worden opgevangen en dat er ook zo vroeg mogelijk hulp wordt geboden. 3.2.2 Leerplicht Als er sprake is van verzuim op school worden de mogelijkheden ingezet die de Leerplichtwet biedt. De leerplichtambtenaar kijkt of er sprake is van een zorgvraag en biedt ondersteuning met als doel dat de leerling weer naar school gaat. De leerplichtambtenaar werkt volgens de Methodische Aanpak Schoolverzuim (MAS). De werkwijze staat beschreven in de ambtsinstructie Leerplicht.

§ 3.3 Individuele voorzieningen jeugdhulp Als de preventieve hulp beschreven in § 3.2 niet voldoende is om een jeugdige te ondersteunen bij het groeien naar zelfstandigheid kan de gemeente een individuele voorziening aanbieden. Deze hulp is niet vrij toegankelijk. De inwoner heeft daarvoor een besluit van de gemeente nodig of een verwijzing door een jeugdarts, huisarts, een medisch specialist, of een gecertificeerde instelling. § 2.2 en Hoofdstuk 7 zijn van toepassing op zo’n besluit van de gemeente. 3.3.1 Individuele voorzieningen [Jeugdwet] De gemeente kan in ieder geval de volgende voorzieningen aanbieden, als het nodig is: 1. Ondersteuning bij het opvoeden en opgroeien: a. Ondersteuning individueel; b. Ondersteuning groep. 2. Een plek in een pleeggezin, gezinshuis of verblijf in een instelling, als thuis wonen (tijdelijk) niet mogelijk is. 3. Specialistische jeugdhulp a. Behandeling individueel; b. Behandeling groep; c. Behandeling groep orthopedisch dagcentrum; d. Behandeling basis GGZ; e. Behandeling specialistisch GGZ; f. Behandeling hoog complex GGZ; g. Behandeling diagnostiek; h. Medicatiecontrole; i. Ambulante spoedhulp. 4. Hulp bij persoonlijke verzorging. 5. Logeeropvang. 6. Crisishulp. 7. Hulp bij ernstige enkelvoudige dyslexie. 8. Jeugdbescherming. 9. Jeugdreclassering. 10. Integrale hoog specialistische hulp met verblijf. 3.3.2 Duur en frequentie.

De volgende individuele voorzieningen hebben in beginsel de volgende maximale duur en frequentie: 1. Ondersteuning groep: Ondersteuning groep wordt geïndiceerd in dagdelen, een dagdeel kent 4 uur. Per etmaal kunnen maximaal 2 dagdelen worden ingezet. 2. Behandeling individueel: Behandeling jeugdigen duurt een afgebakende periode, met een start en eindpunt. De maximale duur is twaalf (12) maanden. Het verlengen van de behandeltermijn kan alleen in overleg met én na goedkeuring van het lokale toegangsteam. 3. Behandeling groep: Behandeling groep jeugdigen wordt geïndiceerd in dagdelen, een dagdeel kent 4 uur. Per etmaal kunnen maximaal 2 dagdelen worden ingezet. De maximale inzet is 8 dagdelen per week. Behandeling duurt een afgebakende periode, met een start en eindpunt. De maximale duur is

Verordening Sociaal Domein gemeente Aalten 2026

13

twaalf (12) maanden. Het verlengen van de behandeltermijn kan alleen in overleg met én na goedkeuring van het lokale toegangsteam. 4. Behandeling basis GGZ: Een behandeling in het kader van de Jeugd GGZ duurt een afgebakende periode, met een start en eindpunt. De maximale duur is twaalf (12) maanden. Het verlengen van de behandeltermijn kan alleen in overleg met én na goedkeuring van het lokale toegangsteam. Het aanvragen van langdurige indicaties Jeugd GGZ (langer dan twaalf maanden) kan alleen in nauw overleg met het lokale toegangsteam en na een gefundeerde onderbouwing van de aanvraag. 5. Behandeling specialistisch GGZ: Een behandeling in het kader van de Jeugd GGZ duurt een afgebakende periode, met een start en eindpunt. De maximale duur is twaalf (12) maanden. Het verlengen van de behandeltermijn kan alleen in overleg met én na goedkeuring van het lokale toegangsteam. Het aanvragen van langdurige indicaties Jeugd GGZ (langer dan twaalf maanden) kan alleen in nauw overleg met het lokale toegangsteam en na een gefundeerde onderbouwing van de aanvraag. 6. Ambulante spoedhulp: ASH wordt ingezet voor de duur van maximaal 28 dagen. 3.3.3 Vervoer 1. Uitgangspunt is dat ouder(s) zelf verantwoordelijk zijn voor vervoer van de jongere van en naar de jeugdhulpaanbieder. 2.

