CConstaterende datAalten
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2 - analyse en voorkeurscenario - versie 19-12-2025

Beeldvorming raad in zaal Bredevoort 7 januari 2026, gemeente AaltenBij agendapunt: Voorontwerp Omgevingsvisie Aalten 204023.364 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Bijlage: Analyse & voorkeurscenario voor Omgevingsvisie Aalten 2040

VOORWOORD In dit document de vertaalslag van alle ingrediënten voor de Omgevingsvisie Aalten 2040 naar vier verschillende scenario’s, waarna deze vier scenario’s zijn beoordeeld, uitmondend in een voorkeurscenario voor de Omgevingsvisie Aalten 2040. Achtereenvolgens in dit document: 1. 2. 3. 4. 5.

Analyse: conflicten, hiaten, koppelkansen en strategische keuzes. Scenario’s. Beoordeling scenario’s op effecten voor de leefomgeving. Beoordeling scenario’s op wensen, voorkeuren en prioriteiten van inwoners. Voorkeurscenario.

2/45

1. ANALYSE 1.1 Belangrijkste conflicten tussen ambities, opgaven, plannen, wensen en kaders 1.1.1 Belangrijkste conflicten 

Woningbouw versus landschap en dorpskarakter: Er is grote behoefte aan nieuwe woningen voor starters, jonge gezinnen en senioren – zonder bijbouw dreigt leegloop en aantasting van de leefbaarheid. Tegelijk koesteren inwoners het waardevolle landelijke coulisselandschap en de kleinschalige dorpse sfeer. In kleine kernen heerst de wens het landschap open en groen te houden, terwijl men beseft dat er wél nieuwe woningen bij moeten om de kernen levendig te houden. De uitdaging is bouwen voor de toekomst zonder de karakteristieke rust en het groen te verliezen. Inwoners gaven duidelijk aan geen ontwikkelingen te willen die “de rust, het groen of de dorpsaard aantasten”. Daarom bestaat een voorkeur voor inbreiding en hergebruik van bestaande panden boven uitbreiden in open landschap.

Landbouw(groei) versus natuur en landschap: Gemeente Aalten heeft een fraai agrarisch landschap, maar de basiskwaliteit daarvan is niet overal op peil en de biodiversiteit staat onder druk. Schaalvergroting en intensiever grondgebruik in de landbouw botsen met het behoud van natuur en landschap – zo leidt intensieve veehouderij en bemesting tot aantasting van houtwallen en habitats, en teveel stikstofneerslag bedreigt nabijgelegen natuurgebieden. Inwoners noemen expliciet het belang van een balans tussen landbouw, natuur en wonen en willen die evenwichtige mix behouden. Tegelijk erkennen beleidskaders én agrariërs dat de sector moet verduurzamen (kringlooplandbouw, uitstoot verminderen, natuurinclusief werken). De spanning zit in de vraag hoeveel agrarische groei nog kan, en onder welke voorwaarden, zonder de natuurwaarden te schaden. In ieder geval is een integrale benadering nodig waarin landbouwproductie hand in hand gaat met natuurbehoud en recreatieve waarde om het groene imago te behouden én de agrarische economie toekomstbestendig te maken.

Mobiliteit en bereikbaarheid versus klimaat en leefomgeving: Als plattelandsgemeente is Aalten sterk autogericht – voor veel inwoners (zeker buiten de kern) is de auto nu het voornaamste vervoermiddel en grote files kennen we niet. Tegelijk laat bijlage 1 zien dat het huidige mobiliteitsnetwerk niet overal aansluit op duurzame mobiliteitswensen: het fiets- en wandelnetwerk is gebrekkig en openbaar vervoer van/naar de kleine kernen schiet tekort. Er is dus een spanning tussen de huidige praktijk (intensief autogebruik) en de gewenste transitie naar schoner vervoer. Om klimaatdoelen en een gezonde leefomgeving te halen, zullen we moeten inzetten op minder fossiele auto’s en meer OV, fiets en elektrische mobiliteit. Dat botst echter met de realiteit van een uitgestrekte gemeente waar de auto vaak onmisbaar is. Bovendien draagt verkeer bij aan milieu- en gezondheidsproblemen: langs drukkere wegen meten we relatief hoge fijnstof- en NO₂-waarden, en inwoners klagen over verkeerslawaai en onveilige situaties door vrachtverkeer. Hier wringt het dus: we willen zowel goed bereikbaar zijn als een schone, rustige leefomgeving – twee doelen die moeite hebben om samen te gaan.

Economische ontwikkeling versus milieukwaliteit en veiligheid: De gemeente wil economisch vitaal blijven met voldoende werkgelegenheid. Dat betekent dat er nieuwe bedrijven en banen bij moeten komen, want op de bestaande bedrijventerreinen is amper ruimte over. Hier ontstaat spanning: uitbreiding van bedrijvigheid vraagt extra grond, leidt tot meer verkeer en mogelijk meer uitstoot of risico’s (gevaarlijke stoffen, geluidsoverlast). Zulke ontwikkelingen kunnen strijdig zijn met milieudoelen (schone lucht,

3/45

stilte, schoon water) en met veiligheid voor omwonenden. Inwoners onderschrijven dit dilemma: men wil graag lokaal werk en bedrijvigheid, mits uitbreiding “niet ten koste gaat van het waardevolle buitengebied”. Concreet betekent dit bijvoorbeeld dat uitbreiding van bedrijventerrein ’t Broek heel zorgvuldig in het landschap ingepast moet worden, en verspreide industrie in het buitengebied ongewenst is. Bijlage 1 signaleert bovendien dat de milieukwaliteit nu al onder druk staat: fijnstof- en NO₂-concentraties liggen boven de advieswaarden van de WHO en ~27% van de inwoners ervaart geurhinder (deels door veehouderijen, maar ook opvallend veel door houtkachels). Ook nieuwe energieprojecten (windmolens, zonneparken) leveren spanningen op met het landschap en omwonenden, want grootschalige turbines of velden liggen “gevoelig” – inwoners zien liever zonnepanelen op daken en kleinschalige innovaties. Dit alles betekent dat economische groei in de toekomst alleen kan als deze gepaard gaat met strenge milieueisen en veiligheidsnormen. Sterker nog, het conflict biedt een kans: als we nieuwe economie vooral richten op duurzaamheid, kunnen we groei koppelen aan milieuwinst. Bijlage 1 noemt de mogelijkheid om economische vernieuwing te verbinden met duurzaamheid – bijvoorbeeld door circulaire bedrijven en schone technologie aan te trekken in plaats van traditionele vervuilende industrie. 

Voorzieningenniveau en leefbaarheid versus demografische krimp/vergrijzing: Aalten wil zijn basisvoorzieningen (scholen, winkels, sport, zorg) en levendige dorpskernen graag behouden. Tegelijk krimpt het aantal jongeren en vergrijst de bevolking sterk, en groeit het inwonertal weinig of niet. Deze dubbele vergrijzing ondermijnt het draagvlak voor voorzieningen. In kleine kernen en buurtschappen is het voorzieningenniveau nu al beperkt; inwoners moeten voor veel dingen relatief ver reizen. Bijlage 1 waarschuwt dat door de demografische trend die afstanden en tekorten groter kunnen worden. Minder inwoners betekent minder klanten en leerlingen: winkels kunnen omzet verliezen en sluiten, scholen moeten misschien fuseren of verdwijnen bij gebrek aan kinderen. We zien nu al signalen hiervan, zoals bovengemiddelde winkelleegstand in Aalten. Inwoners noemen het tegengaan van leegstand dan ook expliciet als prioriteit (bijv. “geen verdere verloedering van het centrum” in Aalten).

Het spanningsveld is duidelijk: we willen iedere kern leefbaar houden met basale voorzieningen, maar de economische/demografische realiteit maakt dat moeilijk vol te houden. Ook ontbreekt op dit punt nog gericht gemeentelijk beleid, wat de urgentie vergroot. Zonder actief ingrijpen dreigt een vicieuze cirkel van verder verdwijnende voorzieningen en afnemende leefbaarheid. 1.1.2 Belangrijkste beleidsmatige of inhoudelijke hiaten De Omgevingswet vereist een integrale visie op alle aspecten van de fysieke leefomgeving; we moeten dus eventuele blinde vlekken in ons beleid invullen. De belangrijkste hiaten zijn de volgende: 

Geluidsbeleid: Gemeente Aalten beschikt over vastgesteld geluidbeleid, waaronder een nieuwe Geluidnota. Tegelijkertijd vraagt de doorwerking hiervan binnen de systematiek van de Omgevingswet om actualisatie en verdere integratie in de Omgevingsvisie en het toekomstige Omgevingsplan. Geluidshinder langs wegen en spoor blijft daarbij een aandachtspunt, met name in relatie tot gezondheid, woningbouw en verkeersveiligheid.

