Bijlage 2 - analyse en voorkeurscenario - versie 19-12-2025
Tekst van het document
Deze afweging laat zien dat scenario 4 weliswaar ruimte creëert voor een nieuw dorp met eigen voorzieningen, maar dat de precieze effecten mede afhangen van waar die nieuwe kern komt. Over het geheel genomen biedt scenario 4 duidelijke voordelen voor economie, wonen en voorzieningen (door de groei en clustering) en ook enkele milieuverbeteringen, maar kent het ook de meeste en grootste nadelen voor natuur en leefomgeving van alle scenario’s.
3.5 Conclusie(s) beoordeling scenario’s Uit de vergelijking van de vier scenario’s blijkt dat hoe meer gemeente Aalten groeit, hoe groter de milieudruk en risico’s. Scenario 1 (zeer beperkte groei) is het meest behoudend: hier houden positieve en negatieve effecten elkaar vrijwel in evenwicht. Het is zelfs het enige scenario dat per saldo eerder verbeteringen dan verslechteringen laat zien. Scenario 4 (maximale groei) staat aan de andere kant van het spectrum: dat kent duidelijk meer negatieve effecten dan positieve effecten op de leefomgeving. Scenario 2 en 3 nemen een tussenpositie in wat betreft de balans tussen kansen en risico’s. Geen van de scenario’s komt uit de bus als eenduidig “beste” – ieder toekomstbeeld heeft zijn eigen voor- en nadelen, en welke het meest wenselijk is, hangt af van welke afweging de gemeente maakt. Scenario 1 zet in op behoud van kwaliteit met minimale groei, en brengt daardoor ook de minste nieuwe problemen met zich mee (het aantal nieuwe knelpunten voor de leefomgeving is daar zeer klein). Scenario 4 lost daarentegen wel meer bestaande knelpunten op en biedt meer nieuwe voorzieningen en economische impulsen, maar creëert óók veruit de meeste nieuwe knelpunten en aandachtspunten (nieuwe problemen) in vergelijking met de andere scenario’s. Met andere woorden: hoe ambitieuzer de groei, hoe groter de trade-off tussen voordelen (bijv.
meer woningen, voorzieningen, economische kansen) en nadelen (grotere milieubelasting en risico’s). De onderzoekers van Royal HaskoningDHV concluderen dat de keuze voor een voorkeursscenario neerkomt op een beleidsafweging tussen verdere groei of het beperken daarvan. Wel wordt benadrukt dat, mocht gemeente Aalten voor een sterker groeiscenario kiezen, er flankerende maatregelen mogelijk zijn om de negatieve effecten te temperen. Daardoor zouden de risico’s op milieu- en leefomgevingsgebied deels opgevangen kunnen worden. Kortom, de scenariovergelijking laat zien dat ieder scenario unieke uitkomsten heeft: van scenario 1 met de kleinste impact tot scenario 4 met de grootste ambities én bijbehorende uitdagingen. Het vinden van het juiste evenwicht tussen ontwikkeling en leefomgevingskwaliteit wordt de kern van de verdere besluitvorming.
35/45
4. SCENARIO’S EN INPUT INWONERS Naast beoordelen wat de vier scenario’s doen met de kwaliteit van de leefomgeving, wil gemeente Aalten nadrukkelijk ook rekening houden met wat inwoners belangrijk vinden als het gaat om hun leefomgeving. De vier scenario’s zijn dan ook naast de wensen, voorkeuren en prioriteiten gelegd die inwoners van Aalten hebben meegegeven in de gesprekken die met de inwoners zijn gevoerd en in enquêtes die in de afgelopen jaren onder inwoners over verschillende onderwerpen zijn uitgevoerd. In het navolgende de uitkomsten van die vergelijking.
De inwoners van Aalten hechten veel waarde aan een aantrekkelijke leefomgeving en hebben duidelijke wensen voor de toekomst. Ze willen het dorpse, groene karakter behouden, voldoende voorzieningen in stand houden en genoeg nieuwe woningen voor jong en oud, zodat de leefbaarheid op peil blijft en jongeren niet wegtrekken. Ook pleiten ze voor verkeersveiligheid (vrachtverkeer om de kernen leiden, beter OV) en duurzame ontwikkelingen die het landschap respecteren.
4.1 Beoordeling scenario 1: Kwaliteit boven kwantiteit Scenario 1 gaat uit van een beperkte groei volgens de huidige prognoses. Tot 2035 worden ongeveer 900 woningen bijgebouwd; daarna komt de woningbouw vrijwel tot stilstand (“pas op de plaats”). Deze koers legt de nadruk op kwaliteit boven verdere groei.
Woningbouw & voorzieningen: Met 900 extra woningen lost dit scenario de huidige woningnood weliswaar gedeeltelijk op, maar na 2035 kan opnieuw krapte ontstaan. Inwoners hebben aangegeven dat voldoende nieuwbouw voor starters, jongeren en ouderen een topprioriteit is en blijft om de leefbaarheid te waarborgen. Scenario 1 schiet daar op de lange termijn in tekort: als er na 2035 niet of nauwelijks meer wordt doorgebouwd, kunnen jongeren op langere termijn wellicht opnieuw moeilijk een huis vinden en blijft het risico bestaan dat zij wegtrekken – precies wat we willen voorkomen. Een halt op groei kan er bovendien toe leiden dat het aantal inwoners stagneert of afneemt richting 2040, wat druk zet op lokale scholen, winkels en andere voorzieningen. Inwoners vrezen het verdere afkalven van voorzieningen en dat hun dorpen ‘grijzer’ worden; dit scenario biedt op dat punt dus nog onvoldoende perspectief voor de langere termijn.