Een vervoersvoorziening wordt alleen verstrekt aan de jeugdige ten behoeve van het vervoer van de jeugdige naar en van de locatie waar de jeugdhulp plaatsvindt. 3. Een vervoersvoorziening wordt alleen aan de jeugdige toegekend als naar het oordeel van de gemeente is aangetoond dat er een noodzaak bestaat tot inzet van die voorziening. 4. De gemeente beoordeelt, overeenkomstig artikel 3.3.1 in elke individuele situatie of er specifieke omstandigheden zijn waardoor de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de jeugdige of zijn ouder(s) onvoldoende zijn om de eigen verantwoordelijkheid voor het vervoer op zich te nemen. 5. Als naar het oordeel van de gemeente een passende voorziening beschikbaar is waarvoor geen vervoer geïndiceerd hoeft te worden is deze voorziening voorliggend op een indicatie waarvoor wel vervoer geïndiceerd moet worden. 3.3.4 Dyslexie 1. De zorg voor kinderen tot 13 jaar met ernstige dyslexie (ED), dyslexiezorg, valt onder de Jeugdwet. 2. Voor dyslexiezorg geldt dat deze alleen toegankelijk is voor de jeugdige nadat de toegang naar de gecontracteerde aanbieders op basis van het Protocol Dyslexie Diagnostiek en Behandeling versie 3.0 van oordeel is dat diagnostiek of de behandeling van Ernstige Dyslexie noodzakelijk is.

§ 3.4 Afstemming met andere voorzieningen Artikel 3.4.1 Voorliggende voorzieningen 1. De gemeente verstrekt geen voorziening voor jeugdhulp als er: a. met betrekking tot de problematiek een recht bestaat op zorg als bedoeld bij of krachtens de Wet langdurige zorg, de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen of de Zorgverzekeringswet; b. naar het oordeel van het college met betrekking tot de problematiek een aanspraak bestaat op een voorziening op grond van een andere wettelijke bepaling, met uitzondering van een maatwerkvoorziening inhoudende begeleiding als bedoeld in artikel 1.1.1, van de Wmo; of c. gegronde redenen zijn voor het college om aan te nemen dat de jeugdige in aanmerking kan komen voor zorg op grond van de Wet langdurige zorg en de jeugdige of zijn wettelijke vertegenwoordiger weigert mee te werken aan het verkrijgen van een besluit daartoe. 2. Als er meer oorzaken zijn voor de problematiek en daardoor op grond van de Wet langdurige zorg of een zorgverzekering als bedoeld in de Zorgverzekeringswet een soortgelijke voorziening kan worden verkregen als die op grond van de Jeugdwet moet het college de voorziening op grond van de Jeugdwet verstrekken. 3.

De jeugdige of zijn ouder(s) of zijn wettelijk vertegenwoordiger die een aanvraag voor jeugdhulp doen, worden verwezen naar de instantie waar een aanvraag voor een voorziening op basis van de voornoemde wetten kan worden behandeld. 4. Bij een verwijzing als bedoeld in het vorige lid naar Wet langdurige zorg wordt cliëntondersteuning ingeschakeld.

Verordening Sociaal Domein gemeente Aalten 2026

14

Artikel 3.4.2 Afstemming met voorliggende voorzieningen en andere vormen van hulp en ondersteuning De gemeente zorgt ervoor dat de hulp aansluit bij andere vormen van hulp die aan de jongere of zijn ouders wordt gegeven. Om dat te bereiken kan de gemeente afspraken maken met hulpverleners, instellingen, zorgverzekeraars en andere personen of organisaties. Deze afspraken kunnen onder andere gaan over: • Procedures die gelden bij doorverwijzing naar hulp • Communicatie met andere organisaties • Afbakening van taken en verantwoordelijkheden • Een goede aansluiting tussen vrij toegankelijke hulp en ondersteuning–op-maat De afspraken kunnen worden vastgelegd in een plan of andere geschikte vorm.