Oppervlaktewaterkwaliteit: Ook voor de kwaliteit van sloten, beken en vijvers is er geen specifiek gemeentelijk beleid. Hoofdstuk 1 constateert dat zonder extra maatregelen de doelen van de Europese Kaderrichtlijn Water voor 2027 niet gehaald worden. Nu laten we initiatieven om de waterkwaliteit te verbeteren vooral over aan hogere overheden, wat een gemiste kans is. Zonder lokaal plan missen we mogelijkheden om bijvoorbeeld met natuurvriendelijke oevers, regenwateropvang of het tegengaan van

4/45

mest/kunstmest-uitspoeling het water in onze eigen leefomgeving gezonder te maken. 

Voorzieningenstrategie: Zoals hierboven benoemd bij het spanningsveld leefbaarheid, ontbreekt een uitgewerkte visie of actieplan voor het in stand houden van voorzieningen. Gezien de vergrijzing en mogelijke krimp is zo’n strategie urgent. Zonder expliciet beleid bestaat het risico dat pas wordt ingegrepen als winkels of scholen al sluiten, in plaats van proactief te zoeken naar oplossingen (bijvoorbeeld combinatiefuncties, subsidies of regionale afspraken over het spreiden van voorzieningen).

Deze hiaten betekenen dat de gemeente op deze onderwerpen nieuw beleid zal moeten formuleren. Om van een optelsom van bestaand beleid naar één integrale visie te komen, moeten de witte vlekken worden ingekleurd. Bij de uitwerking van de Omgevingsvisie zullen we dus moeten besluiten welke ambities en maatregelen we op elk van deze thema’s vastleggen – bijvoorbeeld een lokaal geluidsplan met strengere normen voor stille woonwijken, een integraal waterplan samen met waterschap en agrariërs, en een voorzieningenstrategie per kern. 1.1.3 Belangrijkste koppelkansen: opgaven slim combineren Door opgaven in samenhang aan te pakken, kunnen we efficiënter investeren en meerdere vliegen in één klap slaan. Belangrijke integratiekansen die uit de input naar voren komen: 

Woningbouw & klimaatadaptatie: Bij nieuwe woningen kunnen we direct maatregelen meenemen om de leefomgeving klimaatbestendig in te richten. Bijlage 1 geeft aan dat bij nieuwbouw expliciet gelet moet worden op hittebestendige en waterrobuuste ontwerpen. Denk aan lichte bestrating die minder warmte vasthoudt, groene daken, wadi’s en infiltratiekratten om regenwater op te vangen. Zo realiseren we tegelijkertijd extra woningen én verminderen we hittestress en wateroverlast in de toekomst.

Woningbouw & sociale cohesie: Nieuwbouwprojecten bieden ook kansen om de gemeenschap te versterken. Als we in nieuwe woonwijken voorzieningen en ontmoetingsplekken meeplannen – bijvoorbeeld een buurthuis, een groen dorpsplein of een gedeelde tuin – verhoogt dat niet alleen de woonkwaliteit, maar ook de sociale samenhang. Leefbare, vitale kernen vragen om zulke ontmoetingsplekken (aldus Hoofdstuk 1), dus hier ligt een koppelkans: bouwprogramma’s zo invullen dat ze vergrijzing opvangen (met levensloopbestendige woningen), jongeren huisvesten én plekken creëren waar mensen elkaar kunnen ontmoeten. Op die manier helpt woningbouw ook tegen eenzaamheid en houdt het de dorpsgemeenschap sterk.

Landbouw & natuur/recreatie: In het buitengebied zijn er kansen om landbouwtransitie te koppelen aan natuurbehoud en recreatie. Een integrale aanpak waarbij boeren niet alleen voedsel produceren maar ook betaald kunnen worden voor natuurbeheer, landschapszorg of recreatieve diensten levert dubbele winst op. Bijvoorbeeld: als een boer stopt, kan zijn erf (deels) een nieuwe functie krijgen – een deel natuurgebied of een recreatieve voorziening zoals een boerderijcamping of B&B in een verbouwde schuur. Zo blijft de open ruimte behouden, krijgt de boer een nieuw verdienmodel en verbeteren we de biodiversiteit en recreatieve waarde tegelijk. Initiatieven als agrarisch natuurbeheer en kringlooplandbouw laten zien dat herstel van natuur hand in hand kan gaan met nieuwe economische kansen voor agrariërs. Dit sluit aan bij de ambitie om het landelijk gebied te versterken door functiemenging – landbouw, natuur en recreatie in balans – zodat het landschap aantrekkelijk blijft én de agrarische sector toekomst heeft.

Klimaatadaptatie & biodiversiteit: Maatregelen om de gemeente klimaatrobuust te maken kunnen tegelijk de natuur ten goede komen. Zo betekent “water en bodem sturend” werken in de praktijk dat we water vasthouden in het landschap en vergroenen,

5/45

wat zowel overstromingen voorkomt als flora en fauna helpt. Concreet: als we groene corridors, extra bomenrijen en waterbuffers aanleggen, zorgt dat voor koeling en waterberging én ontstaan nieuwe habitats voor planten en dieren. Hoofdstuk 1 benadrukt dat integraal waterbeheer – bijvoorbeeld regenpijpen afkoppelen en regenwater lokaal laten infiltreren – niet alleen wateroverlast vermindert maar ook de ecologie versterkt. Zulke combinaties passen bij een visie waarin we klimaatmaatregelen standaard inzetten om ook natuur te verbeteren. 

Voorzieningen & leegstand/zorg: Ook op het vlak van voorzieningen kunnen we slim koppelen. Een multifunctioneel centrum in een dorp kan bijvoorbeeld het verenigingsleven huisvesten, een bibliotheekpunt en een zorgsteunpunt bevatten, én dienen als ontmoetingsplek. Eén zo’n investering bedient meerdere doelen: het versterkt de sociale cohesie, voorkomt leegstand van gebouwen en behoudt belangrijke basisvoorzieningen in de kern. Daarnaast biedt digitalisering een koppelkans: met goede internetverbindingen en digitale loketten kunnen bewoners van kleine kernen toch toegang houden tot diensten, wat past bij de trend van meer thuiswerken en online dienstverlening. Zo helpt investeren in digitale infrastructuur zowel de economische ontwikkeling (modern werken op afstand) als het voorzieningenniveau (diensten blijven bereikbaar).

Mobiliteit & klimaat/gezondheid: Vernieuwingen in vervoer kunnen tegelijk de bereikbaarheid en het milieu dienen. In de input van inwoners zien we ideeën als deelvervoer (elektrische deelauto’s, buurtbussen) – dat vergroot de mobiliteit van met name ouderen en jongeren in de dorpjes én vermindert de CO₂-uitstoot per inwoner. Ook verbetering van fietspaden heeft een dubbel effect: het maakt duurzaam vervoer aantrekkelijker én verhoogt de gezondheid en leefkwaliteit (minder autoverkeer, meer beweging, en fietswegen kunnen gecombineerd worden met groenbuffers langs de weg). Kortom, door te investeren in openbaar vervoer, deelmobiliteit en fietsinfrastructuur snijdt het mes aan twee kanten.

Dit geeft ons bouwstenen om scenario’s te ontwikkelen waarin zulke slimme combinaties maximaal worden benut. Het nationale beleid (NOVI) hamert hier ook op: verstedelijking koppelen aan leefomgevingskwaliteit, landelijk gebied versterken door functiemenging, klimaatopgaven realiseren via ruimtelijke ingrepen, enzovoort. Deze ideeën helpen ons dus om niet elk probleem apart te bekijken, maar integraal oplossingen te zoeken die meerdere doelen tegelijk dienen

1.2 Strategische keuzes Gemeente Aalten staat voor een aantal fundamentele keuzes. Om te komen tot één integrale Omgevingsvisie 2040 moeten we richting bepalen op de genoemde punten. De kernvraag is: Hoe mengen we alle ingrediënten uit de bijlage ingrediënten tot één verhaal? En daarbij tekenen zich enkele strategische keuzedilemma’s af: 

Ruimtelijke koers: groei versus kwaliteit. Ten eerste moeten we vastleggen hoeveel groei we nastreven in aantal woningen en bedrijven, en waar die ontwikkeling kan plaatsvinden. Dit komt neer op een keuze tussen een scenario van kwaliteit boven kwantiteit (slechts beperkte, selectieve groei met focus op behoud) of een scenario van vernieuwende groei (actief uitbreiden, mits duurzaam en innovatief). Concreet: Blijft het landschap leidend bij elke ontwikkeling, of accepteren we op sommige plekken enige aantasting van het landschap in ruil voor nieuwe woningen of werkgelegenheid? Zowel inwoners als bestuur zien het groene karakter van Aalten als harde randvoorwaarde – ontwikkeling mag, maar alleen als het landschap en de ruimtelijke kwaliteit behouden blijven of zelfs versterkt worden. Dit principe (“ja, mits het landschap versterkt”) zouden we expliciet kunnen vastleggen in de visie. Toch is de vraag hoe strikt we dat hanteren: Bouwen we bijvoorbeeld uitsluitend binnen bestaand bebouwd gebied, of laten we toch

6/45

uitbreidingen toe als daar grote behoefte aan is? Die koers bepaalt in hoge mate het toekomstige aanzicht van de gemeente. 