Landschap: De positieve kant van scenario 1 is dat het het landschap en dorpskarakter maximaal ontziet. Doordat er na 2035 niet of nauwelijks nieuwe bouwlocaties nodig zijn, blijven open ruimte, natuur en agrarisch landschap grotendeels ongemoeid. Dit sluit goed aan bij de wens van inwoners om het fraai gebalanceerde landschap van landbouw, natuur en dorpen te behouden. Ook nieuwe milieubelastende ontwikkelingen zijn minimaal in dit scenario. Daarmee worden risico’s op aantasting van rust en groen beperkt, geheel in lijn met de inwonerswens om geen ontwikkelingen toe te staan die de landschappelijke kwaliteit of dorpse aard verstoren.
Mobiliteit: Beperkte groei betekent weinig extra verkeer. Het voordeel is dat huidige verkeersproblemen niet verergeren. Er is minder noodzaak voor ingrijpende nieuwe infrastructuur, en het doorgaande autoverkeer blijft ongeveer op het huidige niveau. Dit
36/45
past bij de oproep van inwoners om geen toenemend verkeerslawaai of onveilige situaties in woonwijken te krijgen. Tegelijk lost scenario 1 de bestaande knelpunten op mobiliteitsgebied niet duidelijk op. Inwoners willen juist verbeteringen – zoals het omleiden van zwaar vrachtverkeer buiten de kernen en betere OV-verbindingen – maar een stilstand in groei kan betekenen dat investeringen in bijvoorbeeld een rondweg of extra OV niet worden gedaan. Zo bezien sluit scenario 1 matig aan bij de mobiliteitswensen: het veroorzaakt geen extra problemen, maar biedt te weinig impuls om de situatie voldoende te verbeteren.
Duurzaamheid: Door de beperkte ontwikkelagenda is de impact op klimaat en milieu klein in dit scenario. Er hoeven bijvoorbeeld minder nieuwe energiebronnen te worden aangeboord voor groei, en de water- en bodembelasting blijft beheersbaar. Dit maakt het haalbaarder om de omgeving duurzaam en klimaatbestendig in te richten. Aan de andere kant heeft de gemeente met scenario 1 minder mogelijkheden om via nieuwbouw duurzame innovaties door te voeren. Inwoners staan open voor duurzame oplossingen, mits het landschap niet wordt aangetast. Scenario 1 vraagt wat minder op dit punt, maar mist ook kansen om bestaande knelpunten (zoals wateroverlast of energietransitie) via gebiedsontwikkeling aan te pakken.
Leefbaarheid: Al met al behoudt scenario 1 de huidige rust en het huidige voorzieningenniveau, maar het gebrek aan verdere groei kan betekenen dat een aantal trends (zoals vergrijzing en leegloop) onverminderd doorgaan. De dorpen blijven weliswaar aantrekkelijk en vertrouwd, maar zonder groei blijft er onzekerheid over het op peil houden van het verenigingsleven en andere vitaliteitskenmerken op lange termijn.
Kortom, scenario 1 scoort hoog op behoud van landschap en huidige situatie, maar laag op het bieden van toekomstperspectief voor wonen en voorzieningen. Het sluit slechts ten dele aan op de inwonerswensen: wel qua behoud van karakter en natuur, maar niet op het vlak van voldoende woningen en een dynamisch, leefbaar dorpsleven richting 2040.
4.2 Beoordeling scenario 2: Gestaag doorgroeien met kwaliteit Scenario 2 bouwt voort op de trendmatige groei en zet die na 2035 geleidelijk door. In plaats van te stoppen, blijft gemeente Aalten gematigd groeien. Tot 2035 komen er zo’n 900 woningen bij (zoals in scenario 1), en tussen 2035 en 2040 nog circa 450 extra. In totaal gaat het om ongeveer 1.350 nieuwe woningen in 2025–2040, verdeeld over de kernen. Deze aanpak combineert groei met aandacht voor kwaliteit.
Woningbouw & voorzieningen: Met scenario 2 wordt ruim voorzien in de woningbehoefte van zowel huidige inwoners als toekomstige generaties. Door na 2035 door te bouwen, blijven er nieuwe woningen beschikbaar voor starters, jonge gezinnen en senioren. Dit sluit naadloos aan bij de oproep van inwoners dat er voldoende betaalbare en passende woningen moeten komen om jongeren te behouden en kernen leefbaar te houden. Jongvolwassenen krijgen in dit scenario meer kans op een huis in hun eigen gemeente, waardoor de uitstroom van jeugd zal afnemen. Ook voor ouderen ontstaan meer mogelijkheden om binnen de gemeente een geschikte(re) woning te vinden, wat doorstroming op de huizenmarkt bevordert. Bovendien spreidt de gematigde groei zich uit over alle dorpen, zodat niet één kern alle druk opvangt. Alle kernen profiteren van een bevolkingsaangroei die groot genoeg is om voorzieningen te ondersteunen, maar klein genoeg om het dorpse karakter te bewaren. Scholen, sportclubs, winkels en zorgvoorzieningen houden zo voldoende draagvlak. Inwoners wilden hun goede basisvoorzieningen behouden en liefst versterken – scenario 2 draagt daaraan bij door het inwonertal op peil te houden en licht te laten stijgen. In tegenstelling tot scenario 1 voorkomt dit scenario dat dorpen stilvallen of voorzieningen weglekken.