§ 3.5 Eigen kracht jeugdhulp 3.5.1 Eigen kracht jeugdhulp Jeugdigen of ouders komen pas in aanmerking voor een individuele voorziening als zij zelf geen oplossing kunnen vinden voor de hulpvraag binnen hun eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen (eigen kracht). Hieronder wordt in ieder geval verstaan: • gebruikelijke hulp van ouders en/of andere verzorgers of opvoeders; • bovengebruikelijke hulp van ouders voor zover zij beschikbaar en in staat zijn de noodzakelijke hulp te bieden, dit geen (dreigende) overbelasting oplevert en door het bieden van de bovengebruikelijke hulp geen financiële problemen in het gezin ontstaan; • de ondersteuning vanuit het sociale netwerk; • het aanspreken van een aanvullende zorgverzekering die is afgesloten. 1. Gebruikelijke hulp is hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van ouders en/of andere verzorgers of opvoeders. Zij zijn namelijk verplicht de tot hun gezin behorende minderjarige jeugdigen te verzorgen, op te voeden, te begeleiden en toezicht op hen te houden. Dit geldt ook als de jeugdige een ziekte, aandoening, beperking of andere problematiek heeft. Bij uitval van één van de ouders neemt de andere ouder de gebruikelijke hulp over. Dit geldt ook bij gescheiden ouders. Er wordt dan ook rekening gehouden met de gebruikelijke hulp van de ouder waar de jeugdige niet woont. 2.

Om vast te stellen of sprake is van gebruikelijke hulp beoordeelt het college of de benodigde hulp uitgaat boven de hulp die een jeugdige van dezelfde leeftijd zonder ziekte, aandoening, beperking of andere problematiek nodig heeft. Het college houdt hierbij rekening met de volgende factoren: a. de leeftijd van de jeugdige; b. de mate van zorg bij activiteiten en handelingen, de mate van toezicht en de mate van begeleiding/stimulans die een jeugdige van die leeftijd nodig heeft; c. de aard en de duur van de hulp en de benodigde ondersteuningsintensiteit van de jeugdige; d. de mate van planbaarheid van de hulp; e. de behoeften en mogelijkheden van de jeugdige. 3. Als er sprake is van gebruikelijke hulp verstrekt het college geen individuele voorziening tot jeugdhulp. Hierop kan (tijdelijk) een uitzondering worden gemaakt als de ouders door (dreigende) overbelasting de gebruikelijke hulp niet kunnen bieden. Er moet dan wel een verband zijn tussen de (dreigende) overbelasting en de hulp aan de jeugdige. 4. Gaat het om hulp die de gebruikelijke hulp overstijgt, zijn de ouders in eerste instantie nog steeds verantwoordelijk voor het bieden van deze bovengebruikelijke hulp. Het college beoordeelt dan of van ouders verwacht mag worden dat ze deze hulp bieden, zoals in lid 1 staat weergegeven.

Het college maakt hierbij onderscheid tussen kortdurende en langdurende situaties: - Kortdurend: er is uitzicht op herstel van het (gezondheids-)probleem en de daarmee samenhangende zelfredzaamheid van de jeugdige. Het gaat hierbij over een aaneengesloten éénmalige periode van maximaal drie maanden in één kalenderjaar. - Langdurend: het gaat om chronische situaties waarbij naar verwachting de jeugdhulp langer dan drie maanden nodig is of voor meerdere periodes van drie maanden in één kalenderjaar. Het college verwacht van ouders dat zij in kortdurende situaties de bovengebruikelijke hulp bieden, tenzij dit gelet op de aard van de hulp niet kan worden verwacht of de ouders door (dreigende) overbelasting de hulp niet kunnen bieden. Er moet dan wel een verband zijn tussen de (dreigende) overbelasting en de hulp aan de jeugdige.