Prioriteiten: duurzaamheid versus economische impuls. Een tweede strategisch vraagstuk is welke doelen voorrang krijgen als niet alles tegelijk kan. Willen we primair inzetten op klimaat en duurzaamheid, dan heeft dat consequenties voor andere terreinen – bijvoorbeeld: minder ruimte voor auto’s (ten gunste van fietsen/OV), strengere eisen aan boeren en industrie, en wellicht minder uitbreidingsmogelijkheden buiten de bestaande kernen. Kiezen we omgekeerd vooral voor een economische impuls (meer groei van bedrijven, woningen, inwoners), dan moeten we op voorhand duidelijke randvoorwaarden stellen om negatieve effecten op klimaat, milieu en landschap te voorkomen of te compenseren. Deze prioriteitskeuze komt neer op welk toekomstbeeld we nastreven: een koers waarin het dorpse, groene karakter centraal staat en alle plannen daaraan getoetst worden (een conserverend scenario van “groen en rustig”), óf een scenario waarin gecontroleerde groei en vernieuwing centraal staan (“vernieuwend en toekomstgericht”). Waarschijnlijk ligt de uiteindelijke koers ergens tussen deze twee uitersten, maar we moeten dit spectrum expliciet bespreken en beslissen waar we de nadruk op leggen.

Aanvullen van beleidslacunes: Daarnaast moeten we beslissen hoe om te gaan met de eerdergenoemde hiaten in beleid. Ontwikkelen we bijvoorbeeld een voorzieningenstrategie om ook in krimpende kernen basisvoorzieningen te behouden (bijvoorbeeld via multifunctionele centra of regionale afstemming per dorp)? Dit zijn strategische keuzes over de inzet van de gemeente: Kiezen we ervoor deze lacunes proactief te dichten, of laten we bepaalde zaken over aan andere overheden en spontane ontwikkelingen? Die keuze bepaalt mede hoe concreet en richtinggevend onze Omgevingsvisie wordt, want zonder eigen kaders op deze onderwerpen kunnen we minder sturen.

Concrete ambities en toetsingskader: Ten slotte zullen we moeten bepalen hoe meetbaar en concreet we onze ambities maken. De Omgevingswet eist dat de visie voldoende houvast geeft om initiatieven op te toetsen. Dat betekent dat we per thema willen vastleggen wat we precies willen bereiken – bijvoorbeeld aantallen, percentages of jaartallen. Een strategische keuze is dus: Formuleren we harde doelen (zoals “minstens x nieuwe woningen bouwen tot 2030, y% biodiversiteitsherstel, klimaatneutraal in jaar z”)? En hoe zorgen we dat bij conflicterende doelen duidelijk is welk doel zwaarder weegt of hoe ze gecombineerd worden? Door concrete doelen te stellen, maken we de visie scherper en toetsbaar, maar we moeten ook realistisch blijven. Het gaat erom een visie te krijgen die ambitieus én uitvoerbaar is, met voldoende flexibiliteit om bij te sturen als omstandigheden veranderen.

Al deze strategische keuzes bepalen samen de koers voor Aalten richting 2040. Samenvattend: We moeten een integrale koers uitstippelen die rekening houdt met de volle breedte van de opgaven. Bijlage 1 heeft de ingrediënten geleverd en laten zien waar de pijnpunten en kansen liggen; nu is het aan de gemeente om expliciet te kiezen hoe we die ingrediënten mengen tot één samenhangend verhaal. Dat betekent moeilijke knopen doorhakken om bepaalde conflicten te beslechten én koppelkansen te omarmen. Bijvoorbeeld: ja, we bouwen extra woningen, maar zoveel mogelijk binnen het bestaande dorp (om het buitengebied te sparen). Of: ja, de landbouw mag zich ontwikkelen, mits de biodiversiteit daarbij verbetert. Door dit soort keuzes te maken leggen we de basis voor een Omgevingsvisie die echt integraal is en richting geeft aan de gewenste ontwikkeling tot 2040.

7/45

1.3 Twee uitersten Uiteindelijk komen de keuzerichtingen neer op een spectrum met twee uitersten: 

Aan de ene kant een scenario “kwaliteit boven groei”, waarin behoud van landschap en leefkwaliteit altijd voorop staat en groei zeer beperkt en selectief is.

Aan de andere kant een scenario “forse groei met behoud van kwaliteit waar dat nog kan”, waarin de gemeente inzet op flinke groei en vernieuwing, maar probeert de kernkwaliteiten zoveel mogelijk te behouden.

Alle andere opties bewegen zich tussen deze polen. In het navolgende worden binnen de bandbreedte van deze twee uitersten vier concrete, integrale en (intern) samenhangende scenario’s uitgewerkt. Die vier scenario’s hebben we vervolgens door RHDHV laten beoordelen op hun impact op de leefomgeving, en daarnaast getoetst aan de input van inwoners.

8/45

2. VIER SCENARIO’S In dit hoofdstuk vier verschillende, concrete, integrale en (intern) samenhangende scenario’s, waarbij elk scenario moet worden gezien als een manier waarop (binnen de bandbreedte van de strategische keuzes die gemeente Aalten moet maken) de “puzzel” zou kunnen worden gelegd. Waarbij elk “puzzelstukje” (woningen, natuur, infrastructuur, landbouw, et cetera) om ruimte vraagt. Ruimte die binnen de begrenzing van gemeente Aalten uiteraard maar één keer kan worden “uitgegeven”. Het leggen van elk “puzzelstukje” legt dus een claim op ruimte en kan daarmee “concurreren” met andere puzzelstukjes. Bovendien moet het geheel uiteindelijk een integraal en samenhangend plaatje opleveren van de fysieke leefomgeving in de gemeente Aalten in 2040. Puzzelen dus! NB: De navolgende scenario’s zijn met grote nadruk nog een “oefening”. Pas later in deze analyse gaan we bekijken welke mix het best passend is voor gemeente Aalten. Die best passende mix noemen we dan het “voorkeurscenario”.

2.1 De redeneerlijn achter de vier scenario’s De vier scenario’s zijn ontwikkeld als denkrichtingen om de strategische keuze van gemeente Aalten – gericht op vitale gemeenschappen, zorgvuldig ruimtegebruik en behoud van het waardevolle landschap – in uiteenlopende toekomstbeelden te verkennen. Ze vormen samen een afwegingskader dat inzicht geeft in de ruimtelijke consequenties, de samenhang tussen opgaven en de impact op leefbaarheid, duurzaamheid en identiteit. Elk scenario representeert een andere mate en vorm van groei, variërend van behoudend (scenario 1) tot ambitieus en vernieuwend (scenario 4), en biedt zo ruimte voor dialoog en richtingbepaling. Door bij alle scenario’s integraal te kijken naar wonen, werken, mobiliteit, natuur, klimaat, energie en voorzieningen ontstaat een robuust beeld van de keuzeruimte én van wat nodig is om ook in 2040 een aantrekkelijke, leefbare en toekomstbestendige gemeente Aalten te zijn.