37/45
Landschap: Bij een matige groei als in scenario 2 zal er enige uitbreiding van de bebouwde kom(men) nodig zijn, maar dit kan gebeuren met respect voor het landschap. Nieuwe woningen kunnen grotendeels binnen de bestaande dorpsgrenzen of aansluitend daaraan worden gerealiseerd, in lijn met het streven om open buitengebied zoveel mogelijk vrij te houden. Waar bouw toch buiten de kern plaatsvindt, wordt dit kleinschalig en zorgvuldig landschappelijk ingepast, zodat de impact beperkt blijft.
Mobiliteit: Een bescheiden toename van inwoners zorgt voor iets meer verkeer, maar scenario 2 bevat ook maatregelen om dit in goede banen te leiden (zie scenario 2-beschrijving). De bereikbaarheid blijft goed en de verkeersveiligheid wordt zelfs iets verbeterd met gerichte ingrepen, in lijn met de inwonerswensen. De gematigde groei betekent wel dat er iets meer energie verbruikt zal worden in 2040 dan nu, maar dit kan worden opgevangen door in te zetten op de kleinschalige energieoplossingen die inwoners prefereren – zoals zonnepanelen op daken, isolatie en misschien enkele kleinere zonnevelden op minder zichtbare plekken. Omdat scenario 2 geen extreme bevolkingsgroei kent, blijft de opgave om duurzaam te worden behapbaar: de klimaatdoelen (gemeente Aalten klimaatneutraal) komen niet in gevaar door explosieve vraag. Tegelijk biedt de nieuwbouw een kans: we bouwen circulair en toekomstbestendig, wat bijdraagt aan de duurzaamheidsambities. Ook op het vlak van landbouw en natuur kan scenario 2 winst opleveren, doordat er ruimte is voor geleidelijke transities (bijvoorbeeld kringlooplandbouw) zonder dat de druk van “verstedelijking” te hoog wordt. Over het geheel genomen sluit scenario 2 goed aan bij de duurzaamheidsinstelling van inwoners: bijdragen aan klimaatoplossingen, maar zonder grootschalige ingrepen die het landschap aantasten.
Leefbaarheid: Scenario 2 komt wat leefbaarheid betreft het dichtst in de buurt van de ideale balans. De dorpen blijven hun vertrouwde schaal en sfeer houden, maar krijgen genoeg nieuwe impulsen (nieuwe bewoners, jonge gezinnen, investeringen) om vitaal en levendig te blijven. Sociale samenhang kan in dit scenario behouden blijven – de groei is gespreid over jaren, waardoor nieuwkomers geleidelijk integreren in de gemeenschap. Tegelijk voorkomt de aanhoudende groei dat de gemeenschap “verstilt” of vergrijst; er is continu aanwas van jeugd en actieve volwassenen die verenigingen, scholen en evenementen draaiende houden. Inwoners gaven aan zowel de huidige kwaliteiten willen behouden als ontwikkelingen omarmen die de leefbaarheid vergroten. Precies dat biedt scenario 2: vernieuwing in continuïteit. Het dorpse karakter gaat niet verloren, maar gemeente Aalten wordt wel toekomstbestendiger.
Kortom, scenario 2 sluit uitstekend aan bij de meeste inwonerswensen. Het biedt voldoende woningen en kansen voor de jeugd, ondersteunt voorzieningen en economie, en doet dit alles met respect voor landschap, milieu en het eigen karakter van de gemeente.
4.3 Beoordeling scenario 3: Sterke groei in alle kernen Scenario 3 veronderstelt een fors sterkere groei van bevolking en huishoudens dan de trend. Gemeente Aalten zou actief meer inwoners aantrekken, wat neerkomt op circa 2.000 nieuwe woningen tot 2040. Deze woningbouw wordt zoveel mogelijk evenredig over de gemeente verspreid, dus alle kernen krijgen (proportioneel) een flinke uitbreiding.
Woningbouw & voorzieningen: Met scenario 3 wordt de woningnood rigoureus aangepakt. Het aantal nieuwe woningen is hoog genoeg om niet alleen aan de lokale behoefte te voldoen, maar mogelijk ook extra huishoudens van buiten aan te trekken. Voor jonge Aaltenaren betekent dit dat er ruim voldoende huizen beschikbaar komen; het risico dat iemand geen woning kan vinden, is in dit scenario zeer klein. Daarmee zou de wegtrek van jongeren door gebrek aan woonruimte geheel stoppen. Ook gezinnen die
38/45
elders zouden gaan wonen, kunnen nu binnen de gemeente een plek vinden. Inwoners hebben aangegeven dat zij de ontwikkeling Slingeplas-’t Broock (82 woningen) al toejuichen om jeugd te behouden – scenario 3 is die gedachte in het groot: veel nieuwbouw om de bevolking jong en vitaal te houden. Dit komt tegemoet aan de wens voor een gezonde bevolkingsopbouw en het tegengaan van vergrijzing. Daarnaast schept scenario 3 kansen voor extra voorzieningen: meer inwoners kan bijvoorbeeld betekenen dat er ruimte komt voor een breder winkelaanbod, nieuwe sportfaciliteiten of behoud van bijvoorbeeld een huisarts in kleinere kernen. De keerzijde is dat zo’n groeispurt ook uitdagingen voor voorzieningen geeft. Scholen en zorg moeten meegroeien; er zijn investeringen nodig om alle nieuwe inwoners te bedienen. In het algemeen is het beeld echter positief voor voorzieningen: door de groei blijven dorpen zeker levendig en kan zelfs leegstand (bijv. van winkels) worden tegengegaan met nieuwe vraag. Inwoners wilden beslist geen verdere leegstand of verloedering in hun dorpen – scenario 3 maakt de kans daarop kleiner, omdat groei vaak nieuwe bedrijvigheid en invulling brengt.