Verordening Sociaal Domein gemeente Aalten 2026

15

5. Bij de beoordeling in langdurige situaties houdt het college rekening met de volgende factoren: a. de aard en de duur van de hulp en de benodigde ondersteuningsintensiteit van de jeugdige; b. de mate van planbaarheid van de hulp; c. het lichamelijk en geestelijk welzijn van de ouders; d. de manier van omgaan van ouders met de problemen van de jeugdige; e. vaardigheden van de ouders om zelf hulp te bieden (bijvoorbeeld een verpleegachtergrond); f. of er sprake is van problematiek bij de ouders, zoals relationele problemen of schulden; g. welke verplichtingen de ouders hebben, bijvoorbeeld voor werk en sociale verplichtingen; h. het belang van ouders om een inkomen uit arbeid te krijgen en het eventueel ontstaan van financiële problemen; i. de woonsituatie; j. de samenstelling van het gezin en de relatie tussen de gezinsleden (bijvoorbeeld of er sprake is van een wettelijke stiefouder of niet); k. is er een sociaal netwerk en zo ja, wat zijn de mogelijkheden en de bereidheid van het sociaal netwerk om de jeugdige of zijn ouders te ondersteunen ; l. overige individuele omstandigheden die door jeugdige en ouders worden ingebracht. 6.

Als bovengenoemde factoren niet leiden tot problemen bij het kunnen verlenen van de hulp door de ouders, bij de beschikbaarheid van de ouders voor het verlenen van de hulp, bij de belasting van de ouders en bij de financiële situatie van de ouders wordt van hen verwacht dat zij de bovengebruikelijke hulp (eventueel deels) verlenen. Het college verstrekt dan geen individuele voorziening tot jeugdhulp. 7. Bij (dreigende) overbelasting geldt nog het volgende: - Er moet een verband zijn tussen de (dreigende) overbelasting en de hulp aan de jeugdige; - Als de overbelasting ziet op spanningen door het werk (bijvoorbeeld door te veel uren werken of stress) of door andere factoren buiten de zorg van de jeugdige om, moet de ouder eerst een oplossing zoeken in de oorzaak van die spanningen; - Bij een aanvraag voor een individuele voorziening tot jeugdhulp bekijkt het college wat wordt gedaan om die spanningen te verminderen; - Als de (dreigende) overbelasting kan worden verminderd door het herinrichten van het werk of andere sociale/maatschappelijke activiteiten wordt dit eerst van de ouder verwacht; - Het verlenen van hulp aan je kind gaat voor op sociale/maatschappelijke activiteiten; - Een Pgb voor het verlenen van hulp aan een jeugdige door een ouder wordt beëindigd als er sprake is van (dreigende) overbelasting.

Een andere zorgverlener moet het verlenen van hulp overnemen om de overbelasting te stoppen. 8. Als ouders een beroep kunnen doen op het sociale netwerk voor het bieden van ondersteuning bij de benodigde hulp aan de jeugdige wordt van hen verwacht dat ze hier gebruik van maken. 9. Als de jeugdige en/of de ouders een aanvullende zorgverzekering hebben die de benodigde hulp (deels) vergoedt, wordt van ouders verwacht dat zij deze aanspreken. Het college verstrekt dan geen individuele voorziening tot jeugdhulp of alleen een aanvullende voorziening voor het gedeelte dat niet wordt vergoed.

§ 3.6 Overgang van 18- naar 18+ 3.6.1 Overgang van 18- naar 18+ [Jeugdwet] 1. De gemeente is er verantwoordelijk voor dat jeugdigen uit de jeugdhulp als ze 18 jaar worden wanneer nodig ondersteuning houden. 2. De gemeente en de aanbieder van de jeugdhulp zorgen samen voor een plan voor de jeugdige waarin in ieder geval aandacht is voor: a. scholing, werk of participatie; b. wonen; c. inkomen; d. zorg en ondersteuning; e. vrije tijd; f. het netwerk van de jongere. 3. Pleegzorg of verblijf in een gezinshuis wordt ingezet tot de dag dat de jongere 21jaar wordt, tenzij de jongere 18 jaar of ouder is en heeft aangegeven op eigen benen te willen staan.