2.2 Scenario 1: Kwaliteit boven groei In scenario 1 (“Kwaliteit boven kwantiteit”) blijft de groei bewust beperkt. Er worden tot 2035 circa 900 nieuwe woningen gebouwd, wat gezien wordt als een voorlopig maximum om rust, ruimte, natuur, het dorpse karakter en de sociale samenhang te behouden. De ruimtelijke koers zet in op kleinschalige inbreiding binnen de bestaande kernen en vermijdt grootschalige uitbreidingen, zodat het open landschap en de landbouw intact blijven. Deze aanpak heeft ook milieuvoordelen: minder nieuwe verkeersbewegingen of industrie betekent minder extra uitstoot, geluid en verstoring. De keerzijde is dat de woningnood voor starters, jonge gezinnen en ouderen nijpend blijft. Met slechts 900 woningen is het de vraag of iedereen een plek vindt, en zonder bevolkingsgroei komen voorzieningen als scholen, winkels en sportclubs onder druk te staan. Kortom, scenario 1 kiest voor behoud van leefomgeving en rust, maar riskeert een tekort aan woningen en een afnemende vitaliteit van de dorpen. 

Wonen: Tot 2035 worden volgens Woondeal 1.1 ongeveer 900 extra woningen bijgebouwd, maar daarna groeit het woningbestand niet verder. We verdelen deze 900 woningen proportioneel over de kernen – in de kleine dorpen hooguit “een straatje erbij”. Nieuwe bebouwing vindt bijna uitsluitend plaats door inbreiding en vervangende nieuwbouw binnen de bestaande dorpsranden. Grootschalige uitbreidingen op het platteland

9/45

blijven uit om landschap en landbouw te ontzien. Elke potentiële bouwlocatie toetsen we vooraf streng op geschiktheid van water en bodem; bouwen in laaggelegen of natte zones wordt vermeden (conform het nationale principe “water en bodem sturend”). Nieuwbouw richt zich op lokale behoefte: voldoende passende woningen voor starters en senioren, zodat doorstroming op gang komt. Omdat we na 2035 een pas op de plaats maken, blijft de bevolkingsgroei zeer beperkt. Jongeren kunnen iets moeilijker een woning vinden (krapte duurt langer) en sommigen vertrekken tijdelijk, maar we voorzien wel in de meest urgente lokale woonvraag. Het authentieke dorpskarakter blijft intact, want er komen geen nieuwe woonwijken na 2035. 

Economie: Aalten profileert zich in dit scenario nadrukkelijk als rustige woongemeente met een kleinschalige economie. Afgezien van de reeds geplande uitbreiding van bedrijventerrein ’t Broek komt er geen extra industriegebied bij. We leggen de focus op het vitaliseren van bestaande bedrijven en winkels. Leegstaande panden op de huidige bedrijventerreinen worden hergebruikt of gesloopt, zodat binnen de bestaande contouren efficiënter ruimte vrijkomt. We stimuleren lokaal ondernemerschap in kleine ambachtelijke bedrijven, detailhandel en agrarische neventakken. Omdat er nauwelijks nieuwe banen ontstaan, blijft Aalten een forensengemeente – veel inwoners werken buitengemeentelijk. We faciliteren dat met goede bereikbaarheid naar de regio (het treinstation en de bestaande buslijnen blijven operationeel). Thuiswerken en digitale infrastructuur spelen een belangrijke rol: in 2030 is vrijwel 100% van de gemeente aangesloten op glasvezel, waardoor iedereen ook vanuit de kleinere kernen kan werken. Grootschalige nieuwe toeristische voorzieningen blijven uit; we handhaven strikte kaders voor recreatie. Uitbreiding van campings of vakantieparken wordt niet toegestaan – er worden zelfs enkele ongebruikte recreatiebestemmingen ingetrokken om verdere wildgroei te voorkomen.

Toerisme kan alleen nog groeien door betere benutting van bestaande accommodaties en kleinschalige logies (bijvoorbeeld meer B&B’s), maar het blijft bescheiden van omvang.

Voorzieningen: Dankzij een stabiele of licht groeiende bevolking houden we de bestaande voorzieningen nagenoeg op peil. We bouwen geen grote nieuwe voorzieningen; in plaats daarvan clusteren en combineren we functies beter. Hoofdkernen Aalten en Dinxperlo behouden de basisvoorzieningen (supermarkten, basisscholen, huisarts, sportvelden) als centrale dorpen. In de kleinste kernen is het niet haalbaar álle voorzieningen zelfstandig open te houden bij stagnerend inwonertal. We kiezen daarom voor slimme centralisatie: per dorp komt waar nodig één multifunctioneel dorpshuis waarin bv. bibliotheek, ontmoetingsruimte en loketdiensten gebundeld zijn. Mobiele oplossingen vullen eventuele gaten: denk aan een bibliobus door de buurtschappen, een wekelijkse markt in de kleine dorpen, en bezorgdiensten voor ouderen in het buitengebied. Zo hoeven er geen nieuwe gebouwen te komen en benutten we bestaande locaties efficiënter. We zetten in op het behoud van leefbaarheid met minimale groei: digitale dienstverlening wordt verbeterd zodat afstand minder een probleem is, en we ondersteunen het sterke vrijwilligersleven dat veel dorpsactiviteiten draaiende houdt. Naoberschap (de buurtzorg en -hulp) blijft de hoeksteen; de gemeente faciliteert dit waar nodig met kleine subsidies of ondersteuning van bewonersinitiatieven.

Per saldo kan iedereen nog steeds terecht voor basisvoorzieningen, al worden deze vaker regionaal gedeeld. Provinciale doelen om in 2030 ten minste 90% van de dorpen van basisvoorzieningen te voorzien, halen we grotendeels dankzij creatieve oplossingen (zoals mobiele voorzieningen) – maar enkele zeer kleine kernen zullen voor sommige diensten op

10/45

nabijgelegen dorpen aangewezen zijn. 

Mobiliteit: Het verkeersbeeld blijft rustig en vertrouwd. Er komen geen nieuwe grote wegen of rondwegen; we beperken ons tot het goed onderhouden en verkeersveiliger maken van bestaande wegen en fietspaden. Omdat er na 2035 nauwelijks nieuwe woonwijken of bedrijven bij komen, groeit het verkeersaanbod niet noemenswaardig en kan het huidige wegennet dit makkelijk aan. We voeren kleinschalige veiligheidsmaatregelen door: uitbreiding van 30 km/uur-zones in woonstraten, extra drempels en zebrapaden bij scholen. Fietsers krijgen voorrang in ons beleid: we verbeteren stap voor stap de bestaande fietspaden (betere verlichting, ontbrekende schakels aanvullen) tussen dorpen zodat fietsen veilig en aantrekkelijk blijft. Openbaar vervoer blijft minimaal op het huidige niveau behouden – de treinverbinding in Aalten en de belangrijkste buslijn naar Dinxperlo blijven in stand. Uitbreiding van OVdiensten is niet realistisch bij lage vraag, maar we zetten ons in om bezuinigingen te voorkomen, zodat niemand geïsoleerd raakt. Nieuwe mobiliteitsinitiatieven zoals deelauto’s en buurtbussen zijn in scenario 1 niet nadrukkelijk nodig; wel plaatsen we voldoende laadpalen voor elektrische auto’s op bestaande parkeerplaatsen om stille verduurzaming te faciliteren. Mobiliteit in dit scenario draait dus om optimalisatie van het bestaande.

De inwoners merken weinig verandering: de bereikbaarheid blijft goed, de dorpsstraten worden zelfs iets veiliger en het landschap blijft gevrijwaard van nieuwe infrastructuur.

Klimaat, energie en water: Duurzaamheid nemen we mee in kleine stapjes. De nadruk ligt op energiebesparing en kleinschalige opwek. Zon-op-dak is de norm: geschikte daken van woningen, schuren en bedrijven worden zoveel mogelijk voorzien van zonnepanelen. Wat wind betreft is regionaal de RES 2.0 Achterhoek opgesteld, als actualisatie van de bestaande energiestrategie. Deze RES 2.0 zal begin 2026 worden vastgesteld in de colleges. In de RES 1.0 was voor een deel van de opgave nog geen uitspraak gedaan over de techniek waarmee deze ingevuld dient te worden. Vanwege met name netwerkefficiëntie is in de RES 2.0 afgesproken dat dit gedeelte met windenergie zal moeten worden ingevuld. Ook Aalten zal extra in moeten zetten op windenergie en de locatie van windpark Hagenwind is hiervoor het meest geschikt. De gemeente bereidt zich voor om nieuwe locaties voor duurzame opwek in het omgevingsplan te faciliteren – denk aan verdere uitrol van zonnepanelen op bedrijfsdaken en eventueel ook kleinschalige windturbines bij industrieterreinen. Alle nieuwe woningen worden volgens de landelijke eis energieneutraal (BENG) en aardgasvrij opgeleverd, en we streven ernaar uiterlijk 2030 circa 2.300 bestaande woningen van het gas af te hebben (hybride warmtepompen of aansluiting op een warmtenet). Via ons energieloket ondersteunen we isolatie en zuinig gedrag actief met voorlichting en leningen.