Landschap: Scenario 3 stelt de gemeente wel voor een grote ruimtelijke opgave, want 2.000 woningen verdeeld over de kernen betekent significante uitbreidingen van de dorpen in het buitengebied. Hoewel de bouw gespreid wordt, zal per kern een groter oppervlak aan open land worden omgezet naar woonwijk dan in de andere scenario’s. Dit brengt risico’s mee voor het landschap en de ecologische waarden. Inwoners waarderen het omliggende agrarische coulisselandschap enorm; scenario 3 zet dat landschap onder druk doordat meer bouwlocaties aan de randen van dorpen nodig zijn. Karakteristieke groene doorzichten en landbouwpercelen kunnen plaatsmaken voor nieuwbouwwijken. De uitdaging is om deze uitbreidingen zo in te passen dat ze het minste afbreuk doen aan de omgeving – bijvoorbeeld door veel groen in de wijken en duidelijke dorpsranden te creëren. Toch valt niet uit te sluiten dat dit scenario op punten botst met inwonerswensen omtrent het landschap. Men heeft aangegeven geen ontwikkelingen te willen die “de rust, het groen of de dorpsaard aantasten”. Bij een verdubbeling van de woningbouw kan aantasting echter lastig helemaal te vermijden zijn: het dorpse karakter van met name kleinere kernen zou kunnen veranderen als ze ineens aanzienlijk groter worden. Wat nu nog een klein buurtschap is, kan uitgroeien tot een volwaardiger dorp – een transformatie die niet iedereen zal omarmen.
Anderzijds biedt scenario 3 de kans om kwaliteitswinst te boeken: men zou bij elke grote uitbreiding investeringen in landschap kunnen doen (zoals nieuwe natuur of parken aanleggen als compensatie). Maar per saldo is dit het scenario met de grootste ruimtelijke voetafdruk. Het vereist zorgvuldig beleid om de door inwoners gewenste balans tussen landbouw, natuur en bebouwing te behouden.
Mobiliteit: Een sterke groei van inwoners gaat hand in hand met meer verkeer en druk op infrastructuur. Scenario 3 impliceert dat zonder maatregelen de verkeersintensiteit flink toeneemt: meer woon-werkverkeer, meer logistiek voor de extra inwoners, enzovoort. In een plattelandsgemeente betekent dat vooral meer auto’s op de weg. Dit scenario verplicht eigenlijk tot het nemen van stevige mobiliteitsmaatregelen om de leefbaarheid te waarborgen. Het goede nieuws is dat de noodzaak en waarschijnlijk ook de middelen (via groei) aanwezig zijn om te investeren: een rondweg om Aalten, omleiding bij Dinxperlo en forse verbeteringen in fietsverbindingen en OV zouden onderdeel moeten zijn van scenario 3. Inwoners hebben immers duidelijk gemaakt dat zwaar verkeer niet door de kernen moet en OV beter moet. Scenario 3 maakt zulke ingrepen urgent en wellicht haalbaar, omdat zonder die investeringen overlast zeker ontstaat. Met ingrepen kan scenario 3 ook positieve effecten hebben, bijvoorbeeld betere bereikbaarheid regionaal en internationaal (meer OV-gebruikers kunnen een directe bus naar Doetinchem of vaker een treinrit rechtvaardigen). Echter, zelfs met maatregelen zal het overall drukker en dynamischer worden op straat dan gemeente Aalten nu gewend is.
39/45
Voor sommige inwoners kan dat als een verslechtering voelen: men wil geen toenemend verkeerslawaai of onveiligheid, en scenario 3 brengt het risico dat dit toch gebeurt als de groei sneller gaat dan de infrastructuur aankan. Daarnaast vereist de mobiliteitsomslag ook een gedragsverandering (meer mensen op de fiets/OV) die tijd kost. Samengevat: scenario 3 kan op mobiliteitsgebied alleen passen bij de inwonerswensen mits er stevig wordt geïnvesteerd in infrastructuur en verkeersveiligheid. Doen we dat, dan worden knelpunten opgelost, maar de rustige plattelandswegen zullen onvermijdelijk iets voller worden.
Duurzaamheid: Een bevolkingstoename betekent ook een grotere ecologische voetafdruk lokaal. Scenario 3 stelt de duurzaamheidsambities op de proef. Om alle extra huishoudens van energie te voorzien en klimaatneutraliteit te bereiken, zijn aanvullende maatregelen nodig. Mogelijk moet er meer duurzame energie worden opgewekt binnen de gemeente, wat kan betekenen: grotere zonneparken en/of meer/grotere windmolens overwegen, iets dat zeer gevoelig ligt bij inwoners. Waar scenario 2 het wellicht met zon op dak en enkele kleinere projecten afkon, zal scenario 3 een schaalsprong vereisen in de energietransitie. Dit kan botsen met de voorkeur van inwoners voor kleinschaligheid op duurzaamheidsgebied. Aan de andere kant biedt een flinke nieuwbouwopgave ook kansen: alle nieuwe woningen kunnen volgens de hoogste energienormen worden gebouwd, volledig gasloos en goed geïsoleerd, wat bijdraagt aan de klimaatdoelen. Bovendien zou de gemeente bij scenario 3 extra middelen kunnen krijgen (via Rijk of provincie) om duurzaamheidsprojecten uit te voeren vanwege de groei. Denk aan grootschalige isolatieprogramma’s of innovatieve technieken als gezamenlijke warmtevoorziening in nieuwe wijken.