Verordening Sociaal Domein gemeente Aalten 2026

16

4. Jeugdhulp kan worden verlengd. Dit kan maximaal tot de dag dat de jongere 23 jaar wordt. Deze verlenging is dan onderdeel van het plan. Er is een aantal voorwaarden voor verlengde jeugdhulp. Deze hulp kan alleen worden ingezet als: a. de jongere al voor zijn 18e levensjaar jeugdhulp kreeg en de gemeente voortzetting noodzakelijk vindt; b. na beëindiging van de jeugdhulp (die was begonnen voor het 18e levensjaar) binnen een termijn van half jaar de gemeente vaststelt dat hervatting van de jeugdhulp noodzakelijk is; c. als blijkt dat andere hulp niet toereikend en/of passend is; d. de jeugdhulp wordt ingezet in het kader van een strafrechtelijke beslissing of jeugdreclassering.

Verordening Sociaal Domein gemeente Aalten 2026

17

Hoofdstuk 4 Wonen in een veilige en gezonde omgeving Inwoners met een beperking en/of met psychische en/of psychosociale problemen hebben soms hulp nodig om zo lang en zelfstandig mogelijk in hun eigen leefomgeving te kunnen blijven wonen. De gemeente heeft de taak om deze inwoners te helpen als ze niet in staat zijn om zelf oplossingen te vinden voor problemen bij het normale gebruik van hun woning, bij hun normale dagelijkse activiteiten en bij het voeren van een huishouding. De gemeente moet ook maatregelen nemen om ervoor te zorgen dat inwoners met een beperking zo lang mogelijk voor zichzelf kunnen zorgen (zelfredzaamheid). De gemeente kijkt hierbij niet alleen naar de korte termijn, maar ook naar de te verwachten ontwikkelingen. De ondersteuning vindt

zoveel mogelijk plaats in de eigen leefomgeving van de inwoner. In dit hoofdstuk zijn regels opgenomen over de hulp die de gemeente op grond van de Wmo aan deze in inwoners kan geven, zoals de maatwerkvoorziening. Kernwaarden • Inwoners met een beperking moeten zo lang mogelijk zelfstandig kunnen wonen in hun eigen • omgeving. • De gemeente heeft extra zorg voor kwetsbare groepen. • De inwoner is zelf verantwoordelijk, de gemeente helpt als dat nodig is. • De eigen mogelijkheden en het sociaal netwerk van de inwoner gaan voor. • De gemeente stemt de hulp af op de inwoner. Individuele ondersteuning Wmo: Begeleiding individueel Begeleiding individueel extra Begeleiding individueel beschermd thuis Begeleiding groep belevingsgericht Begeleiding groep ontwikkelingsgericht. Wmo Wonen: Beschermd wonen Beschut wonen Wonen gericht op zelfstandigheid 18-/18+ safehouse

§ 4.1 Uitgangspunten [Wmo] 4.1.1 Uitgangspunten 1. De gemeente zet zich ervoor in, dat inwoners met een beperking zo lang mogelijk zelfstandig kunnen wonen, de normale dagelijkse activiteiten kunnen uitvoeren en een eigen huishouding kunnen voeren. De inwoner kan voor een maatwerkvoorziening in het kader van de Wmo in aanmerking komen als voldaan is aan de voorwaarden van artikel 2.3.2 en van dit hoofdstuk. De hulp moet een passende bijdrage leveren, zodat inwoners zo lang mogelijk in hun eigen leefomgeving kunnen blijven wonen. 2. Voor hulp op maat op basis van de Wmo moet de inwoner onder de doelgroep van de Wmo vallen. Dit betekent dat de inwoner een beperking, een langdurig psychisch probleem en/of een psychosociaal probleem heeft, én: a. hierdoor niet goed voor zichzelf kan zorgen, en/of; b. hierdoor ondersteuning nodig heeft bij het voeren van een huishouden, en/of; c. niet voldoende kan meedoen in de maatschappij. Ook als de inwoner opvang nodig heeft kan de inwoner daarvoor een maatwerkvoorziening op grond van de Wmo krijgen. 3. De gemeente geeft geen maatwerkvoorziening, als: a. de inwoner zijn beperkingen zelf kan oplossen of verminderen door zijn dagelijks leven anders te organiseren, bijvoorbeeld bij de huishoudelijke taken; b. de inwoner gebruik kan maken van een andere wettelijke regeling of een andere voorziening, van eigen kracht of van zijn sociaal netwerk;