Hiermee halen we de regionale klimaatdoelen voor 2030 (49–55% CO₂-reductie t.o.v. 1990) en blijven we op koers voor klimaatneutraliteit in 2050. Grote windmolens zijn in 2040 niet gerealiseerd, maar eventueel wordt in regionaal verband stroom geïmporteerd om onze energiebalans te sluiten. Klimaatadaptatie gebeurt geleidelijk en bij routinewerk: als we een riool vervangen, leggen we meteen extra regenwaterafvoer of een wadi aan; bij herinrichting van straten planten we extra bomen en groen. Inwoners worden opgeroepen hun tuinen te ontstenen. Zo verhogen we beetje bij beetje de hittebestendigheid en wateropvang in de bestaande wijken, zonder abrupte ingrepen. We streven in de kernen naar de 3-30-300norm voor groen (minstens 3 bomen in zicht, 30% bladerdek per buurt, en een park op 300 m afstand) – dit halen we in 2040 nog niet overal, maar elke buurt wordt wel groener dan nu. De gemeente betrekt standaard het waterschap Rijn en IJssel bij de schaarse nieuwe

11/45

plannen voor advies over waterberging en droogte. Bestaande natuurprojecten die bijdragen aan klimaatbestendigheid, zoals het vernatten van het Aaltense Goor, zetten we onverminderd voort om verdroging tegen te gaan. Waterveiligheid blijft op peil: dijken en beken voldoen aan gestelde normen, en overstromingsrisico’s blijven zeer gering. Al met al blijven we ruim binnen de milieunormen: de luchtkwaliteit is uitstekend (we voldoen aan de WHO-advieswaarden voor fijnstof), het is ’s nachts donker en stil op het platteland, en er is nauwelijks extra geluid- of lichtoverlast. 

Natuur, landschap en biodiversiteit: We hanteren “kwaliteit boven groei” ook ruimtelijk: nieuwe ontwikkelingen buiten de bebouwde kom worden benaderd met nee, tenzij. De waardevolle Achterhoekse landschappen – essen, beekdalen, houtwallen, stilte en duisternis – blijven volledig intact. Als er al een enkele woning aan de dorpsrand bijkomt, eisen we compenserende natuur of groen: bijvoorbeeld aanleg van extra beplanting of een wadi, zodat de natuurwaarden per saldo niet achteruitgaan. Grootschalige nieuwe natuurgebieden komen er niet in dit scenario, maar we stimuleren wel kleinschalige biodiversiteitswinst. Boeren krijgen ondersteuning om akkerranden in te zaaien met bloemen of kleine bosjes te planten voor vogels en insecten. We streven ernaar dat ten minste 25% van de agrarische bedrijven in 2030 natuurinclusief werkt (conform de regionale ambitie) – in scenario 1 vooral via vrijwillige pilots en voorlichting, aangezien er weinig externe druk of ruimtevragende ontwikkelingen zijn. Landbouw blijft qua areaal ongeveer gelijk; er is amper behoefte om agrarische grond op te offeren. Mocht een boer stoppen, dan kijken we via rood-voor-groen-regelingen of vrijkomende stallen gesloopt kunnen worden voor natuurherstel, maar dit gebeurt sporadisch.

De beperkte economische groei zorgt er ook voor dat er weinig extra emissies van stikstof of gewasbeschermingsmiddelen bij komen, wat gunstig is voor omliggende Natura 2000-gebieden. Per saldo blijft de milieukwaliteit hoog en de biodiversiteit stabiel; waar mogelijk nemen we vrijwillig maatregelen om deze verder te versterken, zonder dat grote offers nodig zijn.

Landbouw, circulariteit en afval: In scenario 1 verandert de agrarische sector geleidelijk. We volgen het nationale beleid richting kringlooplandbouw: boeren worden gestimuleerd (maar niet verplicht) om zuiniger met meststoffen en pesticiden om te gaan en reststromen te hergebruiken. Extensieve veehouderij en verbreding (boerderijwinkels, zorgboerderijen, recreatie) krijgen aandacht om het inkomen te spreiden. Doordat ruimtelijke druk ontbreekt, kunnen landbouw en natuur goed naast elkaar blijven bestaan; versnippering door nieuwbouw blijft uit. Wel doen we mee aan regionale initiatieven, zoals de Achterhoekse proeftuinen voor emissiearme stallen en nieuwe teelten, zodat een groeiend aantal bedrijven vrijwillig voorop loopt (minimaal 25% kringloopbedrijven in 2030).

Afval en circulariteit: We dragen bij aan de doelstelling Nederland Circulair 2050. In 2040 heeft Aalten haar restafval per inwoner al sterk gereduceerd (richting <100 kg/jaar, versus ~200 kg nu) door betere afvalscheiding en -preventie, ondersteund door provinciale campagnes. Nieuwe bouwprojecten passen circulair bouwen toe waar mogelijk (herbruikbare materialen, modulair ontwerp), gestimuleerd door gemeentelijk beleid en subsidies. Scenario 1 haalt de landelijke tussendoelstelling om in 2030 het gebruik van primaire grondstoffen met 50% te verminderen, vooral dankzij kleinschalige lokale initiatieven als deelgebruik, reparatiecafés en circulaire ambachten. Op gemeentelijk niveau hanteren we het programma “Aalten Circulair” dat stapsgewijs de afvalberg verkleint en hergebruik vergroot, zonder harde ingrepen maar via educatie en facilitering.

12/45

Gezondheid en veiligheid: Scenario 1 biedt een gezonde en veilige leefomgeving. Het beperkte verkeer en het vele groen zorgen voor schone lucht (fijnstof en NO₂ liggen dicht bij de advieswaarden van de Wereldgezondheidsorganisatie). Geluidshinder is minimaal; ’s nachts blijft het in onze dorpen donker en stil. De bestaande zorgvoorzieningen (huisartsen, fysio, thuiszorg) zijn toereikend voor de licht groeiende en vergrijzende bevolking. We zetten in op preventie en welzijn: lokale initiatieven zoals wandelgroepen, buurtmoestuinen en sportdagen krijgen steun om inwoners in beweging en contact te houden. Hierdoor blijven mensen langer gezond en actief. De sociale cohesie in dit scenario is zeer sterk – de bevolkingssamenstelling verandert nauwelijks, dus mensen kennen hun buren nog net zo goed als voorheen. Verenigingsleven en tradities (zoals dorpsfeesten) blijven bloeien en verbinden jong en oud. De vergrijzing neemt toe, maar dankzij noaberschap en vrijwilligerswerk worden ouderen goed ondersteund binnen de gemeenschap. De sociale veiligheid is hoog: buurtbewoners letten op elkaar, er zijn buurtpreventieapps en weinig criminaliteit. Rampen of ongevallenrisico’s blijven klein; er komen geen nieuwe risicovolle bedrijven bij, en bestaande veiligheidsplannen voldoen aan de normen.

Kortom, scenario 1 koestert het huidige leefklimaat – rustig, hecht en gezond – in ruil voor het bewust beperken van groei en vernieuwing.

2.3 Scenario 2: Beheerst doorgroeien In scenario 2 (“Gematigde groei met behoud van karakter”) wordt de groei iets langer uitgesmeerd. Bovenop de eerste 900 woningen van scenario 1 komen tot 2040 nog circa 450 extra woningen, waardoor in totaal rond 1.350 nieuwe woningen ontstaan. Daarmee wordt de lokale woonbehoefte serieuzer opgepakt: jongeren en ouderen krijgen meer kans op een woning en extra gezinnen houden onze scholen, winkels en sportclubs draaiende. De ruimtelijke ontwikkeling blijft kleinschalig en dorps: uitbreidingen zijn beperkt, groen en landschap worden gerespecteerd en het dorpse karakter blijft behouden. Scenario 2 biedt dus iets meer groei om de leefbaarheid te ondersteunen dan scenario 1, maar blijft een voorzichtige middenweg. Het verzacht de woningdruk en demografische krimp enigszins, maar lost deze niet volledig op. De gemeenschap krijgt een bescheiden impuls zonder de Achterhoekse charme te verliezen, al blijft verdere groei op termijn wellicht nodig. 