Klimaatadaptatie is eveneens een punt van aandacht: meer bebouwing kan wateropvang lastiger maken, dus dit scenario vergt serieuze investeringen in groene infrastructuur (wadi’s, vijvers, bomen) om hitte en regen te pareren. Inwoners vinden dit belangrijk; zij willen bijvoorbeeld geen ontwikkelingen die wateroverlast verergeren of de omgevingsveiligheid aantasten. Scenario 3 kan aan die eis voldoen, maar alleen door duurzaamheid heel integraal te benaderen – elk plan moet extra groen, water en energie-oplossingen bevatten om de grotere impact te compenseren. In wezen dwingt scenario 3 tot een versnelling van de duurzaamheidstransitie. Dat is ambitieus en kan gemeente Aalten toekomstbestendiger maken, maar het vraagt veel draagvlak en inspanning van inwoners, bedrijven en gemeente samen.
Leefbaarheid: Scenario 3 zou gemeente Aalten in 2040 een stuk dynamischer en groter maken dan nu het geval is. Dit heeft twee kanten voor de leefbaarheid. Positief is dat de dorpen waarschijnlijk bruisender worden: meer inwoners betekent meer klanten voor horeca en winkels, meer kinderen op school en wellicht een breder cultureel aanbod. Jongeren hoeven niet weg, dus families blijven compleet en verenigingen hebben volop aanwas. De lokale economie kan floreren met een groter arbeidspotentieel. Tegelijk is een snelle groei een aanslag op de sociale cohesie als er niet goed op wordt gelet. Waar nu “iedereen elkaar kent” in de gemeenschap, kan dat gevoel afnemen als er in korte tijd veel nieuwe gezichten bijkomen. Naoberschap staat sterk in Aalten; de uitdaging wordt om nieuwkomers daarin mee te nemen. Mogelijk verandert de dorpscultuur iets door instroom van buitenaf. Sommige inwoners kunnen dat als verlies ervaren van de “gemoedelijke schaal” en vertrouwdheid. Bovendien kan de grotere drukte – zowel qua verkeer als bebouwing – voor sommigen juist de rust en ruimte aantasten die ze zo waarderen.
Er is dus een balans: scenario 3 brengt veel kansen voor een levendige en toekomstgerichte gemeente Aalten, maar ook het risico dat het karakter van de gemeente verandert richting 2040. Inwoners hebben niet expliciet om zo’n grote groei gevraagd; hun input was vooral behoudend met toch verbetering op concrete punten. Scenario 3 overstijgt die
40/45
wensen aan de groeikant: het levert weliswaar alle gevraagde woningen en meer, maar gaat mogelijk verder dan nodig of gewenst om de kernkwaliteiten te behouden. Dit scenario sluit daardoor slechts gedeeltelijk aan op de inwonersvoorkeuren – uitstekend op het gebied van wonen en economie, maar onzeker of het nog past bij het idee van een kleinschalige, groene gemeenschap waar veranderingen geleidelijk gaan.
4.4 Beoordeling scenario 4: Nieuwe kern, flinke groei Scenario 4 neemt dezelfde hoge woningbehoefte als scenario 3 (circa 2.000 extra woningen in de periode tot en met 2040), maar kiest een andere verdeling. Een flink deel van de nieuwe woningen wordt geconcentreerd in een nieuwe kern (dorp) binnen de gemeente. Deze nieuwe kern zou op een locatie komen die gunstig is met het oog op water- en bodemgeschiktheid. De rest van de woningen wordt vermoedelijk in de bestaande kernen gebouwd, maar minder verspreid dan in scenario 3.
Woningbouw & voorzieningen: Net als scenario 3 biedt ook scenario 4 voldoende nieuwe huizen om iedere woningzoekende te bedienen en zelfs mensen van buiten aan te trekken. In die zin wordt voldaan aan de roep om woningen voor alle doelgroepen. Het verschil zit in waar die huizen terechtkomen. Scenario 4 zou betekenen dat bijvoorbeeld enkele honderden tot misschien wel duizend woningen in één geheel nieuw dorp gebouwd worden. Dit kan de druk wegnemen bij de bestaande dorpen: zij hoeven dan minder uit te breiden. Voor inwoners die huiverig staan tegenover grote nieuwbouwwijken aan de rand van hun eigen dorp kan dat aantrekkelijk klinken. Hun kern behoudt dan meer het huidige aanzien. Elke bestaande kern groeit gematigder dan in scenario 3 – mogelijk vergelijkbaar met scenario 2 – waardoor voorzieningen daar op peil blijven zonder extreme toename. Tegelijk brengt het een vraagstuk mee: zullen jongeren en ouderen die nu in dorp X wonen, bereid zijn te verhuizen naar een compleet nieuwe kern, wellicht kilometers verderop? Een nieuwe kern kan een eigen gemeenschap vormen, maar het betekent ook dat bijvoorbeeld een jongere uit Dinxperlo misschien niet in Dinxperlo zelf kan wonen maar in “Nieuw-Aalten” moet gaan wonen om een huis te krijgen. Dat kan een drempel zijn; mensen hechten vaak aan hun eigen kern.