Verordening Sociaal Domein gemeente Aalten 2026

18

c. de voorziening een therapeutisch doel heeft; d. de voorziening niet grotendeels op de individuele inwoner is gericht; e. de aanvraag is voor een hulpmiddel dat aan de inwoner al eerder is afgegeven op grond van een wettelijke regeling. Het moet dan gaan om een hulpmiddel waarvan de normale afschrijvingstermijn nog niet is verstreken. Dit geldt niet als: i. de eerder afgegeven voorziening verloren is gegaan buiten de schuld van de inwoner om; ii. de inwoner (gedeeltelijk) tegemoetkomt in de veroorzaakte kosten; iii. de eerder afgegeven voorziening geen oplossing biedt voor de hulpvraag van de inwoner.

§ 4.2 Zelfstandig en veilig wonen 4.2.1 Geschikte woning [Wmo] 1. De inwoner met een beperking kan in aanmerking komen voor een woonvoorziening of woningaanpassing, als: a. het normale gebruik van de woning niet mogelijk is door de beperking van de inwoner; en b. verhuizing naar een geschikte woning niet mogelijk is of duurder is dan de woonvoorziening of woningaanpassing. De woonvoorziening of woningaanpassing houdt in dat de woning voor de inwoner bereikbaar, toegankelijk en bruikbaar wordt gemaakt. Als verhuizing voorgaat komt de inwoner die verhuist naar een geschikte woning in aanmerking voor een tegemoetkoming in de verhuis- en inrichtingskosten. Deze vergoeding is vastgelegd in het actuele Financieel besluit Sociaal Domein van de gemeente Aalten. 2. De inwoner die tijdelijk een andere woning nodig heeft om de periode te overbruggen tot er een geschikte woning beschikbaar komt kan in aanmerking komen voor een tegemoetkoming in de extra kosten van de tijdelijke huisvesting. De hoogte van de tegemoetkoming is vastgelegd in het Financieel besluit Sociaal Domein. 3. De gemeente verstrekt niet altijd een maatwerkvoorziening in de vorm van een woonvoorziening of woningaanpassing. De gemeente geeft geen maatwerkvoorziening in de volgende situaties: a. De beperkingen van de inwoner zijn het gevolg van de materialen die in de woning zijn gebruikt. b.

De inwoner verblijft in een hotel of pension, een tweede woning, een woonwagen, een klooster, een vakantiewoning, een recreatiewoning of een onzelfstandige woning waarvoor de inwoner geen huurtoeslag kan krijgen. c. De inwoner woont in een woning die specifiek gericht is op een bepaalde groep mensen waartoe de inwoner behoort, bijvoorbeeld een complex voor ouderen, en de voorziening is bedoeld voor in een gemeenschappelijke ruimte. d. Het gaat om voorzieningen die bij nieuwbouw of renovatie zonder veel meerkosten meegenomen kunnen worden. e. De inwoner is verhuisd terwijl hiervoor geen aanleiding bestond op grond van zijn beperkingen en er was geen belangrijke reden voor verhuizing. f. De inwoner is verhuisd naar een woning die niet de meest geschikte woning is om de beperkingen van de inwoner te verminderen of weg te nemen. Dit is anders als de gemeente daarvoor vooraf schriftelijk toestemming heeft gegeven. g. de inwoner heeft iets (niet) heeft gedaan waardoor hij de hulpvraag zelf heeft veroorzaakt en hij kon dit ook voorzien. 4. Een woonvoorziening of woningaanpassing die een eerder verstrekte woonvoorziening vervangt, kan alleen worden verstrekt, als: a. de eerder verstrekte woonvoorziening technisch is afgeschreven; b. de eerder verstrekte woonvoorziening verloren is gegaan buiten de schuld van de inwoner om; of c.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Aalten&id=eb36baab-9176-4c17-9734-ae6df270acda