Wonen: Ook na 2035 blijft Aalten lineair doorgroeien. Tussen 2035 en 2040 bouwen we nog ca. 450 extra woningen bovenop de 900 van scenario 1, waardoor rond 2040 totaal circa 1.350 nieuwe woningen gerealiseerd zijn. Deze groei is gematigd en doordacht: we benutten eerst alle inbreidingslocaties en transformeren leegstand tot woningen, maar staan onder strikte voorwaarden enkele uitbreidingen aan de randen van Aalten en Dinxperlo toe zodra inbreiding uitgeput raakt. Elke uitbreidingslocatie wordt vooraf getoetst op “water en bodem sturend”: plekken met hoge grondwaterstand of overstromingsgevaar sluiten we uit. De nieuwe woonwijken houden we kleinschalig en landschappelijk ingepast, met veel groen en water als buffer naar het buitengebied – we hanteren bv. de 3-30-300-norm bij het ontwerp van deze wijken. Uitbreiding gebeurt gefaseerd: pas als een nieuwe buurt grotendeels is volgebouwd en verkocht, starten we een volgende fase, om leegstand te voorkomen. Verdeling: Aalten en Dinxperlo krijgen de meeste nieuwe huizen, maar alle kernen profiteren mee. Bredevoort mag bijvoorbeeld iets uitbreiden om de leefbaarheid te ondersteunen, en in enkele buurtschappen (zoals De Heurne) bouwen we incidenteel een paar seniorenwoningen bij het dorpshuis om ouderen in het dorp te houden. In het

13/45

buitengebied blijft bouwen uitzonderlijk – alleen via rood-voor-rood-regelingen (sloop van een schuur in ruil voor één woning) en iets vaker op vrijkomende boerenerven, waar we bij beëindigde agrarische bedrijven in een paar gevallen een extra woning of dubbele woning toestaan. Daarmee ontstaat lichte groei in alle kernen, zodat overal nieuwe instroom is. Doel hiervan is kleine scholen, winkels en sportclubs van genoeg aanwas te voorzien om open te blijven. De bevolking blijft hierdoor gestaag (mede door migratie) toenemen, wat de vergrijzing iets afremt en de verhouding jongeren/ouderen gezonder houdt. Inwoners ervaren de groei als beheerst: er komen wat nieuwe gezichten bij, maar de dorpsgemeenschap kan hen goed opnemen zonder haar eigen karakter te verliezen. 

Economie: Scenario 2 faciliteert een gematigde economische groei. Bestaande bedrijventerreinen worden eerst optimaal benut en waar nodig selectief uitgebreid. Zo kan ’t Broek bij Aalten een kleine extra uitbreiding aan de rand krijgen, om lokale bedrijven wat groeiruimte te geven – dit combineren we met een groene bufferzone eromheen. Een heel nieuw bedrijventerrein komt er níet, maar verspreid voegen we in totaal enkele hectares bedrijfsruimte toe via kleinschalige uitbreidingen of herbestemming van braakliggende stukken. In Dinxperlo, waar nauwelijks uitbreidingsruimte is, zetten we in op herstructurering: oude bedrijfspanden worden efficiënter herbouwd (bijv. verdiepingen toevoegen) zodat op dezelfde locatie meer bedrijvigheid past. Indien bedrijven in Dinxperlo echt niet meer binnen de dorpskern passen, zoeken we mee naar een oplossing elders binnen de gemeente (bij Aalten of in het buitengebied, mits passend). We richten ons op het vitaal houden van de huidige middenstand en het aantrekken van kleinschalige, duurzame ondernemers uit de regio. Nieuwe bedrijven moeten passen bij het dorpse milieu; initiatieven die lokale werkgelegenheid scheppen én bij Aalten passen, krijgen ondersteuning (bijv. hulp bij vergunningen) in een voorzichtig uitnodigingsbeleid. Denk aan een Achterhoekse start-up die een werkplaats zoekt – daar denken wij constructief in mee.

Ook toerisme en recreatie zien we als kans, zij het zonder grote nieuwe projecten. Nieuwvestiging van minicampings kan alleen als elders een minicamping sluit (saldo nul), en overige logiesvormen mogen enkel iets uitbreiden als het aanvullend is op het bestaande aanbod. Het toeristisch aanbod groeit dus nauwelijks; we focussen op kwaliteitsverbetering van wat er is. Het aandeel van toerisme in de lokale economie blijft ongeveer gelijk. Al met al neemt de werkgelegenheid licht toe: een paar extra jongeren vinden lokaal werk bij nieuwe kleine bedrijven of in de iets uitgebreidere zorg- en dienstensector. Daarmee leggen we een iets steviger fundament onder de leefbaarheid, zonder het dorpse karakter te verliezen. Aalten blijft in 2040 weliswaar grotendeels woongemeente, maar heeft zijn economische basis iets verbreed.

Voorzieningen: De voorzichtige groei van bevolking en economie geeft de voorzieningen een steuntje in de rug. In Aalten en Dinxperlo zorgen meer inwoners en iets hogere bestedingen dat winkels en horeca beter draaien. We pakken leegstand actiever aan: zodra de klantenbasis het toelaat, vullen we lege winkelpanden met nieuwe initiatieven (bijv. een lokale versmarkt of start-up winkel). Het voorzieningenniveau weten we minstens op peil te houden en waar mogelijk iets te verbeteren. Zo realiseren we bijvoorbeeld één nieuw multifunctioneel centrum waarin sport, cultuur en zorg worden gecombineerd – zonder grootschalige nieuwbouw, maar door slim te verbouwen of aan te bouwen bij een bestaand gebouw, passend bij de schaal. De meeste investeringen doen we in de grotere kernen; kleine kernen profiteren indirect mee doordat de centrale voorzieningen verbeteren.

Leefbaarheid: Een iets grotere bevolking geeft scholen wat meer leerlingen, sportclubs nieuwe leden en verenigingen meer draagvlak. Hierdoor blijven ook in kleinere dorpen basisvoorzieningen langer houdbaar. We volgen wel nauwgezet of ergens

14/45

voorzieningen onder druk komen; waar de bevolking weer wat groeit, staan we open voor het terugbrengen van bijvoorbeeld een bibliotheekuitleenpunt of loket op bepaalde dagen. Innovatie blijft belangrijk: bij toename van zorgvraag verruimen we de openingstijden van het gezondheidscentrum, of zetten we extra huisartsen in deeltijd in Dinxperlo in om wachttijden kort te houden. We zorgen dat inwoners van buitengebieden de centrale voorzieningen goed kunnen bereiken, bijvoorbeeld via een buurtbus of haal- en brengservice naar het zwembad. Over het algemeen maakt de lichte groei de voorzieningen net wat robuuster: er is een iets grotere kritische massa om winkels, horeca, scholen en cultuur te laten floreren, zonder dat de dorpssfeer verdwijnt. Dit helpt ook om de provinciale norm (90% van de dorpen behoudt basisvoorzieningen in 2030) te halen – in scenario 2 kunnen wellicht álle kernen hun primaire voorzieningen behouden doordat er weer een paar gezinnen bij komen. 

Mobiliteit: De iets sterkere groei vergt gerichte verbeteringen in mobiliteit. Doordat er meer huizen en bedrijvigheid bij komen, neemt ook het verkeer een fractie toe. Om dat op te vangen zonder leefbaarheidsschade voeren we een paar kleinschalige aanpassingen door. Zo overwegen we bij Aalten-dorp een kleine rondwegschakel of een verbeterde route om een nieuwe wijk te ontsluiten – zoveel mogelijk over bestaande tracés. Een volledige nieuwe rondweg komt er niet, maar we kijken wel of ontbrekende schakels in de verkeersstructuur aangelegd kunnen worden indien nodig. In Dinxperlo, waar nu al druk vrachtverkeer door het centrum rijdt, onderzoeken we samen met Duitse partners de mogelijkheid van een korte omleidingsroute buitenom (een lokale bypass) om het centrum te ontlasten. Fietsvoorzieningen breiden we uit waar mogelijk: bijvoorbeeld een nieuw vrijliggend fietspad tussen Bredevoort en Aalten als blijkt dat veel scholieren die route nemen. Ook komen er extra fietsenstallingen bij het station. Deze ingrepen blijven bescheiden van schaal, maar verhogen de verkeersveiligheid en het comfort. Woonstraten richten we nog meer in als 30 km/uur-zone en we weren sluipverkeer door duidelijke bebording en eventueel knippen (afsluitingen) in wijken.