Inwoners hebben vooral de wens uitgesproken voor woningen binnen of aansluitend aan hun eigen dorp, zodat ze in de buurt van hun netwerk kunnen blijven. Scenario 4 wijkt daarvan af door een deel van de woningbouw elders te concentreren. Dit zou kunnen betekenen dat ondanks het grote aantal nieuwe huizen, sommige kernen toch een tekort blijven houden aan lokaal beschikbare woningen, omdat de oplossing buiten hun kern wordt gebouwd. Bovendien vraagt een nieuwe kern om opbouw van geheel nieuwe voorzieningen: er moeten bijvoorbeeld een supermarkt, basisschool, huisarts en sportfaciliteiten komen naarmate de kern groeit, anders is het er niet leefbaar. Dit vergt investeringen en tijd. In de beginfase zullen inwoners van de nieuwe kern aangewezen zijn op bestaande kernen voor voorzieningen, wat de druk daar (tijdelijk) verhoogt. Uiteindelijk kan scenario 4 dus leiden tot één extra dorp met eigen voorzieningen, terwijl de andere dorpen ongeveer hun huidige voorzieningenniveau behouden. Voor de gemeente als geheel komen er voorzieningen bij, maar of dat efficiënt en gewenst is, hangt af van de schaal. Inwoners hebben niet specifiek om een nieuw dorp gevraagd; hun focus lag op behoud en versterking van bestaande gemeenschappen. Scenario 4 biedt wel groei, maar mogelijk niet op de manier die men voor ogen had voor de eigen woonplaats.
Landschap: Dit scenario heeft een unieke ruimtelijke impact: in plaats van of naast meerdere uitbreidingen komt er één grote ingreep op een nieuwe locatie. Het voordeel hiervan kan zijn dat de gemeente een plek kan kiezen die landschappelijk en
41/45
milieutechnisch het minst gevoelig is. Denk aan een relatief open plek die niet midden in waardevol natuur- of cultuurhistorisch gebied ligt. Door te clusteren op één locatie blijft het merendeel van het overige buitengebied gevrijwaard van bebouwing – de bestaande kernen hoeven immers minder ver het land in te groeien. In die zin behoudt scenario 4 het landschap rond de meeste dorpen beter dan scenario 3: elke kern (op de nieuwe na) blijft compacter. Echter, de plek waar de nieuwe kern verrijst, ondergaat een zeer ingrijpende verandering: waar wellicht nu weilanden of akkers zijn, zou een heel dorp gebouwd worden. Dat betekent onherroepelijk verlies van open landschap ter plaatse en een transformatie van bodem en ecosysteem. Inwoners hebben aangegeven dat grootschalige ontwikkelingen in het buitengebied (zoals nieuwe industrie en waarschijnlijk ook een geheel nieuw dorp) niet gewenst zijn als daarmee rust en ruimte verloren gaan. Een nieuwe kern is precies zo’n ongekend grootschalige ingreep die gevoelig kan liggen. Zelfs al kies je de “beste” locatie, voor omwonenden en liefhebbers van het huidige landschap betekent het een aantasting van wat er was. Cultureel-historisch is er ook een aspect: gemeente Aalten en omliggende kernen kennen een historische groei, terwijl een kunstmatig nieuw dorp geen historisch karakter heeft.
Dat verschil kan botsen met de lokale identiteit, al zou de nieuwe kern op den duur zijn eigen identiteit kunnen ontwikkelen. Positief is dat men in de nieuwe kern alle moderne duurzaamheid- en inrichtingsmaatregelen vanaf nul kan toepassen (ruimte voor water, groen, energie), wat de nadelen deels verzacht. Samengevat houdt scenario 4 een belofte in: bescherming van het merendeel van het landschap door één gebied op te offeren. Dat is een andere benadering dan geleidelijke verspreide groei. Of dit aansluit bij inwonerswensen is twijfelachtig – men spreekt immers van “het landschap beschermen” maar bedoelt doorgaans het bestaande landschap als geheel, niet een deel ervan ten koste van een ander deel. Een nieuwe kern creëren zou door veel inwoners kunnen worden gezien als een te radicale breuk met het huidige ruimtelijke beeld.
Mobiliteit: Het ontstaan van een nieuwe dorpskern stelt nieuwe eisen aan de infrastructuur. Waar de huidige dorpen via bestaande wegen verbonden zijn, zal een nieuwe kern waarschijnlijk nieuwe ontsluitingswegen nodig hebben. Verkeersstromen zullen veranderen: bewoners van de nieuwe kern moeten naar Aalten, Dinxperlo of elders voor werk, scholen (zeker in begin), boodschappen en sociale activiteiten. Dat kan op bepaalde routes meer verkeer veroorzaken. Tegelijk kan men de nieuwe kern strategisch plaatsen, bijvoorbeeld nabij een hoofdweg, zodat verkeer niet dwars door bestaande kernen hoeft. Ideaal zou zijn als de nieuwe kern zelfs een goede OV-verbinding krijgt (bijvoorbeeld aan een spoorlijn of met een nieuwe busroute) om autogebruik te beperken. Inwoners willen geen extra verkeersdruk in hun dorpen, dus scenario 4 moet zo ontworpen worden dat de nieuwe kern zelfvoorzienend genoeg wordt en goede externe verbindingen krijgt, zodat omliggende kernen er weinig hinder van ondervinden. De bestaande dorpen zelf groeien minder, dus intern neemt verkeer daar minder toe dan in scenario 3 – dat is een pluspunt. Maar de totale verkeersbehoefte in de gemeente is vergelijkbaar met scenario 3 vanwege hetzelfde aantal inwoners extra. Het verschil is vooral ruimtelijk: de verkeersstromen centraler afwikkelen vs. verspreid.
Scenario 4 maakt gerichte investeringen mogelijk: men kan bijvoorbeeld een nieuwe rondweg of aansluiting speciaal voor de nieuwe kern aanleggen, en in bestaande dorpen volstaan met kleinere aanpassingen. Dit kan efficiënt zijn, maar het risico is dat áls de nieuwe infrastructuur achterblijft, één gebied te maken krijgt met flink veel drukte. De mobiliteitswensen van inwoners – veiliger, schoner verkeer en beter OV – blijven ook in dit scenario aandachtspunten. Er komt zelfs een extra dorp bij dat van die voorzieningen moet worden voorzien. De gemeente zal dus naast de verbeteringen die in
42/45
scenario 2 genoemd zijn, nog een schepje bovenop moeten doen voor de nieuwe kern (zoals een extra buslijn, nieuwe fietsverbindingen naar de kern enz.). Mits dat gebeurt, kan scenario 4 qua mobiliteit zo ingericht worden dat bestaande dorpen ontzien worden en de nieuwe kern vlot en duurzaam verbonden is. Dit vergt echter zorgvuldige planning. Inwoners zijn hier niet expliciet op voorbereid; het idee van een nieuw dorp is nooit in participatie als wens naar voren gekomen, dus draagvlak voor de benodigde infrastructuur zal actief moeten worden opgebouwd.
Duurzaamheid: Scenario 4 biedt een gemengde uitkomst voor duurzaamheid. Aan de ene kant lijkt het gunstig: door een nieuwe kern te bouwen op een locatie die klimaatbestendig is (rekening houdend met water en bodem), voorkom je dat uitbreidingen plaatsvinden op kwetsbare plekken (bijv. natte gebieden of onder zeeniveau). Dit draagt bij aan lange-termijnbestendigheid tegen droogte of overstroming. Bovendien kan deze kern vanaf de tekentafel ontworpen worden als voorbeeld van duurzaamheid – denk aan volledige energieneutraliteit, circulaire bouwmaterialen, autoluwe inrichting en veel groenblauwe dooradering (parken, sloten, wadi’s). In theorie zou de nieuwe kern een proeftuin kunnen zijn waar de gemeente haar duurzaamheidsdoelen in praktijk brengt. Dit sluit aan bij de bereidheid van inwoners om bij te dragen aan duurzaamheid, zij het dat ze grootschalige inbreuken op het landschap liever niet zien. Hier ontstaat een spanningsveld: om scenario 4 duurzaam te laten slagen, moet er misschien wel een groter zonnepark en/of een paar windmolens bij die nieuwe kern komen (aangezien die plek nieuw is en vrij ingericht kan worden). Terwijl bewoners elders dat soort projecten liever vermijden, zou men ze in scenario 4 kunnen concentreren nabij de nieuwe kern, weg van bestaande dorpen. Dat kan de acceptatie iets verhogen, maar het blijven grote ingrepen die gevoelig liggen.
Anderzijds hebben bestaande dorpen in scenario 4 minder bouwactiviteit, wat hen ruimte geeft hun eigen duurzaamheidstappen in een rustiger tempo te zetten. Samenvattend kan scenario 4 het beste van twee werelden bieden op duurzaamheid: alle state-of-the-art technieken in het nieuwe dorp, met behoud van bestaande waarden elders. Maar dit hangt sterk af van de uitvoering. Draagvlak is hierbij cruciaal – inwoners moeten overtuigd raken dat een nieuwe kern hen ontzorgt qua duurzaamheid in plaats van dat het een bedreiging vormt. Gezien de input dat men grote turbines en velden niet ziet zitten, blijft scenario 4 op dit thema een moeilijke propositie zonder uitgebreide participatie en garanties.
Leefbaarheid: De impact van scenario 4 op de leefbaarheid is complex. Voor de nieuwe kern zelf zal het een uitdaging zijn om vanaf nul een gemeenschap op te bouwen. Leefbaarheid betekent hier: krijg je een ziel in het nieuwe dorp, een gemeenschapsleven? Dat kost tijd. In het begin wonen er slechts pioniers, met weinig voorzieningen en sociale netwerken. Dat beeld staat haaks op het hechte gemeenschapsleven dat Aalten nu kenmerkt. Uiteraard kan na verloop van jaren een nieuwe sociale structuur groeien, maar dat vereist bewuste investeringen in ontmoetingsplekken, verenigingsleven en identiteit. Voor de bestaande dorpen heeft scenario 4 mogelijk een dubbel effect. Positief: zij blijven meer zoals ze zijn, met beperkte groei die niet al te veel veranderingen in sociale verhoudingen brengt. De dorpsgemeenschappen behouden hun bekende gezichten en ritmes, wat veel inwoners op prijs stellen. Negatief echter: doordat een deel van de groei “afgesnoept” wordt door de nieuwe kern, zou het kunnen dat sommige dorpen minder nieuwe jonge inwoners krijgen dan gewenst. Als bijvoorbeeld Aalten of Dinxperlo in scenario 4 minder woningen krijgt dan in scenario 2, kan dat betekenen dat toch enkele jongeren uit die kernen naar elders vertrekken of naar de nieuwe kern gaan – feitelijk voor hen alsnog weg uit hun vertrouwde omgeving.