Omdat er iets meer beweging is in de gemeente, scherpen we handhaving aan: extra controles op snelheid in dorpen en op vrachtverkeer dat ongewenst door woonkernen rijdt. Openbaar vervoer krijgt een kleine impuls: bij een groeiend inwonertal pleiten we bij de provincie voor behoud van de busverbinding Aalten–Dinxperlo en mogelijk een iets hogere frequentie in de spits. We denken ook aan een buurtbus of deeltaxi voor de kleine kernen, zodat bijvoorbeeld Lintelo en De Heurne beter aangesloten zijn op Aalten en Dinxperlo. Alle nieuwe woonwijken in scenario 2 voorzien we standaard van goede fietsroutes en voldoende laadpunten voor elektrische voertuigen, om duurzaam reizen te bevorderen. Per saldo blijft de bereikbaarheid goed en versterken we die proactief een beetje om de groei op te vangen – zonder grote ingrepen die het landschap of het dorpse karakter aantasten.

Klimaat, energie en water: Scenario 2 gaat behoedzaam om met het landschap, maar toont iets meer bereidheid tot ontwikkeling zolang dit gepaard gaat met kwaliteitswinst. De meeste waardevolle open ruimten en landschapselementen blijven behouden, maar op enkele plekken waar gebouwd wordt, brengen we een klein offer – altijd gekoppeld aan compensatie of versterking elders. Het principe is “ja, mits tegelijkertijd het landschap wordt versterkt”: ontwikkeling mag, mits er iets goeds tegenover staat. Bijvoorbeeld, als aan de rand van Aalten een nieuw wijkje verrijst op voormalig weiland, dan planten we extra houtwallen rondom die wijk en leggen we een parkje of waterpartij aan als groene buffer. Zo blijft het coulisselandschap in grote lijnen intact en krijgt de natuur er elders iets bij. We selecteren in overleg met betrokkenen een paar locaties om nieuwe natuur te ontwikkelen of bestaande uit te breiden – bijvoorbeeld langs de

15/45

Slingebeek of op minder rendabele landbouwgrond – zodat natuur, waterberging en recreatie gecombineerd winst opleveren. Op duurzaamheidsgebied zet scenario 2 een stap verder dan scenario 1, zij het nog steeds voorzichtig. Voor windenergie is regionaal de RES 2.0 Achterhoek opgesteld, als actualisatie van de bestaande energiestrategie. Deze RES 2.0 zal begin 2026 worden vastgesteld in de colleges. In de RES 1.0 was voor een deel van de opgave nog geen uitspraak gedaan over de techniek waarmee deze ingevuld dient te worden. Vanwege met name netwerkefficiëntie is in de RES 2.0 afgesproken dat dit gedeelte met windenergie zal moeten worden ingevuld. Ook gemeente Aalten zal extra in moeten zetten op windenergie en de locatie van windpark Hagenwind is hiervoor het meest geschikt. De gemeente bereidt zich voor om nieuwe locaties voor duurzame opwek in het omgevingsplan te faciliteren – denk aan verdere uitrol van zonnepanelen op bedrijfsdaken en eventueel ook kleinschalige windturbines bij industrieterreinen. Hiernaast sluit gemeente Aalten in dit scenario een kleinschalig zonnepark niet uit: zo kan er in overleg met de lokale energiecoöperatie een zonnepark van enkele hectares komen bij een bedrijventerrein, mits goed ingepast met aarden wallen en groen.

Ook denken we aan innovaties als zonnepanelen op geluidsschermen of parkeerplaatsen, zodat opwek plaatsvindt zonder extra grondbeslag. De nadruk blijft op energiebesparing, wind en zon-op-dak: op alle nieuwbouw zijn zonnepanelen feitelijk verplicht en bedrijven investeren in eigen opwek om aan duurzame normen te voldoen. We voeren een actief duurzaamheidsprogramma uit met concrete projecten. Voorbeelden: we isoleren álle oudere woningen uiterlijk 2030 (fors versneld ten opzichte van scenario 1), we leggen waar mogelijk lokale warmtenetten aan (bv. gebruik restwarmte van een fabriek of zwembad) en stimuleren inwoners om tijdig van het aardgas over te stappen. Hiermee liggen we op koers om in 2040 ~80% CO₂-reductie t.o.v. 1990 te behalen, en zijn we ruimschoots op schema voor klimaatneutraliteit 2050. Klimaatadaptatie pakken we planmatiger aan dan voorheen: samen met het waterschap is een waterplan opgesteld en we voeren structureel maatregelen door om extreme weersituaties op te vangen. In nieuwe wijken komen standaard wadi’s en infiltratiezones; in bestaande wijken vergroenen we waar mogelijk pleintjes en parkeerplaatsen en maken we ze regenbestendig. We leggen ook groene daken aan op openbare gebouwen (gemeentehuis, scholen) om hitte te dempen en water te bergen. Daarnaast verbreden we her en der sloten of richten ze in als tijdelijke waterberging voor piekbuien.

Deze maatregelen zorgen dat bekende knelpunten voor wateroverlast minder vaak blank staan en dat hitte-eilanden iets afkoelen. Boeren ondersteunen we om zich aan te passen aan droogte: succesvolle proeven met winterwaterinfiltratie breiden we uit, en agrariërs die overstappen op droogtetolerante gewassen of druppelirrigatie kunnen rekenen op advies of subsidie. 

Biodiversiteit en milieu: De nieuwe natuur langs Slingebeek en op schrale gronden vormt extra buffers voor kwetsbare natuurgebieden (zoals het Zwarte Veen), zodat die minder last hebben van verdroging of stikstofdepositie. Ondanks iets meer verkeer en bedrijvigheid blijft de milieukwaliteit hoog: uitstoot en geluid nemen iets toe, maar blijven royaal binnen de normen. Bewuste compensaties houden dit in balans, zoals stiller asfalt en strengere geluidsisolatie bij nieuwe bedrijven, of bomenrijen langs wegen om fijnstof af te vangen. Ook monitoren we de luchtkwaliteit actief; Aalten blijft voldoen aan de WHO-richtlijnen voor schone lucht. Per saldo behouden we een schone, gezonde leefomgeving terwijl we rustig groeien.

Natuur, landschap en landbouw: Zoals hierboven beschreven wordt beperkte aantasting van landschap steeds gecompenseerd met versterking elders. In scenario 2 blijven we het Nationaal Landschap beschermen: nieuwe ontwikkelingen mogen niet ten koste gaan van de kernkwaliteiten. Open ruimte die toch wordt bebouwd (een paar hectare)

16/45

compenseren we door elders extra groen of natuur toe te voegen, zodat het ecologisch netwerk niet verslechtert. Waardevolle elementen als houtwallen verplaatsen of herstellen we indien nodig op een andere plek – onder het motto “niet minder, maar anders”. Landbouw krimpt licht in bebouwd areaal (randen van kernen), maar we proberen zoveel mogelijk landbouwgrond open te houden. Strengere milieuregels van Rijk en provincie (bijv. beperkte veehouderij-uitbreiding nabij natuur) worden geïmplementeerd, waardoor enkele intensieve bedrijven mogelijk vrijwillig stoppen tegen vergoeding. Vrijkomend agrarisch vastgoed slopen we waar kansrijk voor natuur (rood-voor-groen). Boeren die doorgaan, ondersteunen we bij verduurzaming: steeds meer bedrijven passen kringlooplandbouwprincipes toe (minder kunstmest, meer biodiversiteit op het erf). Doel is eind jaren ’30 ruim boven de 25% natuurinclusieve bedrijven te zitten. 

Circulariteit en afval: Scenario 2 sluit aan op Gelderse doelen om restafval drastisch te verminderen. We intensiveren afvalscheiding (in 2040 is >75% van huishoudelijk afval gescheiden ingezameld) en zetten in op circulaire innovaties, bijv. stimuleren van bouwbedrijven om circulair te bouwen (hergebruik materialen, modulair). In 2040 is Aalten goed op weg om in 2050 volledig circulair te zijn: de gemeentelijke organisatie zelf is dan al vrijwel afvalvrij, en inwoners produceren nog maar een fractie van het afval van 2020. We participeren in regionale programma’s zoals de “Cirkelregio Achterhoek” om kennis en middelen te delen. Dankzij de lichte groei kunnen we deze duurzaamheidstransitie financieren zonder grote offers; we halen de 2030-doelstelling (50% minder primaire grondstoffen) nagenoeg en streven naar >90% circulaire afvalverwerking in 2050.

Gezondheid en veiligheid: Scenario 2 verbetert subtiel de leefbaarheid ten opzichte van scenario 1. Meer inwoners betekent iets meer vitaliteit: scholen blijven iets voller, sportclubs krijgen nieuwe leden, het verenigingsleven krijgt nieuw elan. Hierdoor kunnen ook in kleinere dorpen voorzieningen als basisscholen en huisartsenpraktijken langer blijven bestaan. We monitoren de druk op zorg en welzijn: als de bevolking groeit, breiden we waar nodig de capaciteit uit (bijvoorbeeld langere openingstijden gezondheidscentrum Aalten, extra huisartsuren in Dinxperlo).