Het gevoel kan ontstaan dat men iets moet inleveren: “onze kinderen moeten straks in dat nieuwe dorp gaan wonen omdat hier niet genoeg bijgebouwd wordt”. Dit is speculatief, maar het raakt aan de emotionele kant van leefbaarheid en sociale samenhang.
43/45
Inwoners hebben duidelijk gemaakt vooral géén dingen te willen die hun dorpsaard aantasten of voorzieningen laten verdwijnen. Scenario 4 probeert dat te vermijden, maar creëert wel een nieuw soort leefomgeving erbij. Het is moeilijk in te schatten of men dat als verrijking zal zien (“we krijgen er een buurtdorp bij met nieuwe kansen”) of als iets aparts (“dat is niet ons Aalten”). Waarschijnlijk zullen meningen daarover uiteenlopen. Voor de gemeente als geheel zou scenario 4 betekenen dat de groei en bijbehorende investeringen geconcentreerd worden: mogelijk efficiënter, maar ook minder direct zichtbaar als voordeel in elke kern. Het risico is dat bestaande kernen denken dat de nieuwe kern alle aandacht krijgt, terwijl zij op de tweede plaats komen. Leefbaarheid is tenslotte ook perceptie. Al met al sluit scenario 4 minder duidelijk aan bij de wensen van inwoners dan de eerdere scenario’s. Het voorziet wel in materiële behoeften (wonen, klimaatbestendigheid) maar ontbreekt in de gedragen wens: inwoners vroegen om balans en maatwerk in hun eigen leefomgeving, niet om een compleet nieuwe leefomgeving ernaast.
4.5 Conclusie: Groei met kwaliteit als beste koers Elk scenario heeft sterke en zwakke punten in het licht van wat onze inwoners belangrijk vinden. Scenario 1 (beperkte groei) scoort hoog op behoud van landschap en rust, maar faalt in het veiligstellen van voldoende woningen en een vitale toekomst voor de gemeenschap. Scenario 3 (maximale groei) doet het omgekeerde: het lost woningnood en voorzieningendruk op, maar dreigt het geliefde dorpse karakter en landschap te overschaduwen door de ingrijpende groei. Scenario 4 (nieuwe kern) probeert kwaliteit en kwantiteit te combineren op een innovatieve manier, maar is moeilijk verenigbaar met de bestaande wensen en identiteit van de gemeenschap. De essentie van deze afweging is duidelijk: de gemeente Aalten moet kiezen voor een koers die genoeg ontwikkeling toestaat om Aalten vitaal te houden, maar niet zoveel groei dat de kwaliteit van de leefomgeving onacceptabel verslechtert. Met andere woorden, we zoeken een integrale balans tussen groei en behoud van kwaliteit. De vier scenario’s laten de bandbreedte hiervan zien – van minimale groei tot maximale groei. Uit de analyses en vergelijking blijkt dat het optimale toekomstbeeld zich in het midden bevindt, waar ontwikkeling en bescherming hand in hand gaan.
44/45
5. VOORKEURSCENARIO Per saldo komt scenario 2 – gematigde groei met behoud van kwaliteit – als meest evenwichtige en toekomstbestendige optie uit de bus. Dit scenario doet het meest recht aan zowel de bevindingen uit de omgevingseffect-beoordeling (het bewaart een gezond evenwicht voor de fysieke leefomgeving) als aan de wensen van onze inwoners. Het voorziet in de gevraagde woningen voor alle doelgroepen, ondersteunt voorzieningen en economische vitaliteit, én blijft intussen trouw aan wat onze gemeenschap waardevol vindt: het mooie landschap, de kleinschaligheid en de leefbaarheid. Scenario 2 scoorde in de analyse op de meeste leefomgevingsaspecten gunstig en voldoet tegelijkertijd grotendeels aan de prioriteiten die inwoners hebben benoemd. Deze combinatie van factoren gaf de doorslag voor scenario 2: het biedt de benodigde oplossingen zonder onacceptabele nadelen – in contrast met scenario 1 dat te weinig perspectief bood en scenario 3 en 4 die juist te veel druk op de leefomgeving leggen. Kortom, “groei met kwaliteit” is de voorkeurskoers voor Aalten 2040. Het is een middenweg die groei omarmt om knelpunten op te lossen en perspectief te bieden aan de jeugd, maar nooit ten koste laat gaan van onze identiteit en omgevingskwaliteit. Deze koers maakt Aalten toekomstbestendig – zonder onszelf te verliezen.
Nu scenario 2 als voorkeurscenario is gekozen, volgt de uitwerking daarvan in de Omgevingsvisie Aalten 2040. Daarbij zullen de ambities en maatregelen uit “groei met kwaliteit” SMART (Specifiek, Meetbaar, Acceptabel, Realistisch en Tijdgebonden) worden geconcretiseerd. We formuleren duidelijke doelen – bijvoorbeeld hoeveel woningen we bouwen, hoeveel biodiversiteit we herstellen, of welke voorzieningenniveaus we willen garanderen – en koppelen daaraan uitvoerbare acties en mijlpalen. Zo zorgen we dat de gekozen koers niet alleen een mooie ambitie blijft, maar zich ook vertaalt in een toetsbare en haalbare visie die richting geeft aan de ontwikkeling van Aalten tot 2040.
45/45