Welzijn en preventie blijven speerpunten: we zetten buurtsportcoaches in om inwoners te laten bewegen en ondersteunen projecten als “Gezond Dorp” waarbij bewoners samen tuinieren, koken of sporten. Hierdoor verbetert de algemene fitheid en ontmoeten mensen elkaar over dorpsgrenzen heen. De rustige groene omgeving en de nieuwe parkjes en fietspaden nodigen uit tot bewegen, wat de volksgezondheid ten goede komt. De openbare ruimte richten we iets socialer in: in elke nieuwe buurt voorzien we een speelplek of ontmoetingsruimte om contact te faciliteren.

Sociale samenhang: Nieuwe inwoners stromen geleidelijk in, waardoor ze gemakkelijk integreren in de hechte gemeenschap. Verenigingen spelen daarop in: we organiseren bv. elk jaar een “nieuwe-inwonersdag” waar nieuwkomers kennis maken met alle clubs en dorpsactiviteiten. Hierdoor voelen zij zich snel thuis en mengen ze zich in het noaberschap. De culturele tradities blijven bestaan en krijgen zelfs nieuw publiek door de instroom van jonge gezinnen – dit verrijkt het gemeenschapsleven met frisse energie. De demografische verhoudingen verbeteren enigszins: er komen relatief meer jonge mensen bij, die later ook als mantelzorger of vrijwilliger kunnen bijdragen aan de zorg voor ouderen.

Veiligheid: Aalten blijft een veilige gemeente. We blijven alert op iets drukkere straten of mogelijke jeugdoverlast door de groei, maar grijpen meteen in via buurtpreventieapps en nauw contact met politie. Verkeersveiligheid is verbeterd door onze infrastructurele maatregelen en intensievere handhaving (meer controles, veiligere schoolroutes). Externe veiligheid (risico’s op ongevallen) verandert nauwelijks, aangezien er geen

17/45

grote risicovolle bedrijven bijkomen; de kleine groei in industrie gaat gepaard met moderne veiligheidsvoorzieningen en naleving van de strengere normen van 2023. Over het geheel weten onze inwoners in scenario 2 hun levenskwaliteit te behouden en op punten zelfs te verbeteren: er zijn iets meer kansen (op een huis, een baan, een nieuwe activiteit) terwijl de sterke sociale cohesie en dorpse gemoedelijkheid blijven bestaan.

2.4 Scenario 3: Flinkere groei, breed gespreid Scenario 3 (“Flinkere groei, breed gespreid”) gaat uit van flinke groei: Tot 2040 komen er ongeveer 2.000 woningen bij, evenwichtig verspreid over alle kernen. Deze forse uitbreiding pakt de woningnood krachtig aan: starters en jonge gezinnen krijgen weer een kans op een huis in hun eigen dorp en ook ouderen vinden makkelijker een geschikte (zorg)woning. De sterkere bevolkingsgroei houdt de dorpen levendig: verenigingen blijven bestaan, scholen kunnen openblijven en winkels krijgen nieuw elan. Belangrijk is dat deze groei hand in hand gaat met kwaliteitsverbetering: Nieuwe woonwijken worden groen opgezet en zijn waterrobuust en klimaatbestendig. Tegelijk wordt geïnvesteerd in natuur en landschap: Houtwallen worden hersteld, biodiversiteit neemt toe en landbouw en natuur worden slim gecombineerd. Door de grotere populatie wordt ook mobiliteit verbeterd – beter openbaar vervoer en veilige fietspaden worden haalbaarder. Scenario 3 staat dus voor flinke ontwikkeling om Aalten toekomstbestendig te maken, met behoud van het Achterhoekse karakter en respect voor milieu en naoberschap (gemeenschapszin). 

Wonen: In scenario 3 kiezen we voor forsere groei om gemeente Aalten langdurig te versterken. Tot 2040 voegen we ongeveer 2.000 nieuwe woningen toe (inclusief de 900 uit scenario 1 of de 1.350 uit scenario 2). Dit betekent een flinke opschaling die alleen haalbaar is door instroom van nieuwe bewoners van buiten (bijvoorbeeld uit de Randstad of andere regio’s). We spreiden deze groei breed en evenwichtig over alle deelgebieden: Aalten-dorp, Dinxperlo, Bredevoort én de kleinere kernen krijgen allemaal een deel van de nieuwe huizen. Binnen de bestaande dorpen benutten we eerst maximaal de inbreidings- en transformatieruimte (lege panden en braakliggingen vullen we op). Daarnaast ontwikkelen we nieuwe woonwijken aan de rand van de grotere kernen, en bouwen we waar passend ook iets hoger om ruimte te besparen. Enkele uitwerkingen: o

o

o

Aalten (kern): aan de zuidwestkant van Aalten komt een geheel nieuwe buurt met een paar honderd woningen. Deze wijk wordt gefaseerd gerealiseerd, maar is groter van opzet en wordt sneller gebouwd dan in scenario 1 en 2. We bouwen hier ook iets de hoogte in waar dat kan: denk aan een paar appartementengebouwen van 4–5 lagen nabij het station of aan de rand, om meer woningen op minder grond te krijgen zonder het dorpssilhouet wezenlijk te verstoren. Dinxperlo: ondanks weinig ruimte benut Dinxperlo elke kans. We ontwikkelen een nieuw wooncluster richting De Heurne en werken grensoverschrijdend samen met het Duitse Suderwick: wellicht een gezamenlijke uitbreidingswijk op de grens, zodat Dinxperlo kan groeien zonder alleen op Nederlands grondgebied uit te breiden. Bredevoort: dit stadje krijgt enkele tientallen nieuwe woningen, bijvoorbeeld in het geplande uitbreidingsproject bij de Slingeplas/’t Broock. Waar scenario 2 hooguit een paar huizen toevoegt, wordt hier in scenario 3 een substantiëlere buurt ontwikkeld (bijv. 30–50 woningen) om Bredevoort vitaal te houden.

18/45

o

o

Kleine kernen: scenario 3 bouwt actief in de buurtschappen. In plaatsen als De Heurne, Lintelo, IJzerlo etc. realiseren we verspreid per dorp 5–10 extra huizen aan de dorpsrand of op vrijkomende erven. Zo krijgen óók deze gemeenschappen nieuwe gezinnen erbij en blijven ze leefbaar. Buitengebied: bouwen buiten de kernen blijft schaars maar is niet langer uitgesloten. We staan in scenario 3 ruimhartiger wonen op voormalige boerenerven toe. Als een boerderij stopt, mogen er meerdere woningen op het erf komen (bijv. splitsing van de boerderijwoning, ombouw van schuren tot huizen) – zo creëren we woonruimte én voorkomen we leegstand. Deze transformaties gebeuren natuurlijk alleen met goede landschappelijke inpassing.

Door deze aanpak schuift de bebouwde kom van diverse kernen iets op. Maar we zorgen bij elke uitbreidingswijk voor een brede groenstrook als buffer naar het omliggende landschap (nieuwe parken, singels, waterzones aan de randen). Ook sluiten architectuur en inrichting van nieuwe buurten bewust aan bij het lokale karakter: overwegend laagbouw in baksteenstijl, kronkelige straatjes met bomenrijen, een mix van woningtypen (rijtjes, 2-onder-1-kap, vrijstaand) – zodat nieuwe bewoners het gevoel hebben in een verlengstuk van het oude dorp te wonen, niet in een anonieme nieuwbouwwijk. Doel en effecten: Deze forse bouwgolf is bedoeld om de gemeenschap te versterken en tekorten op te vangen. In 2040 is er voor vrijwel alle woningzoekenden een plek in Aalten. Jongeren en starters kunnen veel makkelijker aan hun eerste huis komen; we ontwikkelen speciale projecten voor hen, zoals betaalbare huur/koop in nieuwbouwwijken, kluswoningen die ze zelf afbouwen, of CPO-projecten waarbij jongeren samen hun buurtje ontwikkelen. Ook voor ouderen bouwen we veel levensloopbestendige woningen (appartementen, patiowoningen) zodat zij kunnen doorstromen – hun vrijgekomen gezinswoningen komen dan beschikbaar voor jonge gezinnen. Wachtlijsten verdwijnen nagenoeg: waar voorheen mensen vanwege woningnood wegtrokken, kunnen ze nu in onze gemeente blijven.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Aalten&id=455c69f4-b450-447f-aed8-57b9829464b8